Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Opsterland

Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOpsterland
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingAfstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010
CiteertitelAfstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 2, art. 41, lid 1
  2. Gemeentewet, art. 147

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

30-09-201001-10-200901-01-2013Nieuwe regeling

13-09-2010

Woudklank, 30-09-2010

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010

Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010

 

De Raad van de gemeente Opsterland;

gezien het advies van het cliëntenplatform CUMO;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Opsterland d.d. 13 juli 2010;

gelet op de artikelen 12, eerste lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren en artikel 147, eerste lid Gemeentewet;

overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van sanctie bij verordening te regelen;

 

besluit vast te stellen de:

 

Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010

 

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren en de Algemene wet bestuursrecht

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder

    • a.

      wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ);

    • b.

      Inkomensvoorzieningsnorm: de op grond van artikel 5, eerste lid, van de wet op de jongere van toepassing zijnde norm;

    • c.

      verlaging: een verlaging op grond van artikel 41, eerste lid, van de wet;

    • d.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland.

       

Artikel 2 Het opleggen van een verlaging

  • 1.

    Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college, in overeenstemming met deze verordening, het bedrag van de aan de jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.

  • 2.

    Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde verlagingen, zowel in de hoogte als in de duur.

     

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

  • 1.

    De verlaging wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde inkomensvoorzieningsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, indien:

    • a.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Wet werk en bijstand, of

    • b.

      de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand, daartoe aanleiding geeft.

       

Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een verlaging

In het besluit tot opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het bedrag waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.

 

Artikel 5 Horen van belanghebbende

  • 1.

    Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de jongere in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 11, vierde lid, van de wet, werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet; of

    • d.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

       

Artikel 6 Afzien van het opleggen van een verlaging

  • 1.

    Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af van het opleggen van een verlaging indien:

    • a.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een inkomensvoorziening is verleend.

    • b.

      het college dringende redenen aanwezig acht.

  • 2.

    Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

     

Artikel 7 Ingangsdatum

  • 1.

    De verlaging wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de jongere is bekendgemaakt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen.

     

Artikel 8 Samenloop

  • 1.

    Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen verlagingen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste verlaging opgelegd.

  • 2.

    Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is gesteld.

     

Artikel 9 Schending inlichtingenplicht zonder benadeling (eerste categorie)

  • 1.

    Indien het niet, niet tijdig of behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een verlaging opgelegd van vijf procent van de inkomensvoorzieningsnorm.

  • 2.

    De duur van de verlaging wordt vastgesteld op een maand

  • 3.

    Bij recidive:

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan het percentage van de verlaging worden verdubbeld indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging.

  • 4.

    Bij volharding:

  • 5.

    Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in lid 1 binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging als bedoeld in lid 1 wordt een verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm opgelegd voor de duur van 12 maanden tegen het percentage dat bij recidive van toepassing is.

  • 6.

    Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

     

Artikel 10 Schending inlichtingenplicht met benadeling (tweede categorie)

  • 1.

    Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt een verlaging opgelegd van tien procent van de inkomensvoorzieningsnorm.

  • 2.

    De duur van de verlaging wordt vastgesteld op een maand.

  • 3.

    Bij recidive:

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan het percentage van de verlaging worden verdubbeld indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging.

  • 4.

    Bij volharding:

  • 5.

    Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in lid 1 binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging als bedoeld in lid 1 wordt een verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm opgelegd voor de duur van 12 maanden tegen het percentage dat bij recidive van toepassing.

  • 6.

    Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

  • 7.

    Van een verlaging wordt afgezien:

    • a.

      zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;

    • b.

      zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft getroffen.

       

Artikel 11 Schending verplichting als bedoeld in artikel 45 en het zeer ernstig misdragen (derde categorie)

  • 1.

    Bij een gedraging inhoudende schending van een verplichting als bedoeld in artikel 45 van de wet wordt een verlaging opgelegd van twintig procent van de inkomensvoorzieningsnorm. De volgende gedragingen worden daarbij onderscheiden:

    • a.

      het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard;

    • c.

      het stellen van onredelijke eisen in verband met door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren;

    • d.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van de arbeidsbekwaamheid;

    • e.

      het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;

    • f.

      het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar beste vermogen te verrichten.

  • 2.

    Bij het zich ernstig misdragen tegenover het college of tegenover de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet ,wordt een verlaging opgelegd van twintig procent van de inkomensvoorzieningsnorm.

  • 3.

    De duur van de verlaging wordt vastgesteld op een maand.

  • 4.

    Bij recidive:

    • a.

      In afwijking van het eerste lid kan het percentage van de verlaging worden verdubbeld indien de jongere zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, opnieuw één van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet schendt.

    • b.

      In afwijking van het tweede lid kan een verlaging worden opgelegd van honderd procent van de inkomensvoorzieningsnorm indien binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een verlaging is opgelegd in verband met het zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of tegenover de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet, indien de jongere zich opnieuw ernstig misdraagt tegenover het college of tegenover de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet.

  • 5.

    Bij volharding:

    Bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste en tweede lid binnen twaalf maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt een verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm opgelegd voor de duur van 12 maanden tegen het percentage dat bij recidive van toepassing is.

  • 6.

    Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de verordening.

     

Artikel 12 Heroverweging

  • 1.

    Het college heroverweegt de in artikel 9, vierde lid,de in artikel 10, vierde lid en de in artikel 11, vijfde lid, bedoelde verlaging, of de verlaging die na een eerdere heroverweging voor een periode langer dan drie maanden is voortgezet, binnen een termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot verlaging of voortzetting van de verlaging.

  • 2.

    In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot herziening beëindiging of voortzetting van de verlaging.

  • 3.

    Het college kan bij een besluit tot voortzetting van de verlaging het percentage van de verlaging genoemd in artikel 9 lid 3, in artikel 10 lid 3 en in artikel 11 lid 4 onder a) verdubbelen, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

     

Artikel 13 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening Wet investeren in jongeren Opsterland 2010.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009.

     

     

    Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 september 2010.

     

     

    De griffier, De voorzitter,

     

    Ieke Zwart. Francisca Ravestein.

     

     

     

    Toelichting Afstemmingsverordening WIJ Opsterland 2010

     

    Algemene toelichting

    De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening

    Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden. Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op de uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien.

     

    De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, als het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of als er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is een bepalend element in de WIJ.

     

    De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.

     

    In de WIJ is bewust geen sprake van een uitkering, maar van een inkomensvoorziening. Dit voert weer terug op hetgeen hierboven is beschreven: eerst werken en/of leren, en wanneer daaruit geen of onvoldoende inkomsten worden verworven, wordt in het inkomen voorzien. Er is dan ook geen sprake van een uitkeringsnorm, maar van een inkomensvoorzieningsnorm.

     

    Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen ontoereikend, dan bestaat in beginsel recht op een inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening volgt in grote lijnen de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze voorziening.

    Wanneer een recht op een inkomensvoorziening bestaat, dan wordt deze ambtshalve toegekend.

    Een aanvraag in het kader van de WIJ is dan ook geen aanvraag om een uitkering, maar om een werkleeraanbod. Ook hier is het verschil met de WWB zichtbaar: Ingevolge de WWB wordt een uitkering aangevraagd, waar arbeidsverplichtingen aan zijn verbonden.

     

    Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De jongere heeft een recht op een werkleeraanbod. In de praktijk wordt dit vertaald naar een verplichting van de gemeente om de jongere een werkleeraanbod aan te bieden. De jongere is daartegenover verplicht om mee te werken en de inlichtingenplicht na te leven. Worden deze verplichtingen geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd te worden (artikel 41, eerste lid, WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels die in een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de Afstemmingsverordening.

     

    Reikwijdte afstemmingsverordening WIJ

    In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel mogelijk WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde reikwijdte van de gemeentelijke afstemmingsverordening beperkter van aard dan die in de WWB. Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen worden gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel 45 WIJ).

     

    Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in het bestaan, anders dan in de vorm van schending van één van de in artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat de inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval van het onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid, als deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor een werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van de jongere heeft in deze geprevaleerd boven het als verlagingwaardig aanmerken van de bovengenoemde gedragingen.

     

    De afstemmingsverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter strekking en reikwijdte dan de afstemmingsverordening WWB en wijkt daarom af waar het de omschreven verlaging waardige gedragingen betreft.

     

    Verlagen is maatwerk

    Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een vorm van maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen de kaders van de WWB het geval is, dient de verlaging afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt gevormd door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de afstemmingsverordening zijn de gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere kan aanleiding worden gevonden om van de standaardverlaging af te wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ). Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging ook afgestemd blijft op de omstandigheden van de jongere en deze niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft beschikken.

     

    Berekeningsgrondslag en duur van de verlaging

    De verlaging wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm. Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de gedachte kunnen rijzen dat het noemen van vaste bedragen in de verordening wellicht handiger zou zijn. Daar tegenover staat echter dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en disproportionaliteit kan leiden. Een verlaging van € 250,- betekent voor een 20-jarige een verlies van vrijwel de volledige inkomensvoorziening, terwijl dit voor een 21-jarige verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft. Bovendien roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag ook het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de verlaging in deze verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm.

     

    In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere duur van de maatregel. Dit is echter bij de verschillende sanctioneerbare gedragingen in een afzonderlijke bepaling benoemd, Bij recidive geldt als regel dat het percentage verdubbeld wordt. De duur blijft hetzelfde . Deze keuze sluit aan bij de Afstemmingsverordening WWB.

     

    Verlaging of intrekking inkomensvoorziening?

    Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de jongere verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt. inkomensvoorziening staat de verplichting van de jongere om mee te werken aan de totstandkoming daarvan, bijv. door mee te werken aan een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan het werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ.

     

    Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar niet na, dan staat de gemeente diverse instrumenten ter beschikking. Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarop de verplichtingen betrekking hebben.

     

    Aanvraagfase

    Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben op de aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het college de jongere geen werkleeraanbod (artikel 17, vijfde lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening. Uit artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers voort dat voor zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil nakomen, geen recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook voor andere gedragingen van de jongere waaruit kan worden afgeleid dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige schending van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het werkleeraanbod, dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening verlaagd worden conform de gemeentelijke afstemmingsverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Zo is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een verlaging aan de orde kunnen komen.

     

    Van toekenning tot tenuitvoerlegging

    Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het werkleeraanbod worden ingetrokken (art. 21, onderdeel b WIJ). Door de weigering bestaat geen recht op een inkomensvoorziening (art. 42, eerste lid, onderdeel a WIJ). Zoals reeds aangegeven bestaat dat recht evenmin als uit houding en gedrag van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat hij de verplichtingen die verbonden zijn aan het werkleeraanbod in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onderdeel c ,WIJ). Het werkleeraanbod kan daarnaast ook worden herzien of ingetrokken als de jongere één of meerdere verplichtingen schendt die specifiek betrekking hebben op de voorbereiding op en uitvoering van het werkleeraanbod (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het nalaten een behandeling van medische aard te ondergaan, of het stellen van onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten werkzaamheden. Met de intrekking van het werkleeraanbod vervalt automatisch het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Bij een herziening blijft de inkomensvoorziening in stand.

     

    Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt, conform de gemeentelijke afstemmingsverordening (artikel 41, eerste lid, WIJ). Het college dient te kiezen welke weg bewandeld wordt, hetzij de intrekking van werkleeraanbod en inkomensvoorziening, hetzij het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging van die voorziening. Het past evenwel in het systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen tot verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger gedrag, bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere verplichtingen of van herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is immers in de geest van de regeling om, met het oog op duurzame arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod niet te snel in te trekken. Dit is in de wetgeving tot uitdrukking gebracht doordat verlaging van de inkomensvoorziening bij schending van de verplichtingen imperatief is voorgeschreven, waar intrekking van het werkleeraanbod (artikel 21 WIJ) een bevoegdheid is, juist vanwege de verstrekkende gevolgen daarvan. Bedacht moet daarbij immers worden dat intrekking van het werkleeraanbod tevens intrekking van de inkomensvoorziening tot gevolg heeft (indien toegekend) en dus het effect van ‘dubbele’ bestraffing kan hebben. Het is daarom raadzaam om niet lichtvaardig tot intrekking van het werkleeraanbod over te gaan. Een beleid waarbij slechts in uitzonderingsgevallen tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan, mag daarom in lijn met de bedoelingen van de wetgever worden geacht. Een dergelijke uitzonderingssituatie zal zich in de aanloop naar de feitelijke tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod niet spoedig voordoen. Daarvan kan sprake zijn als van de gemeente niet meer gevergd kan worden dat uitvoering wordt gegeven aan het werkleeraanbod. In de verordening Werkleeraanbod kan worden vastgelegd wanneer de gedragingen van de jongere ernstig genoeg zijn om een intrekking van het werkleeraanbod te rechtvaardigen. Het is ook denkbaar dat dit in beleidsregels nader wordt uitgewerkt.

     

    Vanaf de tenuitvoerlegging

    Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd, conform de afstemmingsverordening (art. 41, eerste lid WIJ). Daarnaast vervalt het recht op inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid, onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals gezegd, tevens het recht op inkomensvoorziening (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). Hetgeen hierboven over de keuze tussen verlaging van de inkomensvoorziening en intrekking van het werkleeraanbod is gezegd geldt mutatis mutandis ook voor deze fase.

     

    Verlaging of intrekking: beleid

    Factoren die betrokken kunnen worden bij het formuleren van beleid m.b.t. de keus tussen intrekken van het werkleeraanbod of verlagen van de inkomensvoorziening zouden kunnen zijn:

    is er sprake van herhaald gedrag?

    wat is de kans op herhaling?

    wat is het belang voor de jongere bij dit werkleeraanbod?

    wat zijn de kansen op arbeidsinschakeling bij voortzetting van het werkleeraanbod?

    heeft het gedrag de belangen van derden geschaad?

    kan van de instelling/bedrijf waar het werkleeraanbod feitelijk wordt uitgevoerd nog worden gevergd dat de jongere het werkleeraanbod daar voortzet?

    Het valt buiten het bestek van deze verordening om daarover concretere aanbevelingen te doen.

     

    Relatie met Verordening Werkleeraanbod

    De verordening Werkleeraanbod en de afstemmingsverordening vormen twee kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college plicht op om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door de verordening Werkleeraanbod gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere verplicht is het aanbod te aanvaarden en de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt de afstemmingsverordening het kader voor verlaging van de inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In de verordening Werkleeraanbod kan ook worden vastgelegd onder welke voorwaarden en omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod (en daarmee de inkomensvoorziening) kan worden overgegaan. Dit is in de verordening Werkleeraanbod vastgelegd in artikel 7. Daarmee wordt dan tevens de grens afgebakend met het verlagen van de inkomensvoorziening. Zoals gezegd is het in lijn met de wetgever als slechts in bijzondere omstandigheden tot intrekking van het werkleeraanbod wordt overgegaan. Zie verder de verordening Werkleeraanbod.

    De verplichtingen die tot een verlaging kunnen leiden

    De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening jegens het college zijn verbonden zijn de volgende:

    de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ)

    de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ)

    de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ)

    verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod (artikel 45 WIJ)

     

    Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een inlichtingenplicht jegens het UWV, die bij schending ook tot het opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ).

     

    Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht

    Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in beginsel tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen betreffen de inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen er in beginsel toe leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening niet kan worden vastgesteld en daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken kan worden, conform de WWB. Om die reden zijn ze in het kader van deze verordening niet als ‘verlagingwaardige’ gedragingen aangemerkt, naar analogie van de afstemmingsverordening WWB. In de praktijk blijkt dat dit niet als een gemis wordt ervaren.

     

    Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet niet alleen op de informatieplicht van de jongere jegens het college maar ook UWV WERKbedrijf.

     

    Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod

    In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen omschreven die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden tot verlaging van de eventuele inkomensvoorziening. Voor het categoriseren van de gedragingen die tot een verlaging van de inkomensvoorziening leiden bij schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod als bedoeld in artikel 45 WIJ zijn verschillende mogelijkheden denkbaar.

    In deze verordening worden verschillende verlagingspercentages gehanteerd voor schending van de verschillende verplichtingen, in aansluiting op de huidige bijstandspraktijk. Er wordt daarom gedifferentieerd tussen de verschillende verplichtingen. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. In deze verordening is gekozen voor de benadering waarbij zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht met de Afstemmingsverordening WWB. In die verordening zijn aan schending van die verplichtingen verlagingen van uiteenlopende hoogte verbonden. Gehandeld wordt in overeenstemming met de wens om bijstandsgerechtigden en jongeren zoveel mogelijk gelijk te behandelen, als bij het inrichten van de afstemmingsverordening WIJ een categorie-indeling wordt gemaakt van gedragingen die een schending van de verplichtingen opleveren en daarbij een opbouw plaatsvindt in de hoogte van de verlagingen, die zoveel mogelijk in overeenstemming met de Afstemmingsverordening WWB is.

    Er wordt een drietal categorieën onderscheiden waarvoor een verlaging geldt van respectievelijk 5, 10 en 20%.

    Dit is geregeld in respectievelijk artikel 10, 11 en 12 van deze verordening.

     

    Artikelsgewijze toelichting

     

    Artikel 1 Begripsomschrijving

    De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als in de WIJ.

    In deze verordening wordt de term “inkomensvoorzieningsnorm” gebruikt. Deze term wordt in de Veegwet WIJ (“Aanpassing van de Wet investeren in jongeren en enkele andere wetten ter verduidelijking en verbetering van enige punten”, dossiernr. 32 260) ingevoerd, als toevoeging aan artikel 5 van de WIJ. Op het moment van opstellen van deze verordening is deze Veegwet nog in behandeling bij de Eerste Kamer.

     

    Artikel 2 Het opleggen van een verlaging

    Eerste lid

    Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een verlaging (artikel 41, eerste lid, WIJ). In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving wordt dit afgeraden, niettemin is deze grondslag omwille van de leesbaarheid, duidelijkheid en consistentie, evenals in de Afstemmingsverordening WWB, hier herhaald. Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging niets afdoet aan intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de orde.

    Tweede lid

    In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere afzonderlijk. Waar verderop in de verordening gedragingen worden genormeerd, kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet verwoord, zodat bij de normering van de verlagingen in het vervolg van de verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de verlaging een x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w. met de mogelijkheid af te wijken.

     

    Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:

    Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.

    Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.

    Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.

    De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.

     

    Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:

    bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;

    sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;

    bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel van verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.

     

    Artikel 3 De berekeningsgrondslag

    In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd over de toepasselijke inkomensvoorzieningsnorm.

    Ook jongeren kunnen gebruik maken van de bijzondere bijstand. Daarom is de mogelijkheid aanwezig, om een verlaging ook op die bijzondere bijstand toe te passen.

    Dit houdt tevens in, dat jongeren vanuit die bijzondere bijstand een aanvulling kunnen krijgen op hun inkomensvoorzieningsnorm, wanneer zij geen beroep kunnen doen op (financiële) ondersteuning van hun ouders (of andere onderhoudsplichtigen) in hun algemene bestaanskosten.

     

    Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een verlaging

    Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een verlaging wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd (afdeling 3.7 Awb ).

     

    Artikel 5 Horen van de belanghebbende

    Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12), behalve bij subsidies.

    In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven.

     

    Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Onderdeel c staat ook genoemd in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. Onderdeel d heeft betrekking op de situatie dat het horen overbodig is omdat de ernst van de gedraging volstrekt duidelijk is of omdat de mate van verwijtbaarheid niet ter discussie staat.

     

    Artikel 6 Afzien van het opleggen van een verlaging

    Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden van het opleggen van een verlaging wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een verlaging wordt afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

    Eerste lid

    Een reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b geregeld dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.

    Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden afgezien van het opleggen van een verlagingl. Van dringende redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een verlaging onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake zijn.

    Tweede lid

    Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele recidive.

     

    Artikel 7 Ingangsdatum

    Eerste lid

    Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de inkomensvoorzieningsnorm. Verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm kan in beginsel op twee manieren:

    1. met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de inkomensvoorziening; of

    2. door middel van verlaging van de inkomensvoorzieningsnorm in de eerstvolgende maand(en).

    Het verlagen van de inkomensvoorzieningsnorm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode.

    Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende inkomensvoorzieningsnorm.

    Tweede lid

    Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een verlaging worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke verlaging opgelegd, dan moet een tevens besluit tot herziening van de inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden genomen.

     

    Artikel 8 Samenloop

    De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). Indien sprake is van één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de verlaging te worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste verlaging van toepassing is.

    Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop) dan dient voor iedere gedraging afzonderlijk het verlagingspercentage te worden berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is.

    (zie ook artikel 2, tweede lid van deze verordening).

     

    Artikel 9 Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente

    De artikelen 9 en 10 hebben betrekking op een schending van de inlichtingenplicht, genoemd in artikel 44 van de WIJ. Er wordt een onderscheid gemaakt in situaties, waarbij de gemeente niet is benadeeld in die zin, dat niet ten onrechte of te veel inkomensvoorzieningsnorm is verstrekt, en situaties waar dat wel het geval is.

    Eerste lid

    Dit heeft betrekking op relatief lichte schendingen zoals het niet tijdig inleveren van de inkomstenverklaring of het niet naar behoren verstrekken van inlichtingen die van belang kunnen zijn bij de arbeidsinschakeling. Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen die, als ze wel tijdig zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor (de hoogte van) het recht op de inkomensvoorziening of het recht op het toekennen of uitvoering van het werkleeraanbod.

    De verlaging is bepaald op 5% procent.

    Tweede lid

    De duur van de verlaging is bepaald op één maand. Deze duur wordt in de regel toegepast bij een eerste verwijtbare gedraging.

    Derde lid

    Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van het percentage van de verlaging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt.

    Vierde lid

    Van volharding is sprake bij een derde en volgende gedraging van de gedraging als bedoeld in het eerste lid binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging. Omdat een verlaging voor de duur van 12 maanden relatief grote gevolgen heeft, geldt hier bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging.

    Overigens is het college verplicht een besluit tot verlaging van de inkomensvoorziening binnen een termijn van ten hoogste 3 maanden te heroverwegen (artikel 41, derde lid, van de wet ). Deze heroverweging is geregeld in artikel 12 van deze verordening.

     

    Artikel 10 Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente

    De hier genoemde gedragingen zijn vergelijkbaar met die van de eerste categorie als bedoeld in artikel 9, maar met dit verschil dat het in deze categorie gaat om inlichtingen die direct van invloed zijn op het recht op het leerwerkaanbod of het recht op een inkomensvoorziening. Bij het recht op een inkomensvoorziening moet men hierbij met name denken aan gegevens over de woonsituatie of over de hoogte van genoten inkomsten of middelen die tot het vermogen worden gerekend, waarvan de jongere redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat deze van invloed zijn op het recht op een inkomensvoorziening. Onjuiste gegevens met betrekking tot de woonsituatie hebben ook invloed op het recht op een werkleeraanbod. Er kan in deze situaties sprake zijn van fraude als de jongere de bedoelde inlichtingen bewust heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager vaststellen van het recht op een inkomensvoorziening of tot beëindiging van de inkomensvoorzieningen.

    Eerste lid

    In het eerste lid is de verlaging bepaald op 10% procent.

    Tweede lid

    In het tweede lid is de duur van de verlaging bepaald namelijk een maand.

    Derde lid

    Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van het percentage van de verlaging .Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt.

    Vierde lid

    Van volharding is sprake bij een derde en volgende gedraging van de gedraging als bedoeld in het eerste lid binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging. Omdat een verlaging voor de duur van 12 maanden relatief grote gevolgen heeft, geldt ook hier weer bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging. Het college is verplicht het besluit tot verlaging binnen 3 maanden te heroverwegen. Deze heroverweging is geregeld in artikel 12 van deze verordening.

    Vijfde lid

    Dit lid spreekt voor zich.

    Zesde lid

    In het zesde lid is vastgelegd dat van een verlaging wordt afgezien als inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen. In dergelijke situaties is een verlaging niet meer opportuun.

     

    Artikel 11 Schending van de verplichtingen als bedoeld in artikel 45 van de wet en het zich zeer ernstig misdragen.

    De gedragingen die schending van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 WIJ inhouden betreffen de arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Met het zich zeer ernstig misdragen wordt bedoeld het zeer ernstig misdragen jegens het college of jegens de in zijn opdracht werkende ambtenaren of medewerkers, als bedoeld in artikel 41, eerste lid van de wet.

    Eerste lid

    In artikel 45 van de wet zijn de verplichtingen genoemd die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling waaronder begrepen de verplichting mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling . De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de jongere deze verplichting niet of onvoldoende nakomt Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat traject. Voorts vallen ook de zeer ernstige gedragingen onder artikel 11.

    In het eerste lid is de verlaging bepaald op 20 procent.

    Tweede lid

    In artikel 41, eerste lid, van de wet wordt gesproken over ‘het zich tegenover het college zeer ernstig misdragen”.

     

    Onder de term “zeer ernstige misdragingen” kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.

     

    Er kan alleen een verlaging opgelegd worden indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WIJ.

     

    Dit betekent, dat niet alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een verlaging maar dat ook een verlaging opgelegd kan worden als een jongere zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WIJ (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf).

     

    Het opleggen van een verlaging wordt toegepast bij die gedragingen waarvan ook aangifte bij de politie wordt gedaan door de functionaris tegen wie de agressie zich richtte. De verlaging moet worden gezien als een signaal vanuit het college naar de belanghebbende dat zijn gedrag onacceptabel is. Het is aan de rechter om deze gedraging verder strafrechtelijk te beoordelen. Indien de gedraging geen aanleiding geeft voor aangifte en dus geen verlaging wordt opgelegd, dan blijft de mogelijkheid open belanghebbende tijdelijk de toegang tot het gebouw te ontzeggen. Dit wordt in de praktijk als toereikend en effectief ervaren.

    In het tweede lid is de verlaging bepaald op 20 procent.

    Derde lid

    De duur van de verlaging bepaald namelijk een maand.

    Vierde lid

    Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van het percentage van de verlaging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, bekend is gemaakt.

    Voor de gedraging als bedoeld in artikel 41, eerste lid, wordt bij recidive de verlaging vastgesteld op 100 %.

    Vijfde lid

    Van volharding is sprake bij een derde en volgende gedraging van de gedraging als bedoeld in het eerste lid binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging. Omdat een verlaging voor de duur van 12 maanden relatief grote gevolgen heeft, geldt hier ook bij uitstek het vereiste van een zorgvuldige belangenafweging. Het college is verplicht het besluit tot verlaging binnen 3 maanden te heroverwegen. Deze heroverweging is geregeld in artikel 12 van deze verordening.

     

    Artikel 12 Heroverweging

    Eerste lid

    Artikel 41, derde lid, van de wet schrijft voor dat het college een verlaging moeten heroverwegen binnen uiterlijk drie maanden. Deze heroverweging kan achterwege blijven als de verlaging voor een periode van ten hoogste drie maanden is opgelegd.

    Binnen drie maanden na de beschikking tot verlaging voor onbepaalde duur moet het college beginnen met het onderzoek in het kader van de heroverweging. Dit onderzoek kan in sommige gevallen schriftelijk plaatsvinden, afhankelijk van de aard van de verplichting of gedraging. Zo kan, bijvoorbeeld wanneer het gaat om het al dan niet nakomen van de sollicitatieplicht, worden volstaan met het opvragen van schriftelijke bewijzen waaruit blijkt dat de jongere inmiddels aan de sollicitatieplicht is gaan voldoen. In andere gevallen zal het noodzakelijk zijn om de belanghebbende op te roepen. Als de jongere de gevraagde gegevens niet overlegt of geen gehoor geeft aan oproepen, dan vindt heroverweging plaats op basis van de dan bekende gegevens, hetgeen veelal tot voortzetting van de verlaging zal leiden. De heroverweging resulteert in een beschikking.

    Tweede lid

    Het resultaat van de heroverweging kan drieledig zijn.

     

    De jongere laat blijken zich inmiddels niet langer schuldig te maken aan de verwijtbare gedraging waarvoor de verlaging was opgelegd. In dat geval zal de verlaging worden herzien met ingang van het moment waarop van verder verwijtbaar gedrag geen sprake meer is.

     

    Beëindiging van de verlaging na drie maanden vindt plaats als de jongere aannemelijk maakt dat hij zich voortaan aan de opgelegde verplichtingen zal houden.

     

    Van voortzetting zal sprake zijn als de jongere zich ook ten tijde van de heroverweging nog steeds aan de verwijtbare gedraging schuldig maakt. De voortzetting kan, afhankelijk van de omstandigheden, mate van verwijtbaarheid en ernst van de gedraging, plaatsvinden voor opnieuw 12 maanden. Bij voortzetting voor de verlaging moet binnen uiterlijk drie maanden opnieuw een heroverweging plaatsvinden.

     

    Heroverweging kan overigens leiden tot voortzetting met vaststelling van een lager percentage als de jongere blijk geeft zijn gedrag enigszins, maar onvoldoende te hebben verbeterd.

    Derde lid

    Deze bepaling biedt de mogelijkheid om bij volharding het percentage van de verlaging dat van toepassing is bij recidive genoemd in de artikelen 9 lid 3, 10 lid 3 en 11 lid 4 onder a te verdubbelen. Men moet hierbij bijvoorbeeld denken aan de weigerachtigheid om actief te solliciteren. Als hiervoor een verlaging is opgelegd en de jongere blijft onvoldoende actief in het zoeken naar werk, ook na een tweede verlaging voor twee maanden en na een derde voor de duur van 12 maanden, dan kan bij de voortzetting het percentage worden verdubbeld. Verlaging van het percentage is mogelijk indien de jongere blijk geeft zijn gedrag enigszins, maar onvoldoende te hebben verbeterd. Ook hierbij staat een zorgvuldige belangenafweging voorop.