Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Opsterland

Algemene subsidieverordening Opsterland 2005 (ASV)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOpsterland
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingAlgemene subsidieverordening Opsterland 2005 (ASV)
CiteertitelAlgemene subsidieverordening Opsterland 2005
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De regeling treedt in werking op 1 december 2005 en is voor het eerst van toepassing op het subsidiejaar 2006.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art. 149
  2. Algemene wet bestuursrecht, art. 4:23

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Subsidieverordening cultuurpromotie Opsterland 2011

Subsidieverordening vrijwilligersactiviteiten Opsterland 2011

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-12-200501-07-2012Nieuwe regeling

07-11-2005

Woudklank, 17-11-2005

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Algemene subsidieverordening Opsterland 2005 (ASV)

Algemene Subsidieverordening Opsterland 2005

 

De raad van de gemeente Opsterland;

gelezen het voorstel van Burgemeester en wethouders van 27 september 2005, inzake de Algemene subsidieverordening;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht,

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Algemene Subsidieverordening van de gemeente Opsterland 2005

 

Overzicht paragrafen en artikelen

 

A Algemene bepalingen:

1. Begripsomschrijvingen

2. Doelstelling van de verordening / bevoegdheid

3. Te subsidiëren activiteiten

4. Vaststelling subsidieplafonds

5. Subsidiesoorten

6. Subsidiabele kosten

7. Van toepassingverklaring afdeling 4.2.8. van de Awb.

 

B De aanvraag om subsidie

8. Indiening aanvraag

9. Tijdstip indiening aanvraag

10. Vereisten aanvrager

11. Vereisten aanvraag om incidentele subsidie

12. Vereisten aanvraag om investeringssubsidie

13. Vereisten aanvraag om structurele subsidie

14 Aanvullende vereisten aanvraag om budgetsubsidie

15 Verzuimherstel

 

C Toetsing aanvraag

16. Toetsingskader

17. Weigeringsgronden

 

D Subsidieverlening

18. Subsidieverlening

19. Meerjarige subsidie

 

E Verplichtingen van de subsidieontvanger

20. Administratie

21. Reserves en voorzieningen

 

F Vaststelling van de subsidie

22. Aanvraag tot vaststelling subsidie

23. Termijn voor herstel verzuim

24. Vaststelling subsidie bij onvolledige aanvraag

25. Beslistermijn

 

G Betaling

26. Voorschotten

27. Uitbetaling

28. Terugvordering

 

H Slotbepalingen

29. Ontheffing, buiten toepassing laten van (delen van) de verordening

30. Bijzondere gevallen

31. Overgangsbepalingen

32. Citeertitel en inwerkingtreding

 

 

A. Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanvrager: alle rechtspersonen en (groepen van) natuurlijke personen die subsidie aanvragen in de zin van titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht.

  • b.

    Activiteit: de activiteit die door de subsidieontvanger zal worden uitgevoerd en die door het gemeentebestuur kan worden gesubsidieerd

  • c.

    Activiteitenplan: een overzicht van de activiteiten overeenkomstig artikel 4:62 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • d.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opsterland.

  • e.

    Gemeente: het grondgebied van de gemeente Opsterland.

  • f.

    Prestatie: in meetbare eenheden omschreven resultaten.

  • g.

    Raad: de gemeenteraad van de gemeente Opsterland.

  • h.

    Rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die zich, zonder winstoogmerk, de behartiging van de belangen van ideële en / of materiële aard van (een deel van) de bevolking van Opsterland ten doel stelt.

  • i.

    Subsidie: een aanspraak op financiële middelen, door het college verleent met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het college geleverde goederen of diensten.

  • j.

    Subsidieontvanger: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die subsidie ontvangt uit hoofde deze verordening.

  • k.

    Subsidieperiode: het in de subsidieverleningbeschikking en / of de uitvoeringsovereenkomst bepaalde respectievelijk overeengekomen tijdvak waarvoor de subsidie is verleend; dit tijdvak kan gelijk zijn aan een kalenderjaar.

  • l.

    Subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verlenening van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift (in de zin van artikel 4:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • m.

    Uitvoeringsovereenkomst: de overeenkomst die in de zin van artikel 4:36 van de Wet tussen de subsidieontvanger en het gemeentebestuur kan worden gesloten ter uitwerking van de subsidiebeschikking. In een uitvoeringsovereenkomst worden in ieder geval aangegeven: de looptijd van de subsidie de maximale hoogte van het subsidiebedrag de uit te voeren activiteiten de beoogde prestaties de doelgroep(en) met betrekking tot de te ontwikkelen activiteiten en te verrichten prestaties.

  • n.

    Wet: Algemene wet bestuursrecht.

     

Artikel 2 Doelstelling van de verordening / bevoegdheid

  • 1.

    Het college verleent subsidie om het verrichten van activiteiten binnen de gemeente te stimuleren voor zover deze naar de mening van het college in voldoende mate in een direct aanwijsbaar belang voor de gemeente wordt geacht te passen binnen het door de raad geformuleerde beleid en die door de raad als subsidiabel zijn aangemerkt.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verleend voor zover de raad de benodigde gelden heeft toegekend. Het begrotingsvoorbehoud als genoemd in artikel 4:34 van de wet is daarbij van toepassing.

  • 3.

    Het college is belast met de uitvoering van deze verordening.

     

Artikel 3 Te subsidiëren activiteiten

Bij een deelverordening en / of beleidsregel moeten de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verleend nader worden bepaald, alsmede andere criteria, die voor die verlening gelden.

 

Artikel 4 Vaststelling subsidieplafonds

  • 1.

    Door het college worden subsidieplafonds vastgesteld met inachtneming van het door de raad beschikbaar gestelde budget.

  • 2.

    Het beschikbare bedrag wordt door het college verdeeld zoals vastgesteld in de productenramingen en het daarbij horende activiteitenplan.

  • 3.

    Het college wijzigt het subsidieplafond, zulks met inachtneming van een redelijke termijn, indien voor de desbetreffende begrotingspost het beschikbare budget:

    • a.

      tussentijds wordt verhoogd;

    • b.

      tussentijds wordt verlaagd.

       

Artikel 5 Subsidiesoorten

Deze verordening maakt een onderscheid in de volgende subsidies:

  • 1.

    Incidentele subsidies:

    • a.

      Incidentele activiteitensubsidie: een subsidie om activiteiten van eenmalige, incidentele aard uit te voeren. Het subsidiebedrag is gebaseerd op het ingediende activiteitenplan en de daarop gebaseerde begroting, voor zover deze zijn goedgekeurd door het college;

    • b.

      Projectsubsidie: een subsidie waarbij de subsidieontvanger een bedrag krijgt toegewezen ter uitvoering van een project met een specifieke gemeentelijke beleidsprioriteit. De basis voor een projectsubsidie is een subsidiebeschikking met een uitvoeringsovereenkomst;

    • c.

      Investeringssubsidie: een subsidie in de stichtingskosten of in de kosten van herstel, verbouwing of uitbreiding van gebouwen of inrichtingen van de instelling;

    • d.

      Incidentele waarderingssubsidie: een subsidie voor de incidentele activiteiten van een subsidieontvanger waarbij in beginsel geen verband bestaat tussen de kosten die de subsidieontvanger maakt en de subsidie die zij ontvangt. De activiteiten moeten passen binnen de doelstellingen van het collegeprogramma en qua karakter uitstijgen boven het niveau van de gebruikelijke activiteiten van de aanvrager, zulks ter beoordeling aan het college.

  • 2.

    Structurele subsidies:

    • a.

      Structurele activiteitensubsidie: een subsidie om activiteiten van structurele aard uit te voeren. Het subsidiebedrag is gebaseerd op het ingediende activiteitenplan en de daarop gebaseerde begroting, voor zover deze zijn goedgekeurd door het college;

    • b.

      Structurele waarderingssubsidie: een subsidie voor de structurele activiteiten van een subsidieontvanger waarbij in beginsel geen verband bestaat tussen de kosten die de subsidieontvanger maakt en de subsidie die zij ontvangt. De activiteiten moeten passen binnen de doelstellingen van het collegeprogramma en qua karakter uitstijgen boven het niveau van de gebruikelijke activiteiten van de aanvrager, zulks ter beoordeling aan het college;

    • c.

      Budgetsubsidie: een subsidie waarbij de subsidieontvanger een bedrag krijgt toegewezen om een tevoren overeengekomen takenpakket uit te voeren, een en ander vast te leggen in een uitvoeringsovereenkomst.

Artikel 6 Subsidiabele kosten bij activiteitensubsidies

  • 1.

    Met betrekking tot de in artikel 5 lid 1a en 2a genoemde subsidie worden de volgende subsidiabele kosten onderscheiden:

    • a.

      personeelskosten;

    • b.

      huisvestingskosten;

    • c.

      organisatie- / materiële kosten;

    • d.

      activiteitenkosten;

    • e.

      afschrijvingskosten;

    • f.

      overige door het college goedgekeurde kosten.

  • 2.

    Wachtgeldverplichtingen komen alleen voor subsidiëring in aanmerking voor zover ze rechtstreeks voortvloeien uit een besluit tot vermindering en / of beëindiging van subsidie. Wachtgelden uit een arbeidsconflict worden nooit vergoed en / of gesubsidieerd.

  • 3.

    Geen subsidiabele kosten zijn:

    • a.

      kosten van acties en dergelijke ter verwerving van inkomsten;

    • b.

      kosten van consumpties, traktaties, rookwaren, geschenken en attenties;

    • c.

      kosten verbonden aan festiviteiten ter gelegenheid van jubilea en dergelijke;

    • d.

      specifieke door ouders gemaakte kosten van aan activiteiten deelnemende kinderen en dergelijke;

    • e.

      materiële en financiële ondersteuning van derden;

    • f.

      kosten van barexploitatie;

    • g.

      kosten van levering van goederen en diensten aan derden, tenzij het college hiervoor vooraf toestemming heeft verleend en het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

  • 4.

    Op de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid worden de volgende baten in mindering gebracht:

    • a.

      eigen bijdragen van leden / deelnemers;

    • b.

      ontvangsten van renten van beleggingen;

    • c.

      ontvangsten van derden voor verrichte diensten;

    • d.

      uitkeringen van verzekeringen;

    • e.

      donaties.

       

Artikel 7 Van toepassingverklaring afdeling 4.2.8 van de wet

  • 1.

    Afdeling 4.2.8 van de wet is van toepassing op structurele subsidies in de zin van artikel 5 lid 2, indien de subsidieverlening meer dan EURO 400.000 per jaar betreft.

  • 2.

    De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71 van de wet.

  • 3.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 4:78 van de wet, onderzoekt de accountant tevens de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

     

     

    B. De subsidieaanvraag

     

     

Artikel 8 Indiening aanvraag

Een aanvraag om subsidie wordt overeenkomstig artikel 4:1 van de wet ingediend bij het college.

 

Artikel 9 Tijdstip indiening aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag om een incidentele activiteitensubsidie of een incidentele waarderingssubsidie wordt ten minste acht weken voordat met de activiteiten wordt aangevangen ingediend.

  • 2.

    Een aanvraag om een investeringssubsidie wordt ten minste twaalf weken voordat de opdracht tot de investering wordt gegeven ingediend.

  • 3.

    Een aanvraag om een projectsubsidie wordt ingediend op een door het college te bepalen tijdstip

  • 4.

    Een aanvraag om een structurele subsidie wordt ingediend vóór 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

  • 5.

    Een eerste of van eerdere aanvragen afwijkende aanvraag om een structurele subsidie wordt in afwijking van de in lid 4 genoemde termijnen, ingediend vóór 1 april voorafgaand aan het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

     

Artikel 10 Vereisten aanvrager

  • 1.

    Een structurele subsidie in de zin van artikel 5 lid 2 kan slechts worden verleend aan rechtspersonen.

  • 2.

    In bijzondere gevallen kan het college, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, subsidie verlenen aan aanvragers zonder volledige rechtspersoonlijkheid of (een groep van) natuurlijke personen. De natuurlijke persoon op wiens naam de subsidieverlening is gesteld, is hoofdelijk aansprakelijk voor de naleving van de daaraan verbonden verplichtingen. Daartoe wordt een door het college voor te leggen verklaring ondertekend. Het ondertekenen van een dergelijke verklaring is een opschortende voorwaarde voor subsidieverlening.

  • 3.

    De in deze verordening opgenomen bepalingen vinden, voor zover mogelijk, overeenkomstige toepassing op de in lid 2 genoemde aanvragers.

  • 4.

    Een incidentele subsidie in de zin van artikel 5 lid 1 kan zowel door rechtspersonen als door een natuurlijke persoon worden aangevraagd.

     

Artikel 11 Vereisten aanvraag om incidentele subsidie

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie bevat naast de in artikel 4:2, eerste lid van de wet genoemde gegevens:

    • a.

      naam en adres van de aanvrager;

    • b.

      een activiteitenplan;

    • c.

      een voldoende onderbouwde raming van de met de in het activiteitenplan vermelde activiteiten samenhangende inkomsten en uitgaven.

  • 2.

    Het college kan met betrekking tot de subsidieaanvraag nadere regels vaststellen.

     

Artikel 12 Vereisten aanvraag investeringssubsidie

In afwijking van artikel 11 bevat een aanvraag om een investeringssubsidie, naast de in artikel 4:2 van de wet genoemde gegevens, ter uitwerking van artikel 4:2, tweede lid van de wet:

  • a.

    een toelichting, waarin de aanvrager aangeeft waarom de voorgenomen investering noodzakelijk wordt geacht, een omschrijving van de bestemming en wat wordt gedaan om medegebruik door derden mogelijk te maken;

  • b.

    een gespecificeerde begroting van de kosten die verband houden met de voorgenomen investering;

  • c.

    een uitgewerkt plan of tekening met toelichting van datgene dat met de voorgenomen investering tot stand zal worden gebracht;

  • d.

    de exploitatierekening en balans met bijbehorende toelichting van het afgelopen boekjaar en de begroting van het lopende boekjaar;

  • e.

    afschriften van de benodigde vergunningen of van de aanvragen daarvan;

  • f.

    een akte of ander schriftelijk stuk waaruit blijkt dat – voor zover de ondergrond geen eigendom is van de aanvrager – een recht van opstal is gevestigd, eventueel gecombineerd met het recht van erfpacht.

     

Artikel 13 Vereisten aanvraag om structurele subsidie

  • 1.

    Een aanvraag om subsidie bevat naast de in artikel 4:2, eerste lid van de wet genoemde gegevens, ter uitwerking van artikel 4:2, tweede lid van de wet:

    • a.

      naam en adres van de aanvrager;

    • b.

      eventuele wijzigingen in de samenstelling van het bestuur ten opzichte van de vorige subsidieaanvraag;

    • c.

      een activiteitenplan;

    • d.

      een raming van de met de in het activiteitenplan vermelde activiteiten samenhangende inkomsten en uitgaven;

    • e.

      een inhoudelijk en financieel verslag van het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;

    • f.

      gegevens over de aard en omvang van het eigen vermogen van de aanvrager;

    • g.

      een opgave van de subsidiemogelijkheden die de aanvrager bij het college of bij derden heeft openstaan en van de mate waarin hiervan gebruik is of zal worden gemaakt;

  • 2.

    Indien een subsidieontvanger voor de eerste keer subsidie aanvraagt, wordt naast de gegevens die worden genoemd in het eerste lid een exemplaar van de oprichtingsakte, statuten of reglement en – indien van toepassing – een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel overgelegd.

  • 3.

    Het college kan met betrekking tot de subsidieaanvraag nadere regels vaststellen.

     

Artikel 14 Aanvullende vereisten aanvraag om budgetsubsidie

Naast de in het artikel 13 genoemde gegevens bevat een aanvraag om een budgetsubsidie tevens:

  • a.

    een beschrijving van het beoogde resultaat van de activiteiten in relatie tot de gestelde doelen, uitgedrukt in meetbare resultaten;

  • b.

    een begroting van de baten en lasten van het lopende boekjaar en het volgende boekjaar en een toelichting daarop;

  • c.

    een globaal inhoudelijk en financieel plan voor de volgende drie boekjaren;

  • d.

    een beschrijving van bestuurlijke, organisatorische dan wel andersoortige verhoudingen met andere instellingen en de wijze van samenwerking daarbij.

     

Artikel 15 Verzuimherstel

Het college kan besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, indien niet is voldaan aan de vereisten zoals die gesteld zijn in deze verordening, mist de aanvrager in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.

 

 

C. Toetsing aanvraag

 

 

Artikel 16 Toetsingskader

  • 1.

    Subsidiëring van activiteiten vindt slechts plaats voor zover deze naar de mening van het college in voldoende mate in een direct aanwijsbaar belang voor de gemeente wordt geacht, passen binnen het door de raad geformuleerde beleid en die door de raad als subsidiabel zijn aangemerkt.

  • 2.

    Slechts die activiteiten worden gesubsidieerd die georganiseerd zijn door een aanvrager die gevestigd of woonachtig is in de gemeente.

  • 3.

    Subsidieverlenening aan een aanvrager die niet gevestigd of woonachtig is in de gemeente kan geschieden als:

    • a.

      het activiteiten betreft waaraan inwoners van de gemeente deelnemen, èn

    • b.

      de activiteiten niet reeds door subsidieontvanger worden verricht, èn

    • c.

      de activiteiten niet reeds (toereikend) worden gesubsidieerd door een ander overheidsorgaan dan wel

    • d.

      de activiteiten zijn gericht op uitwerking van gemeentelijke beleidsdoelstellingen die een regionaal draagvlak vereisen.

       

Artikel 17 Weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidieverlening kan naast de in artikel 4:35 van de wet genoemde gronden geweigerd worden indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:

    • a.

      De activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede zullen komen aan de ingezeten van de gemeente.

    • b.

      De gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden aan het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld.

    • c.

      De aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde,

    • d.

      De aanvrager naar het oordeel van het college, met inachtneming van art. 21 lid 2, ook zonder de gevraagde subsidie over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan of heeft kunnen beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken.

  • 2.

    Structurele subsidie wordt in ieder geval niet verleend indien:

    • a.

      de rijks- en / of provinciale gelden die op het moment van de vaststelling van de begroting als bijdrage in de kosten van uitvoering van het beleid verwacht mochten worden niet daadwerkelijk worden verkregen;

    • b.

      de aanvrager niet heeft aangetoond dat zij reeds gedurende één jaar zelfstandig heeft gefunctioneerd.

       

       

      D. Subsidieverlening

       

       

Artikel 18 Subsidieverlening

  • 1.

    Het college beslist op een aanvraag voor een structurele subsidie voor 1 januari van het jaar waarin de activiteiten worden uitgevoerd. In de subsidieverleningsbeschikking wordt aangegeven welk (deel van het) budget verbonden is aan welke te leveren producten en prestaties en voor welk tijdvak.

  • 2.

    Het college beslist of een aanvraag voor een incidentele activiteitensubsidie of een incidentele waarderingssubsidie binnen 6 weken nadat de aanvraag volledig is. Deze beslissing houdt tevens een beoordeling in van alle door de aanvrager te overleggen bescheiden.

  • 3.

    Het college beslist of een aanvraag voor een projectsubsidie of een investeringssubsidie binnen 8 weken nadat de aanvraag volledig is. Deze beslissing houdt tevens een beoordeling in van alle door de aanvrager te overleggen bescheiden.

  • 4.

    Indien naast een beschikking gebruik gemaakt wordt van een uitvoeringsovereenkomst, dan wordt daarin vastgelegd dat de subsidieontvanger zich verplicht de overeengekomen producten en de prestaties conform de vastgelegde kwalitatieve en kwantitatieve eisen te leveren.

     

Artikel 19 Meerjarige subsidie

  • 1.

    Het college kan een subsidie verlenen met een looptijd van maximaal vier jaar.

  • 2.

    Deze verlening geschiedt met betrekking tot het tweede, derde en vierde jaar met toepassing van een begrotingsvoorbehoud.

  • 3.

    Indien het college een subsidie verleend met een looptijd van meer dan één jaar, kan hij, ter uitvoering van hetgeen in de subsidiebeschikking is opgenomen, kiezen voor een uitvoeringsovereenkomst op basis van de beschikking.

  • 4.

    Indien het college een subsidie verleend met een looptijd van meer dan één jaar dient de subsidieontvanger gedurende de subsidieperiode jaarlijks voor 1 mei aan het college te rapporteren. Deze rapportage dient een aan het activiteitenplan en de beschikking, en eventueel de uitvoeringsovereenkomst, gerelateerde rapportage te zijn, voorzien van een daarmee samenhangende financiële rapportage. Met name de afwijkingen ten opzichte van hetgeen in het activiteitenplan en de subsidieovereenkomst is opgenomen, dienen onderbouwd en gemotiveerd te zijn.

  • 5.

    Het college kan op verzoek van de aanvrager de datum, genoemd in lid 4, wijzigen.

  • 6.

    Het college kan met betrekking tot de inhoud van de rapportage nadere regels stellen.

     

     

    E. Verplichtingen van de subsidieontvanger

     

     

Artikel 20 Administratie

Het college legt de subsidieontvanger als verplichting, bedoeld in artikel 4:37 eerste lid onder b van de wet, op om aan het college of de door hen aangewezen personen desgevraagd inzage te verlenen in de administratie en inlichtingen te verschaffen welke van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de doelmatigheid en de rechtmatigheid van de besteding van de subsidie of voor het naleven van de voorschriften die aan de subsidieverlening zijn verbonden.

 

Artikel 21 Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Artikel 4:41 van de wet is van toepassing. De hoogte van de vergoeding als bedoeld in artikel 4:41 lid 1 sub b wordt met toepassing van de artikelen 3:2 en 3:4 van de wet door het college vastgesteld.

  • 2.

    Het college kan bij de verlening van structurele subsidies aan de subsidieontvanger de vorming van reserves en voorzieningen toestaan en daaraan een maximum verbinden.

     

     

    F. Vaststelling van de subsidie

     

     

Artikel 22 Aanvraag tot vaststelling subsidie

  • 1.

    Met toepassing van de artikelen 4:37 eerste lid sub f en 4:44 lid 2 van de wet, dient de aanvraag voor het vaststellen van een subsidie aan de volgende eisen te voldoen:

    • a.

      Subsidieontvangers die een incidentele activiteitensubsidie of incidentele waarderingssubsidie ontvangen, dienen binnen twaalf weken na afloop van de activiteit een aanvraag tot vaststelling in bij het college, voorzien van een financieel en inhoudelijk verslag.

    • b.

      Subsidieontvangers die een structurele waarderingssubsidie of een structurele activiteitensubsidie ontvangen, dienen vóór 1 april volgend op het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in bij het college, voorzien van een financieel en inhoudelijk verslag.

    • c.

      Subsidieontvangers die een projectsubsidie ontvangen dienen binnen twaalf weken na de beëindiging van het project een aanvraag tot vaststelling in bij het college, voorzien van een financieel en inhoudelijk verslag.

    • d.

      Subsidieontvangers die een budgetsubsidie ontvangen dienen vóór 1 juni volgend op het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in bij het college, voorzien van een financieel en inhoudelijk verslag als bedoeld in artikel 4:75 lid 1 van de wet.

    • e.

      Subsidieontvangers die een investeringssubsidie ontvangen, dienen binnen twaalf weken na voltooiing van de werkzaamheden, die verband houden met de investering, een aanvraag tot vaststelling in bij het college, voorzien van een financieel en inhoudelijk verslag.

  • 2.

    Het college kan de termijn van lid 1 op verzoek van de subsidieontvanger verlengen.

  • 3.

    Het in het eerste lid genoemde financieel verslag bevat:

    • a.

      een exploitatierekening die betrekking heeft op de gehele instelling;

    • b.

      een balans die betrekking heeft op de gehele instelling;

    • c.

      bij een subsidie die een hoger subsidiebedrag dan € 25.000 betreft, een verslag uitgebracht door een accountant naar aanleiding van diens onderzoek van de jaarstukken en van de administratie, waarin expliciet is vermeld of de verleende subsidie is besteed overeenkomstig het bepaalde in of krachtens de Algemene Subsidieverordening Opsterland en waarin aandacht wordt besteed aan de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de middelen in relatie tot de uitgevoerde activiteiten en geleverde producten.

  • 4.

    Het college kan van het bepaalde in het derde lid onder c ontheffing verlenen.

  • 5.

    Het in het derde lid onder c genoemde accountantsverslag hoeft geen deel uit te maken van de financiële verslaglegging indien de subsidie direct definitief is vastgesteld.

  • 6.

    De financiële verantwoording, dan wel de jaarrekening wordt op dezelfde wijze ingericht als de begroting.

  • 7.

    In afwijking van lid 3 tot en met lid 6 dient bij het financieel verslag bij budgetsubsidies waarbij meer dan € 400.000 per jaar wordt toegekend, de accountant een verslag uit te brengen naar aanleiding van diens onderzoek van de jaarstukken en van de administratie van de subsidieontvanger, waarvan expliciet is vermeld of de verleende subsidie is besteed overeenkomstig het bepaalde in of krachtens deze verordening en waarin aandacht wordt besteed aan de rechtmatigheid en doelmatigheid van de besteding van de middelen in relatie tot de uitgevoerde activiteiten en geleverde producten.

  • 8.

    Het college kan met betrekking tot de subsidievaststelling nadere regels stellen.

     

Artikel 23 Termijn voor herstel verzuim

Indien de aanvraag tot vaststelling niet voldoet aan de vereisten zoals gesteld in de wet en artikel 22 van deze verordening wordt een termijn gegeven van vier weken na dagtekening van het verzoek om de aanvraag aan te vullen.

 

Artikel 24 Vaststelling subsidie bij onvolledige aanvraag

Indien na afloop van de termijn zoals genoemd in artikel 23 de aanvraag tot vaststelling nog steeds niet aangevraagd is dan wel onvolledig is, kan het college besluiten tot een ambtshalve vaststelling van de subsidie, overeenkomstig artikel 4:47 van de wet.

 

Artikel 25 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist in geval van een structurele subsidie, voor 1 januari van het jaar, volgend op het jaar van de aanvraag om subsidievaststelling.

  • 2.

    Het college beslist in geval van een incidentele subsidie, binnen 12 weken op een volledige aanvraag om subsidievaststelling.

     

     

    G. Betaling

     

     

Artikel 26 Voorschotten

  • 1.

    Er kunnen voorschotten worden verleend.

  • 2.

    Het college beslist met betrekking tot de hoogte en de wijze van bevoorschotting.

     

Artikel 27 Uitbetaling

  • 1.

    De subsidie wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten. Indien feiten of omstandigheden aanleiding geven tot een lagere vaststelling van de subsidie over het betreffende jaar, kan verrekening plaatsvinden door inhouding op de nog uit te betalen subsidie in hetzelfde jaar of bij vaststelling van de subsidie over het volgend subsidiejaar.

  • 2.

    Waarderingssubsidies worden ineens betaald op een nader door het college te bepalen tijdstip.

  • 3.

    Incidentele subsidies worden binnen twee weken na de subsidievaststelling betaald, tenzij in de beschikking tot vaststelling anders is bepaald.

     

Artikel 28 Terugvordering

Het college is gerechtigd, met inachtneming van art. 4:57 van de wet, reeds betaalde subsidie geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, indien onjuiste inlichtingen zijn verleend waarvan verzoeker wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze van invloed is op de hoogte van de subsidie.

 

 

H. Slotbepalingen

 

 

Artikel 29 Ontheffing, buiten toepassing laten van (delen van) de verordening

  • 1.

    Het college is bevoegd om in individuele gevallen ontheffing te verlenen van één of meer bepalingen van deze verordening en krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

  • 2.

    Bij overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de wet kan het college met de betrokken subsidieontvanger overeenkomen één of meer gedeelten van deze verordening binnen de desbetreffende subsidierelatie buiten toepassing te laten, mits hiermee wordt gehandeld ter behartiging van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.

     

Artikel 30 Bijzondere gevallen

In gevallen waarin deze verordening niet of niet voldoende voorziet, beslist het college.

 

Artikel 31 Overgangsbepalingen

Op subsidies die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend blijven de bepalingen van toepassing zoals die zijn opgenomen in de Algemene Subsidieverordening Opsterland 2001.

 

Artikel 32 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening kan aangehaald worden als “Algemene Subsidieverordening Opsterland 2005”.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 december 2005 en is voor het eerst van toepassing op het subsidiejaar 2006.

  • 3.

    Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Algemene subsidieverordening Opsterland 2001 ingetrokken.

     

     

    Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 7 november 2005.

     

     

    De voorzitter, De griffier,

     

     

     

     

    TOELICHTING BIJ DE ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING OPSTERLAND 2005

     

    Inleiding

    De overheid, rijk, provincies en gemeenten, verlenen ieder jaar voor enkele tientallen miljarden euro’s aan subsidie; in de gemeente Opsterland gaat het om een paar miljoen euro die ieder jaar aan tientallen grote en kleine instellingen, organisaties en individuen worden verleend. Alle gemeenten die subsidieaanvragen behandelen en alle instellingen die subsidie aanvragen hebben sinds 1998 te maken met de 3e tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het is een uitgebreide wet waarin onder andere de rechten en de plichten van de overheid en de burger beschreven staan. Subsidie is, zo staat het in de Memorie van Toelichting, een belangrijk of zelfs essentieel beleidsinstrument. Het is het instrument bij uitstek om het overheidsbeleid door anderen dan de overheid zelf ten uitvoering te laten geven. Subsidie is dus een middel om bepaalde doelen te realiseren.

    Toen de Awb tot stand kwam, heeft de wetgever zich niet alleen laten leiden door het inzicht dat een goede wetgeving alleen niet voldoende is voor het bereiken van een bepaalde doelstelling. Ook een goede handhaving is een noodzakelijke voorwaarde voor succes. Het toepassen van de Awb is een verplichting: alle overheidsinstanties moeten de Awb toepassen. Rond 1998 zijn gemeenten begonnen met het aanpassen van alle bestaande subsidiewet- en regelgeving aan wat in die nieuwe wet staat. Bij subsidieverlenening door gemeenten gelden met ingang van 1998 naast elkaar het subsidieonderdeel uit de 3e tranche van de Awb en de lokaal vastgestelde subsidieregelingen. Daarbij moet sprake zijn van een goede en uitgebalanceerde afstemming tussen deze regelingen: een onderwerp waarover in de ene regeling dwingend iets wordt bepaald (Awb) mag in de andere regeling (subsidieverordening) niets meer worden vastgelegd. De subsidietitel uit de Awb verplicht aan de andere kant ook tot het maken van keuzen welke vervolgens dienen te worden vastgelegd in (een) subsidieverordening(en), eventueel aangevuld met beleidsregels.

     

    De Algemene Subsidieverordening Opsterland 2005 is gebaseerd enerzijds op wat er in de Awb (met name in subsidietitel 4.2) aan voorschriften staat en vormt anderzijds een nadere uitwerking welke specifiek is gericht op de Opsterlandse situatie. In veel artikelen wordt daarom ook verwezen naar de Awb. De Awb heeft onder andere tot doel te bevorderen dat de door de subsidieverstrekker met de subsidieverlening beoogde doelen worden bereikt. Daarnaast is het de bedoeling om voldoende rechtszekerheid te verschaffen aan de subsidieontvangers. Rechten, plichten en bevoegdheden van de subsidiegevers en de subsidieontvangers zijn allemaal in de Awb opgenomen. De 3e tranche van de Awb bepaalt onder andere welke verplichtingen aan een subsidie verbonden kunnen worden, wanneer een subsidie beëindigd kan worden en hoe moet worden gehandeld als de begrotingsgelden ontoereikend zijn. Verder is de eis opgenomen dat een subsidie in principe alleen maar op grond van een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieverordening, kan worden verleend.

     

    Bij subsidies gaat het in de meeste gevallen om drie belangrijke momenten:

    • de verlening van subsidie

    • de vaststelling van de subsidie

    • de uitbetaling van de subsidie.

     

    In de Algemene Subsidieverordening Opsterland 2005 wordt deze indeling als leidraad gebruikt. De Algemene Subsidieverordening Opsterland 2005 is, het eerste woord duidt daar al op, ‘algemeen van aard’. Dat betekent dat de verordening van toepassing is op alle subsidieaanvragen die bij de gemeente worden ingediend. In het verlengde van deze Algemene Subsidieverordening zullen Deelverordeningen (en eventueel Beleidsregels) moeten gelden om ‘maatwerk per (deel)beleidsterrein’ te kunnen leveren. In die deelverordeningen moet aangegeven zijn voor welke activiteiten subsidie kan worden verleend. Daarbij moet er aan de rechtmatigheidseisen worden voldaan.

     

    Op basis van de geldende wetgeving (gemeentewet en Welzijnswet) moet het uitgeven van de subsidies binnen een instelling niet alleen rechtmatig zijn maar ook doelmatig. Ook dit aspect moet in nieuwe overeenkomsten worden opgenomen. Bij het subsidiebeleid staat het realiseren van door de raad vastgestelde beleidsdoelstellingen centraal. Subsidie is een middel om het beleid te doen uitvoeren. Daarbij staan de activiteiten centraal en worden de instellingen gesubsidieerd om de gemeentelijke beleidsdoelstellingen te realiseren. Dat houdt ook in dat activiteiten die niet passen binnen het gemeentelijk beleid geen financiële ondersteuning in de vorm van subsidie zullen ontvangen. De inhoud van de Awb wordt overigens niet herhaald in de Algemene Subsidieverordening; wel is er sprake van verwijzingen naar bepaalde artikelen. In de subsidiepraktijk zullen dan ook, zowel door diegenen die de subsidie aanvragen als diegenen die hem verlenen, de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Subsidieverordening Opsterland 2005 en Deelverordeningen en/of Beleidsregels in samenhang met elkaar moeten worden gebruikt.

     

    TOELICHTING OP DE ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING OPSTERLAND 2005

     

    Artikelsgewijze toelichting

     

    1. Begripsomschrijvingen

    Ter wille van het komen tot ‘algemeen bekende begrippen’ zijn tal van begripsomschrijvingen opgenomen.

     

    2. Doelstelling van de verordening/ bevoegdheid.

    2.2. Begrotingsvoorbehoud

    Als de begroting nog niet is vastgesteld kan subsidie worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

     

    3. Te subsidiëren activiteiten:

    Hiermee wordt de mogelijkheid tot ‘juridisch maatwerk’ geschapen. Deelverordeningen en beleidsregels vormen de grondslag voor subsidiëring.

     

    4. Vaststelling subsidieplafonds:

    Subsidieplafonds geven de aanvragers van subsidie duidelijkheid over de vanuit de gemeente beschikbare budgetten. Het budgetrecht ligt bij de raad en de in de begroting opgenomen bedragen zijn dan ook ‘maatgevend’. In zeer bijzondere gevallen, bijvoorbeeld door het wijzigen van de begroting, kunnen subsidieplafonds worden gewijzigd. Dit gebeurt meestal alleen in uitzonderlijke situaties. In het kader van de vaststelling van de subsidieplafonds worden ook de verdelingscriteria per beleidsterrein vastgesteld. Bij budgetsubsidiëring kan dat verdelingscriterium bijvoorbeeld gebaseerd zijn op het aantal gekwalificeerde (benoemde) en gekwantificeerde (qua hoeveelheid aangeduide) producten dat de gemeente in het kader van het uitvoeren van haar beleid door de desbetreffende instelling uitgevoerd wenst te zien. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het aantal uren openstelling bibliotheek in een bepaalde plaats, uren muziekles in een bepaalde sector, uren sociaal-cultureel, oudere- dan wel jongerenwerk en dergelijke.

     

    5. Subsidiesoorten:

    in dit artikel wordt zo veel mogelijk tegemoet gekomen aan de soorten subsidierelaties waarvan nu sprake is. Iedere subsidiesoort heeft zijn eigen kenmerken en eisen. Door middel van deze specificatie is het mogelijk per subsidiesoort voorwaarden te stellen die qua zwaarte bij die soort horen.

     

    6. Subsidiabele kosten:

    In dit artikel wordt een onderscheid gemaakt tussen de kosten die direct van belang zijn voor het realiseren van de doelstellingen van de gemeente Opsterland door middel van subsidie ten behoeve van het doen uitvoeren van activiteiten en kosten die niet direct te maken hebben met het realiseren ervan.

     

    6.2 Wachtgelden:

    Wachtgelden die veroorzaakt worden door het verminderen van de afname van diensten en / of goederen door ‘derden’, dan wel ontstaan door het verminderen van subsidie door andere gemeenten, komen niet in aanmerking voor een bekostiging door middel van subsidie door de gemeente Opsterland. Dat houdt in dat wachtgelden die bijvoorbeeld ontstaan door het voor een deel wegvallen van bedrijfsplaatsen kinderopvang niet kunnen worden opgevangen door gemeentelijke subsidie. Wat deze activiteiten betreft zijn instellingen dus ‘zelf risicodragend’. Hetzelfde geldt voor wachtgeldverplichtingen die ontstaan door arbeidsconflicten. Dit soort aspecten hoort tot de ‘gebruikelijke bedrijfsrisico’s’.

     

    7. Afdeling 4.2.8. van de Awb:

    Dit artikel in de Awb wordt in zijn algemeenheid, en ook in Opsterland, toegepast op de grote professionele instellingen die budgetsubsidies en structurele subsidies ontvangen (dus per boekjaar) en die van groot belang zijn voor het realiseren van de door de gemeente vastgestelde beleidsdoelstellingen en waaraan voor de gemeente bepaalde beleidsinhoudelijke en financiële risico’s zijn verbonden. M.b.t. de gemeente Opsterland is de grens getrokken bij EURO 400.000. De leidraad daarbij is de hoogte van de subsidie die is verleend in het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarover subsidie wordt aangevraagd. Instellingen die een hoger subsidiebedrag ontvangen hebben toestemming nodig voor hetgeen in artikel 4:71 van de wet is opgenomen. Verder worden de artikelen 4:76 en 4:78 uit de Awb van toepassing verklaard. Voor de kleine(re) instellingen zal door de gemeente een subsidieaanvraag- en verantwoordingsformulier worden gebruikt dat het aantal administratieve handelingen zoveel mogelijk zal beperken.

     

    8. Indiening aanvraag.

    Een aanvraag om subsidie moet altijd schriftelijk worden ingediend bij en gericht zijn aan het college van burgemeester en wethouders. Mondelinge aanvragen kunnen dus nooit in behandeling worden genomen.

     

    9. Tijdstip indienen aanvraag:

    het is van belang dat een subsidieaanvraag niet alleen zorgvuldig wordt behandeld maar dat de subsidieaanvrager ook bijtijds weet waar hij/zij aan toe is. Omdat iedere aanvraag ‘maatwerk’ is worden er voor de verschillende subsidiesoorten verschillende termijnen gehanteerd. Te laat en / of onvolledig indienen kan overigens leiden tot het niet in behandeling nemen van de subsidieaanvraag met alle gevolgen van dien. De wet is daar streng in! De eisen van rechtmatigheid zijn aangescherpt.

     

    10. Vereisten aanvrager:

    Iedere subsidiesoort stelt zijn eigen eisen aan de aanvraag. In zijn algemeenheid geldt dat hoe hoger het gevraagde subsidiebedrag is, des te meer informatie wordt er gevraagd. Daarnaast vraagt een aanvraag om een investeringssubsidie nu eenmaal om andere eisen dan een activiteitensubsidie van een paar honderd gulden. Voor de verschillende subsidiesoorten zullen zo veel mogelijk standaard subsidieaanvraagformulieren worden gebruikt.

    Lid 3 sub b slaat op de begroting van het lopende jaar (het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend) en de (meer globale) begroting op het jaar dat volgt op het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

    Lid 3 sub c houdt in een globaal inhoudelijk en financieel plan voor de daaropvolgende drie boekjaren in casu in totaal betreffende de vier op het lopende boekjaar volgende boekjaren.

     

    10.4. Rechtspersoonlijkheid

    Ook in de nieuwe subsidieregelgeving is het mogelijk dat ‘natuurlijke personen’ subsidie aanvragen. In dit artikel is duidelijk aangegeven welke verantwoordelijkheden daarmee komen te rusten op de ‘persoonlijke schouders’.

     

    15. Hersteltermijn:

    Wanneer een aanvraag niet aan de gestelde eisen voldoet wordt er vier weken de tijd gegeven om daar wel aan te voldoen.

     

    17. Weigeringsgronden:

    Algemeen: In 4:35 wordt in algemene zin gesteld dat een subsidieontvanger op een behoorlijk wijze rekening en verantwoording aflegt over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De genoemde volgorde geeft al aan dat de inhoudelijke verantwoording voor de activiteiten centraal staat en dat deze de grondslag vormen voor de financiële verantwoording. Dus eerst de inhoud en daarna pas de financiële vertaling.

    1.a. Opsterland staat centraal.

    Hiermee moet onder meer worden voorkomen dat subsidiemiddelen voor andere doelstellingen dan die van de gemeente Opsterland worden gebruikt.

    1.d. andere geldstromen.

    Hier wordt in de sfeer van een ontbindende voorwaarde een koppeling gelegd met andere subsidiestromen.

     

    19. Meerjarige subsidie:

    Met betrekking tot meerjarige subsidies is er altijd sprake van het ‘begrotingsvoorbehoud’: zonder vastgestelde begroting geen zekerheid over (de hoogte van) de subsidie. In het kader van een meerjarige subsidie, vrijwel uitsluitend van toepassing op de grote professionele instellingen en in het kader van projectsubsidies, kunnen te leveren prestaties en de daaraan gekoppelde ‘prijzen’ per prestatie worden neergelegd in een beschikking, eventueel aangevuld met een uitvoeringsovereenkomst, die daarmee de basis vormen van de toekenning. In principe is een beschikking voldoende ter bekrachtiging van een meerjarensubsidieovereenkomst, met daarin opgenomen de beoogde resultaten. Een uitvoeringsovereenkomst kan uitkomst bieden om een hele lange beschikking te voorkomen. Een meerjarige subsidie op grond van een beschikking, eventueel met uitvoeringsovereenkomst, betekent niet dat er geen sprake is van tussentijdse rapportages: het gemeentebestuur moet ieder jaar de gelegenheid krijgen op basis van deze rapportages en actuele maatschappelijke en sociale ontwikkelingen haar beleid te stellen en dat in de sfeer van de uitvoering te vertalen door middel van het afkondigen van nieuwe dan wel bijstellen van de bestaande beschikkingen.

     

    20. Administratie:

    Subsidiegeld is gemeenschapsgeld dat door alle burgers bij elkaar wordt gebracht. De gemeente heeft de wettelijke plicht er op toe te zien dat die subsidie rechtmatig en doelmatig wordt besteed. Rechtmatig wil zeggen dat het moet voldoen aan de wettelijke voorschriften en doelmatig wil zeggen dat er geen subsidie (‘geld van ons allen’) verspild mag worden. Bij grotere instellingen kan een accountant controleren of de subsidie inderdaad rechtmatig en doelmatig is besteed. De subsidiërende overheid heeft de taak daar in zijn algemeenheid op toe te zien. Met dit artikel wordt de subsidieverstrekker de mogelijkheid gegeven inzage te krijgen in de administratie van instellingen en aanwijzingen te geven met betrekking tot de inrichting daarvan. Dit is bijvoorbeeld van belang om het de gemeente mogelijk te maken instellingen met elkaar te vergelijken qua opbouw van kosten die te maken hebben met het organiseren van gelijksoortige activiteiten. De aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het toerekenen van bepaalde kosten naar bepaalde producten. Zo konden telefoonkosten eerder door de ene instelling worden geboekt onder administratie-, bestuurs- dan wel activiteitenkosten.

     

    21. reserves en voorzieningen:

    In dit en het volgende artikel wordt de mogelijkheid gegeven voor instellingen om een vermogen te kunnen vormen. Hiervoor is toestemming van het college nodig. De inkomsten van veel (grote) instellingen bestaan voor het overgrote deel uit subsidie c.q. gemeenschapsgeld. Dat betekent dat ook reserves en voorzieningen voor het grootste deel ontstaan uit dat ‘geld van ons allen’.

     

    22. Aanvraag tot vaststelling:

    Per subsidiesoort worden verschillende eisen gesteld.Ook hier geldt: hoe hoger het subsidiebedrag, des te meer eisen worden er gesteld.

     

    23. Hersteltermijn:

    Als de gevraagde stukken niet voldoen aan de eisen wordt ook in deze gevallen vier weken de tijd gegeven tot herstel.

     

    24. Onvolledige aanvraag:

    Als de in artikel 23 genoemde termijn is verstreken kan de subsidieverstrekker de subsidie eenzijdig vaststellen.

     

    26. Voorschotten:

    In dit artikel is bepaald dat er voorschotten kunnen worden verleend. Grote instellingen krijgen vaak enkele voorschotten per jaar om hun personeel te kunnen betalen; kleine instellingen hebben geld nodig om activiteiten te kunnen realiseren. De feitelijke vaststelling vindt vaak na afloop van een jaar plaats. Een voorschot geeft dus geen ‘recht op subsidie’. Bevoorschotting kan voor de volle 100% plaatsvinden maar ook voor een lager percentage. In veel gemeenten wordt een lager percentage dan 100 bevoorschot; bij de afrekening wordt bepaald of een subsidiëring voor de volle 100% nodig is. Een garantiesubsidie is er altijd ‘voor het geval dat’ en wordt in principe nooit bevoorschot omdat er van uit wordt gegaan dat de garantiesubsidie niet nodig zal blijken te zijn. Als dat namelijk wel het geval is moet een activiteitensubsidie worden aangevraagd.

     

    27. Uitbetaling:

    in dit artikel wordt geregeld dat er verrekening kan plaatsvinden met voorschotten en toekomstige subsidies.

     

    31. Overgangsbepalingen:

    om geen juridische leemte te laten ontstaan geldt de bestaande / oude regelgeving voor de ‘lopende’ subsidies en is de nieuwe van toepassing op alle subsidies die in behandeling worden genomen na besluitvorming in de raad over deze verordening.