<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR55130_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Epe 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Epe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Veluws Nieuws, 26-01-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12, 14, 15, 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-01-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010-65905</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>volkshuisvesting en woningbouw</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Erfgoedverordening gemeente Epe 2010
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>Vast te stellen de volgende </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders</al>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>Raadsbesluit </vet>
            <vet>2010</vet>registratienummer:<vet>
                            2010-65905</vet></al>
          <al>
            <vet>DE RAAD DER GEMEENTE EPE</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders</al>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988;</al>
          <al>
            <vet>BESLUIT</vet>
          </al>
          <al>Vast te stellen de volgende Erfgoedverordening gemeente Epe 2010</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMEEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al/>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen: </al><lijst>
                  <li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde; </al></li>
                  <li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1; </al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a; </al></li>
              <li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onrorend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;
                                </al></li>
              <li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van artikel 15 lid 1 van de
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht, de verordening en het monumentenbeleid; </al></li>
              <li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische waardekaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven; </al></li>
              <li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans; </al></li>
              <li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven; </al></li>
              <li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardekaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn; </al></li>
              <li nr="i."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie; </al></li>
              <li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie; </al></li>
              <li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie; </al></li>
              <li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden; </al></li>
              <li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek. </al></li>
              <li nr="n."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan. </al></li>
              <li nr="o."><al>beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: groep van
                                    onroerende zaken die van algemeen, of plaatselijk belang zijn
                                    wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele
                                    samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische
                                    waarde door het college als dorpsgezicht ingevolge artikel 13
                                    van deze verordening is aangewezen;</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Het gebruik van het monument</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Voorbescherming</titel>
            </kop>
            <al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 12 van
                            overeenkomstige toepassing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 13 weken na de
                                adviesaanvraag. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Intrekken van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                ... van de monumentenverordneing van de provincie Gelderland.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen; </al></li>
                <li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Termijnen advies en vergunnngverlening</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om vergunning als
                                bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht van toepassing. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Indien het college niet besluit binnen de (in artikel 3:18 Algemene
                                wet bestuursrecht) gestelde termijn, wordt de vergunning geacht te
                                zijn verleend. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Intrekken van de vergunning</titel>
            </kop>
            <al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend; </al></li>
              <li nr="2."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft; </al></li>
              <li nr="3."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen; </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>BESCHERMD GEMEENTELIJK DORPSGEZICHT</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>De aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd
                                gemeentelijk dorpsgezicht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij
                                het advies aan de monumentencommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De aanwijzing kan geen dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op
                                grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert binnen twaalf weken na de datum van
                                ontvangst van het verzoek van het college. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college beslist binnen veertien weken na de datum van ontvangst
                                van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval
                                binnen zesentwintig weken na de adviesaanvraag aan de commissie.
                            </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Het college registreert het beschermd gemeentelijk dorpsgezicht op
                                de lijst van beschermde gemeentelijke dorpsgezichten.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>De lijst van beschermde gemeentelijke dorpsgezichten bevat de
                                plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de
                                gebiedsaanwijzing van het beschermde dorpsgezicht en een
                                beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarde.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>De wijziging en intrekking van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <al>De artikelen 8 en 9 van deze verordening zijn van overeenkomstige
                            toepassing, met dien verstande dat voor gemeentelijke monumenten moet
                            worden gelezen lijst van beschermde gemeentelijke dorpsgezichten en dat
                            in artikel 9, tweede lid, voor artikel 3 moet worden gelezen artikel 35
                            van de Monumentenwet 1988.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>RIJKSMONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                b</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr/>
              <al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>a.</lidnr>
              <al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de provinciale
                                Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart
                                van Archeologische Waarden, en waarbij die verstoring plaatsvindt: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>in een gebied met lage archeologische verwachtingswaarde en
                                        het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2, of; </al></li>
                <li nr="-"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                        verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan
                                        250 m2, of; </al></li>
                <li nr="-"><al>in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en
                                        het te verstoren gebied kleiner is dan 50 m2. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>b.</lidnr>
              <al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent
                                archeologische monumentenzorg. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>c.</lidnr>
              <al>in een vrijstellingsbesluit als bedoeld in art. 3.6, 3.32, 3.10 of
                                3.23 van de Wet ruimtelijke ordening voorschriften zijn opgenomen
                                omtrent archeologische monumentenzorg. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>d.</lidnr>
              <al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van
                                werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch
                                monument of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op
                                gemeentelijke archeologische waardenkaart of de gemeentelijke
                                beleidsadvieskaart, dan wel bij het ontbreken daarvan,de provinciale
                                Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve Kaart
                                van Archeologische Waarden; </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>e.</lidnr>
              <al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te
                                verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in
                                voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: </al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate
                                        kan worden geborgd; of </al></li>
                <li nr="-"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                        onevenredig worden geschaad; of </al></li>
                <li nr="-"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.
                                    </al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Epe onderzoek wordt
                                uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van
                                artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige
                                bepalingen van deze wet:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder o, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek. </al></li>
                <li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoel in artikel 1 onder n van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het college te overleggen,. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college advies
                                aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de Archeologische
                                monumentenzorg </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Schadevergoeding</titel>
            </kop>
            <al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen; </al></li>
              <li nr="b."><al>de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                    als bedoeld in artikel 10; </al></li>
              <li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid; </al></li>
              <li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 14, tweede lid, onder d; </al></li>
              <li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 15, tweede lid, tweede
                                    volzin. </al></li>
            </lijst>
            <al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                            verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 6.1
                            van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10, 14 en 15, eerste lid,
                            onder b van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de
                            tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Toezichthouders</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel
                                de burgemeester aan te wijzen personen. </al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Intrekken oude regeling</titel>
            </kop>
            <al>De Monumentenverordening 1996, 28-03-1997 vastgesteld (06-12-2001
                            gewijzigd) wordt ingetrokken</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22.</nr>
              <titel>Overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De op grond van de onder artikel 19 ingetrokken
                                Monumentenverordening 1996, 28-03-1997 vastgesteld (06-12-2001
                                gewijzigd)aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten,
                                worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 19 ingetrokken verordening. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken
                                van een termijn van 6 weken na bekendmaking. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 . </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2010 </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Epe, 14 januari 2010</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening>
        <ondertekening>de voorzitter, M. van Lente</ondertekening>
        <ondertekening>de griffier, V. Smit</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Nota-toelichting</label>
          <nr/>
          <titel/>
        </kop>
        <al>
          <vet>ALGEMENE TOELICHTING Erfgoedverordening gemeente Epe 2010 </vet>
        </al>
        <al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    bestaande model monumentenverordening aangevuld met een archeologisch deel. De
                    beide samengevoegde delen worden aangehaald als de model
                    Erfgoedverordening.</al>
        <al>Specifiek in het kader van de deregulering is getracht om de bestaande
                    monumentenvergunning te vereenvoudigen door de mogelijkheid op te nemen dat het
                    college nadere regels kan stellen (uitvoeringsrichtlijnen) waarmee de
                    vergunningplicht (deels) komt te vervallen. Dit is een analoge toepassing van
                    wat op rijksniveau het Algemeen Positief Advies (APA) wordt genoemd: bepaalde
                    (eenvoudige en vastomlijnde) wijzigingen aan een monument mogen op grond hiervan
                    vrijwel altijd worden uitgevoerd zonder een instandhoudingbepaling te
                    overtreden. De vergunningplicht voor andere, complexe wijzigingen wordt
                    gehandhaafd.</al>
        <al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit
                    voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond
                    het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun
                    bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat
                    voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met
                    archeologische waarden en het behoud daarvan. Omdat de actualiteit van
                    bestemmingsplannen ‘an sich’ al voor problemen kan zorgen, is het opnemen van
                    een archeologische paragraaf voor veel gemeenten ook niet eenvoudig of snel te
                    realiseren. De verordening voorziet daarom in een overgangssituatie door het
                    college de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende
                    activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere
                    regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een aanlegvergunning
                    zou worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel
                    een archeologisch paragraaf is opgenomen (Malta-proof). Indien een gemeente geen
                    gebruik wenst te maken van de nadere regels kan ook gekozen worden om een
                    (tijdelijke) archeologievergunning in het leven te roepen.</al>
        <al>Voor het overige is bij het opstellen van deze verordening rekening gehouden met
                    de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in de nieuwe verordening
                    zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek
                    als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen opgenomen met
                    betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat
                    hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. </al>
        <al>Al in een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen reeds gesneuveld,
                    aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In
                    het kader van het dereguleringsproject in 2007 is ervoor gekozen om deze
                    bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te nemen. Daarom vindt
                    u ze ook niet terug in deze verordening.</al>
        <al/>
        <al>De financiële bepalingen zijn uit de verordening gehaald en zullen in een
                    afzonderlijke verordening, afzonderlijk worden aangeboden. </al>
        <al>
          <vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Erfgoedverordening gemeente Epe 2010</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Sub a</cursief>
        </al>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al>
        <al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al>
        <al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op
                    de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al>
        <al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al>
        <al>
          <cursief>Sub b</cursief>
        </al>
        <al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al>
        <al>
          <cursief>Sub c</cursief>
        </al>
        <al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al>
        <al>
          <cursief>Sub d</cursief>
        </al>
        <al>Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de
                    gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door
                    de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                    college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is
                    bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als
                    bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat
                    het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen
                    van een commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college
                    moet middels een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het
                    instellen van een (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het
                    college bij het besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te
                    maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te
                    downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers, www.modelverordeningen.nl.</al>
        <al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet
                    over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen
                    worden. Overigens kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een
                    welstandscommissie.</al>
        <al>
          <cursief>Sub n</cursief>
        </al>
        <al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al>
        <al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft zijn een tweetal begripsbepalingen die ten opzichte van de voorgaande
                    versie van de model monumentenverordening zijn geschrapt. Het gaat om de
                    volgende begrippen:</al>
        <al>- het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel
                    uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college
                    ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon
                    laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker
                    echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, met name
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan
                    verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk
                    anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving
                    van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een
                    woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente omtrent de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening opgenomen hoeft te worden.</al>
        <al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek.</al>
        <al>- Ook het kerkelijk monument keert niet terug in de modelverordening. Dit op
                    grond van het feit dat de wijze van aanwijzing niet wezenlijk anders is dan voor
                    reguliere (niet-kerkelijke) monumenten. De insteek van deze modelverordening is
                    namelijk dat gemeenten overleg voeren met de eigenaar/gebruiker van het aan te
                    wijzen object. Het bestaande (en wellicht ook toekomstige) gebruik van het
                    object moet daarbij worden meegenomen, zodat op dit punt ook het wezenlijke
                    belang van de godsdienstuitoefening kan worden geborgd. Een speciale regeling
                    voor kerkelijke monumenten is daarmee niet noodzakelijk.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet>
        </al>
        <al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf. In toelichting bij artikel 1 is al kort aangegeven dat het gemeentelijk
                    kerkelijke monument niet als ‘specialis’ in deze model erfgoedverordening is
                    opgenomen. Het specifieke gebruik in het geval van kerkgenootschappen, namelijk
                    de erediensten, kan daarmee op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat
                    ook in die zin geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke
                    monumenten noodzakelijk is.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al>
        <al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al>
        <al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last
                    voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                    omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                    monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen
                    de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                    wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur
                    in dat geval geen monumentenvergunning is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    bouwvergunning.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 2</cursief>
        </al>
        <al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al>
        <al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al>
        <al>
          <cursief>Lid 3</cursief>
        </al>
        <al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 4. Voorbescherming</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    12 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument
                    niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                    gemeentelijke monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                    wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan
                    motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële
                    consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                    bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al>
        <al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al>
        <al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al>
        <al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al>
        <al>
          <vet>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet>
        </al>
        <al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving)van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al>
        <al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                    en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet>
        </al>
        <al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al>
        <al>
          <vet>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</vet>
        </al>
        <al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door het college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie
                    regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn
                    in het geval dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen
                    en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                    registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit zelf regelt.</al>
        <al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</vet>
        </al>
        <al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Wet juncto artikel 13 van deze verordening regelen de vergunningverlening voor
                    de wijziging van rijksmonumenten door het college. In dit artikel gaat het
                    derhalve alleen over gemeentelijke monumenten. Het is verstandig de
                    vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten procedureel en
                    inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor de aanvrager,
                    maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het college van
                    praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg
                    worden afgehandeld. Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke
                    monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens
                    geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een
                    aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens
                    zijn vereist. In dat kader kan (zoals reeds eerder is in de algemene toelichting
                    bij het geschrapte onderdeel van het bouwhistorisch onderzoek) ook het
                    overleggen van een rapportage met betrekking tot een bouwhistorisch onderzoek
                    als vereiste bij de vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake
                    zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument
                    in relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                    bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten
                    van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                    worden.</al>
        <al>In het kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers dienen
                    de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te
                    worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar
                    en kunnen bouw- en monumentenvergunning ook op dit punt (indieningsvereisten)
                    worden gecombineerd. Omdat een monumentenvergunning verleend moet zijn voordat
                    een bouwvergunning kan worden afgegeven, is tijdwinst te behalen door,
                    gelijktijdig met het noodzakelijke adviseringstraject van de monumentencommissie
                    en RACM, ook het overleg over de bouwvergunning met de aanvrager te
                    starten.</al>
        <al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere
                    regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen
                    vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het
                    toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan
                    ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog
                    minder met administratieve lasten worden geconfronteerd.</al>
        <al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg staat centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                    geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente,
                    op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen
                    mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde
                    van het object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 11. Termijnen advies en vergunningverlening</vet>
        </al>
        <al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van toepassing op de
                    verlening van de monumentenvergunning voor rijksmonumenten op grond van de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (UOV), Stb. 2005,
                    282. Complicerend is dat voor bouwvergunningen de UOV niet is voorgeschreven. In
                    deze verordening is ervoor gekozen om deze procedure ook van toepassing te
                    verklaren voor de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten. Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar
                    een ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                    aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal zaken
                    moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten slotte zes weken
                    ter inzage gelegd wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er zienswijzen
                    binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld te
                    reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (Awb artikel 3:15, derde lid).
                    De verwerking van de zienswijzen in het definitieve besluit moet binnen zes
                    maanden na ontvangst van de vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen
                    zienswijzen zijn binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken
                    van de termijn voor de ter inzagelegging gepubliceerd worden en neemt het
                    dagelijks bestuur het definitieve besluit binnen vier weken na het einde van
                    deze termijn (Awb artikel 3:18, vierde lid).</al>
        <al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke termijn
                    kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn gebruik gemaakt
                    worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft én
                    de aanvrager in de gelegenheid gesteld is hierover zijn zienswijze kenbaar te
                    maken (Awb artikel 3:18, tweede lid).</al>
        <al>De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling op basis van
                    een schetsplan overleg te plegen voordat de vergunningaanvraag wordt
                    ingediend.</al>
        <al>De terzagelegging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar tegen het
                    definitieve besluit zijn gecombineerd in het ter inzage leggen van een
                    ontwerpbesluit, waarop zienswijzen kunnen worden ingebracht. Omdat de
                    mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is
                    tegen het definitieve besluit alleen nog maar beroep mogelijk. Een volgende
                    beperking is dat alleen de aanvrager en belanghebbenden die tijdig een
                    zienswijze naar voren hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) of belanghebbenden die
                    een goede reden hebben geen zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13)
                    beroep kunnen instellen.</al>
        <al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de bouwvergunning.
                    Het vereist (en het niet verleend) zijn van een gemeentelijke
                    monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de bouwvergunning (art
                    44 sub e Woningwet). Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop
                    niet is beslist (of deze is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig
                    geweigerd moeten worden. Nadrukkelijk moet erop worden gewezen dat in de
                    Woningwet alleen een aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten
                    is opgenomen (artikel 54 Woningwet). Om niet gedurende de lopende
                    monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de
                    monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later
                    indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de bouwvergunning
                    verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend, omdat de Woningwet
                    boven de monumentenverordening gaat. Er mag echter pas gebruik gemaakt worden
                    van de bouwvergunning als ook de monumentenvergunning is verleend.</al>
        <al>In het vierde lid wordt bij niet tijdige besluitvorming door het college de
                    vergunning geacht te zijn verleend. Indien het behoud van monumenten een van de
                    meest wezenlijke speerpunten van een gemeente is en men dus niet van rechtswege
                    vergunningen wil verlenen, kan in het artikel ‘verleend’ worden vervangen door
                    ‘geweigerd’. Let wel, indien voor deze benadering wordt gekozen, wordt het
                    belang van het behoud van het monument duidelijk geplaatst boven het belang van
                    de burger om het object te wijzigen. Dit geeft het college meer lucht bij de
                    besluitvorming, maar is voor de aanvrager erg frustrerend en verhoogd de
                    administratieve lasten.</al>
        <al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd en
                    opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de
                    beroepstermijn is verstreken, of als er beroep is ingesteld, op het beroep is
                    beslist. Titel 8.3 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 12. Intrekken van de vergunning</vet>
        </al>
        <al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMD GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHT.</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikelen 13. en 14.</vet>
        </al>
        <al>Dit hoofdstuk bevat bepalingen over gemeentelijke dorpsgezichten en zijn
                    overeenkomstig de bepalingen voor de gemeentelijke monumenten.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 5. RIJKSMONUMENTEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 15. Vergunning voor beschermd rijksmonument</vet>
        </al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en
                    afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst voor Archeologie Cultuurhistorisch
                    landschap en Monumenten (hierna: RACM) en, buiten de bebouwde kom, ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee maanden na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2). Het definitieve
                    besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen
                    van RDMZ en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het
                    definitieve besluit kan nog slechts door een beperkt groep van belanghebbende
                    beroep worden ingesteld (zie de toelichting bij artikel 11).</al>
        <al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst zal
                    ingaande 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    monumentenvergunning’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van
                    reconstructie, sloop en herbestemming van een rijksmonument zal de adviesplicht
                    van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de
                    rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009 een monumentencommissie moeten
                    hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in
                    de monumentenwet, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een
                    monumentencommissie in diens advisering trad, wordt ingetrokken. Indien het
                    monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om
                    een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid
                    vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan,
                    waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS reeds op voorhand
                    kenbaar maakt in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst
                    ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al>
        <al>
          <cursief>Leden 2 en 3</cursief>
        </al>
        <al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit
                    wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie
                    tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald
                    dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken
                    van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 6. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 16. Instandhoudingbepaling</vet>
        </al>
        <al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, rekening te houden met de in de grond
                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                    (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening,
                    is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in
                    de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 1</cursief>
        </al>
        <al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 14 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 14 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30 cm de bodem te verstoren.
                    In de bepaling is nadrukkelijk geen standaard diepte opgenomen, aangezien de
                    lokale situatie zeer uiteen kan lopen. In het buitengebied kan mogelijk volstaan
                    met een diepte van 30 cm, waarbij nog steeds voldoende bescherming kan worden
                    geboden, terwijl een dichtbevolkt stedelijk gebied of een middeleeuwse stadskern
                    mogelijk al bij 10 cm problemen kan hebben om archeologische waarden voldoende
                    te beschermen. Gemeenten moeten hier dus zelf een invulling aan geven.</al>
        <al>
          <cursief>Lid 2</cursief>
        </al>
        <al>In het tweede lid van artikel 14 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    geven op het eerste lid. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid
                    worden afgeweken indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch monument
                    of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijk of een provinciale
                    archeologische waardekaart. Een gemeente kan van deze kaarten gebruik maken
                    indien het zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke archeologische
                    waardekaart. Deze waardekaarten hanteren over het algemeen een driedeling wat
                    betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem kunnen worden
                    aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden is vervolgens gekoppeld
                    aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte
                    archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een
                    verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2
                    waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij
                    de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening gehouden te worden met de
                    vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden
                    aangetroffen. In ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig
                    zijn dat voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en
                    de datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen.
                    Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit onderdeel geen
                    standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie hieraan een invulling moet
                    geven.</al>
        <al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardekaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al>
        <al>In onderdeel c worden een viertal vrijstellingsmogelijkheden genoemd uit de Wet
                    ruimtelijke ordening. Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat bij de
                    aanvraag tot vrijstelling voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking
                    tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de vrijstelling wordt
                    aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een
                    rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren
                    terrein in voldoende mate is vastgesteld. Een dergelijke uitzondering wordt
                    feitelijk ook in onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op situaties buiten de
                    aanvraag van een vrijstelling. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d.
                    worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de
                    Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van
                    Malta.</al>
        <al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologische monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´
                    kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin
                    vereisten omtrent de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen, een
                    en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</vet>
        </al>
        <al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers
                    informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening
                    opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische
                    opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol
                    niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In
                    dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen aangezien al
                    in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat een
                    vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een rechthebbende van
                    een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en
                    eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de
                    archeologische vondsten uitputtend geregeld.</al>
        <al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma
                    van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3
                    kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke
                    uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van
                    aanpak.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 7. OVERIGE BEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 18. Schadevergoeding</vet>
        </al>
        <al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                    het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                    moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze
                    modelverordening is gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling,
                    waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college
                    mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 19. Strafbepaling</vet>
        </al>
        <al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om
                    op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,-
                    (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld
                    aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,- (januari 2008).</al>
        <al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor de hand liggend.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 20. Toezichthouders</vet>
        </al>
        <al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De basis voor deze
                    aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels
                    worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in
                    artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                    toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al>
        <al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al>
        <al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al>
        <al>
          <vet>HOOFDSTUK 8. SLOTBEPALINGEN</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 21. Intrekken oude regeling</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 22. Overgangsrecht</vet>
        </al>
        <al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al>
        <al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de gemeentelijke
                    monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                    geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn
                    ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op
                    grond van de oude verordening.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 23. Inwerkingtreding</vet>
        </al>
        <al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (lid 1) en daarna voor
                    rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de
                    Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen geregeld. </al>
        <al>
          <vet>Artikel 24. Citeertitel</vet>
        </al>
        <al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen van de
                    oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in de verordening,
                    is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term ‘erfgoed’.</al>
        <al/>
        <al/>
        <al/>
        <al>Behoort bij de Erfgoedverordening gemeente Epe 2010, raadsbesluit 14 januari
                    2010, nr. 2009-65905.</al>
        <al/>
        <al>Epe, 14 januari 2010</al>
        <al/>
        <al>De griffier,</al>
        <al/>
        <al> V. Smit</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>