<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR55054_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening onroerende-zaak belastingen 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 26-12-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaak belastingen 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=220">Gemeentewet, art. 220 t/m 220h </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet waardering onroerende zaken, artikel 41</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-12-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Vervallen door inwerkingtreding van de Verordening onroerende-zaak belastingen 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening onroerende-zaak belastingen 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet%20/article=220%20">artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</extref> en artikel 41
                        van de Wet waardering onroerende zaken.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Belastingplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden ter zake van
                                binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                                geheven; </al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die - naar de
                                        omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het
                                        kalenderjaar een onroerende zaak die niet in de hoofdzaak
                                        tot woning dient al dan niet krachtens eigendom, bezit,
                                        beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te
                                        noemen gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                        kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft
                                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te
                                        noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al></li><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel
                                in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft
                                gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                                aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                                gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak
                                ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij
                                het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale
                                registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastingobject</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20waardering%20onroerende%20zaken">hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende
                                zaken</extref>.</al></li><li nr="b."><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde
                                die op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20waardering%20onroerende%20zaken">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</extref> is
                                vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden
                                toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning
                                dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Maatstaf van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20waardering%20onroerende%20zaken">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</extref>
                                voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar
                                bedoeld in artikel 1.</al></li><li nr="2."><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                                vastgesteld op de voet van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20waardering%20onroerende%20zaken">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</extref>
                                wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                                overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20waardering%20onroerende%20zaken/article=17">artikelen 17</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20waardering%20onroerende%20zaken/article=18">18</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20waardering%20onroerende%20zaken/article=20">20, tweede lid van de Wet waardering onroerende
                                zaken</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Vrijstellingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                                heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde
                                waarde, de waarde van: </al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                        geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open
                                        grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die
                                        bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                        gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                        gebruiken;</al></li><li nr="c."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de
                                        kweek of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan
                                        bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="d."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de
                                        openbare eredienst of voor het houden van openbare
                                        bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en
                                        ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende
                                        zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="e."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                        voet van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Natuurschoonwet%201928">Natuurschoonwet 1928</extref> aangewezen landgoed dat
                                        voldoet aan de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=natuurschoonwet%201928/article=1">artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet</extref>
                                        bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop
                                        voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="f."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                        heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die
                                        door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke
                                        zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van
                                        natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="g."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                                        per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="h."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden
                                        beheerd door organen, instellingen of diensten van
                                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de
                                        delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en
                                        ander afvalwater en die worden beheerd door organen,
                                        instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                        rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                        werken die dienen als woning;</al></li><li nr="j."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                        afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                        werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                        gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></li><li nr="k."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden
                                        gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met
                                        uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                                        bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                                        onderwijs;</al></li><li nr="l."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                        eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst
                                        ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste
                                        van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals
                                        lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                                        fonteinen, banken abri's, hekken en palen;</al></li><li nr="m."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                        beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen
                                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="n."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering
                                        van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                                        woning.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                                lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet
                                voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingtarieven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tarief van de belasting is voor elke volle € 2.500,00 van de
                                heffingsmaatstaf: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij de gebruikersbelasting: € 3,98</al></li><li nr="b."><al>Bij de eigenarenbelasting: </al><lijst><li nr="1."><al>Voor onroerende zaken welke in hoofdzaak tot woning
                                                dienen: € 2,83</al></li><li nr="2."><al>Voor onroerende zaken welke niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen: € 4,96</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor belastingaanslagen tot maximaal € 9,00 vindt geen invordering
                                plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van
                                de op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde aanslagen
                                onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingaanslag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Termijnen van betaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij niet-automatische incasso: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanslagen moeten worden betaald uiterlijk op de laatste
                                        dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening
                                        van het aanslagbiljet is vermeld;</al></li><li nr="b."><al>in afwijking van het hiervoor onder a genoemde geldt in
                                        geval het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde
                                        aanslagen meer is dan € 50,00 doch minder dan € 3.000,00,
                                        dat de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke
                                        termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van
                                        de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                        aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij automatische incasso: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen
                                        waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
                                        maand volgende op die welke in de dagtekening van het
                                        aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen
                                        telkens een maand later;</al></li><li nr="b."><al>in afwijking van het hiervoor onder a genoemde geldt ingeval
                                        het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde
                                        aanslagen meer is dan € 50,00 doch minder dan € 3.000,00 dat
                                        de aanslagen worden betaald in zoveel gelijke termijnen als
                                        er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog
                                        niet geëindigde maanden in het kalenderjaar waarop de
                                        aanslagen betrekking hebben overblijven, met dien verstande
                                        dat het aantal termijnen tenminste vier bedraagt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de gestelde
                                termijnen van dit artikel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding
                        verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en
                            wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en invordering van de
                        Onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De "Verordening onroerende-zaakbelastingen 2007" vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 29 november 2006 en in werking getreden op 1
                                januari 2007, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid
                                genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij
                                van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                                datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de tweede dag na
                                die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2008.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2008".</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>