<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54948_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Sint Anthonis 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-10-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">PeelrandWijzer 29-09-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Sint Anthonis 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149 en Monumentenwet 1988, art. 15.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-05-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>algemeen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingstredingbesluit 20-09-2010</al><al>Bron ondertekening inwerkingstredingbesluit PeelrandWijzer 29-09-2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Sint Anthonis 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>GEMEENTE SINT ANTHONIS 2010</vet></al><al/><al><vet>INHOUDSOPGAVE</vet></al><al><vet>ERFGOEDVERORDENING GEMEENTE SINT ANTHONIS 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al/><al><vet>1. Monument:</vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>onroerende zaak, die van algemeen belang is op basis
                                                van de volgende criteria:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>architectuurhistorische waarde; en/of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>landschappelijke en/of historisch ruimtelijke
                                                waarde; en/of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>cultuurhistorische waarde; en/of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>zeldzaamheidswaarde; en/of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e.</al></entry><entry colname="col3"><al>Gaafheid</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gebied of terrein met behoudenswaardige informatie
                                                van cultuurhistorische, archeologische of
                                                landschappelijke aard, als bedoeld onder 1.1.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>2. Archeologisch verwachtingsgebied:</vet></al><al>terrein dat in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is
                            aangewezen vanwege zijn betekenis voor de gemeentelijke archeologische
                            monumentenzorg en geregistreerd is op de gemeentelijke archeologische
                            beleidskaart.</al><al><vet>3. Bodemarchief:</vet></al><al>alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is
                            gekomen door activiteiten van mensen en door natuurlijke processen.</al><al><vet>4. Gemeentelijke archeologische beleidskaart:</vet></al><al>kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke
                            archeologische verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld
                            door de bevoegde overheid.</al><al><vet>5. Beschermd monument:</vet></al><al> beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht (beschermd rijksmonument).</al><al><vet>6. Beschermd gemeentelijk monument:</vet></al><al>onroerend monument of terrein dat in overeenstemming met de bepalingen
                            van deze verordening is aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk
                            monument.</al><al><vet>7. Gemeentelijke monumentenlijst: </vet></al><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de bepalingen in
                            deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaken en
                            terreinen.</al><al><vet>8. Gemeentelijk cultuurhistorisch waardevol object:</vet></al><al>onroerend cultuurhistorisch waardevol object of terrein dat in
                            overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is aangewezen en
                            geregistreerd als beschermd gemeentelijk cultuurhistorisch waardevol
                            object.</al><al><vet>9. Lijst van gemeentelijke cultuurhistorisch waardevolle objecten:
                            </vet></al><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de bepalingen in
                            deze verordening als gemeentelijk cultuurhistorisch waardevolle
                            aangewezen objecten en terreinen.</al><al><vet>10. Beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht: </vet></al><al>groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun
                            schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel
                            hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen
                            zich één of meer monumenten bevinden. </al><al><vet>11. Lijst van beschermde stads- of dorpsgezichten:</vet></al><al> de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening
                            als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aangewezen
                            gebieden.</al><al><vet>12. Kerkelijk monument: </vet></al><al>monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente
                            of parochie of van een kerkelijke instelling en dat tevens uitsluitend
                            of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de
                            eredienst.</al><al><vet>13. Gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaart:</vet></al><al> kaart met een ruimtelijke presentatie van de gemeentelijke
                            cultuurhistorisch waardevolle gebieden en het te voeren beleid,
                            vastgesteld door de bevoegde overheid.</al><al><vet>14. Terrein van archeologische waarde:</vet></al><al> gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart is aangeduid als categorie 2 en waar archeologische
                            waarden, door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn
                            aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden
                            gekarakteriseerd.</al><al><vet>15. Gebied met hoge archeologische verwachting (historische kern):
                            </vet></al><al>gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart is aangeduid als categorie 3 en 4 en waarvan op basis van
                            historische, geologische en/of bodemkundige opbouw een hoge dichtheid
                            aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al><al><vet>16.Gebied met middelhoge archeologische verwachting:</vet></al><al>gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart is aangeduid als categorie 5 en waarvan op basis van
                            geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid aan
                            archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al><al><vet>17. Gebied met lage archeologische verwachting: </vet></al><al>gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart is aangeduid als categorie 6 en waarvan op basis van
                            geologische en bodemkundige opbouw een lage dichtheid aan archeologische
                            sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al><al><vet>18. Gebied zonder archeologische verwachting: </vet></al><al>gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de archeologische
                            beleidskaart is aangeduid als categorie 7 en waarvan is vastgesteld dat
                            de archeologische verwachting of archeologische waarde niet meer
                            aanwezig is.</al><al><vet>19. Archeologisch vooronderzoek:</vet></al><al> in schriftelijke rapportage vastgelegd inventariserend onderzoek naar
                            de geschiedenis en de archeologische waarden van een locatie in
                            overeenstemming met de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, in de
                            vorm van archeologisch bureauonderzoek of inventariserend
                            veldonderzoek.</al><al><vet>20. Archeologisch bureauonderzoek: </vet></al><al>vorm van archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid, het
                            karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de relatieve
                            kwaliteit van archeologische waarden worden bepaald aan de hand van
                            bestaande bronnen over archeologische waarden die voor een bepaald
                            gebied al bekend zijn of worden verwacht.</al><al><vet>21. Inventariserend veldonderzoek (IVO): </vet></al><al>vorm van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om het
                            gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het archeologische
                            bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en te toetsen door middel van
                            waarnemingen in het veld.</al><al><vet>22. Archeologische begeleiding: </vet></al><al>vorm van onderzoek waarbij de uitvoering van niet-archeologische
                            werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. </al><al/><al><onderstreept>Het proces kan 3 doelen dienen:</onderstreept></al><al>1. Om bij afwezigheid van adequaat vooronderzoek door fysieke
                            belemmeringen alsnog een vorm van inventariserend veldonderzoek te
                            kunnen verrichten (cf. IVO-proefsleuven);</al><al>2. Om eventueel aanwezige archeologische informatie te behouden (cf.
                            Opgraven);</al><al>3. Om bij (beperkte) ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige
                            archeologische informatie te behouden (cf. Opgraven).</al><al/><al><vet>23.Opgraving: </vet></al><al>het vlakdekkend onderzoeken van archeologische vindplaatsen, met als
                            doel de gegevens van de vindplaats te documenteren en daarmee de
                            informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het
                            verleden. Opgravingen worden verricht door een partij, die beschikt over
                            een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988 en
                            uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm
                            voor de Nederlandse Archeologie (KNA).</al><al><vet>24. Plan van Aanpak:</vet></al><al>Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren
                            werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het
                            Programma van Eisen te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan
                            voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen geformuleerde
                            resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. </al><al><vet>25. Programma van Eisen:</vet></al><al>het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid
                            opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van
                            de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af
                            te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren
                            werk.</al><al><vet>26. Bodemingreep: </vet></al><al>alle grondwerkzaamheden/ activiteiten die een effect hebben op het
                            voortbestaan van archeologische waarden in situ, ook wel bodemverstoring
                            genoemd.</al><al><vet>27. Bouwhistorisch onderzoek: </vet></al><al>onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de
                            bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de monumentale waarde
                            van een monument.</al><al><vet>28. Monumentencommissie: </vet></al><al>de door het college van Burgemeester en Wethouders (op basis van art.15
                            Monumentenwet 1988) ingestelde commissie of aangewezen instantie, die
                            als taak heeft het college van Burgemeester en Wethouders op verzoek of
                            uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet
                            1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening en
                            andere beleidsterreinen met betrekking tot monumenten, cultuurhistorisch
                            waardevolle objecten, archeologische waarden en beschermde stads- en
                            dorpsgezichten.</al><al><vet>29. Vergunninghoudende partij: </vet></al><al>een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van
                            Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                            Archeologie.</al><al><vet>30. Deskundige op het terrein van de archeologische
                                monumentenzorg:</vet></al><al>een door het college van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen
                            deskundige op het gebied van de gemeentelijke archeologische
                            monumentenzorg.</al><al><vet>31.Bevoegd gezag:</vet></al><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al><vet>32. Vergunning:</vet></al><al> een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2
                            van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><vet>33. Wabo: </vet></al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al><vet>34. Redengevende beschrijving: </vet></al><al>de motivering van het besluit om een object of terrein te beschermen als
                            monument of als beschermde cultuurhistorisch waardevol object.</al><al><vet>35. College:</vet></al><al>college van Burgemeester en Wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al>1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                            monument zoals gedefinieerd in artikel 1, aanwijzen als gemeentelijk
                            monument.</al><al>2. Voordat het college een besluit neemt over de aanwijzing, wordt
                            advies gevraagd aan de Monumentencommissie.</al><al>3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming, dat
                            uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van
                            de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert het overleg met
                            de eigenaar.</al><al>4. Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt
                            gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire schuldeisers en - als om de
                            aanwijzing is verzocht - de verzoeker worden in de gelegenheid gesteld
                            te worden gehoord.</al><al>5. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt, tot het moment dat de registratie als bedoeld in artikel 6
                            plaats heeft of vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn
                            de artikelen 9 tot en met 14 bij wijze van voorbescherming van
                            overeenkomstige toepassing. </al><al>6. Het college kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing van een
                            monument als gemeentelijk monument een bouwhistorisch, cultuurhistorisch
                            en/of archeologisch onderzoek wordt verricht.</al><al>7. De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument kan geen object
                            betreffen dat onherroepelijk is aangewezen op grond van artikel 3 van de
                            Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn van advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                            ontvangst van het verzoek van het college. In spoedeisende gevallen kan
                            het vragen van dit advies, met relevante onderbouwing, achterwege
                            blijven.</al><al>2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                            van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na
                            de adviesaanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling van de aanwijzing</titel></kop><al>1. De aanwijzing als bedoeld in artikel 3 wordt medegedeeld aan degenen,
                            die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt
                            gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers
                            en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.</al><al>2. Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                            aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>1. Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                            gemeentelijke monumentenlijst.</al><al>2. De registratie van een gemeentelijk monument op de gemeentelijke
                            monumentenlijst omvat:</al><al>- de plaatselijke aanduiding;</al><al>- de datum van de aanwijzing;</al><al>- de kadastrale aanduiding;</al><al>- de tenaamstelling en</al><al>- een beschrijving van het monument.</al><al>3. Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is,
                            beperkt de bescherming en registratie zich tot dat specifieke deel. In
                            de beschrijving dient dit tot uitdrukking te komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><al>1. Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                            belanghebbende wijzigen.</al><al>2. Artikel 3, leden 2, 3, 4, 5, 6 en 7 en artikel 4 en 5 zijn van
                            overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al><al>3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                            ondergeschikte betekenis is, kan het in lid 2 gestelde achterwege
                            blijven.</al><al>4. De inhoud en de datum van wijziging worden aangetekend op de
                            gemeentelijke monumentenlijst.</al><al>5. De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in
                            de kadastrale registratie als eigenaar en / of beperkt gerechtigde staan
                            vermeld en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, lid 2, lid
                            3, lid 4 en lid 6 evenals artikel 4 van overeenkomstige toepassing.</al><al>2. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                            wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al><al>3. De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                            geregistreerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="6*"/><colspec colname="col3" colwidth="87*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als
                                                bedoeld in artikel 1, onder 1, sub 1 te beschadigen
                                                of te vernielen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het is verboden zonder een vergunning van het
                                                bevoegd gezag:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>een handeling te verrichten als beschreven in
                                                artikel 2.2., eerste lid, sub b van de Wet algemene
                                                bepalingen omgevingsrecht:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                                onder 1, sub 1 af te breken, te verstoren, te
                                                verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                                onder 1, sub 1 te herstellen, te gebruiken of te
                                                laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het
                                                wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in
                                                het tweede lid, gelden niet indien het college
                                                nadere regels stelt met betrekking tot de wijze
                                                waarop werkzaamheden dienen te worden
                                                uitgevoerd.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het bevoegd gezag geeft met betrekking tot een beschermd kerkelijk
                            monument geen beschikking ingevolge de bepalingen van artikel 6, tweede
                            lid, dan wel in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover
                            het een beschikking betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergunning gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>De aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 9 wordt in drievoud ingediend bij het
                            college. In aanvulling op de gevraagde gegevens kan het college ter
                            beoordeling van de aanvraag nadere gegevens van de aanvrager verlangen,
                            waaronder de resultaten van een bouwhistorisch en een inventariserend
                            archeologisch onderzoek en een cultuurhistorische analyse. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>1. De vergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde activiteiten
                            zouden leiden tot een onevenredige aantasting van het monument. </al><al>2. Een vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. </al><al>3. Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik
                            van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>1. In geval van een aanvraag om een vergunning vraagt het bevoegd gezag
                            advies aan de monumentencommissie of, indien het een archeologisch
                            monument betreft, aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                            Archeologische monumentenzorg voordat zij beslissen op de aanvraag.</al><al>2. Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                            de betreffende commissie schriftelijk advies uit aan het bevoegd
                            gezag.</al><al>3. Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om vergunning, als bedoeld
                            in artikel 11, binnen de in artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht. Genoemde termijn. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                            bestuursrecht is van toepassing met uitzondering van artikel 4:20b,
                            derde lid.</al><al>4. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn van acht weken met ten hoogste
                            zes weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan tijdig in kennis
                            stelt.</al><al>5. Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften verbinden
                            betreffende de uitvoering en de materiaaltoepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden
                                                ingetrokken als blijkt dat:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                                onvolledige opgave is verleend;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in
                                                artikel 9 niet naleeft;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>de omstandigheden aan de kant van de
                                                vergunninghouder zodanig zijn gewijzigd, dat het
                                                belang van het beschermde gemeentelijk monument
                                                zwaarder dient te wegen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt
                                                gemaakt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie
                                                aan de monumentencommissie gezonden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermde rijksmonumenten</titel></kop><al>1. Het bevoegd gezag vraagt advies aan de monumentencommissie voordat
                            het beslist op de aanvraag. </al><al>2. De monumentencommissie adviseert binnen vier weken na het verzoek om
                            advies van het bevoegd gezag.</al><al>3. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de
                            monumentencommissie geacht te hebben geadviseerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>BESCHERMD GEMEENTELIJKE STADS-OF DORPSGEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</titel></kop><al>1. Het college kan een beschermd stads- of dorpsgezicht aanwijzen als
                            beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en een zodanige aanwijzing
                            intrekken.</al><al>2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                            advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het
                            vragen van dit advies achterwege blijven. </al><al>3. De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat is
                            aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><al>1. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen vier weken na
                            ontvangst van het verzoek van het college.</al><al>2. Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                            van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na
                            de adviesaanvraag. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke lijst stads- of
                                dorpsgezichten</titel></kop><al>1. Het college registreert het beschermde gemeentelijke stads- of
                            dorpsgezicht op de lijst met beschermde gemeentelijke stads- of
                            dorpsgezichten.</al><al>2. De lijst met beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten bevat
                            de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de
                            gebiedsaanwijzing van het beschermde gemeentelijke stads- of
                            dorpsgezicht en een beschrijving van de daarin vervatte
                            cultuurhistorische waarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Wijzigen en intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>De artikelen 7 en 8 zijn overeenkomstig van toepassing, met dien
                            verstande dat aan artikel 8, tweede lid nog wordt toegevoegd dat de
                            aanwijzing tevens wordt geacht te zijn ingetrokken als toepassing wordt
                            gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vaststellen beschermend bestemmingsplan</titel></kop><al>1. De raad stelt, ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads-
                            of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                            ruimtelijke ordening.</al><al>2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                            dorpsgezicht wordt door het college bepaald in hoeverre geldende
                            bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het eerste lid
                            kunnen worden aangemerkt.</al><al>3. Alvorens het college de raad terzake een voorstel doen, wordt de
                            monumentencommissie gehoord. </al><al>4. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen vier weken na
                            ontvangst van het verzoek van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Vergunningverlening in beschermd stads- of dorpsgezicht</titel></kop><al>1. In beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is het verboden
                            een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking
                            van een vergunning van het bevoegde gezag.</al><al>2. Op de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid
                            zijn, totdat een beschermend bestemmingsplan onherroepelijk is geworden,
                            de artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.</al><al>3. Geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht is vereist voor het afbreken ingevolge een
                            aanschrijving van het college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colwidth="82*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Het is verboden om zonder of in afwijking van een
                                                vergunning het archeologische bodemarchief in een
                                                archeologisch waardevol gebied of archeologisch
                                                verwachtingsgebied te verstoren, te beschadigen of
                                                te vernielen, als beschreven in artikel 2.2. van de
                                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bij bodemingrepen minder dan 50 cm diep onder
                                                maaiveld met een omvang van minder dan 250 m2
                                                in</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>terreinen van archeologische waarde (categorie 2)
                                                als aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                                beleidskaart;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>gebieden met een hoge archeologische verwachting,
                                                historische kern (categorie 3) als aangegeven op de
                                                gemeentelijke archeologische beleidskaart;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>in gebieden met een hoge archeologische verwachting
                                                (categorie 4) als aangegeven op de gemeentelijke
                                                archeologische beleidskaart;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>gebieden met een middelhoge archeologische
                                                verwachting (categorie 5) als aangegeven op de
                                                gemeentelijke archeologische beleidskaart;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>bij bodemingrepen met een omvang van minder dan 250
                                                m2 in gebieden met een lage archeologische
                                                verwachting (categorie 6) als aangegeven op de
                                                gemeentelijke archeologische beleidskaart;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>in gebieden zonder archeologische verwachting
                                                (categorie 7) als aangegeven op de gemeentelijke
                                                archeologische beleidskaart.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing
                                                indien:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn
                                                opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg die
                                                in overeenstemming zijn met het vastgestelde
                                                beleid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>er sprake is een activiteit als bedoeld in artikel
                                                2.12, eerste lid, onder a, onder 3° en tweede lid,
                                                van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                                voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                                monumentenzorg.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Wijzigen kwalificatie van een locatie</titel></kop><al>Op grond van een melding ingevolge artikel 53 van de Monumentenwet 1988
                            en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan het
                            college een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk
                            archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied met
                            hoge of middelhoge verwachting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vergunning archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk
                                                en bodemingrepen in archeologische
                                                verwachtingsgebieden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Vergunning volgens artikel 2.1 eerste lid, sub b van
                                                de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, kan
                                                slechts worden verleend indien vooraf door aanvrager
                                                van de vergunning door middel van een rapportage van
                                                archeologisch vooronderzoek conform de
                                                Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en
                                                het Programma van Eisen naar het oordeel van het
                                                college in voldoende mate is vastgesteld dat bij
                                                realisatie van de bodemingrepen:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de archeologische waarden in voldoende mate zijn
                                                zeker gesteld; of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
                                                of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
                                                of</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college kan aan de verlening van de vergunning
                                                de volgende voorschriften verbinden:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de verplichting tot het treffen van technische
                                                maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen
                                                worden behouden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>de verplichting tot het doen van inventariserend
                                                veldonderzoek of een opgraving;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>de verplichting de activiteit die tot
                                                bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een
                                                vergunninghoudende partij op het terrein van de
                                                archeologische monumentenzorg.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien
                                                de archeologische waarden die in het geding zijn
                                                naar het oordeel van het college in situ behouden
                                                dienen te blijven.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor
                                                terreinen/gebieden die in overeenstemming met
                                                artikel 3 van de Monumentenwet 1988 zijn aangewezen
                                                als beschermd archeologisch (rijks)monument.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Vergunningaanvraag</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                                                24, lid 1, moet worden ingediend bij het college en
                                                moet de volgende gegevens bevatten:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>naam en adres van de aanvrager;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>locatie en omschrijving van de voorgenomen
                                                werkzaamheden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>tijdsplanning.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college kan ter beoordeling van de aanvraag
                                                nadere gegevens van de aanvrager verlangen,
                                                waaronder een archeologische waardering, zoals
                                                opgenomen in een archeologisch vooronderzoek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Uit de vergunningsaanvraag moet duidelijk blijken
                                                wat de bestaande en de door de aanvrager gewenste
                                                situaties zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college beslist op de aanvraag binnen twaalf
                                                weken na ontvangst van de aanvraag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college kan de in het eerste lid genoemde
                                                termijn van twaalf weken met ten hoogste zes weken
                                                verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennis
                                                geeft binnen de in het eerste lid genoemde termijn
                                                van twaalf weken.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag
                                                vanwege onvolledigheid is artikel 4:5 van de
                                                Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het
                                                college kan hiertoe nadere regels geven.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Ruimtelijke ontwikkeling</titel></kop><al>1. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de
                            vergunning, als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht, voorwaarden gesteld worden juncto artikel 39 lid 3 van
                            de Monumentenwet 1988.</al><al>2. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een
                            vergunning, als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet 1988,
                            voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 21 lid 1 van deze
                            verordening.</al><al>3. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een
                            vergunning met toepassing van artikel 2.1 en artikel 2.12, eerste lid,
                            onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                            voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 41 van de
                            Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien binnen het gemeentelijk grondgebied onderzoek
                                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                                opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de
                                                Monumentenwet 1988, dienen onverminderd de overige
                                                bepalingen van deze wet:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>het college een programma van eisen vast te stellen
                                                als bedoeld in artikel 1, waarbij nadere eisen
                                                worden gesteld aan het onderzoek.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een
                                                plan van aanpak als bedoel in artikel 1 van deze
                                                verordening ter goedkeuring aan het college te
                                                overleggen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>In de nadere eisen kan het college bepalingen
                                                opnemen met betrekking tot het toezicht op de
                                                feitelijke uitvoering van het plan van aanpak.
                                                Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het
                                                college in acht te worden genomen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan
                                                het programma van eisen en eventuele nadere eisen
                                                voldoet, kan het college advies vragen aan een
                                                deskundige op het terrein van de archeologische
                                                monumentenzorg.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>CULTUURHISTORISCH WAARDEVOLLE OBJECTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Aanwijzing</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college kan, al dan niet op verzoek van
                                                belanghebbenden, besluiten zaken aan te wijzen als
                                                beschermde cultuurhistorisch waardevolle
                                                objecten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit
                                                nemen vragen zij advies aan:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de monumentencommissie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>degenen die in de kadastrale registratie als
                                                eigenaar en beperkt gerechtigde staan vermeld;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>de hypothecaire schuldeisers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>indien om de aanwijzing is verzocht, de
                                                verzoeker.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een
                                                cultuurhistorisch waardevol object de kennisgeving
                                                van het voornemen tot aanwijzing als beschermde
                                                cultuurhistorisch waardevol object ontvangt tot het
                                                moment dat de registratie plaatsvindt, is artikel 30
                                                van overeenkomstige toepassing.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Alvorens het college een (kerkelijk)
                                                cultuurhistorisch waardevol object aanwijst, wordt
                                                de eigenaar gehoord.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Beschermde cultuurhistorisch waardevolle objecten,
                                                die zijn ingeschreven in het register als bedoeld in
                                                artikel 6 van de Monumentenwet of die op grond van
                                                deze verordening zijn geregistreerd op een lijst van
                                                monumenten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanwijzings- en registratieprocedure</titel></kop><al>Artikel 4 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
                            verstande dat voor het beschermd(e) gemeentelijk(e) monument moet worden
                            gelezen “het beschermde cultuurhistorisch waardevol object” en voor de
                            gemeentelijke monumentenlijst moet worden gelezen “de gemeentelijke
                            lijst cultuurhistorisch waardevolle objecten”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het is verboden een beschermd cultuurhistorisch
                                                waardevol object te beschadigen of te
                                                vernielen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of
                                                in strijd met bij zodanige vergunning gestelde
                                                voorschriften:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>een handeling te verrichten als beschreven in
                                                artikel 2.2., eerste lid, sub b van de Wet algemene
                                                bepalingen omgevingsrecht:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>een beschermd cultuurhistorisch waardevol object af
                                                te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig
                                                opzicht te wijzigen of, indien het om een
                                                archeologische vondst gaat, te vervreemden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>een beschermd cultuurhistorisch waardevol object te
                                                herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op
                                                een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in
                                                gevaar wordt gebracht of in strijd wordt gehandeld
                                                met de bepalingen van het eventueel daarop van
                                                toepassing zijnde Beeldkwaliteitplan.</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Vergunningaanvraag en vergunningverlening</titel></kop><al>1. De aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor
                            een vergunning als bedoeld in artikel 9 wordt in drievoud ingediend bij
                            het college. </al><al>2. Op de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 30, zijn de
                            artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige verordening toepassing,
                            met dien verstande dat voor het beschermd(e) gemeentelijk(e) monument
                            moet worden gelezen “het beschermde cultuurhistorisch waardevolle
                            object”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden
                                                ingetrokken als blijkt dat:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                                onvolledige opgave is verleend;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>de vergunninghouder de voorwaarden als bedoeld in
                                                artikel 30 niet naleeft;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>de omstandigheden aan de kant van de
                                                vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat
                                                het belang van het beschermde cultuurhistorisch
                                                waardevolle object zwaarder dient te wegen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt
                                                gemaakt.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie
                                                aan de monumentencommissie gezonden.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SCHADEVERGOEDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende
                                                schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet
                                                of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven,
                                                kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                                                billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de
                                                schade in relatie staat tot:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning
                                                als bedoeld in artikel 9 te verlenen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden
                                                aan een vergunning als bedoeld in artikel 9;c.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>de door het college nader te stellen regels als
                                                bedoeld in artikel 9;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>de weigering van een omgevingsvergunning in het
                                                belang van de archeologische monumentenzorg;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>e.</al></entry><entry colname="col3"><al>de voorschriften die in het belang van de
                                                archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende
                                                besluit zijn verbonden (artikel 42 Monumentenwet
                                                1988).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>f.</al></entry><entry colname="col3"><al>de veroorzaakte schade door een maatregel als
                                                bedoeld in artikel 57, tweede lid (Monumentenwet
                                                1988).</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Voor de behandeling van de verzoeken zijn de
                                                bepalingen van de verordening ter regeling van de
                                                procedure bij toepassing van artikel 6.1 van de Wet
                                                ruimtelijke ordening van overeenkomstige
                                                toepassing.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9, 21, 22 en/of artikel 30
                            van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie. Overtreding van artikelen 9, 21, 22 en/of 30 van deze
                            verordening kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                            rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door het college van Burgemeester en
                            Wethouders aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. De verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al><al>2. Bij inwerkingtreding van deze verordening vervalt de bij besluit van
                            30 oktober 2006 vastgestelde “Monumentenverordening gemeente Sint
                            Anthonis 2006”.</al><al>3. De op grond van het ingevolge het vorige lid vervallen verordening
                            aangewezen en geregistreerde beschermde gemeentelijke monumenten worden
                            geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen
                            van deze verordening.</al><al>4. Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                            van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de
                            ingetrokken verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Erfgoedverordening gemeente
                            Sint Anthonis 2010”. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Sint Anthonis, gehouden op 20 september 2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING OP DE ERFGOEDVERORDENING</titel></kop><al><vet>Algemeen </vet></al><al>De raad is op grond van artikel 147 van de Gemeentewet bevoegd verordeningen
                    vast te stellen op basis waarin gemeentelijk beleid is geformuleerd en op basis
                    waarvan dit beleid kan worden uitgevoerd.Een vergunningaanvraag voor het
                    wijzigen van een beschermd gemeentelijk of rijksmonument wordt behandeld conform
                    de in de Wabo beschreven procedures voor de behandeling van vergunningaanvragen.
                    Tegen een besluit over een vergunningaanvraag voor wijziging van gemeentelijk-
                    of rijksmonument is bezwaar en/of beroep mogelijk. De procedures daarvoor zijn
                    geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, Hoofdstuk 6 en 7.</al><al/><al>Deze verordening is grotendeels gebaseerd op de modelverordening van de VNG. </al><al>De aanpassing van de Erfgoedverordening (voorheen Monumentenverordening) houdt
                    verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor),
                    voorzien per 1 oktober 2010.</al><al/><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenloopt met de verlening van een
                    bouw- of aanlegvergunning. </al><al>Er is voor gekozen om de instandhoudingvergunning van archeologische terreinen
                    op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de
                    omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke
                    bestemmingsplannen nog niet Malta-proof zijn, kan op deze wijze in de
                    omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden
                    geboden bij de realisatie van een fysiek project.</al><al>De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo
                    ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Burgemeester en
                    wethouders blijven hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke toetsingskader
                    van de omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de
                    verordening bepaald. Voor het overige is bij het opstellen van deze
                    modelverordening rekening gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving'. </al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting artikelsgewijs</titel></kop><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                        uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving
                        van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is
                        volgens de Memorie van Toelichting van de Monumentenwet 1988, de aan een
                        bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is
                        ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat
                        bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime omschrijving
                        dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                        geschiedkundige en of bouwhistorische waarde. Het begrip terreinen, als
                        bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden uitgelegd.
                        Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de bodem
                        (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                        tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                        terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk
                        monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer
                        begrip.Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                        monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                        monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze
                        te jong zijn, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen. (NB: De
                        50-jarengrens voor rijksmonumenten zal per 1 januari 2011 worden geschrapt
                        uit de Monumentenwet 1988). Uitgangspunt in deze verordening is dat onder
                        het begrip zaak alleen onroerende zaken worden verstaan. Immers, het
                        effectueren van de bescherming vormt een probleem, aangezien roerende
                        monumenten meestal eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt
                        over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                        gebracht. Zaken die naar hun aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen
                        wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                        omschrijving.</al><al>De gemeentelijke beleidskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                        geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                        kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen,
                        indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek
                        mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al><vet>28. Monumentencommissie</vet></al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk
                        bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                        commissies instellen. </al><al>De monumentencommissie is een onafhankelijke en deskundige commissie die
                        adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad
                        bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd
                        gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze
                        wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een
                        commissie moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om
                        een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
                        eerste lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat
                        burgemeester en wethouders in dit geval geen keuzevrijheid hebben ten
                        aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                        monumentencommissie door burgemeester en wethouders moet door middel van een
                        apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van
                        een (monumenten) commissie door het college. Het bestuursorgaan kan bij
                        verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo andere instanties
                        aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. In
                        deze verordening is opgenomen dat advies wordt gevraagd aan de
                        (gemeentelijke) monumentencommissie. De taken van de monumentencommissie
                        strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de Monumentenwet 1988 en de
                        Wabo. Door de monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te
                        verklaren over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag,
                        is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet
                        1988. Er zijn meerdere varianten mogelijk in het regelen van een commissie,
                        zoals een gecombineerde commissie van monumentencommissie met
                        welstandscommissie.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                        deze geen nadere toelichting behoeven.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikelen</label><nr>3</nr><titel>t/m 23 Gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                        toestemmingstelsels. Hierdoor blijft het college bevoegd gezag betreffende
                        de aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                        monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing
                        heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke
                        monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het besluit tot
                        aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging
                        van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging
                        van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                        monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                        komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding.
                        De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande
                        gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de
                        mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal
                        object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een
                        vergunning (zie art. 9, tweede lid) worden gewijzigd. Door de aanwijzing als
                        beschermd gemeentelijk monument is het gehele object, inclusief het
                        interieur, onder de werking van de monumentenverordening geplaatst. Andere
                        (zelfstandige) zaken die zich op het kadastrale perceel van het beschermde
                        monument bevinden, zoals bijgebouwen, objecten en tuininrichting, moeten
                        expliciet in de redengevende omschrijving zijn opgenomen, willen zij onder
                        de werking van de verordening vallen. Evenzo is door aanwijzing als
                        gemeentelijk archeologisch monument het gehele terrein onder de werking van
                        de verordening geplaatst. Andere zaken die zich op het perceel van het
                        beschermd gemeentelijk archeologische monument bevinden, zoals gebouwen,
                        tuininrichting en bomen vallen daarmee tevens onder de werking van de
                        verordening, voor zover zijn met de bodem zijn verbonden.</al><al>Dit artikel (lid 5) regelt ook de voorbescherming voor toekomstige
                        gemeentelijke monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat
                        betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van
                        burgemeester en wethouders om een object op de gemeentelijke monumentenlijst
                        te plaatsen tot het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een
                        afwijzing zijn), de artikelen 9 tot en met 14 van deze verordening van
                        toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de
                        aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument/ gemeentelijk archeologisch
                        monument/ gemeentelijk cultuurhistorisch waardevol object niet mag worden
                        afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor
                        monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                        van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht,
                        aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn
                        verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te
                        worden opgeschort.Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                        publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                        artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                        kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb) onroerende zaken. Daarmee
                        is ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                        aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                        gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                        voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 5 van deze
                        verordening.</al><al>Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                        wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze,
                        weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de
                        aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat
                        wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel
                        wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan
                        blijven.Burgemeester en Wethouders kunnen, ten behoeve van de aanwijzing tot
                        beschermd gemeentelijk monument, bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                        verricht. Hiervan zal met name sprake zijn indien een belanghebbende om
                        aanwijzing verzoekt (lid 6).Monumenten die op grond van een aanwijzing door
                        het Rijk of provincie reeds op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen
                        niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. Een beschermd
                        gemeentelijk monument dat na aanwijzing wordt geregistreerd als beschermd
                        rijksmonument, wordt vanaf dat moment geacht niet meer te zijn aangewezen
                        als gemeentelijk monument. Hiervoor is geen apart besluit meer van het
                        college vereist. Deze mogelijkheid bestaat wel voor zelfstandige bouwdelen;
                        bijvoorbeeld een boerderij is aangewezen als rijksmonument en een inrijhek
                        als gemeentelijk monument (lid 7).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn van advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                        moet adviseren (lid 1) en burgemeester en wethouders een beslissing moeten
                        nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle
                        belanghebbenden waar ze aan toe zijn. De verordening bindt het advies niet
                        aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                        werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                        plaats.In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                        over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden
                        worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van)
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel worden de termijnen
                        genoemd waarbinnen de monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het
                        college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een
                        termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn.De
                        redactie van lid 1 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                        tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                        beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als
                        bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het
                        college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve
                        weigering. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het
                        aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de
                        verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan
                        gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen
                        gebruiken.Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid
                        van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit
                        open zou staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het
                        besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling van de aanwijzing</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift
                        van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                        verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                        aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder
                        a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                        publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                        voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                        bedoeld in artikel 5 van deze verordening.Dit artikel regelt overigens niet
                        specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de
                        aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6). Indien het artikel
                        4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en derde belanghebbenden) dan
                        dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens
                        een mededeling te ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                        besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder
                        snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen en de redengeving daartoe. Zie voor de toelichting artikel
                        3.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                        voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                        wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                        aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                        4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten in te trekken (lid1). Voor intrekking van de aanwijzing is het
                        advies van de monumenten- commissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                        monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt
                        of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                        monumentenlijst gehaald. Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor
                        een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige)
                        documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de
                        aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor
                        de lokale geschiedenis gedocumenteerd.Naast de registratie regelt lid 2 dat
                        monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval
                        dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen en
                        geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                        registratie als monument.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFSTUK</label><nr>3</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Instandhoudingsbepaling</titel></kop><al>Met behulp van dit artikel heeft de gemeente een effectief instrument in
                        handen ter bescherming van gemeentelijk beschermde monumenten. Aan een
                        vergunning kunnen diverse soorten voorwaarden worden verbonden. De
                        verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 9 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de aanvraag
                        omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het
                        verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. De Mor voorziet in nadere regels met
                        betrekking tot de indieningvereisten voor de aanvragen voor een
                        omgevingsvergunning. In hoofdstuk 5 van de Mor zijn specifieke
                        indieningvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                        monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen
                        welke indieningvereisten gelden. In het kader van de vermindering van
                        administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de
                        indieningvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te
                        worden. In lid 3 van artikel 9 wordt de mogelijkheid geschapen voor
                        burgemeester en wethouders om nadere regels te stellen die in de plaats
                        kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de
                        vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en
                        ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom
                        buiten de Wabo. Burgemeester en wethouders blijven hiervoor het bevoegde
                        gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                        gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk
                        het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat
                        burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met
                        betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden
                        geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan
                        expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning
                        hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is
                        voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit
                        toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder
                        met administratieve lasten worden geconfronteerd.In de nadere regels
                        (uitvoeringsrichtlijnen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en
                        aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij
                        dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek)
                        voorop te staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit
                        artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                        medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met de
                        initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand
                        van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object niet of
                        zo min mogelijk wordt aangetast. Dit kunnen bijvoorbeeld voorwaarden zijn
                        over de wijze waarop de werkzaamheden aan een gemeentelijk monument
                        uitgevoerd moeten worden, het ontzien van bepaalde onderdelen, of het voor
                        een beperkte tijd toestaan van een wijziging, zoals een luifel tijdens een
                        braderie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>In dit artikel is de bepaling betreffende de religieuze monumenten
                        teruggeplaatst. De noodzaak van overeenstemming betreffen de wezenlijke
                        belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor
                        bijvoorbeeld een pastorie of een catechesatieruimte geldt deze
                        verbijzondering niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de overige
                        monumenten gelden. De beslissingstermijnen, genoemd in artikel 7, gelden ook
                        voor de beslissingen op grond van dit artikel. Ook hier geldt, dat roerende
                        monumenten eveneens onder de bescherming van deze verordening kunnen vallen.
                        Hierbij wordt opgemerkt dat zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals
                        een kerkorgel, op basis van de redengevende omschrijving al een beschermde
                        status kunnen krijgen. Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of
                        catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet geldt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergunningverlening</titel></kop><al>Welke gegevens moeten worden ingediend bij de aanvraag zijn aangegeven op
                        het landelijk vastgestelde aanvraagformulier. Zoals reeds eerder gesteld is
                        de Awb (in dit geval de artikelen 4:2, 4:5 en 4:15) van toepassing. Een
                        aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor (voorlopig)
                        zowel digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze
                        tussen het digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de
                        omgevingsvergunning. Ook voor ondernemingen en personen met een zelfstandig
                        beroep geldt (voorlopig) deze keuzevrijheid nog .Het Bor bepaalt dat in het
                        kader van de vermindering van de administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar maximaal
                        vier exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag
                        opvragen. Volgens deze verordening worden drie exemplaren gevraagd. In
                        bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan
                        worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of
                        verklaringen van geen bedenkingen. In dit artikel is verder opgenomen dat
                        het bevoegd gezag een bouwhistorisch, archeologisch of cultuurhistorisch
                        onderzoek kan verlangen. Inzicht in de geschiedenis, de bouwhistorisch,
                        archeologische of cultuurhistorische waarde van een object bij de
                        beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument is van belang.
                        Het bevoegd gezag bepaalt dan dat (de uitkomst van) het onderzoek tot de
                        noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te
                        komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang
                        van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek
                        en de daaraan verbonden kosten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>In de Wabo wordt het begrip beschermd monument gebruikt, maar dat betekent
                        daar alleen rijksmonument (zie art. 1.1 lid 1 Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht ). In artikel 2.2 worden echter ook de gemeentelijke en
                        provinciale monumenten onder de omgevingsvergunning gebracht, waarmee ze
                        overigens nog geen ‘beschermd monument’ in de zin van de Wabo zijn. Om de
                        gemeentelijke monumenten in deze verordening te beschermen is dit artikel
                        opgenomen en kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het
                        belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Inhoudelijk kan
                        aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan
                        andere belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het
                        artikel geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet
                        tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg
                        centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden
                        verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de
                        monumentenzorg. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo instanties (adviseurs) aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. In deze verordening is opgenomen dat advies wordt
                        gevraagd aan de (gemeentelijke) monumentencommissie. Voor het uitbrengen van
                        advies is een (maximale) termijn opgenomen van 4 weken. Van belang is dat de
                        adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het
                        is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik
                        wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit
                        niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan
                        kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. </al><al>Het bevoegd gezag dient altijd de beslistermijn van 8 weken in acht te nemen
                        (lid 3). </al><al>De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het
                        bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van
                        de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk
                        bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een
                        advies. </al><al>Gelet op de beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                        monumenten- commissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                        door het bevoegde gezag. Op basis van artikel 4:5 en 4:15 Awb kan tijdens de
                        vergunningprocedure met betrekking tot gemeentelijke monumenten worden
                        gevraagd om aanvullende gegevens wanneer dit nodig wordt geacht of wordt
                        geadviseerd door de monumentencommissie. </al><al>Het uitgangspunt is dat één maal gevraagd wordt om aanvulling van de
                        gegevens omdat slechts eenmaal de sanctie van het niet in behandeling nemen
                        van toepassing is.</al><al>Wanneer uit die alsnog overgelegde gegevens blijkt dat nog meer gegevens
                        nodig zijn, kunnen deze in overleg met de aanvrager worden aangevuld, zonder
                        dat daarbij de sanctie van het niet in behandeling nemen van toepassing
                        is.</al><al/><al>Vergunningverlening (lid 3, 4 en 5)</al><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Echter indien er meerdere
                        activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de
                        andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond
                        van de Wabo gevolgd moet worden, dan wordt voor het hele project de
                        uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de
                        Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een
                        samenloop van procedures geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide
                        openbare voorbereidingsprocedure). Aangezien veelal de reguliere procedure
                        gevolgd zal worden, is ervoor gekozen om deze hieronder nader toe te
                        lichten. De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de
                        doelen van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.
                        De reguliere voorbereidings- procedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
                        Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). Het definitieve besluit wordt
                        gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij het wordt opengesteld
                        voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in werking met ingang van
                        de dag na haar bekendmaking. In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een
                        positieve fatale beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale
                        beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot
                        een omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform
                        de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve
                        vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van
                        toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid. De van
                        rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na
                        de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van
                        een bezwaarschrift is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, op dit
                        bezwaar is beslist.Volgens de Wabo is het niet meer mogelijk om voorwaarden
                        of voorschriften aan de vergunning te koppelen, tenzij dit in deze
                        verordening is geregeld. Om dit te regelen is er dan ook een link gelegd
                        tussen de gemeentelijke erfgoedverordening en artikel 2.22 van de Wabo. Dus
                        indien de gemeente bijv. (standaard) uitvoeringsvoorschriften bijvoegt, dan
                        is dit alleen mogelijk als dit in de verordening is aangegeven. Zo kan
                        worden verwezen naar een bouwhistorisch, cultuurhistorisch of archeologisch
                        onderzoek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikel bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c.
                        heeft betrekking op de situatie dat, als er een nieuwe belangenafweging zou
                        kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. In
                        dat geval heeft het college de mogelijkheid de vergunning in te trekken.De
                        wijze waarop en de motivering waarom zijn geregeld in artikel 3:41 Awb. Het
                        ligt voor de hand om de commissie een afschrift toe te sturen van de
                        intrekking. Daarnaast kan het aan te bevelen zijn om de commissie advies te
                        vragen alvorens over de intrekking wordt besloten. Overigens kan de
                        commissie ook ongevraagd advies verstrekken.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermde rijksmonumenten</titel></kop><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde</al><al>monumenten staat beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van
                        de Awb. Dit is de basis voor de bescherming en inhoudelijke beoordeling van
                        vergunningaanvragen voor beschermde rijksmonumenten.De uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin verschilt de
                        omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de omgevingsvergunning
                        voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 9
                        dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de
                        inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                        voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde
                        monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn
                        voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                        adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Gedurende de
                        termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.</al><al/><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), en buiten de bebouwde kom
                        ook Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: GS), moet binnen 8 weken
                        (art. 6.4 Bor) na verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het
                        definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag
                        worden genomen. Op het definitieve besluit kan slechts door belanghebbenden
                        beroep worden ingesteld. Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan
                        op verschillende wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking
                        adviesplicht van de rijksdienst vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed
                        zijn. </al><al>Daarom wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel Wijziging van de
                        Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële
                        adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten
                        losgelaten. De adviesplicht is alleen van toepassing wanneer er sprake is
                        van:</al><al>1. (gedeeltelijke) afbraak;</al><al>2. ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke afbraak;</al><al>3. reconstructie;</al><al>4. herbestemming: het wijzigen van de functie. </al><al/><al>Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen
                        alle gemeenten vanaf 2009 een monumentencommissie moeten hebben aangesteld,
                        die onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de
                        Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een
                        monumentencommissie in diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het
                        beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college van
                        burgemeester en wethouders verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS
                        te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht
                        invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden
                        de tijd heeft. Het is gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke
                        gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk
                        kan worden gehaald.</al><al/><al>NB: Er dient rekening te worden gehouden met een wetswijziging in de
                        Monumentenwet 1988. De Monumentenwet 1988 zal per 1 januari 2011 op de
                        volgende zaken worden gewijzigd:</al><al>a. met betrekking tot relatief beperkte ingrepen zal de proceduretermijn
                        voor vergunningverlening van een rijksmonument worden verkort tot 8 weken.
                        Dit is nu nog 26 weken, conform de UOV. Voor deze ingrepen is momenteel geen
                        advies van de RCE en provincie vereist;</al><al>b. de 50-jarengrens komt te vervallen;</al><al>c. de mogelijkheid van belanghebbenden vervalt om een aanvraag in te dienen
                        bij de minister van OC&amp;W, om een monument als rijksmonument aan te
                        wijzen;</al><al>d. er komt een grondslag voor subsidie ten behoeve van herbestemming.</al><al/><al>Lid 2</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                        ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Aanwijzing beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten</titel></kop><al>Indien de cultuurhistorische waarde haar grond vindt in het totaal van een
                        gebied en veel minder in het individuele monument of complex en het gebied
                        met name een lokale betekenis heeft, kan het college overgaan tot het
                        aanwijzen van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten. Met name voor de
                        gebieden met veel jongere bouwkunst, die in het kader van het Monumenten
                        Inventarisatie Project* zijn geïnventariseerd, kan de aanwijzing een goed
                        instrument zijn om de algehele cultuurhistorische waarde van dat gebied te
                        beschermen. Qua procedure is aansluiting gezocht bij de aanwijzing en
                        registratie van beschermde monumenten. Gelet op de omvang van een stads- of
                        dorpsgezicht en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden, zijn de termijnen
                        ruimer gesteld dan bij bescherming van individuele monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Wijzigingen en intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Ook bij de wijziging en intrekking van een beschermd gemeentelijk stads- en
                        dorpsgezicht is aansluiting gezocht bij de procedure voor beschermde
                        monumenten. Indien een stads- of dorpsgezicht wordt aangewezen op grond van
                        artikel 35 van de Monumentenwet 1988 wordt de aanwijzing op grond van
                        artikel 19 van deze verordening geacht te zijn ingetrokken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vaststellen beschermd bestemmingsplan</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is de raad verplicht een bestemmingsplan vast te
                        stellen ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of
                        dorpsgezicht. Dit (gedetailleerde) bestemmingsplan moet de basis bieden voor
                        het beschermen van de structuurbepalende delen van het betreffende
                        gebied.</al><al>Deze structuurbepalende delen worden benoemd in de beschrijving van het
                        beschermd stads- of dorpsgezicht. Op basis hiervan kunnen bij
                        (ver)bouwplannen nadere eisen worden gesteld. Deze nadere eisen kunnen
                        bijvoorbeeld worden ingevuld door het welstandsbeleid, een
                        Cultuurhistorische effectraportage (CHER*) of een beeldkwaliteitplan.</al><al>* De CHER geeft inzicht in de (macro-)effecten van nieuwe ruimtelijke
                        ontwikkelingen op de bestaande, zichtbare ruimte. Tot die effecten rekenen
                        wij bijvoorbeeld de voor- en nadelen van de nieuwe ontwikkelingen voor het
                        macrogebruik van de ruimte, voor de aantrekkelijkheid, leefbaarheid van een
                        stadsdeel en voor de (internationale)concurrentiepositie van stedelijke
                        centra. Een CHER kan ook een maatschappelijke kosten en batenanalyse van
                        nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen omvatten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Vergunningverlening in beschermd stads- of dorpsgezicht</titel></kop><al>In deze verordening is gekozen voor aansluiting bij de tekst van artikel 37
                        van de Monumentenwet 1988. Deze ‘sloopregeling’ heeft betrekking op alle
                        bouwwerken in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Voor het
                        slopen van een beschermd gemeentelijk monument in een beschermd gebied moet
                        de omgevingsvergunning worden aangevraagd. Deze vergunning wordt vereist
                        door artikel 9 van de gemeentelijke erfgoedverordening. Op de aanvraag voor
                        een vergunning zijn, totdat een beschermend bestemmingsplan onherroepelijk
                        is geworden, de artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.
                        Zie voor een toelichting hoofdstuk 3: Instandhouding van gemeentelijke
                        monumenten.In artikel 33 is de strafbepaling opgenomen indien zonder
                        vergunning een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt
                        gesloopt. Volgens de Wabo is het niet meer mogelijk om voorwaarden of
                        voorschriften aan de vergunning te koppelen, tenzij dit in deze verordening
                        is geregeld. Om dit te regelen moet er een link worden gelegd tussen de
                        gemeentelijke erfgoedverordening en artikel 2.22 van de Wabo. Dus indien de
                        gemeente bijv. (standaard) uitvoeringsvoorschriften bijvoegt, dan is dit
                        alleen mogelijk als dit in de verordening is aangegeven. Zo kan worden
                        verwezen naar een bouwhistorisch, cultuurhistorisch of archeologisch
                        onderzoek.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikelen</label><nr>22</nr><titel>t/m 27 Archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><al>De Wet op de Archeologische Monumentenzorg van 1 september 2007 verplicht de
                        raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel
                        3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond
                        aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                        (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze
                        verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van
                        een gemeentelijke archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich
                        archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Artikel 19 voorziet in
                        de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan
                        ´Malta-proof´ is. Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan
                        worden vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 3 de nodige
                        bescherming aan archeologische waarden.</al><al>Op de archeologische beleidskaart is aangegeven in welke gebieden
                        archeologische waarden zijn te verwachten. In de gebieden waar
                        archeologische waarden zijn aangetoond en waar (zeer) sterke aanwijzingen
                        voor archeologische waarden zijn (respectievelijk gebieden van
                        archeologische waarde en gebieden met een hoge en middelhoge verwachting),
                        mogen diepere graafwerkzaamheden pas worden uitgevoerd als hiervoor een
                        vergunning is verleend. Betreft het een gemeentelijk archeologisch monument,
                        dan is een vergunning vereist. </al><al>Voor een omgevingsvergunning kan vrijstelling worden verleend indien de
                        verstoring plaatsvindt in een archeologisch waardevol gebied of
                        verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                        beleidskaart. De beleidskaart hanteert een vierdeling voor de mate waarin
                        archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze
                        archeologische verwachtingswaarden zijn gekoppeld aan een bepaalde
                        verstoringsdiepte en een bepaald aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied.
                        Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan
                        zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden of zijn vrijgesteld van
                        archeologisch onderzoek. Bij een hoge verwachtingswaarde is het aantal m2
                        waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner. Bij
                        de bepaling van deze grenzen is voldoende rekening gehouden met de vraag wat
                        er binnen het verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden
                        aangetroffen. In ieder geval moet het oppervlak dusdanig groot zijn dat
                        voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de
                        datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen. </al><al>Om de regierol mbt archeologie goed te kunnen uitoefenen is een
                        archeologisch programma van eisen gewenst, waarmee eisen kunnen worden
                        gesteld aan de uitvoering en het eindresultaat van archeologisch onderzoek.
                        Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                        weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het
                        programma van eisen denkt te gaan invullen. Op grond van artikel 24 kunnen
                        vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke
                        uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van
                        aanpak.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>CULTUURHISTORISCH WAARDEVOLLE OBJECTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>t/m 32 Cultuurhistorisch waardevolle objecten</titel></kop><al>Naar analogie van de aanwijzing en registratie van panden en objecten op de
                        gemeentelijke monumentenlijst kunnen er op de lijst van Cultuurhistorisch
                        waardevolle objecten, “zaken” worden geregistreerd volgens een zorgvuldige
                        procedure. Nadrukkelijk is gekozen om van cultuurhistorisch waardevolle
                        objecten te spreken, die van algemeen belang zijn en aan de openbare weg
                        zijn gelegen. Het object dient qua schoonheid en vanwege het
                        stedenbouwkundig-, architectonisch- en/of landschappelijk beeld van algemeen
                        belang te zijn. Vanwege het feit dat deze objecten onvoldoende schoonheid,
                        betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarden bezitten zijn
                        deze niet van algemeen belang om overeenkomstig deze verordening als
                        gemeentelijk monument te worden aangewezen. In deze verordening is gekozen
                        om de monumentencommissie als deskundige aan te wijzen waar het gaat om
                        aanwijzing en afbraak van gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch
                        waardevolle objecten. De monumentencommissie adviseert bij aanvragen om het
                        wijzigen van rijks- en gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch
                        waardevolle objecten. Zie voor de toelichting hoofdstuk 2 en 3 inzake
                        aanwijzing en instandhouding van gemeentelijke monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SCHADEVERGOEDING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is
                        (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter,
                        op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                        schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. Het
                        veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van toelichting van
                        de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de
                        afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                        het eerste lid genoemde onderdelen. De gemeente zal zelf per geval moeten
                        afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is
                        gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de
                        specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                        schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op
                        de nadere voorschriften die burgemeester en wethouders kunnen stellen op
                        grond van artikel 9, derde lid. De strafbaarstelling van de
                        omgevingsvergunning voor beschermde monumenten is geregeld in de Wet
                        economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning
                        of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch
                        delict. Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid
                        aan de raad om op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen
                        andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete
                        van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                        uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                        geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten
                        in de eerste categorie is maximaal € 370,- (2010); in de tweede categorie
                        maximaal € 3.800,-; tarief 2010). Het is de gemeente niet toegestaan om een
                        hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In de
                        Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                        monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een
                        geldboete van de vijfde categorie maximaal € 76.000,- (tarief 2010).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van
                        de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                        bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een
                        hechtenis van drie maanden voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De
                        basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 Awb,
                        waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving
                        van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften.
                        Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen
                        die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van
                        toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                        voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                        Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt
                        dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover
                        dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld
                        dat het college op grond van artikel 22 niet zelf opsporingsambtenaren
                        aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het
                        college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van
                        Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook
                        opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben
                        in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                        feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                        verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                        Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                        Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding, tenzij
                        anders aangegeven. In de verordening is bepaald dat de verordening in
                        werking treedt desnoods met terugwerkende kracht op het tijdstip dat de Wabo
                        in werking treedt. Indien de verordening niet tijdig aan de Wabo is
                        aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                        bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op
                        lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege
                        onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de
                        bepalingen uit de Wabo.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>37.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>