<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54930_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal/ de Trompetter d.d. 28-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147, eerste lid </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8, eerste lid onderdeel b </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Wet werk en bijstand, art. 18 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Hfdst. 6 (nieuw)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad, jaargang 2011 nummer 52</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Op 7 oktober 2010 wordt de <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Afstemmingsverordening-WIJ-gemeente-Venlo/01-01-2010">Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo 2010</extref>, vastgesteld door de raad op 4 januari 2010, ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</extref>, en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikelen 8 eerste lid onderdeel b</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">18 van de Wet werk en bijstand</extref>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB);</al></li><li nr="b."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel b, van de wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel d, van de wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel c, van de wet</extref>;</al></li><li nr="f."><al>langdurigheidstoeslag: de toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel d, van de wet</extref>;</al></li><li nr="g."><al>verlaging: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18 tweede lid van de wet</extref>;</al></li><li nr="h."><al>voorziening: voorzieningen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=7">artikel 7 eerste lid onderdeel a van de wet</extref>;</al></li><li nr="i."><al>traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door
                                    het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten gericht op
                                    het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid;</al></li><li nr="j."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                    is betrokken;</al></li><li nr="k."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Venlo.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=30c">artikel 30 c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref>
                                    voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                    waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                    misdragen, wordt in overeenstemming met deze verordening de
                                    bijstand verlaagd.</al></li><li nr="2."><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende
                                    en kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                    verlagingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging op basis van de
                                    bijstandsnorm worden toegepast op de bijzondere bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag, indien de verwijtbare gedraging van
                                    belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand
                                    of de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand</titel></kop><al>In het besluit tot de verlaging wordt in ieder geval vermeld de reden
                            van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd
                            uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van toepassing, de reden om af
                            te wijken van een standaardverlaging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of een door haar ingeschakelde derde, om
                                            binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken
                                            als bedoeld in artikel 17 van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van een verlaging indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden vóór constatering van
                                            die gedraging door het college heeft plaatsgevonden,
                                            tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een
                                            verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van 60 maanden nadat de
                                            betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van verlaging indien het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van verlaging op grond van dringende
                                    redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                    gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in
                                    met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de
                                    datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de bijstand of
                                    de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald en voor zover de
                                    ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de verwijtbare
                                    gedraging komt te liggen.</al></li><li nr="3."><al>Daar waar mogelijk is de periode van verlaging van de bijstand
                                    gekoppeld aan de periode gedurende welke de belanghebbende de
                                    aan hem opgelegde verplichtingen, verwijtbaar niet nakomt. De
                                    duur van de verlaging bedraagt echter minimaal de termijnen die
                                    in de hoofdstukken 3 tot en met 5 vermeld staan.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de verwijtbare
                                    gedraging zich heeft voorgedaan, wederom zijn verplichtingen
                                    verwijtbaar niet nakomt, worden de minimale termijnen waaraan in
                                    het derde lid wordt gerefereerd en welke in de hoofdstukken 3
                                    tot en met 5 vermeld staan verdubbeld.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende, binnen 12 maanden nadat de laatst
                                    verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan en op grond van het
                                    vierde lid de termijn al werd verdubbeld, wederom zijn
                                    verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, wordt de laatst
                                    vastgestelde termijn verdubbeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid van deze verordening, inhouden, wordt
                            voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de
                            gedraging waarvoor de hoogste verlaging geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan dan wel niet
                            naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9 van de wet</extref> niet of onvoldoende is nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr=""><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) of het niet
                                    tijdig laten verlengen van de registratie, voor zover een
                                    termijn van één kalendermaand wordt overschreden.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening
                                            en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet
                                            naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                            verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het college aangeboden
                                            voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige
                                            participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het
                                            geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                                            traject.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het college aangeboden
                                            voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige
                                            participatie, als dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                            vinden of voortijdige beëindiging van het traject.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Behoudens de toepassing van artikel 2, tweede lid van deze verordening
                            wordt de verlaging vastgesteld op:</al><lijst><li nr="1."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="2."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="3."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Te laat verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> genoemde verplichtingen
                            herhaaldelijk, niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt, kan,
                            behoudens het bepaalde in artikel 2, 2e lid van deze verordening een
                            verlaging toegepast worden van 10% van de bijstandsnorm gedurende een
                            maand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                inlichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet heeft geleid tot het
                                    ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of
                                    langdurigheidstoeslag, kan, behoudens artikel 2, tweede lid van
                                    deze verordening, een verlaging toegepast worden van 10% van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of
                                    langdurigheidstoeslag, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte
                                    van het benadelingsbedrag.</al></li><li nr="3."><al>Behoudens artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de
                                    verlaging bedoeld in het tweede lid op de volgende wijze
                                    vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 1.000,00 ;</al></li><li nr="b."><al>25% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            1.000,00 maar minder bedraagt dan € 2.000,00;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            2.000,00 maar minder bedraagt dan € 4.000,00;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            4.000,00.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Onverwijld</titel></kop><al>Bij toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, eerste lid van de wet</extref> dient als onverwijld te
                            worden verstaan: binnen 7 dagen (1 week) nadat het feit dan wel de
                            omstandigheid, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 eerste lid van de wet</extref>, zich heeft
                            voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Overige bepalingen bij schending
                                inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de verlaging als bedoeld in de artikelen 11 en 12 van
                                    deze verordening, als gevolg van beëindiging van de uitkering
                                    niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel
                                    7, eerste en tweede lid van deze verordening, wordt de bijstand
                                    welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat
                                    belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht,
                                    door middel van herziening verminderd met het bedrag van de
                                    verlaging. Het bedrag dat voortvloeit uit de herziening wordt
                                    van belanghebbende teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer het bruto bedrag dat ten onrechte door belanghebbende is
                                    ontvangen, ten gevolge van het schenden van de
                                    inlichtingenplicht, samen met het bedrag van de terugvordering
                                    zoals vermeld in het eerste lid, meer bedraagt dan het
                                    totaalbedrag dat aan uitkering is ontvangen gedurende de periode
                                    dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht,
                                    terwijl de uitkering is beëindigd, kan er slechts een verlaging
                                    toegepast worden tot het bedrag dat maximaal aan uitkering is
                                    ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft
                                    voldaan aan de inlichtingenplicht, na aftrek van de teveel
                                    ontvangen bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid van de wet</extref>, wordt een
                                    verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                                    recht heeft op bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Behoudens artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de
                                    verlaging als bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze
                                    vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            periode van 3 maanden of korter;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            periode van 3 tot 6 maanden;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een
                                            periode van 6 maanden en langer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerst lid en tweede lid bedraagt de
                                    verlaging bij het onverantwoord besteden van vermogen: </al><lijst><li nr="a."><al>0% bij een benadelingsbedrag tot € 1.500,00;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het
                                            benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            1.500,00 maar minder bedraagt dan € 3.000,00;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het
                                            benadelingsbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            3.000,00 maar minder bedraagt dan € 10.000,00;</al></li><li nr="d."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden indien het
                                            benadelingsbedrag meer bedraagt dan € 10.000,00.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid van de wet</extref>, wordt behoudens artikel
                            2, tweede lid van deze verordening, een verlaging toegepast van minimaal
                            50% gedurende 1 maand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">artikel 55 van de wet</extref> zijn opgelegd en deze niet in
                            voldoende mate worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20%
                            van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en
                            intrekking van de WIJ per 1 januari 2012</titel></kop><paragraaf><kop><titel>A. Artikel 1a wordt ingevoegd met als opschrift: Wijziging
                                betekenis begrippen.</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1a luidt als volgt:</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                        ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben
                                        deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel
                                        4 van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’
                                        of ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012
                                        dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4,
                                        respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste
                                        lid, van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>B. Artikel 1b wordt ingevoegd met als opschrift: Onvoldoende
                                meewerken aan plan van aanpak</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1b luidt als volgt:</titel></kop><al>Onder ‘het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening’ als
                                bedoeld in artikel 9, wordt vanaf 1 januari 2012 mede verstaan: het
                                onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren
                                van een plan van aanpak.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>C. Artikel 1c wordt ingevoegd met als opschrift: Intrekking
                                WIJ</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1c luidt als volgt:</titel></kop><al>Een verlaging op grond van gedragingen, benoemd in deze verordening,
                                kan eveneens worden toegepast op de bijzondere bijstand die aan
                                belanghebbenden op grond van artikel 12, van de wet, wordt
                                verstrekt. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip wordt de <extref doc="http://venlo.regelingenbank.nl/regelingen/Afstemmingsverordening-Wwb-gemeente-Venlo-2010/01-01-2010">Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo 2010</extref>,
                                    vastgesteld door de raad op 4 januari 2010, ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB
                            gemeente Venlo.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Onder de WWB dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan
                    belanghebbende mede te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de
                    directe gevolgen zijn voor de uitkering indien belanghebbende één of meer van
                    deze verplichtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen, veelal
                    een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald. Artikel 8,
                    eerste lid onderdeel b van de WWB schrijft voor dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand en de
                    langdurigheidstoeslag. In de Afstemmingsverordening WWB zijn deze regels
                    vastgelegd.</al><al>Ten opzichte van het “oude” boete- en maatregelenbeleid zien we in de
                    Afstemmingsverordening WWB een aantal duidelijke veranderingen:</al><al>Het niet voldoen aan de opgelegde arbeidsverplichtingen wordt stevig aangepakt.
                    Dit is in de lijn van de wet: de belanghebbende dient alles in het werk te
                    stellen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te kunnen
                    voorzien (werk voor bijstand). Dit in combinatie met de ervaring dat lichte
                    sancties nauwelijks het gewenste effect bewerkstelligen, namelijk een
                    verandering van houding en gedrag, heeft ertoe geleid dat vooral gedragingen
                    welke een schending van de arbeidsplicht inhouden streng worden aangepakt.</al><al>Ten aanzien van het schenden van de inlichtingenplicht waarbij de gemeente geen
                    nadeel heeft ondervonden, is uit doelmatigheidsoverwegingen gekozen voor een
                    versoepeling. Zoals uit de toelichting op artikel 11 blijkt wordt er pas een
                    verlaging toegepast indien de belanghebbende herhaaldelijk de fout is ingegaan.
                    Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat het vaak geringe “overtredingen”
                    betreft, waarbij de gemeente geen nadeel ondervindt en het direct verlagen van
                    de uitkering weinig doelmatig is. Op het moment dat iemand frequent de fout
                    ingaat, is het toepassen van een verlaging wel doelmatig, omdat dan een
                    verandering van houding en/of gedrag bewerkstelligd dient te worden.</al><al>In het navolgende wordt een artikelsgewijs toelichting gegeven bij de artikelen
                    uit de Afstemmingsverordening WWB.</al><al>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt
                    in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene
                    wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al><al>Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen</al><al><vet>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                            verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al>het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid );</al></li><li nr="b."><al>de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht
                                    bestaat uit twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="•"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            te verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="•"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                            arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen zullen nader
                                            moeten worden uitgewerkt in specifieke verplichtingen
                                            die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                                            de bijstandsgerechtigde. De participatieverordening die
                                            elke gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis
                                            voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                            verplichtingen zullen in het besluit tot het verlenen
                                            van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de informatieplicht (artikel 17, eerste lid ). Op een
                                    uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op
                                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                                    alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;</al></li><li nr="d."><al>de medewerkingplicht (artikel 17, tweede lid ). Dit is de plicht
                                    van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de
                                    medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet. De medewerkingplicht kan uit allerlei
                                    concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><lijst><li nr="•"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="•"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Artikel 18, tweede lid noemt een gedraging die in ieder geval
                                    een schending van de medewerkingplicht inhoudt: ‘het zich tegen
                                    het college zeer ernstig misdragen’.</al></li></lijst><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
                            betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan
                            het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen te verstrekken die
                            nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30 c, tweede en
                            derde lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit
                            eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan hem redelijkerwijs
                            duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                            bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de
                            duur van de bijstand (artikel 30 c, tweede en derde lid Wet SUWI).</al></li><li nr="2."><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm.</al></li><li nr=""><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op
                            te leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van
                            belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid en ernst van het feit.
                            Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                            verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                            van de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de
                            voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de
                            standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen
                            en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de gedraging als de mate van
                            verwijtbaarheid of de omstandigheden van belanghebbende
                            afzonderlijk.</al></li></lijst><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    toegepast, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in
                    de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="•"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende;</al></li><li nr="•"><al>sociale omstandigheden;</al></li><li nr="•"><al>bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel van
                            verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            toegepast op de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag.</al></li><li nr="2."><al>Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen
                            een verlaging toepast op de bijzondere bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidstoeslag.</al></li><li nr=""><al>De hoogte van het bedrag waarmee de bijzondere bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag wordt verminderd, bedraagt het bedrag van de
                            verlaging welke belanghebbende opgelegd zou krijgen wanneer hij een
                            algemene bijstandsuitkering zou ontvangen. De verlaging van de
                            bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag bedraagt daarbij
                            overigens nooit meer dan het bedrag dat belanghebbende aan bijzondere
                            bijstand of langdurigheidstoeslag zou ontvangen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet voldoen aan een of meerdere op
                    grond van de WWB opgelegde verplichtingen, vindt plaats door middel van een
                    besluit. Wanneer de verlaging op een lopende uitkering wordt toegepast, wordt
                    een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45
                    WWB genomen.</al><al>Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid WWB). Tegen
                    beide besluiten kan door het belanghebbende bezwaar en beroep worden
                    aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en dan vooral het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder
                    andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                    voorzien.</al><al><vet>Artikel 5 Horen van belanghebbende</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 6 Afzien van verlaging van de bijstand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
                            ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid WWB.</al></li><li nr=""><al>Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                            effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen verlagingen toepast bij
                            gedragingen die langer dan 12 maanden geleden hebben
                            plaatsgevonden.</al></li><li nr=""><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog
                            bedrag aan bijstand is verleend, geldt een verjaringstermijn van 60
                            maanden.</al></li><li nr="2."><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van een verlaging
                            indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                            redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie.</al></li><li nr="3."><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van een
                            verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                            eventuele recidive.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit lid is geregeld dat, behalve indien in de verordening anders
                            staat vermeld, een verlaging naar de toekomst toe wordt toegepast. Dit
                            wil zeggen dat de verlaging na constatering direct geëffectueerd wordt
                            zonder herziening van het recht. Dit moet belanghebbende wel tijdig
                            (vooraf) worden medegedeeld, bij voorkeur schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald.
                            Ook in die situatie moet belanghebbende tijdig (vooraf) worden
                            geïnformeerd, uit een oogpunt van bewijslast bij voorkeur schriftelijk.
                            Als er sprake is van een mondelinge mededeling dient in de rapportage te
                            worden vastgelegd door wie, op welk moment en vanaf welke datum een
                            voorgenomen verlaging is medegedeeld.</al></li><li nr="3."><al>In dit lid is het uitgangspunt geregeld dat de verlaging doorloopt
                            totdat belanghebbende de verwijtbare gedraging heeft hersteld. De
                            minimale duur van de verlaging is in de hoofdstukken 3 tot en met 5
                            geregeld. Wanneer er sprake is van incidentele verwijtbare gedragingen,
                            beperkt de duur van de verlaging zich tot de minimale termijnen welke in
                            de hoofdstukken 3 tot en met 5 staan vermeld. Voorbeelden van dit
                            laatste zijn verwijtbaar ontslag of het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="4."><al>Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw
                            sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de verlaging. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook
                            indien de verlaging wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor
                            het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarin de verlaging is medegedeeld, bekend
                            is gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende zelfs na een eerste verdubbeling van termijn
                            van verlaging, zoals beschreven in het vierde lid, binnen 12 maanden
                            wederom in verwijtbaar gedrag vertoont, wordt de laatst vastgestelde
                            termijn van verlaging verdubbeld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.</al><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan meerdere
                    schendingen van de verplichtingen, dient voor het toepassen van de verlaging te
                    worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging van toepassing
                    is.</al><al>Hoofdstuk 3 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</al><al><vet>Artikel 9 Categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in 3 categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het
                    onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed achter de WWB: een
                    klant dient zelf alles in het werk te stellen om aan het werk te komen dan wel
                    te blijven.</al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling
                    tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde.</al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het UWV en ingeschreven te doen blijven. Om redenen van
                    doelmatigheid heeft een periode korter dan 1 kalendermaand geen
                    consequenties.</al><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren.</al><al>De tweede categorie, onderdeel b. Bij toekenning van de bijstand of in een later
                    stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer
                    in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om:</al><lijst><li nr="•"><al>mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                            voorzieningen zoals vastgelegd in de Participatieverordening gemeente
                            Venlo;</al></li><li nr="•"><al>deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet
                            leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></li></lijst><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze
                    verplichting niet of onvoldoende nakomt, wat gevolgen kan hebben voor de duur
                    van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking
                    aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat traject. De gedragingen
                    bedoeld in deze subcategorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject
                    (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende
                    medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij
                    het re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing
                    niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van een
                    diagnostisch onderzoek.</al><al>De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan:
                    gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde
                    duur.</al><al>De derde categorie, onderdeel b, betreft het door eigen toedoen (verwijtbaar)
                    voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel
                    tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan
                    het niet correct uitoefenen van het beroep als zelfstandige.</al><al>Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat
                    de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken
                    van een traject. In de praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas
                    plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten
                    blijken niet mee te willen meewerken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig
                    mogelijke inschakeling in het arbeidsproces.</al><al>Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een
                    proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft
                    het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk
                    maken. Zonder traject is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende
                    belanghebbende immers niet mogelijk.</al><al><vet>Artikel 10 De hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan en het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Hoofdstuk 4 Inlichtingenplicht</al><al><vet>Artikel 11 Te laat verstrekken van inlichtingen</vet></al><al>Uit doelmatigheidsoverwegingen is ervoor gekozen om niet al bij de eerste
                    overtreding van de in dit artikel bedoelde verplichting over te gaan tot het
                    verlagen van de bijstand. Blijkt iemand echter herhaaldelijk de fout in te gaan,
                    dan is het wel gepast om de mogelijkheid te bieden om over te gaan tot het
                    verlagen van de bijstand, om zodoende een verandering van houding en/of gedrag
                    te bewerkstelligen. Dit artikel regelt de hoogte van deze verlaging. Onder
                    herhaaldelijk wordt overigens tenminste twee keer per 12 maanden verstaan. Bij
                    de eerste keer kan worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                    waarschuwing. Deze schriftelijke waarschuwing krijgt de status van ‘besluit’ in
                    de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Daartegen staat bezwaar en beroep open
                    (CRvB 5 januari 2009, LJN: BG9682).</al><al><vet>Artikel 12 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                            van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging
                            gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand of de
                            langdurigheidstoeslag. Bijvoorbeeld het niet opgeven van een
                            vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Als geen verlaging wordt
                            toegepast omdat bijvoorbeeld het de eerste gedraging betreft, dient door
                            de medewerker van de gemeente de belanghebbende wel schriftelijk gewezen
                            te worden op deze gedraging en op de mogelijke gevolgen van het nogmaals
                            vertonen van een dergelijk gedrag (zie toelichting in artikel 11 van
                            deze verordening).</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk
                            gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand of
                            langdurigheidstoeslag dat als gevolg van de schending van die
                            verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is
                            betaald.</al></li><li nr="3."><al>In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld, die overigens niet
                            meer kan bedragen dan het benadeelde bedrag.</al></li></lijst><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs- Generaal echter richtlijnen
                    gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                    strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden.</al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale zekerheidsfraude gewijzigd
                    (zie Stcrt. 2008/187). Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De
                    jongere wordt hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter
                    gesanctioneerd. Niet door beide.</al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat dat
                    het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en vervolging
                    door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van ‘witte’ fraude (door
                    koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair
                    verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter
                    dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met de
                    jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen verlaging meer kan
                    worden toegepast.</al><al>Van een verlaging wordt afgezien als inmiddels vervolging is ingesteld door het
                    OM of als een schikking is getroffen. In dergelijke situaties is een verlaging
                    niet meer opportuun.</al><al>De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld
                    uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al><al><vet>Artikel 13 Onverwijld</vet></al><al>Als onverwijld dient te worden verstaan: binnen 7 dagen (1 week) nadat het feit
                    dan wel de omstandigheid, als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de wet, zich
                    heeft voorgedaan</al><al>Dit dient te gebeuren door mededeling via een wijzigingsformulier of
                    maandformulier.</al><al><vet>Artikel 14 Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</vet></al><al>In dit lid wordt geregeld dat op het moment dat fraude geconstateerd wordt op
                    het moment dat de bijstand beëindigd is, de bijstand gedurende de fraudeperiode
                    toch kan worden verlaagd. Deze verlaging leidt tot herziening van uitkering en
                    terugvordering.</al><al>Het totaalbedrag van de terugvordering van de fraude én de verlaging achteraf
                    kan niet meer bedragen dan het bedrag dat belanghebbende gedurende de
                    fraudeperiode aan bijstand heeft ontvangen.</al><al>Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</al><al><vet>Artikel 15 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden.</al></li><li nr=""><al>Bij de vaststelling van de hoogte van de verlaging dient beoordeeld te
                            worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven,
                            indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had
                            betoond.</al></li><li nr=""><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="•"><al>een onverantwoord besteden van vermogen;</al></li><li nr="•"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li><li nr="•"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering.</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van alle
                            gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid.</al></li><li nr="2."><al>Het tweede lid regelt de hoogte van de verlaging bij tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>Bij het onverantwoord besteden van vermogen is er voor gekozen om het
                            benadelingsbedrag, zijnde het bedrag dat belanghebbende onverantwoord
                            ingeteerd (te snel opmaken van eigen middelen) heeft waardoor hij eerder
                            een beroep dient te doen op de bijstand, als basis te laten dienen voor
                            de verlaging.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 16 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. In artikel 18, tweede lid, WWB
                    wordt gesproken over ‘het zich tegen het college zeer ernstig misdragen’. Dit
                    betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en
                    hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor een verlaging. Een verlaging is dus niet
                    mogelijk als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker
                    van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB
                    (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel
                    mogelijk om een verlaging toe te passen wegens het niet of onvoldoende
                    gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (zie artikel 9
                    van deze verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de belanghebbende. Wat betreft het vaststellen van de ernst
                    van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                    oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="•"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="•"><al>discriminatie;</al></li><li nr="•"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="•"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="•"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="•"><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Het college past een verlaging toe, terwijl de functionaris tegen
                    wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al><vet>Artikel 17 Nadere verplichtingen</vet></al><al>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in Hoofdstuk
                    2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere
                    verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering
                    dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder medische
                    behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het artikel. Een ander
                    voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven indien
                    er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur.</al><al>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</al><al><vet>Artikel 18 Hardheidsclausule</vet></al><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kunnen
                    burgemeester en wethouders ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                    bepalingen. Van deze mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te
                    worden, om het scheppen van precedenten tegen te gaan.</al><al><vet>Artikel 19 Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking</al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip wordt de Afstemmingsverordening WWB gemeente Venlo 2010,
                            vastgesteld door de raad op 4 januari 2010, ingetrokken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 20 Citeerartikel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB gemeente
                    Venlo.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>