<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54929_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wwb 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Venlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">E3-journaal, 04-04-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Wwb 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Wet werk en bijstand, art. 18 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wwb 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8, eerste lid, onderdeel b</extref>, en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18 van de Wet werk en bijstand</extref>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="-"><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel b, van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel d, van de wet;</extref></al></li><li nr="-"><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="-"><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel c, van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>langdurigheidtoeslag: de toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, onderdeel e, van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>verlaging: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidtoeslag op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, van de wet;</extref></al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=7">artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet</extref>:
                                    een instrument binnen een traject dat ingezet wordt om
                                    belemmeringen bij aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid
                                    weg te nemen;</al></li><li nr="-"><al>traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door
                                    het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten gericht op
                                    het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid;</al></li><li nr="-"><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                    is betrokken;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Venlo.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Invoeringswet%20Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=28">artikelen 28, tweede lid</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Invoeringswet%20Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=29">artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref>
                                    voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                    waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                    misdragen, wordt in overeenstemming met deze verordening de
                                    bijstand verlaagd of de betaling van de bijstand
                                    opgeschort.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende
                                    bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=12">artikel 12 van de wet</extref>.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging op basis van de
                                    bijstandsnorm worden toegepast op de bijzondere bijstand of de
                                    langdurigheidtoeslag, indien de verwijtbare gedraging van
                                    belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand
                                    of de langdurigheidtoeslag, daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand</titel></kop><al>In het besluit tot de verlaging wordt in ieder geval vermeld: de reden
                            van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd
                            uitgaande van de bijstandsnorm en, indien van toepassing, de reden om af
                            te wijken van een standaardverlaging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van verlaging indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 1 jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                            bijstand is verleend. Een verlaging wegens schending van
                                            de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van
                                            5 jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van verlaging indien het daarvoor
                                    dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van verlaging op grond van dringende
                                    redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                    gedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in
                                    met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de
                                    datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de bijstand of
                                    de langdurigheidtoeslag nog niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Daar waar mogelijk is de periode van verlaging van de bijstand
                                    gekoppeld aan de periode gedurende welke de belanghebbende de
                                    aan hem opgelegde verplichtingen, verwijtbaar niet nakomt. De
                                    duur van de verlaging bedraagt echter minimaal de termijnen die
                                    in de hoofdstukken 2 tot en met 4 vermeld staan.</al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende, binnen 1 jaar nadat de verwijtbare
                                    gedraging zich heeft voorgedaan, wederom zijn verplichtingen
                                    verwijtbaar niet nakomt, worden de minimale termijnen waaraan in
                                    lid 3 wordt gerefereerd en welke in de hoofdstukken 2 tot en met
                                    4 vermeld staan verdubbeld.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende, binnen 1 jaar nadat de laatst
                                    verwijtbare gedraging zich heeft voorgedaan en op grond van het
                                    vierde lid de termijn al werd verdubbeld, wederom zijn
                                    verplichtingen verwijtbaar niet nakomt, wordt de laatst
                                    vastgestelde termijn verdubbeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor
                            de hoogste verlaging geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                            verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9 van de wet</extref> niet of onvoldoende is nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr=""><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de
                                    Centrale organisatie werk en inkomen of het niet tijdig laten
                                    verlengen van de registratie, voor zover een termijn van één
                                    kalendermaand niet wordt overschreden.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening
                                            en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet
                                            naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                            verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het college aangeboden
                                            voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige
                                            participatie, voor zover dit niet heeft geleid tot het
                                            geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het
                                            traject.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van een door het college aangeboden
                                            voorziening, waaronder begrepen het niet of onvoldoende
                                            meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of zelfstandige
                                            participatie, als dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                            vinden of voortijdige beëindiging van het traject.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6 derde
                            lid, wordt de verlaging vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 Te laat verstrekken van inlichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet nakomt door informatie,
                                    die van belang is voor de verlening van bijstand, niet tijdig te
                                    verstrekken, kan, met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54 van de wet</extref>, ingaande de eerste dag van
                                    het verzuim het recht op bijstand worden opgeschort.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende de in het eerste lid genoemde
                                    verplichting herhaaldelijk niet tijdig nakomt, kan, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast
                                    worden van 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                inlichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het (vervallen: herhaaldelijk) niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet heeft geleid tot het
                                    ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of
                                    langdurigheidtoeslag, kan, onverminderd artikel 2, tweede lid,
                                    een verlaging toegepast worden van 10% van de bijstandsnorm
                                    gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand of
                                    langdurigheidtoeslag, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte
                                    van het benadelingbedrag.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging bedoeld
                                    in het tweede lid op de volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingbedrag minder bedraagt dan € 1.000,00 (was: €
                                            500,00);</al></li><li nr="b."><al>25% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            1.000,00 (was: € 500,00) maar minder bedraagt dan €
                                            2.000,00;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            2.000,00 maar minder bedraagt dan € 4.000,00;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien het
                                            benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            4.000,00.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Onverwijld</titel></kop><al>Bij toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, eerste lid, van de wet</extref> dient als onverwijld te
                            worden verstaan: binnen 7 dagen (1 week) nadat het feit dan wel de
                            omstandigheid, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, eerste lid, van de wet,</extref> zich heeft voorgedaan,
                            door middel van een wijzigingsformulier.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Overige bepalingen schending
                                inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de verlaging als bedoeld in artikel 11, tweede en derde
                                    lid, als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden
                                    toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 6, eerste en
                                    tweede lid, wordt de bijstand welke belanghebbende heeft
                                    ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft
                                    voldaan aan de inlichtingenplicht, door middel van herziening
                                    verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag dat
                                    voortvloeit uit de herziening wordt van belanghebbende
                                    teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer het bruto bedrag dat ten onrechte door belanghebbende is
                                    ontvangen, ten gevolge van het schenden van de
                                    inlichtingenplicht, samen met het bedrag van de terugvordering
                                    zoals vermeld in het eerste lid, meer bedraagt dan het
                                    totaalbedrag dat aan uitkering is ontvangen gedurende de periode
                                    dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht,
                                    terwijl de uitkering is beëindigd, kan er slechts een verlaging
                                    toegepast worden tot het bedrag dat maximaal aan uitkering is
                                    ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft
                                    voldaan aan de inlichtingenplicht, na aftrek van de teveel
                                    ontvangen bijstand.</al></li></lijst><al>De leden 3 en 4 zijn vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, van de wet</extref>, wordt, met
                                    uitzondering van wat in lid 3 staat vermeld, een verlaging
                                    toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de
                                    belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer
                                    recht heeft op bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging als
                                    bedoeld in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            periode van 3 maanden of korter;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            periode van 3 tot 6 maanden;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een
                                            periode van 6 maanden en langer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 en lid 2 bedraagt de verlaging bij het
                                    onverantwoord interen van vermogen: </al><lijst><li nr="a."><al>0% bij een benadelingbedrag tussen € 0,00 en €
                                            1.000,00;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het
                                            benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            1.000,00 maar minder bedraagt dan € 2.000,00;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien het
                                            benadelingbedrag gelijk is aan of meer bedraagt dan €
                                            2.000,00.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid van de wet</extref>, wordt onverminderd
                            artikel 2, tweede lid, een verlaging toegepast van minimaal 50%
                            gedurende 1 maand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">artikel 55 van de wet</extref> zijn opgelegd en deze niet in
                            voldoende mate worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20%
                            van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Intrekking bestaande verordening</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                            Afstemmingsverordening Wwb, vastgesteld door de raad op 2 juni 2004,
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Inwerkingtreding</titel></kop><al>De afstemmingsverordening Wwb treedt in werking op de dag na
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Artikel 6 lid 5 wordt uitsluitend toegepast indien het verwijtbaar niet
                            nakomen van verplichtingen plaatsvindt op of na de datum van
                            inwerkingtreding van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Afstemmingsverordening
                            Wwb 2007.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Onder de Wwb dient de gemeente bij aanvang van de uitkeringssituatie aan
                    belanghebbende mede te delen wat de opgelegde verplichtingen zijn en wat de
                    directe gevolgen zijn voor de uitkering indien belanghebbende één of meer van
                    deze verplichtingen niet nakomt. De in de vorige zin genoemde gevolgen, veelal
                    een verlaging van de bijstand, worden door de gemeente zelf bepaald. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wwb</extref> schrijft voor dat
                    de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van
                    de bijstand en de langdurigheidtoeslag. In de Afstemmingsverordening Wwb zijn
                    deze regels vastgelegd.</al><al>Ten opzichte van het “oude” boete- en maatregelenbeleid zien we in de
                    Afstemmingsverordening Wwb een aantal duidelijke veranderingen:</al><al>Het niet voldoen aan de opgelegde arbeidsverplichtingen wordt stevig aangepakt.
                    Dit is in de lijn van de wet: de belanghebbende dient alles in het werk te
                    stellen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te kunnen
                    voorzien (werk voor bijstand). Dit in combinatie met de ervaring dat lichte
                    sancties nauwelijks het gewenste effect bewerkstelligen, namelijk een
                    verandering van houding en gedrag, heeft ertoe geleid dat vooral gedragingen
                    welke een schending van de arbeidsplicht inhouden streng worden aangepakt.</al><al>Ten aanzien van het schenden van de inlichtingenplicht waarbij de gemeente geen
                    nadeel heeft ondervonden, is uit doelmatigheidsoverwegingen gekozen voor een
                    versoepeling. Zoals uit de artikelen 10 en 11 blijkt wordt er pas een verlaging
                    toegepast indien de belanghebbende herhaaldelijk de fout is ingegaan. Hiervoor
                    is gekozen vanwege het feit dat het vaak geringe “overtredingen” betreft,
                    waarbij de gemeente geen nadeel ondervindt en het direct verlagen van de
                    uitkering weinig doelmatig is. Op het moment dat iemand frequent de fout ingaat,
                    is het toepassen van een verlaging wel doelmatig, omdat dan een verandering van
                    houding en/of gedrag bewerkstelligd dient te worden.</al><al>In het navolgende wordt een artikelsgewijs toelichting gegeven bij de artikelen
                    uit de Afstemmingsverordening Wwb.</al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Wwb.</al><al>In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb) omschreven als
                    ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’.</al><al><vet>Artikel 2 Het verlagen van de uitkering</vet></al><al>De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="a."><al>het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid);</al></li><li nr="b."><al>de plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
                                    Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en
                                    mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De
                                    re-integratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt
                                    de juridische basis voor opleggen van deze specifieke
                                    verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot
                                    het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand;</al></li><li nr="d."><al>de medewerkingplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="-"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingplicht inhoudt: ‘het zich tegen het college zeer ernstig
                    misdragen’.</al><lijst><li nr="1."><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">Wet SUWI</extref> legt ook verplichtingen op aan
                            uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde
                            gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te
                            verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=28">artikel 28, tweede lid Wet SUWI</extref>) en de verplichting om op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden
                            mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                            het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de
                            hoogte of de duur van de bijstand (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=29">artikel 29, eerste lid Wet SUWI</extref>).</al></li><li nr="2."><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            bijstandsnorm.</al></li><li nr=""><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een
                            verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met
                            zich mee dat het college bij elke verlaging zal moeten nagaan of gelet
                            op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                            afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                            standaardverlaging geboden is. Afwijking van de standaardverlaging kan
                            zowel een verzwaring als een matiging betekenen.</al></li></lijst><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    toegepast, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="Stap"><al>1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="Stap"><al>2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="Stap"><al>3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.</al><al>Matiging van de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in
                    de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel van
                            verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 De berekeningsgrondslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            toegepast op de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                            wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                            inclusief vakantietoeslag.</al></li><li nr="2."><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm die, indien
                            noodzakelijk, wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                            bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de verlaging alleen op
                            de lage jongerennorm wordt toegepast, zou dit leiden tot
                            rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.</al></li><li nr="3."><al>Deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele gevallen
                            een verlaging toepast op de bijzondere bijstand of de
                            langdurigheidtoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                            gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of
                            de langdurigheidtoeslag.</al></li></lijst><al>De hoogte van het bedrag waarmee de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidtoeslag wordt verminderd, bedraagt het bedrag van de verlaging
                    welke belanghebbende opgelegd zou krijgen wanneer hij een algemene
                    bijstandsuitkering zou ontvangen. De verlaging van de bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidtoeslag bedraagt daarbij overigens nooit meer dan het bedrag dat
                    belanghebbende aan bijzondere bijstand of langdurigheidtoeslag zou
                    ontvangen.</al><al><vet>Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet voldoen aan een of meerdere op
                    grond van de Wwb opgelegde verplichtingen, vindt plaats door middel van een
                    besluit. Wanneer de verlaging op een lopende uitkering wordt toegepast, wordt
                    een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=45">artikel 45 Wwb</extref> genomen.</al><al>Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een besluit tot
                    herziening van de bijstand worden genomen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, derde lid Wwb</extref>). Tegen beide besluiten kan door het
                    belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20Wet%20bestuursrecht">Algemene Wet bestuursrecht</extref> (Awb) en dan vooral het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                    besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien.</al><al><vet>Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
                            ontbreekt, is geregeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, Wwb</extref>.</al></li><li nr=""><al>Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                            effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen verlagingen toepast bij
                            gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al></li><li nr=""><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en
                            als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog
                            bedrag aan bijstand is verleend, geldt een verjaringstermijn van vijf
                            jaar.</al></li><li nr="2."><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van een verlaging
                            indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                            redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie.</al></li><li nr="3."><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van een
                            verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                            eventuele recidive.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit lid is geregeld dat, behalve indien in de verordening anders
                            staat vermeld, een verlaging naar de toekomst toe wordt toegepast. Dit
                            wil zeggen dat de verlaging na constatering direct geëffectueerd wordt
                            zonder herziening van het recht. Dit moet belanghebbende wel tijdig
                            (vooraf) worden medegedeeld, bij voorkeur schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                            bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de
                            verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald.
                            Ook in die situatie moet belanghebbende tijdig (vooraf) worden
                            geïnformeerd, uit een oogpunt van bewijslast bij voorkeur schriftelijk.
                            Als er sprake is van een mondelinge mededeling dient in de rapportage te
                            worden vastgelegd door wie, op welk moment en vanaf welke datum een
                            voorgenomen verlaging is medegedeeld.</al></li><li nr="3."><al>In dit lid is het uitgangspunt geregeld dat de verlaging doorloopt
                            totdat belanghebbende de verwijtbare gedraging heeft hersteld. De
                            minimale duur van de verlaging is in de hoofdstukken 2 tot en met 4
                            geregeld. Wanneer er sprake is van incidentele verwijtbare gedragingen,
                            beperkt de duur van de verlaging zich tot de minimale termijnen welke in
                            de hoofdstukken 2 tot en met 4 staan vermeld. Voorbeelden van dit
                            laatste zijn verwijtbaar ontslag of het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="4."><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw
                            sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook
                            indien de verlaging wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor
                            het bepalen van de aanvang van de termijn van één jaar, geldt het
                            tijdstip waarop het besluit waarin de verlaging is medegedeeld, bekend
                            is gemaakt.</al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende zelfs na een eerste verdubbeling van termijn
                            van verlaging, zoals beschreven in het vierde lid, binnen 1 jaar wederom
                            in verwijtbaar gedrag vertoont, wordt de laatst vastgestelde termijn van
                            verlaging verdubbeld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt.</al><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan meerdere
                    schendingen van de verplichtingen, dient voor het toepassen van de verlaging te
                    worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging van toepassing
                    is.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of
                        behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</vet></al><al><vet>Artikel 8 Categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed achter de Wwb: een
                    klant dient zelf alles in het werk te stellen om aan het werk te komen dan wel
                    te blijven.</al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand">Wwb</extref>, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene
                    omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de
                    verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van
                    de individuele bijstandsgerechtigde.</al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven. Om redenen van
                    doelmatigheid heeft een periode korter dan 1 kalendermaand geen
                    consequenties.</al><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren.</al><al>De tweede categorie, onderdeel b. Bij toekenning van de bijstand of in een later
                    stadium kan aan de belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer
                    in zijn levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om:</al><lijst><li nr="-"><al>mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                            voorzieningen zoals vastgelegd in de Re-integratieverordening <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref>;</al></li><li nr="-"><al>deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet
                            leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie.</al></li></lijst><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze
                    verplichting niet of onvoldoende nakomt, wat gevolgen kan hebben voor de duur
                    van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking
                    aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat traject. De gedragingen
                    bedoeld in deze subcategorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject
                    (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende
                    medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij
                    het re-integratiebedrijf verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing
                    niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van een
                    diagnostisch onderzoek.</al><al>De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van algemeen
                    geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan:
                    gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde
                    duur.</al><al>De derde categorie, onderdeel b, betreft het door eigen toedoen (verwijtbaar)
                    voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel
                    tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan
                    het niet correct uitoefenen van het beroep als zelfstandige.</al><al>Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort gedragingen als
                    bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat
                    de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken
                    van een traject. In de praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas
                    plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten
                    blijken niet mee te willen meewerken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig
                    mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige
                    gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van
                    het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op
                    uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is
                    inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende immers niet
                    mogelijk.</al><al><vet>Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Inlichtingenplicht</vet></al><al><vet>Artikel 10 Te laat verstrekken van inlichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                            gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het
                            college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste 8 weken
                            opschorten (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, eerste lid, Wwb</extref>). Het college doet mededeling
                            van de opschorting aan de belanghebbende en geeft daarbij belanghebbende
                            een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, tweede lid, Wwb</extref>). <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">Artikel 54</extref> betreft een bevoegdheid voor het college. Mede
                            daardoor en vanuit doelmatigheidsoverwegingen wordt in het midden
                            gelaten op welk moment de belanghebbende van de opschorting in kennis
                            wordt gesteld.</al></li><li nr=""><al>Wordt de gevraagde informatie vervolgens niet binnen de gestelde termijn
                            aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de bijstand stopzetten
                            (het intrekken van het besluit tot toekenning van de bijstand). Worden
                            de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt
                            de bijstand ongewijzigd voortgezet.</al></li><li nr="2."><al>Uit doelmatigheidsoverwegingen is ervoor gekozen om niet al bij de
                            eerste overtreding van de in dit artikel bedoelde verplichting over te
                            gaan tot het verlagen van de bijstand. Blijkt iemand echter
                            herhaaldelijk de fout in te gaan, dan is het wel gepast om de
                            mogelijkheid te bieden om over te gaan tot het verlagen van de bijstand,
                            om zodoende een verandering van houding en/of gedrag te bewerkstelligen.
                            Dit lid regelt de hoogte van deze verlaging. Onder herhaaldelijk wordt
                            overigens tenminste twee keer per jaar verstaan. Bij de eerste keer kan
                            worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken
                            van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging
                            gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand of de
                            langdurigheidtoeslag. Bijvoorbeeld het niet opgeven van een
                            vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Als geen verlaging wordt
                            toegepast omdat bijvoorbeeld het de eerste gedraging betreft, dient door
                            de medewerker van de gemeente de belanghebbende wel schriftelijk gewezen
                            te worden op deze gedraging en op de mogelijke gevolgen van het nogmaals
                            vertonen van een dergelijk gedrag.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                            inlichtingenplicht bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de Wwb</extref> wordt afhankelijk gesteld van de
                            hoogte van het bedrag aan bijstand of langdurigheidtoeslag dat als
                            gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan
                            de belanghebbende is betaald.</al></li><li nr="3."><al>In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld, die overigens niet
                            meer kan bedragen dan het benadeelde bedrag..</al></li></lijst><al><vet>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</vet></al><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                    proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                    indien er sprake is van fraude en het benadelingbedrag hoger is dan de
                    aangifterichtlijn sociale zekerheid. Het is de bedoeling dat deze taakverdeling
                    tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de Wwb de bestuurlijke
                    boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen van de
                    inlichtingenplicht) een verlaging moeten toepassen.</al><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit het toepassen van een verlaging niet
                    uit, ook niet bij benadelingbedragen van boven de aangifterichtlijn. Beide
                    sancties kunnen samen gaan. Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting
                    rekening houdt met de verlaging zoals deze door de gemeente is toegepast. Dit is
                    het principe van ‘aanrekening’. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te
                    gaan tot een verlaging, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het
                    ‘una via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige
                    gedraging dan bij beslissing van één enkel overheidsorgaan) kan zich daar tegen
                    verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden
                    geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al><al><vet>Artikel 12 Onverwijld</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 13 Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In dit lid wordt geregeld dat op het moment dat fraude geconstateerd
                            wordt op het moment dat de bijstand beëindigd is, de bijstand gedurende
                            de fraudeperiode toch kan worden verlaagd. Deze verlaging leidt tot
                            herziening van uitkering en terugvordering.</al></li><li nr="2."><al>Het totaalbedrag van de terugvordering van de fraude én de verlaging
                            achteraf kan niet meer bedragen dan het bedrag dat belanghebbende
                            gedurende de fraudeperiode aan bijstand heeft ontvangen.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</vet></al><al><vet>Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een
                            bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in
                            de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer
                            beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en
                            als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de
                            toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden.</al></li><li nr=""><al>Bij de vaststelling van de hoogte van de verlaging dient beoordeeld te
                            worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven,
                            indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had
                            betoond.</al></li><li nr=""><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                    voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van alle
                            gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid.</al></li><li nr="2."><al>Het tweede lid regelt de hoogte van de verlaging bij tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen om het
                            benadelingbedrag, zijnde het bedrag dat belanghebbende onverantwoord
                            ingeteerd heeft waardoor hij eerder een beroep dient te doen op de
                            bijstand, als basis te laten dienen voor de verlaging.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd.</al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering.</al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich tegen het college zeer
                    ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover
                    leden van het college en hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor een verlaging.
                    Een verlaging is dus niet mogelijk als een klant zich agressief heeft gedragen
                    tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de
                    uitvoering van de Wwb (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Het is in dat
                    geval wellicht wel mogelijk om een verlaging toe te passen wegens het niet of
                    onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (zie
                    artikel 8 van deze verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="-"><al>discriminatie;</al></li><li nr="-"><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="-"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="-"><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="-"><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.</al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Het college past een verlaging toe, terwijl de functionaris tegen
                    wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al><vet>Artikel 16 Nadere verplichtingen</vet></al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">artikel 55 van de wet</extref> wordt de mogelijkheid geboden om naast de in
                    Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde
                    andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of
                    vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich onder
                    medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het artikel. Een
                    ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven
                    indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge huur.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 17 Hardheidsclausule</vet></al><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kunnen
                    burgemeester en wethouders ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                    bepalingen. Van deze mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te
                    worden, om het scheppen van precedenten tegen te gaan.</al><al><vet>Artikel 18 Intrekking bestaande verordening</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 19 Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van 5 april 2007.</al><al><vet>Artikel 20 Overgangsbepaling</vet></al><al>Aangezien in artikel 6, lid 5 een strafmaat wordt verhoogd, kan dit artikel
                    alleen worden toegepast als de gedraging heeft plaatsgevonden op of na
                    inwerkingtreding van deze verordening (strafbepalingen kunnen geen terugwerkende
                    kracht hebben).</al><al><vet>Artikel 21 Citeerartikel</vet></al><al>Deze regeling kan worden aangehaald als Afstemmingsverordening Wwb 2007.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>