<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54830_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Feanster</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, Wabo</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-07-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                            letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; </al></li></lijst></li></lijst><al/><al>-Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet, artikel 1,
                            eerste lid,</al><al> onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken van een bestuursorgaan als
                            bedoeld in dit </al><al> artikellid, burgemeester en wethouders; - bouwbesluit: de algemene
                            maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van de </al><al> Woningwet; - bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                            van de Woningwet in </al><al> samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht belast is </al><al> met het bouw- en woningtoezicht; - bouwwerk: elke constructie van enige
                            omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, </al><al> die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                            grond verbonden is, </al><al> hetzij </al><al> direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                            plaatse te functioneren; - deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8:
                            hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, </al><al> eerste lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005; -
                            gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                            Bouwbesluit; - hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of
                            namens burgemeester en </al><al> wethouders is vastgesteld; - NEN: een door de Stichting Nederlands
                            Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; - NVN: een door de Stichting
                            Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; straatpeil: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de
                                            weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                            hoofdtoegang; </al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct
                                            aan de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse
                                            van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                            bouwactiviteit als bedoeld in</al></li></lijst></li></lijst><al> artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht;</al><al>-Omgevingsvergunning voor het slopen: vergunning voor een
                            sloopactiviteit als bedoeld in</al><al> artikel 2.2, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht;</al><al>-weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                            paden daaronder</al><al> begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden
                            behorende </al><al> bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig
                            aangeduide </al><al> parkeerterreinen. </al><al>2.In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte
                            van een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet>
                                (<cursief>Alternatief 1)</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van
                                    de gemeente: </al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de
                                    bij deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.
                                </al></li></lijst><al><vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet> Gegevens en bescheiden
                                    </vet><vet><cursief>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning
                                    (vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunningaanvragen (vervallen) Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: </al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1; </al></li><li nr="b."><al>(vervallen). </al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                bouwvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                woonwagens en standplaatsen (vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf
                                2</onderstreept></vet><vet> Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</vet><vet><cursief>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de
                                    aanvraag (vervallen) </cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                                (vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet>
                                Welstandstoetsing</vet><vet><cursief>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria
                                    (vervallen)</cursief></vet></al><al><vet><onderstreept>Paragraaf
                                4</onderstreept></vet><vet> Het tegengaan van bouwen op
                                verontreinigde
                                    bodem</vet><vet><cursief>Artikel
                                    2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde
                            bodem</cursief></vet>Op een bodem die zodanig is
                            verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid
                            van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat bouwen
                            betrekking heeft op een bouwwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                    verblijven; </al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen
                                    is vereist; en </al></li><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of </al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                    gehandhaafd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen’</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen’</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht, kan
                            het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen, in het geval zij op grond van het in de Regeling
                            omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende
                            onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede
                            lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde
                            saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel
                            zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                            stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
                                    <vet><onderstreept>Paragraaf 5</onderstreept></vet><vet>
                                Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</vet><vet><cursief>Artikel 2.5.1 Richtlijnen
                                    voor de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige
                                    bepalingen</cursief></vet><vet><cursief>( vervallen
                                    )</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 2.5.2
                                    Anti-cumulatiebepaling</cursief></vet>Terrein
                            dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                            aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in
                            aanmerking worden genomen. <vet><cursief>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid
                                    van bouwwerken voor wegverkeer. </cursief></vet></al><al><vet><cursief> Brandblusvoorzieningen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li><li nr="6."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het vierde lid,
                                    indien de aard, de ligging en het gebruik van het bouwwerk zich
                                    daarvoor lenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede
                                        voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                        zijn. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                    </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.5 Ligging van de
                                voorgevelrooilijn</cursief></vet>De
                            voorgevelrooilijn is: </al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                    ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de
                                    evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                    mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                    bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van
                                    de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                    aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte
                                    van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as
                                    van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn
                                    gelegen op 10 meter uit de as van de weg. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</cursief></vet> Onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen met overschrijding
                            van de voorgevelrooilijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                                    veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II
                                    bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van veranderingen
                                    bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht, te weten: </al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van
                                    de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de</titel></kop><al><vet> voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn; </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden; </al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                            galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                            1,50 m overschrijden; </al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7; </al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken. </al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijkingen worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de
                                    hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                                    breedte ter weerszijden van die rijweg; 2,20 m boven de hoogte
                                    van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de
                                    veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                            gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                    nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                    vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                    waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                    bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines; </al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en bestemming
                                    op de weg toelaatbaar zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn.
                                Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: </al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend; </al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is
                                        geplaatst; </al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil - worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                en onder sub d ‘artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken’
                                vervangen door: artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1,
                                van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht en onder sub g ‘bij
                                het verlenen van de ontheffing’ vervangen door: bij het toestaan van
                                de afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het
                                        Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen; </al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; </al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                        ontheffing is gebaat. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich: </al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste; </al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter; </al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van dit
                                        lid, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                                        dan 15 meter. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het belang van de toetreding van daglicht -
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</cursief></vet> Onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor het bouwen
                            waarvan een omgevingsvergunning is vereist te bouwen met overschrijding
                            van de achtergevelrooilijn. <vet><cursief>Artikel 2.5.13 Toegelaten
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</cursief></vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is
                            niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                    gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt,
                                    pluimveeteelt daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf ten minste 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw,
                                    voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht geen vergunning is vereist; </al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                                    lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten: </al></li><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                    rioolleidingen en rioolputten; </al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden; </al></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel.2, onderdeel 15 en 17
                                    van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van</titel></kop><al><vet> de achtergevelrooilijn</vet></al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor
                            het bouwen verlenen voor : </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                    voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens
                                    van het erf minder dan 20 meter bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen; </al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; </al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                    zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                                    een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk
                                    terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                    bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; </al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                    artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                    omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                    handels- of industrieterrein omvattend; </al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist; </al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen
                                    dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                    bouw; </al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                    onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen
                                    en stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels,
                                    afdaken, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                    Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die: </al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing
                                blijven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in: </al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is; </al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan: </al><lijst><li nr="1."><al>en gunstige, andere indeling van het erf is
                                                aanwezig; </al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan
                                                twee tegenover elkaar liggende zijden grenzen aan
                                                wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke
                                                afmetingen tot stand wordt gebracht; </al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                                bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen
                                                van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                                                toestand verbeterd. </al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen; </al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn; </al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld artikel.2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000
                                volt of meer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken
                                worden gebouwd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert; </al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar bestaat.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><al> Alternatief 1 </al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg; </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter. </al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn. </al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn ( Alternatief 1
                                )</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn ( Alternatief 1
                                )</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;
                                    </al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor
                                elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan
                                van de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen. Indien
                                een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                                tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                voorgevelrooilijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen (
                                Alternatief 1)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen (
                                Alternatief 1)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van: </al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom; </al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken ( Alternatief
                                1)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15 meter.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                - daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden - buiten beschouwing worden gelaten.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al> Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                            derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24
                            is niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                    realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                    veranderingen, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                    II bij het Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                    dan het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard,
                                    als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht; </al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                    voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                    breder zijn dan 6 meter en mits de geveloppervlakte, over de
                                    breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het product
                                    van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                                    plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                    meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde
                            in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid,
                            artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve
                            van: </al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                    andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                    vergaderingen; </al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                    indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;
                                </al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                    handels- en industrieterrein; </al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                    bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien: </al></li><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                    overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking
                                    is gebaat; </al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                    andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; </al></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                    de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                    telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                    onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                    omgevingsrecht; </al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                    soortgelijke aard; </al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;
                                </al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                    1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge
                                    afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot de
                                    erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste
                                    voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                                    verschillende gebouwen behoren; </al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame; </al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen; </al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                    1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                    monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is om
                                    de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te
                                    verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                ruimtelijk beleid.</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28,
                            kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met
                            overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het
                            verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                    beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                    is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                    toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                    ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                    bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                gebouwen</titel></kop><al><vet><cursief> (Alternatief 2)
                            </cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer. </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten
                                            minste 1,80 m bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00
                                            m bedragen; </al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte
                                            voor een gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de
                                            lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50
                                            m bij 5,00 m bedragen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                            omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of </al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                            stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                            voorzien. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 6</onderstreept></vet><vet> Voorschriften
                                inzake brandveiligheidinstallaties en </vet></al><al><vet>
                                vluchtrouteaanduidingen</vet><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    2.6.1 Beginsel inzake
                                    brandmeldinstallaties</cursief></vet><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.4</nr><titel>Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.5</nr><titel>Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.6</nr><titel>Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.7</nr><titel>Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.8</nr><titel>Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.9</nr><titel>Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.10</nr><titel>Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.11</nr><titel>Gelijkwaardigheid (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.12</nr><titel>Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                                (vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf 7</onderstreept></vet><vet> Aansluitplicht
                                op de nutsvoorzieningen</vet><vet><cursief>Artikel 2.7.1 Eis tot
                                    aansluiting aan de waterleiding</cursief></vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                            brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                            distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                    dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen,
                                    maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                                    niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                            brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                            distributienet voor elektriciteit: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                    van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar
                                    de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                distributienet voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                        dichtst bij zijnde leiding van dat distributienet is
                                        gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de
                                        leiding van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld,
                                        maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende
                                        bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. Niet
                                        van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen waarin
                                        voor het kunnen koken een andere energiebron dan gas
                                        aanwezig is en voor verwarming geen individuele aansluiting
                                        van gastoevoer nodig is,. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500
                                        m2; </al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;
                                    </al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke
                                        of publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in
                                        artikel 2.69 van het Bouwbesluit ( warmtedistributienet).
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al><vet><cursief>(Alternatief 2 )</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën moeten zijn aangesloten aan een openbaar riool. Niet
                                    van toepassing is deze eis in delen van de gemeente waarin geen
                                    openbare riolering aanwezig is. </al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke
                                            binnenmiddellijn de voor het maken van de aansluiting
                                            noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                                            gebouw, dan wel de grens van het erf of terrein moet of
                                            moeten kruisen; </al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding
                                            moeten worden tussengeschakeld ter voorkoming van het
                                            terugvloeien van afvalwater en faecaliën, ingeval de
                                            leiding te laag gelegen is om op natuurlijke wijze op
                                            het openbaar riool te lozen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer bepaalt of er al
                                    dan niet voorzieningen in de bedoelde aansluitleiding moeten
                                    worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede werking of
                                    de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming
                                    van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool,
                                    ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                    daartoe aanleiding geeft. </al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op
                                    een andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en
                                    lucht mogelijk is: </al><lijst><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van
                                            een openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering ( Alternatief
                                1</titel></kop><al>) </al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                    openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                    bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                            waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met
                                            overstort; </al></li><li nr="b."><al>leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                            waterspoeling, moeten lozen op een mestkelder of een
                                            beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput
                                            met overstort; </al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën, alsmede
                                            overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen dat
                                            geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                            optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                            afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen
                                            op een rottingput. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder a en b,
                                    indien afvoer op andere wijze zonder verontreiniging van water,
                                    bodem en lucht mogelijk is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                                terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen
                                wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde
                                in NEN 3215, uitgave 2007. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen
                                in bijlage 7. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                                net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al> De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet
                            worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                            bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich
                            het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                            moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als
                            één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><vet>3 De melding</vet><vet>Artikel 3.1 De wijze van
                                melden</vet><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet></al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                                ingebruikneming van een bouwwerk</vet><vet><cursief>Artikel 4.1
                                    Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                    staking van
                                bouwwerkzaamheden</cursief></vet><vet>(</vet><vet><cursief>Vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven: </al><lijst><li nr="a."><al>de omgevingsvergunning voor het bouwen; </al></li><li nr="b."><al>andere toestemmingen; </al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan; </al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13, 13a en 14 tweede lid, sub b
                                    van de Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing
                                    bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor
                            het bouwen is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden van een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen bepaalde - niet worden begonnen
                            alvorens door of namens het bevoegd gezag voor zover nodig: </al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven; </al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                    uitgezet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend en onverminderd
                                het bepaalde in de voorwaarden van de een omgevingsvergunning voor
                                het bouwen - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der
                                hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                                gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden
                                        daaronder begrepen; </al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het
                                        slaan van proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al> Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouw-besluit nodig acht. <vet><cursief>Artikel
                                    4.7 Bemalen van bouwputten</cursief></vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen: </al><lijst><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de
                                        uitvoering van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op
                                        zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat het weer in gebruik
                                        stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; </al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                        toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder
                                        meer door anderen dan de daartoe bevoegde personen in
                                        werking kunnen worden gesteld; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven, dat voor een op een werk te
                                gebruiken krachtwerktuig: </al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of
                                    </al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of </al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet
                                        mag worden gebruikt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                                        de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                        blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;
                                    </al></li><li nr="d."><al>overig afval. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. Van het gereedkomen van putten en van grond- en
                                huisaansluitleidingen van de </al><al> riolering, alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door
                                wanden en vloeren beneden straatpeil; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorwaarden een plicht
                                tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                een omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft, wordt het
                                einde van die werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen; </al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing
                                        tegen vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of
                                        de temperatuur nog beneden 2 graden Celsius is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Het is verboden na de bouw van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                            omgevingsvergunning is verleend, het bouwwerk in gebruik te geven of te
                            nemen, indien het bouwwerk niet gereed is gemeld bij het
                                bouwtoezicht</al><al><vet>5 </vet><vet> Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk
                                gedierte</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                1</onderstreept></vet><vet> Staat van open erven en
                                    terreinen</vet><vet><cursief>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud
                                    van open erven en terreinen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden. </al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>drassigheid; </al></li><li nr="b."><al>stank; </al></li><li nr="c."><al>verontreiniging; </al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;
                                        </al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.</titel></kop><al><vet><cursief> Brandblusvoorzieningen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen. </al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een
                                            breedte van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije
                                            hoogte boven de kruin van de weg hebben van ten minste
                                            4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                            motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg
                                            en zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en </al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                    onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                                    Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist, voor zover
                                    dat bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een
                                    hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen. </al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds: </al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3
                                            van het Bouwbesluit; </al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                            toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                            het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een
                                            mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                                            aanwezig zijn. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij: </al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en </al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en
                                        </al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van
                                            0,02 m, tenzij dit plaatsvindt door middel van een
                                            hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in de artikelen
                                            2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit. </al></li></lijst></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2</onderstreept></vet><vet> Staat van
                                brandveiligheidinstallaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</vet><vet><cursief>Artikel 5.2.1
                                    Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                    vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet
                                zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                                kantoorgebouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet
                                zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                                kantoorgebouwen (vervallen)</titel></kop><al><vet><cursief>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van
                                    brandveiligheid-installaties in woongebouwen van bijzondere aard
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    logiesverblijven en logiesgebouwen
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                    kantoorgebouwen
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    3</onderstreept></vet><vet> Aansluiting op de
                                nutsvoorzieningen</vet><vet><cursief>Artikel 5.3.1 Eis tot
                                    aansluiting aan de waterleiding</cursief></vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                            bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                            aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de
                                    dichtst bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen,
                                    maar de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk
                                    niet hoger zijn dan bij een afstand van 50 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                            elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                            distributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                    van het elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar
                                    de kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 100 m. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                            gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                            voor aardgas: </al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst
                                    bij zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of </al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding
                                    van het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                    kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet
                                    hoger zijn dan bij een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: </al><lijst><li nr="a."><al>woningen, waarin voor het kunnen koken een andere energiebron
                                    dan gas aanwezig is en voor verwarming geen individuele
                                    aansluiting van gastoevoer nodig is’; </al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; </al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd; </al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al> De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                            aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                            alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor
                            de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel
                            5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar
                            riool. </al><al>1.Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                    is; </al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen; </al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd; </al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor
                                    bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe voldoende
                                    ruime mestkelder, gier- of beerput aanwezig is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                            gelden de volgende bepalingen: </al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                    waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                    doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                    tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                    gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                    waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder
                                    overstort, een doeltreffende gierput of een doeltreffende
                                    rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                                    doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                    genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat
                                    geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                    optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                    afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
                                    rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van
                                    water, bodem of lucht kan optreden; </al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                    afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                                terreinen</titel></kop><al> Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                            toepassing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het openbare
                                net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet
                            worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder
                            bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich
                            het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt. Hierbij
                            moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein bevinden, als
                            één bouwwerk worden beschouwd. </al><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4</onderstreept></vet><vet> Het weren van
                                schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid
                                    </vet><vet><cursief>Artikel 5.4.1
                                Preventie</cursief></vet> Het normale onderhoud van een
                            bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke
                            staat bevindt. </al><al><vet>6</vet><vet> Brandveilig gebruik</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet>
                                    Gebruiksvergunning</vet><vet><cursief>Artikel 6.1.1 Vergunning
                                    gebruik
                                    bouwwerk</cursief></vet><vet><cursief>(Vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.2</nr><titel>Aanvraag gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.3</nr><titel>In behandeling nemen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.5</nr><titel>Weigeren gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.6</nr><titel>Intrekken gebruiksvergunning (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1.7</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden (Vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2 </onderstreept></vet><vet>Het voorkomen
                                van brand en het beperken van brand en
                                    brandgevaar</vet><vet><cursief>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor
                                    bouwwerken</cursief></vet><vet><cursief>(Vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen ( vervallen )</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet> Het bestrijden
                                van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                    brand</vet><vet><cursief>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden
                                    bluswaterwinplaatsen</cursief></vet><vet><cursief>(Vervallen)
                                </cursief></vet><vet><cursief>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en
                                    voorzieningen</cursief></vet><vet><cursief>(Vervallen)</cursief></vet>
                                    .<vet><onderstreept>Paragraaf 4 </onderstreept></vet><vet>Hinder
                                in verband met de brandveiligheid</vet><vet><cursief>Artikel 6.4.1
                                    Hinder in verband met de
                                    brandveiligheid</cursief></vet><vet><cursief>(Vervallen)</cursief></vet></al><al><vet> 7 </vet><vet> Overige
                                    gebruiksbepalingen</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet> Overbevolking
                                    </vet><vet><cursief>Artikel 7.1.1 Overbevolking van
                                    woningen</cursief></vet>Het is verboden een
                            woning te bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door
                            meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.
                                    <vet><cursief>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens
                                </cursief></vet> Het is verboden een woonwagen, te bewonen met of
                            toe te staan dat een woonwagen, wordt bewoond door meer dan één persoon
                            per 6 m2 gebruiksoppervlakte. <vet><onderstreept>Paragraaf 2
                                </onderstreept></vet><vet>Staken van het
                                    gebruik</vet><vet><cursief>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij
                                    bouwvalligheid</cursief></vet> Het is verboden een
                            bouwwerk, een open erf of terrein te gebruiken of te doen gebruiken,
                            indien door of namens burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat
                            zulks gevaarlijk is in verband met: </al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk; </al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                            afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                            voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen
                            beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd
                            gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een
                            onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kan het
                            bevoegd gezag gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
                                    <vet><cursief>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een
                                    woonwagen</cursief></vet> (vervallen).
                                    <vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet> Gebruik
                                van bouwwerken, open erven en terreinen</vet><vet><cursief>Artikel
                                    7.3.1 Bepaling aantal personen
                            nachtverblijf</cursief></vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                            Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op …
                                    <vet><cursief>Artikel 7.3.2
                            Hinder</cursief></vet> Het is verboden in, op of aan een
                            bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te
                            plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te
                            laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: </al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                    walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van
                                    het bouwwerk, het open erf of terrein; </al></li><li nr="c."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof
                                    of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast
                                    wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling
                                    daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte,
                                    dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of
                                    terrein; </al></li><li nr="d."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. </al></li><li nr="e."><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover
                                    het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet
                                    milieubeheer of enige in deze wet genoemde wet van toepassing
                                    is. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 4</onderstreept></vet><vet> Het weren van
                                schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                    Reinheid</vet><vet><cursief>Artikel 7.4.1
                                Preventie</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.
                                </al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 5</onderstreept></vet><vet>
                                Watergebruik</vet><vet><cursief>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van
                                    water</cursief></vet> Het is verboden drink- en
                            werkwater, waarvan door het bevoegd gezag schriftelijk is medegedeeld
                            dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
                                    <vet><onderstreept>Paragraaf 6
                                </onderstreept></vet><vet>Installaties</vet><vet><cursief>Artikel
                                    7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                            installaties</cursief></vet>Installaties in of nabij
                            een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit het Besluit brandveilig gebruik
                            bouwwerken of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten
                            in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                            worden gemaakt. </al><al><vet>8</vet><vet> Slopen</vet><vet><onderstreept>Paragraaf
                                    1</onderstreept></vet><vet> Omgevingsvergunning voor het
                                slopen</vet><vet><cursief>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken en woonwagens daaronder begrepen, te
                                    slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd
                                    gezag . </al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet, dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. het beveogd gezag
                                    kunnen aan deze aanschrijving voorwaarden verbinden als bedoeld
                                    in het derde lid. </al></li><li nr="3."><al>het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen slechts voorschriften over: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; </al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden
                                            van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding
                                            in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en
                                            een fractie overig afval; </al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen
                                            van de gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede
                                            lid, letter c, voor zover deze gegevens niet reeds zijn
                                            overgelegd. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Het bevoegd
                                    gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor het slopen met
                                    betrekking tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed
                                    maken daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de
                                    termijn waarbinnen dit moet plaatsvinden; </al></li></lijst><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien in
                            een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen voor een
                            seizoengebonden bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van
                            het tijdelijke bouwwerk .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen.</titel></kop><al> Een omgevingsvergunning voor het slopen moet worden geweigerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en
                                    ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende
                                    peil kan worden gewaarborgd; </al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het
                                    slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van
                                    voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
                                </al></li><li nr="c."><al>een vergunning met betrekking tot de archeologische monumenten
                                    ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                                    gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                    verleend; </al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van
                                    de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing die krachtens
                                    overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de
                                    werking heeft behouden, is vereist en deze niet is verleend;
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning voor het slopen kan worden ingetrokken
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                    opgave van gegevens; </al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                                    omgevingsvergunning voor het slopen geen begin met de
                                    werkzaamheden is gemaakt; </al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen. </al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 2</onderstreept></vet><vet> Uitzonderingen
                                op het vereiste van </vet><vet>een omgevingsvergunning voor het
                                slopen</vet><vet><cursief>Artikel 8.2.1
                                    Sloopmelding</cursief></vet></al><al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                            omgevingsvergunning voor het slopen vereist voor het anders dan in de
                            uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit
                                    een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt; </al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                    vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die
                                    woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                                    niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf
                                    worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de
                                    oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking
                                    of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt; </al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                            wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de
                            dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen omgevingsvergunning
                            voor het slopen is vereist. </al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. </al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 2 voud
                                    worden ingediend. </al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld. </al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk. </al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld. </al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan. </al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest. </al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen. </al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan. </al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                sloopvergunning</titel></kop><al> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                            omgevingsvergunning voor het slopen vereist, indien het slopen, voor
                            zover dat betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het
                            kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of
                            gedeeltelijk verwijderen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen; </al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie
                                    van kassen; </al></li><li nr="c."><al>rem- en frictiematerialen; </al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren; </al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                    verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                    2250 kilowatt.</al></li></lijst><al><vet><onderstreept>Paragraaf 3</onderstreept></vet><vet> Verplichtingen
                                tijdens het slopen</vet><vet><cursief>Artikel 8.3.1 Veiligheid op
                                    sloopterrein</cursief></vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                            toepassing op het slopen en het sloopterrein. <vet><cursief>Artikel
                                    8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                                    bescheiden</cursief></vet></al><al>Op het sloopterrein moet de omgevingsvergunning voor het slopen of het
                            besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                            dwangsom aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage
                            worden gegeven. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                slopen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet het
                                slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, opdragen aan een
                                deskundig bedrijf. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen moet een
                                afschrift van de vergunning ter hand stellen aan het deskundig
                                bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stelt ten
                                minste één week voorafgaande aan de aanvang van het slopen, het
                                bevoegd gezag schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De houder van de omgevingsvergunning voor het slopen stuurt binnen
                                twee weken na de uitvoering van de werkzaamheden het bevoegd gezag
                                een afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een omgevingsvergunning voor het
                                slopen is verleend voor het slopen van asbest en tijdens het slopen
                                asbest wordt ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan
                                terstond melding te doen aan het bouw- en woningtoezicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (
                                Vervallen)</titel></kop><al><vet><onderstreept>Paragraaf </onderstreept></vet><vet>4 Vrij
                                slopen</vet><vet><cursief>Artikel 8.4.1 Sloopafval
                                    algemeen</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties: </al><lijst><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk
                                            17 de afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                            Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                            2001, nr. 158, blz. 9); </al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips; </al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking; </al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen; </al></li><li nr="e."><al>asfalt; </al></li><li nr="f."><al>dakgrind; </al></li><li nr="g."><al>overig afval. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. </al></li></lijst><al><vet>9</vet><vet> Welstand</vet><vet>Artikel 9.1 De advisering door de
                                welstandscommissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen
                                    aan Hus &amp; Hiem, welstandsadvisering en monumentenzorg, die
                                    uit haar midden personen voordraagt als lid van de
                                    welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de
                                    welstandscommissie. </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                    aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De
                                    welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                    genoemde welstandscriteria. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><al><vet>( Alternatief 3 )</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden,
                                    waaronder een voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste
                                    drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                    ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. </al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen. </al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                    minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                    beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand. </al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                    gemeentebestuur. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9
                                bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al> De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
                            op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze
                            uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de
                            beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan
                            in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk
                            ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de
                            gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. <vet>Artikel 9.5 Termijn
                                van advisering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat
                                    door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.
                                </al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                                    betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde
                                    aanvraag betreft uit binnen drie weken nadat door of namens
                                    burgmeester en wethouders daarom is verzocht. </al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                    welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                    bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen
                                    van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door
                                    burgemeester en wethouders worden gegeven indien de termijn van
                                    afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                                    3.9, tweede lid van de Wat algemene bepalingen omgevingsrecht
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                hierom bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor
                                het bouwen heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                                welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het
                                bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de
                                commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin
                                spreekrecht. Het reglement van orde van de welstandscommissie dat
                                als bijlage 9 bij deze verordening is vastgesteld, voorziet in een
                                procedurele opzet, waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in
                                de toelichtende fase en de beraadslagingen. Alternatief 2:
                                Belanghebbenden hebben geen spreekrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel
                                44, eerste lid onder d van de Woningwet mandateren aan een of
                                meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden (voorzitter
                                en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan als
                                bedoeld in het vorige lid alsnog voor aan de welstandscommissie.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beoordeling of een bouwplan
                                voor een licht-vergunningplichtig bouwwerk niet in strijd is met
                                redelijke eisen van welstand mandateren aan een door hen aan te
                                wijzen ambtenaar, indien in de welstandsnota voor de verschillende
                                categorieën licht vergunningplichtige bouwwerken toetsingscriteria
                                zijn opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In het geval het bouwplan als bedoeld in het vorige lid niet voldoet
                                aan de betreffende welstandscriteria, leggen burgemeester en
                                wethouders het bouwplan alsnog voor aan de welstandscommissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                omgevingsvergunning voor het bouwen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                    voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                    bouwwerken uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad
                                    het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: </al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend; </al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de
                                    wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet
                                    vastgestelde verordening. </al></li></lijst><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet><vet><cursief>Artikel
                                    10.1 De aanvraag om
                                    woonvergunning</cursief></vet><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                    onbewoonbaar verklaarde woning of
                                    woonwagen</cursief></vet><vet><cursief>(
                                    vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 10.3
                                    Overdragen
                                    vergunningen</cursief></vet><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel
                                    10.4 Overdragen mededeling
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 10.5
                                    Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                    alsmede onbruikbaar verklaarde
                                    standplaatsen</cursief></vet><vet><cursief>(
                                    vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al><vet>11 Handhaving</vet> ( vervallen) <vet><cursief>Artikel 11.1
                                    Stilleggen van de bouw</cursief></vet><vet><cursief>(
                                    vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (
                                vervallen)Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (
                                vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen ( vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</titel></kop><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet><vet><cursief>Artikel
                                    12.1 Strafbare feiten (
                                    Vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 12.2
                                    Overgangsbepaling bodemonderzoek
                                    (vervallen)</cursief></vet><vet><cursief>Artikel 12.3
                                    Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                    terreinen</cursief></vet> Het bepaalde in de artikelen
                            5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet van
                            toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een
                            bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet
                            van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel
                            40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                            gesteld. <vet><cursief>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                    gebruiksvergunning</cursief></vet><vet><cursief>(vervallen)</cursief></vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen) Artikel 12.6
                                Slotbepaling (Alternatief 1 = inwerkingtreding ineens)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling (Alternatief 1 = inwerkingtreding ineens)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2007</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen: </al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28
                                        april 2005 en alle daarin aangebrachte wijzigingen; </al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                        raadsbesluit d.d. 30 maart 1994 en alle daarin aangebrachte
                                        wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening
                                        eisen aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening'. </al></lid></artikel></regeling-tekst><bijlage><tussenkop>Bijlagen</tussenkop><tussenkop>Bijlage 1 Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)
                    Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden
                    als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening (vervallen) Artikel 3
                    Funderingsplan (vervallen) Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens
                    (vervallen) Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen) Artikel 6 Eisen ten
                    aanzien van tekeningen (vervallen) Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen
                    (vervallen) </tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 2 Artikel 1 (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 (Vervallen)Artikel 3 (Vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 3</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten (vervallen)Artikel 2
                    Elektrische installaties en toestellen (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen.
                    (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur (vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Brandweerlift (Vervallen)Artikel 8 Brandmeldinstallatie
                    (Vervallen)Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Automatisch werkende deuren (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen (Vervallen)Artikel 13
                    Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 14 Gasflessen (Vervallen) Artikel 15 Rookbeheersingssystemen
                    (Vervallen)Artikel 16 Overdrukinstallatie (vervallen) </tussenkop><tussenkop>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 18 Brandweeringang (vervallen) Artikel 19 Logboek
                    (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsuitoefening (Vervallen)Artikel 21 Rookmelders in woningen
                    (Vervallen)Artikel 22 Roltrap (Vervallen)Artikel 23 Garantiecertificaat
                    (Vervallen)Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes
                    (Vervallen)Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein
                    (Vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 4 Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Elektrische verlichting (Vervallen)Artikel 4 Aanduiding van
                    blusmiddelen (Vervallen)Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw
                    (Vervallen)Artikel 6 Opstelling van inventaris (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Afval (Vervallen) Artikel 8 Periodieke controle van draagbare
                    blustoestellen (Vervallen)Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal
                    (Vervallen)Artikel 10 Glas (Vervallen) </tussenkop><tussenkop>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                    crêpepapier of </tussenkop><al><cursief>
                    fotopapier</cursief><cursief>(Vervallen)</cursief>.</al><al><vet>Bijlage 5</vet> (Vervallen)</al><al><vet>Bijlage 6</vet> ( Vervallen)</al><al><vet>Bijlage 7</vet> Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinenBijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De
                    NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: </al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen'
                            (met correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                            correctieblad d.d. december 1979); </al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                            buitenrioleringen'; </al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 2009, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                            buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor
                            buizen, hulpstukken en het systeem' (Engelstalig); </al></li><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                            aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3,
                            uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); </al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                            aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en
                            monstername' (Engelstalig); </al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                            buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                            Beproevingsmethoden' (Engelstalig). </al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8</vet> ( Vervallen)</al><al><vet>Bijlage 9</vet> Reglement van orde van de welstandscommissieDe tekst van
                    het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie te worden
                    opgesteld. In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                    (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een
                    universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het
                    al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten. </al></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 10 (vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 11 (Vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><tussenkop>Bijlage 12 (Vervallen)</tussenkop></bijlage><bijlage><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al><vet>1.Inleidende
                    bepalingen</vet>....................................................................................9</al><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen. </al><al>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) </al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente (Alternatief 1)</al><al>2 De aanvraag
                    bouwvergunning......................................................................
                    10</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    1</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Gegevens en
                        bescheiden.</cursief></vet><cursief>..</cursief>............................................................10</al><al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                    vergunningaanvragen</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek </al><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                    om</al><al>bouwvergunning (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) </al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                    bouwvergunning</al><al>woonwagens en standplaatsen (vervallen)</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    2</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Behandeling van
                        de aanvraag om
                        bouwvergunning</cursief></vet>......................10</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                    (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                    (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) </al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                    (vervallen)</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    3</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Welstandstoetsing
                    </cursief></vet>.......................................................................11</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) </al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    4</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Het tegengaan van
                        bouwen op verontreinigde
                        bodem</cursief></vet><cursief>.</cursief>..................11</al><al>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</al><al>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    5</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Voorschriften van
                        stedenbouwkundige
                        aard</cursief></vet>.................................11</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                    stedenbouwkundige</al><al>bepalingen (vervallen) </al><al>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer</al><al> Brandblusvoorzieningen</al><al>Artikel 2.5.3.A. Brandweeringang (vervallen)</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten </al><al>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de </al><al> voorgevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</al><al>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                    voorgevelrooilijn.</al><al>Afschuining van straathoeken</al><al>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </al><al>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van </al><al> de achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </al><al>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </al><al>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><al>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                    ondergrondse</al><al> hoofdtransportleidingen </al><al>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn (Alternatief
                    1)</al><al>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn (Alternatief
                    1) </al><al>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                    achtergevelrooilijn</al><al>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen
                    (Alternatief 1)</al><al>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken (Alternatief
                    1)</al><al>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                    terreinen</al><al>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken </al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van </al><al> de toegelaten bouwhoogte</al><al>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                    de toegelaten </al><al> bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</al><al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen </al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    6</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Voorschriften
                        inzake brandveiligheidinstallaties en</cursief></vet></al><al><vet>vluchtrouteaanduidingen</vet>
                    .................................................................................21</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties.
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                    brandmeldinstallaties.<cursief> (vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties.<cursief>
                    (vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen
                    <cursief>(vervallen) </cursief></al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen
                    <cursief>(vervallen) </cursief></al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid <cursief>(vervallen)</cursief></al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten
                    <cursief>(vervallen)</cursief></al><al><vet><cursief><onderstreept>Paragraaf
                    7</onderstreept></cursief></vet><vet><cursief> Aansluitplicht op
                        de
                        nutsvoorzieningen..</cursief></vet><cursief>......................................</cursief>.21</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering (Alternatief
                    2)</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                    (Alternatief 1)</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                    erven en </al><al>terreinen</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                    openbare net</al><al>van de nutsvoorzieningen.</al><al><vet>3 De melding
                </vet>..................................................................................................23</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen)</al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen)</al><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming van een bouwwerk</vet>
                    .......................................................................................................24</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                    tussentijdse staking</al><al>van bouwwerkzaamheden </al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                    van) de</al><al>bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen </al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                    hinder</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                    bouwwerkzaamheden</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming </al><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                    nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte
                    .....................................................27</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en
                    terreinen</cursief></vet>.................................................27</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</al><al>Brandblusvoorzieningen.</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten .</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                    vluchtrouteaanduidingen</cursief></vet>..................................................................................28</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en</al><al>vluchtrouteaanduidingen (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                    gebouwen, niet zijnde</al><al>woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of</al><al>kantoorgebouwen (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                    woongebouwen van</al><al>bijzondere aard (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                    logiesverblijven en</al><al>logiesgebouwen (vervallen)</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                    kantoorgebouwen (vervallen) </al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen
                </cursief></vet>...........................................28</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet </al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                    erven en </al><al>terreinen</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                    openbare net ..</al><al>van de nutsvoorzieningen4</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                    gedierte. Reinheid.</cursief></vet>............29</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie.</al><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet>
                    ......................................................................................30</al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></vet>
                    .....................................................................30</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk (vervallen)</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen (vervallen)</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning (vervallen) </al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning (vervallen) </al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden (vervallen)</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van
                    brand en
                    brandgevaar</cursief></vet>....................................................................................................30Artikel
                    6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al><al>Artikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben (vervallen)</al><al>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen ( Vervallen) </al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                    ongevallen bij brand</cursief></vet>
                    ...............................................................................................................30</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen (
                    vervallen)</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen (vervallen)</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid (vervallen)</al><al><vet>7 Overige
                    gebruiksbepalingen..........................................................................................31</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1
                    Overbevolking</cursief></vet>..................................................................................................31</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen </al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen </al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Staken van het
                    gebruik</cursief></vet>..................................................................31</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                    aan</al><al>hygiëne</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen)</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                    terreinen</cursief></vet>.......................31</al><al>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk
                    gedierte. Reinheid</cursief></vet> .............32</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al><vet><cursief>Paragraaf 5
                    Watergebruik.....</cursief></vet>...............................................................................................32</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al><vet><cursief>Paragraaf 6 Installaties
                </cursief></vet>...................................................................................32</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al><vet>8 S</vet><vet><cursief>lopen
                </cursief></vet><cursief>................</cursief>......................................................................................
                    ..33</al><al><vet><cursief>Paragraaf 1
                </cursief></vet><vet><cursief>Omgevingsvergunning voor het
                    open</cursief></vet>....................................................
                    .....33</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag
                    sloopvergunning.(vervallen)</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen. (vervallen)</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen)</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen)</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</cursief></vet>....................34</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding </al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                    sloopvergunning</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het
                    slopen</cursief></vet>
                    .................................................35</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein </al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning </al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen (
                    Vervallen)</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></vet>
                    ....................................................................................36</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al><vet>9 Welstand</vet>
                    ......................................................................................................37</al><al>Artikel 9.1 (nieuw) De advisering door de welstandscommissie</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie (Alternatief 3)</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting </al><al>(mbt. lid 4 alternatief 1)</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat </al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebrach</al><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                    standplaatsen</al><al><vet>10 Overige administratieve
                    bepalingen</vet>............................................................40</al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen)</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                    (vervallen)</al><al>onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen ( vervallen)</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen)</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en</al><al>woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen (
                    vervallen)</al><al>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                    andere</al><al>voorschriften</al><al><vet>11.Handhaving</vet>................................................................................................41</al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw ( Vervallen)</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (
                    vervallen)</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen ( Vervallen)</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</al><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen
                </vet>.........................................................42</al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten ( Vervallen)</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek (vervallen)</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                    erven en</al><al>terreinen </al><al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning (
                    Vervallen)</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) </al><al>Artikel 12.6 Slotbepaling (Alternatief 1 = inwerkingtreding ineens)</al><al>BIJLAGEN</al><al><vet>Bijlage 1
                    (Vervallen)........................................................................................................</vet>43</al><al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als </al><al>bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen) </al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens
                    en</al><al>bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al><al><vet>Bijlage
                    2</vet><vet>(vervallen)</vet>.......................................................................................................43</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 (vervallen)</al><al><vet>Bijlage
                    3</vet><vet>(vervallen)</vet>.......................................................................................................43</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1 , eerste lid</al><al>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten (vervallen)</al><al>Artikel 2 Elektrische installaties en toestellen (vervallen)</al><al>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden.
                    (vervallen)</al><al>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen (vervallen)</al><al>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur (vervallen)</al><al>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties
                    (vervallen)</al><al>Artikel 7 Brandweerlift (vervallen)</al><al>Artikel 8 Brandmeldinstallatie (vervallen)</al><al>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie (vervallen)</al><al>Artikel 10 Brandblusinstallatieen de bijbehorende pompinstallaties
                    (vervallen)</al><al>Artikel 11 Brandslanghaspels (vervallen)</al><al>Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren (vervallen)</al><al>Artikel 12 A Deuren van overdruktrappenhuizen (vervallen)</al><al>Artikel 13 Vluchtroute aanduidingen (vervallen)</al><al>Artikel 14 Gasflessen ( vervallen)</al><al>Artikel 15 Rook- en warmteafvoerinstallatie (vervallen)</al><al>Artikel 16 Overdrukinstallatie (vervallen)</al><al>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen (vervallen)</al><al>Artikel 18 Brandweeringang (vervallen)</al><al>Artikel 19 Logboek (vervallen)</al><al>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsuitoefening (vervallen)</al><al>Artikel 21 Rookmelders in woningen (vervallen)</al><al>Artikel 22 Roltrap (vervallen)</al><al>Artikel 23 Garantiecertificaat (vervallen)</al><al>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes
                    (vervallen)</al><al>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein (vervallen)</al><al><vet>Bijlage 4
                </vet><vet>(vervallen)</vet>.........................................................................................44</al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid</al><al>Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen (vervallen)</al><al>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering (vervallen)</al><al>Artikel 3 Elektrische verlichting (vervallen)</al><al>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen (vervallen)</al><al>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw (vervallen)</al><al>Artikel 6 Opstelling van inventaris (vervallen)</al><al>Artikel 7 Afval ( vervallen)</al><al>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoesttellen
                    (vervallen)</al><al>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal (vervallen)</al><al>Artikel 10 Glas (vervallen)</al><al>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing (vervallen)</al><al>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                    crepepapier of fotopapier (vervallen)</al><al><vet>Bijlage
                    5</vet><vet>(vervallen)</vet>........................................................................................45</al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><al><vet>Bijlage
                    6</vet><vet>(Vervallen)</vet>........................................................................................45</al><al><vet>Bijlage
                    7</vet>..........................................................................................................44</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al><vet>Bijlage 8</vet>.<vet>( Vervallen </vet>)</al><al><vet>Bijlage
                </vet><vet>9</vet>..........................................................................................................45</al><al><vet>Bijlage 10</vet><vet>( Vervallen)
                </vet>....................................................................................45</al><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</al><al><vet>Bijlage 11</vet><vet>
                    (vervallen)</vet>......................................................................................45     </al><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie)</al><al><vet>Bijlage
                    12</vet>.(<vet>Vervallen)</vet>.....................................................................................45</al><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</al><al><vet> Inleidende bepalingen</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>