<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54701_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (inspraakverordening)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Extra Nieuws, 01-02-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-01-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-02-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-07-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005-008638</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (inspraakverordening)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van 3 januari 2006;</al><al/><al>gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;</al><al/><al>B E S L U I T: </al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij
                        de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken
                        (Inspraakverordening)</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de
                        voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al>inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt
                                gegeven;</al></li><li nr="c."><al>beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het
                                vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                    dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                    de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen
                                    in de samenleving;</al></li><li nr="g."><al>Bestemmingsplanprocedures en vrijstellingsprocedures ex artikel
                                    19, lid 1 WRO.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt zijn bevindingen over de kwaliteit van de
                            doorlopen procedure(s) in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening 2005 van de gemeente Lochem d.d. 31 januari 2005
                        wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt één dag na de dag van bekendmaking, op 2 februari
                        2006 in werking. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening 2006.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lochem op 30 januari
                        2006.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.P. Stegeman F.J. Spekreijse</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 150 van de Gemeentewet</tussenkop><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een inspraakverordening vast te stellen. De VNG heeft in
                    1993 daarvoor een modelinspraakverordening opgesteld. Vele gemeenten hebben dit
                    model overgenomen, waaronder de gemeenten Lochem en Gorssel (voor fusie d.d. 1
                    januari 2005). In 2003 heeft de VNG deze verordening grondig herzien. De
                    Modelinspraakverordening is aangepast aan diverse wetswijzigingen op nationaal
                    niveau, bijvoorbeeld aan het klachtrecht dat inmiddels in hoofdstuk 9 van de Awb
                    is opgenomen, de dualisering van het gemeentebestuur (Wet dualisering
                    gemeentebestuur) en de inspraakverplichtingen in verschillende bijzondere
                    wetten. Tevens is het model aangepast aan de Aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving (Adr).</al><tussenkop>Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</tussenkop><al>Met de herziening van 2003 is tevens beoogd de inspraakverordening aan te passen
                    aan de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2002, 54). In
                    deze wet is afdeling 3.4 van de Awb grondig herzien en artikel 150 van de
                    Gemeentewet gewijzigd.</al><al>Ondanks het feit dat artikel 150 van de Gemeentewet volgens het overgangsrecht
                    pas op 1 juli 2006 zal worden aangepast, is l de inspraakverordening hierop
                    aangepast. Het is juridisch geen probleem om nu al de aanpassing te plegen,
                    omdat dit ook volgens de huidige wetgeving kan. Bovendien was in de bestaande
                    inspraakverordening van Lochem afdeling 3.4 Awb al van overeenkomstige
                    toepassing verklaard.</al><tussenkop>Afdeling 3.4 Awb</tussenkop><al>Afdeling 3.4 Awb bevat een procedure voor de voorbereiding van besluiten. Deze
                    afdeling heeft als doelstelling het bevorderen van eenheid in de wetgeving en
                    het systematiseren en vereenvoudigen van wetgeving. Bij het inwerkingtreden van
                    de Awb in 1994 bestond naast deze afdeling nog een afdeling 3.5 die een
                    uitgebreidere voorbereidingsprocedure kende. Met de nieuwe Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is beoogd deze twee procedures ineen te schuiven en
                    tegelijkertijd te vereenvoudigen. Bij de Aanpassingswet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb is de nieuwe afdeling in verschillende bijzondere
                    wetten van toepassing verklaard. In de wet zelf is afdeling 3.4 (nieuw) van
                    toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. </al><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 Awb zijn toegestaan. In de
                    memorie van toelichting (MvT) op de wet is te lezen dat in de
                    inspraakverordening zowel geheel als gedeeltelijk kan worden afgeweken van
                    afdeling 3.4 Awb. Dit laatste kan bijvoorbeeld geschieden in gevallen waarin het
                    wenselijk is om wel een ontwerp ter inzage te leggen, maar de inspraak daarover
                    op andere wijze te organiseren dan via het mondeling naar voren brengen van
                    zienswijzen of om te werken met andere termijnen, aldus de MvT.</al><tussenkop>Inspraakprocedure/deregulering</tussenkop><al>Aan inspraak kan op zeer uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Er is
                    gekozen voor een sobere regeling. Door het van toepassing verklaren van de
                    procedureregeling van afdeling 3.4 van de Awb en het weghalen van overbodige
                    bepalingen (zoals het beklagrecht) en de onnodige paragraafindeling resteert een
                    bondige en goed leesbare verordening van slechts acht artikelen. </al><al>Bovendien maakt een globale raamregeling het mogelijk dat recht wordt gedaan aan
                    de behoefte van insprekers en gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal
                    en reikwijdte van het beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een
                    gedetailleerde en daardoor rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen
                    van insprekers.</al><tussenkop>Alternatieven voor inspraak</tussenkop><al>Inspraak is onderdeel van het totale besluitvormingsproces, een naar tijd en
                    strekking begrensde fase daarin. Het moet naar onze mening onderscheiden worden
                    van de andere mogelijkheden die men heeft om zich tot het gemeentebestuur te
                    wenden. Te denken valt hierbij aan het spreekrecht bij raads- en
                    commissievergaderingen. Andere mogelijkheden die buiten de inspraak vallen zijn:
                    het schrijven van brieven, het bezoeken van spreekuren, het houden van
                    informatiebijeenkomsten, referenda enz. Inspraak is uiteraard ook van een andere
                    orde dan de mogelijkheid om de uitkomsten van de beleidsvaststelling aan te
                    vechten door middel van bezwaar en beroep.</al><al>Inspraak kan ook worden onderscheiden van interactieve beleidsvorming.
                    Interactieve beleidsvorming is een werkwijze, met name bedoeld voor complexe
                    beleidsprocessen waarbij meerdere actoren betrokken zijn, waarbij een
                    overheidsorganisatie in een zo vroeg mogelijk stadium burgers, maatschappelijke
                    organisaties, bedrijven of andere overheden bij het beleid betrekt om zo in een
                    open en evenwichtige wisselwerking of samenwerking met hen tot de voorbereiding,
                    bepaling, uitvoering of evaluatie van beleid te komen. Interactieve
                    beleidsvorming mobiliseert daarbij de kennis en steun van betrokkenen bij
                    beleidsproblemen waarvan de overheid op voorhand niet weet - of nog niet wil
                    bepalen - hoe deze opgelost zullen worden.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>a.Inspraak:</al><al>Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit artikel
                    opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                    hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                    belangenafweging. Inspraak is overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet
                    'eenzijdig' gedefinieerd, dat wil zeggen dat geen gedachtewisseling met het
                    bestuursorgaan is inbegrepen.</al><al>In de praktijk zal echter wel het tweezijdige element van gedachtewisseling zo
                    mogelijk wel onder de inspraakprocedure gebracht worden, omdat hiermee een derde
                    doel kan worden gediend, te weten het creëren van draagvlak voor
                    beleidsvoornemens (zie ook de algemene toelichting, onder Alternatieven voor
                    inspraak, over interactieve beleidsvorming).</al><al>b.Inspraakprocedure:</al><al>De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt
                    ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. Zoals in de algemene
                    toelichting is vermeld, is in deze inspraakverordening de procedureregeling van
                    afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard. Artikel 4, tweede lid, geeft
                    het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te volgen. Het bestuursorgaan
                    is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en organisatie
                    van de inspraak.</al><al>c.Beleidsvoornemen:</al><al>Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het
                    bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk
                    zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete besluiten of
                    maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen worden
                    gebaseerd.</al><tussenkop>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid, van de Awb. Het omvat in elk geval raad, college en burgemeester.
                    Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen beleidsvoornemens aan inspraak
                    onderwerpen. In de MvT van de Awb is vermeld dat het ter volledige beoordeling
                    van de gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak
                    wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                    inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij
                    raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de
                    mogelijkheid bestaan dat voor bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van
                    inspraak wordt geregeld. Het besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een
                    besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Hieronder is opgesomd welke wettelijke
                    verplichtingen gelden. Deze opsomming is niet opgenomen in de tekst van artikel
                    2 zelf, omdat in de eerste plaats bij een nieuwe wettelijke verplichting direct
                    de verordening moet worden aangepast en in de tweede plaats het een dermate
                    uitgebreide opsomming is dat de verordening hiermee onoverzichtelijk wordt.</al><al>Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan thans bij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorbereiding van het beleid inzake stadsvernieuwing (artikel 8 Wet
                            op de stads- en dorpsvernieuwing);</al></li><li nr="b."><al>de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing
                            (artikel 7a Wet stedelijke vernieuwing);</al></li><li nr="c."><al>de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17,
                            derde lid, Wet milieubeheer (WM));</al></li><li nr="d."><al>de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een
                            afvalstoffenverordening die afwijkt van artikel 10.21 WM (artikel 10.26,
                            tweede lid, WM);</al></li><li nr="e."><al>het integraal gemeentelijk gehandicaptenbeleid (artikel 1a Wet
                            voorzieningen gehandicapten);</al></li><li nr="f."><al>de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving
                            van cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand
                            (artikel 47) </al></li><li nr="g."><al>de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a en b, van de Woningwet
                            (artikel 12, vierde lid).</al></li></lijst><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend. In de nieuwe
                    inspraakverordening is lid g toegevoegd, te weten bestemmingsplanprocedures en
                    vrijstellingsprocedures ex artikel 19, lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening. De wetgever heeft geconcludeerd dat voor 1 juli 2005 sprake was van
                    twee procedureel identieke inspraakrondes, namelijk beide door toepassing van
                    afdeling 3.4 van de Awb. In de praktijk bleek ook dat dit vaak onduidelijk was
                    en overbodig bleek dat tweemaal op een zelfde wijze inspraak werd verleend. De
                    praktijk leerde dat het voor insprekers verwarrend is waarom ze tweemaal moeten
                    inspreken. Eenmaal op het voorontwerp-bestemmingsplan en nog een keer op het
                    ontwerp-bestemmings-plan. Terwijl om in de verdere procedure bedenkingen en
                    beroep te kunnen indienen (bij de provincie en de Raad van State) het alleen
                    noodzakelijk is, dat er een zienswijze is ingediend op het
                    ontwerp-bestemmingsplan.</al><tussenkop>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</tussenkop><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb zijn de woorden 'in de gemeente een belang hebbende
                    natuurlijke en rechtspersonen' vervangen door: belanghebbenden. Het begrip
                    'belanghebbende' is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie heeft ook
                    gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><tussenkop>Artikel 4 Inspraakprocedure</tussenkop><al>Ter uniformering en deregulering is in het eerste lid afdeling 3.4 van de Awb
                    van toepassing verklaard op de inspraak. In artikel 3:11 tot en met 3:17 Awb is
                    de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en bekendmaking van het
                    beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken schriftelijk of
                    mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze
                    procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het
                    tweede lid de inspraakprocedure worden aangepast. Het kan zo zijn dat
                    bijvoorbeeld de genoemde zeswekentermijn door het bestuursorgaan te lang wordt
                    bevonden. Deze termijn zou in de verordening kunnen worden aangepast of bij
                    besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid.</al><tussenkop>Artikel 5 Eindverslag</tussenkop><al>In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In artikel
                    3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt van
                    hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.</al><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt.</al><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht zijn bevindingen over de
                    kwaliteit van de doorlopen procedure(s) te vermelden in zijn burgerjaarverslag
                    overeenkomstig artikel 170, tweede lid, aanhef en onder b, van de
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 6 Intrekking oude verordening</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De nieuwe
                    verordening treedt op 2 februari 2006 in werking. Op dat moment vervalt de oude
                    inspraakverordening.</al><tussenkop>Artikel 7 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt de eerste dag na de dag van bekendmaking in werking. De
                    gebruikelijke werkwijze is om een verordening in werking te laten treden op de
                    achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is aangewezen
                    (artikel 142 Gemeentewet). In dit geval is een ander tijdstip aangewezen,
                    namelijk één dag na de dag van bekendmaking. </al><tussenkop>Artikel 8 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening 2006.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>