<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54652_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voor periodiek onderzoek door het college van de gemeente Ridderkerk naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-05-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentejournaal, 25-03-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening doelmatigheid en doeltreffendheid gemeente Ridderkerk 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 213a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-03-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-05-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2004/1331</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur en recht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voor periodiek onderzoek door het college van de gemeente Ridderkerk naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ridderkerk;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17
                        februari 2004,</al><al>nummer 188;</al><al>gelet op artikel 213a van de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de volgende Verordening voor periodiek onderzoek door het
                        college van de gemeente Ridderkerk naar de doelmatigheid en doeltreffendheid
                        van het door het college gevoerde bestuur 2004.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Doelmatigheid</al><al>het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet
                                van middelen.</al></li><li nr="b."><al>Doeltreffendheid</al><al>de mate waarin de gewenste prestaties en de beoogde maatschappelijke
                                effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Onderzoeksfrequentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt jaarlijks de doelmatigheid van (onderdelen van)
                            organisatie-eenheden van de gemeente en de uitvoering van taken door de
                            gemeente. Iedere gemeentelijke organisatie-eenheid en gemeentelijke taak
                            wordt minimaal eens in de 8 jaar in zijn geheel aan een dergelijke
                            doelmatigheidstoets onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college toetst jaarlijks de doeltreffendheid van (delen van)
                            programma’s en paragrafen. Ieder programma en paragraaf wordt minimaal
                            eens in de 8 jaar in zijn geheel aan een dergelijke
                            doeltreffendheidstoets onderworpen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Onderzoeksplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt ieder jaar uiterlijk met de aanbieding van de
                            ontwerpbegroting voor het daaropvolgende jaar een onderzoeksplan naar de
                            raad van de in het erop volgende jaar te verrichten interne onderzoeken
                            naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het onderzoeksplan wordt per intern onderzoek globaal
                            aangegeven:</al><lijst><li nr="a)"><al>het object van onderzoek</al></li><li nr="b)"><al>de reikwijdte van het onderzoek</al></li><li nr="c)"><al>de onderzoeksmethode</al></li><li nr="d)"><al>doorlooptijd van het onderzoek</al></li><li nr="e)"><al>de wijze van uitvoering</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het onderzoeksplan wordt aangegeven welke budgetten in de
                            productenraming zijn opgenomen voor de uitvoering van de
                            onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zend het onderzoeksplan ter kennisname aan de
                            rekenkamercommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voortgang onderzoeken</titel></kop><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf van de begroting en
                        jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en
                        doeltreffendheid en de uitputting van de bijbehorende budgetten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Rapportage en gevolgtrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkomsten van een onderzoek worden vastgelegd in een rapportage.
                            Elke rapportage bevat tenminste een analyse van de onderzoeksresultaten
                            en indien nodig aanbevelingen voor verbeteringen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op basis van de resultaten van ieder onderzoek stelt het college indien
                            nodig een plan van verbetering op. De rapportage en het plan van
                            verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking 6 weken na de bekendmaking, met dien
                        verstande dat voor het jaar 2004 in elk geval een onderzoeksplan bedoeld in
                        artikel 3 voor het jaar 2005 aan de raad wordt aangeboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Verordening
                        doelmatigheid en doeltreffendheid gemeente Ridderkerk 2004”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ridderkerk, 22 maart 2004</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting algemeen</tussenkop><al>Artikel 213a Gemeentewet verplicht tot periodiek onderzoek naar de doelmatigheid
                    en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur. Anders dan het
                    onderzoek door de rekenkamer gaat het hierbij om een zelfonderzoek. Toetsing op
                    doelmatigheid en doeltreffendheid van het gemeentelijk beleid is van groot
                    belang voor de algemene oordeelsvorming over het gevoerde beleid. Met de
                    instelling van de onderzoeken wordt beoogd de transparantie van gemeentelijk
                    handelen te vergroten, en daardoor doelmatiger en doeltreffender te werken en de
                    publieke verantwoording daarover te versterken. Alle zaken die voor een
                    doelmatig en doeltreffend bestuur van belang zijn kunnen daarbij aan de orde
                    komen.</al><tussenkop>Periodiek onderzoek</tussenkop><al>Het college moet periodiek toetsen of bij zijn uitvoering van het gemeentelijk
                    beleid wordt voldaan aan de eisen van doelmatig en doeltreffend bestuur. Ook
                    dient het college periodiek te onderzoeken of de inrichting van de gemeentelijke
                    organisatie (in brede zin, de personeelsformatie, de informatievoorziening, de
                    administratieve organisatie) en het gemeentelijk middelenbeheer aan de gestelde
                    eisen voldoet. Het interne functioneren van derden die betrokken zijn bij de
                    uitvoering van het gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld een gemeenschappelijke
                    regeling of een privaatrechtelijke rechtspersoon waarin de gemeente deelneemt,
                    of een gesubsidieerde instelling of opdrachtnemer die taken uitoefent) valt niet
                    onder de reikwijdte van artikel 213a Gemeentewet; wél kan vanuit het oogpunt van
                    de gemeente in het kader van artikel 213a de vraag aan de orde zijn of de
                    gekozen wijze van taakuitoefening doeltreffend en doelmatig is.</al><al>Het is in de nieuwe Gemeentewet de verantwoordelijkheid van de raad om regels te
                    stellen die waarborgen dat deze onderzoeksverplichting op een zinvolle wijze
                    wordt ingevuld.</al><al>De onderzoeken zijn aanvullend op de beschrijving van de te bereiken
                    maatschappelijke effecten op de programma's en op de paragrafen van de
                    programmabegroting. Daarbij kan als onderscheid dienen dat de programma's en
                    paragrafen van de programmabegroting op de toekomst gericht zijn en dat
                    onderzoek naar doelmatigheid en doeltreffendheid vooral op het verleden en het
                    heden is gericht. Uit de resultaten van onderzoek kan vervolgens lering voor de
                    toekomst getrokken worden.</al><al>Algemene normen voor doelmatigheid en doeltreffendheid bestaand niet. Het
                    bestuur zal zelf moeten bepalen wanneer in de Ridderkerkse situatie sprake is
                    van doelmatig en doeltreffend bestuur. De praktijk elders kan daarbij wel als
                    een hulpmiddel gebruikt worden.</al><tussenkop>Relatie met lokale rekenkamer(functie)</tussenkop><al>Het verkrijgen van inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid vereist
                    voortdurend informatie en aandacht. Om onderzoek naar een doelmatig en
                    doeltreffend beheer mogelijk te maken, dient het college een aantal
                    (organisatorische) maatregelen te treffen.</al><al>De controle op en de evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het
                    beleid en het beheer geschieden dus <cursief>primair</cursief> door de raad en
                    het college zelf. Daarnaast doen de lokale rekenkamers (of degenen die de
                    rekenkamerfunctie vervullen) onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid
                    van het beleid en het beheer. De rekenkamercommissie kan op grond van het
                    gestelde in artikel 213a Gemeentewet gebruik maken van de resultaten van de
                    onderzoeken van het college. Ook kan de rekenkamercommissie zonodig een tweede
                    oordeel geven, als ze van mening is dat over een bepaald onderwerp een
                    onafhankelijk oordeel moet worden gegeven.</al><al>Om waar nodig of mogelijk afstemming met onderzoeken van de rekenkamercommissie
                    te bevorderen is het gewenst om de rekenkamercommissie op de hoogte te stellen
                    van de door het college voorgenomen onderzoeken. Het jaarlijks door het college
                    op te stellen onderzoeksplan kan daartoe ter kennisname aan de
                    rekenkamercommissie worden gezonden.</al><tussenkop>Onderwerp van onderzoek</tussenkop><al>Systematisch wordt onderzocht of de gemeente bereikt wat zij wilde bereiken
                    (doeltreffendheid) en of dit tegen zo laag mogelijke kosten is gebeurd
                    (doelmatigheid). Zoals uit het artikel blijkt, moet speciale aandacht worden
                    besteed aan doelmatigheid en doeltreffendheid.</al><al>Onderwerp van de onderzoeken is het door het college gevoerde bestuur. De kaders
                    en doelen die de raad gesteld heeft kunnen niet los gezien worden van het
                    bestuur dat het college voert. Deze kaders hebben immers invloed op de mate
                    waarin een doelmatig en doeltreffend bestuur mogelijk is. Het door de raad
                    geformuleerde beleid zal dus, als dat relevant is, kunnen worden betrokken in
                    het onderzoek naar doeltreffendheid en doelmatigheid.</al><al>De onderzoeken als bedoeld in artikel 213a Gemeentewet kunnen verschillende
                    onderwerpen en vormen hebben. Te denken valt aan het meten van de effecten van
                    begrotingsprogramma’s, aan de hand van tevoren bepaalde indicatoren. Dat kunnen
                    meetbare en telbare prestaties zijn. Ook kan worden gedacht aan meningspeilingen
                    in enigerlei vorm en andere ‘zachtere’ meetmethoden. Naast de vraag óf de
                    doelstellingen zijn gehaald kan worden onderzocht of dat gebeurd is met een zo
                    efficiënt mogelijk gebruik van middelen. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te
                    maken van benchmarking.</al><al>Een andere activiteit die in het kader van dit artikel zal moeten plaatsvinden,
                    is het doorlichten van de beheersprocessen, zoals de doelmatigheid van de
                    interne controle.</al><tussenkop>Regels voor periodiek onderzoek</tussenkop><al>Het college is verplicht de onderzoeken te verrichten en hiervan verslag uit te
                    brengen. De rol van de raad bij deze onderzoeken is een kaderstellende. De
                    verordening die de raad vaststelt, conform artikel 213a Gemeentewet, bevat deze
                    kaders. De raad bepaalt de regels in deze verordening, waaraan het college op
                    hoofdlijnen moet voldoen. De raad stelt ook vast hoe hij bij de onderzoeken
                    betrokken wordt en daarover geïnformeerd wordt. De verordening is op deze
                    uitgangspunten gebaseerd.</al><tussenkop>Toelichting op de artikelen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Onderzoeksfrequentie</tussenkop><al>In artikel 2 wordt het college opgedragen onderzoek te doen naar de
                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. </al><al>De onderzoeken naar de doelmatigheid betreffen onderzoeken naar de uitvoering
                    van het beleid en het beheer van middelen. De uitvoering wordt gedaan door ten
                    eerste de gemeentelijke organisatie, zodat deze onderzoeken zich ten eerste
                    richten op de organisatie-eenheden van de gemeente. Een tweede ingang voor de
                    doelmatigheidsonderzoeken is de procesgang. Hiervoor kan men kijken naar de
                    gemeentelijke taken. Het voordeel hiervan is dat ook de doelmatigheid van de
                    uitvoering van gemeentelijk beleid en het beheer van middelen door derden wordt
                    onderzocht.</al><al>Om te verzekeren dat alle onderdelen van de gemeente op doelmatigheid worden
                    onderzocht, verplicht het artikel dat ieder onderdeel van de gemeente en elke
                    gemeentelijke taak minimaal eens in de zoveel jaar worden onderzocht. Hier kan
                    iedere gemeente zelf de gewenste periode aangeven. In de modelverordening van de
                    VNG wordt eenmaal in de twee raadsperioden aanbevolen.</al><al>De onderzoeken naar de doeltreffendheid vinden plaats op basis van het in de
                    programma’s of paragrafen van de begroting geformuleerde beleid. Dit beleid kan
                    gehele begrotingsprogramma’s omvatten of delen daarvan. Ook kan het paragrafen
                    van de begroting en jaarstukken of delen daarvan omvatten. Hier kan iedere
                    gemeente zelf de gewenste periode aangeven. In de modelverordening van de VNG
                    wordt aanbevolen jaarlijks 2 programma's en/of paragrafen te onderzoeken, maar
                    er is geen reden om ook niet hier op te nemen dat alle programma's en paragrafen
                    minimaal eenmaal in de twee raadsperioden worden onderzocht.</al><tussenkop>Artikel 3. Onderzoeksplan</tussenkop><al>De beslissing wat te onderzoeken is aan het college. Vanzelfsprekend zal de raad
                    willen weten wat de plannen zijn, en ook gelegenheid willen hebben om deze te
                    bespreken en als hij dat nodig acht invloed uit te oefenen. Hierin voorziet het
                    onderzoeksplan.</al><al>Het onderzoeksplan moet een volledig beeld geven van de voorgenomen onderzoeken,
                    zij het uiteraard nog globaal.</al><al>De onderzoeken in het onderzoeksplan worden per onderzoek uitgewerkt. Het
                    onderzoeksplan wordt aangeboden aan de raad, en de raad kan het ter bespreking
                    agenderen, maar het wordt door het college vastgesteld. In de verordening kan
                    worden aangegeven wat in een onderzoeksplan in ieder geval moet worden
                    opgenomen. De onderwerpen genoemd in het tweede lid kunnen als volgt worden
                    toegelicht:</al><al>a) Het object van een onderzoek wordt dusdanig omschreven dat duidelijk
                    aangegeven is wat de afbakening van het onderzoek is. Daarbij worden bij de
                    doelmatigheidsonderzoeken duidelijk de scheidslijnen aangegeven ten aanzien van
                    de te onderzoeken procedures en instrumenten. Bij de doeltreffendheidonderzoeken
                    worden duidelijk de scheidslijnen met andere beleidsvelden aangegeven.</al><al>b) De reikwijdte van ieder onderzoek strekt zich in beginsel uit over alle
                    organen (raad, college), organisatie-eenheden en instellingen waarvoor de
                    gemeente bestuurlijk verantwoordelijk is of waarvan de activiteiten geheel of in
                    belangrijke mate door de gemeente worden bekostigd. De reikwijdte kan in het
                    onderzoeksplan worden ingeperkt door het aangeven van het te onderzoeken
                    tijdsvak en de te onderzoeken organen, organisatie-eenheden en instellingen. De
                    reikwijdte van onderzoeken moet van te voren duidelijk worden aangegeven.
                    Aangegeven moet worden welk tijdvak wordt onderzocht en welke
                    organisatie-eenheden en niet gemeentelijke instellingen bij het onderzoek worden
                    betrokken. Voorkomen moet worden dat in de praktijk verschil van interpretatie
                    kan ontstaan wat onder de begrippen gemeentelijke taak en organisatie-eenheid
                    moet worden verstaan. Het geven van een definitie in het onderzoeksplan kan
                    daarbij helpen.</al><al>c) Hier wordt aangegeven welke methoden gebruikt zullen worden (benchmarking,
                    enquête, enzovoorts).</al><al>d) Een inschatting van de duur van het onderzoek, eventueel onderverdeeld in
                    fasen.</al><al>e) Onderzoeken kunnen in opdracht van het college worden uitgevoerd door het
                    ambtelijke apparaat (al of niet met inbreng van deskundigheid van derden) of
                    door derden. Indien de ambtelijke organisatie de onderzoeken uitvoert zullen in
                    de onderzoeksopzet waarborgen dienen te worden ingebouwd, waarmee de
                    onafhankelijkheid van de analyse en/of adviezen ter verbeteringen worden
                    gegarandeerd. Dat betekent dat het onderzoek wel mag worden uitgevoerd door
                    functionarissen die in hun dagelijks werk betrokken zijn bij het
                    onderzoeksobject. De analyse en de aanbevelingen tot verbetering echter moeten
                    zoveel als mogelijk onafhankelijk tot stand komen en uitgevoerd worden door
                    functionarissen die niet in hun dagelijks werk betrokken zijn bij het
                    onderzoeksobject.</al><tussenkop>Artikel 4. Voortgang onderzoek</tussenkop><al>De bedrijfsvoeringparagraaf van de begroting en jaarstukken dient inzicht te
                    geven in de stand van zaken en de beleidsvoornemens omtrent de bedrijfsvoering.
                    Daarbij dient een relatie te worden gelegd met de inhoud van de programma’s van
                    de begroting en jaarstukken. Het ligt voor de hand om in deze paragaaf eveneens
                    te rapporteren over de stand van zaken bij de interne onderzoeken naar de
                    doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. Daardoor kan van
                    onderzoeken die met inbegrip van door te voeren verbeteringen een doorlooptijd
                    van langer dan een jaar hebben de stand van zaken inclusief gevolgen voor de
                    begroting gevolgd worden.</al><tussenkop>Artikel 5. Rapportage en gevolgtrekking</tussenkop><al>Met de instelling van de onderzoeken beoogt de gemeente de transparantie van
                    gemeentelijk handelen te vergroten en de publieke verantwoording daarover te
                    versterken. De bevindingen van de onderzoeken worden dan ook neergelegd in
                    rapporten voor de raad, zoals voorgeschreven in artikel 213a, tweede lid, van de
                    Gemeentewet. De rapporten dienen volgens artikel 197 tweede lid van de
                    Gemeentewet te worden gevoegd bij de jaarrekening en het jaarverslag. Dat
                    betreft uiteraard de verslagen die lopende het verslagjaar zijn afgerond. Dat
                    sluit echter geenszins uit dat de raad, als hij dat wenst, de rapporten ontvangt
                    zodra ze zijn vastgesteld.</al><al>Systematische aandacht voor doelmatigheid en doeltreffendheid impliceert ook het
                    doel om te leren, om te denken over en te streven naar verbetering, daarom is in
                    deze verordening opgenomen dat evaluatie en aanbevelingen voor verbetering
                    onderdeel zijn van de rapportage, en dat zo nodig door middel van een plan van
                    verbetering het vervolgtraject moet worden ingezet. De bedrijfsvoering is een
                    zaak van het college. Het is dan ook het college dat maatregelen moet nemen tot
                    verbetering. Het college moet een plan van verbetering opstellen en uitvoeren.
                    Het plan van verbetering wordt uiteraard ook ter kennisgeving aan de raad
                    gestuurd.</al><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening is referendabel. De datum van inwerkingtreding ligt daarom 6
                    weken na die van de vaststelling. Voor het jaar 2004 is geen onderzoeksplan
                    opgesteld. In het kader van het dekkingsplan van de begroting 2004-2007 en
                    Missie/Visie zijn er al de nodige onderwerpen in onderzoek. Als start van de
                    toepassing van deze verordening kan volstaan worden met het opstellen van een
                    onderzoeksplan voor het jaar 2005, dat bij de begroting 2005-2008 aan de raad
                    wordt aangeboden.</al><tussenkop>Artikel 7. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven waarmee in gemeentelijke stukken naar deze
                    verordening kan worden verwezen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>