<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54576_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Ridderkerk 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ridderkerk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentejournaal, 21-12-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Ridderkerk 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeentestukken 2006-388</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Ridderkerk 2004 wordt ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Ridderkerk 2007
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Ridderkerk;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        14 november 2006, nummer 63;</al>
          <al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, onderdeel c en 30 van de Wet werk
                        en bijstand;</al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder
                        doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de</al>
          <al>
            <vet>TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND GEMEENTE RIDDERKERK
                        2007</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li>
                <li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel
                                        c, van de wet;</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing van artikel
                                18, eerste lid, van de wet onverlet.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>- Toeslagen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander het hoofdverblijf
                                    heeft;</al></li>
              <li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen zijn
                                    hoofdverblijf hebben;</al></li>
              <li nr="3."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft:</al><lijst>
                  <li nr="a"><al>kinderen van 18 jaar of ouder met een inkomen van ten hoogste de 50%
                            van de gehuwdennorm;</al></li>
                  <li nr="b"><al>kinderen van 18 jaar of ouder met alleen studiefinanciering op grond
                            van de Wet studiefinanciering 2000;</al></li>
                  <li nr="c"><al>kinderen van 18 jaar of ouder met alleen een tegemoetkoming op grond
                            van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li>
                  <li nr="d"><al>d een bloedverwant in de tweede graad indien er sprake is van een
                            zorgbehoefte.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>- Verlaging gehuwden</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met
                                één of meer anderen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het derde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>- Verlaging woonsituatie</titel>
            </kop>
            <al>De verlaging van de gehuwdennorm of de toeslag voor een alleenstaande of
                            alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 10
                            procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                            belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden zijn of
                            als geen woning wordt bewoond.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>- Toeslag alleenstaanden van 21 of 22 jaar ( op grond van artikel
                                29 van de wet)</titel>
            </kop>
            <al>De toeslag voor een alleenstaande van 21 bedraagt 7,5 procent en voor
                            een alleenstaande van 22 jaar 15 procent van de gehuwdennorm indien het
                            een belanghebbende van 21 of 22 jaar betreft die de woonkosten niet kan
                            delen met een ander en 0 procent voor een 21 jarige en 5 procent voor
                            een 22 jarige van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21
                            of 22 jaar betreft die de woonkosten wel kan delen met een ander.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Overgangsbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De belanghebbende die op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening recht heeft op een lagere norm/toeslag heeft recht op de
                            hieronder genoemde afbouwregeling.</al>
              <al>1e kwartaal na de inwerkingtreding van de nieuwe verordening 100% van
                            het verschil tussen de oude norm/toeslag en de nieuwe norm/toeslag</al>
              <al>2e kwartaal na de inwerkingtreding van de nieuwe verordening 75% van het
                            verschil tussen de oude norm/toeslag en de nieuwe norm/toeslag</al>
              <al>3e kwartaal na de inwerkingtreding van de nieuwe verordening 50% van het
                            verschil tussen de oude norm/toeslag en de nieuwe norm/toeslag</al>
              <al>4e kwartaal na de inwerkingtreding van de nieuwe verordening 25% van het
                            verschil tussen de oude norm/toeslag en de nieuwe norm/toeslag</al>
              <al>De afbouwregeling kan ten hoogste 1 jaar duren, bij onderbrekingen
                            korter dan 65 werkdagen, wordt de afbouwregeling niet opgeschort.</al>
              <al>Als de uitkering van belanghebbende na invoering van de nieuwe
                            verordening gedurende 65 <vet>werk</vet>dagen is onderbroken vervalt de afbouwregeling en is de
                            nieuwe verordening van toepassing.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>- Uitvoering</titel>
            </kop>
            <al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>- Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2007;</al></li>
              <li nr="2."><al>De Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Ridderkerk
                                    2004 is per gelijke datum ingetrokken.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Ridderkerk in zijn
                        openbare vergadering van 14 december 2006.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd;</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Algemene toelichting “Toeslagenverordening WWB”</titel>
          </kop>
          <al>Inleiding </al>
          <al>De verplichting tot het opstellen van een gemeentelijke verordening is
                            opgenomen in de artikelen 8 en 30 Wet werk en bijstand (WWB). Hierin is
                            aangegeven, dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voor welke
                            categorieën de bijstandnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van
                            welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging wordt
                            bepaald.</al>
          <al>De wetgever maakt de gemeenten financieel verantwoordelijk voor de
                            uitvoering. Dit brengt met zich mee dat de gemeenteraad, met het oog op
                            de rechtszekerheid van de cliënt het eigen gemeentelijk beleid in een
                            verordening moet vastleggen. </al>
          <al>De ervaringen die in de afgelopen jaren met de uitvoering van de
                            Algemene bijstandswet (Abw) zijn opgedaan, hebben geleid tot nieuwe
                            inzichten. Dit heeft geleid tot het vereenvoudigen van de systematiek
                            waardoor het aantal normen minder is geworden en de uitvoeringskosten
                            lager zullen uitvallen. Daarnaast is ook gezocht naar een systeem dat
                            voor een ieder een bestaansminimum garandeert zodat de aandacht volledig
                            kan worden gericht op een zo snel mogelijke uitstroom richting werk. De
                            inhoudelijke beleidskeuzes worden hieronder nader
                            uitgewerkt.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Uitgangspunten</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="§"><al>
                <vet>Vereenvoudiging van de normering</vet>
              </al><lijst>
                <li nr="-"><al>In de oude “Verordening Algemene bijstand” zijn de meest
                                            uiteenlopende situaties benoemd waardoor er ongeveer
                                            zestig normen ontstonden. Er was geen sprake van een
                                            eenvoudige transparante systematiek hetgeen heeft geleid
                                            tot hoge uitvoeringskosten. Gezien de complexiteit gaf
                                            dit relatief meer kans op het maken van financiële
                                            fouten en interpretatie verschillen. De nieuwe werkwijze
                                            in deze verordening geeft een overzichtelijke vaste
                                            systematiek voor het bepalen van de norm.</al></li>
                <li nr="§"><al>
                    <vet>Het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor de
                                        belanghebbende om in de noodzakelijke kosten van het bestaan
                                        te voorzien.</vet>
                  </al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <al>Dit uitgangspunt leidt tot de volgende keuzes:</al>
          <al>-Een leefeenheid <onderstreept>met kinderen</onderstreept> krijgt een
                            volledige van toepassing zijnde norm (van 21 jaar en ouder) ongeacht de
                            leeftijd eventueel middels aanvulling van bijzondere bijstand. Doordat
                            een bestaansminimum is gewaarborgd kan de aandacht volledig gericht
                            worden op andere zaken zoals de opvoeding en de uitstroom. Voor de
                            alleenstaande ouders en gehuwden onder de 21 jaar betekent dit een
                            aanvulling middels de bijzondere bijstand tot de norm van  21 jaar en ouder.</al>
          <al>-Alleenstaanden tot 21 jaar die ”noodzakelijk” zelfstandig wonen of
                            inwonen moeten ook een gegarandeerd bestaansminimum hebben om
                            zelfstandig in het bestaan te kunnen voorzien eventueel middels
                            aanvulling van bijzondere bijstand. Indien het zelfstandig wonen of
                            inwonen als “noodzakelijk” wordt aangemerkt wordt de voor hun geldende
                            jongerennorm aangevuld middels de bijzondere bijstand tot de norm van 21
                            jaar en ouder.</al>
          <al>Het onderzoek naar de “noodzaak” zal grondig gebeuren teneinde misbruik
                            te voorkomen. </al>
          <al>In de beleidsregels van de bijzondere bijstand wordt dit onderwerp
                            uitgewerkt.</al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>Er vindt geen verlaging van de norm of toeslag van de
                                    alleenstaanden van 21 en 22 jaar plaats (artikel 29 Wet werk en
                                    bijstand). De normen zijn lager dan het voor hun geldend minimum
                                    jeugdloon waardoor er geen reden is om tot verlaging over te
                                    gaan. Middels de aanwezige instrumenten zijn er voldoende
                                    mogelijkheden om deze groep snel te laten uitstromen op de
                                    arbeidsmarkt. </al></li>
            <li nr="-"><al>Voor schoolverlaters zal er geen verlaging van de norm of
                                    toeslag plaatsvinden. Ook voor deze groep geldt dat er voldoende
                                    mogelijkheden instrumenten zijn voor snelle uitstroom. Voor de
                                    jongeren zijn er al lage normen en voor de schoolverlaters van
                                    21 jaar en ouder geldt dat er bij zelfstandig wonen ook een
                                    bestaansminimum aanwezig moet kunnen zijn.</al></li>
          </lijst>
          <al>De achterliggende gedachte van een lagere norm is hierdoor niet nodig en
                            past niet in het uitgangspunt van “vereenvoudiging” van de normen.</al>
          <lijst>
            <li nr="§"><al>
                <vet>Delen van woonlasten</vet>
              </al><lijst>
                <li nr="-"><al>Ouders met een uitkering worden niet meer gekort op hun
                                            uitkering door het inwonen van kinderen, ongeacht hun
                                            inkomen. Uit de praktijk is gebleken dat kinderen veelal
                                            niet bijdragen in het levensonderhoud terwijl de ouders
                                            wel een korting op hun uitkering kregen. Deze situatie
                                            gaf problemen die enerzijds leidde tot het niet kunnen
                                            rondkomen van een uitkering waardoor de hulpvraag
                                            vergrootte en anderzijds verstoorde relaties tussen
                                            ouders en kind veroorzaakten.</al></li>
                <li nr="-"><al>Bij het ontbreken of delen van woonlasten vindt er een
                                            korting plaats van 10 % op de norm of toeslag. (artikel
                                            27 Wet werk en bijstand) Voor de omschrijving van
                                            “woonlasten” zie de verklarende begrippenlijst. </al></li>
                <li nr="§"><al>
                    <vet>Het uitgangspunt van de Wet werk en bijstand is “Werk boven
                                        Inkomen”</vet>
                  </al></li>
              </lijst></li>
          </lijst>
          <al>Dit uitgangspunt zal zijn weerklank hebben in de verordening.</al>
          <al>Het bieden van een “redelijk” bestaansminimum geeft rust in het gezin en
                            voorkomt financiële problemen waardoor de belemmeringen voor uitstroom
                            minder zullen zijn en alle aandacht voor de uitstroom aanwezig kan
                            zijn.</al>
          <al>§<vet>De uitvoering van de verordening dient betaalbaar te
                            zijn.</vet>Uit onderzoek is gebleken dat er geen grote financiële
                            verschillen zijn tussen de oude en de nieuwe systematiek.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Systematiek</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="§"><al>In de nieuwe opzet zal per persoon de voor hem/haar toekomende
                                    norm worden bezien volgens een overzichtelijk, eenvoudig
                                    systeem.</al></li>
            <li nr="§"><al>In geval van een echtpaar/samenwonenden is de som van de
                                    uitkering maximaal de echtparennorm van 21 jaar en ouder doch
                                    jonger dan 65 jaar.</al></li>
            <li nr="§"><al>Bij jongeren tot 21 jaar is er sprake van een hoge of lage
                                    uitkering. Indien er sprake is van
                                        <onderstreept>“noodzakelijk”</onderstreept> zelfstandig
                                    wonen of inwonen kan er een hoge uitkering (wettelijke norm plus
                                    bijzondere bijstand) worden gegeven. </al></li>
            <li nr="§"><al>Een leefeenheid met <vet>kinderen</vet> heeft ongeacht de
                                    leeftijd altijd de volledige geldende norm (norm alleenstaande
                                    ouder of gehuwden van 21 jaar en ouder).</al></li>
          </lijst>
          <al>De noodzaak voor zelfstandig wonen wordt aanwezig geacht.</al>
          <lijst>
            <li nr="§"><al>Bij het delen of ontbreken van de woonkosten wordt de korting
                                    kostendeling beperkt tot 10% van de norm of toeslag, ongeacht
                                    het aantal personen waarmee de kosten worden gedeeld.</al></li>
            <li nr="§"><al>Indien er kinderen/pleegkinderen/stiefkinderen inwonen bij de
                                    bijstandontvanger wordt er geen korting op de uitkering van de
                                    bijstandontvanger toegepast (geldt ook voor voormalig pleegkind
                                    van 21 jaar en ouder).</al></li>
          </lijst>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <titel>Artikelsgewijze toelichting</titel>
          </kop>
          <al>
            <vet>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</vet>
          </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
          </kop>
          <al>Om verschil in interpretatie te voorkomen, wordt voor de meeste
                            begrippen verwezen naar de Wet werk en bijstand. Het gaat hierbij om de
                            begrippen, alleenstaande, alleenstaande ouder, echtpaar, gezamenlijke
                            huishouding etc.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
          </kop>
          <al>In artikel 30 Wet werk en bijstand wordt beschreven dat in de
                            verordening moet zijn vastgelegd voor welke categorieën de bijstandsnorm
                            wordt verlaagd of verhoogd.</al>
          <al>De categorie indeling is gebaseerd op de categorieën van artikel 21 Wet
                            werk en bijstand</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
          </kop>
          <al>
            <onderstreept>1</onderstreept>
            <onderstreept>
              <sup>e</sup>
            </onderstreept>
            <onderstreept>
                                lid ;</onderstreept>
          </al>
          <al>regelt de verhoging van norm van de alleenstaande indien de kosten van
                            het bestaan <vet>niet </vet>gedeeld kunnen worden met één of meerdere
                            personen (artikel 25 Wet werk en bijstand).</al>
          <al>De toeslag bedraagt 20% van de gehuwdennorm.</al>
          <al>Ingeval in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft wordt
                            verondersteld dat de kosten van bestaan niet gedeeld kunnen worden.</al>
          <al>
            <onderstreept>2</onderstreept>
            <onderstreept>
              <sup>e</sup>
            </onderstreept>
            <onderstreept>
                                lid;</onderstreept>
          </al>
          <al>regelt de verhoging van de norm van de alleenstaande ouder indien de
                            kosten van het bestaan <vet>niet </vet>gedeeld kunnen worden met één of
                            meerdere personen.</al>
          <al>De toeslag bedraagt 20% van de gehuwdennorm .</al>
          <al>Ingeval in de woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft wordt
                            verondersteld dat de kosten van bestaan niet gedeeld kunnen worden.</al>
          <al>Als er sprake is van <vet>inwoning</vet> van een eigen kind, pleegkind,
                            of stiefkind <vet>bij</vet> de alleenstaande ouder is het uitgangspunt
                            dat de kosten van het bestaan niet gedeeld kunnen worden. Bij de
                            definitie van “pleegkind” is genoemd dat er via de officiële kanalen het
                            pleegouderschap geregeld moet zijn. Dit kan via “jeugdzorg” die een
                            pleegvergoeding kan indiceren. Meestal loopt de pleegvergoeding tot 18
                            jaar, maar soms is een verlenging ook mogelijk. Als de inwoning van het
                            pleegkind niet via officiële kanalen is gegaan is er geen sprake van een
                            “pleegkind” zoals bedoeld is in deze verordening. Vanaf 21 jaar is een
                            pleegkind officieel geen pleegkind meer, voor deze kinderen is
                            bovenstaande van toepassing, mits dit kind voor zijn/haar 21<sup>e</sup>
                            ook inwoonde.</al>
          <al>Ongeacht de leeftijd en het inkomen van deze kinderen krijgt de
                            alleenstaande ouder de volledige toeslag van 20% als er verder geen
                            andere inwonenden zijn.</al>
          <al>
            <onderstreept>3</onderstreept>
            <onderstreept>
              <sup>e</sup>
            </onderstreept>
            <onderstreept>
                                lid;</onderstreept>
          </al>
          <al>regelt de verhoging van de norm van de alleenstaande en de alleenstaande
                            ouder die de kosten van het bestaan <vet>wel</vet> kan delen met één of
                            meer anderen niet zijnde de kinderen zoals genoemd in artikel 4, lid 2
                            van deze verordening (artikel 25 Wet werk en bijstand). </al>
          <al>De toeslag bedraagt 10 % van de gehuwdennorm.</al>
          <al>Ingeval in de woning een ander (niet zijnde kinderen, pleegkinderen of
                            stiefkinderen) zijn hoofdverblijf heeft wordt verondersteld dat de
                            kosten van bestaan gedeeld kunnen worden.</al>
          <al>
            <onderstreept>4</onderstreept>
            <onderstreept>
              <sup>e</sup>
            </onderstreept>
            <onderstreept>
                                lid;</onderstreept>
          </al>
          <al>regelt de verhoging van de norm van de alleenstaande en de alleenstaande
                            ouder als de woonlasten ontbreken (artikel 25 Wet werk en bijstand). De
                            toeslag bedraagt dan 10% van de gehuwdennorm.</al>
          <al>Bij het ontbreken van woonlasten hoeft er alleen te worden gekeken of er
                            huur of hypotheeklasten <vet>aantoonbaar</vet> wordt betaald. De overige
                            woonlasten zijn bewust buiten de beoordeling gelaten ten einde een
                            overzichtelijk uitgangspunt te verkrijgen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
          </kop>
          <al>1<sup>e</sup> lid;</al>
          <al>regelt de verlaging van de gehuwden norm indien de kosten
                            levensonderhoud <vet>wel</vet> gedeeld kunnen worden met één of meer
                            anderen, zijnde geen kinderen, stiefkinderen of pleegkinderen (artikel
                            26 Wet werk en bijstand) . De verlaging is 10% van de gehuwdennorm.</al>
          <al>Ingeval in de woning een ander (niet zijnde kinderen, pleegkinderen of
                            stiefkinderen) zijn hoofdverblijf heeft wordt verondersteld dat de
                            kosten van bestaan gedeeld kunnen worden.</al>
          <al>Net als bij de alleenstaande ouders is bij de gehuwden geregeld dat als
                            er kinderen, pleegkinderen of stiefkinderen <vet>inwonen </vet>bij de
                            ouders er geen sprake is van het delen van de kosten van het bestaan en
                            er dan ook geen korting op de norm van de ouders zal plaatsvinden. </al>
          <al>Zie voor de definitie van “pleegkind” artikel 4, lid 2 van deze
                            verordening. </al>
          <al>2<sup>e</sup> lid;</al>
          <al>regelt de verlaging van de gehuwden norm indien de woonlasten ontbreken
                            (artikel 27 Wet werk en bijstand)</al>
          <al> De verlaging is 10% van de gehuwdennorm.</al>
          <al>Bij het ontbreken van woonlasten hoeft er alleen te worden gekeken of er
                            huur of hypotheeklasten <vet>aantoonbaar</vet> wordt betaald. De overige
                            woonlasten zijn bewust buiten de beoordeling gelaten ten einde een
                            overzichtelijk uitgangspunt te verkrijgen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
          </kop>
          <al>1<sup>e</sup> lid;</al>
          <al>regelt de overgangsbepalingen voor de personen die in de nieuwe
                            verordening uitkomen op een lagere norm/toeslag. De afbouwregeling is
                            van toepassing gedurende 1 jaar na de ingangsdatum van deze verordening.
                            Per kwartaal vindt er een aanpassing plaats om zo in een jaar tijd te
                            kunnen wennen aan de nieuwe norm. Het eerste kwartaal wordt de oude
                            norm/toeslag volledig aan de belanghebbende verstrekt, het kwartaal
                            daarop 75% van het verschil tussen “oude norm/toeslag” en “nieuwe
                            norm/toeslag”. Het derde kwartaal 50% en het laatste kwartaal 25%. Korte
                            onderbrekingen van minder dan 65 werkdagen hebben geen invloed op de
                            afbouwregeling. Indien de uitkering wordt onderbroken voor 65 werkdagen
                            of langer is er geen recht meer op de overgangsregeling. De nieuwe norm
                            is dan van toepassing.</al>
          <al> 2<sup>e</sup> lid;</al>
          <al>regelt de uitkering van de belanghebbende die na de ingang van de nieuwe
                            verordening recht heeft op een hogere norm/toeslag. Indien hier sprake
                            van is dan gaat de nieuwe norm/toeslag in op de dag dat de verordening
                            van kracht is geworden.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
          </kop>
          <al>Evenals de uitvoering van de Wet werk en bijstand ligt de uitvoering van
                            deze toeslagenverordening bij het college van burgemeester en
                            wethouders.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
          </kop>
          <al>Voor de terminologie is aansluiting gezocht bij de bedoeling van de
                            wetgever zoals is gesteld in artikel 3 Invoeringswet Wet werk en
                            bijstand. In artikel 3 van de Invoeringswet wordt gesproken over de
                            ”Toeslagenverordening”</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
          </kop>
          <al>De verordening zal ingaan per 1 januari 2005 en vervangt de “Verordening
                            Algemene bijstandswet”.</al>
          <al>Deze verordening zal worden ingetrokken per 1 januari 2005.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>