<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR54318_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren Schiermonnikoog 2009 e.v.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsbrief, 2010, 45</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Investeren in jongeren Schiermonnikoog 2009 e.v.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0026054">Wet Investeren in Jongeren, art. 12 lid 1 onderdeel b en art. 41</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-07-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren Schiermonnikoog 2009 e.v. </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al><vet>De raad van de gemeente Schiermonnikoog</vet></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 7 oktober 2010; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van
                        jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van sanctie
                        bij verordening te regelen; </al><al><vet>B E S L U I T: </vet></al><al>vast te stellen de volgende <vet>Maatregelenverordening Wet Investeren in
                            Jongeren (WIJ) Schiermonnikoog 2009 e.v.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                        jongere van toepassing zijnde norm, vermeerderd of
                                        verminderd met de op grond van dat hoofdstuk door het
                                        college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op grond
                                        van artikel 41, eerste lid WIJ;</al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van het
                                        niet of niet behoorlijk nakomen van een
                                        inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                        inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de
                                        wet;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                        gemeente Schiermonnikoog.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag: de
                                kosten van het werkleeraanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de jongere
                                toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar het oordeel
                                van het college de op hem rustende verplichtingen, bedoeld in
                                hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede lid of derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
                                voortvloeiende verplichtingen, niet of onvoldoende nakomt, dan wel
                                zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere kan daarom
                                afwijken van de in deze verordening genormeerde maatregelen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De wijze van opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing
                                zijnde WIJ-norm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan
                                de jongere is bekendgemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet
                                voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het college af
                                van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                        inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van het
                                        opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende
                                        redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel, wordt
                                de jongere daarvan schriftelijk mededeling gedaan. </al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Samenloop</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt
                                        aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een
                                        verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden,
                                        vindt cumulatie plaats van de maatregelen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de cumulatie van de maatregelen hoger is dan 100%, en
                                        dus niet in één kalendermaand kan worden geëffectueerd, kan
                                        het resterende deel van de maatregel opgelegd worden in de
                                        volgende maand. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN
                                    ARTIKEL 45 VAN DE WET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende
                                nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een
                                                plan met betrekking tot de arbeidsinschakeling,
                                                waaronder begrepen het onvoldoende meewerken aan een
                                                onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                                arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                                behandeling van medische aard. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met
                                                door de jongere te verrichten algemeen geaccepteerde
                                                arbeid, die het aanvaarden of verkrijgen van
                                                algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren; </al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                                bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten
                                                of werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling;
                                            </al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of
                                                activiteiten naar beste vermogen te verrichten.
                                            </al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>25 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de
                                                eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de
                                                tweede categorie. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                        vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel
                                        worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf
                                        maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een
                                        maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                        verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met
                                        een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                        gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                        dringende redenen, bedoeld in artikel 4, tweede lid. </al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling
                                    gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van
                                        de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid,
                                        van de wet, en artikel 30 c, eerste en derde lid van de wet
                                        SUWI, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of
                                        uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of
                                        tot een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening,
                                        wordt een maatregel opgelegd van 10 procent van de WIJ-norm,
                                    </al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                        vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid kan de duur/ hoogte van de
                                maatregel worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt
                                opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te
                                merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd
                                wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 4 tweede lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                        inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44 eerste lid, van de
                                        wet en artikel 30 c, tweede en derde lid van de wet SUWI,
                                        heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                        het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te
                                        hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de
                                        maatregel afgestemd op de hoogte van het bruto
                                        benadelingsbedrag. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2 tweede lid, wordt de maatregel
                                        vastgesteld op tien procent van het benadelingsbedrag, met
                                        dien verstande dat zij tenminste € 50,00 wordt gesteld en
                                        gemaximeerd op € 2.250,00.</al></li><li nr="3."><al>Van een maatregel wordt afgezien;</al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging stragvervolging is ingesteld
                                        en het onderzoek ter rechtzitting een aanvang heeft
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat
                                        het Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende
                                        heeft getroffen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1.Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                het college of zijn medewerkers, stemt het college de uitkering van
                                belanghebbende af door de hoogte van de inkomensvoorziening te
                                verlagen.</al><al>De maatregel bedraagt:</al><al>a.tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand indien de
                                gedraging gekwalificeerd kan worden als verbaal geweld;</al><al>b.vijfentwintig procent van de WIJ-norm gedurende een maand indien
                                de gedraging gekwalificeerd kan worden als vernieling;</al><al>c.vijftig procent van de WIJ-norm gedurende een maand indien de
                                gedraging gekwalificeerd kan worden als bedreiging;</al><al>d.honderd procent van de WIJ-norm gedurende een maand indien de
                                gedraging gekwalificeerd kan worden als mishandeling;</al><al>2.In aanvulling op het eerste lid kan door of namens het college
                                aangifte worden gedaan bij de politie dan wel aan belanghebbende de
                                toegang tot het gemeentehuis (of locatie waar de werkzaamheden in
                                verband met de WIJ worden uitgevoerd) worden ontzegd.</al><al>3.Het opleggen van een maatregel laat de mogelijkheid onverlet om de
                                door de gedraging veroorzaakte schade op de belanghebbende te
                                verhalen.</al><al>4.De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de
                                belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                                aan een gedraging genoemd in het eerste lid.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>- SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht met
                                ingang van 1 oktober 2009. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet
                                investeren in jongeren Schiermonnikoog 2009 e.v.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 19
                        oktober 2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter (L.K. Swart).</ondertekening><ondertekening>, griffier (S.T. van der Zwaag).</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting maatregelenverordening</vet><vet>WIJ </vet></al><al><vet>De Wet investeren in jongeren en de
                                inkomensvoorziening</vet></al><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in
                                werking. Doelstelling van deze wet is de duurzame
                                arbeidsparticipatie in regulier werk van jongeren tot 27 jaar. Om
                                dit te bereiken is in de wet een recht op een zogenaamd
                                werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het
                                uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                                kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en
                                daardoor zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien.</al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de
                                arbeidsinschakeling van alle jongeren, ook bij een grote afstand tot
                                de arbeidsmarkt. Daartoe moeten gemeenten jongeren in beginsel een
                                werkleeraanbod doen. Afgeleide van het werkleeraanbod is een
                                inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de jongere
                                onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                                beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de
                                jongere gelegen of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen
                                optie is, als het werkleeraanbod onvoldoende inkomsten genereert of
                                er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan. De samenhang tussen
                                het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening anderzijds is
                                een bepalend element in de WIJ.</al><al>De relatie tussen werken/ leren en een uitkering is fundamenteel
                                anders dan de WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als
                                afgeleide de plicht tot arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een
                                ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het uitgangspunt in de WWB ‘een
                                uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en geldt als
                                uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.</al><al>Aanvaardt de jongere het werkleeraanbod en is het inkomen
                                ontoereikend, dan bestaat in beginsel recht op een
                                inkomensvoorziening. Deze inkomensvoorziening volgt in grote lijnen
                                de WWB voor wat betreft de voorwaarden die aan het recht zijn
                                verbonden en de normering die geldt voor de hoogte van deze
                                voorziening.</al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en
                                plichten. De gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                                een inkomensvoorziening aan te bieden, de jongere is daartegenover
                                verplicht zich te houden aan diverse verplichtingen. Worden deze
                                verplichtingen geschonden, dan dient de inkomensvoorziening verlaagd
                                te worden (artikel 41 eerste lid, WIJ). Die verlaging geschiedt
                                conform de regels die in een gemeentelijke verordening moeten zijn
                                vastgelegd (artikel 12 eerste lid, onderdeel b, WIJ). Dat is de
                                Maatregelverordening.</al><al/><al><vet>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ</vet></al><al>In afwijking van het uitgangspunt van de wetgever om de WIJ zoveel
                                mogelijk WWB-conform in te richten, is de in de WIJ vastgelegde
                                reikwijdte van de gemeentelijke Maatregelverordening beperkter van
                                aard dan die in de WWB. Aan het werkleeraanbod en de
                                inkomensvoorziening kunnen minder uiteenlopende verplichtingen
                                verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is beperkter van
                                aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen
                                worden gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en
                                identificatieplicht (artikel 44 WIJ), alsmede een aantal concreet
                                benoemde verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de
                                totstandkoming en tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel
                                45 WIJ).</al><al>Een verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening
                                niet verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening in
                                het bestaan, anders dan in de vorm van schending van één van de in
                                artikel 41 WIJ genoemde verplichtingen. Dat heeft tot gevolg dat de
                                inkomensvoorziening niet verlaagd kan worden in geval van het
                                onverantwoord interen van vermogen en bij verwijtbare werkloosheid,
                                als deze gedragingen leiden tot het indienen van een aanvraag voor
                                een werkleeraanbod. Het belang van duurzame arbeidsparticipatie van
                                de jongere heeft in deze geprevaleerd boven het als maatregelwaardig
                                aanmerken van de bovengenoemde gedragingen.</al><al>De Maatregelverordening WIJ heeft al met al dus een beperkter
                                strekking en reikwijdte dan de Maatregelverordening WWB en wijkt
                                daarom af waar het de omschreven maatregelwaardige gedragingen
                                betreft.</al><al/><al><vet>Verlagen is maatwerk</vet></al><al>Hoewel de gemeenteraad de regels stelt over het verlagen van de
                                inkomensvoorziening, is het verlagen van de inkomensvoorziening een
                                vorm van maatwerk, waarmee het college is belast (zie ook
                                Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 27). Evenals dat binnen
                                de kaders van de WWB het geval is, dient de maatregel afgestemd te
                                worden op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en
                                de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt gevormd
                                door de regels die ter zake door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                                Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de
                                verplichtingen opleveren genormeerd. Die normering is echter niet
                                absoluut. Zowel in de ernst van de gedraging als de mate van
                                verwijtbaarheid of de omstandigheden van de jongere kan aanleiding
                                worden gevonden om van de standaardmaatregel af te wijken. Ontbreekt
                                elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college echter zonder meer
                                verplicht om van verlaging af te zien (artikel 41, tweede lid, WIJ).
                                Vanwege het karakter van de inkomensvoorziening als minimuminkomen
                                is tevens bepaald dat binnen drie maanden heroverweging van de
                                verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de verlaging
                                ook afgestemd blijft op de omstandigheden van de jongere en deze
                                niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft
                                beschikken.</al><al/><al><vet>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel</vet></al><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke
                                WIJ-norm. Ingegeven door overwegingen van uitvoerbaarheid, zou de
                                gedachte kunnen rijzen dat het noemen van vaste bedragen in de
                                verordening wellicht handiger zou zijn. Daar tegenover staat echter
                                dat dit spoedig tot vormen van rechtsongelijkheid en
                                disproportionaliteit kan leiden. Een maatregel van € 250,- betekent
                                voor een 20-jarige een verlies van vrijwel de volledige
                                inkomensvoorziening, terwijl dit voor een 21-jarige
                                verhoudingsgewijs een veel minder groot aandeel betreft. Bovendien
                                roept het verlagen van de inkomensvoorziening met een vast bedrag
                                ook het beeld op van een boete. Mede om die redenen is de maatregel
                                in deze verordening gerelateerd aan de toepasselijke WIJ-norm.</al><al>In deze verordening wordt gekozen voor een maand als de reguliere
                                duur van de maatregel. Bij recidive geldt als regel dat deze duur
                                verdubbeld wordt. </al><al/><al><vet>De term 'maatregel'</vet></al><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                                belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                                nagekomen, wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de
                                inkomensvoorziening. Gebruikelijk onder gemeenten is echter de term
                                ‘maatregel’. </al><al>Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het spraakgebruik dat ook
                                binnen de bijstandspraktijk gangbaar is, maar wordt ook het
                                corrigerende karakter ervan benadrukt. Om die reden is in de
                                verordening de term ‘maatregel’ gebruikt om een verlaging aan te
                                duiden.</al><al/><al><vet>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening?</vet></al><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn voor de
                                jongere verplichtingen verbonden. Tegenover het recht op een
                                werkleeraanbod en evt. inkomensvoorziening staat de verplichting van
                                de jongere om mee te werken aan de totstandkoming daarvan, bijv.
                                door mee te werken aan een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden.
                                Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan het
                                werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een
                                inlichtingen-, medewerkings- en identificatieplicht. Deze
                                verplichtingen zijn vastgelegd in artikel 44, respectievelijk 45 van
                                de WIJ. Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden
                                verplichting verwijtbaar niet na, dan staat de gemeente diverse
                                instrumenten ter beschikking. </al><al><onderstreept>Aanvraagfase</onderstreept></al><al>Betreft het een schending van verplichtingen die betrekking hebben
                                op de aanvraagbehandeling, dan geldt het volgende: als de jongere in
                                het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor zijn
                                arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan
                                doet het college de jongere geen werkleeraanbod (artikel 17 vijfde
                                lid, WIJ). Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij niet wenst te
                                voldoen aan die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening. Uit
                                artikel 42 eerste lid, onderdeel c, WIJ vloeit immers voort dat voor
                                zover uit houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig
                                blijkt dat hij de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5 niet wil
                                nakomen, geen recht op inkomensvoorziening bestaat (Kamerstukken II
                                2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 39 en 40). Dit geldt in bredere zin ook
                                voor andere gedragingen van de jongere waaruit kan worden afgeleid
                                dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen in het
                                geheel niet wil nakomen. Is sprake van een minder ernstige schending
                                van de verplichtingen m.b.t. de totstandkoming van het
                                werkleeraanbod, dan kan na toekenning van een werkleeraanbod de
                                eventuele inkomensvoorziening verlaagd worden conform de
                                gemeentelijke Maatregelverordening (artikel 41 eerste lid, WIJ). Zo
                                is het denkbaar dat de jongere wel wil meewerken, maar dat de
                                medewerking onvoldoende is. In dat geval zou een maatregel aan de
                                orde kunnen komen.</al><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van
                                het werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden
                                verlaagd, conform de Maatregelverordening (art. 41, eerste lid WIJ).
                                Daarnaast vervalt het recht op inkomensvoorziening als uit de
                                houding en gedragingen van de jongere ondubbelzinnig kan worden
                                afgeleid dat deze de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn
                                verbonden in het geheel niet wil nakomen (artikel 42, eerste lid,
                                onderdeel c, WIJ). Voorts kan het werkleeraanbod worden herzien of
                                ingetrokken als de jongere één van die verplichtingen niet nakomt
                                (artikel 21, onderdeel b, WIJ). Vindt intrekking plaats dan vervalt
                                daarmee, zoals gezegd, tevens het recht op inkomensvoorziening
                                (artikel 42, eerste lid, onderdeel f, WIJ). </al><al>doen.</al><al/><al><vet>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN
                                LEIDEN</vet></al><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de
                                inkomensvoorziening jegens het college zijn verbonden zijn de
                                volgende:</al><al>• de inlichtingenplicht (artikel 44 eerste lid, WIJ);</al><al>• de medewerkingsplicht (artikel 44 tweede lid, WIJ);</al><al>• de identificatieplicht (artikel 44 derde lid, WIJ);</al><al>• verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                                werkleeraanbod.</al><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod
                                ook een inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending
                                ook tot het opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41 eerste
                                lid, WIJ).</al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk aan zeer ernstige
                                misdragingen, dan kan het college de jongere tijdelijk uitsluiten
                                van het recht op een werkleeraanbod (artikel 22 eerste lid, WIJ).
                                Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een maand heroverwogen
                                worden. Anders dan de memorie van toelichting suggereert, betekent
                                dit niet per definitie uitsluiting van het recht op een
                                inkomensvoorziening (zie Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 3,
                                p. 46/47 voor het standpunt van de regering ter zake). Artikel 42
                                WIJ, dat daarvoor de grondslag zou moeten bieden, kent ‘
                                (tijdelijke) uitsluiting van het recht op een werkleeraanbod bij
                                zeer ernstige misdragingen’ niet als afzonderlijke uitsluitingsgrond
                                voor de inkomensvoorziening. Het is wel denkbaar dat het bij
                                herhaling zeer ernstig misdragen kan worden aangemerkt als houding
                                en gedragingen van de jongere waaruit ondubbelzinnig blijkt dat deze
                                de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 5, niet wil nakomen. Om
                                onzekerheid op dit punt uit te sluiten, wordt in deze verordening
                                gekozen voor het (verder) verlagen van de inkomensvoorziening op
                                grond van artikel 41, eerste lid, WIJ, zodat feitelijk een
                                tijdelijke uitsluiting ontstaat.</al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
                                gelijkluidende betekenis als in de WIJ.</al><al>De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt. Daarmee wordt
                                bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief toeslag/verlaging.
                                Het equivalent in de WWB, de bijstandsnorm (artikel 5, onderdeel c,
                                WWB) is in de WIJ zelf niet opgenomen en gedefinieerd. Wel wordt in
                                de memorie van toelichting tweemaal gesproken van
                                ‘inkomensvoorzieningsnorm’, waarmee kennelijk hetzelfde begrip wordt
                                bedoeld. In artikel 41 WIJ is opgenomen dat het bedrag van de
                                inkomensvoorziening wordt verlaagd; bedoeld is echter de norm. </al><al>Omdat hantering van het begrip ‘inkomensvoorzieningsnorm’ of ‘bedrag
                                van de inkomensvoorziening’ de leesbaarheid niet ten goede komt, is
                                het begrip ‘WIJ-norm’ geïntroduceerd.</al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven,
                                omdat dit begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van
                                de maatregel die verbonden is aan schending van de
                                inlichtingenplicht (zie artikel 12). Aangesloten is bij de
                                omschrijving van dit begrip in het Boetebesluit
                                socialezekerheidswetten. In artikel 1, onderdeel s van dit Besluit
                                is het begrip ‘benadelingsbedrag’ gedefinieerd voor het opleggen van
                                boetes op grond van een vijftiental socialezekerheidswetten,
                                waaronder de IOAW en IOAZ, in verband met schending van de
                                inlichtingenplicht. </al><al>Gegeven de toelichting op dit artikel wordt onder bruto
                                benadelingsbedrag tevens verstaan de (inmiddels) afgedragen
                                loonbelasting, premies volksverzekeringen en de vergoeding bedoeld
                                in de Zorgverzekeringswet, als bedoeld in artikel 54, vierde lid
                                WIJ. Voor zover er ten tijde van het maatregelbesluit nog geen
                                sprake is geweest van afdracht aan belastingen etc. , bijvoorbeeld
                                omdat de teveel verstrekte inkomensvoorziening reeds is terugbetaald
                                in hetzelfde kalenderjaar als waarin de inkomensvoorziening ten
                                onrechte is verstrekt, blijft het benadelingsbedrag uiteraard
                                beperkt tot een netto bedrag.</al><al>Onder benadelingsbedrag wordt niet slechts verstaan de ten onrechte
                                verstrekte uitkering (inkomensvoorziening) maar ook het
                                werkleeraanbod, eveneens conform artikel 1, onderdeel s van het
                                Boetebesluit. Analoog aan het Boetebesluit is daarnaast in het
                                tweede lid nog expliciet bepaald dat onder benadelingsbedrag in deze
                                verordening mede wordt verstaan de kosten die de gemeente maakt voor
                                het ten onrechte toegekende en/of uitgevoerde werkleeraanbod. Die
                                kosten zullen niet altijd eenvoudig zijn vast te stellen, maar als
                                het een voorziening betreft die de jongere ten onrechte heeft benut,
                                is het meestal wel mogelijk om een raming te maken van de daaraan
                                verbonden kosten. Deze kosten tellen mee voor het bepalen van de
                                hoogte van de maatregel bij schending inlichtingenplicht.</al><al>.</al><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een
                                maatregel (artikel 41, eerste lid, WIJ). Verwezen wordt naar artikel
                                42 WIJ om aan te geven dat de imperatief voorgeschreven verlaging
                                middels een maatregel niets afdoet aan intrekking van de
                                inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod. Als
                                daartoe wordt besloten, dan komt verlaging veelal niet meer aan de
                                orde.</al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept></al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een
                                op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                                omstandigheden van de jongere en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                                bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                                maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                                omstandigheden van de betrokken jongere afwijking van de hoogte en
                                de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                                Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                                matiging betekenen en kan zowel zijn gebaseerd op de ernst van de
                                gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van
                                de jongere afzonderlijk. Waar verderop in de verordening gedragingen
                                worden genormeerd, kan daarvan dus worden afgeweken op de genoemde
                                gronden. Dat is om redactionele redenen expliciet verwoord, zodat
                                bij de normering van de maatregelen in het vervolg van de
                                verordening niet steeds hoeft te worden gesteld dat de maatregel een
                                x-percentage bedraagt ‘onverminderd artikel 2, tweede lid’, m.a.w.
                                met de mogelijkheid af te wijken.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel
                                moet worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie
                                stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de jongere.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                                standaardpercentage waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd.
                                Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt
                                verwezen naar de toelichting bij artikel 6. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke
                                omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde
                                zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals
                                        bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                                        uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                        tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="·"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen
                                        bijvoorbeeld;</al></li><li nr="·"><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het
                                        geheel van maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de
                                        gedraging en de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3. De wijze van opleggen van een maatregel</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de
                                WIJ-norm. </al><al>Verlaging van de WIJ-norm kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van
                                        de inkomensvoorziening; of </al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van de WIJ-norm in de
                                        eerstvolgende maand(en).</al></li></lijst><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt
                                verstrekt, is de gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet te
                                worden overgegaan tot herziening van de inkomensvoorziening en het
                                te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening terug te vorderen.
                                Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                                opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij
                                wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de
                                inkomensvoorziening reeds beëindigd is, dan biedt het derde lid de
                                mogelijkheid dat met terugwerkende kracht een maatregel kan worden
                                opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
                                jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                                uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden
                                uitbetaald. In dat geval moet de inkomensvoorziening wel worden
                                herzien en teruggevorderd. Dat is ook nog mogelijk indien de
                                inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. Uit de jurisprudentie van
                                de Raad blijkt dat de uiterste begrenzing ligt op het moment waarop
                                de gedraging plaatsgevonden heeft. Wordt een dergelijke maatregel
                                opgelegd, dan moet tevenseen besluit tot herziening van de
                                inkomensvoorziening op grond van artikel 40, derde lid, WIJ worden
                                genomen.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Naast de redenen genoemd in dit artikel waarin afgezien kan worden
                                van het opleggen van een maatregel wordt verwezen naar artikel 41,
                                tweede lid, WIJ waarin is vastgelegd dat van een maatregel wordt
                                afgezien als iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt..</al><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                                gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille
                                van de effectiviteit is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                                gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt
                                onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor
                                gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden
                                en als gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend
                                of een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in
                                de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. </al><al>Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die gelet op
                                artikel 14 van de Algemene bijstandswet gold in verband met het
                                opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht.
                                Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de
                                gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd
                                nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag)
                                vast te stellen.</al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende
                                redenen worden afgezien van het opleggen van een maatregel. Van
                                dringende redenen is sprake als de gevolgen van het opleggen van een
                                maatregel onaanvaardbaar zijn. Dat vergt een beoordeling van de
                                situatie van de jongere maar daarvan zal niet spoedig sprake
                                zijn.</al><al><onderstreept>Tweede lid </onderstreept></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van
                                het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van
                                belang in verband met eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Samenloop</vet></al><al>Indien er sprake is van verschillende gedragingen (meerdaadse
                                samenloop) waarbij het gezamenlijke percentage hoger is dan 100%,
                                kan het resterende deel van de maatregel opgelegd worden over de
                                volgende maand(en). Bijvoorbeeld bij samenloop van een maatregel van
                                100% gedurende één maand met een maatregel van 10% gedurende één
                                maand wordt de eerstvolgende maand na het besluit tot het opleggen
                                van de maatregel, 100% gekort en de maand daarna nog eens 10%.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Gedragingen</vet></al><al>In artikel 45 WIJ zijn tamelijk gedetailleerd de verplichtingen
                                omschreven die betrekking hebben op de arbeidsinschakeling en de
                                totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het werkleeraanbod. Deze
                                verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat de
                                aanvraag voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één
                                van deze verplichtingen dient in beginsel te leiden tot verlaging
                                van de eventuele inkomensvoorziening. </al><al/><al><vet>Artikel 7. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>In aansluiting op het vorige artikel en de daarin gepresenteerde
                                varianten worden verschillende percentages genoemd bij de
                                verschillende varianten.</al><al>Indien binnen één jaar na bekendmaking van het besluit waarmee een
                                eerdere maatregel is opgelegd sprake is van een herhaling van de
                                verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                                uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                                maatregel.</al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één
                                keer worden toegepast. Indien de jongere na een tweede verwijtbare
                                gedraging wederom hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de
                                hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden
                                vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                                omstandigheden van de jongere. Een zwaardere maatregel dan in geval
                                van recidive is dan doorgaans verdedigbaar.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</vet></al><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                                informatieplicht onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de
                                        gemeente. In deze situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van
                                        toepassing. Het college kan in dat geval het recht op
                                        inkomensvoorziening opschorten en de jongere in de
                                        gelegenheid stellen binnen een door hem te stellen termijn
                                        het verzuim te herstellen. In dat geval kan ook een
                                        maatregel aan de orde zijn;</al></li><li nr="2."><al>artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                                        inlichtingen aan de gemeente. Daardoor is het mogelijk dat
                                        er ten onrechte of een te hoog bedrag aan
                                        inkomensvoorziening is verstrekt of ten onrechte een
                                        werkleeraanbod is toegekend. Het is ook denkbaar dat het
                                        inlichtingenverzuim niet tot benadeling heeft geleid. In
                                        beide gevallen kan een maatregel aan de orde zijn.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een
                                aanvraag niet aan de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het
                                college de rechtmatigheid van het werkleeraanbod en de
                                inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag moet dan worden
                                afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in dergelijke gevallen
                                niet aan de orde.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling
                                    gemeente</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Indien een jongere de voor het werkleeraanbod of de
                                inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of gevorderde
                                bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op
                                inkomensvoorziening opschorten (artikel 40, eerste lid, WIJ). Het
                                college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn
                                verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde
                                informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                                verstrekt, dan kan het college het besluit tot vaststelling van de
                                inkomensvoorziening intrekken (artikel 40, vierde lid, tweede
                                volzin, WIJ). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                                hersteltermijn verstrekt, wordt de inkomensvoorziening voortgezet,
                                maar wordt tevens een maatregel opgelegd.</al><al>Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. Tevens wordt daarin de
                                zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van onjuiste of
                                onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                                voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. Een voorbeeld van
                                nulfraude kan zijn het niet melden van een niet-rechthebbende
                                partner.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Schending inlichtingenplicht met benadeling
                                    gemeente</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek
                                of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                                omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                                zij van invloed kunnen zijn op zijn werkleeraanbod of het recht op
                                inkomensvoorziening. Het college zal moeten vaststellen wat het
                                onder 'onverwijld' verstaat. De ernst van de gedraging komt tot
                                uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door
                                de gemeente te veel betaalde bedrag aan inkomensvoorziening alsmede
                                de kosten van het werkleeraanbod. Het is n.l. ook denkbaar dat een
                                jongere wel gebruik heeft gemaakt van een werkleeraanbod, maar geen
                                inkomensvoorziening heeft ontvangen, omdat het aanbod voldoende
                                inkomsten genereert. In dat geval kan het gewenst zijn om bij
                                schending van de inlichtingenplicht toch een maatregel te kunnen
                                opleggen, die wordt afgestemd op de kosten van het
                                werkleeraanbod.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
                                bedrag aan inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van
                                die verplichting ten onrechte of te veel aan de jongere is
                                betaald.</al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige
                                inkomensvoorziening van de jongere maar kan ook met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, zie artikel 3, derde lid.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de
                                inlichtingenplicht is in beginsel een verantwoordelijkheid van de
                                gemeente zelf. In de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude hebben de
                                Procureurs-generaal echter richtlijnen gegeven onder welke
                                omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                                strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in
                                geschrifte) vervolging door het OM moet plaatsvinden.</al><al>Per 1 januari 2009 is de bestaande Aanwijzing sociale
                                zekerheidsfraude gewijzigd (zie Stcrt. 2008/187).</al><al>Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’-beginsel. De jongere wordt
                                hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd.
                                Niet door beide.</al><al>In grote lijnen komt het erop neer dat als er een redelijk vermoeden
                                bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er
                                aangifte en vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er
                                echter sprake van ‘witte’ fraude (door koppeling van bestanden etc.
                                aan het licht gebracht), dan is de gemeente primair verantwoordelijk
                                tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de benadeling groter dan
                                is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen waarin er met
                                de jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen maatregel
                                meer kan worden toegepast.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien
                                als inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een
                                schikking is getroffen. In dergelijke situaties is een maatregel
                                niet meer opportuun.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van
                                agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                                verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer
                                in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Gemeenten kunnen
                                alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen
                                de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                                bij het vaststellen van het recht op een werkleeraanbod en/of
                                inkomensvoorziening. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de
                                zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                                omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                                de WIJ. In artikel 41, eerste lid, WIJ wordt gesproken over 'het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen'. Dit betekent dat
                                alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en
                                hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel. </al><al>Of dit ook ‘a contrario’ betekent dat geen maatregel kan worden
                                opgelegd als er sprake is van zeer ernstige misdragingen jegens
                                externe uitvoerders van de WIJ, zoals het UWV-WERKbedrijf,
                                re-integratiebedrijven, opleidingsinstituten e.d. is niet duidelijk.
                                De Centrale Raad van Beroep heeft zich daar tot dusver niet over
                                uitgelaten.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere
                                zich ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden
                                naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                persoonlijke omstandigheden van de jongere. Wat betreft het
                                vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen
                                van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger)
                                worden onderscheiden: a. verbaal geweld (schelden); b. zaakgericht
                                fysiekgeweld (vernieling); c. bedreiging(uitoefenen van psychische
                                druk/intimidatie); d.mensgericht fysiek geweld. </al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                                moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                                plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken
                                tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel
                                geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt
                                om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                                uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                                onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                                frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                                verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan
                                bij frustratiegeweld.</al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                                aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl
                                de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen
                                bij de politie. Het is aan te bevelen dat een gemeente over een
                                agressieprotocol beschikt waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan
                                met lastige en agressieve klanten. In zo'n agressieprotocol kan een
                                relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid ten aanzien van
                                agressieve klanten, in de vorm van beleidsregels.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>In lid 3 is vastgelegd dat en een maatregel kan worden opgelegd en
                                de veroorzaakte schade kan worden verhaald op de
                                belanghebbende.</al><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>In het vierde lid komt evenals bij andere gedragingen tot
                                uitdrukking dat recidive een reden kan zijn de maatregelduur te
                                verlengen. Vergelijk ook het geen in de Algemene toelichting is
                                gesteld over de mogelijkheid om bij herhaald wangedrag de jongere
                                wel tijdelijk uit te sluiten van het recht op werkleeraanbod maar
                                niet van de inkomensvoorziening. Gelet op de wens van de wetgever om
                                bij herhaald zeer ernstige misdragingen de jongere (tijdelijk) uit
                                te sluiten van een inkomensvoorziening, is bij recidive in beginsel
                                een percentage van 100% van toepassing, gedurende de periode van
                                uitsluiting van het werkleeraanbod. Er kan uiteraard ook gekozen
                                worden voor een periode van een maand of enkele maanden. Wel geldt
                                daarbij dat binnen een maand de uitsluiting van het werkleeraanbod
                                heroverwogen moet worden, vanwege de grote consequenties en gelet op
                                het belang van duurzame arbeidsparticipatie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>