<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">5424_7</dcterms:identifier><dcterms:title xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Bouwverordening Zaanstad 2008</dcterms:title><dcterms:language xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2015-08-04</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Gemeenteblad 2015, nr. 72558</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Bouwverordening Zaanstad 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0005181/article=8" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">Woningwet, art. 8</dcterms:source><dcterms:subject xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">algemeen</dcterms:subject><dcterms:issued xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">2015-02-12</dcterms:issued><dcterms:rights xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/">De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><othermeta></othermeta><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-08-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-24</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Van rechtswege vervallen artikelen vanwege de inwerkingtreding Bouwbesluit per 1 april 2012 en Verandering Welstandhoofdstuk (9) (i.w.t. 1 jan. 2014)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/211475</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>ruimtelijke ordening en volkshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen. </al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging bij inwerkingtreding Wabo per 1 okt 2010, verbetering toelichting per
                    febr 2011</al><al></al><al>Wijziging Bouwbesluit 2012</al><al>Wijziging Welstand</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Zaanstad 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="4*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="26*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="69*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Bevoegd gezag:</al></entry><entry colname="col3"><al>bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                                  artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij
                                                  het ontbreken van een bestuursorgaan als bedoeld
                                                  in dit artikellid, burgemeester en wethouders</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwbesluit:</al></entry><entry colname="col3"><al>de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                                  artikel 2 van de Woningwet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>bouwtoezicht:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene, die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                                  van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van
                                                  de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht belast
                                                  is met het bouw- en woningtoezicht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>bouwwerk:</al></entry><entry colname="col3"><al>elke constructie van enige omvang van hout,
                                                  steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats
                                                  van bestemming hetzij direct hetzij indirect met
                                                  de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                                  steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                                  plaatse te functioneren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>gebruiksoppervlakte:</al></entry><entry colname="col3"><al>de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                                  Bouwbesluit;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>hoogte van de weg:</al></entry><entry colname="col3"><al>de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                                  burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al><al></al><al></al></entry><entry colname="col2"><al>NEN: </al><al></al><al>NVN:</al><al></al><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen:</al><al></al><al></al><al>Straatpeil:</al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al><al></al><al>weg: </al></entry><entry colname="col3"><al>een door de Stichting Nederlands
                                                  Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al><al>een door de Stichting Nederlands
                                                  Normalisatie-Instuituut uitgegeven voornorm;</al><al>vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld
                                                  in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet
                                                  algemene bepalingen omgevingsrecht;</al><al>. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al><al>. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al><al>alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                                  openstaande wegen of paden daaronder begrepen de
                                                  daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen
                                                  of paden behorende bermen en zjkanten, alsmede de
                                                  aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                                  parkeerterreinen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="28*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="72*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>bouwwerk:</al></entry><entry colname="col2"><al>een gedeelte van een bouwwerk;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gebouw:</al></entry><entry colname="col2"><al>een gedeelte van een gebouw.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen (vervallen)</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch
                                            bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009,
                                            in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt
                                            uit figuur 1.;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen);</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat
                                            te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                            asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig
                                            is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als
                                            voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt
                                    niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar
                                    aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20omgevingsrecht">Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage
                                        II</extref> . Deze verwijzing geldt niet voor de
                                    hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3
                                    van bijlage II </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van
                                    de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe,
                                    indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag
                                    reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht
                                    tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                    artikel 2.5, onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan
                                    voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als
                                    bedoeld in artikel 2.23 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                    en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het
                                    in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het
                                    historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de
                                    locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                                    volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                    rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                                </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>(Vervallen.)</al><al></al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al> Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is
                                te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                        verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het
                                        bouwen is vereist; en</al><lijst><li nr="1."><al>dat de grond raakt, of</al></li><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik
                                                niet wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van
                                het in de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of
                                andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                                overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel is, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen. </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen, mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3A</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg
                                        regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                        bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                        zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels
                                        van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg
                                        geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a
                                        bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van tenminste 30 meter, de lijn gelegen
                                        op een afstand van de halve wegbreedte uit de as van de
                                        weg;</al><al>bij een wegbreedte van tenminste 10 meter, de lijn gelegen
                                        op 15 meter uit de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op
                                        10 meter uit de as van de weg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergiunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van veranderingen
                                        bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het
                                        Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                                                rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de
                                                grens van de weg met niet meer dan 0,3 m
                                                overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding
                                    van de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de
                                    omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken
                                            en kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                            gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                            artikel 2, onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het
                                            Besluit omgevingsrecht, die naar hun aard en bestemming
                                            op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de
                                            weg overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere aan- en uitbouwen, alsmede
                                            balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet
                                            meer dan 1,50 m overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                            hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                            dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                            reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                            bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                            bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                            Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                            gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                                            niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                            historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                            het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                    toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van
                                            een strook van 0,60 m breedte ter weerszijden van die
                                            rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                            weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers
                                            van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar
                                        vervoer of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer,
                                        de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan
                                        bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die naar hun aard en
                                        bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                            afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die
                                            waarin de afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is
                                            verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter de
                                            achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                            artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                            omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                            pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                            woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                            afwijking is gebaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging van de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                            driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok
                                            op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de
                                            helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                                            voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer dan één
                                            ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan
                                            worden beschreven, geldt de grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok
                                            van een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige
                                            afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze
                                            als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het
                                            bouwblok tot een of meer van de onder a genoemde vormen,
                                            voor zover zij op zichzelf of gezamenlijk de vorm van
                                            het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere
                                            afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                            rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een
                                            afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de
                                            afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                            tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen
                                            zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand
                                            van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                            bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze
                                            twee zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                                            gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                            bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                            bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op
                                            een afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                            beginselen, welke zijn neergelegd in a tot en met d van
                                            dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                            voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van tenminste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt tenminste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de
                                    aard, de indeling en het gebruik van de gebouwen in de
                                    hoekbebouwing dit toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen
                                        gebouwen zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en
                                        veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf tenminste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                        uitbouw voor het bouwen waarvan op grond van artikel 2,
                                        onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij
                                        het Besluit omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan
                                        een omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk
                                        realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                        eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te
                                        weten:</al><al>a. ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al><al>b. terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde,
                                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                        daaronder begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse
                                        grens van het erf minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                        openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                        en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van die
                                        zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid,
                                        als bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is
                                        verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3,
                                        of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                        handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is
                                        gelegen dan de hoogte van het terrein ter plaatse bij
                                        voltooiing van de bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige aan- en uitbouwen, anders dan de uitbouwen
                                        die vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                        onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, balkons en veranda's,
                                        alsmede andere luifels, afdaken, dakoverstekken,
                                        uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat
                                    tenminste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                            achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat
                                            is begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een
                                            diepte heeft van tenminste 5 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                            indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                            bewoning bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende
                                            voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is
                                                  aanwezig;</al></li><li nr="b."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein
                                                  waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                                  grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar
                                                  water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg
                                                  en een plantsoen, mits dat terrein slechts aan één
                                                  van die zijden mag worden bebouwd en tevens een
                                                  erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                                  gebracht;</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                    te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                    wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor een erf met geringere diepte dan 5 meter, dient het achter
                                    het gebouw gelegen deel tenminste te voldoen aan artikel 5:50
                                    BW.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van tenminste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor
                                            geen beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van
                                            het verbod tot overschrijding van de
                                            achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven
                                            minder dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al>Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                    aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende
                                    mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij
                                    te laten ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel.2,
                                    onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                    niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van
                                    het af te scheiden erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                    vereist dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
                                    Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden
                                    met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                    hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                    nominale elektrische spanning van 1000 Volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor
                                    het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist worden
                                    gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien de elektrische spanning van
                                            de hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar
                                            oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de
                                            afstand van 6 meter, indien daartegen met het oog op de
                                            veilige en ongestoorde ligging van de leiding geen
                                            bezwaar bestaat.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                            voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtstbij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                    geldt ter plaatse van die onderbreking de verstverwijderde van
                                    de beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                    rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                    achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                            tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                            bouwblok.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                    lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van
                                    het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt,
                                    wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de
                                    achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel
                                    niet hoger is dan de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk,
                                    voor de bouw waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen
                                    de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de
                                    vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en
                                    door de achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de
                                    artikelen 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk, voor de bouw waarvan een
                                    omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan één weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagstgelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3
                                    of artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien de
                                    aard en de ligging van de omringende bebouwing hiervoor geen
                                    beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                        omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk
                                        realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen
                                        van veranderingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken,
                                        anders dan het aanbrengen van veranderingen als bedoeld in
                                        artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de
                                        voorgevelrooilijn of de achtergevelrooilijn, mits zij niet
                                        breder zijn dan 6 meter en mits het geveloppervlakte, over
                                        de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is dan het
                                        product van de breedte van de topgevel en de maximale
                                        bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                        meter.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                        andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                        vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
                                        indien de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                        gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                        handels- en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>bouwwerken geen gebouw zijnde, op een handels- of
                                        industrieterrein, indien noodzakelijk voor een goede
                                        bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf;</al></li><li nr="e."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="f."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                        bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                        bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale
                                                bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
                                                toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                                hoogte-afmetingen andere hoogte-afmetingen kleiner
                                                worden dan de bestaande;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                        onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht;</al></li><li nr="h."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
                                        soortgelijke aard;</al></li><li nr="i."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                        meter;</al></li><li nr="j."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
                                        dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
                                        onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
                                        de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
                                        laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
                                        die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="k."><al>draagconstructies voor een reclame-uiting;</al></li><li nr="l."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="m."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                        1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                        monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
                                        om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
                                        te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                        omgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                                    overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte
                                    in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</titel></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li></lijst><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een bouwwerk daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                    dat bij dat bouwwerk behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten
                                    zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het bouwwerk,
                                    waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele
                                    bereikbaarheid per openbaar vervoer. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor parkeren van auto's
                                    moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto’s: Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan
                                    als:</al><al>a. de afmetingen van bedoelde parkeerruimten overeenkomen met
                                    eisen opgenomen in de gemeentelijke standaarddetails.</al><al>b. de afmetingen en bereikbaarheid voor plaatsen in een
                                    parkeergarage voldoen aan NeN 2443: ‘Parkeren en stallen van
                                    personenauto's op terreinen en in garages’.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bestemming van een bouwwerk aanleiding geeft tot een
                                    te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat bouwwerk, dan wel op of onder het
                                    onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In geval een bedrijf of instelling aanspraak heeft gemaakt op
                                    korting op de parkeereis op basis van een bedrijfsvervoerplan,
                                    kan het college eisen, wanneer blijkt dat het
                                    bedrijfsvervoerplan niet of in onvoldoende mate ten uitvoer is
                                    gebracht, dat het aantal parkeerplaatsen in overeenstemming
                                    wordt gebracht met de gebruikelijke normering.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een bouwwerk daartoe
                                    aanleiding geeft, moeten de normen aangehouden worden van de
                                    CROW Publicatie 291 Leidraad fietsparkeren (CROW; “Publicatie
                                    291; Leidraad fietsparkeren”, Ede 2010), (of de meest recente
                                    uitgave van CROW) ten behoeve van het parkeren of stallen van
                                    (brom)fietsen in, op of onder het bouwwerk dan wel op of onder
                                    het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort.</al><lijst><li nr="a."><al>De fietsparkeervoorzieningen voor medewerkers en
                                            bezoekers worden gescheiden (de stalling voor de
                                            medewerkers is bij voorkeur inpandig).</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Bescherming tegen weersinvloeden maken deel uit van de
                                            voorziening.</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>De fietsparkeervoorzieningen bieden voldoende
                                            bescherming tegen diefstal en vandalisme.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in
                                    afwijking van het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid.
                                    In de door de Raad vastgestelde 'Parkeernota' worden regels
                                    gesteld over de wijze waarop het bevoegd gezag gebruik maakt van
                                    deze bevoegdheid.</al><al></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(Vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in de bouwregistratie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, aansluiting op de
                            nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen)</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><al>(vervallen)</al><al></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>(Vervallen) </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel>Bepaling aantal personen nachtverblijf</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 5.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                                het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                    omgevingsvergunning voor het slopen</titel></kop><al></al><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                                    slopen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><structuurtekst><al>Alle bepalingen betreffende samenstelling, taakstelling en werkwijze van
                            de welstandscommissie zijn vastgelegd in het Reglement van Orde te
                            gebruiken voor de Adviescommissie Welstand en Monumenten Zaanstad, ten
                            laatste vastgesteld door de raad op 13 februari 2014.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen </titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling </titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.5</label><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen </titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoeg­de
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervan­gen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw </titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen </titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek </titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten </titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzoek</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of een
                            aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1 april 2012 en
                            waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van de
                            bouwverordening van toepassing, zoals die luidden voor deze wijziging,
                            tenzij de aanvrager aangeeft dat de gewijzigde bepalingen worden
                            toegepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr status="officieel">1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.20 november 2003
                                en alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening Zaanstad
                                2008'</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</titel></kop><tussenkop>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 vervallen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 vervallen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 vervallen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4 vervallen </tussenkop><tussenkop>Artikel 5 vervallen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6 vervallen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 vervallen</tussenkop></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>2</nr><titel>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>3</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken</titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>5</nr><titel>Opslag brandgevaarlijke stoffen</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>6</nr><titel>Vervallen</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>6</nr><titel>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                        erven en terrein</titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>8</nr><titel>Vervallen</titel></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>9</nr><titel>Reglement van orde van de welstandscommissie</titel></kop><al>Vervangen met inwerkingtreding nieuw Reglement van orde (1 januari 2014). </al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>10</nr><titel>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>11</nr><titel>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie) </titel></kop><al>(Vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>12</nr><titel>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)</titel></kop><al>(vervallen)</al></bijlage><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>13</nr><titel>Kaart als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, Bouwverordening Zaanstad
                        2008</titel></kop><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Kaart als bedoeld in artikel 1.3 tweede lid Bouwverordening Zaanstad 2008" type="lijn" id="i309"></illustratie></plaatje></al><al> Aldus besloten in de openbare vergadering van 13 maart 2008</al><al>voorzitter,</al><al>raadsgriffier,</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING behorende bij de BOUWVERORDENING ZAANSTAD 2008</titel></kop><tussenkop>De Wabo (inwerkingtreding 1 oktober 2010) introduceert de
                    omgevingsvergunning en schaft de bouwvergunning af. Het Besluit
                    indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning (Biab) alsmede het Besluit
                    bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb) is
                    ingetrokken. De indieningsvereisten zijn opgenomen in de Regeling omgevingsrecht
                    (Mor). De bouwvergunningvrije bouwwerken zijn in bijlage II van het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor) opgenomen. Voor de toepasbaarheid van de verordening worden
                    de begrippen ‘omgevingsvergunning voor het bouwen’ en ‘omgevingsvergunning voor
                    het slopen’ opgenomen. Uiteraard bestaat maar één omgevingsvergunning, geen
                    twee.</tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur"></tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur">ARTIKELSGEWIJS</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al></al><tussenkop><cursief>Bevoegd gezag</cursief></tussenkop><al>De begripsomschrijving van ‘bevoegd gezag’ is opgenomen in de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en in de Woningwet. Daarom moet ook in de
                    bouwverordening het begrip ‘bevoegd gezag’ worden opgenomen. </al><tussenkop kopopmaak="cur"><cursief></cursief></tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur">Bouwbesluit</tussenkop><al>Het Bouwbesluit (Stb.2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                    geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan het
                    Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb.2002, 203. In deze besluiten zijn de
                    technische bouwvoorschriften op grond van de Wonw (stb.2001, 518)
                    opgenomen.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Bouwtoezicht</tussenkop><al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Wonw in artikel 100 expliciet de opdracht aan het
                    college om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het
                    bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van de Wonw. Dit sluit aan
                    bij de op grond van artikel 100 (oud) Wonw bestaande centrale rol van de
                    gemeente bij de vergunningverlening en handhaving ten aanzien van het bouwen en
                    de staat van bestaande bouwwerken en brengt geen verandering in het uitgangspunt
                    dat elke gemeente vrij is naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te
                    richten en eventuele bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit
                    te besteden. Op grond van het nieuwe artikel 100a Wonw wijst het college degenen
                    aan die belast zijn met het bouw- en woningtoezicht.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Gebruiksoppervlakte</tussenkop><al-groep><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip
                        naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij
                        ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei
                        1992).</al><al>De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent
                        overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Bouwverordening.</al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                        Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager
                        om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                        gebruiksoppervlakten.</al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Bouwwerk en gebouw</tussenkop><al-groep><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Wonw maakt gebruik van de als
                        bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk wordt
                        momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de Modelbouwverordening
                        (MBV) 1965 en de jurisprudentie. Volledigheidshalve is de
                        begripsomschrijving in de Bouwverordening gehandhaafd.</al><al>De Wonw maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en bouwwerken,
                        niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel 1 van de
                        Wonw.</al><al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                        ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van
                        de Wonw van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis van de
                        Wonw van 1962 en de Bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft. Deze
                        jurisprudentie is hierna vermeld. </al></al-groep><al>Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                    rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                    meldingplichtig en vrij bouwen. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Wat is bouwvergunningvrij bouwen?</tussenkop><al-groep><al>Met de komst van de Wabo is ook de Woningwet ingrijpend gewijzigd.</al><al>Voor welke activiteiten geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist
                        staat in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit besluit is
                        gebaseerd op de Wabo en vervangt het Besluit bouwvergunningvrije en licht
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb).</al><al>Op hoofdlijnen omvat de verruiming van het vergunningvrije bouwen de
                        volgende onderdelen:</al><lijst><li><al>- De categorie lichte bouwvergunning komt te vervallen. Een
                                activiteit, zoals het bouwen, is nu vergunningvrij of
                                vergunningplichtig. ; </al></li><li nr=""><al>- De categorie ‘omgevingsvergunningvrije’ bouwwerken wordt verder
                                verruimd waarbij twee categorieën vergunningvrij bouwen worden
                                onderscheiden: 1. een categorie waarop de bebouwingsregeling van het
                                bestemmingsplan of de beheersverordening (of andere planologische
                                regelingen) wel van toepassing is (art. 3) en 2. een categorie
                                waarop de bebouwingsregeling van het planologisch regime niet van
                                toepassing is. Een en ander hangt samen met het in de Wabo opgaan
                                van planologische afwijkingsbesluiten; </al></li><li nr=""><al>- Alle uitbreidingen van en bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden
                                onder een nieuw begrip ‘bijbehorend bouwwerk’ gebracht; </al></li><li nr=""><al>- Vergunningvrij bouwen wordt mogelijk bij alle typen gebouwen (was
                                alleen bij woningen en woongebouwen); </al></li><li nr=""><al>- Vervallen maximale maatvoering van 2,5 m voor diepte van een aan-
                                of uitbouw; </al></li><li nr=""><al>- Bouwen in, aan, op of bij een monument blijft vergunningplichtig;
                            </al></li></lijst><al></al></al-groep><tussenkop>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Sinds 1965 is er hier te lande een Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht,
                    die – na een intussen verstreken overgangsperiode – voor het gebied buiten de
                    bebouwde kom een planologische regeling door middel van een of meer
                    bestemmingsplannen verplicht stelt. De stedenbouwkundige voorschriften van de
                    Bouwverordening zijn sindsdien enerzijds vooral van belang voor het gebied
                    binnen de toenmalige bebouwde kom en anderzijds ter eventuele aanvulling op de
                    voorschriften van het bestemmingsplan buitengebied. Binnen de toenmalige
                    bebouwde kom kunnen overigens op vrijwillige basis of vanwege de aanwezigheid
                    van een wettelijk beschermd monumentaal stads- of dorpsgezicht eveneens
                    bestemmingsplannen vigeren, in welk geval de stedenbouwkundige voorschriften van
                    de Bouwverordening ook binnen de desbetreffende delen van de bebouwde kom
                    slechts dienen ter eventuele aanvulling op de voorschriften van dergelijke
                    bestemmingsplannen. </al><al>Gezien het voorgaande was het in 1965 veelal wenselijk om een indeling van de
                    gemeente in zones te maken in de Bouwverordening, waardoor een zinvol
                    onderscheid kon worden gemaakt tussen de stedenbouwkundige voorschriften van de
                    toenmalige bebouwde kom en voor het destijds landelijk gebied. Het is praktisch
                    om een dergelijke zone-indeling aan te geven op een bij de Bouwverordening
                    behorende kaart. Een verwijzing naar het begrip ‘bebouwde kom’, zoals dat
                    voorkomt in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, lijkt niet
                    gewenst, omdat daaruit geen voldoende nauwkeurige begrenzing kan worden
                    afgeleid. De bedoelde, bij de Bouwverordening behorende kaart kan tevens worden
                    gebruikt om op overzichtelijke wijze de eventuele gebieden aan te duiden die
                    zijn vrijgesteld van welstandstoezicht. </al><al></al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Hoofdstuk 2 De aanvraag omgevingsvergunning</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al></al><al>De Invoeringswet Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) brengt onder meer
                    wijziging in de Woningwet. Dit heeft gevolgen voor de bouwverordening. De
                    bouwvergunning wordt omgevingsvergunning. </al><al>Omdat hoofdstuk 2 mede het toetsingskader vormt voor de omgevingsvergunning,
                    wordt dit hoofdstuk afgestemd op de Wabo.</al><al></al><al-groep><al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                        2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                        1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216).Deze wet houdt in dat na
                        ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning, door het college
                        wordt beoordeeld of omtrent de aanvrager een integriteitsadvies wordt
                        gevraagd bij het Bureau BIBOB. Dit bureau ressorteert onder het ministerie
                        van Justitie en is bevoegd om onderzoek te doen naar de antecedenten van de
                        aanvrager – zowel natuurlijke als rechtspersonen – en naar de herkomst van
                        de gelden waarmee het bouwproject wordt gefinancierd. Een negatief advies
                        kan voor het college aanleiding zijn de bouwvergunning te weigeren. Bijlage
                        1 bij het standaard formulier voor het aanvragen van een bouwvergunning
                        bevat een checklist. In deze checklist is vermeld dat het college de
                        aanvrager informeert of en zo ja, welke gegevens en bescheiden de aanvrager
                        dient in te dienen in verband met de Wet BIBOB. Het vragen van een advies
                        door het college is facultatief. Indien een advies bij het Bureau BIBOB
                        wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van de aanvraag om
                        bouwvergunning met acht weken op.</al><al>Op 15 september 2004 is de Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht
                        geworden, waarbij de artikelen 44a en 59 van de Wonw zijn gewijzigd. Zie
                        Stb. 2004, 320 en Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van
                        Justitie verstrekt informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie
                        tot de Wonw (070-3704600 of
                            <onderstreept>www.justitie.nl/bibob</onderstreept>). </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Voorwaarden voor bouwafval in de
                    bouwvergunning</tussenkop><al-groep><al>Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                        scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over
                        het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden
                        dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. </al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                        (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                        betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag
                        en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al-groep><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Bouwverordening hebben tot doel
                        te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel 2.4.1
                        bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel is een
                        uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een bodemonderzoek
                        wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt
                        aangeduid met de voorschriften uit de Wonw en de regeling
                        Omgevingsrecht.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                        beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                        2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te
                        lezen.</al><al></al></al-groep><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al-groep><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het
                        milieuhygiënisch bodemonderzoek eerst een vooronderzoek volgens NEN 5725
                        wordt uitgevoerd - ook wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van
                        het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling
                        van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de historie en de
                        bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht is, kan het bevoegd
                        gezag op basis van het derde lid besluiten af te wijken van de verplichting
                        tot het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Letter c richt zich
                        specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het bodemonderzoek
                        volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te onderzoeken.
                        Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld. </al></al-groep><al></al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>In plaats van de ontheffing, die voorheen in dit lid stond, is nu een
                    bevoegdheid tot het afwijken opgenomen. De afwijking vindt plaats door deze op
                    te nemen in de omgevingsvergunning. Er komt geen afzonderlijk besluit tot het
                    afwijken, geen beschikking. De omgevingsvergunning van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht is er immers op gericht alles in één brede
                    omgevingsvergunning te regelen. </al><al></al><al>Vierde lid </al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                    klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze categorie
                    betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Vijfde lid </tussenkop><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                    voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van deze
                    werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt gesignaleerd.
                    Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                    overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek tot
                    de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                    bouwvergunning</tussenkop><tussenkop>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 </tussenkop><al></al><al-groep><al>Hoofdstuk IV van de Woningwet is vervallen bij de Invoeringswet Wabo. Dit
                        betekent dat ook artikel 58 over de mededeling van een van rechtswege
                        verleende bouwvergunning is vervallen. Daarmee is de grondslag voor artikel
                        2.2.6 vervallen. Dit onderwerp is geregeld in artikel 3.9 van de Wabo. </al><al></al></al-groep><tussenkop>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In het derde
                        lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken deze
                        voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de
                        redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening
                        niet is toegestaan.</al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen, waartoe het bodemonderzoek behoort,
                        staan in de Regeling omgevingsrecht.</al><al>De structuur is als volgt:</al><lijst><li><al>- Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen moet
                                een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid worden
                                overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d. van de Regeling
                                omgevingsrecht. </al></li><li nr=""><al>- Artikel 4.4, lid 2 van het Bor bepaalt dat gegevens en bescheiden
                                waarover het bevoegd gezag reeds beschikt, niet opnieuw behoeven te
                                worden verstrekt. Dit geldt in beginsel ook voor gegevens die zijn
                                verstrekt in de periode dat de Wabo nog niet in werking was
                                getreden, en die als archiefbescheiden in bewaring worden gehouden
                                als bedoeld in artikel 3 van de Archiefwet 1995. Uit het algemene
                                bestuursrecht volgt dat het bevoegd gezag wel gehouden is de
                                volledigheid en actualiteit te toetsen van de gegevens en bescheiden
                                die de aanvrager niet bij de aanvraag verstrekt, omdat deze reeds in
                                het bezit van het bevoegd gezag zijn. </al></li><li nr=""><al>- Indien blijkt dat de ingediende bescheiden (waaronder het
                                bodemonderzoeksrapport) onvoldoende zijn en dit gebrek niet kan
                                worden opgelost door het stellen van een voorwaarde bij de
                                vergunningverlening, wordt de aanvrager overeenkomstig artikel 4:5
                                van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                                vullen. </al></li><li nr=""><al>- Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kan het
                                bevoegd gezag in een voorwaarde bij de omgevingsvergunning bepalen
                                dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten worden
                                verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens wordt
                                hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke gegevens
                                en bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.
                            </al></li></lijst><al>De gezondheidsrisico's voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Gelet op de uitgangspunten van de Woningwet, kan de
                        schade voor het milieu geen motief zijn voor de voorschriften in de
                        bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat.</al><al>Met de inwerkingtreding van de Wabo is dit onderscheid minder van belang.
                        Deze wet verenigt in een overkoepelend vergunningstelsel milieueisen, bouw-
                        en sloopeisen. Zie artikel 6.2, sub c van de Wabo.</al><al></al></al-groep><tussenkop>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</tussenkop><al>Wat verstaan moet worden onder "bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                    voortdurend mensen zullen verblijven" wordt in de Memorie van toelichting bij de
                    Wet tot wijziging van de Wonw inzake het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                    grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het betreft hier
                    bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde mensen verblijven,
                    bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten. Bij "enige tijd"
                    moet gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag.
                    Het gaat dus niet om een enkele keer twee of meer uren, maar om een meer
                    structureel (over een langere periode dan één dag) twee of meer uren verblijven
                    van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of kweken
                    van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                    nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                    waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd als
                    voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend
                    mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel eens mensen
                    aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het algemeen kort
                    durende werkzaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt die gebouwen nog
                    niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen. In
                    de Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr.5, p 6) wordt
                    naar aanleiding van kamervragen verder opgemerkt dat een recreatiewoning (in
                    termen van het Bouwbesluit een logiesverblijf) onder het begrip "voortdurend of
                    nagenoeg voortdurend verblijven van mensen" valt, terwijl dit niet geldt voor
                    een schuur of garage bij een woning. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Bouwwerken die de grond niet raken</tussenkop><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                    verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                    vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering of
                    het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden gepaard gaan
                    met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek worden
                    geëist.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                    bodemverontreiniging</tussenkop><al-groep><al>De systematiek van de Wonw gaat ervan uit dat het college het bevoegde gezag
                        is voor de vraag of bij niet-ernstige gevallen van bodemverontreiniging mag
                        worden gebouwd. Al dan niet onder de voorwaarde dat bepaalde voorzieningen
                        worden getroffen.</al><al>Indien in Zaanstad sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond
                        zijn Gedeputeerde Staten volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag
                        ten aanzien van de te nemen saneringsmaatregelen. </al></al-groep><al></al><tussenkop>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</tussenkop><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden kan
                    worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging geldt er
                    voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moet het college
                    beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen sprake is van een ernstig geval
                    van verontreiniging neemt echter niet weg dat toch sprake kan zijn van een
                    verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de
                    gebruikers van het bouwwerk. </al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                    aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                    bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het saneringsplan is
                    goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de bouwaanvraag. Ook in
                    deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend kunnen worden onder de
                    voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op grond
                    van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                    getroffen.</al><al></al><tussenkop>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><tussenkop>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan </tussenkop><al-groep><al>Op 1 juli 2008 trad de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking ter
                        vervanging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De Invoeringswet Wro
                        gaf aanleiding tot discussie over het al dan niet kunnen voortbestaan van
                        enkele stedenbouwkundige voorschriften uit paragraaf 2.5 van dit hoofdstuk.
                        Dit betreft het zgn. parkeerartikel (2.5.30), de toegangsweg (2.5.3; van
                        belang voor voertuigen van hulpverleningsdiensten om een bouwwerk te kunnen
                        bereiken) en de bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (2.5.4).
                        Twijfel bestaat of een even effectieve en flexibele regeling (parkeren) in
                        een bestemmingsplan kan worden gerealiseerd. Besloten is dat artikel 9.1.4,
                        vijfde lid van de Invoeringswet Wro vooralsnog niet in werking treedt. Het
                        gevolg hiervan is dat de stedenbouwkundige voorschriften van paragraaf 5 van
                        hoofdstuk 2 vooralsnog blijven bestaan. De artikelen 8, vijfde lid, 9 en 10
                        Woningwet blijven bestaan totdat het gemelde probleem is opgelost.</al><al>Het parkeren regelen in een bestemmingsplan is nu ook mogelijk. Gemeenten
                        die dit nu doen, kunnen hiermee door gaan. Voor zover planologische
                        onderwerpen zijn geregeld in een bestemmingsplan, treedt voor die
                        onderwerpen de bouwverordening terug (art. 9 Woningwet).</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de MBV. Sinds 1992 geeft
                        de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2 (slot): '..., tenzij
                        het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.' Het primaat ligt bij het
                        bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter eenvoudigweg van uit dat
                        bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft volstrekt duidelijk zijn.
                        Dit is echter niet altijd het geval. Indien er sprake is van onduidelijkheid
                        zal een en ander van geval tot geval bekeken moeten worden. Is een van deze
                        gevallen aan de orde, dan vullen de stedenbouwkundige bepalingen (inclusief
                        het afwijken hiervan) uit de bouwverordening het bestemmingsplan aan.</al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><lijst><li><al>a. bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of, </al></li><li nr=""><al>b. het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening
                                ten aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien of,
                            </al></li><li nr=""><al>c. de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met
                                de voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen. </al></li></lijst><al>Wet ruimtelijke ordening (Wro)</al><al>De Wro en de Invoeringswet Wro hebben gevolgen voor paragraaf 2.5. van de
                        bouwverordening. In de algemene toelichting bij hoofdstuk 2 onder Wro is
                        hierop ingegaan. In het bijzonder ten aanzien van de artikelen 3.5.3
                        (Bereikbaarheid bouwwerken voor wegverkeer; brandblusvoorzieningen), 2.5.3A
                        ( Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten) en 2.5.30 (parkeren)
                        wijzen wij op het uitstel van de inwerkingtreding van artikel 9.1.4, vijfde
                        lid Invoeringswet Wro. Zoals uit de eerder vermelde toelichting blijkt,
                        blijven deze artikelen vooralsnog in de Bouwverordening bestaan.</al></al-groep><table><tgroup cols="4" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="colA"></colspec><colspec colname="colB"></colspec><colspec colname="colC"></colspec><colspec colname="colD"></colspec><tbody valign="top"><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de Bouwverordening dan wel in
                    een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is geëist, dat
                    terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag voor een ander
                    gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze bepaling blijkt vooral
                    in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.5 Ligging van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al>Het bepaalde onder b varieert naar gelang van de zone waarin de weg is gelegen. </al><al></al><tussenkop>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al-groep><al>Het Besluit bouwwerken (= Besluit bouwvergunningvrije en licht
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken) wordt vervangen door het Besluit
                        omgevingsrecht (Bor), bijlage II.</al></al-groep><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="4*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="96*"></colspec><tbody><row><entry><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al-groep><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de mogelijkheid van ontheffing voor het geval, dat er een
                        bestemmingsplan in voorbereiding is.</al></al-groep><tussenkop>Eerste lid, onder b</tussenkop><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om vrijstelling te verlenen voor op het eigen
                    voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><tussenkop>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</tussenkop><al>Het Besluit bouwwerken (= Besluit bouwvergunningvrije en licht
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken) wordt vervangen door het Besluit
                    omgevingsrecht (Bor), bijlage II.</al><al-groep><al>Zie voor het bouwen over de weg overigens artikel 2.5.8. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte
                    van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur">Vierde lid, onder a</tussenkop><al>Onder deze vrijstelling kunnen bijvoorbeeld complexen van bij elkaar behorende
                    gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen vallen.</al><al><cursief>Vierde<vet></vet> lid, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terugliggende
                    zolderverdiepingen e.d.</al><tussenkop>Vierde lid, onder g</tussenkop><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                    ruim voorterrein vragen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie de figuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>zie ook de toelichtiing onder artikel 1.1 en 2.1.5. </al><tussenkop>Eerste lid, onder a</tussenkop><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                    achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                    dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel 2.5.21
                    de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van
                    de achtergevelrooilijn</tussenkop><al-groep><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens ook opgevat
                        worden als een - verboden - overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                        rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter vergunningvrije
                        bouwwerken bij wijze van uitzondering vergunningplichtig op grond van
                        artikel 5, Bijlage II van het Bor. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l. </al><al></al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al-groep><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op bijlage II van het Besluit
                        omgevingsrecht.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk vergunningvrij aangebracht kunnen worden artikel
                        2, Bijlage II van het Bor met overschrijding van de achtergevelrooilijn.
                        Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag om vergunning, is het
                        niet logisch om het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn
                        hierop van toepassing te laten zijn.</al><al>Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel 2.5.7.</al></al-groep><table><tgroup cols="3" char="" charoff="50" align="left"><tbody valign="top"><row><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                    overschrijding van de achtergevelrooilijn</tussenkop><al-groep><al>Naast de afwijkingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog de mogelijkheid tot afwijking in zeer speciale
                        gevallen.</al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op artikel 2, Bijlage II van het Bor. De
                        vermelding hiervan is vooral van belang om het misverstand dat de
                        bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken die vergunningvrij zijn,
                        uit te sluiten.</al><al>Wanneer ingevolge de bepalingen van dit artikel wordt afgeweken van het
                        verbod de achtergevelrooilijn te overschrijden, dient artikel 2.5.2 in acht
                        te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er
                        aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet
                        blijven.</al><al>Ad a en g</al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing.</al></al-groep><al>Onder j</al><al>Deze bepaling voorkomt dat op verdiepingsniveau achter de achtergevelrooilijn
                    wordt gebouwd. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en
                    woongebouwen</tussenkop><al-groep><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        "buitenruimte" in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                        voldoen aan het bepaalde in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrechtbepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                        voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen
                        van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel. </al></al-groep><tussenkop>Derde lid, onder b, sub 1</tussenkop><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><tussenkop>Derde lid, onder b, sub 2</tussenkop><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                    ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en het
                    gebouw overigens over voldoende "uitloop" beschikt, zou ontheffing van de
                    voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><tussenkop>Derde lid, onder b, </tussenkop><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een verbetering van de
                    bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte dan
                    volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van het
                    opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het gebouw
                    geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een verbetering van het
                    gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten worden afgewogen. Hiertoe zal
                    in het bijzonder aandacht moeten worden geschonken aan de functie van het erf
                    als onderdeel van de vluchtweg bij brand en aan de bereikbaarheid van het pand
                    door de brandweer.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</tussenkop><al>De diepte achter een erf is 5 meter. Dit betekent een gelijktrekking met tot
                    bewoning bestemde gebouwen. De vrijstellingsbevoegdheid maakt afwijking altijd
                    mogelijk.</al><tussenkop>Tweede lid, onder a en b</tussenkop><al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden gehouden
                    met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bij het hanteren van
                    de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt tussen de gevallen,
                    waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin geen woningen voorkomen
                    en een bouwblok waarin bijvoorbeeld naast bedrijfsgebouwen ook woningen
                    voorkomen. Indien de laatste omstandigheid zich voordoet zal de ontheffing
                    minder ver mogen gaan dan in het andere geval.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</tussenkop><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open ruimten
                    tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze aanleiding
                    tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel worden nageleefd
                    door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een tussenruimte van meer
                    dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan worden verleend, indien
                    de smalle open ruimte voldoende, bijvoorbeeld door een opening in de zijgevel
                    van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</tussenkop><al-groep><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een vergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, Bijlage II, Bor, althans indien de daarin vermelde beperkingen
                        ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden genomen. Hogere
                        erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de vergunningplicht en
                        behoeven derhalve preventieve toetsing aan de voorschriften van het
                        bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de bouwverordening. Eventueel
                        kan het bevoegd gezag op grond van het tweede lid van laatstgenoemd artikel
                        de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het verbod als bedoeld in
                        het eerste lid. Daarbij kan gedacht worden aan het bouwen van bijvoorbeeld
                        een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein dat geen erf,
                        behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                        beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al></al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                    ondergrondse hoofdtransportleidingen</tussenkop><al-groep><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het omgevingsvergunningplichtige
                        bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede
                        lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                        hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                        olie, chemische producten e.d. Het gehele artikel heeft alleen betrekking op
                        hoogspanningslijnen en hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een
                        omgevingsvergunning aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het
                        gebied van een bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat
                        bestemmingsplan dit niet uitsluiten of een andere regeling ter zake
                        bevatten; zie artikel 9 van de Wonw 1991.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre
                        het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                        toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd
                        als een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een
                        ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht
                        zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het
                        voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten
                        gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding.</al><al>Langs privaatrechtelijke weg heeft menige eigenaar / beheerder een recht van
                        opstal gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. Meestal betreft dit een gebied van 2 x 30
                        meter, dus een strook van 60 meter, waar niet mag worden gebouwd, met
                        uitzondering van bepaalde bouwwerken zoals installaties e.d.</al><al>Indien in het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft een
                        dergelijk recht van opstal is gevestigd - zie hiervoor het kadaster - dan
                        geldt de daarin vastgelegde afstand en heeft een geringere afstand in een
                        bestemmingsplan geen betekenis.</al><al>In veel bestemmingsplannen zijn voor uiteenlopende doeleinden zones
                        vastgelegd, die elkaar (deels) kunnen overlappen.</al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de
                    voorgevelrooilijn</tussenkop><al-groep><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Het stelsel is alleen voor
                        omgevingsvergunningplichtige bouwwerken bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste
                        meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                        aanvaardbare belemmeringshoeken voor de daglichttoetreding buiten
                        beschouwing gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen
                        lichtopbrengst leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke
                        vensterbankhoogte bevinden. (De belemmeringshoek in een stedenbouwkundig
                        (straat)profiel is te definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van
                        het beschouwde gebouw en de bovenkant van de tegenoverliggende
                        bebouwing.)</al><al>Er is wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de
                        bebouwde kom (belemmeringshoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringshoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de
                        bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een - soms gewenste - aanvullende werking van de onderhavige
                        Bouwverordeningsvoorschriften ten opzichte van vooral globale
                        bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is - in afwijking van de
                        MBV 1965 - in een verdere differentiatie voor de bebouwde kom voorzien,
                        zodat bijvoorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen grootstedelijke
                        binnenstadsgebieden (belemmeringshoek: 60 graden) en de overige delen van de
                        bebouwde kom. Zie figuur 14. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de
                    achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                    achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                    evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de voor
                    de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de achtergevelrooilijnen is.
                    Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen terreinen, die te ondiep zijn
                    voor twee tegenover elkaar gelegen bouwstroken, de tegenoverliggende
                    achtergevelrooilijn ontbreekt. De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn
                    treedt dan in de plaats van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn
                    (zie figuur 18).</al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of anderszins
                    - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in het verticale
                    vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde lid
                    voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                    binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                    krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten opzichte
                    van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het genoemde
                    bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover
                    een achtergevelrooilijn</tussenkop><al>Zie figuur 19.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                    achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de - op die zijgevel
                    aansluitende - voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                    verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing te
                    verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                    voorgevel.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                    achtergevelrooilijnen</tussenkop><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                    hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van
                    bouwwerken</tussenkop><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt - bij een in de woningbouw gebruikelijke
                    verdiepingshoogte - overeen met 5 à 5,5 bouwlaag. Indien wordt gebouwd op, bij
                    of aan een beschermd monument of een van rijkswege beschermd stad- en
                    dorpsgezicht, zijn normaliter bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van
                    uitzondering wel omgevingsvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6
                    van het Besluit bouwwerken Zie tevens artikel 2.5.28 sub m.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                    grenzende terreinen</tussenkop><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                    binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van
                    bouwwerken</tussenkop><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van "straatpeil".</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>De strekking van dit voorschrift is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk
                    bepaalde onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen
                    met overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                    uitmaken van de aanvraag om een omgevingsvergunning om te bouwen is het niet
                    logisch om het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van
                    toepassing te laten zijn.</al><al>Ad b</al><al>Deze niet-vantoepassingverklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen of te
                    veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting van een
                    bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de artikelen 2.5.20
                    t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, tenzij wordt afgeweken ingevolge artikel
                    2.5.28, onder f.2.</al><al></al><tussenkop>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                    bouwhoogte</tussenkop><al>De vermelding van artikel 3, onderdeel 7 en artikel 2, onderdelen 16 en 18 van
                    bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is vooral van belang om het
                    misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis zou hebben voor zaken, die als
                    vrij bouwen genoemd zijn in artikel 2.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor),
                    uit te sluiten.</al><tussenkop>Onder f, sub 1</tussenkop><al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft, dat
                    aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere voorschriften
                    hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan een gaaf
                    straatbeeld worden verkregen.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de
                    rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                    ruimtelijk beleid</tussenkop><al-groep><al>Artikel 2.5.29 Bouwverordening is, in relatie met de overige
                        stedenbouwkundige afwijkingen uit dit hoofdstuk, te vergelijken met de
                        relatie tussen enerzijds de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake
                        afwijking en anderzijds de afwijkingsregels die zijn gelegen buiten het
                        bestemmingsplan. Paragraaf 2.5 Bouwverordening is te beschouwen als een
                        bestemmingsplan vervangende regeling met derhalve ook de behoefte aan regels
                        inzake afwijking wanneer nieuw ruimtelijk beleid wordt voorbereid. Bedoeld
                        is een net zo eenvoudige afwijkingsregeling voor bouwen en gebruiken te
                        hebben voor de verplichtingen uit de stedenbouwkundige eisen van de
                        bouwverordening als van die uit een bestemmingsplan.</al><al>Sub a.</al><al>Wellicht ten overvloede is hier nogmaals vermeld dat deze bepaling alleen
                        van toepassing is indien er geen bestemmingsplan, beheersverordening of
                        projectbesluit van kracht is. Aangezien er dan geen strijd kan zijn met een
                        bestemmingsplan, vloeit uit art. 3.10 Wabo dat de reguliere procedure van
                        3.9 Wabo van toepassing is.</al><al>Sub b. aanhoudingsvoorwaarden uit art. 3.3 Wabo</al><al>De aanvraag om een omgevingsvergunning moet in een aantal gevallen worden
                        aangehouden. In art. 3.3 Wabo wordt bepaald wanneer daarvan sprake is. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval wanneer er geen reden is de aanvraag te weigeren,
                        maar er voor de dag van aanvraag een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage
                        is gelegd of een voorbereidingsbesluit in werking is getreden. In een
                        dergelijke situatie vervallen de stedenbouwkundige bepalingen uit de MBV,
                        waaronder deze.</al><al>Sub c. Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Voor een afwijking als bedoeld in dit artikel geldt zoals voor alle
                        besluiten de eis van een voldoende motivering (art. 3:46 Awb). Deze
                        motivering zal in het onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten
                        hebben op toekomstig planologisch beleid. Daarom is hier expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waar wordt afgeweken van de rooilijnen en van de
                        toegelaten bouwhoogte 'in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                        ruimtelijk beleid'.</al><al>'Vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid' is een mogelijkheid om de
                        afwijking te onderbouwen. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota.</al><al>Zoals uit het gestelde bij sub b. blijkt, vallen hieronder niet de situaties
                        zoals vermeld in art. 3.3 Wabo, zoals bijvoorbeeld een ter inzage gelegd
                        ontwerpbestemmingsplan. Ook een vastgesteld voorbereidingsbesluit voor
                        bijvoorbeeld een bouwlocatie kan daarom geen basis vormen.</al><al>Sub d.</al><al>De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.
                        Hierbij wordt aangesloten bij de terminologie dit wordt gebruikt en de
                        betekenis die daaraan wordt toegekend in de Wabo. Bij dat begrip wordt
                        rekening gehouden met milieu, cultuurhistorische, ecologische en natuurlijke
                        en landschappelijke waarden.</al><al>Voor wat betreft de milieuwaarden zijn de afstanden ten opzichte van
                        hinderveroorzakende activiteiten dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de VNG-publicatie 'Bedrijven en
                        milieuzonering'.</al><al>Sub e.</al><al>In het kader van een goede motivering wordt hier gevraagd om een goede
                        ruimtelijke onderbouwing. Ook hier is aangesloten bij de terminologie uit de
                        Wabo.</al><al></al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                    gebouwen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al> De afwijking wordt door het bevoegd gezag toegestaan in de te verlenen
                        omgevingsvergunning.</al><al>Wij gaan ervan uit dat aan de omgevingsvergunning en meer specifiek aan deze
                        afwijking financiële voorwaarden verbonden kunnen worden strekkende tot het
                        storten van geld in een parkeerfonds.</al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het
                        A, B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig
                        losgelaten. De Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet,
                        decentraal wat kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk
                        voor een voldoende en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties
                        voor bedrijven en voorzieningen en volgen hierbij de principes van het
                        integrale locatiebeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is
                        daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de decentrale
                        overheden.</al></al-groep><tussenkop kopopmaak="cur">Eerste lid </tussenkop><al>Het onderhavige voorschrift behelst de parkeernormen voor functies binnen de
                    gemeente. Er wordt verwezen naar de nota ‘Parkeernota’. Hierbij wordt aan de
                    hand van de locatie binnen Zaanstad en rekening houdend met de mate van
                    stedelijkheid een stedelijke zone bepaald. Hieraan zijn de normen gekoppeld.
                    Tevens wordt rekening gehouden met:</al><al>- uitwisselbaarheid (dubbelgebruik) van parkeervoorzieningen. De benodigde
                    parkeercapaciteit voor alle functies samen is lager dan de som van de
                    parkeerbehoefte per functie. Echter exclusieve parkeerplaatsen op eigen terrein,
                    bijvoorbeeld bij woningen zijn niet uitwisselbaar, daarom wordt de theoretische
                    capaciteit gecorrigeerd naar een gemiddelde praktische capaciteit.</al><al>- het principe ‘oud voor nieuw’ bij verbouw of functiewijziging. Dit betekent
                    dat een parkeerdruk die nu reeds op de openbare weg bestaat niet gecompenseerd
                    hoeft te worden. Wanneer parkeerplaatsen aan de openbare weg worden onttrokken,
                    dan dienen deze gecompenseerd te worden.</al><al>- een correctie voor bedrijfsvervoerplannen. De Gemeente Zaanstad hecht in het
                    Zaans Verkeer en Vervoerplan grote waarde aan het vervangen van autoverkeer door
                    alternatieven die minder belastend zijn. Gedragsbeïnvloeding,
                    mobiliteitsmarketing en mobiliteitsmanagement zijn hierbij belangrijke thema’s.
                    Een inzet van de gemeente op deze thema’s betekent ook dat aandacht van
                    bedrijven voor minder belasting door autoverkeer moet terug te vinden zijn in de
                    parkeereis.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                    niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van lid 1.
                    De verplichting in dit lid om een bepaald aantal parkeerplaatsen op eigen
                    terrein (of onder eigen dak) aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen
                    worden ontdoken door alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type
                    personenauto, respectievelijk het grootste type vrachtauto te maken. Een
                    bijkomende reden voor het opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de
                    wenselijkheid om de afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen
                    voor rolstoelgebruikers en stoklopers.</al><tussenkop>Derde lid </tussenkop><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                    voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw van
                    een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen, bijbehorende
                    opstelstrook voor vrachtauto's). Kiss en Ride zoals bij scholen is opgenomen in
                    het eerste lid.</al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Bedrijfsvervoerplannen hebben alleen effect op het parkeren bij een bedrijf
                    wanneer het bedrijf ook echt uitvoer geeft aan het plan. Om te voorkomen dat er
                    parkeerproblemen in de buurt van een bedrijf ontstaan wanneer het bedrijfsplan
                    een dode letter blijkt, kan de gemeente bij het in gebruik zijn van een pand nog
                    aanvullende eisen stellen.</al><tussenkop>Vijfde lid </tussenkop><al>Het onderhavige voorschrift behelst de fietsstallingsnormen voor functies binnen
                    de gemeente. Er wordt verwezen naar een landelijke leidraad van het nationaal
                    kennisplatform voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW).</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>De parkeernota levert een strak kader voor het beoordelen van bouwaanvragen. Dit
                    geeft weinig mogelijkheden om te kijken naar het bouwplan in relatie tot zijn
                    omgeving. In het huidige tijdsgewricht van economische crisis, waarin het
                    belangrijk is dat de gewenste ruimtelijke of maatschappelijke ontwikkelingen
                    doorgang vinden, is dit ongewenst. De bouwverordening en de parkeernota worden
                    zodanig aangepast dat ontheffingsmogelijkheden uit de nota benut kunnen worden.
                    Bovendien worden in de parkeernota de ontheffingsmogelijkheden duidelijk
                    gepositioneerd zodat deze ook zodanig toegepast kunnen worden.</al><al></al><tussenkop>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidsinstallaties</tussenkop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke
                    verordeningen "in wier onderwerp"door onder meer een algemene maatregel van
                    bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig
                    gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het bepaalde van paragraaf 2.6.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van
                    paragraaf 2.6 en die van de hierbij behorende bijlagen 10 tot en met 12 van
                    rechtswege vervallen.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><vet>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van
                        de bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerk</vet></tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel
                        vergunningvrij, als vergunningplichtig. </al><al>Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Wonw van kracht, waarin verplichtingen in
                        de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de
                        voorschriften uit de bouwverordening die van toepassing zijn op onder meer
                        het bouwen en het gebruik van een bouwwerk, standplaats of een open erf of
                        terrein. </al><al>Het verbod leidt in geval van niet-naleving van de voorschriften van de
                        bouwverordening tot een overtreding waartegen direct handhavend kan worden
                        opgetreden. Overtreding van een verbod van artikel 7b Wonw is per 1 april
                        2007 strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 2, van de Wet op de economische
                        delicten (WED). </al></al-groep><tussenkop>Structuur van de voorschriften</tussenkop><al-groep><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                        handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door
                        het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.2
                        tot en met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van
                        nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                        grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7
                        tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het
                        bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                        gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                        sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Wonw.</al><al>De veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein. </al></al-groep><tussenkop>Handhaving van de voorschriften</tussenkop><al-groep><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van
                        artikel 7b van de Wonw rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de algemene
                        toelichting bij Hoofdstuk 11. </al><al>Het niet verrichten van opmetingen, ontgravingen enz. als bedoeld in artikel
                        4.6 kan grond zijn voor het toepassen van bestuursdwang.</al><al>Criteria voor veiligheid en hinder gelden steeds voor de omgeving. Deze
                        bepalingen hebben geen betrekking op de arbeidsomstandigheden. Daarvoor
                        gelden andere regels en met de handhaving daarvan is de Arbeidsinspectie
                        belast. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><vet>Hoofdstuk 5 STAAT VAN OPEN ERVEN EN TERREINEN,
                        AANSLUITING OP DE NUTSVOORZIENINGEN EN HET WEREN VAN SCHADELIJKE EN
                        HINDERLIJK GEDIERTE</vet></tussenkop><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van artikel 13 Wonw dan wel het toepassen van bestuursdwang of het opleggen
                        van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden voor het in
                        werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden afgewogen of de
                        verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het alsnog opleggen
                        van een plicht tot het treffen van voorzieningen redelijk is. De artikelen
                        5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van
                        hoofdstuk 2, de aanvraag om bouwvergunning. Op die plek fungeren de eisen
                        als een toets voor aanvraag om bouwvergunning. De bepalingen van dit
                        hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een open erf of terrein
                        en niet op het gebruik daarvan.</al><al>Het gebruik van open erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7.</al><al>Zo sluit artikel 5.1.1 nauw aan bij artikel 7.3.2. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Paragraaf 2 Staat van
                    brandveiligheidsinstallaties</tussenkop><tussenkop>vervallen</tussenkop><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"></tussenkop><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><vet>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</vet></tussenkop><al>In artikel 122 van de Gemeentewet is bepaald dat de bepalingen van gemeentelijke
                    verordeningen "in wier onderwerp" door onder meer een algemene maatregel van
                    bestuur wordt voorzien van rechtswege zijn vervallen. Het Besluit brandveilig
                    gebruik bouwwerken (Stb. 2008,327) voorziet in het bepaalde van hoofdstuk 6.
                    Vanaf de inwerkingtreding van het besluit per 1 november 2008 is de inhoud van
                    hoofdstuk 6 en die van de hierbij behorende bijlagen 2 tot en met 5 van
                    rechtswege vervallen. </al><al></al><tussenkop><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Wonw (artikel 8, tweede lid) eist dat de Bouwverordening voorschriften bevat
                    over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens, andere gebouwen,
                    bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet noemt onderwerpen die in
                    elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen dus ook andere onderwerpen in
                    de Bouwverordening worden geregeld over het gebruik. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><vet>Hoofdstuk 8 Slopen</vet></tussenkop><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Algemeen</tussenkop><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, tweede
                    lid, onder d, van de Wonw, en van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit
                    hoofdstuk is een vergunningstelsel opgenomen voor het slopen. Aan de vergunning
                    kunnen voorschriften worden verbonden gericht op het specifieke sloopproject.
                    Het voornaamste motief voor een uitgebreide sloopregeling in de Bouwverordening
                    is gelegen in een bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk
                    hergebruiken van deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het
                    bouwafval staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop
                    verwijzen wij hier. </al><tussenkop>Asbest</tussenkop><al-groep><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het
                        Asbestverwijderingsbesluit gepubliceerd. Dit besluit is opgevolgd door het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 2005, 704 van 27 december 2005 en is
                        gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Wonw. Dit besluit
                        bevat regels voor de verwijdering van asbest bij het slopen van bouwwerken
                        en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit heeft voor zover het
                        betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking voor de burger. De
                        voorschriften van de Bouwverordening zijn wel bindend voor de burger.</al></al-groep><tussenkop kopopmaak="cur">Risicoklasse </tussenkop><al-groep><al>Bij Besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning. </al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd. </al></al-groep><tussenkop>Intensivering van de handhaving</tussenkop><al-groep><al>Langs verschillende kanalen wordt aangedrongen op een intensivering van de
                        handhaving van de sloopvoorschriften. Zie hiervoor onder meer: VNG
                        ledenbrief over Ketenhandhaving asbest van 12 februari 2007, Lbr. 07/07.
                        Ook: de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland : “Handreiking slopen.
                        Vergunningverlening, controle en handhaving”. Deze handreiking staat ook op
                        de site van deze vereniging: www.vereniging-bwt.nl </al><al>Voorts de VROM publicatie Uitvoeringsmethodiek Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 (UM Asbest). Hieraan werken mee het ministerie van VROM, de
                        VROM-Inspectie, het ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil, de
                        vereniging BWT Nederland, de VNG en het LOM. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het
                    slopen</tussenkop><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 8.1.2 Aanvraag omgevingsvergunning voor het
                    slopen</tussenkop><al>De aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt geregeld in hoofdstuk 4 van het
                    Besluit omgevingsrecht en de indieningsvereisten staan in artikel 7.2 van de
                    Regeling omgevingsrecht. Daarom vervalt dit artikel.</al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Zie de motivering onder artikel 8.1.2. Dit onderwerp wordt geheel beheerst door
                    de regelingen in de Awb, Wabo, Bor en Mor.</al><al></al><tussenkop>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</tussenkop><al-groep><al>Zie de motivering onder artikel 8.1.2. Dit onderwerp wordt geregeld in de
                        artikelen 3.9 en 3.10 van de Wabo.</al></al-groep><al-groep><al></al></al-groep><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</tussenkop><al>Artikel 8.1.5 is overbodig geworden, nu de Wabo met de omgevingsvergunning
                    voldoende voorziet in afstemming van bouwen en slopen. </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"></tussenkop><al-groep><al></al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"></tussenkop><al></al><al-groep><al></al></al-groep><al></al><al></al><tussenkop>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</tussenkop><tussenkop>De aanvraag</tussenkop><al>vervallen</al><tussenkop>De vergunning</tussenkop><al>vervallen</al><tussenkop>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</tussenkop><al-groep><al>vervallen </al></al-groep><tussenkop>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                    voorschriften</tussenkop><al>Het onderhavige artikel heeft betrekking op de door het Nederlands
                    Normalisatie-instituut (NNI) uitgegeven normen (NEN's), voornormen (NVN's) en
                    praktijkrichtlijnen (NPR's), alsmede op de - bij ministeriële regeling
                    gepubliceerde - Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van
                    werken (UAV). </al><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>Het niet naleven van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003, de
                        Bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota voor bestaande
                        bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan worden
                        opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 gaat nu voor alle bouwwerken
                        gelden (artikel 1b Wonw), voor de bouwverordening krijgt deze systematiek
                        vormt in artikel 7b Wonw en voor het welstandsvereiste voor bestaande bouw
                        volgt dit uit artikel 13a Wonw. Met het generieke handhavingsinstrumentarium
                        op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden afgedwongen dat het bouwen
                        of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats gaat voldoen aan
                        de betreffende voorschriften van het Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan
                        of de staat of het gebruik van een open erf of terrein in overeenstemming is
                        met de Bouwverordening en dat het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats
                        niet in ernstige mate strijdig is met redelijke eisen van welstand,
                        beoordeeld naar de criteria die zijn vastgelegd in de welstandsnota. Tenzij
                        sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met
                        zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                        tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt
                        gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit
                        dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van
                        het Bouwbesluit 2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk
                        of standplaats in strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de
                        staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die standplaats weer in
                        overeenstemming met die voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen
                        de daartoe gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan
                        overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van
                        bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van
                        de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen. </al><al>Tegen een handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb
                        in samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger
                        beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te
                        vragen). </al><al>Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                        toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                        sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                        mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van
                        artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden
                        tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen
                        van deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van
                        een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel
                        voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen
                        overeenkomstig artikel 5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met
                        bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er
                        immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                        toeneemt, waardoor het college mogelijk voor voldongen feiten wordt
                        geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de uitspraken
                        van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR 2003, 893).
                    </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><vet>Hoofdstuk 12 Straf-, overgangs- en
                        slotbepalingen</vet></tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Wonw juncto artikel 1a, onder 2o van de Wet op
                        de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de Bouwverordening
                        niet langer mogelijk.</al><al></al></al-groep><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze Bouwverordening
                        opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt
                        niet wanneer het college van mening is dat het eerder uitgevoerde
                        indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden aangemerkt.</al><al>Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent onderzoek, zie de
                        toelichting bij artikel 2.4.1 van de Bouwverordening. </al></al-groep><al></al><tussenkop kopopmaak="cur">Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                    gebruiksvergunning</tussenkop><al>vervallen</al><al></al><tussenkop>Artikel 12.6 Overgangsbepaling. </tussenkop><tussenkop>Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling of toestemming anderszins, die
                    is ingediend vóór het tijdstip waarop deze wijzigingsverordening van kracht
                    wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn de bepalingen van
                    de bouwverordening van toepassing, zoals deze luidden vóór de onderhavige
                    wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen geeft dat de gewijzigde
                    bepalingen worden toegepast.</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                        artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                        zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het
                        besluit in het gemeenteblad of in een andere door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde
                        verordening. </al><al>Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van artikel 140 van de
                        Gemeentewet kosteloos voor een ieder ter inzage te liggen op de
                        gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen
                        plaats.</al><al>De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na de
                        bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De raad kan echter een
                        ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen of het
                        college in de verordening de bevoegdheid geven om de inwerkingtreding van de
                        verordening op een nader tijdstip te bepalen. </al><al> Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking een
                        afschrift van de verordening te worden gezonden aan de inspecteur van de
                        Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente ligt; zie artikel 95
                        van de Wonw. </al></al-groep><al></al><tussenkop>Artikel 12.7 Slotbepaling</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de tweede dag na die waarop zij is
                            bekend gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de bouwverordening,
                            vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 20 november 2003 en alle daarin
                            aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Bouwverordening Zaanstad
                            2008'.</al><al></al></li></lijst><tussenkop kopopmaak="cur"></tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur"></tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur"> BIJLAGE 1 Toelichting verordening</tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur">(Behorend bij toelichting) </tussenkop><al></al><al>Figuren 1 t/m 19, behorende bij de stedenbouwkundige bepalingen, Hoofdstuk 2,
                    paragraaf 5.</al><al></al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 1" type="lijn" id="i310"></illustratie></plaatje></al><al>Figuur 1 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    c)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 2" type="lijn" id="i311"></illustratie></plaatje></al><al>Figuur 2 Voor verkeer vrij te houden hoogten (artikelen 2.5.7 en 2.5.8)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 3" type="lijn" id="i312"></illustratie></plaatje></al><al>Figuur 3 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste lid, onder
                    a)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 4" type="lijn" id="i313"></illustratie></plaatje>Figuur 4 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder a)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 5" type="lijn" id="i314"></illustratie></plaatje>Figuur 5 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder a)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 6" type="lijn" id="i315"></illustratie></plaatje>Figuur 6 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder b)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 7" type="lijn" id="i316"></illustratie></plaatje>Figuur 7 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder c)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 8" type="lijn" id="i317"></illustratie></plaatje>Figuur 8 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder c)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 9" type="lijn" id="i318"></illustratie></plaatje>Figuur 9 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder d)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 10" type="lijn" id="i319"></illustratie></plaatje>Figuur 10 Ligging van de achtergevelrooilijn (artikel 2.5.11, eerste
                    lid, onder e)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 11" type="lijn" id="i320"></illustratie></plaatje>Figuur 11 Teruglegging met het oog op de daglicht toetreding van
                    achtergevelrooilijn die een scherpe hoek met elkaar vormen (ingevolge artikel
                    2.5.11, tweede lid)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 12" type="lijn" id="i321"></illustratie></plaatje>Figuur 12 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                    Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><tussenkop>Binnen de bebouwde kom</tussenkop><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 13" type="lijn" id="i322"></illustratie></plaatje>Figuur 13 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                    Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.25).</al><tussenkop>Buiten de bebouwde kom</tussenkop><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 14" type="lijn" id="i323"></illustratie></plaatje>Figuur 14 Bouwhoogte in voor- en achtergevelrooilijn en daartussen.
                    Maximum bouwhoogte (artikelen 2.5.20, 2.5.21, 2.5.23 en 2.5.24, alternatief
                    2).</al><tussenkop>Binnen grootstedelijke delen van de bebouwde kom</tussenkop><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 15" type="lijn" id="i324"></illustratie></plaatje>Figuur 15 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde
                    lid, eerste alinea)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 16" type="lijn" id="i325"></illustratie></plaatje>Figuur 16 Bouwhoogte in de voorgevelrooilijn (artikelen 2.5.20, derde
                    lid, tweede alinea)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 17" type="lijn" id="i326"></illustratie></plaatje>Figuur 17 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.21,
                    tweede lid, eerste alinea)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 18" type="lijn" id="i327"></illustratie></plaatje>Figuur 18 Bouwhoogte in de achtergevelrooilijn (artikelen 2.5.20,
                    tweede lid, tweede alinea)</al><al><plaatje><illustratie formaat="gif" naam="Figuur 19" type="lijn" id="i328"></illustratie></plaatje>Figuur 19 Hoogte van een zijgevel tegenover een achtergevelrooilijn
                    (artikelen 2.5.22)</al><al></al><tussenkop>BIJLAGE 2 (behorend bij toelichting)</tussenkop><al>vervallen</al><tussenkop kopopmaak="cur"><noot type="voet"><noot.al> BIJLAGE 3 (behorend bij toelichting)</noot.al></noot></tussenkop><tussenkop>vervallen</tussenkop><tussenkop><noot><noot.al> BIJLAGE 4 (behorend bij toelichting)</noot.al><noot.al></noot.al></noot></tussenkop><tussenkop>vervallen</tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur">BIJLAGE 5 (behorend bij toelichting)</tussenkop><tussenkop kopopmaak="cur">Activiteiten samenhangende met slopen en
                    bedreigingen</tussenkop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="50*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="50*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col2"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopmethode</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen van
                                        bal)</al></entry><entry colname="col2"><al>-onvoldoende afstand tot gebouwen</al><al>-stof bij instorten</al><al>-overmatige trillingen</al><al>-ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op lengterichting
                                        met als gevolg breuk)</al></entry><entry colname="col2"><al>-stof bij instorten</al><al>-wegspatten dommekracht (hefboom)</al><al>-ongecontroleerd instorten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                        stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen; o.a.
                                        explosieven)</al></entry><entry colname="col2"><al>-rondvliegend puin</al><al>-opslag e.d.</al><al>-trillingen</al><al>-stofproductie</al><al>-verzakkingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Afhijsen (knijpen)</al></entry><entry colname="col2"><al>-vallend materiaal/onvoldoende afstand</al><al>-omvallen kraan/maximum hijslast</al><al>-afbreken hijslast</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al></entry><entry colname="col2"><al>-kantelen trekapparatuur</al><al>-stapelen palen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Overige methoden</al></entry><entry colname="col2"><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al dan
                                        niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien het
                                        bouwhek niet ver genoeg staat puin, gereedschap e.d. buiten
                                        het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry colname="col2"><al>-aan- en afvoer</al><al>-op- en afbouw</al><al>-afbreken hijslast of delen daarvan</al><al>-omvallen kraan</al><al>-overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject</al></entry><entry colname="col2"><al>-omvallende bouwdelen</al><al>-wegspattend/vallend puin en gereedschap</al><al>-verontreinigd sloopmateriaal</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopterrein</al></entry><entry colname="col2"><al>-afkalven instorten bouwputten</al><al>-opslag van materialen en materieel</al><al>-onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en –sleuven</al></entry><entry colname="col2"><al>-instorten/afkalven bouwputten en sleuven</al><al>-onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheidsaspecten reeds afgedekt: p-bladen
                                        arbeidsinspectie en APV’s </al></entry></row></tbody></tgroup></table><tussenkop>BIJLAGE 6 (behorend bij toelichting)</tussenkop><tussenkop>Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten behoeve van
                    de opsteller van het sloopveiligheidsplan</tussenkop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="13*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="19*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="26*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="42*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col2"><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijke maatregelen</al><al>(bron-, pad- en objectgericht)</al></entry><entry colname="col4"><al>Aanbevelingen</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Belendingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry colname="col3"><al>construtief scheiden</al><al>trillingsarm slopen (in extremo: met de hand)</al><al>sturen/stempelen bouwputten en sleuven</al><al>gecontroleerd bemalen</al><al>voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouw muren en
                                        funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruikers</al></entry><entry colname="col3"><al>trillingsarm slopen</al><al>stofarm slopen</al><al>slopen op bepaalde dagen/tijden</al><al>in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al><al>rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal, zoals
                                        asbest</al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry colname="col3"><al>vrijhouden/toegankelijk houden van belendende gebouwen</al><al>aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                        verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        veiligheid</al><al>Zie ook gebruikers belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met betrekking
                                        tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voor bestaande
                                        situaties. Voor mogelijke maatregelen en aanbevelingen zie
                                        “belendingen”.</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        veiligheid en gezondheid.</al><al>Zie ook gebruikersbelendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Gebruikersfuncties resterende constructie (school,
                                        ziekenhuis, e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat betreft
                                        bruikbaarheid.</al><al>Zie ook gebruikersfuncties belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al>Infrastructuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry colname="col3"><al>aangepaste sloopmethode</al><al>stutten</al><al>beschermen (afdekken)</al><al>afsluiten</al><al>omleggen</al><al>hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende nutsbedrijven.</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantaarnpalen e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>beschermen</al><al>afsluiten</al><al>verwijderen</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al><al>aangepaste sloopmethode</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                        e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col2"><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijke maatregelen (bron-, pad- en objectgericht)</al></entry><entry colname="col4"><al>Aanbevelingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeers-</al><al>situatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry colname="col3"><al>afdoende afgrenzen sloopterrein</al><al>uitstekers (valschermen)</al><al>voetgangerstunnels</al><al>afzetten weggedeelte met hekwerk</al><al>(tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties:</al><al>verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Overig werkverkeers (openbaar vervoer, auto’s)</al></entry><entry colname="col3"><al>afdoende afgrenzen sloopterrein</al><al>vrijhouden waarborgen veiligheid bovenleidingen
                                        trolleys</al><al>uitstekers</al><al>afzetten weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complete situaties:</al><al>verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer en ziekenauto’s e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>vrijhouden weg</al><al>aangepaste sloopmethode</al><al>beperken overige verkeerssituaties</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complete situaties:</al><al>verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties en
                                        gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Spoorwegen</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met NS</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Scheepvaart</al></entry><entry colname="col3"><al></al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS, provincie,
                                        waterschap, gemeente)</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Bijzondere omstandig-</al><al>heden</al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders</al></entry><entry colname="col3"><al>aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen</al><al>afzetten wegen</al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>afzetten weg</al><al>ontruimen belendende percelen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen</al></entry><entry colname="col3"><al>extra afscheiding</al><al>verscherpt toezicht</al></entry><entry colname="col4"><al></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al></al><tussenkop kopopmaak="cur"><noot><noot.al> Bijlage 10 <vet>Handreiking voor de visuele inspectie van woningen
                                en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van
                                asbest</vet></noot.al></noot></tussenkop><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm
                    voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door
                    slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd
                    afnemen.) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="24*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="31*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="16*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="29*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Product </al></entry><entry colname="col2"><al>Mogelijk toegepast in </al></entry><entry colname="col3"><al>Mate waarin het is toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Uiterlijk </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                        ‘wafelstructuur' </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij </al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats </al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                        geëmailleerde of gespoten coating </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak </al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal dunner
                                        dan betonnen bak </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                        inpandige kasten </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien </al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien </al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer </al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                        zichtbaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colnum="1" colname="col1" colwidth="23*"></colspec><colspec colnum="2" colname="col2" colwidth="29*"></colspec><colspec colnum="3" colname="col3" colwidth="21*"></colspec><colspec colnum="4" colname="col4" colwidth="27*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in oude
                                        haarden en allesbranders </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig </al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk </al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds </al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks </al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board </al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                        trapbeschot </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton </al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering </al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag
                                    </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting tabel </al><al>Herkennen van asbest </al><al-groep><al>Alleen in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld
                        of een materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen
                        herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt
                        daarbij. Dit overzicht is niet volledig. </al><al>Voor de herkenning van vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de
                        volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan de volgende informatie
                        worden gegeven: </al></al-groep><al-groep><al>- Asbesthoudende vinylvloertegels </al><al>Tot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie. </al></al-groep><al-groep><al>- Asbesthoudende vinylvloerbedekking </al><al>Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen. </al><al>Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking
                        van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een
                        doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen
                        met een harde, ruwe onderzijde met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals
                        linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine, harige onderzijde; soepel
                        zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of foam (schuim). </al><al>Ten slotte is het van belang het volgende te weten: Toepassing en verkoop
                        van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983 is vrijwel geen
                        losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook asbestvrije
                        cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                        gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT
                        aan de onderzijde van de plaat. </al></al-groep><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>