<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR53987_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ouder-Amstel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad voor Ouder-Amstel 30/12/2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren gemeente Ouder-Amstel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet investeren in jongeren, artikelen 12, eerste lid, onder b en 41, eerste lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-12-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/53</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Investeren in Jongeren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ouder-Amstel,</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 november
                        2009, nummer 2009/53,</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet en de artikelen 12, eerste
                        lid, onderdeel b en 41, eerste lid, van de Wet investeren in jongeren; </al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van uitkeringen van
                        jongeren van 18 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar bij wijze van
                        sanctie bij verordening te regelen; </al><al><vet>s t e l t v a s t :</vet></al><al>de “Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren”.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet investeren in jongeren (WIJ); </al></li><li nr="b."><al>WIJ-norm: de op grond van hoofdstuk 4 van de wet op de
                                            jongere van toepas- sing zijnde norm, vermeerderd of
                                            verminderd met de op grond van dat hoofd stuk door het
                                            college vastgestelde verhoging of verlaging;</al></li><li nr="c."><al>maatregel: de verlaging van de inkomensvoorziening op
                                            grond van artikel 41, eerste lid WIJ; </al></li><li nr="d."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag dat als gevolg van
                                            het niet of niet be- hoorlijk nakomen van een
                                            inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als
                                            inkomensvoorziening of werkleeraanbod op grond van de
                                            wet; </al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente Ouder- Amstel;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder benadelingsbedrag:
                                    de kosten van het werkleeraanbod.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Afstemming </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 42 van de wet, verlaagt het college,
                                    overeenkomstig deze verordening, het bedrag van de aan de
                                    jongere toegekende inkomensvoorziening, indien de jongere naar
                                    het oordeel van het college de op hem rustende verplichtingen,
                                    bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet, of de uit artikel 30c, tweede
                                    lid of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                    werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen, niet of
                                    onvoldoende nakomt, dan wel zich jegens het college zeer ernstig
                                    misdraagt. </al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere en
                                    kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                    maatregelen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de voor de jongere van toepassing zijnde
                            WIJ-norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het bedrag
                            waarmee de inkomensvoorziening wordt verlaagd en, indien van toepassing,
                            de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de jongere in de
                                    gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. </al></li><li nr="2."><al>Het horen van de jongere kan achterwege worden gelaten indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; </al></li><li nr="b."><al>de jongere reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voo rgedaan;
                                        </al></li><li nr="c."><al>de jongere niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                            college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 11, vierde lid, van de wet,
                                            werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed,
                                            om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                            verstrekken als bedoeld in artikel 44 van de wet; of
                                        </al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 41, tweede lid, van de wet, ziet het
                                    college af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlich tingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                            inkomensvoorziening is verleend. Een maatregel wegens
                                            schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd
                                            na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging
                                            heeft plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>het college dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt de jongere daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de kalendermaand
                                    volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de
                                    maatregel aan de jongere is bekendgemaakt. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met
                                    terugwerkende kracht worden opgelegd, voorzover de ingangsdatum
                                    daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging
                                    komt te liggen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                    opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen
                                    maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                    maatregel opgelegd. </al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen,
                                    wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel
                                    opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij
                                    dit gelet op artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>HET NIET NAKOMEN VAN DE VERPLICHTINGEN BEDOELD IN ARTIKEL 45 VAN DE
                            WET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van de jongere inhoudende het niet of onvoldoende nakomen
                            van de verplichtingen bedoeld in artikel 45 van de wet, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen van een plan
                                            met betrekking tot de arbeidsinschakeling, waaronder
                                            begrepen het onvoldoende meewerken aan een onderzoek
                                            naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="b."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke
                                            behandeling van medische aard.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met door de
                                            jongere te verrichten algemeen geaccepteerde arbeid, die
                                            het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid belemmeren; </al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het behoud of
                                            bevorderen van de arbeidsbekwaamheid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan activiteiten of
                                            werkzaamheden, gericht op de arbeidsinschakeling; </al></li><li nr="d."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten
                                            naar beste vermogen te verrichten. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de eerste
                                            categorie; </al></li><li nr="b."><al>20 procent van de WIJ-norm bij gedragingen van de tweede
                                            categorie. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het vorige lid kan de duur van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                    maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan
                                    af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6,
                                    tweede lid. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling
                            gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de
                                    wet, niet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of
                                    uitvoeren van het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot
                                    een te hoog bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt
                                    een maatregel opgelegd van 5 procent van de WIJ-norm, </al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel bedoeld in het eerste lid wordt
                                    vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid kan de hoogte van de maatregel
                                    worden verdubbeld, indien de jongere zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt
                                    opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan
                                    te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                    opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien
                                    op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                    lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Schending inlichtingenplicht met benadeling
                            gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de
                                    wet heeft geleid tot het ten onrechte toekennen of uitvoeren van
                                    het werkleeraanbod of tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                    bedrag verlenen van de inkomensvoorziening, wordt de maatregel
                                    afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. </al></li><li nr="2."><al>De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende
                                    wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 20
                                    procent van de WIJ-norm; </al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 30 procent
                                    van de WIJ-norm;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40 procent
                                    van de WIJ-norm;</al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100 procent
                                    van de WIJ-norm. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="4."><al>Van een maatregel wordt afgezien: </al><lijst><li nr="a."><al>zodra ter zake van de gedraging strafvervolging is
                                            ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                            aanvang heeft genomen; </al></li><li nr="b."><al>zodra het recht tot strafvervolging is vervallen,
                                            doordat het Openbaar Ministerie een schikking met
                                            belanghebbende heeft getroffen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>ZEER ERNSTIGE MISDRAGINGEN Artikel 13</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien de jongere zich tegenover het college of zijn ambtenaren
                                    zeer ernstig misdraagt als bedoeld in artikel 41, eerste lid van
                                    de wet, wordt een maatregel opgelegd van 40% van de WIJ-norm.
                                </al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt
                                    vastgesteld op een maand. </al></li><li nr="3."><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan,
                                    indien sprake is van verbaal geweld, worden afgezien en worden
                                    volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing,
                                    tenzij het verbale geweld plaatsvindt binnen een periode van
                                    twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de jongere
                                    een schriftelijke waarschuwing in verband met ernstige
                                    misdragingen is gegeven. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel worden opgel
                                    egd van 100 procent van de WIJ-norm, indien binnen twaalf
                                    maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                    als bedoeld in het eerste lid, is opgelegd, sprake is van
                                    eenzelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een
                                    besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld
                                    het besluit om af te zien van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede
                                    lid. In afwijking van het tweede lid wordt de maatregel
                                    vastgesteld op de periode dat de jongere van het recht op een
                                    werkleeraanbod is uitgesloten, als bedoeld in artikel 22, eerste
                                    lid van de wet. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN Artikel 14</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 oktober 2009. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening Wet
                            investeren in jongeren gemeente Ouder-Amstel. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ouder-Amstel, 17 december 2009</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.J. Heijlman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>M.T.J. Blankers-Kasbergen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting maatregelenverordening WIJ </tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en de inkomensvoorziening </tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 treedt de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het
                    uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                    kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor
                    zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is verplicht een werkleeraanbod en eventueel een inkomensvoorziening
                    aan te bieden, de jongere is daar tegenover verplicht zich te houden aan diverse
                    verplichtingen. Wo rden deze verplichtingen geschonden, dan dient de
                    inkomensvoorziening verlaagd te worden. Die verlaging geschiedt conform de
                    regels die in een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd. Dat is de
                    Maatregelverordening. </al><tussenkop>Reikwijdte Maatregelverordening WIJ </tussenkop><al>De reikwijdte van de Maatregelverordening WIJ is beperkter van aard dan die van
                    de WWB. Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening kunnen minder
                    uiteenlopende verplichtingen verbonden worden dan aan de bijstand. Het scala is
                    beperkter van aard. De verplichtingen die op grond van artikel 41 WIJ kunnen
                    worden gesanctioneerd betreffen de inlichtingen-, medewerkings- en
                    identificatieplicht (artikel 44 WIJ). Daarnaast is sanctie mogelijk voor een
                    aantal concreet benoemde verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en de
                    totstandkoming en tenuitvoerlegging van een werkleeraanbod (artikel 45 WIJ). </al><al>Een ander verschil tussen de WIJ en de WWB is dat de inkomensvoorziening niet
                    verlaagd kan worden als de jongere zich schuldig maakt aan tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan. Dit is het geval
                    wanneer de jongere een aanvraag voor een werkleeraanbod doet omdat deze
                    verwijtbaar werkloos is geworden of onverantwoord heeft ingeteerd op vermogen.
                    Duurzame arbeidsparticipatie is in deze gevallen belangrijker dan het als
                    maatregelwaardig aanmerken van de bovengenoemde gedragingen.</al><tussenkop>Verlagen is maatwerk </tussenkop><al>De gemeenteraad stelt de regels over het verlagen van de inkomensvoorziening.
                    Het college is belast met het op maat verlagen van de inkomensvoorziening. De
                    maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de jongere. Het uitgangspunt wordt
                    gevormd door de regels die door de gemeenteraad zijn gesteld. In de
                    Maatregelverordening zijn de gedragingen die een schending van de verplichtingen
                    opleveren genormeerd. Die normering is echter niet absoluut. Zowel in de ernst
                    van de gedraging als de mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de
                    jongere kan aanleiding worden gevonden om van de standaardmaatregel af te
                    wijken. Ontbreekt elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het college zonder meer
                    verplicht om van verlaging af te zien. Vanwege het karakter van de
                    inkomensvoorziening als minimuminkomen is tevens bepaald dat binnen drie maanden
                    heroverweging van de verlaging plaatsvindt. Daarmee wordt gewaarborgd dat de
                    verlaging afgestemd blijft op de omstandigheden van de jongere waardoor deze
                    niet onaanvaardbaar lang over een te laag inkomen blijft beschikken. </al><tussenkop>Berekeningsgrondslag en duur van de maatregel </tussenkop><al>De maatregel wordt in deze verordening toegepast op de toepasselijke WIJ-norm.
                    De reguliere duur van de maatregel is een maand. Er kunnen ter zake ook andere
                    keuzes gemaakt worden. </al><al>Bij recidive geldt als regel dat deze duur verdubbeld wordt. Voor schending van
                    de inlichtingenplicht is dit opengelaten, zodat ook eenvoudig gekozen kan worden
                    voor verdubbeling van het percentage. </al><tussenkop>De term 'maatregel'</tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening op grond van het feit dat de
                    belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen,
                    wordt in de WIJ aangeduid als het verlagen van de inkomensvoorziening.
                    Gebruikelijk is echter de term ‘maatregel’. Daarmee wordt niet alleen
                    aangesloten bij het spraakgebruik dat ook binnen de bijstandspraktijk gangbaar
                    is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. </al><tussenkop>Verlaging of intrekking inkomensvoorziening? </tussenkop><al>Aan het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening zijn verplichtingen verbonden
                    voor de jongere. Tegenover het recht op een werkleeraanbod en evt.
                    inkomensvoorziening staat de verplichting om mee te werken aan de totstandkoming
                    daarvan. Ook dient de jongere naar beste vermogen mee te werken aan het
                    werkleeraanbod zodra dat vastgesteld is. Daarnaast geldt een inlichtingen-,
                    medewerkings- en identificatieplicht. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in
                    artikel 44, respectievelijk 45 van de WIJ. </al><al>Komt de jongere een aan het werkleeraanbod verbonden verplichting verwijtbaar
                    niet na, dan staan diverse instrumenten ter beschikking van de gemeente.
                    Onderscheid kan worden gemaakt tussen de verschillende fasen waarop de
                    verplichtingen betrekking hebben. </al><tussenkop>Aanvraagfase </tussenkop><al>Als de jongere in het geheel niet meewerkt aan het opstellen van een plan voor
                    zijn arbeidsinschakeling en zo zijn arbeidsinschakeling belemmert, dan doet het
                    college de jongere geen werkleeraanbod. Bijgevolg heeft de jongere, zolang hij
                    niet wenst te voldoen aan die verplichting, geen recht op inkomensvoorziening.
                    Dit geldt ook voor andere gedragingen van de jongere waaruit kan worden afgeleid
                    dat deze de aan het werkleeraanbod verbonden verplichtingen niet wil nakomen. Is
                    sprake van een minder ernstige schending van de verplichtingen m.b.t. de
                    totstandkoming van het werkleeraanbod, dan kan na toekenning van een
                    werkleeraanbod de eventuele inkomensvoorziening verlaagd worden conform de
                    gemeentelijke Maatregelverordening. Zo is het denkbaar d at de jongere wel wil
                    meewerken, maar dat de medewerking onvoldoende is. In dat geval kan een
                    maatregel aan de orde komen.</al><tussenkop>Van toekenning tot tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere wel mee aan de totstandkoming van een werkleeraanbod maar
                    weigert hij dit aanbod na ontvangst van de toekenningsbeschikking, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken. Door de weigering bestaat geen recht op een
                    inkomensvoorziening. Het werkleeraanbod kan daarnaast ook worden herzien of
                    ingetrokken als de jongere één of meerdere verplichtingen schendt die specifiek
                    betrekking hebben op de voorbereiding op en uitvoering van het werkleeraanbod.
                    Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het nalaten een behandeling van medische aard
                    te ondergaan, of het stellen van onredelijke eisen m.b.t. de te verrichten
                    werkzaamheden. Met de intrekking van het werkleeraanbod vervalt automatisch het
                    recht op. Bij een herziening blijft de inkomensvoorziening in stand. </al><al>Een andere sanctie op dergelijk gedrag is dat het werkleeraanbod wel in stand
                    blijft maar de inkomensvoorziening verlaagd wordt. Het college dient te kiezen
                    welke weg bewandeld wordt: ofwel de intrekking van werkleeraanbod en
                    inkomensvoorziening, ofwel het handhaven van het werkleeraanbod en verlaging van
                    die voorziening. </al><al>Het past in het systeem van de WIJ om bij minder ernstige gedragingen tot
                    verlaging van de inkomensvoorziening te besluiten en bij ernstiger gedrag,
                    bijvoorbeeld waar sprake is van schending van meerdere verplichtingen of van
                    herhaald gedrag, het werkleeraanbod in te trekken. Het is immers in de geest van
                    de regeling om, met het oog op duurzame arbeidsparticipatie, een werkleeraanbod
                    niet te snel in te trekken. </al><tussenkop>Vanaf de tenuitvoerlegging </tussenkop><al>Werkt de jongere onvoldoende mee aan de feitelijke uitvoering van het
                    werkleeraanbod, dan kan de evt. inkomensvoorziening worden verlaagd. Daarnaast
                    vervalt het recht op inkomensvoorziening als uit de houding en gedragingen van
                    de jongere ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat deze de verplichtingen die aan
                    het werkleeraanbod zijn verbonden in het geheel niet wil nakomen. Voorts kan het
                    werkleeraanbod worden herzien of ingetrokken als de jongere één van die
                    verplichtingen niet nakomt. Vindt intrekking plaats dan vervalt daarmee, zoals
                    gezegd, tevens het recht op inkomensvoorziening. <vet>Relatie met Verordening
                        </vet><vet>Werkleeraanbod</vet> De verordening Werkleeraanbod en de
                    Maatregelverordening vormen twee kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ
                    legt het college plicht op om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het
                    werkleeraanbod wordt door de verordening Werkleeraanbod gefaciliteerd.
                    Anderzijds staat daar wel tegenover dat de jongere verplicht is het aanbod te
                    aanvaarden en de verplichtingen die aan het werkleeraanbod zijn gekoppeld na te
                    leven. Komt de jongere die verplichtingen niet na, dan vormt de
                    Maatregelverordening het kader voor verlaging van de inkomensvoorziening. Beide
                    verordeningen slui ten dus op elkaar aan. </al><tussenkop>DE VERPLICHTINGEN DIE TOT EEN MAATREGEL KUNNEN LEIDEN </tussenkop><al>De verplichtingen die aan het werkleerrecht en de inkomensvoorziening je gens
                    het college zijn verbonden zijn de volgende: </al><al>• de inlichtingenplicht (artikel 44, eerste lid, WIJ) </al><al>• de medewerkingsplicht (artikel 44, tweede lid, WIJ) </al><al>• de identificatieplicht (artikel 44, derde lid, WIJ) </al><al>• verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het werkleeraanbod </al><al>Daarnaast heeft de jongere bij zijn aanvraag om een werkleeraanbod ook een
                    inlichtingenplicht jegens UWV WERKbedrijf, die bij schending ook tot het
                    opleggen van een maatregel kan leiden (artikel 41, eerste lid, WIJ). </al><tussenkop>Schending inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht </tussenkop><al>Schending van de verplichtingen genoemd in artikel 44 WIJ verplicht in beginsel
                    tot verlaging van de inkomensvoorziening. De hier genoemde verplichtingen
                    betreffen de inlichtingen- medewerkings- en identificatieplicht. Voor de twee
                    laatstgenoemde verplichtingen geldt dat schending van deze verplichtingen ertoe
                    leidt dat het recht op werkleeraanbod en op inkomensvoorziening niet kan worden
                    vastgesteld. De aanvraag wordt daarom afgewezen, beëindigd of ingetrokken. In
                    deze verordening zijn ze niet als ‘maatregelwaardige’ gedragingen aangemerkt. </al><al>Schending van de inlichtingenplicht heeft zowel betrekking op de
                    inkomensvoorziening als het werkleeraanbod en ziet toe op de informatieplicht
                    van de jongere jegens het college en UWV WERKbedrijf. Er is voor gekozen om de
                    hoogte van de maatregel te relateren aan de mate van benadeling van de gemeente.
                    Hoe hoger de benadeling, hoe zwaarder de maatregel. </al><tussenkop>Schending van de verplichtingen m.b.t. de arbeidsinschakeling en het
                    werkleeraanbod </tussenkop><al>In artikel 45 WIJ zijn de verplichtingen omschreven die betrekking hebben op de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en de tenuitvoerlegging van het
                    werkleeraanbod. Deze verplichtingen gelden van rechtswege vanaf het moment dat
                    de aanvraag voor een werkleeraanbod wordt ingediend. Schending van één van deze
                    verplichtingen dient te leiden tot verlaging van de eventuele
                    inkomensvoorziening. Bij het categoriseren van de gedragingen is gekozen voor
                    aansluiting bij de WWB. </al><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Het betreft gedragingen die in het maatschappelijk verkeer in alle gevallen als
                    onacceptabel worden beschouwd. Er is sprake van agressief gedrag jegens het
                    college en bij de uitvoering van de WWB betrokken personen. Het agressieve
                    gedrag is aan de belanghebbende toe te rekenen. Een wegens dergelijk gedrag
                    opgelegde verlaging van de bijstand c.q. inkomensvoorziening dient te worden
                    aangemerkt als punitieve (bestraffende) sanctie en op het college rust de
                    bewijslast om voldoende aannemelijk te maken dat van agressie in de zin van de
                    genoemde bepaling sprake is geweest. </al><al>Bezondigt de jongere zich herhaaldelijk een zeer ernstige misdragingen, dan kan
                    het college de jongere tijdelijk uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod.
                    Een dergelijk besluit moet uiterlijk binnen een maand heroverwogen worden. </al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING </tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><tussenkop>Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als in de WIJ. De term ‘WIJ-norm’ wordt in deze verordening gebruikt.
                    Daarmee wordt bedoeld de van toepassing zijnde norm, inclusief
                    toeslag/verlaging. Het equivalent in de WWB, de bijstandsnorm is in de WIJ niet
                    opgenomen. </al><al>Er is een omschrijving van het begrip ‘benadelingsbedrag’ gegeven, omdat dit
                    begrip uitgangspunt is bij het bepalen van de hoogte van de maatregel die
                    verbonden is aan schending van de inlichtingenplicht. Onder benadelingsbedrag
                    wordt zowel de ten onrechte verstrekte uitkering verstaan als ook het
                    werkleeraanbod. </al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><tussenkop>Afstemming </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Herhaald is de wettelijke grondslag voor het opleggen van een maatregel (artikel
                    41, eerste lid, WIJ). Verwezen wordt naar artikel 42 WIJ om aan te geven dat de
                    imperatief voorgeschreven verlaging middels een maatregel niets afdoet aan
                    intrekking van de inkomensvoorziening vanwege intrekking van het werkleeraanbod.
                    Als daartoe wordt besloten dan is verlaging vaak niet meer aan de orde. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                    leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de jongere
                    en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling betekent dat het college bij elke
                    op te leggen maatregel moet nagaan of afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Hierbij wordt gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken jongere. Afwijking van de
                    standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. De
                    afwijking kan gebaseerd zijn op de ernst van de gedraging en/of de mate van
                    verwijtbaarheid en/of de omstandigheden van de jongere. </al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn: </al><al>• bijzondere financiële omstandigheden van de jongere, zoals bijvoorbeeld hoge
                    woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen
                    financiële tegemoetkoming mogelijk is; </al><al>• sociale omstandigheden, bijvoorbeeld gezinnen met kinderen; </al><al>• bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                    maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van
                    verwijtbaarheid. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>De berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd
                    over de toepasselijke WIJ-norm. Zie artikel 1 voor een begripsomschrijving. </al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><tussenkop>Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de inkomensvoorziening omdat een maatregel wordt opgelegd,
                    vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in
                    ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het
                    motiveringsbeginsel houdt onder andere in dat een besluit aan betrokkene kenbaar
                    is gemaakt en deugdelijk is gemotiveerd. </al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><tussenkop>Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. </al><al>In het eerste lid wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                    wordt opgelegd voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><tussenkop>Afzien van het opleggen van een maatregel </tussenkop><al>In dit artikel wordt verwezen naar artikel 41, tweede lid, WIJ waarin is
                    vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Een reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging
                    te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit
                    is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                    wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                    maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                    plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte inkomensvoorziening is verleend of een te hoog
                    bedrag aan inkomensvoorziening is verleend, geldt in de verordening een
                    verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de WWB.. </al><al>Ten slotte kan in individuele omstandigheden wegens dringende redenen worden
                    afgezien van het opleggen van een maatregel. Van dringende redenen is sprake als
                    de gevolgen van het opleggen van een maatregel onaanvaardbaar zijn. Hiervan zal
                    niet spoedig sprake zijn. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><tussenkop>Ingangsdatum </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de WIJ-norm.
                    Het verlagen van de WIJ-norm die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot
                    herziening van de inkomensvoorziening en het te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat
                    een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende WIJ-norm. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Is toepassing van lid 1 niet aan de orde, omdat de inkomensvoorziening reeds
                    beëindigd is, dan biedt het tweede lid de mogelijkheid dat met terugwerkende
                    kracht een maatregel worden opgelegd. Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet
                    (volledig) aan de jongere is uitbetaald, is het praktisch om de verlaging van de
                    uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat
                    geval moet de inkomensvoorziening wel worden herzien en teruggevorderd. Dat is
                    ook nog mogelijk indien de inkomensvoorziening reeds is uitbetaald. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><tussenkop>Samenloop </tussenkop><al>De regeling voor de samenloop heeft betrekking op de schending van de
                    verplichtingen genoemd in de wet (artikelen 44 en 45 WIJ). </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Het niet nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 45
                    van de wet </tussenkop><al>De gedragingen die een schending van artikel 45 WIJ inhouden betreffen de
                    arbeidsinschakeling en de totstandkoming en tenuitvoerlegging van het
                    werkleeraanbod. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><tussenkop>De hoogte van de maatregel </tussenkop><al>Zoals in de Algemene toelichting gesteld, wordt in deze variant gedifferentieerd
                    in categorieën. Er is voor gekozen voor zoveel mogelijk aansluiting bij de
                    Maatregelverordening WWB.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><tussenkop>De hoogte en de duur van de maatregel </tussenkop><al>Zie Algemene toelichting. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht </tussenkop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de informatieplicht
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de gemeente. In deze
                            situatie is artikel 40, eerste lid WIJ van toepassing. </al></li><li nr="2."><al>Artikel 44 WIJ: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                            aan de gemeente. </al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens bij een aanvraag niet aan
                    de gemeente worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van
                    het werkleeraanbod en de inkomensvoorziening niet vaststellen. De aanvraag moet
                    dan worden afgewezen. Het opleggen van een maatregel is in dergelijke gevallen
                    niet aan de orde. </al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><tussenkop>Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente </tussenkop><al>Indien een jongere de van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken
                    niet op tijd verstrekt, kan het college het recht op inkomensvoorziening
                    opschorten. Het college geeft de jongere vervolgens een termijn waarbinnen hij
                    zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie
                    niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college
                    het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening intrekken. Worden de
                    gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt dan wordt de
                    inkomensvoorziening voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. </al><al>In dit artikel wordt de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor het werkleeraanbod of de inkomensvoorziening. Een voorbeeld van nulfraude
                    kan zijn het niet melden van een niet-rechthebbende partner. </al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><tussenkop>Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In artikel 44, eerste lid, WIJ is bepaald dat de jongere op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn werkleeraanbod of het recht op inkomensvoorziening. Het college zal
                    moeten vaststellen wat het onder 'onverwijld' verstaat. </al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan
                    inkomensvoorziening alsmede de kosten van het werkleeraanbod. </al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De maatregel wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan
                    inkomensvoorziening dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
                    onrechte of te veel aan de jongere is betaald. </al><al>De maatregel wordt in de regel toegepast op de toekomstige inkomensvoorziening
                    van de jongere maar kan ook met terugwerkende kracht worden opgelegd. </al><tussenkop>Vierde lid </tussenkop><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In sommige
                    gevallen moet vervolging door het OM plaatsvinden. Wanneer er een redelijk
                    vermoeden bestaat dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, vindt
                    aangifte en vervolging door het OM plaats. Is er sprake van ‘witte’ fraude, dan
                    is de gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000.
                    Is de benadeling groter dan is het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen
                    waarin er met de jongere geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen
                    maatregel meer kan worden toegepast. </al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                    inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen.
                    In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun. </al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><tussenkop>Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Zie ook de Algemene Toelichting op dit onderdeel. </al><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan. Er moet sprake zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in
                    het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt
                    beschouwd. </al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een jongere zich ernstig
                    heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de
                    mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de jongere.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><al>a.verbaal geweld (schelden);</al><lijst><li nr="c."><al>discriminatie; </al></li><li nr="d."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk); </al></li><li nr="e."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); </al></li><li nr="f."><al>mensgericht fysiek geweld; </al></li><li nr="g."><al> combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><tussenkop>inwerkingtreding</tussenkop><al>Omdat de wet WIJ met ingang van 1 oktober 2009 inwerking is getreden dient deze
                    verordening ook dan inwerking te treden. Op deze manier kan een aanvraag op
                    grond van deze verordening toch getoetst worden aan het lokale
                    afwegingskader.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>