<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd">
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR53655_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelasting 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-08-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Harlingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelasting 2011
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 1 Belastingplicht</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam “onroerende-zaakbelastingen” worden voor binnen de gemeente</al>
            <al>gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al>
            <al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar</al>
            <al>een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet</al>
            <al>krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruikt,</al>
            <al>verder te noemen: gebruikersbelasting;</al>
            <al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar</al>
            <al>van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of</al>
            <al>beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
            <al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik</al>
            <al>is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die</al>
            <al>dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de gebruikgever); de</al>
            <al>gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de</al>
            <al>gebruiker;</al>
            <al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik</al>
            <al>aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter</al>
            <al>beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking</al>
            <al>heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan</al>
            <al>wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al>
            <al/>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit</al>
            <al>of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als</al>
            <al>zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip</al>
            <al>geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 2 Belastingobject</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk</al>
            <al>III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond</al>
            <al>van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die</al>
            <al>onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die</al>
            <al>onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan</al>
            <al>woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 3 Maatstaf van heffing</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering</al>
            <al>onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het</al>
            <al>kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk</al>
            <al>IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die</al>
            <al>onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of</al>
            <al>krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende</al>
            <al>zaken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 4 Vrijstellingen</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf</al>
            <al>buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de</al>
            <al>in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:</al>
            <al>a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,</al>
            <al>daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van</al>
            <al>glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt</al>
            <al>van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te</al>
            <al>gebruiken;</al>
            <al>b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt</al>
            <al>van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in</al>
            <al>onderdeel a bedoelde grond;</al>
            <al>c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare</al>
            <al>eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van</al>
            <al>levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van</al>
            <al>zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al>
            <al>d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de</al>
            <al>Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de</al>
            <al>voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit</al>
            <al>Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende</al>
            <al>gebouwde eigendommen;</al>
            <al>e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,</al>
            <al>zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met</al>
            <al>volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend</al>
            <al>het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al>
            <al>f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,</al>
            <al>een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al>
            <al>g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door</al>
            <al>organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,</al>
            <al>met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al>
            <al>h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en</al>
            <al>die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van</al>
            <al>publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van</al>
            <al>zodanige werken die dienen als woning;</al>
            <al>i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden</al>
            <al>zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt</al>
            <al>toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te</al>
            <al>merken.</al>
            <al>j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de</al>
            <al>publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige</al>
            <al>onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van</al>
            <al>onderwijs;</al>
            <al>k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde</al>
            <al>eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang</al>
            <al>van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de</al>
            <al>gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,</al>
            <al>monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al>
            <al>l. pantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of</al>
            <al>waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt</al>
            <al>recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die</al>
            <al>dienen als woning;</al>
            <al>m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen</al>
            <al>van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al>
            <al>n. het reddingsbootstation van de Stichting Koninklijke Reddingsmaatschappij.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De vrijstelling voor de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken</al>
            <al>voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet</al>
            <al>het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf</al>
            <al>voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten</al>
            <al>van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak</al>
            <al>dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 5 Belastingtarieven</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het</al>
            <al>percentage bedraagt voor:</al>
            <al>a. de gebruikersbelasting 2%;</al>
            <al>b. de eigenarenbelasting</al>
            <al>1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 2%;</al>
            <al>2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 2%.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>.</lidnr>
            <al>Belastingaanslagen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd. Voor de</al>
            <al>toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet</al>
            <al>verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere</al>
            <al>heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 6 Wijze van heffing</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr/>
            <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 7 Termijnen van betaling</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de</al>
            <al>aanslagen worden betaald in zes gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de</al>
            <al>laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het</al>
            <al>aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>In afwijking van het eerste lid van dit artikel geldt dat ingeval de gemeente is</al>
            <al>gemachtigd tot automatische incasso, de aanslagen moeten worden betaald in</al>
            <al>acht gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de</al>
            <al>maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is</al>
            <al>vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>In afwijking van het eerste en tweede lid van dit artikel geldt dat ingeval het</al>
            <al>totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerendezaakbelastingen</al>
            <al>en andere heffingen en belastingen, gelijk of minder is dan € 80,--</al>
            <al>of gelijk of meer is dan</al>
            <al>€ 4.540,--, de aanslagen moeten worden betaald in één termijn, welke vervalt twee</al>
            <al>maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden</al>
            <al>van dit artikel gestelde termijnen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 8 Kwijtschelding</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr/>
            <al>Bij de invordering van de onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding</al>
            <al>verleend.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr/>
            <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en</al>
            <al>de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 10 Overgangsrecht</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr/>
            <al>De “Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2010”</al>
            <al>van 11 november 2009, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 20 januari 2010, wordt</al>
            <al>ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van</al>
            <al>de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich</al>
            <al>voor die datum hebben voorgedaan.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 11 Inwerkingtreding</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de</al>
            <al>bekendmaking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel 12 Citeertitel</label>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr/>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2011”.</al>
          </lid>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>