<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR52721_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Gemeente Schiedam 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2008-03-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">26-03-2008,Maasstad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 12 en artikel 23 van de Brandweerwet 1985</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-03-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-03-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>VR 21/2008</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De brandbeveiligingsverordening Schiedam 2008 vervangt de ‘’Brandbeveiligingsverordening Brandweer Waterweg’’.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Gemeente Schiedam 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Schiedam,</al><al>op voorstel van burgemeester en wethouders, d.d. ……………… 2008;</al><al>gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stbl. 87), artikel 147
                        eerste lid van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht</al><al/><al><vet>BESLUIT:</vet></al><al>vast te stellen de volgende
                        <vet>Brandbeveiligingsverordening.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats. Met Bouwverordening wordt bedoeld: de Bouwverordening
                            van de gemeente Schiedam, d.d. 01.07.2007</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            Woningwet en de bouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeesters en wethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                            zijn;</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen
                                            zullen worden opgeslagen;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan vier personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk
                                            gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                                            verschaft.</al></li><li nr="e."><al>aan meer dan vier personen woonverblijf zal worden
                                            verschaft, anders dan een huishouden per persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeesters en wethouders kunnen aan de vergunning
                                    voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden
                                    na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeesters en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en
                                    gestelde voorschriften wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>a Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden
                                    overgelegd als genoemd in bijlage 2 van de Bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken
                                    van de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                    formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en
                                    bescheiden moeten voldoen aan de eisen van de in het eerste lid
                                    genoemde bijlage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in
                                    drievoud worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend
                                    dan wel worden gewaarmerkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                    bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbij
                                    behorende bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand
                                    duidelijk blijken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien: de in de aanvraag
                                vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de
                                beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig
                                gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende
                                brandveilig gebruik kan worden bereikt. Het beoogde gebruik in
                                strijd is met de bepalingen van het ter plaatse geldende
                                bestemmingsplan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeesters en wethouders kunnen een vergunning intrekken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste
                                            of onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                            voldaan aan een voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
                                            weken na het onherroepelijk worden van de vergunning;
                                            dan wel de datum of periode waarop of waarin een
                                            activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is
                                            verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit
                                            heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                            langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit
                                            vereist op grond van een verandering van de inzichten
                                            en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten
                                            de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                                            vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het stellen
                                            of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te
                                            beschermen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                vergunning betrekking heeft, moet de vergunning aanwezig zijn, en
                                moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de
                                naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                                    begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeesters en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                                    2003 in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het
                                            andere niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste
                                            lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de
                                            bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden niet
                                            overschrijdt;</al></li><li nr="b."><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                            stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning
                                            overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend;</al></li><li nr="c."><al>de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen
                                            of afleveren van vloeibare brandstoffen, dat voldoet aan
                                            de eisen gesteld bij of krachtens de Wet
                                            Milieubeheer;</al></li><li nr="d."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="e."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of
                                            een ander warmte-ontwikkelend toestel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid
                                    volledig meegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003 moeten worden
                                opgeslagen volgens de in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven
                                wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                                onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                                worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen
                                als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit 2003, of gereedschappen
                                worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het
                                ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen
                                tegen het ontstaan van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Verbod open vuur en roken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of
                                            meer van de stoffen die in de Regeling Bouwbesluit 2003
                                            zijn omschreven als brandbaar, brandbevorderend en bij
                                            brand gevaar opleverend;</al></li><li nr="b."><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen
                                            van brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                            veroorzaken;</al></li><li nr="c."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een
                                            brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeesters en
                                    wethouders ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengels uit een vat te
                                    doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen
                                    luchtvaartterreinen (Stb. ~ 1988. 511).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                                onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                    ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht -na een van burgemeesters en wethouders ontvangen
                                    aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die
                                    burgemeesters en wethouders in die brief geven tot het voorkomen
                                    van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan
                                    elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeesters
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                            derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van
                                de Brandbeveiligingsverordening Brandweer Waterweg vastgesteld bij
                                bestuursbesluit d.d. 27 juni 2002, alsmede enig beroep, ingesteld
                                tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan
                                op grond van genoemde brandbeveiligingsverordening en alle daarin
                                aangebrachte wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                                Brandbeveiligingsverordening Brandweer Waterweg vastgesteld bij
                                bestuursbesluit d.d. 27 juni 2002 geldt als gebruiksvergunning als
                                bedoeld in artikel 2.1.1, voor zover deze niet krachtens
                                overgangsrecht van de bouwverordening geldt als gebruiksvergunning
                                als bedoeld in artikel 6.1.1 van de bouwverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de openbare
                                    bekendmaking daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de
                                    Brandbeveiligingsverordening Brandweer Waterweg vastgesteld bij
                                    bestuursbesluit d.d. 27 juni 2002.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                    Brandbeveiligingsverordening gemeente Schiedam 2008 (BBV
                                    gemeente Schiedam 2008)</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van…………2008</ondertekening><ondertekening>de griffier, J. Gordijn, de voorzitter,W.M. Verver-Aartsen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><tussenkop>Bijlage behorend bij de (model-)brandbeveiligingsverordening</tussenkop><al>Tekst van enkele artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992,
                    315).</al><tussenkop>Artikel 4:1</tussenkop><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het
                    geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beslissen.</al><tussenkop>Artikel 4:2</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag wordt ondertekend en bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;\</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de
                            beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de
                            beschikking kan krijgen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:3</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor
                            zover het belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet
                            opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke
                            levenssfeer, met inbegrip van de bescherming van medische en
                            psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het belang van de
                            bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift
                            aangewezen gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te
                            worden overgelegd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:4</tussenkop><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het
                    indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier
                    vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.</al><tussenkop>Artikel 4:5</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift
                            voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte
                            gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de
                            aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, kan het
                            bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de
                            aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan
                            gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.</al></li><li nr="2."><al>Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of
                            bescheiden in een vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor
                            de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de
                            beschikking noodzakelijk is, kan het bestuursorgaan besluiten de
                            aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft
                            gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag
                            met een vertaling aan te vullen.</al></li><li nr="3."><al>Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager
                            bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat
                            de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:6</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe
                            aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of
                            veranderde omstandigheden te vermelden.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden
                            vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel
                            4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende
                            beschikking.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:13</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk
                            voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn,
                            binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval
                            verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van
                            de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als
                            bedoeld in artikel 4:14 heeft gedaan.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4:14</tussenkop><al>Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn,
                    een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het
                    bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke
                    termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al><tussenkop>Artikel 4:15</tussenkop><al>De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de
                    dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de
                    aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al></bijlage><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Brandbeveiligingsverordening</tussenkop><tussenkop>A Algemene toelichting</tussenkop><al>De Brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van inrichtingen.
                    De werkingssfeer is in artikel 12 van de Brandweerwet 1985 aangegeven: de
                    brandbeveiligingsverordening is van toepassing voor zover in hetgeen zij regelt
                    niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet. Bouwwerken
                    zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig gebruik daarvan
                    ingevolge de Woningwet verplicht in de bouwverordening is opgenomen. Als gevolg
                    hiervan is de brandbeveiligingsverordening ingrijpend gewijzigd. De
                    brandbeveiligingsverordening kan slechts regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in andere wettelijke
                    regelingen. Rest derhalve thans die ‘voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                    begrensde plaatsen’, die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel
                    1). De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd in artikel 2.1.1 wordt voldaan.</al><tussenkop>B Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.2 Werkingssfeer</tussenkop><al>De in artikel 1.1 bedoelde ‘voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaatsen’ is een ruime omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het
                    gebruik hiervan vindt immers regeling in de Bouwverordening. In dit verband ware
                    te denken aan alle ‘bouwwerken’ die op het water drijven en los met de wal
                    verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants. Deze
                    zijn namelijk geen bouwwerken in de zin van de Woningwet en vallen derhalve niet
                    onder de werking van het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening. Er bestaat een
                    in dit kader relevante uitspraak van het Hof Arnhem d.d. 6 juni 1972, NJ 73,
                    209. Daarin werd uitgemaakt ‘dat een op het water drijvend bouwsel niet valt
                    onder het begrip "gebouw" en evenmin onder de definitie in de gemeentelijke
                    bouwverordening, omdat het niet in de geest van die verordening met de grond
                    verbonden is noch steun vindt in of op de grond’. Er was hier sprake van het
                    aanmeren middels twee lijnen aan in de grond geplaatste meerpalen, teneinde
                    afdrijven te voorkomen.</al><al>Het valt te verwachten dat bij een ‘minder losse verbinding’ de bouwsels onder
                    de werking van de Woningwet zullen vallen. Ook allerlei terreinen vallen onder
                    het begrip inrichting, evenals (feest)tenten e.d.</al><tussenkop>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</tussenkop><al>Burgemeesters en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden,
                    zoals voorschriften met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>Stoffering en versiering;</al></li><li nr="-"><al>Uitgangen en vluchtwegen;</al></li><li nr="-"><al>Installaties;</al></li><li nr="-"><al>Standbouw, podia, kramen e.d.;</al></li><li nr="-"><al>Verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="-"><al>Verbod voor open vuur en vuurwerk;</al></li><li nr="-"><al>Bewaking en controle;</al></li><li nr="-"><al>Ventilatie en werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                            stoffen;</al></li><li nr="-"><al>Opstellingsplannen;</al></li><li nr="-"><al>Afval;</al></li><li nr="-"><al>Doorlopend toezicht;</al></li><li nr="-"><al>Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                            interne organisatie;</al></li><li nr="-"><al>Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                            inrichting of in een inrichting met het oog op de brandveiligheid.</al></li></lijst><al>Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde
                    bouwsels niet onder de werking van de Woningwet vallen.</al><tussenkop>Artikel 2.1.1. sub c.</tussenkop><al>Hier is in afwijking van het model gekozen voor meer dan vier slapend in plaats
                    van tien. Er is voor gekozen bouwwerken met meer dan vier personen slapend
                    gebruiksvergunningplichtig te laten zijn. In de Bouwverordening is opgenomen
                    vier slapende in plaats van tien. De achterliggende reden is dat de regelgeving
                    om de brandveiligheid voor dit aantal personen te waarborgen niet toereikend
                    is.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning</tussenkop><al>Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond
                    voor een vergunning kunnen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de constructies - het Bouwbesluit 2003 en de Bouwverordening;</al></li><li nr="b."><al>voor het gebruik - de bijlagen van Bouwverordening en van de toelichting
                            op de verordening.</al></li></lijst><al>De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid. Een
                    andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige inrichtingen
                    zijn de boeken "Een brandveilig gebouw bouwen" en "Een brandveilig gebouw
                    installeren", uitgaven van het Landelijk Netwerk voor de Brandpreventie
                    (voorheen NBF) door Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Een nadere
                    omschrijving van de toetsingscriteria is, gezien de diversiteit van de
                    inrichtingen (tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d., niet mogelijk).</al><tussenkop>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen</tussenkop><al>Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig. In
                    artikel 2.2.1 vindt de brandveiligheid van niet-vergunningsplichtige
                    inrichtingen regeling.</al><tussenkop>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Burgemeesters en wethouders wijzen in verband met de bij de gemeentelijke
                    organisatie verordening (ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken
                    in ieder geval de brandweer aan als de dienst belast met het toezicht op de
                    naleving van de Brandbeveiligingsverordening. In de toelichting op de
                    Bouwverordening vermelden wij dat de brandweer de deskundige dienst is om te
                    adviseren over brandpreventie voorschriften. Tevens kunnen ook andere personen
                    met de naleving ervan worden belast, zoals bijvoorbeeld van het bouw- en
                    woningtoezicht. Het verdient in elk geval aanbeveling bij de uitvoering van deze
                    verordening en van andere verordeningen een coördinatie tot stand te
                    brengen.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet
                    1985 genoemde strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels
                    van de Brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de
                    eerste of tweede categorie in de verordening gesteld worden.</al><tussenkop>Artikel 3.4 Slotbepaling</tussenkop><al>De bestaande Brandbeveiligingsverordening Brandweer Waterweg dient als beëindigd
                    te worden beschouwd nadat burgemeesters en wethouders de
                    Brandbeveiligingsverordening gemeente Schiedam hebben vastgesteld.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>