<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR52692_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitkerings- en pensioenverordening Wethouders van Landgraaf</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Landgraaf Aktueel, 15-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitkerings- en pensioenverordening Wethouders van Landgraaf</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0002691">Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1997-04-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1966-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitkerings- en pensioenverordening Wethouders van Landgraaf</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente <vet>L a n d g r a a f ;</vet></al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 3 december
                        1996;</al><al><vet> b e s l u i t :</vet></al><al>onder gelijktijdige intrekking van de Uitkerings- en pensioenverordening
                        Wethouders van de gemeente Landgraaf, vastgesteld in zijn vergadering van 24
                        juni 1982 en zoals die sedertdien werd gewijzigd, vast te stellen de
                        navolgende verordening. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>AFDELING I De Uitkering</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Het recht op uitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Hij die ophoudt Wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag van
                                aftreding, voorzover hij alsdan niet de leeftijd van 65 jaar heeft
                                bereikt, recht op een uitkering op de voet van de volgende
                                artikelen.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De raad kan beslissen dat geen uitkering wordt toegekend aan een
                                gewezen Wethouder van de gemeente Landgraaf.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2 Normale duur van de uitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De uitkering wordt toegekend voor een duur gelijk aan de tijd waarin
                                de belanghebbende Wethouder is geweest doch tenminste voor de duur
                                van twee jaar en ten hoogste voor de duur van zes jaar. Indien de
                                belanghebbende met een of meer onderbrekingen Wethouder is geweest,
                                wordt in aanmerking genomen de tijd gedurende welke hij Wethouder is
                                geweest in een tijdvak, laatstelijk voordat hij ophield Wethouder te
                                zijn, waarin zijn Wethouderschap voor ten hoogste een zesde deel van
                                dat tijdvak is onderbroken.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de uitkering toegekend voor de
                                duur van ten hoogste zes maanden, indien belanghebbende korter dan
                                drie maanden Wethouder is geweest.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Ingeval van tussentijds eindigen van de uitkering krachtens artikel
                                7, onder c, wordt de volgende uitkering toegekend ten minste tot het
                                tijdstip, waarop eerstgenoemde uitkering zou zijn geëindigd ingeval
                                artikel 7, onder c, buiten toepassing was gebleven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2a Voortzetting van de uitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De uitkering als bedoeld in artikel 2 kan tijdelijk worden verlaagd
                                indien de gewezen Wethouder:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruikmaakt van de van gemeentewege geboden begeleiding
                                        naar het zoeken van een voor hem passende betrekking;</al><al> Een betrekking wordt als passend aangemerkt, indien het
                                        algemeen geaccepteerde arbeid betreft waartoe betrokkene met
                                        zijn kracht en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
                                        wordt niet begrepen arbeid in dienstbetrekking krachtens de
                                        Wet Sociale Werkvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>niet als werkzoekende bij het Arbeidsbureau Oostelijke
                                        Mijnstreek ingeschreven is;</al></li><li nr="c."><al>zonder toestemming een dagopleiding volgt;</al></li><li nr="d."><al>zonder redelijke grond weigert deel te nemen aan een voor
                                        hem gewenst geachte opleiding of scholing of onvoldoende
                                        medewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan.
                                        De aan het volgen van die opleiding of scholing verbonden
                                        kosten komen voor rekening van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien ten aanzien van de gewezen Wethouder bij herhaling het
                                gestelde in het eerste lid wordt toegepast, kan de uitkering geheel
                                komen te vervallen.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders zijn belast met de uitvoering van dit
                                artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Voortzetting van de uitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien de belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als Wethouder
                                de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij in het tijdvak van
                                twaalf jaren dat direct aan zijn aftreden voorafgaat tenminste tien
                                jaren Wethouder is geweest, wordt de uitkering voortgezet tot het
                                tijdstip waarop hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de raad beslissen dat met inachtneming
                                van artikel 7, onder b, de uitkering zal worden voortgezet voor een
                                nader vast te stellen termijn, welke op dezelfde wijze kan worden
                                verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Bedrag van de uitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 2, bedraagt gedurende het eerste
                                jaar 80 percent en vervolgens 70 percent van de laatstelijk als
                                Wethouder genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 3, lid 1, bedraagt 70 percent van
                                de laatstelijk als Wethouder genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "laatstelijk genoten"
                                verstaan: waarop aanspraak bestond of bij uitoefening van het ambt
                                zou hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die waarop
                                belanghebbende heeft opgehouden Wethouder te zijn.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien bij algemene maatregel van bestuur in de bezoldiging van het
                                rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in de leden
                                1, 2 en 3 bedoelde laatstelijk genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, voor de toepassing van
                                die leden met ingang van het tijdstip van ingang van die
                                bezoldigingswijziging overeenkomstig die wijziging aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4a Voortzetting van de uitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien belanghebbende op de dag waarop de duur van de uitkering
                                eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is, wordt, met
                                inachtneming van het gestelde in artikel 7, de uitkering voor de
                                duur van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 4b.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze
                                verordening is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te
                                stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet
                                in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met
                                soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid
                                verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan,
                                met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt
                                verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkenen
                                met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid
                                wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet
                                Sociale Werkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
                                buiten beschouwing gelaten of de betrokkenen de arbeid feitelijk kan
                                verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te nemen
                                aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende
                                meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er
                                bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van
                                uitgegaan dat de opleiding of scholing is afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label> Artikel 4b</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven in het
                                tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in het vierde en
                                vijfde lid van dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven in het
                                derde lid 70 percent van de laatstelijk als Wethouder genoten wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering bij een
                                algemene invaliditeit van 80 percent of meer; 60 percent van die
                                wedde, inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering bij
                                een algemene invaliditeit van 55 percent tot 80 percent; en 40
                                percent van die wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering bij een algemene invaliditeit van 25 tot 55
                                percent.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
                                belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
                                uitkering:</al><lijst><li nr="-"><al>58 jaar of ouder is: zes jaar;</al></li><li nr="-"><al>53 jaar of ouder is: drie jaar;</al></li><li nr="-"><al>48 jaar of ouder is: twee jaar;</al></li><li nr="-"><al>43 jaar of ouder is: anderhalf jaar;</al></li><li nr="-"><al>38 jaar of ouder is: een jaar;</al></li><li nr="-"><al>33 jaar of ouder is: een half jaar; en</al></li><li nr="-"><al>jonger is dan 33 jaar: nihil.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
                                bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
                                bedrag gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van
                                het verschil tussen de laatstelijk als Wethouder genoten wedde,
                                inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, bedoeld in
                                artikel 4, en het minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag geldt
                                een percentage van tweemaal het aantal verstreken jaren tussen het
                                vijftiende jaar en de leeftijd van de betrokkene op het tijdstip van
                                voortzetting van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
                                jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8,
                                eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en
                                minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene jonger dan 23
                                jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd
                                geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en
                                artikel 8, derde lid, van de genoemde wet, beide vermeerderd met de
                                daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>07.</lidnr><al>De belanghebbende heeft recht op aanvulling van de uitkering, indien
                                die uitkering minder bedraagt dan het volgens het tweede lid
                                vastgestelde percentage van de laatstelijk als Wethouder genoten
                                wedde, inclusief vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>08.</lidnr><al>De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de uitkering
                                te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde percentage van de
                                laatstelijk als Wethouder genoten wedde, inclusief
                                vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>09.</lidnr><al>In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan het
                                bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het in het
                                tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk als Wethouder
                                genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en de
                                eindejaarsuitkering, indien de belanghebbende de keuze heeft gemaakt
                                voor een verlaging van de inhouding ingevolge artikel 59, eerste
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een algemene
                                invaliditeit van 80 percent of meer: 65 percent, bij een algemene
                                invaliditeit van 55 percent tot 80 percent; 56 percent en bij een
                                algemene invaliditeit van 25 percent tot 55 percent: 37
                                percent.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders stellen regels met betrekking tot de
                                wijze en het tijdstip waarop de Wethouder of de gewezen Wethouder de
                                in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig is, kenbaar dient te
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering
                                tezamen met inkomsten, bedoeld in artikel 5, minder bedraagt dan het
                                minimumloon wordt de uitkering verhoogd tot het minimumloon. De
                                verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen de uitkering en
                                het bedrag waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30
                                percent van het minimumloon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4c</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a, geschiedt
                                op aanvraag van de belanghebbende voor de termijn van niet langer
                                dan drie jaar, onverminderd het in deze verordening bepaalde over
                                herziening of intrekking van de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders stellen de belanghebbenden uiterlijk vier
                                maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde
                                termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot het doen van
                                een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na afloop van die
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
                                belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de in
                                het eerste lid bedoelde termijn gedaan.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien Burgemeester en Wethouders niet tijdig beslissen op een
                                tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt de
                                uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig te
                                zijn ingediend indien Burgemeester en Wethouders de kennisgeving
                                bedoeld in het tweede lid niet hebben gedaan dan wel indien bij een
                                latere kennisgeving als bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt
                                ingediend binnen een maand nadat deze kennisgeving is
                                ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
                                termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de wijze
                                die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn niet zou zijn
                                afgelopen.</al></lid><lid><lidnr>07.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn
                                geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het
                                eerste lid genoemde termijn van drie jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4d</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de eerste
                                maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet, doen Burgemeester
                                en Wethouders een onderzoek instellen teneinde te doen bezien of er
                                als gevolg van gronden die invloed hebben op de mate van algemene
                                invaliditeit redenen aanwezig zijn voor herziening of intrekking van
                                de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een
                                termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders wijzigen ambtshalve of op aanvraag van de
                                belanghebbende het bedrag van de uitkering bij wijziging van de mate
                                van algemene invaliditeit.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:</al><lijst><li nr="a."><al>indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang van de
                                        eerste dag van de maand volgende op die waarin die aanvraag
                                        is binnengekomen;</al></li><li nr="b."><al>indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met ingang van
                                        de eerste dag van de maand volgende op die waarin de
                                        beslissing tot wijziging is genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een
                                belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet aan een
                                uitnodiging van Burgemeester en Wethouders zich te onderwerpen aan
                                een onderzoek door een of meer door hen aangewezen geneeskundigen
                                ter beantwoording van de vraag, of er nog sprake is van algemene
                                invaliditeit.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Indien degene die recht heeft op een wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering inkomsten uit of in verband met arbeid
                                geniet, zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd, zolang niet
                                vaststaat of deze arbeid als arbeid bedoeld in artikel 4a, tweede
                                lid, kan worden aangemerkt, niet tot herziening of intrekking van de
                                uitkering over te gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten
                                hoogste plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren,
                                aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband
                                met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden genoten. Deze periode
                                wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter dan een maand
                                geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na
                                afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt de in de
                                eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid bedoeld in
                                artikel 4a, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>07.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin van
                                het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid van dit
                                artikel nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig afwijkende
                                regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4e Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Op verzoek van een Wethouder doen Burgemeester en Wethouders een
                                onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen
                                geneeskundigen, ter beantwoording van de vraag of de Wethouder die
                                het verzoek deed algemeen invalide is als bedoeld in artikel 4a,
                                tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek dat
                                is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de
                                verzoeker.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Korting wegens inkomsten</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De inkomsten die belanghebbende geniet worden met de uitkering
                                verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of
                                geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten
                                verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens het
                                verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na
                                de dag waarop hij heeft opgehouden Wethouder te zijn, geniet
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>winst uit onderneming;</al></li><li nr="b."><al>zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid.</al><al> Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt mede
                                        verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de
                                        Algemene Arbeidsongeschiktheidswet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als inkomsten
                                aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>de inkomsten wegens de in het tweede lid bedoelde
                                        activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende binnen
                                        één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
                                        aftreden;</al></li><li nr="b."><al>de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin
                                        hij gedurende zijn zittingstijd als Wethouder op
                                        non-activiteit was gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de vaste vergoeding die wordt genoten als raadslid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het tweede lid
                                inkomsten of hogere inkomsten, anders dan tengevolge van algemene
                                loonsverhogingen verkrijgt uit in het tweede lid bedoelde
                                activiteiten ter hand genomen voor de dag van aftreden, anders dan
                                bedoeld in het derde lid, is ten aanzien van die inkomsten of hogere
                                inkomsten het bepaalde in het eerste lid van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus dat de
                                uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee de uitkering,
                                vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk genoten wedde
                                inclusief vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, waarvan de
                                uitkering is afgeleid, overschrijdt.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet verstaan
                                de kinderbijslag alsmede de compensatie voor of de vergoeding van de
                                premie ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en
                                Wezenwet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden te zijn
                                begrepen. De vorige volzin is wat betreft de premiecompensatie
                                slechts van toepassing voorzover de daarbedoelde inkomsten
                                betrekking hebben of kunnen worden geacht betrekking te hebben op
                                een tijdvak gelegen voor 1 juni 1985.</al></lid><lid><lidnr>07.</lidnr><al>Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer ter hand
                                nemen van enige arbeid of bedrijf, dan wel het gaan genieten van
                                inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in dit artikel, terstond
                                mededeling te doen aan Burgemeester en Wethouders onder opgave,
                                voorzover mogelijk, van de verwachte inkomsten, een en ander
                                overeenkomstig de voorschriften, hem door Burgemeester en Wethouders
                                gegeven. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
                                tijdig voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                                inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van bedoelde
                                werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten.</al><al> Brengt de aard van de activiteiten of van de inkomsten mee dat de
                                inkomsten over een langere termijn dan een maand moeten worden
                                berekend, dan wordt op de uitkering een mindering toegepast van een
                                voorlopig vastgesteld bedrag onder voorbehoud van verrekening aan
                                het einde van evenbedoelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>08.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen bij de vaststelling van het bedrag
                                van de vermindering afwijken van de opgave van belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>09.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de voortgezette
                                uitkeringen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4a,
                                kunnen Burgemeester en Wethouders andere inkomsten aanmerken als te
                                zijn genoten wegens activiteiten bedoeld in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering geacht
                                erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het oordeel van
                                Burgemeester en Wethouders in aanmerking komen omtrent zijn
                                omstandigheden alle inlichtingen te geven, welke voor de uitvoering
                                van deze afdeling nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Betaling uitkering</label></kop><al/><al>De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Einde van de uitkering</label></kop><al>De uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop belanghebbende is
                                    overleden;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop belanghebbende de leeftijd van 65
                                    jaar bereikt;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de dag waarop belanghebbende weer als Wethouder
                                    in deze gemeente optreedt;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin
                                    Burgemeester en Wethouders ten aanzien van een uitkering als
                                    bedoeld in artikel 4a, eerste lid, hebben vastgesteld, dat de
                                    algemene invaliditeit minder dan 25 percent is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Schorsing</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De betaling van de uitkering kan door Burgemeester en Wethouders
                                worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet de
                                mededeling of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt
                                nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schorsing alsnog
                                uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Uitkering bij overlijden</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen Wethouder wordt
                                aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
                                overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd,
                                gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
                                onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan wordt
                                evenbedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de minderjarige
                                wettige of natuurlijke kinderen van de overledene, of minderjarige
                                kinderen waarover de overledene ten tijde van het overlijden de
                                pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt
                                verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als
                                was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
                                of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook
                                zodanige kinderen, dan geschiedt de uitkering, indien de overledene
                                kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of
                                zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste en
                                tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of ten dele
                                worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste
                                ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap voor de
                                betaling van die kosten ontoereikend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Vervanging</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel 51, eerste
                                lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van het
                                Wethouderschap is belast geweest.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de berekening van het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, telt tevens mee de periode waarin de belanghebbende krachtens
                                het gestelde in artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk
                                doch gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                                waarneming van het Wethouderschap is belast geweest, indien het
                                tijdvak van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd door
                                een tijdvak, waarin hij anders dan krachtens artikel 51, eerste lid,
                                van de Gemeentewet als Wethouder is opgetreden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING II Pensioenen</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK I Algemene bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11 Begrippen</label></kop><al/><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening bepaalde
                            worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen bedoeld in de
                            artikelen 29, 33, 36 en 37, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het
                            tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 </label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>aanmelding</onderstreept>: aanmelding als bedoeld
                                    in artikel 12a;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>nabestaande</onderstreept>: de man of vrouw met
                                    wie de overleden Wethouder, gewezen of gepensioneerde Wethouder
                                    op de dag van overlijden gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten
                                    aanzien van wie door de overledene aanmelding had
                                    plaatsgevonden;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>deeltijdfactor</onderstreept>: een breuk waarvan
                                    de teller wordt gevormd door de genoten wedde exclusief de
                                    vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, en de noemer door
                                    het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan de wedde is
                                    afgeleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12a Aanmelding</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De Wethouder kan bij Burgemeester en Wethouders één man of vrouw
                                aanmelden, indien hij en deze man of vrouw:</al><lijst><li nr="a."><al>beiden als ingezetene met het zelfde woonadres in de
                                        gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn
                                        ingeschreven;</al></li><li nr="b."><al>zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract
                                        tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te
                                        dragen in de kosten van levensonderhoud;</al></li><li nr="c."><al>beiden ongehuwd zijn;</al></li><li nr="d."><al>beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder
                                        zijn en</al></li><li nr="e."><al>geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voorts kunnen aanmelding doen als bedoeld in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewezen Wethouder met recht op uitkering terzake van
                                        ontslag of aftreden, of</al></li><li nr="b."><al>de gewezen Wethouder, indien hij al voor zijn ontslag of
                                        aftreden gehuwd was met de man of vrouw van wie aanmelding
                                        gewenst wordt, dan wel indien die man of vrouw al voor het
                                        ontslag of aftreden door de gewezen Wethouder was aangemeld
                                        geweest als bedoeld in het eerste lid, mits de aanmelding
                                        wordt gedaan voordat degene die de aanmelding doet de
                                        leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een gewaarmerkt
                                afschrift van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens waaruit blijkt dat is voldaan
                                aan de voorwaarde, gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een
                                afschrift van het contract, bedoeld in het eerste lid, onder b, dan
                                wel een uittreksel daaruit of een verklaring van de notaris
                                dienaangaande, waaruit de wederzijdse onderhoudsplichtigheid
                                blijkt.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld in het eerste
                                lid, niet wordt voldaan, weigeren Burgemeester en Wethouders de
                                aanmelding.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen regels stellen omtrent de
                                aanmelding door degene die niet als ingezetene in de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.</al></lid><lid><lidnr>07.</lidnr><al>Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt doorgehaald:</al><lijst><li nr="a."><al>op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
                                        aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is
                                        aangemeld, is ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>op de dag van overlijden van de man of vrouw die is
                                        aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan,
                                        of</al></li><li nr="c."><al>op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan
                                        wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk
                                        treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>08.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen, indien daartoe aanleiding
                                bestaat, bevestiging vragen of nog aan de voorwaarden voor
                                aanmelding wordt voldaan. Degene die de aanmelding heeft gedaan legt
                                alsdan een schriftelijke verklaring terzake over van hem en de
                                aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een gewaarmerkt afschrift
                                van de benodigde gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie
                                persoonsgegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in
                                het eerste lid, onder a, op het tijdstip van die verklaring wordt
                                voldaan. Indien evenwel in de voorgaande periode het
                                samenlevingscontract een wijziging heeft ondergaan die van belang
                                kan zijn voor de aanmelding, wordt een afschrift van het gewijzigde
                                contract overgelegd dan wel een uittreksel daaruit of een verklaring
                                van een notaris dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan
                                aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.</al></lid><lid><lidnr>09.</lidnr><al>Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt gedaan herhalen
                                Burgemeester en Wethouders hun in het achtste lid bedoelde
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de herhaalde
                                aanvraag wordt gegeven, kunnen Burgemeester en Wethouders de
                                aanmelding op een door hen vast te stellen datum doorhalen. De
                                bedoelde datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het
                                achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Bijzonder nabestaandenpensioen</label></kop><al/><al>De bepalingen van deze verordening voor het bijzonder
                            nabestaandenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het
                            bijzonder weduwenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het
                            tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Tijdelijk pensioen</label></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaanden- en
                            wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk
                            pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel
                            blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Vervanging</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige toepassing
                                ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in artikel 51, eerste
                                lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de waarneming van het
                                Wethouderschap is belast geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal dienstjaren, zoals bedoeld in deze
                                afdeling, kan op verzoek van belanghebbende tevens meetellen de
                                periode waarin hij krachtens het gestelde in artikel 51, eerste lid,
                                van de Gemeentewet tijdelijk doch gedurende meer dan dertig dagen
                                onafgebroken met de tijdelijke waarneming van het Wethouderschap is
                                belast geweest, indien het tijdvak van die waarneming zonder
                                onderbreking wordt gevolgd door een tijdvak, waarin hij anders dan
                                krachtens artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet als Wethouder
                                is opgetreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verzoek bedoeld in het vorige lid dient binnen dertig dagen na
                                de datum waarop belanghebbende anders dan krachtens artikel 51,
                                eerste lid, van de Gemeentewet voor het eerst als Wethouder is
                                opgetreden bij Burgemeester en Wethouders te worden ingediend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK II Het eigen pensioen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16 Het recht op eigen pensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Hij die ophoudt Wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen indien hij
                                op het tijdstip waarop hij ophoudt Wethouder te zijn, de leeftijd
                                van 65 jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Hij die ophoudt Wethouder te zijn vóór het bereiken van de leeftijd
                                van 65 jaar, heeft recht op pensioen bij het bereiken van die
                                leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer als Wethouder in deze
                                gemeente optreedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1996</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als Wethouder,
                                volgens een of meer van de artikelen 18, 19 en 19a, naar de
                                laatstelijk als Wethouder genoten wedde inclusief vakantie-uitkering
                                en eindejaarsuitkering.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                artikel 19, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                100/110 maal het bedrag van de eventueel volgens de regels bedoeld
                                in artikel 157, derde lid van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                pensioengrondslag voor de pensioenberekening over tijd tussen 31
                                december 1985 en 1 januari 1995 met toepassing van artikel 19. De in
                                de eerste volzin eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder dan het
                                bedrag van laatstbedoelde wedde verminderd met f 6.320,00. Het
                                bedrag van f 6.320,00 wordt telkens aangepast bij de ministeriële
                                regeling bedoeld in artikel 157, derde lid van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van
                                een bedrag dat op 1 januari 1985 f 63.200,00 bedroeg.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                artikel 19a, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                100/110 maal het bedrag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als
                                artikel 19a geldt voor de pensioenberekening over de tijd tussen 31
                                december 1985 en 1 januari 1995 als laatstelijk genoten wedde een
                                bedrag gelijk aan de eventueel naar de regelen, bedoeld in het
                                tweede lid aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                pensioengrondslag voor de pensioenberekening over de tijd na 31
                                december 1994 met toepassing van artikel 19a, vermenigvuldigd met
                                een debruteringsfactor. Deze factor is de breuk, waarvan de teller
                                honderd bedraagt en de noemer de som van honderd en het percentage
                                waarmee de wedde als Wethouder per 1 januari 1995 uitsluitend ter
                                uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei 1994, houdende
                                wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (onder
                                andere terzake van inhoudingen op het inkomen en gelijke franchise
                                voor de pensioenberekening) (Staatsblad 418) is gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Bij de berekening van een pensioen van een gewezen Wethouder die
                                voor 1 januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
                                volledige werkweek aan het Wethouderschap te besteden, wordt de
                                laatstelijk genoten wedde, vastgesteld volgens het tweede lid of
                                derde lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari 1986</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over jaren gelegen voor 1 januari 1986.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder van
                                de eerste vier jaren als Wethouder 3,5 percent en voor ieder overig
                                jaar als Wethouder 1,75 percent, in totaal tot een maximum van 70
                                percent, van de - in de zin van artikel 4 - laatstelijk als
                                Wethouder genoten wedde inclusief vakantie-uitkering en
                                eindejaarsuitkering aangepast volgens de regels als bedoeld in
                                artikel 157, derde lid van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op de
                                voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
                                grond van artikel 139, lid 3, van deze wet voor de toepassing van de
                                pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in totaal ten
                                hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die berekening
                                voorzover mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij
                                die berekening het hoogste bedrag oplevert, en overigens ten aanzien
                                van het andere pensioen of de andere pensioenen in de volgorde van
                                de hoogte van de wedden of de berekeningsgrondslag. Voor de
                                vergelijking van deze wedden of berekeningsgrondslag worden deze zo
                                nodig aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 157, derde lid
                                van evengenoemde wet.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd mee
                                in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875 percent per
                                jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer het een
                                uitkering betreft als bedoeld in artikel 4a, het pensioen over deze
                                tijd naar 1,75 percent per jaar wordt berekend, voorzover en voor
                                zolang het percentage van de algemene invaliditeit 55 of meer
                                bedroeg. Voor de toepassing van de vorige volzin worden uitkeringen
                                als bedoeld in artikel 2 en in artikel 3, leden 1 en 2, aangemerkt
                                als een uitkering als bedoeld in artikel 4a, indien en zolang
                                belanghebbende tijdens de duur van eerstbedoelde uitkeringen voor 55
                                percent of meer algemeen invalide was.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>In afwijking van het vierde lid wordt het pensioen over de in dat
                                lid bedoelde tijd berekend naar de helft van het ingevolge dat lid
                                toepasselijke percentage, over het gedeelte van die tijd waarin de
                                uitkering is verminderd wegens het genieten van inkomsten als
                                bedoeld in artikel 5.</al><al> Geen meetelling van diensttijd als bedoeld in het vierde lid vindt
                                plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzover gedurende de in dat lid bedoelde tijd de uitkering
                                        wegens het genieten van inkomsten als bedoeld in artikel 5,
                                        eerste lid, tot nihil is verminderd;</al></li><li nr="b."><al>in zover de belanghebbende die recht heeft op uitkering,
                                        maar die minder uitkering geniet dan de krachtens artikel 59
                                        berekende inhoudingen terzake van ouderdom en overlijden, er
                                        geen zorg voor draagt dat het bedrag van deze inhoudingen,
                                        welk bedrag in dit geval als een op hem rustende schuld
                                        wordt beschouwd, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd
                                        is voldaan;</al></li><li nr="c."><al>indien de belanghebbende zulks verzoekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vijfde lid wordt de vergoeding voor de
                                werkzaamheden als lid van de gemeenteraad niet beschouwd als daar
                                bedoelde inkomsten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Berekening van het eigen pensioen over tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over jaren gelegen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
                                pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als Wethouder
                                genoten wedde, inclusief vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering,
                                te verminderen met een bedrag als omschreven in het vierde lid
                                (franchise).</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Ten aanzien van een Wethouder die voor zijn bezoldiging geacht wordt
                                niet de volledige werkweek aan het ambt te besteden, wordt onder
                                wedde verstaan het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarvan die
                                wedde is afgeleid.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De franchise, bedoeld in het tweede lid, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de gepensioneerde Wethouder die voor de toepassing van
                                        de Algemene Ouderdomswet als gehuwd wordt aangemerkt twintig
                                        zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop
                                        ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien
                                        hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest;</al></li><li nr="b."><al>voor de gepensioneerde Wethouder die voor de toepassing van
                                        de Algemene Ouderdomswet als ongehuwd wordt aangemerkt tien
                                        zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag waarop
                                        ingevolge die wet recht bestaat of zou hebben bestaan indien
                                        hij op grond van die wet verzekerd zou zijn geweest.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>In de in het vierde lid bedoelde bedragen is mede begrepen de bruto
                                vakantie-uitkering waarop ingevolge de Algemene Ouderdomswet recht
                                bestaat.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Wanneer de in het vierde lid bedoelde bedragen worden gewijzigd,
                                wordt de pensioengrondslag herberekend. Het herberekende pensioen
                                gaat, onverminderd artikel 22, tweede lid, in op dezelfde dag als
                                waarop bedoelde wijzigingen zich hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>07.</lidnr><al>Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen voor
                                ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als Wethouder
                                3,5 percent van de pensioengrondslag, en voor ieder overig jaar als
                                Wethouder 1,75 percent van de pensioengrondslag, in totaal tot een
                                maximum van 70 percent van de pensioengrondslag, aangepast volgens
                                de regels, bedoeld in artikel 157, derde lid van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>08.</lidnr><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
                                zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                pensioenen krachtens de tweede afdeling en derde afdeling van de
                                Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen voor de toepassing
                                van de pensioenberekening naar 3,5 percent per dienstjaar in totaal
                                ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die berekening
                                voorzover mogelijk toegepast ten aanzien van het pensioen, waarbij
                                die berekening het hoogste bedrag oplevert, en overigens ten aanzien
                                van het andere pensioen of de andere pensioenen in de volgorde van
                                de hoogte van de wedden of berekeningsgrondslag of
                                pensioengrondslagen. Voor vergelijking van deze wedden,
                                berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen worden deze zo nodig
                                aangepast volgens de regels, bedoeld in artikel 157, tweede lid van
                                de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers van evengenoemde
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>09.</lidnr><al>Het vierde, vijfde en zesde lid van artikel 18 zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van artikel
                                18 als met toepassing van dit artikel, wordt in afwijking van het
                                zevende lid of achtste lid het percentage van 70 percent verminderd
                                met het percentage van het pensioen dat eerst is berekend met
                                toepassing van artikel 18.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19a Berekening van het iegen pensioen over tijd na 31 december 1994</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over tijd doorgebracht als Wethouder na 31 december 1994.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande, dat
                                de in dat lid bedoelde franchise het bedrag is dat op grond van een
                                reglement, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van de Wet
                                privatisering Algemene burgerlijke pensioenwet als zodanig geldt
                                voor de berekening van een ouderdomspensioen van een gepensioneerd
                                overheidswerknemer in de zin van die wet.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Artikel 19, derde lid en zevende lid tot en met tiende lid, zijn van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Berekening eigen pensioen deeltijdWethouders na 31 december 1985</label></kop><al>Tijd, doorgebracht als Wethouder, gedurende welke de belanghebbende voor
                            zijn bezoldiging geacht werd niet de volledige werkweek aan zijn ambt te
                            besteden, telt voor de pensioenberekening met toepassing van artikel 19
                            en 19a, dan wel met toepassing van beide artikelen, mee met inachtneming
                            van de voor die tijd toepasselijke deeltijdfactor of
                            deeltijdfactoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21 Samenvallende diensttijden van echtgenoten tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De gepensioneerde Wethouder heeft recht op een toeslag op zijn
                                pensioen, indien dat pensioen is berekend met toepassing van de
                                franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onderdeel a, en indien
                                de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn pensioen
                                meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk samenvalt
                                met de kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de berekening
                                van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft, mits op
                                laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit hoofde van
                                recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
                                aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
                                Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde Wethouder wordt
                                aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
                                berekening van het pensioen tellende jaar binnen de samenlopende
                                kalendertijd 0,525 percent van de franchise bedoeld in artikel 19,
                                vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De toeslag wordt slechts toegekend op schriftelijk verzoek en gaat
                                in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is
                                opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
                                dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het verzoek is
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers en van hoofdstuk III van deze verordening
                                wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder het pensioen
                                begrepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Verstrekken van inlichtingen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder mede
                                begrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering, ingevolge
                                de Algemene ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht op grond
                                van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een pensioen
                                krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd voor 1 januari
                                1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan Burgemeester
                                en Wethouders.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging
                                van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet
                                vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
                                daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging
                                ambtshalve plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kunnen Burgemeester en Wethouders het tweede
                                lid buiten toepassing laten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK III Het nabestaandenpensioen</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Het recht op pensioen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 23 Paraplubepaling Algemene nabestaandenwet</label></kop><al/><al>Een regeling van nabestaanden- en wezenpensioen, vervat in deze
                                verordening, wordt voor de toepassing van artikel 103 van de
                                Algemene nabestaandenwet beschouwd als een pensioenregeling als
                                bedoeld in dat artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23a </label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Voor recht op een nabestaanden- of wezenpensioen, ontstaan
                                    wegens overlijden tussen 30 juni 1996 en 1 januari 1998 van een
                                    Wethouder, gewezen Wethouder of gepensioneerde Wethouder, van
                                    een nabestaande of een wees die geen recht heeft op een
                                    uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet maar wel recht
                                    op pensioen of tijdelijke uitkering ingevolge de Algemene
                                    Weduwen- en Wezenwet zou hebben gehad indien die wet nog van
                                    kracht zou zijn geweest, geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de toepasing van de bepalingen inzake samenloop van
                                            pensioen en algemeen pensioen over tijd vóór 1 januari
                                            1986 (inbouwbepalingen) en de bepalingen inzake het
                                            recht op een toeslag wegens het ontbreken van recht op
                                            uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet heeft
                                            artikel 23 geen werking;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde toeslag wordt berekend
                                            overeenkomstig artikel 29a indien het een toeslag op een
                                            nabestaandenpensioen betreft en overeenkomstig artikel
                                            33 indien het een toeslag op een wezenpensioen
                                            betreft;</al></li><li nr="c."><al>een toeslag op een nabestaandenpensioen wordt mede
                                            berekend over tijd na 31 december 1995, indien en
                                            voorzover in aanmerking genomen voor de berekening van
                                            het pensioen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het eerste lid, onder c, geldt mede voor een recht op
                                    nabestaandenpensioen, ontstaan wegens overlijden tussen 26 juni
                                    1996 en 1 juli 1996 van een Wethouder, gewezen Wethouder of
                                    gepensioneerde Wethouder, van een nabestaande die wegens dat
                                    overlijden recht heeft verkregen op een tijdelijke
                                    weduwenuitkering op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet,
                                    na het verstrijken van de duur van die uitkering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De nabestaande van een Wethouder of van een gewezen dan wel van
                                    een gepensioneerde Wethouder heeft recht op
                                    nabestaandenpensioen.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk
                                    was gesloten nadat het aftreden van de echtgenoot was ingegaan,
                                    tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk
                                            recht had op uitkering ter zake van zijn aftreden als
                                            Wethouder, of</al></li><li nr="b."><al>de echtgenoten reeds voor het aftreden met elkaar gehuwd
                                            waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot
                                            aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten
                                            voordat deze de 65-jarige leeftijd had bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden geacht
                                    niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder wezenlijke
                                    onderbreking een politiek ambt als bedoeld in de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers is aanvaard. Een onderbreking
                                    van ten hoogste twee maanden wordt als niet-wezenlijk
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De raad kan beslissen dat een onderbreking van meer dan twee
                                    maanden als niet-wezenlijk wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24a (vervallen)</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Bijzonder nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De man of vrouw met wie een Wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    Wethouder gehuwd is geweest, heeft na diens overlijden recht op
                                    bijzonder nabestaandenpensioen, mits:</al><lijst><li nr="a."><al>hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben
                                            gehad, indien de Wethouder op de dag van het vonnis,
                                            waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
                                            huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde dag ligt na 30 september 1971 en de
                                            echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is
                                            uitgesproken met toepassing van het vóór 1 oktober 1971
                                            geldende recht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of
                                    hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de
                                    Wethouder, de gewezen of gepensioneerde Wethouder op de dag van
                                    eindigen van de aanmelding zou zijn overleden.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Het eerste lid en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                    desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan
                                    wel een aanmelding door dezelfde Wethouder terzake van diens
                                    overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Recht op wezenpensioen hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>de kinderen van hem die overlijdt als Wethouder of als
                                            gewezen of gepensioneerde Wethouder, die de leeftijd van
                                            éénentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet
                                            gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij
                                            zijn of partij zijn geweest bij een aanmelding, mits zij
                                            zijn geboren of geadopteerd voor zijn aftreden is
                                            ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op
                                            uitkering terzake van het aftreden;</al></li><li nr="b."><al>de kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke
                                            Wethouder, gewezen of gepensioneerde Wethouder ten tijde
                                            van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens
                                            artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was
                                            opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een
                                            dergelijke verplichting was erkend, onder dezelfde
                                            voorwaarden als genoemd in onderdeel a, en</al></li><li nr="c."><al>de kinderen voor welke de Wethouder, gewezen of
                                            gepensioneerde Wethouder ten tijde van zijn overlijden
                                            de pleegouderlijke zorg droeg, onder dezelfde
                                            voorwaarden als genoemd in onderdeel a, met dien
                                            verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of
                                            adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke
                                            zorg in aanmerking wordt genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Artikel 24, derde lid en vierde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van het gestelde onder a van het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder c,
                                    wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van
                                    het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
                                    verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                    daarvoor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Tijdelijk pensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien een Wethouder of een gewezen dan wel een gepensioneerde
                                    Wethouder naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders is
                                    vermist, hebben degenen, die aan zijn overlijden op grond van de
                                    voorgaande artikelen van deze paragraaf recht op pensioen zouden
                                    ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voorwaarden
                                    als in die artikelen ten aanzien van het recht op pensioen
                                    omschreven.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een pensioen
                                    zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Bedrag van het pensioen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 28 Berekening van het nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf/zevende gedeelte van het
                                    pensioen, waarop de overledene als gewezen Wethouder aanspraak
                                    zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van
                                    zijn overlijden was afgetreden, of waarop de overledene als
                                    gewezen Wethouder recht of uitzicht had.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
                                    nabestaande van hem die overlijdt:</al><lijst><li nr="a."><al>als Wethouder voor het bereiken van de leeftijd van 65
                                            jaar: vijf/zevende gedeelte van het pensioen waarop de
                                            Wethouder aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij
                                            het Wethouderschap tot het bereiken van evengenoemde
                                            leeftijd zou hebben bekleed;</al></li><li nr="b."><al>als gewezen Wethouder in de periode waarin hij recht op
                                            uitkering heeft: vijf/zevende gedeelte van het pensioen
                                            waarop de gewezen Wethouder aanspraak zou hebben kunnen
                                            maken, indien hij tot het bereiken van de leeftijd van
                                            65 jaar recht op uitkering zou hebben gehad, met dien
                                            verstande dat voor de berekening van het pensioen de
                                            diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van meetelling
                                            van diensttijd op de dag van overlijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien wegens een zelfde sterfgeval voor een nabestaande recht
                                    ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen krachtens of op
                                    voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt op
                                    grond van artikel 145, lid 4, van deze wet tijd, die voor de
                                    berekening van meer dan een van die pensioenen meetelt en niet
                                    daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is
                                    doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het
                                    pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van
                                    het eigen pensioen voorzover artikel 19, tweede lid, derde lid
                                    en vierde lid, daarop van toepassing is, in alle gevallen
                                    gerekend met de franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid,
                                    onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en
                                    1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
                                    de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de
                                    maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op
                                    zijn volgens artikel 28 berekende pensioen. Deze toeslag
                                    bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
                                    nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half percent van
                                    het tot een jaarbedrag herleide bedrag van de
                                    nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet,
                                    vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering
                                    ingevolge die wet.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer voldoet,
                                    aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient hij
                                    hiervan onmiddellijk kennis te geven aan Burgemeester en
                                    Wethouders. De daarbedoelde toeslag gaat niet eerder in dan een
                                    jaar voor de eerste dag van de maand waarin kennisgeving werd
                                    gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet, vermeerderd met de daarover berekende
                                    vakantie-uitkering ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de
                                    in het tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd
                                    met ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29a Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1994 en 1 januari 1996</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en
                                    1 januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt en geen recht heeft op nabestaandenuitkering ingevolge
                                    de Algemene nabestaandenwet, heeft tot de eerste dag van de
                                    maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op
                                    zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen. Deze
                                    toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
                                    nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25 percent van de franchise,
                                    bedoeld in het tweede lid van artikel 19a.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Het derde lid en vierde lid van artikel 29 zijn van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Bijzonder nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het bijzonder nabestaandenpensioen wordt op dezelfde wijze
                                    berekend als een nabestaandenpensioen, met dien verstande dat
                                    slechts de diensttijd meetelt die gelegen is vóór de ontbinding
                                    van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding
                                    is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien er recht bestaat op meer dan één bijzonder
                                    nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 25, eerste lid of
                                    tweede lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met
                                    dien verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
                                    aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
                                    aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die
                                    samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
                                    huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
                                    bijzondere nabestaandenpensioenen, wordt het
                                    nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
                                    ontleend, met het bedrag of de bedragen daarvan verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel aanmelding</label></kop><al>Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een
                                aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van
                                de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de aanmelding
                                geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking
                                komende diensttijd van de Wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                Wethouder in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip
                                van diens overlijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het wezenpensioen bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de
                                            Wethouder, gewezen of gepensioneerde Wethouder recht op
                                            pensioen ontleent, 1/7 gedeelte;</al></li><li nr="b."><al>voor elk ander kind, 2/7 gedeelte van het pensioen van
                                            de overledene, berekend overeenkomstig artikel 28.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
                                    begrepen de nabestaande die op het tijdstip van zijn overlijden
                                    de pleegouderlijke zorg had voor het kind, bedoeld in artikel
                                    26.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Berekening wezenpensioen na 31 december 1985</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over de diensttijd na 31 december
                                    1985.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De wees die geen recht heeft op wezenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet heeft recht op een toeslag op zijn
                                    volgens artikel 32 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht
                                    heeft op halfwezenuitkering ingevolge de Algemene
                                    nabestaandenwet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor
                                    de berekening van het wezenpensioen tellend jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a,
                                            0,375 percent van de tot een jaarbedrag herleide som van
                                            de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering
                                            ingevolge de Algemene nabestaandenwet, vermeerderd met
                                            de daarover berekende vakantie-uitkering ingevolge die
                                            wet;</al></li><li nr="b."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b,
                                            0,75 percent van het onder a bedoelde jaarbedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 29, derde lid,
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Wanneer het bedrag van de nabestaandenuitkering ingevolge de
                                    Algemene nabestaandenwet, van de halfwezenuitkering ingevolge
                                    die wet of van de daarover berekende vakantie-uitkering
                                    ingevolge die wet wordt gewijzigd, wordt de in het tweede lid
                                    bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met ingang van
                                    dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Herberekening wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de artikelen
                                    32 en 33, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is
                                    geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel
                                    31 wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw wordt
                                    vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 32,
                                    eerste lid, onder a, verhoogd met een bedrag dat zich verhoudt
                                    tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen
                                    het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 28 voor en na de
                                    toepassing van artikel 31 zich verhoudt tot dat
                                    nabestaandenpensioen vóór die toepassing.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel is artikel 32, tweede lid,
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Beperking gezamenlijk bedrag nabestaanden- en wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De gedeelten van de nabestaanden, bijzondere nabestaanden- en
                                    wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen,
                                    bedoeld in de artikelen 28, 30, 31 en 32, gaan tezamen het
                                    bedrag waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde
                                    pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt
                                    deze in evenredigheid van de onderscheidene bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Toeslag op nabestaandenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                    leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de
                                    voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van 15
                                    percent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede
                                    lid en vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
                                    als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk
                                    V toepassing heeft gevonden.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die
                                    recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch ten aanzien
                                    van degene wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen dan wel
                                    een aanmelding opnieuw is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                    vijftien percent van 55.195,00. Dit bedrag wordt telkens
                                    aangepast bij de ministeriële regeling bedoeld in artikel 157,
                                    derde lid van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                    overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari
                                    1985 63.200,00 bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Toeslag op wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De wees als bedoeld in artikel 32 heeft vanaf de eerste dag van
                                    de maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt,
                                    recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen
                                    berekende pensioen ten bedrage van vijftien percent van dat
                                    pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede lid en derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
                                    als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk
                                    V toepassing heeft gevonden.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                    vijftien percent van f 55.195,00. Dit bedrag wordt telkens
                                    aangepast bij de ministeriële regeling bedoeld in artikel 157,
                                    derde lid van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                    overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari
                                    1985 f 63.200,00 bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 Tijdelijk pensioen</label></kop><al/><al>Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou
                                bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
                                overleden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK IV Verval en vervallenverklaring</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Vervallenverklaring van uitzicht of recht op pensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De raad kan het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
                                gedeeltelijk vervallen verklaren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die dat uitzicht of recht heeft zich in vreemde
                                        krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en
                                        naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal
                                        oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li><li nr="b."><al>degene die dat recht of uitzicht heeft wegens enig strafbaar
                                        feit is veroordeeld waaruit naar zijn oordeel blijkt dat hij
                                        zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig
                                        heeft gedragen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van de
                                toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op
                                pensioen, geheel of gedeeltelijk herstellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Verval van recht op pensioen bij niet invorderen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het recht op toegekend pensioen vervalt indien gedurende vijf
                                achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is
                                gebleven.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De raad kan een door of als gevolg van de toepassing van het vorige
                                lid vervallen recht op pensioen herstellen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK V Samenloop</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Samenloop pensioenen krachtens deze verordening, onderling en met andere pensioenen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 41 Grensbedrag eigen pensioenen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt, voorzover een pensioen
                                    is onderworpen aan een samenloopregeling overeenkomstig
                                    paragraaf 2 van dit hoofdstuk, onder pensioen verstaan het
                                    bedrag dat overblijft na vermindering van dat pensioen wegens
                                    recht op ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of
                                    een naar aard en strekking daarmee overeenkomend pensioen of
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien recht bestaat op een of meer eigen pensioenen krachtens
                                    of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                    eigen pensioenen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                    het vijfde lid en het totaal van die pensioenen meer bedraagt
                                    dan het grensbedrag omschreven in het derde lid, wordt op grond
                                    van artikel 154 juncto artikel 93 van genoemde wet, elk eigen
                                    pensioen krachtens of op de voet van die wet beperkt tot een
                                    zodanig gedeelte (beperkingsbreuk) van bedoeld grensbedrag als
                                    evenredig is aan de verhouding, waarin elk van laatstbedoelde
                                    pensioenen staat tot het totaal van die pensioenen.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Het grensbedrag is het pensioen dat met toepassing van artikel
                                    19 tot het in het zevende lid van dat artikel genoemde maximum
                                    van 70 percent zou zijn toegekend naar een wedde overeenkomend
                                    met het hoogste bedrag in bijlage A van het Bezoldigingsbesluit
                                    Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Staatsblad 571) vermeerderd
                                    met het percentage van de vakantie-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien het bedrag van een of meer van de in het tweede lid
                                    bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
                                    aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan het
                                    grensbedrag bedoeld in het derde lid, treedt dat hogere bedrag
                                    of het hoogste van die bedragen voor de toepassing van het
                                    tweede lid in de plaats van het grensbedrag.</al><al> Voor de in de eerste volzin bedoelde vergelijking worden de
                                    pensioenen aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld bij
                                    algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105 van de
                                    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers en daarmee
                                    overeenkomende artikelen in andere pensioenwetten.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
                                    artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard
                                    overeenkomende uitkering, alsmede een onderstand bij wijze van
                                    pensioen ten laste van het Rijk, een provincie, gemeente of
                                    waterschap, van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, van het
                                    Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting Administratie
                                    Indonesische pensioenen, dan wel ten laste van de Nederlandse
                                    Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in dat land of een
                                    door het hoger bestuursorgaan in een van deze landen ingesteld
                                    fonds, met inbegrip van de daarop onder welke benaming ook
                                    verleende toeslagen en met uitzondering van een pensioen
                                    krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H
                                    313) en de Wet buitengewoon pensioen
                                    zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1947, H 420), van
                                    een uitkering krachtens de Wet uitkeringen
                                    vervolgingsslachtoffers 1940-1945, van een invaliditeitspensioen
                                    met de daarop toegekende verhogingen krachtens een vroegere
                                    militaire pensioenwet in de zin van de Algemene militaire
                                    pensioenwet, van een invaliditeitspensioen, een
                                    invaliditeitsverhoging en een bijzondere invaliditeitsverhoging
                                    krachtens laatstgenoemde wet, alsmede van een uitkering
                                    krachtens de Algemene oorlogsongevallenregeling.</al><al> Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
                                    artikel mede begrepen een ten laste van het Rijk onder welke
                                    benaming ook verleende toeslag op een pensioen, een daarmee in
                                    aard overeenkomende uitkering of een onderstand bij wijze van
                                    pensioen ten laste van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam
                                    in dat land.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 1 of lid 2 wordt
                                    de toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd, wanneer een
                                    pensioen als in dit artikel bedoeld wordt toegekend of eindigt
                                    dan wel - anders dan wegens aanpassing naar de in artikel 157
                                    van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde
                                    regelen en daarmee overeenkomende regelen in andere
                                    pensioenwetten dan de in dit artikel genoemde - wordt
                                    herzien</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 Grensbedrag nabestaanden- en wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing indien voor een
                                    nabestaande onderscheidenlijk een wees, naast recht op een of
                                    meer nabestaandenpensioenen onderscheidenlijk wezenpensioenen,
                                    krachtens of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers recht bestaat op een of meer
                                    nabestaandenpensioenen, onderscheidenlijk wezenpensioenen
                                    krachtens een andere regeling, met dien verstande dat voor de in
                                    het derde lid van dat artikel bedoelde grensbedrag en het in het
                                    vierde lid van dat artikel bedoelde hogere bedrag, met
                                    betrekking van een nabestaandenpensioen 5/7 gedeelte, met
                                    betrekking tot een wezenpensioen krachtens artikel 32, eerste
                                    lid, onder b, twee zevende deel van die bedragen in de plaats
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de toeslagen bedoeld
                                    in de artikelen 29, 33, 36 en 37 niet onder pensioen
                                    begrepen.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Artikel 35 wordt overeenkomstig toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 Samenloop nabestaandenpensioen na hertrouwen of aanmelding</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is
                                    toegekend, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens
                                    een andere regeling terzake van een later huwelijk of een latere
                                    aanmelding eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt,
                                    hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere
                                    regeling, wordt samenlopende diensttijd slechts meegeteld bij de
                                    berekening van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag
                                    oplevert.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                    vorige lid, wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                    Nederlandse schatkist - anders dan ingevolge wettelijke
                                    garanties of ingevolge overneming van de verplichting tot
                                    betaling - ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                    publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemd ander
                                    land, dan wel ten laste van een door het bestuursorgaan in een
                                    van die landen ingesteld fonds.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 44 Samenloop van wezenpensioenen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft,
                                    hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere
                                    regeling, daarna eveneens recht op een ander wezenpensioen
                                    verkrijgt, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens
                                    een andere regeling wordt voor de berekening van de eigen
                                    pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten
                                    worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij
                                    de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
                                    bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Artikel 43, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Samenloop van pensioenen en algemeen pensioen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 45 Begripsomschrijvingen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>een pensioen</onderstreept>: een pensioen
                                            of een gedeelte van een pensioen voorzover berekend over
                                            tijd voor 1 januari 1986, dat is toegekend of geacht
                                            wordt te zijn toegekend krachtens deze verordening;</al></li><li nr="b."><al><onderstreept>een algemeen pensioen</onderstreept>:</al><lijst><li nr="1.e.e"><al> een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in
                                                  artikel 9 van de Algemene Ouderdomswet, eventueel
                                                  vermeerderd met een bruto-toeslag als bedoeld in
                                                  artikel 10 van die wet, benevens de
                                                  bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29
                                                  van die wet, een en ander voorzover niet
                                                  uitbetaald krachtens artikel 18 van die wet;</al></li><li nr="2.e."><al>een pensioen, een tijdelijke uitkering en een
                                                  wezenpensioen als bedoeld in de Algemene weduwen-
                                                  en wezenwet;</al></li><li nr="3.e."><al>een pensioen of uitkering toegekend krachtens
                                                  een wettelijke regeling van de Nederlandse
                                                  Antillen of van een vreemde mogendheid en naar
                                                  aard en strekking overeenkomend met een algemeen
                                                  pensioen als omschreven onder 1e en 2e;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al><onderstreept>een belanghebbende</onderstreept>: degene
                                            die recht heeft op een pensioen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen
                                    pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar heeft
                                    bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn
                                    echtgenoot recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden
                                    leeft. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt mede als
                                    echtgenoot aangemerkt degene die voor de toepassing van de
                                    Algemene Ouderdomswet als echtgenoot van de belanghebbende wordt
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een pensioen als
                                    bedoeld in artikel 51, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen
                                    als bedoeld in artikel 51, eerste lid, voorzover dit pensioen of
                                    gedeelte daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in
                                    aanmerking genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46 Volle-wezenpensioen</label></kop><al/><al>Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben, wordt,
                                indien het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van deze
                                paragraaf geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot
                                een bedrag, gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 47 Inbouwbedrag</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen
                                    pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan worden
                                    betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met de
                                    diensttijd waarnaar zijn pensioen is of geacht wordt te zijn
                                    berekend, gerekend deel uit te maken van het bedrag van zijn
                                    pensioen, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzover diensttijd met 3,5 percent per jaar met
                                            pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt
                                            vermenigvuldigd;</al></li><li nr="b."><al>voorzover diensttijd met 0,875 percent per jaar met
                                            pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt
                                            vermenigvuldigd;</al></li><li nr="c."><al>maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking wordt
                                            genomen.</al><al> Het in de vorige volzin omschreven deel wordt
                                            inbouwbedrag genoemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als
                                    bedoeld in artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen waarop,
                                    in verband met het recht op een pensioen als bedoeld in artikel
                                    9, tiende lid, onder a en b van de Algemene Ouderdomswet, lid 1
                                    van toepassing was, vindt dat lid niet eerder toepassing dan met
                                    ingang van de eerste dag van de maand, volgende op die waarin
                                    dat pensioen krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is
                                    geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen
                                    pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een
                                    tijdvak, liggende tussen de aanvang en het einde van de
                                    diensttijd, waarnaar het pensioen met inachtneming van lid 1 is
                                    of geacht wordt te zijn berekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 48 Mededelingsplicht</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten
                                    dan wel het genot van een algemeen pensioen of van een
                                    tijdelijke uitkering eindigt, of indien in het bedrag van het
                                    algemeen pensioen een wijziging wordt aangebracht op grond van
                                    persoonlijke omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn
                                    kinderen, is hij gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan
                                    Burgemeester en Wethouders.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde
                                    kennisgeving niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het
                                    inbouwbedrag niet vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van
                                    de maand waarin de kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve
                                    vermindering van het inbouwbedrag plaatsvond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 49 Algemeen pensioen en diensttijd</label></kop><al/><al>Voor de toepassing van artikel 47 geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op
                                        het tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop
                                        belanghebbende de leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar
                                        heeft bereikt met dien verstande dat, indien een
                                        belanghebbende recht heeft op nabestaanden- of
                                        wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige toepassing
                                        vindt ten aanzien van de tijdstippen waarop de overledene de
                                        leeftijden van 15 en 65 jaar heeft of zou hebben
                                        bereikt;</al></li><li nr="b."><al>het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag
                                        waarop de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is
                                        vermist, wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop
                                        diens pensioen krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1,
                                        is geëindigd;</al></li><li nr="c."><al>indien een nabestaande recht heeft op algemeen
                                        nabestaandenpensioen op grond van artikel 8, eerste lid,
                                        onder a van de Algemene weduwen- en wezenwet, doch geen van
                                        de in evengenoemde bepaling bedoelde kinderen recht heeft op
                                        pensioen, wordt uitgegaan van het bedrag van het pensioen
                                        dat geldt voor degenen op wie artikel 19, elfde lid, onder
                                        a, van genoemde wet toepassing vindt;</al></li><li nr="d."><al>als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
                                        diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen waarop de leeftijd
                                        van 15 jaar is en die van 65 jaar is of zal zijn
                                        bereikt;</al></li><li nr="e."><al>een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt
                                        geacht te zijn berekend naar een diensttijd van 40
                                        jaren;</al></li><li nr="f."><al>diensttijd waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn
                                        berekend en die niet daadwerkelijk als Wethouder is
                                        doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van
                                        de ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is
                                        ontleend; voorzover dientengevolge deze diensttijd zich
                                        uitstrekt na het tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is
                                        of zou zijn bereikt, wordt die diensttijd, te rekenen van
                                        dat tijdstip, geacht te zijn doorgebracht, voorzover
                                        mogelijk gedurende tijdvakken van onderbreking van de
                                        daadwerkelijk als Wethouder doorgebrachte tijd en voor het
                                        overige onmiddellijk voor de aanvang van de diensttijd
                                        waarnaar het pensioen is berekend;</al></li><li nr="g."><al>van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd,
                                        waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te
                                        hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop
                                        aanspraak is verkregen door vrijwillige premiebetaling
                                        krachtens artikel 45 van de Algemene Ouderdomswet en artikel
                                        47 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet;</al></li><li nr="h."><al>de vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet
                                        en de Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden geacht op
                                        overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen
                                        te worden uitbetaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 50 Gehuwde vrouwen met recht op pensioen</label></kop><al/><al>Indien een belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de
                                toepassing van artikel 47 uitgegaan van het algemeen pensioen voor
                                een ongehuwde pensioengerechtigde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 51 Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien aan een belanghebbende meer dan één pensioen is of geacht
                                    wordt te zijn toegekend krachtens of op de voet van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel naast een of meer
                                    zodanige pensioenen een pensioen krachtens een andere regeling
                                    als bedoeld in het vijfde lid is of geacht wordt te zijn
                                    toegekend, en de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of
                                    geacht worden te zijn berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt,
                                    overschrijdt op grond van artikel 155, juncto artikel 101, van
                                    voornoemde wet de som van de inbouwbedragen - voorzover deze
                                    geacht kunnen worden betrekking te hebben op een tijd,
                                    overeenkomende met de samenvallende diensttijd - niet het bedrag
                                    van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden betrekking te
                                    hebben op een tijd, overeenkomende met bedoelde samenvallende
                                    diensttijd.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats
                                    zou vinden, wordt het voor ieder krachtens deze verordening
                                    toegekend pensioen berekende inbouwbedrag, voorzover betrekking
                                    hebbende op samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige
                                    lid, verminderd tot een zodanig deel van het bedrag van het
                                    algemeen pensioen, bedoeld aan het slot van het vorige lid, als
                                    elk inbouwbedrag zich verhoudt tot de som van die bedragen.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het
                                    vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen
                                    pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering
                                    gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding, waarin elk van
                                    die bedragen staat tot de som daarvan.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Voor de toepassing van de voorgaande leden op pensioenen,
                                    toegekend krachtens een militaire pensioenwet, geldt niet als
                                    diensttijd de diensttijd, die krachtens die wet met vier per
                                    mille van de pensioengrondslag is vergolden.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                    eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de
                                    Nederlandse schatkist - anders dan krachtens de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers en anders dan ingevolge
                                    wettelijke garanties of ingevolge overneming van de verplichting
                                    tot betaling- ten laste van de Nederlandse Antillen, van een
                                    publiekrechtelijk lichaam in Nederland of in evengenoemd ander
                                    land, dan wel ten laste van een door het bestuursorgaan in een
                                    van die landen ingesteld fonds.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Op schriftelijk verzoek van de belanghebbende wordt dit artikel
                                    overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of
                                    meer pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij
                                    krachtens of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers, hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld
                                    in het vijfde lid. Artikel 52, tweede lid, is daarbij van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 52 Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier pensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Op schriftelijk verzoek van degene die aantoont, dat uit hoofde
                                    van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering plaatsvindt
                                    van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 51, vijfde lid,
                                    wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel mogelijk in
                                    mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige volzin is
                                    slechts van toepassing voorzover bedoelde vermindering
                                    betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de desbetreffende
                                    betrekking is of geacht kan worden te zijn vervuld. Aan
                                    diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als
                                    politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend
                                    overeenkomstig het bepaalde bij artikel 49, onder f.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid
                                    gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid
                                    is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat
                                    dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin het
                                    desbetreffende verzoek werd ingediend.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval op meer dan één
                                    pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde
                                    vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar
                                    verhouding van evenbedoelde bedragen.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het
                                    andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van
                                    dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 percent van het algemeen
                                    pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in
                                    mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding
                                    waarin de diensttijd, waarnaar het pensioen waarop vorenbedoeld
                                    inbouwbedrag betrekking heeft is of geacht wordt te zijn
                                    berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
                                    vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in
                                    artikel 51, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van de
                                    belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 53 Verlaging inbouwbedrag (voor 1 januari 1986)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari
                                    1986.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                    berekening van het pensioen, nadat dat bedrag is aangepast aan
                                    de hand van de in artikel 157, derde lid van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regels, op de dag
                                    met ingang waarvan de voorgaande artikelen van deze paragraaf
                                    voor de eerste maal ten aanzien van het pensioen toepassing
                                    vinden lager is dan 26.508,00 wordt het met toepassing van de
                                    voorgaande artikelen van deze paragraaf berekende inbouwbedrag
                                    vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld
                                    bedrag op bedoelde dag en waarvan de noemer is 26.508,00.</al><al> De uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat geval het
                                    inbouwbedrag. Het in de vorige volzin genoemde bedrag wordt
                                    gewijzigd bij de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 157,
                                    derde lid van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid van
                                    een eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het vorige lid
                                    als grondslag voor de berekening van het pensioen, het bedrag
                                    dat heeft gestrekt tot grondslag voor de berekening van het
                                    eigen pensioen.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien het bedrag van het algemeen pensioen, dat gerekend wordt
                                    deel uit te maken van het pensioen, reeds is verminderd
                                    krachtens lid 1, vindt artikel 52, eerste lid, slechts
                                    toepassing voorzover zulks nodig is om te voorkomen dat de som
                                    van evenbedoeld verminderd bedrag en het bedrag van de
                                    vermindering, bedoeld in het eerste lid van artikel 52, het
                                    bedrag zou overschrijden dat, zonder toepassing van lid 1,
                                    krachtens artikel 47 gerekend zou worden deel uit te maken van
                                    het bedrag van het pensioen. De vorige volzin is van
                                    overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 52,
                                    derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 54 Verrekening</label></kop><al/><al>Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een
                                tijdvak waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te
                                veel pensioen is betaald, kunnen Burgemeester en Wethouders aan de
                                Sociale Verzekeringsbank die het algemeen pensioen heeft toegekend
                                of herzien, verzoeken het te veel betaalde pensioen ten behoeve van
                                de gemeente in te houden op het algemeen pensioen, voorzover
                                betrekking hebbende op evengenoemd tijdvak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 55 Gemoedsbezwaren</label></kop><al>De bepalingen van deze paragraaf blijven buiten toepassing ten
                                aanzien van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op
                                algemeen pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij
                                zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing vinden met betrekking tot
                                diegenen van evenbedoelden, die recht hebben op een uitkering als
                                bedoeld in artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK VI Bepalingen van administratieve aard</label></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1 Tijdsberekening voor uitkering pensioenen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 56 </label></kop><al>Voorzover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd
                                kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt
                                in jaren onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in
                                aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in
                                gedeelten van jaren onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij
                                het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 1a Financiële bepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 57 Aanpassing pensioenen aan algemene bezoldigingswijzigingen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag bedoeld
                                    in de artikelen 19 en 19a, behorende bij een pensioen als
                                    bedoeld in artikel 16 of bij een uitzicht op een pensioen bij
                                    het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, worden telkens
                                    gewijzigd overeenkomstig een algemene bezoldigingswijziging,
                                    teneinde een aan die algemene bezoldigingswijziging evenredige
                                    aanpassing van het pensioen te bewerkstelligen.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Onder een algemene bezoldigingswijziging als bedoeld in het
                                    eerste lid wordt verstaan een zodanige wijziging van een
                                    pensioen van een gepensioneerde overheidswerknemer in de zin van
                                    de Wet Privatisering Abp die werkzaam is geweest in de sector
                                    rijk.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien aan een gepensioneerde overheidswerknemer, als bedoeld in
                                    het tweede lid, een eenmalige uitkering wordt toegekend, wordt
                                    aan degene die recht heeft op een pensioen, als bedoeld in het
                                    eerste lid, overeenkomstig een eenmalige uitkering
                                    toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 58 Afronding van pensioen</label></kop><al/><al>Het pensioen wordt naar boven op een gulden afgerond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 59 Inhoudingen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Op de wedde van de Wethouder worden volgens bij of krachtens
                                    algemene maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen
                                    ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
                                    bezoldiging van degene die behoort tot het overheidspersoneel,
                                    terzake van aanspraken bij werkloosheid, ziekte,
                                    arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Op de uitkering van de gewezen Wethouder worden volgens bij of
                                    krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regelen
                                    bedragen ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen
                                    terzake van aanspraken als bedoeld in het eerste lid, op een
                                    werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
                                    een voor overheidspersoneel getroffen regeling.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Geen inhoudingen terzake van ouderdom en overlijden vindt plaats
                                    voorzover tijd niet meetelt als pensioendiensttijd en op
                                    uitkeringen als bedoeld in artikel 4a, alsmede in de gevallen
                                    bedoeld in de laatste volzin van artikel 18, vierde lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 2 Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioenen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 60 Toekenning uitkering en pensioen</label></kop><al/><al>Burgemeester en Wethouders beslissen over de toekenning van een
                                uitkering of een pensioen op schriftelijke aanvraag door of vanwege
                                de betrokkene, dan wel ambtshalve.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 61 Vrijdom van leges</label></kop><al>De stukken waarvan overlegging door Burgemeester en Wethouders nodig
                                wordt geoordeeld zijn ingevolge artikel 158 juncto artikel 111 van
                                de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vrij van leges.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 3 Ingang en einde van de pensioenen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 62 Ingang eigen pensioen</label></kop><al>Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop
                                ontstaat</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 63 Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk pensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met de dag, volgende
                                    op die van het overlijden van hem aan wie het wordt
                                    ontleend.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat in met een door Burgemeester en
                                    Wethouders te bepalen dag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 64 Ingang hersteld pensioen</label></kop><al/><al>Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt
                                hersteld, gaat het pensioen in met de eerste dag van de maand waarin
                                het herstel heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 65 Einde pensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de
                                    rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing van de
                                    rechthebbende eindigt het pensioen met een door Burgemeester en
                                    Wethouders te bepalen dag.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven
                                    blijkt te zijn, met een door Burgemeester en Wethouders te
                                    bepalen dag.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 39 vervallen is
                                    verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de
                                    beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand
                                    waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren
                                            heeft bereikt of, de leeftijd van eenentwintig jaren nog
                                            niet bereikt hebbende, in het huwelijk is getreden dan
                                            wel partij is bij een aanmelding; of</al></li><li nr="b."><al>ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt vast
                                            te staan van een ander dan degene aan wiens overlijden
                                            het recht op wezenpensioen wordt ontleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 66 Nabestaandenuitkering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
                                    Wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam
                                    gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van zijn
                                    pensioen over een tijdvak van twee maanden
                                    (nabestaandenuitkering).</al><al> Bij ontstentenis van een nabestaande van wie de overledene niet
                                    duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve
                                    van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de
                                    overledene, of minderjarige kinderen waarover de overledene ten
                                    tijde van het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                    pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud
                                    en de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
                                    onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten
                                    van een vergoeding daarvoor.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld
                                    in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag geheel of
                                    ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
                                    laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap
                                    voor de betaling van die kosten ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Lid 1 is van overeenkomstige toepassing ingeval van vermissing
                                    van een gepensioneerd Wethouder.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan
                                    het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na
                                    toepassing van hoofdstuk V.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 67 Terugvordering</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel 65,
                                    wordt het te veel betaalde teruggevorderd voorzover verrekening
                                    daarvan kan plaatsvinden met een uitkering krachtens artikel
                                    66.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
                                    tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 66, is
                                    betaald, worden teruggevorderd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf 4 Betaling van de pensioenen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 68 Maandbetaling</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse
                                    termijnen, tenzij Burgemeester en Wethouders anders
                                    bepalen.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders kunnen regelen stellen met betrekking
                                    tot de wijze van betaling van pensioenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 69 Onderbreking genot pensioen</label></kop><al/><al>Het pensioen van een gewezen Wethouder wordt niet genoten, indien en
                                zolang hij na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                weer als Wethouder in deze gemeente optreedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 70 Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan gepensioneerde</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging van
                                    geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet
                                    opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van
                                    geestelijke gestoordheid niet in staat is kwijting te verlenen
                                    voor de uitbetaling van pensioen, kan het pensioen uitbetaald
                                    worden aan een door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen
                                    persoon of instelling. In andere door hen aan te wijzen
                                    bijzondere gevallen kan het pensioen in plaats van aan de
                                    gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald worden aan een
                                    door Burgemeester en Wethouders aan te wijzen persoon of
                                    instelling.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of
                                    krachtens de artikelen 6, lid 2, 11 en 12 van de Algemene wet
                                    bijzondere ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in de
                                    kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6 en 11
                                    van die wet of een vergoeding als bedoeld in de artikelen 11 en
                                    12 van die wet, kan het pensioen tot ten hoogste het bedrag van
                                    die bijdrage in plaats van aan de gepensioneerde zonder diens
                                    machtiging uitbetaald worden aan de Ziekenfondsraad.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt, heeft de
                                    uitbetaling als bedoeld in lid 1 betrekking op het gedeelte van
                                    het pensioen, dat niet aan het in lid 2 bedoelde orgaan wordt
                                    uitbetaald.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>AFDELING III Algemene, overgangs- en slotbepalingen</label></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK I Beroep en herziening</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 71 Beroep</label></kop><al>Van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening staat ingevolge
                            artikel 162 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers beroep
                            open op de Centrale Raad van Beroep overeenkomstig de bepalingen van de
                            Beroepswet. De voorgaande volzin is niet van toepassing op beslissingen
                            ingevolge artikel 70, lid 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 72 Herziening, wijziging en herstel</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders herzien een door hen ter uitvoering van
                                deze verordening genomen beslissing, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten grondslag
                                        ligt;</al></li><li nr="b."><al>na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere
                                        feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien na een beslissing van Burgemeester en Wethouders de feiten
                                waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig zijn
                                gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij nog genomen
                                zou moeten worden, wijzigen Burgemeester en Wethouders de
                                beslissing, rekening houdende met de gewijzigde feiten.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Burgemeester en Wethouders herstellen een door hen genomen
                                beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing op grond van
                                artikel 57 -, herziening, wijziging of betaalbaarstelling van een
                                pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan bedoeld in de
                                vorige leden, voorkomt.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
                                overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of herstel
                                vatbare beslissing, kunnen Burgemeester en Wethouders die leden
                                buiten toepassing laten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 73</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een
                                herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding. Bij een
                                herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die waarop de
                                herziene beslissing in werking is getreden, tenzij een latere dag
                                wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
                                verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de betrokkene
                                redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem te veel werd
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
                                verrekening van reeds betaalde bedragen indien de betrokkene, hoewel
                                enige bepaling van deze verordening hem daartoe verplichtte of dit
                                redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht, heeft nagelaten aan
                                Burgemeester en Wethouders mededeling te doen van een wijziging in
                                de feiten.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd artikel 67
                                zijn Burgemeester en Wethouders bevoegd tot terugvordering of
                                verrekening van te veel betaalde bedragen, indien de
                                herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de wijzigingsbeslissing is
                                genomen binnen vier maanden na de dagtekening van de herziene
                                beslissing, onderscheidenlijk binnen vier maanden nadat Burgemeester
                                en Wethouders bericht hebben ontvangen van wijziging in de
                                feiten.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Herstel van een beslissing als bedoeld in artikel 72, lid 3, binnen
                                vier maanden na de dagtekening van de herstelde beslissing, leidt
                                tot terugvordering of verrekening van te veel betaalde
                                pensioenbedragen. Herstel van een beslissing, als bedoeld in de
                                vorige volzin, na de daargenoemde termijn, leidt slechts tot
                                terugvordering of verrekening van te veel betaalde pensioenbedragen,
                                indien de betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem
                                te veel werd uitbetaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK II Overgangsbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 74</label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 75 </label></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 76 Toepasselijkheid van deze verordening</label></kop><al>De met ingang van een datum, voorafgaande aan het tijdstip van
                            inwerkingtreding van deze verordening, aan gewezen Wethouders en aan
                            nabestaanden en wezen toegekende uitkeringen en pensioenen worden met
                            ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze verordening te zijn
                            toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 77 Rechten op basis van de oude verordening</label></kop><al>Zij die aan de in artikel 74, eerste lid, genoemde verordening recht op
                            pensioen ontleenden met ingang van 1 januari 1966 of een later tijdstip,
                            ontlenen van dat tijdstip af een recht op pensioen aan deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 78 Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij afdeling II, hoofdstuk V, paragraaf 2)</label></kop><al>In afwijking in zoverre van artikel 47 vindt voor de berekening van het
                            inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van tijd, gelegen voor het
                            tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening die voor de
                            berekening van een pensioen als daarbedoeld in aanmerking wordt
                            genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 79 Overgangsbepaling I ten aanzien van het vervallen artikel 49 (oud) (overgangsbepaling bij vijfde wijzignig)</label></kop><al/><al>Artikel 49, zoals dat als artikel 49 luidde op 31 mei 1985, blijft
                            toepassing vinden ter zake van betalingen na 31 mei 1985, indien en
                            voorzover die betalingen betrekking hebben op een voor 1 juni 1985
                            liggende periode, met dien verstande dat met ingang van 1 april 1985 in
                            het vierde lid "artikel 36, eerste lid", wordt vervangen door "artikel
                            47, eerste lid".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 80 Overgangsbepaling II ten aanzien van het vervallen artikel 49 (oud) (overgangsbepaling bij vijfde wijziging)</label></kop><al/><al>De verhoging met tien percent over ten hoogste 63.200,00 per jaar
                            ingaande 1 juni 1985 van de wedde van de Wethouder toegekend in verband
                            met het vervallen van artikel 49, maakt voor de toepassing van de
                            bepalingen van afdeling II, de hoofdstukken II en III, betreffende de
                            pensioenberekening, geen deel uit van de wedde. </al><al>De voorgaande volzin is slechts van toepassing op de wedde, voorzover
                            die betrekking heeft op tijd gelegen vóór 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 81 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 41 (artikel 31 oud) (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>In afwijking van artikel 41 zoals dat artikel ingevolge de zesde
                                wijziging is komen te luiden, blijft ten aanzien van de in het
                                tweede lid bedoelde personen van toepassing artikel 41 zoals dat als
                                artikel 31 luidde op de dag vóór 13 juli 1988.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde personen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>degenen die voor 1 januari 1986 recht op eigen pensioen
                                        hebben gekregen dan wel de leeftijd van 60 jaar hebben
                                        bereikt;</al></li><li nr="b."><al>nabestaanden en wezen die recht op pensioen hebben ontleend
                                        aan het overlijden van een persoon die voldeed aan een
                                        voorwaarde gesteld onder a, dan wel recht op dat pensioen
                                        hebben verkregen vóór 1 januari 1986.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt niet
                                onder pensioen begrepen de toeslag bedoeld in de artikelen 36 en
                                37.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 82 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 45 (artikel 35 oud) (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid, zoals deze bepaling ingevolge de zesde
                                wijziging is komen te luiden, is niet van toepassing indien de
                                belanghebbende recht heeft op een ouderdomspensioen bedoeld in
                                artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet ingevolge het
                                zevende lid van dat artikel, zoals dat luidde op 31 december
                                1985.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid, laatste volzin, zoals die volzin ingevolge
                                de zesde wijziging is komen te luiden, is niet van toepassing ten
                                aanzien van de ongehuwde belanghebbende bedoeld in genoemde wet, op
                                wie van toepassing is gebleven artikel 1 van de Algemene
                                Ouderdomswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1985.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 83 Overgangsbepaling ten aanzien van de artikelen 19 en 28 (artikelen 16a en 22 oud na vijfde wijziging) (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</label></kop><al/><al>De artikelen 19, tweede lid, en 28, derde lid, zoals die artikelen
                            ingevolge de zesde wijziging zijn komen te luiden, zijn niet van
                            toepassing ten aanzien van degene die:</al><lijst><li nr="a."><al>Wethouder was voor 13 juli 1988, voorzover betreffende tijd is
                                    doorgebracht vóór dat tijdstip;</al></li><li nr="b."><al>Wethouder is op of na 13 juli 1988, voorzover betreffende tijd
                                    zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld onder a, en
                                    vervolgens zonder onderbreking is voortgezet. Een onderbreking
                                    van niet meer dan een jaar wordt voor de toepassing van deze
                                    bepaling geacht geen onderbreking te vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 84 Garantiebepaling (overgangsbepaling bij zesde wijziging)</label></kop><al/><al>De vanaf 1 januari 1986 toegekende pensioenen berekend op basis van de
                            verordening zoals die tot die datum luidde, worden herberekend op grond
                            van deze verordening zoals die na de zesde wijziging is komen te luiden,
                            met dien verstande dat de pensioenbedragen die in verband met deze
                            herberekening te veel zijn betaald, niet worden teruggevorderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 85 Inwerkingtreding artikelen 19, tweede lid, 50 en 59, tweede en derde lid (artikel 16a, tweede lid, 40 en 48, tweede en derde lid (oud) na vijfde wijziging) (overgangsbepaling zesde wijziging)</label></kop><al/><al>Artikel 19, tweede lid, artikel 50 en artikel 59, tweede en derde lid,
                            treden in werking op het tijdstip bedoeld in artikel VIII, lid 4, van de
                            Wet van 20 april 1988, Staatsblad 300.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK III Slotbepaling</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 86 Inwerkingtreding zevende wijziging</label></kop><al>De artikelen 9, 12, 13, 14, 24, eerste en tweede lid, 24a, 25, 26,
                            eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, derde en vierde lid, 29,
                            tweede, derde en vierde lid, 30, 31, 32, 33, tweede en vierde lid, 34,
                            35, eerste lid, 36, eerste en derde lid, 42, eerste lid, 43, eerste lid,
                            45, eerste lid, 47, tweede lid, 48, eerste lid, 49, onderdeel a en c,
                            63, eerste lid, 66, eerste lid met uitzondering van de invoering van het
                            begrip minderjarigheid, 76, 87, 88, 89 en 90 zoals bedoelde bepalingen
                            na de zevende wijziging zijn komen te luiden, werken terug tot 1 januari
                            1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 87 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 24 (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</label></kop><al/><al>Alle pensioenen toegekend krachtens artikel 24a van deze verordening
                            zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de zevende
                            wijziging, worden, voorzover zij op dat tijdstip worden genoten, met
                            ingang van dat tijdstip geacht te zijn toegekend krachtens artikel
                            24.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 88 Overgangsbepaling met betrekking tot het recht op nabestaandenpensioen (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Er ontstaat geen recht op pensioen ingevolge de zevende wijziging,
                                indien op de datum van overlijden van de vrouwelijke Wethouder,
                                gewezen of gepensioneerde Wethouder in een overeenkomstig geval geen
                                recht op weduwenpensioen of bijzonder weduwenpensioen zou zijn
                                ontstaan ingevolge het overlijden van een mannelijke Wethouder,
                                gewezen of gepensioneerde Wethouder.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het pensioen waarop ingevolge de zevende wijziging recht ontstaat in
                                verband met een overlijden voor de datum van inwerkingtreding van
                                deze wijziging wordt berekend als ware het recht ontstaan op de
                                datum van overlijden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 89 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 40 (overgangsbepaling bij zevende wijziging)</label></kop><al/><al>Ten aanzien van de aanspraken op nabestaandenpensioen die ingevolge de
                            zevende wijziging worden verkregen vangt de termijn van vijf
                            achtereenvolgende jaren zoals bedoeld in artikel 40 niet eerder aan dan
                            op de datum van inwerkingtreding van deze wijziging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 90 Herberekening wezenpensioen</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien ingevolge de zevende wijziging een nabestaandenpensioen of
                                een bijzonder nabestaandenpensioen wordt toegekend, terwijl aan
                                hetzelfde overlijden recht op wezenpensioen is ontleend, wordt het
                                wezenpensioen herberekend.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Indien het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                nabestaandenpensioen met terugwerkende kracht wordt toegekend en het
                                wezenpensioen wordt herberekend, wordt het te veel betaalde
                                wezenpensioen over de periode waarop de terugwerkende kracht
                                betrekking heeft niet teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 91 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de Wethouder
                                als zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de
                                berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering terzake van
                                ontslag of aftreden als Wethouder, en een wegens algemene
                                invaliditeit voortgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de
                                aanpassing van de salarissen ingevolge artikel 34 van de Wet
                                financiële voorzieningen ABP.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene
                                bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 92 Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 57 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><al/><al>Artikel 57, zoals dat luidde op 31 december 1994, blijft van toepassing
                            ten aanzien van een wijziging in de bezoldiging van het rijkspersoneel
                            voor 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 93 Overgangsbepaling ten aanzien van de fictieve diensttijd (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><al>Ten aanzien van degenen die ingevolge deze verordening recht op
                            nabestaanden- of wezenpensioen hebben verkregen voor 1 januari 1995,
                            wordt de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn berekend
                            en die niet daadwerkelijk als Wethouder is doorgebracht, voorzover nodig
                            medebegrepen onder tijd gelegen voor die datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 94 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De artikelen IX tot en met XV van de Wet terugdringing beroep op de
                                arbeidsongeschiktheidsregelingen en de krachtens artikel XV van die
                                wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing op degene op
                                wie artikel 95, eerste of derde lid, van deze verordening van
                                toepassing is en die op 31 januari 1992 en sinds 1 januari 1990
                                recht heeft op uitkering als bedoeld in dat artikel.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Als het orgaan bedoeld in artikel XI van de in het eerste lid
                                genoemde wet wordt voor de in het eerste lid bedoelde
                                overeenkomstige toepassing het College van Burgemeester en
                                Wethouders beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>De op grond van dit artikel toegekende uitkeringen komen ten laste
                                van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De artikelen 71, 72 en 73 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 95 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging in de verordening ingevoerde artikelen
                                4a, tweede lid, 4c en 4d, telkens het eerste en het tweede lid,
                                vinden geen toepassing ten aanzien van degene die op 31 december
                                1994 recht heeft op een wegens algemene invaliditeit voortgezette
                                uitkering en op de dag van inwerkingtreding van deze wijziging
                                vijftig jaar of ouder is.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3,
                                tweede lid (definitie begrip algemeen invalide) blijft van
                                toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging ingevoegde artikelen 4a, tweede lid, en
                                4c worden met ingang van een latere datum dan 1 januari 1995 van
                                toepassing op degene die op 31 december 1994 recht had op een wegens
                                algemene invaliditeit voortgezette uitkering en op 1 januari 1995
                                jonger is dan vijftig jaar. Tot die datum blijft de bij deze
                                wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede lid, op hem
                                van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde latere datum wordt vastgesteld
                                overeenkomstig de ministeriële regeling bedoeld in artikel III,
                                vierde lid, van Staatsblad 417.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 4c geldt als datum waarop de
                                uitkering van degene bedoeld in het derde lid van dit artikel wegens
                                algemene invaliditeit is voortgezet de dag waarop de artikelen 4a,
                                tweede lid, en 4c op hem van toepassing worden.</al></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Artikel 4d, eerste lid, vindt geen toepassing ten aanzien van degene
                                wiens uitkering wegens algemene invaliditeit is voortgezet met
                                ingang van een dag gelegen voor 1 januari 1995.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 96 (overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De bij de achtste wijziging vervallen eerste volzin van artikel 3,
                                tweede lid, en artikel 4, derde lid, blijven van toepassing op
                                degene die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 1994 recht had op wegens algemene
                                        invaliditeit voortgezette uitkering, of</al></li><li nr="b."><al>op 25 januari 1993 ziekten of gebreken had en wiens
                                        uitkering uiterlijk een jaar na die datum in verband met die
                                        ziekten of gebreken wegens algemene invaliditeit wordt
                                        voortgezet, dan wel wiens uitkering ingevolge artikel 18,
                                        vierde lid binnen een jaar na de genoemde datum in verband
                                        met die ziekten of gebreken wordt aangemerkt als een wegens
                                        algemene invaliditeit voortgezette uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het eerste lid van artikel 4a, en artikel 4b zijn niet van
                                toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 97 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit
                                voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4c wordt in afwijking van
                                dat artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op vijf
                                jaar.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen
                                wijziging in de termijnen zoals die gelden terzake van wegens
                                algemene invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn toegekend
                                voor het tijdstip van wijziging van de termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 98 (Overgangsbepaling bij de achtste wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Indien vanaf 1 januari 1995 artikel 4d, zesde lid, wordt toegepast
                                ten aanzien van degene bedoeld in artikel 95, wordt ten aanzien van
                                degene onder de in artikel 4a, tweede lid bedoelde arbeid verstaan
                                de arbeid, bedoeld in de per 1 januari 1995 vervallen tweede volzin
                                van artikel 3, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Het eerste lid geldt voor degene bedoeld in artikel 95, derde lid,
                                tot aan het daar bedoelde tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 99 Inwerkingtreding achtste wijziging</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Het tweede lid van artikel 19 zoals dat luidde voor de achtste
                                wijziging, vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei 1994. De
                                invoering van het opschrift en de vernummering van de leden 3 tot en
                                met 11 tot 2 tot en met 10 werken terug tot diezelfde datum.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 4b, tweede en tiende
                                lid, zoals die luiden na de achtste wijziging treden in werking met
                                terugwerkende kracht tot 1 juli 1994.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>De artikelen 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende en elfde en
                                twaalfde lid, en de artikelen 4c en 4d treden in werking per 1
                                januari 1995. Artikel 4e treedt in werking op de datum dat de
                                achtste wijziging in werking treedt.</al></lid><lid><lidnr>04.</lidnr><al>De artikelen 17, 18, 19, eerste lid, 19a, 20, 21 (opschrift), 22,
                                eerste lid, 29, eerste lid, 29a, 57 en 59 zoals bedoelde bepalingen
                                na de achtste wijziging zijn ingevoerd of gewijzigd, treden in
                                werking met ingang van 1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>05.</lidnr><al>Per 1 januari 1995:</al><lijst><li nr="-"><al>vervalt van artikel 3 het tweede en derde lid en wordt het
                                        vierde lid vernummerd;</al></li><li nr="-"><al>vervallen van artikel 4 het derde, vierde en vijfde lid en
                                        worden de leden zes en zeven van artikel 4 vernummerd;</al></li><li nr="-"><al>worden artikel 5, lid 9 en artikel 7 onder d gewijzigd en
                                        vervalt het vierde lid van artikel 72 onder vernummering van
                                        lid 5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>06.</lidnr><al>Artikel 28, derde lid vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei
                                1994. De vernummering van de leden vier en vijf werkt terug tot
                                dezelfde datum.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 99a (Inwerkingtreding tussentijdse wijziging)</label></kop><al/><al>Artikel 2a treedt in werking op 1 mei 1995 en is van toepassing op
                            degenen die op of na deze datum in aanmerking gaan komen voor een
                            uitkering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 100 (Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Artikel 29a, zoals dat artikel luidde op de dag voor het tijdstip
                                van de inwerkingtreding van de negende wijziging, blijft van
                                toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht is ontstaan voor
                                dat tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening met betrekking tot het recht op
                                wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden op de dag voor het
                                tijdstip van de inwerkingtreding van deze wijziging, blijven van
                                toepassing op een wezenpensioen waarop recht is ontstaan voor dat
                                tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 101 (Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</label></kop><al/><al>Ten aanzien van een aanmelding als bedoeld in artikel 12a, die wordt
                            gedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke
                            basisadministratie persoonsgegevens, wordt de man of vrouw met wie
                            degene die de aanmelding deed op hetzelfde woonadres in het
                            persoonsregister is opgenomen, gelijkgesteld met de man of vrouw die als
                            ingezetene met hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
                            basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven als bedoeld in het
                            evengenoemde artikel 12a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 102 (Overgangsbepaling bij de negende wijziging)</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>Een overlijden van een Wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                Wethouder tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994 valt te rekenen
                                vanaf de datum van overlijden onder de werking van de bepalingen van
                                deze verordening inzake het nabestaanden- en wezenpensioen zoals die
                                bepalingen zijn komen te luiden na de inwerkingtreding van de
                                negende wijziging.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene van wie op 1 juli
                                1994 aanmelding in de zin van artikel 12, onderdeel a, mogelijk zou
                                zijn geweest, op aanvraag aangemerkt als nabestaande vanaf de datum
                                van het overlijden.</al></lid><lid><lidnr>03.</lidnr><al>Terzake van een overlijden van een Wethouder, gewezen of
                                gepensioneerde Wethouder tussen 30 juni 1994 en 1 januari 1995 wordt
                                op zijn aanvraag als nabestaande beschouwd degene van wie, hoewel
                                niet aangemeld in de zin van artikel 12, onderdeel a, aanmelding als
                                evenbedoeld op de dag voor die van het overlijden mogelijk was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 103 Inwerkingtreding negende wijziging</label></kop><lid><lidnr>01.</lidnr><al>De artikelen 12, 24, tweede lid, 25, 26, 30, eerste en tweede lid,
                                31, 32, tweede lid, 34, tweede lid, 36, derde lid, 43, eerste lid,
                                65, vierde lid, zoals bedoelde bepalingen na de negende wijziging
                                zijn komen te luiden, alsmede het bij de negende wijziging
                                ingevoegde artikel 12a werken terug tot en met 1 juli 1994.</al></lid><lid><lidnr>02.</lidnr><al>Artikel 29a, eerste lid, treedt in werking op de datum dat de
                                negende wijziging in werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 104 Inwerkingtreding tiende wijziging</label></kop><al/><al>De tiende wijziging treedt in werking met ingang van de dag 17 januari
                            1997, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de artikelen 4, eerste, tweede en vierde lid, 4b, tweede,
                                    vierde, zevende, achtste en negende lid, 5, vijfde lid, 17,
                                    eerste lid, 18, tweede lid en 19, tweede lid (inzake uitbreiding
                                    berekeningsgrondslag uitkering en pensioen met de
                                    eindejaarsuitkering) terugwerken tot en met 1 januari 1993;</al></li><li nr="b."><al>de artikelen 19, tiende lid, 21, derde lid en 28, vierde lid,
                                    terugwerken tot en met 1 januari 1995;</al></li><li nr="c."><al>de artikelen 17, tweede lid, 18, tweede en derde lid, 19,
                                    zevende en achtste lid, 19a, tweede lid, 36, vierde lid, 37,
                                    derde lid, 53, tweede lid, 57, tweede en derde lid, terugwerken
                                    tot en met 1 januari 1996;</al></li><li nr="d."><al>de artikelen 12, onder c, 19, derde lid en 20 werking hebben ten
                                    aanzien van voor een pensioenberekening in aanmerking te nemen
                                    tijd vanaf 1 januari 1994;</al></li><li nr="e."><al>de artikelen 2, eerste en tweede lid en 3, eerste lid werking
                                    hebben ten aanzien van een recht op uitkering terzake van een
                                    ontslag of aftreden ingaande 1 januari 1995 of later;</al></li><li nr="f."><al>artikel 18, vijfde lid, werking heeft ten aanzien van voor een
                                    pensioenberekening in aanmerking te nemen uitkeringstijd waarin
                                    de belanghebbende inkomsten heeft uit een betrekking waaraan
                                    aanspraak op overheidspensioen wordt ontleend vanaf 1 januari
                                    1995, en overigens eerst werking heeft ten aanzien van voor een
                                    pensioenberekening in aanmerking te nemen tijd waarin recht op
                                    uitkering bestaat uit hoofde van een ontslag of aftreden op of
                                    na de dag van inwerkingtreding van de tiende wijziging;</al></li><li nr="g."><al>de artikelen 23 en 23a werken terug tot en met 1 juli 1996.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 105 Citeertitel</label></kop><al/><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Uitkerings- en
                            pensioenverordening Wethouders van Landgraaf".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 106 Inwerkingtreding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                                volgend op die waarin de verordening door het College van
                                Gedeputeerde Staten van Limburg is goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij werkt terug tot 1 januari 1966, behalve voor wat betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 4, derde en vierde lid, dat terugwerkt tot 1 januari
                                        1969;</al></li><li nr="b."><al>de artikelen 69 en 76.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Waar in deze verordening sprake is van inwerkingtreding van deze
                                verordening, wordt daarmede bedoeld het in het eerste lid bedoelde
                                tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het in het vorige lid gestelde, wordt met het
                                tijdstip van inwerkingtreding in artikel 25, onder b, bedoeld 1
                                januari 1966.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 10 april
                        1997.</ondertekening><ondertekening>De secretaris, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>