<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR52450_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bomenverordening Landgraaf 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landgraaf</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Landgraaf Koerier, 26-10-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bomenverordening Landgraaf 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-09-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-11-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Houtopstanden die beeldbepalend zijn in overwegend bosrijke/groene omgevingen</al><al>Houtopstanden die vanwege de bijzondere beeldbepalende, monumentale en cultuurhistorische waarde zijn geselecteerd</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bomenverordening Landgraaf 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Landgraaf;</al><al>gelezen het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders d.d. 17
                        augustus 2004;</al><al>besluit</al><al>De Bomenverordening Landgraaf 2004 vast te stellen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling 1 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede
                                    van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,3 meter hoogte boven
                                    het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de
                                    dwarsdoorsnede van de dikste stam;</al></li><li nr="2."><al>houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een
                                    grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een
                                    beplanting van bosplantsoen;</al></li><li nr="3."><al>monumentale boom of houtopstand: een boom of houtopstand die is
                                    vermeld op de ingevolge artikel 2.1, eerste lid, door
                                    burgemeester en wethouders vastgestelde lijst;</al></li><li nr="4."><al>hakhout: één of meer bomen of boomvormers, die na te zijn
                                    geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="5."><al>vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het
                                    verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de
                                    dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten
                                    gevolge kunnen hebben;</al></li><li nr="6."><al>dunning: een velling die het voortbestaan van het grootste deel
                                    van de houtopstand tot doel heeft zonder dat daarmee het beeld
                                    van de houtopstand ingrijpend wijzigt;</al></li><li nr="7."><al>knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen
                                    van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of
                                    leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;</al></li><li nr="8."><al>boomwaarde: de waarde van een boom berekend volgens de
                                    taxatiemethode opgenomen in de meest recente uitgave van de
                                    “Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Beëdigde
                                    Taxateurs van Bomen”;</al></li><li nr="9."><al>landbouwgrond: grond in gebruik voor de landbouw als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Landbouwwet;</al></li><li nr="10."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma
                                    ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
                                    Moreau);</al></li><li nr="11."><al>iepenspintkever: het insekt, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistratus (Marsch) en Scolytus pygmaeus;</al></li><li nr="12."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="13."><al>herstructureringsplan: Een binnen een begrensd gebied te
                                    realiseren plan, dat voorziet in een aanpassing en / of gehele
                                    dan wel gedeeltelijke vervanging van het zich binnen dat gebied
                                    bevindende vastgoed en een gehele of gedeeltelijke herinrichting
                                    van de tot dat gebied behorende openbare ruimte, overeenkomstig
                                    een daarvoor vastgesteld bestemmingsplan, een vastgestelde
                                    beheersverordening, of een omgevingsvergunning zoals bedoeld in
                                    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="14."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Verbod tot het vellen van houtopstanden</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is, behoudens het bepaalde in de volgende leden en het bepaalde
                                in artikel 1.3, verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen
                                vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden,
                                die op Bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze worden
                                geëxploiteerd, indien het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>populieren en wilgen als wegbeplantingen en als éénrijige
                                        beplantingen op of langs landbouwgronden, tenzij deze zijn
                                        geknot;</al></li><li nr="b."><al>laagstamfruitbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar,
                                        bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor
                                        in het bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                        Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is
                                        buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                        zelfstandige eenheid vormt die ofwel geen grotere
                                        oppervlakte beslaat dan 10 are ofwel bestaat uit
                                        rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend over het
                                        totale aantal rijen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gesteld verbod geldt verder niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                        Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van
                                        het bevoegd gezag; </al></li><li nr="b."><al>het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het
                                        reguliere onderhoud;</al></li><li nr="c."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel
                                        bij daarvoor geschikte boomsoorten;</al></li><li nr="d."><al>een houtopstand die bij wijze van dunning zoals bedoeld in
                                        artikel 1.1, lid 6 moet worden geveld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt verder niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>houtopstanden ten aanzien waarvan de velling nodig is voor
                                        de uitvoering van een herstructureringsplan, met dien
                                        verstande, dat:</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>indien de uitvoering geschiedt conform een vastgesteld
                                        bestemmingsplan, het in het eerste lid gestelde verbod
                                        blijft gelden tot de dag waarop zes weken zijn verstreken na
                                        de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het
                                        bestemmingsplan, tenzij gedurende die termijn een verzoek om
                                        voorlopige voorziening wordt gedaan, in welk geval het
                                        verbod blijft gelden tot het moment dat omtrent dat verzoek
                                        is beslist;</al></li><li nr="2."><al>indien de uitvoering geschiedt conform een vastgesteld
                                        bestemmingsplan, een vastgestelde beheersverordening, een
                                        omgevingsvergunning zoals bedoeld in de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al> houtopstanden:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>in tuinen en erven behorende bij woningen, niet zijnde
                                        gestapelde woningen, waarvan de perceelsoppervlakte niet
                                        groter is dan 2000 m2;</al></li><li nr="-"><al> op het industrieterrein Strijthagen;</al></li><li nr="-"><al>op het industrieterrein Abdissenbosch;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van de voorgaande leden kunnen door het college door
                                middel van een nader vast te stellen lijst nader te bepalen
                                houtopstanden dan wel soorten van houtopstanden alsmede specifieke
                                categorieën van gevallen gemotiveerd onder de werkingssfeer van het
                                kapverbod worden gebracht (“vergunningplichtige lijst”).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.3 Ontheffing verbod tot het vellen van houtopstanden</label></kop><al>De Burgemeester kan ontheffing verlenen van het in artikel 1.2 bedoelde
                            verbod, indien er sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar
                            spoedeisend belang van openbare orde en veiligheid. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.4 Aanvraag vergunning</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft op het
                                verplanten dient, naast het gestelde in de Minsteriele regeling
                                omgevingsrecht, tevens een plan van aanpak dan wel een beschrijving
                                van de voorgenomen verplantingswerkzaamheden te worden
                                overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer door de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw,
                                Natuur en Voedselkwaliteitaan burgemeester en wethouders een
                                afschrift is toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in
                                artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit afschrift
                                mede als een vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.5 Weigeringsgronden</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kan de vergunning voor het vellen van een
                                    houtopstand weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het
                                    belang van:</al><lijst><li nr="-"><al>natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="-"><al>natuurwetenschappelijke, landschappelijke en ecologische
                                            waarden;</al></li><li nr="-"><al>de cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="-"><al>waarden voor stads- en dorpsschoon,</al></li><li nr="-"><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>de beeldbepalende waarde;</al></li><li nr="-"><al>monumentale waarden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften
                                    verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering
                                    gebruiken. </al></li><li nr="3."><al>Indien een vergunning voor het vellen van een houtopstand wordt
                                    geweigerd dan wel onder voorschriften wordt verleend verwijst
                                    het bevoegd gezag zoveel mogelijk naar gemeentelijke
                                    bestemmings-, groen-, bomen- en/of landschapsplannen en
                                    structuurvisies, beheersverordeningen en inpassingsplannen.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.6 Bijzondere vergunningsvoorschriften</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                                voorschrift dat binnen een bepaalde termijn een bepaalde boomsoort
                                met een bepaalde omvang op een bepaalde lokatie op hetzelfde
                                kadastrale perceelen overeenkomstig de door het bevoegd gezag
                                te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien het gemeentelijk
                                beleid of een bestemmings en/of bomen-, groen-, landschapsplan,
                                groenstructuurplan of beheersverordening de te vellen houtopstand
                                direct of indirect als waardevol omschrijft, wordt in ieder geval
                                een herplantplicht opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                                daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn
                                niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                                voorschriften ter bescherming van in en rond de boom voorkomende
                                flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                                voorschriften ter bescherming van een te verplanten boom.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het
                                voorschrift dat pas tot kappen mag worden overgegaan indien een
                                bestemmingsplan, welke direct verband houd met de vergunning voor
                                het vellen van een houtopstand onherroepelijk is geworden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien een voorschrift als bedoeld in het eerste lid feitelijk niet
                                uitvoerbaar blijkt kan aan een vergunning een voorschrift worden
                                verbonden dat ten behoeve van een compensatiebeplanting op een
                                andere locatie een door het bevoegd gezag vast te stellen financiële
                                bijdrage wordt voldaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.7 Van kracht worden vergunning</label></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.8 Vervaltermijn vergunning</label></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.9 Herplant-/instandhouding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                                verordening van toepassing is, zonder vergunning voor het vellen van
                                een houtopstand van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere
                                wijze is teniet gegaan, kan het bevoegd gezag aan de eigenaar, diens
                                rechtsopvolger en/of zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich
                                de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot
                                het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
                                te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen
                                binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan
                                kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                herbeplanting en op welke wijze niet aangeslagen beplanting moet
                                worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                deze verordening van toepassing is, in het voortbestaan ernstig
                                wordt bedreigd kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van
                                de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die
                                uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven
                                aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te
                                treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. </al><al>Indien aan een verplichting als bedoeld in het eerste lid niet kan
                                worden voldaan en/of de aanwijzingen als bedoeld in het derde lid
                                niet zijn na te volgen dan dient compensatiebeplanting op een andere
                                locatie plaats te vinden dan wel ten behoeve van herplanting een
                                door het bevoegd gezag vast te stellen financiële bijdrage te worden
                                voldaan.</al><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede,
                                derde of vierde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is
                                verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.10 Schadevergoeding</label></kop><al>Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag om schadevergoeding op grond
                            van artikel 17 van de Boswet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.11 Afstand van de erfgrens</label></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk
                            Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen (te meten vanuit het
                            midden van de voet van de boom) en op nihil voor heesters en heggen.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1:12 Bestrijding van iepziekte</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het
                                oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van
                                de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de
                                rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is
                                aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen af te voeren naar een erkende verwerker;</al></li><li nr="c."><al>de niet-ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of
                                        zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte
                                        wordt voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2. </lidnr><lijst><li nr="a."><al>het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of
                                        in voorraad te hebben.</al></li><li nr="b."><al>het verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst
                                        iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4
                                        centimeter.</al></li><li nr="c."><al>het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het onder a
                                        van dit lid gestelde verbod.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het niet voldoen aan de in het eerste lid bedoelde aanschrijving
                                biedt een basis voor de toepassing van bestuursdwang, waarbij de
                                noodzakelijke werkzaamheden voor risico en voor rekening van
                                aangeschrevene, door of namens de gemeente kunnen worden
                                verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.13 Bescherming bomen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om houtopstanden, die openbaar eigendom zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>te beschadigen, qua samenstelling te wijzigen, te bekladden
                                        of te beplakken;</al></li><li nr="b."><al>daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door of in
                                        opdracht van ambtenaren of door het bevoegd gezag aangewezen
                                        derden ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende
                                        taak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om een of meer voorwerpen in of aan een openbare
                                houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens
                                vergunning voor het vellen van een houtopstand van het bevoegd
                                gezag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling 2 HET BEWAREN VAN MONUMENTALE BOMEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2.1 Monumentale bomen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een lijst vast met monumentale bomen en
                                houtopstanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde lijst kan drie categorieën van
                                monumentale bomen en houtopstanden bevatten, namelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>nationale, geregistreerde;</al></li><li nr="-"><al>lokale;</al></li><li nr="-"><al>toekomstige. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De lijst met monumentale bomen en houtopstanden omvat in ieder geval
                                een voor een ieder goed herkenbare omschrijving, de standplaats, het
                                kadastrale perceelsnummer, stamomvang en kroonprojectie, de eigenaar
                                en/of zakelijk gerechtigde en de reden van registratie van iedere
                                houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bezit een bijzondere onderhoudsplicht voor de eigen
                                monumentale houtopstand zoals een goed beheerder betaamt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.2. Bijdrageregeling monumentale bomen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien en voorzover in de gemeentelijke begroting hierin is
                                voorzien, kan het college aan een eigenaar dan wel zakelijk
                                gerechtigde van een houtopstand een bijdrage verlenen in de kosten
                                van onderhoud van een monumentale boom of houtopstand als bedoeld in
                                artikel 2.1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegemoetkoming kan onder meer worden verleend ten behoeve
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het onderzoek naar de kwaliteit van de houtopstand en de
                                        groeiplaats;</al></li><li nr="b."><al>structurele groeiplaatsverbetering;</al></li><li nr="c."><al>bescherming van de groeiplaats;</al></li><li nr="d."><al>kroonsnoei (herstel- en stabilisatiesnoei);</al></li><li nr="e."><al>kroonverankering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.3 Procedure bijdrageregeling monumentale bomen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om een bijdrage als bedoeld in artikel 2.2 eerste lid
                                van deze verordening dient schriftelijk te worden ingediend bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag dient ondertekend te zijn door zowel de eigenaar als de
                                gebruiker van de grond waarop zich de houtopstand bevindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag dient vóór de uitvoering van de werkzaamheden te worden
                                ingediend bij het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvraag dient te zijn voorzien van een begroting van de kosten
                                en uit te voeren werkzaamheden, opgesteld door een deskundig
                                boomverzorger dan wel door de gemeente, en deze begroting dient
                                vooraf door het college te zijn goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvragen worden op volgorde van binnenkomst in behandeling
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kunnen nadere voorwaarden stellen aan vorm en inhoud van
                                de aanvraag en de aanvraagprocedure.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4 Weigering bijdrage</label></kop><lijst><li nr=""><al>Het college kan de bijdrage
                                        weigeren<vet><cursief>:</cursief></vet></al><lijst><li nr="1."><al>indien in een voorafgaande periode van 10 jaar aan de
                                            aanvrager een financiële bijdrage als bedoeld in artikel
                                            2.2, eerste lid, van deze verordening is toegekend;</al></li><li nr="2."><al>indien de aanvrager met de werkzaamheden een aanvang
                                            heeft gemaakt voordat op zijn aanvraag is beslist;</al></li><li nr="3."><al>indien de jaarlijks in de begroting voor de
                                            bijdrageregeling gereserveerde middelen zijn
                                            uitgeput.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5 Beslistermijn bijdrageregeling</label></kop><al>Het college beslist binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is
                            binnengekomen of, indien de aanvraag niet voldoet aan de daaraan
                            gestelde eisen, acht weken na de dag waarop de aanvraag is aangevuld.
                            Zij kunnen bij schriftelijk ter kennis van aanvrager te brengen besluit
                            hun beslissing met ten hoogste acht weken verlengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.6 Hoogte van de bijdrageregeling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks de maximum bijdragen vast voor de in
                                artikel 2.2., eerste lid, bedoelde maatregelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage wordt alleen toegekend voor de kosten die vooraf door
                                het college zijn goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bijdrage wordt verleend onder de voorwaarden dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de maatregelen worden uitgevoerd door een deskundig
                                        boomverzorger of door de Stichting Instandhouding Kleine
                                        Landschapselementen in Limburg (IKL);</al></li><li nr="b."><al>de maatregelen binnen één jaar worden uitgevoerd;</al></li><li nr="c."><al>de boom of houtopstand gedurende een periode van
                                        tenminste 10 jaar na de verlening van de bijdrage deugdelijk
                                        in stand wordt gehouden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Aan het verlenen van de bijdrage kunnen door het college nadere
                                voorwaarden worden gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.7 Gereedmelding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na de voltooiing van de werkzaamheden, maar uiterlijk binnen 15
                                maanden na toekenning van de bijdrage, verklaart degene aan wie de
                                bijdrage is toegekend schriftelijk aan het college dat de
                                werkzaamheden zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gereedmelding als bedoeld in het eerste lid, dient de
                                -volledig naar de waarheid ingevulde en ondertekende
                                -eigenverklaring te worden gevoegd, samen met een kopie van de
                                rekening van de deskundig boomverzorger. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.8 Uitbetaling bijdrage</label></kop><al>De bijdrage wordt binnen 6 weken na gereedmelding uitbetaald indien het
                            college is gebleken dat de maatregelen naar behoren zijn getroffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.9 Intrekking van de bijdrage</label></kop><al>De bijdrage wordt ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de houtopstand binnen de in artikel 2.6, derde lid, onder b,
                                    bedoelde termijn, teniet is gegaan;</al></li><li nr="b."><al>niet is of wordt voldaan aan de bepalingen van deze
                                    bijdrageregeling, mits degene aan wie de bijdrage is toegekend
                                    in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan deze bepalingen te
                                    voldoen;</al></li><li nr="c."><al>niet is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij
                                    toekenning van de bijdrage, mits degene aan wie de bijdrage is
                                    toegekend in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan deze
                                    voorwaarden te voldoen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.10 Terugvordering van de bijdrage</label></kop><al>De bijdrage kan worden teruggevorderd indien de bijdrage reeds is
                            uitbetaald en niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.6, derde
                            lid, onder c. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling 3 STRAF-, DWANG- EN SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3.1 Straf- en dwangbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te handelen in strijd met het bepaalde in artikel
                                1.2, lid 1, artikel 1.12, lid 1, artikel 1.12, lid 2, artikel 1.13,
                                lid 1, artikel 1.13, lid 2, de op grond van artikel 1.6, lid 1 t/m
                                lid 6 gegeven voorschriften en beperkingen alsmede een verplichting
                                als bedoeld in artikel 1.9, lid 1 t/m 4 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die handelt in strijd met artikel 1.2 lid 1, dan wel handelt
                                in strijd met een voorschrift, een beperking of een verplichting als
                                bedoeld in het vorige lid, wordt gestraft met hechtenis van ten
                                hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie. Tevens
                                kan een rechterlijke veroordeling op grond van dit artikel openbaar
                                gemaakt worden. Bij de strafmaatbepaling kan rekening worden
                                gehouden met de boom-/opbrengst- en/of vervangingswaarde van een
                                houtopstand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene, die handelt in strijd met het bepaalde in artikel
                                        1.12<vet><cursief>,</cursief></vet> lid 1, artikel 1.12, lid
                                2, artikel 1.13, lid 1, of artikel 1.13, lid 2, wordt bestraft met
                                een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een boete van de
                                tweede categorie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.2 Toezichthouders</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: </al><lijst><li nr="a."><al>seniormedewerker Toezicht&amp;Handhaving;</al></li><li nr="b."><al>medewerker Handhaving BOA;</al></li><li nr="c."><al>medewerker Handhaving;</al></li><li nr="d."><al>juridisch medewerker Toezicht&amp;Handhaving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.3 Overgangsbepaling</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder de werking van de
                                Bomenverordening Landgraaf 1996 en die van kracht zijn op het moment
                                van inwerkingtreding van deze verordening, vallen onder de werking
                                van de Bomenverordening Landgraaf 1996.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De kapvergunningaanvragen, die zijn ingediend voor de in artikel 3.6
                                genoemde datum van inwerkingtreding en waarover nog geen besluit is
                                genomen, worden beoordeeld aan de hand van de Bomenverordening
                                Landgraaf 2004.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Bomenverordening Landgraaf
                            2004.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3.5 Inwerkingtreding</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het
                                verstrijken van een termijn van drie weken na de datum van uitgifte
                                van de gemeentepagina van de gemeente Landgraaf waarin zij is
                                gepubliceerd, tenzij er binnen die termijn een verzoek tot een
                                referendum wordt ingediend. Alsdan vindt de inwerkingtreding op een
                                nader door de raad te bepalen datum plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Bomenverordening Landgraaf 1996, in werking getreden op 7
                                november 1996, wordt per datum inwerkingtreding van de
                                Bomenverordening Landgraaf 2004, ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 23
                        september 2004</ondertekening><ondertekening> De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>In deze verordening zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot het bewaren
                    van houtopstanden. Het doel van deze verordening is daarmee een ander doel dan
                    de wetgever met de Boswet heeft beoogd. De bepalingen van de Boswet richten zich
                    blijkens de memorie van toelichting voornamelijk op de instandhouding van het
                    Nederlandse bosareaal. De voorschriften in deze verordening hebben als doel het
                    behoud van waardevolle bomen. Het begrip waardevol is niet te definiëren, maar
                    van belang is de waarde uit een oogpunt van natuurwaarde, landschappelijke
                    waarde, stads- en dorpsschoon, en beeldbepalende waarde.</al><al/><al>Centraal in de kapvoorschriften staat het verbod houtopstand (voornamelijk
                    bomen) te vellen zonder vergunning van het college. Ter bescherming van de
                    zo-even genoemde belangen kan de vergunning worden geweigerd. Het behoud van
                    waardevolle bomen moet worden afgewogen tegen andere belangen, zoals het belang
                    van degene die tot velling wil overgaan. Worden waardevolle bomen illegaal
                    gekapt of gaan zij door andere oorzaken te gronde, dan kan een herplantplicht
                    worden opgelegd. Ook is het mogelijk een onderhoudsplicht op te leggen, als
                    waardevolle bomen ernstig in het voortbestaan worden bedreigd. Ook hier moet
                    belangenafweging plaatsvinden.</al><al/><al>De voorschriften gelden voor bomen, houtwallen en hakhout binnen en buiten de
                    bebouwde kom van de gemeente. Op grond van de Boswet is de gemeentelijke
                    regelingsbevoegdheid uitgezonderd voor een aantal categorieën van bomen, o.a.
                    wilgen en populieren langs wegen en landbouwgronden, bomen van
                    bosbouwondernemingen, vruchtbomen en windschermen om boomgaarden. </al><al>De Boswet bevat regels met betrekking tot de bewaring van bossen en andere
                    houtopstanden. In de wet is uitdrukkelijk aangegeven dat de aan andere openbare
                    lichamen toekomende bevoegdheden ten aanzien van deze onderwerpen slechts
                    beperkt wordt door hetgeen in de wet nadrukkelijk is bepaald.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1 Het bewaren van houtopstanden</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>1.<onderstreept>Boom.</onderstreept></al><al>De definitie van het begrip boom is vanwege de discussie over wat wel en geen
                    boom is, vooral bij meerstammigheid, zeer jonge bomen en boomachtige struiken in
                    de verordening opgenomen. Gekozen is voor een precieze definitie met eenvoudig
                    te controleren voorwaarden, opdat zo min mogelijk twijfel kan ontstaan. Mocht
                    deze zich toch nog voordoen dan zou de vakliteratuur (boomflora’s, e.d.)
                    doorslaggevend moeten zijn. De minimaal 10 cm doorsnede is gekozen, omdat deze
                    maat ook vaker gebruikt wordt bij het bepalen van het al dan niet gemakkelijk
                    verplaatsbaar zijn van bomen. Vanzelfsprekend moet de minimumgrootte niet gelden
                    voor aanplant bij een herplant- of instandhoudingplicht. Door de 10 cm en de
                    meerstammigheid zullen zeer oude struiken nu juridisch ook een boom kunnen zijn. </al><al/><al>2.<onderstreept>Houtopstand.</onderstreept></al><al>Vanwege de grote ecologische waarde van `grotere (lint) begroeiing in de vorm
                    van heesters en struiken’ (bijv. een meidoorn- of mispelhaag) is bescherming
                    hiervan een noodzaak. Er staat ‘begroeiing’ in plaats van beplanting om ook
                    spontaan opgeslagen groen bescherming te bieden. Wel geldt evenals voor de
                    houtwal dat het om een ‘grotere’ begroeiing, dus ‘ van enige omvang’ moet gaan
                    (vgl. toelichting op model k.v.:86 van de VNG, vervolgblz. IV 5.3). De
                    lintvormigheid is minder van belang: ook bijv. een grotere driehoek met heesters
                    kan waardevol zijn door soort of ligging. ‘Een beplanting van bosplantsoen’ is
                    opgenomen om een beplanting van inheemse of reguliere bomen en struiken in
                    stedelijke omgeving te kunnen beschermen. </al><al>4.<onderstreept>Hakhout.</onderstreept></al><al>De hakhout definitie is opgenomen, omdat nog steeds, zij het sporadisch,
                    dergelijk houthakgebruik voorkomt. Een dusdanig gebruik van bomen als deel van
                    het (bedrijfs)huishouden betekent een verbondenheid met bomen die op zich een te
                    beschermen waarde vormen. ‘Boomvormers’, zijn: opnieuw uitgelopen boomstronken,
                    die door hun aard of omvang evenzeer bescherming kunnen hoeven als iedere andere
                    boom.</al><al>5.<onderstreept>Vellen.</onderstreept></al><al>Toegevoegd is zowel boven- als ondergronds om ook op te kunnen treden tegen
                    ernstige, ondergrondse beschadiging bij bijv. de aanleg van kabels en leidingen.
                    De expliciete, ondergrondse bescherming lijkt nodig gezien de merkwaardige
                    achterstelling van het kappen van wortels tegenover het afsnijden van takken in
                    artikel 5:44 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Vgl. Bomennieuws 3/4/1992, blz.
                    66 e.v. Belangrijk is in dit verband de uitspraak van de Hoge Raad van
                    15/12/1992 in de zaak Slootjes. De Hoge Raad stelde dat ook het vakkundig,
                    rigoureus knotten tot een stam met uitsteeksels (het zgn. kandelaren of
                    kandelaberen) ernstig beschadigen in de zin van dit artikel kan zijn en dus
                    kapvergunningplichtig is.</al><al>6.<onderstreept>Dunning.</onderstreept></al><al>Dunning is toegespitst op vellen van een houtopstand waarbij het grootste deel
                    van de houtopstand bewaard blijft en het beeld daarvan niet ingrijpend wijzigt.
                    Het gaat hier dus om een gewone onderhoudsmaatregel en niet om het verkapt
                    rooien van een houtopstand. Een aantal gemeenten heeft dit begrip reeds
                    weggelaten aangezien burgers en ambtenaren er soms misbruik van maken: men meent
                    geen vergunning te hoeven aanvragen, het is immers dunning. Vooral in zgn.
                    ‘bostuinen’ leidt dit wel eens tot meningsverschillen met de gemeente. De Hoge
                    Raad bepaalde dat dunning (in de Boswet) een normale onderhoudsregel is en de
                    gemeente niet een normale bedrijfshuishouding mag beperken (HR 18.6.1985,
                    M&amp;R 86/1, blz. 20, NJ:86, 183).</al><al>7.<onderstreept>Knotten/kandelaberen.</onderstreept></al><al>De definitie van knotten/kandelaberen is eveneens in de Bomenverordening
                    Landgraaf 2004 opgenomen. Deze begripsomschrijving is bedoeld ter afbakening van
                    illegaal en ondeskundig snoeien of terugzetten van daarvoor ongeschikte bomen.
                    Deze definitie vult nader de mogelijkheid aan om zonder kapvergunning onderhoud
                    te kunnen plegen aan daarvoor wel geschikte bomen als bepaald in artikel 1.2 ,
                    lid 2 sub h van deze verordening. Ook voor de vakkundige begrenzing van het
                    ‘geknot’ als vermeld in artikel 1.2, lid 2 sub a is deze definitie nuttig.</al><al>8.<onderstreept>Boomwaarde.</onderstreept></al><al>De boomwaarde bepaling is opgenomen omdat een landelijke eenheid in financiële
                    benadering dringend gewenst is en deze methode de meest gebruikte blijkt.
                    Belangrijk blijkt in een concreet geval een goede motivering en doelstelling van
                    de gekozen waardebepalingsmethode. </al><al>12.<onderstreept>Bebouwde kom.</onderstreept></al><al>Is de standaard omschrijving van bebouwde kom.</al><al/><tussenkop>Artikel 1.2 Kapverbod</tussenkop><al>1.Artikel 1.2 geeft de werkingssfeer van de regeling weer. De regeling geldt
                    zowel binnen als buiten de bebouwde komgrens ingevolge de Boswet.</al><al>Het systeem van de verordening is gebaseerd op het uitgangspunt dat er in de
                    gehele gemeente in beginsel een kapverbod van toepassing is hetgeen
                    “doorbroken”kan worden door afgifte van een kapvergunning. </al><al>Artikel 1.2 bevat verder een aantal uitzonderingen op dit kapverbod zoals nader
                    geduid in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel.</al><al>Hoofdlijn hiervan is dat in de leden 2 tot en met 4 meer algemene uitzonderingen
                    zijn, geformuleerd op het kapverbod.</al><al> Lid 5 bevat de bevoegdheid voor het college van Burgemeester en Wethouders om
                    een “vergunningplichtige lijst” vast te stellen.</al><al>Aldus kunnen Burgemeester en Wethouders op grond van de verordening inspelen op
                    de dynamiek van de actuele ontwikkelingen in de gemeente die er toe noodzaken
                    dat flexibel kan worden omgegaan met de invulling van de te beschermen
                    belangen.</al><al/><al>2. In deze bomenverordening zijn houtopstanden, die op bosbouwkundige of
                    bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd, opgenomen. Het gaat hier om een
                    progressieve interpretatie van de oorspronkelijke bedoeling van de Boswet, nl.
                    dat er geen kapvergunning nodig is voor houtopstanden, die om commerciële
                    redenen worden gehouden. Uit de jurisprudentie lijkt de Kroon soms de
                    commerciële strekking van dit artikel te veronachtzamen in tegenstelling tot de
                    parlementaire discussie. Bewust wordt in deze formulering niet gesproken van ‘om
                    bosbouwkundige of bedrijfseconomische motieven/redenen geëxploiteerd, omdat
                    iemands motieven en redenen moeilijk te bewijzen zijn. Het betreft hier immers
                    een strafbepaling, zodat die motieven/redenen bewezen moeten kunnen worden
                    aangezien een en ander deel uit kan maken van een te bewijzen
                    tenlastelegging.</al><al> Onder b. is vruchtbomen veranderd in laagstamfruitbomen, als een nadere
                    invulling van het afbakenend begrip vruchtbomen van artikel 1 lid 4 onder e van
                    de Boswet. Hier zijn fruitbomen bedoeld en zijn bomen van commerciële
                    fruittelers uitgezonderd. Bijna iedere boom is immers letterlijk een
                    vrucht(dragende) boom. Met deze progressieve uitleg is bedoeld een einde te
                    maken aan de jurisprudentie, waarin de rechter soms alle vruchtbomen vogelvrij
                    verklaarde, dan wel bijvoorbeeld notenbomen als vruchtbomen in de zin van dit
                    artikel beschouwde (bijv. Kb. 24.10.:86, nr. 43, M &amp; R :87/8, blz. 297).
                    Door de uitzondering voorts te beperken tot laagstamfruitbomen, kunnen gebieden
                    met hoogstamboomgaarden, zoals rond de Rimburgerweg gespaard blijven. </al><al/><al>3. Dit lid 3 is extra opgenomen omdat de ‘bosbouwkundige en bedrijfseconomische
                    voorwaarde’ (zie hiervoor onder art. 2 lid 2) respectievelijk de ‘buiten de
                    bebouwde kom Boswet’ niet geldt voor deze beide uitzonderingen. Onder a. werden
                    voorheen de maatregelen tegen de iepziekte gewaarborgd, maar het besluit
                    bestrijding iepziekte is in 1991 vervallen. Vandaar de toevoeging van een
                    iepziekte bestrijdingsartikel als artikel 1.12 van deze verordening. Niettemin
                    is de verwijzing naar de Plantenziektewet zinvol voor de handhaving van het
                    Besluit bestrijding bacterievuur en eventuele toekomstige plantenziekten.</al><al> Opgenomen is onder c. : het niet kapvergunningplichtig zijn voor (vakkundig)
                    knotten/kandelaberen van daarvoor geschikte knotbomen. De soorten die geschikt
                    geacht worden voor kandelaberen zijn Platanen en Lindes. Voor knotten worden
                    Wilg, Es en Populier geschikt geacht. Bij zowel kandelaberen als bij knotten
                    moeten de bomen reeds eerder geknot/gekandelaberd zijn geweest. Bestaande
                    opgaande bomen die mogelijkerwijs gekandelaberd of geknot kunnen worden, maar
                    waarbij dit niet het geval is en niet het geval is geweest, vallen niet onder
                    deze uitzondering. Zie hierboven onder art. 1.1. lid 1 sub d voor de definitie
                    van knotten/kandelaberen.</al><al/><al>De velling van houtopstanden is voorts niet verboden voor zover dit plaatsvindt
                    in het kader van de uitvoering van herstructureringsplannen. In de
                    begripsomschrijving is een definitie gegeven van wat in het kader van de
                    toepassing van deze verordening onder een herstructureringsplan moet worden
                    verstaan. In geval van herstructurering is er vrijwel zonder uitzondering sprake
                    van de sloop van bestaande opstallen, vervangende nieuwbouw en een herinrichting
                    van de openbare ruimte.</al><al>Deze uitzondering wordt ingegeven vanuit de gedachte dat in het kader van de
                    totstandkoming van een herstructureringsplan rekening wordt gehouden met alle
                    relevante belangen, zoals de kwaliteit van de bodem, de invloed van geluid, de
                    in of in de nabijheid van het gebied voorkomende natuurwaarden, de watertoets
                    e.d., maar dus ook met de binnen het plangebied aanwezige bomen. Uit een
                    integrale belangenafweging, in het kader van een op te starten
                    vrijstellingsprocedure dan wel bestemmingsplanprocedure, zal moeten blijken
                    welke bomen in het kader van de herstructurering behouden kunnen blijven dan wel
                    moeten worden gekapt. Hieromtrent zal in het kader van de besluitvorming
                    verantwoording moeten worden afgelegd (motivering via ruimtelijke onderbouwing
                    dan wel via toelichting op het bestemmingsplan). </al><al>Gelet hierop wordt het niet opportuun geacht om parallel hieraan een aparte
                    kapvergunningprocedure te voeren.</al><al>In verband met de zorgvuldigheid wordt indien sprake is van een
                    herstructureringsplan dit als zodanig bekend gemaakt waarbij erop wordt gewezen
                    dat geen kapvergunning is vereist en dat indien er bezwaren zijn tegen een
                    eventuele velling van de aanwezige houtopstand dit bezwaar dient te worden
                    ingebracht in de ruimtelijke ordeningsprocedure.</al><al/><al>b.Deze bepaling is opgenomen in het kader van een verdere deregulering. In het
                    verleden is gebleken dat in 90% van de gevallen de aangevraagde kapvergunning
                    ook werd verleend. Het betrof dan met name bomen in tuinen bij woningen.
                    Derhalve is thans bepaald dat het verbod om zonder vergunning te kappen niet
                    geldt in tuinen en erven behorende bij woningen, niet zijn de gestapelde
                    woningen, waarvan de perceelsoppervlakte niet groter is dan 2000m2. Een en ander
                    behoudens houtopstanden die voorkomen op een door het college vast te stellen
                    lijst. Dit om bepaalde houtopstanden te beschermen. Te denken valt aan
                    laanbeplanting, beeldbepalende en monumentale bomen, houtopstanden in straten en
                    wijken met een park- of bosachtig karakter.</al><al>De gekozen perceeloppervlakte van 2000m2 is in eerste instantie vrij arbitrair.
                    Voor deze grootte is echter gekozen om de bepaling op zoveel mogelijk tuinen van
                    toepassing te doen zijn. Daarnaast zijn wij van mening dat bij percelen groter
                    dan 2000m2 het karakter van tuin verandert in een parkachtig karakter of zelfs
                    in een bos annex natuurgebied.</al><al> Bij industrieterrein Abdissenbosch wordt bedoeld het industrieterrein zoals
                    aangegeven op het bestemmingsplan bedrijventerrein Abdissenbosch d.d. 13
                    september 2001.</al><al>Bij industrieterrein Strijthagen wordt bedoeld het industrieterrein zoals
                    aangegeven op bestemmingsplan Strijthagen kern Schaesberg d.d. 13 april 1976,
                    bestemmingsplan Strijthagen kern Nieuwenhagen d.d. 24 juni 1976,
                    Industrieterrein Strijthagen kern Schaesberg 1<sup>e</sup> wijziging d.d. 15
                    februari 1977 alsmede Uitwerking industriële doeleinden 3 d.d. 24 november 1987. </al><al>5. Dit artikel biedt Burgemeester en Wethouders de mogelijkheid om nader te
                    bepalen houtopstanden dan wel soorten van houtopstanden alsmede specifieke
                    categorieën van gevallen aan te geven op een zogenaamde “vergunningplichtige
                    lijst”.</al><al>Dit ligt voor de hand in gevallen waarin bijvoorbeeld particuliere tuinen met
                    een perceelsoppervlak kleiner dan 2000m2 vallen buiten de bebouwde komgrens
                    ingevolge de Boswet.</al><al>Voorts kan gedacht worden aan door Burgemeester en Wethouders te hanteren
                    lijsten van beeldbepalende bomen of monumentale bomen.</al><al>Ook zou gedacht kunnen worden bij de aanvang van de ontwikkeling van een
                    herstructureringsgebied artikel 1.2 lid 4 sub.a expliciet buiten werking te
                    stellen en bijvoorbeeld afhankelijk te maken van een vooraf door Burgemeester en
                    Wethouders voor de betreffende locatie vast te stellen groenstructuurplan.</al><al>Van belang is dat dit artikel toegespitst en gemotiveerd wordt toegepast en dat
                    bijvoorbeeld de op basis hiervan aan te wijzen categorieën van gevallen
                    overzienbaar zijn en bijvoorbeeld passen binnen het “raamwerk” van de
                    verordening (bijvoorbeeld niet alle tuinen kleiner dan 2000m2 alsnog onder de
                    vergunningplicht brengen).</al><al/><tussenkop>Artikel 1.3 Gevaarzetting</tussenkop><al>In acute probleemsituaties door houtopstanden, meestal dus gevaarzetting voor
                    zaken of personen door instabiliteit van bomen, moet er meteen gehandeld kunnen
                    worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 1.4 Aanvraag vergunning</tussenkop><al>Een besluit op een aanvraag om kapvergunning dient op grond van de Algemene wet
                    bestuursrecht te worden voorbereid volgens afdeling 4.1.2. Tegen een besluit op
                    een aanvraag kan bezwaar worden ingediend bij het college. Tegen de beslissing
                    op bezwaarschrift kan vervolgens beroep ingesteld worden bij de sector
                    bestuursrecht van de bevoegde Rechtbank, waarna hoger beroep openstaat bij de
                    Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag kan alleen worden ingediend door een zakelijk gerechtigde.
                            Een huurder of pachter kan een aanvraag indienen, indien hij daartoe
                            gemachtigd is door de eigenaar.</al><al> De woorden ‘of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid’ zijn in de
                            bepaling opgenomen in verband met gevallen waarin een overheidsorgaan,
                            bijvoorbeeld een provincie of een waterschap, bij wijze van
                            bestuursdwang bomen wil vellen, die in strijd met een verordening of een
                            waterschapskeur geplant zijn. Deze bestuursdwang zal slechts uitgeoefend
                            kunnen worden, indien het college een kapvergunning verleent. Het
                            college zou echter geen kapvergunning kunnen verlenen, wanneer de
                            vergunning slechts door de zakelijk gerechtigde zou kunnen worden
                            aangevraagd.</al></li><li nr="2."><al>Bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom kunnen zowel onder de
                            Boswet als onder de kapbepalingen van de Bomenverordening vallen. Dit
                            betekent dat in die gevallen een voorgenomen velling moet worden gemeld
                            bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
                            Voedselkwaliteit en dat vergunning moet worden gevraagd aan het
                            gemeentebestuur. Artikel 1.4, derde lid, stelt nu dat de wettelijk
                            voorgeschreven kennisgeving aan de Dienst Regelingen van het Ministerie
                            van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit mede wordt beschouwd als een
                            vergunningaanvraag. Deze efficiënte werkwijze is mogelijk geworden,
                            doordat het ministerie van de bevestiging van de ontvangst van de
                            kennisgeving een afschrift zendt aan het desbetreffende college van
                            burgmeester en wethouders. Aangezien dit afschrift alle gegevens bevat,
                            die het college voor de beoordeling van de aanvraag nodig heeft, is een
                            belangrijke vereenvoudiging verkregen die voor de belanghebbende
                            boseigenaar vele van de bezwaren van het onderworpen zijn aan tweeërlei
                            gezag wegneemt.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 1.5 Weigeringsgronden</tussenkop><al>1. Over de afweging van belangen is inmiddels uitgebreide jurisprudentie
                    ontstaan, die in het algemeen positief uitwerkt voor het behoud van bomen. Onder
                    meer blijkt dat bomen niet zonder meer moeten wijken voor economische belangen,
                    zoals het beter bewerkbaar zijn van akkers of het voorkomen van water- en
                    voedselonttrekking of schaduwwerking. </al><al>Niet alleen de visuele eigenschappen, maar ook andere kwaliteiten van een
                    houtopstand kunnen aanleiding geven tot het weigeren van een kapvergunning.</al><lijst><li nr="-"><al>Natuur- en milieu waarden worden vooropgesteld overeenkomstig de huidige
                            opvatting, dat de visuele, esthetische opvattingen over natuur-,
                            landschaps- en dorps/stadsschoon (die dateren uit de jaren 20/30 van
                            deze eeuw) minder van belang zijn dan de ecologische noodzaak tot
                            natuurbeleid;</al></li><li nr="-"><al>Met dit vooropstellen van natuur en milieu is echter niet bedoeld een
                            rangorde in de weigeringsgronden aan te brengen. Een vergunning kan
                            evenzeer alleen op grond van bijv. aantasting van landschappelijke
                            waarden geweigerd worden als op grond van bedreiging van
                            natuurwaarden;</al></li><li nr="-"><al>Landschappelijke waarden is een meer eigentijdse benaming voor natuur-
                            en landschapsschoon;</al></li><li nr="-"><al>Cultuurhistorische waarden zijn apart opgenomen, omdat een kleine of
                            reguliere boom op een bepaalde plaats het behouden waard kan zijn
                            vanwege de historische betekenis;</al></li><li nr="-"><al>Waarden voor de recreatie en de leefbaarheid. Men kan hier bijvoorbeeld
                            denken aan bomen die algemeen gewaardeerd worden om hun schaduw.</al></li></lijst><al>Eén enkele weigeringgrond kan voldoende zijn om geen vergunning af te geven.
                    Meestal echter zullen er in het concrete geval wel meer redenen of een
                    combinatie van redenen te bedenken zijn.</al><al>2. Ook is opgenomen dat bij weigeren of onder voorschriften verlenen van een
                    vergunning de boomwaarde als motivering gebruikt kan worden. Ook hier geldt de
                    bij artikel 1 lid 3 besproken noodzaak van eenheid in financiële benadering en
                    de voorzichtige toepassing hiervan. </al><al>3. Verwijzen naar bestemmings-, groen-, bomen-, of landschapsplan is zinvol voor
                    de eenheid en duidelijkheid in beleid. Het beschermen van houtopstand die deel
                    uitmaakt van de lokale of landelijke ecologische hoofdstructuur is een voorbeeld
                    van een consequente uitvoering van beleidsvoornemens en sluit aan bij het begrip
                    ecologische hoofdstructuur van het Nationaal Natuurbeleidsplan.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.6 Bijzondere vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>1.De algemene bevoegdheid om aan de vergunning voorschriften te verbinden,
                    vloeit reeds voort uit artikel 1.4 van de APV. Ook zonder uitdrukkelijke
                    bepaling kan, blijkens jurisprudentie, een herplantplicht worden opgelegd en
                    kunnen daarbij aanwijzingen worden gegeven of een termijn gesteld.</al><al>Gezien het feit dat dit voorschrift ingrijpend kan zijn, is het toch wenselijk
                    ter zake een uitdrukkelijke bepaling op te nemen. Deze herplantplicht heeft een
                    andere strekking dan de herplantplicht krachtens artikel 3 van de Boswet. Daar
                    is zij gericht op het behoud van het bosareaal (vandaar dat herplanten elders
                    mogelijk is); bij de gemeente geschiedt een eventuele herbeplanting om redenen
                    van behoud van natuur- of landschapswaarden, stads- en dorpsschoon of
                    leefbaarheid, en zal zij vaak zoveel mogelijk ter plaatse moeten gebeuren. </al><al>Behalve een termijn kan het college ook aanwijzingen geven met betrekking tot de
                    herplantplicht. Denkbaar is dat een andere boomsoort wordt voorgeschreven (bij
                    voorbeeld iepen die beter bestand zijn tegen iepziekte). Bij vervanging van een
                    grote boom kan worden gedacht aan herplanting van een boom van vergelijkbare
                    grootte of aanplant van meer dan een boompje. Uiteraard dient herplant
                    bosbouwkundig verantwoord te zijn. Betreft het houtopstand buiten de bebouwde
                    kom, behorende bij een ‘klein’ bos van een geregistreerde bosbouwonderneming,
                    dan moet rekening worden gehouden met een eventueel bosbouw- of bosbeheerplan in
                    het kader van de Boswet.</al><al>2. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om aan de in het eerste lid genoemde
                    herplantplicht inboet- dan wel wijzigingsverplichtingen op te leggen. Dit geldt
                    voor de eigenaar, de zakelijk gerechtigde, maar ook voor de degene die grond van
                    deze koopt; de rechtsopvolger</al><al>3. Het derde lid is opgenomen uit natuurbeschermingsoogpunt voor bijzonder flora
                    en fauna in en rond een houtopstand. Hierbij kan een koppeling gemaakt worden
                    met bijvoorbeeld de Vogelwet. De procedure rond kapvergunningaanvragen lijkt de
                    goede mogelijkheid en een juist moment om burgers meer natuurbewust te maken.
                    Enkele gemeenten noemen reeds als voorschrift, of aanbeveling bij de vergunning:
                    niet vellen in het broedseizoen. Een ander voorschrift zou kunnen zijn om de
                    tijd van het vellen te beperken tot een periode van november tot maart.</al><al>6. Het college kan aan de kapvergunning de voorwaarde verbinden dat per gevelde
                    boom een bepaalde bijdrage dient te worden voldaan. Dit zal zich met name
                    voordoen wanneer een herplantplicht niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege
                    bouwactiviteiten. Met deze bijdrage kan compensatiebeplanting op een andere
                    locatie plaatsvinden.</al><al> De hoogte van de bijdrage is afhankelijk van de volgens de richtlijnen van de
                    Nederlandse vereniging van Taxateurs van bomen en houtige gewassen berekende
                    waarde van de gevelde houtopstand.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.7 Van kracht worden vergunning</cursief></al><al>Dit artikel is opgenomen om te vermijden dat de boom al gekapt is voordat derden
                    kennis van de kapvergunning hebben kunnen nemen.Wel is de redactie ten opzicht
                    van de redactie van de oude Bomenverordening Landgraaf 1996 aangepast om het
                    initiatief tot het tegenhouden van het kappen op grond van een kapvergunning
                    nadrukkelijk te leggen bij een belanghebbende reclamant. Deze zal niet alleen
                    een bezwaarschrift moeten indienen om het kappen tegen te houden maar zal
                    daartoe ook een verzoek bij de voorzieningenrechter moeten indienen ex artikel
                    8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.8 Vervaltermijn vergunning </cursief></al><al>Dit artikel is nodig om misbruik van (zeer) oude kapvergunningen tegen te gaan.
                    Bomen groeien immers verder.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.9 Herplant-/instandhoudingsplicht</cursief></al><al>1. Burgemeester en wethouders kunnen bij een velling zonder vergunning, een
                    illegale velling, bij een verbod tot vellen dan wel een op andere wijze
                    tenietgegane houtopstand de aansprakelijk te stellen rechtspersoon (zakelijk
                    gerechtigde of andere bevoegde persoon) de verplichting tot herplant
                    opleggen.</al><al> De plicht tot herbeplanting geschiedt om redenen van behoud van natuur- of
                    landschapswaarde, stads- en dorpsschoon, recreatieve of beeldbepalende waarde en
                    dient in dit licht zoveel mogelijk ter plaatse te worden vervuld. Hieruit volgt
                    dat een herplantplicht slechts opgelegd kan worden, wanneer hieruit een herstel
                    van de verloren waarden kan voortkomen.</al><al> Een herplantplicht kan inhouden dat er meer bomen of zelfs struiken worden
                    geplant dan er eerst waren. Herstel in de vorige toestand kan ook betekenen het
                    laten uitvoeren van zodanige maatregelen dat de vorige toestand zoveel mogelijk
                    wordt benaderd en indien niet anders mogelijk zelfs pas na verloop van
                    tijd.</al><al> Het in het eerste lid opgenomen ‘dan wel op andere wijze tenietgegaan’ maakt
                    het mogelijk dat het college ook een verplichting tot herplantplicht kan
                    opleggen, als de houtopstand teniet is gegaan door verwaarlozing of door een
                    calamiteit.</al><al> Oplegging van een herplantplicht is in beginsel ook denkbaar, als houtopstand
                    teniet is gegaan door een velling ingevolge de Plantenziektewet of een velling
                    in het kader van een instandhoudingsplicht krachtens artikel 1.9, derde lid, dan
                    wel op grond van bepalingen van de APV, bij voorbeeld in verband met de
                    verkeersveiligheid. </al><al>2. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om aan de in het eerste lid genoemde
                    herplantplicht inboet- dan wel wijzigingsverplichtingen op te leggen.</al><al>3. Het derde lid betreft houtopstand die nog wel in leven is, maar waarvan
                    redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij binnen afzienbare tijd zal teniet
                    gaan. Wanneer de strekking van de kapverordening beter is gediend met het behoud
                    van bestaande bomen dan met de vervanging ervan, kan de zakelijk gerechtigde
                    worden verplicht tot het in stand houden van dergelijke bomen. Deze verplichting
                    kan inhouden het ongedaan maken of voorkomen, voor zover mogelijk van
                    (dreigende) ernstige beschadiging of aantasting ten gevolge van
                    weersomstandigheden, ziekten, verwaarlozing, vraat door dieren, het weghalen van
                    bosstrooisel, bouw- en sloopwerkzaamheden, het aanleggen van
                    terreinverhardingen, het storten van afval, het wijzigen van de grondwaterstand,
                    enz.</al><al> Op bouwterreinen is bij voorbeeld het volgende van belang:</al><al>Verkeer, machines, (bouw)keten, materiaalopslag en het verbranden van afval
                    onder de kroon kunnen een boom ernstig beschadigen of in gevaar brengen.</al><al>Een hek, dat op tijd is geplaatst, houdt allerlei oorzaken van beschadiging
                    onder de kroon vandaan. Het hek moet ongeveer even ruim om de boom staan als de
                    kroon breed is.</al><al>Het leggen van rijplaten gaat verdichting van de grond tegen.</al><al>Afgraven van de bovenste decimeters van de grond ontneemt de boom het meeste
                    voedsel en ook een groot deel van de fijne wortels.</al><al>Ophogen van de grond, vooral met klei, kan bomen doen verstikken.</al><al>Bestraten of verharden onder de boom leidt tot een tekort aan lucht en vocht,
                    vooral bij gebruik van beton of asfalt. Eventueel kan worden gewerkt met de
                    minder schadelijke ‘groensteen’.</al><al>Een boom is geen paal. Kabelstroppen om stam of takken of het vast spijkeren van
                    latten geven grote wonden.</al><al>Beschadigingen en wonden moeten op tijd worden behandeld. Inrotting wordt
                    voorkomen door plekken glad af te werken en met balsem te bedekken. De
                    verplichting tot instandhouding behoeft niet te betekenen dat van een boomgroep
                    alle bomen moeten blijven staan. Om besmetting met ziekten te voorkomen kan zo
                    nodig de verplichting worden opgelegd bepaalde bomen te kappen en van het
                    terrein te verwijderen. Bij een sterk verouderd bomenbestand kan het aanbeveling
                    verdienen het bestand te kappen onder het opleggen van een herplantplicht.</al><al> Onderhoudsmaatregelen hoeven zich niet te beperken tot de boom zelf, maar
                    kunnen zich ook uitstrekken tot de omgeving daarvan (bijvoorbeeld het weghalen
                    puin of afval en het ploffen van de grond om verdichting ongedaan te
                    maken).</al><al> De instandhoudingsverplichting krachtens artikel 1.9 mag uiteraard niet leiden
                    tot strijd met verplichtingen krachtens hogere regelingen, zoals bij voorbeeld
                    de Plantenziektewet.</al><al>4. Wanneer men niet aan de herplantplicht kan voldoen of de aanwijzingen en
                    richtlijnen daarvoor niet kan opvolgen bijvoorbeeld door ruimte gebrek, dan kan
                    op grond van de boomwaarde en/of vervangingswaarde van de houtopstand een
                    bijdrage worden gedaan om op een andere locatie de herplant uit te voeren.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.10 Schadevergoeding</cursief></al><al>Dit artikel is gebaseerd op artikel 17 van de Boswet dat voorschrijft dat de
                    gemeentelijke verordening een orgaan aanwijst, dat beslist op verzoeken om
                    schadevergoeding.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.11 Afstand van de erfgrenslijn</cursief></al><al>De nieuwe leden één en twee van artikel 42 Boek 5 (nieuw) Burgerlijk Wetboek
                    geven weliswaar het bekende rooirecht voor bomen binnen twee meter en heesters
                    en hagen binnen en halve meter van de erfgrenslijn. Maar in artikel 5:42 lid 2
                    is in afwijking van het oude B.W. toegevoegd: “tenzij ingevolge een verordening
                    of een plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten”. Daarom is in
                    deze verordening dit nieuwe artikel toegevoegd dat de erfgrensafstand
                    aanzienlijk verkleint. Met “nihil” voor heggen en heesters is bedoeld deze
                    natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te
                    maken. Vele bomen en heesters zullen door deze afstandverkleining beter
                    beschermd, misschien wel gespaard worden. </al><al>De juridische mogelijkheden voor burenruzies zijn hiermee enigszins
                    verminderd.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.12 Bestrijding van iepziekte</cursief></al><al>Om de ziekte tegen te gaan is het noodzakelijk alle iepen, zowel op particuliere
                    terreinen als op publiekrechtelijk beheerde terreinen tweemaal per groeiseizoen
                    te controleren op de aanwezigheid van de ziekte.</al><al>In artikel 1.2, derde lid, onder a is de opheffing van het kapverbod geregeld
                    indien sprake is van een aanschrijving die leidt tot het vellen van een
                    boom.</al><al>De verantwoordelijkheid voor bestrijding van de iepziekte ligt voornamelijk bij
                    gemeenten. Die verantwoordelijkheid krijgt vorm door een consequente uitvoering
                    en handhaving van dit voorschrift. </al><al>Dit artikel is aangepast door de term ‘ontschorsen’ is veranderd in ‘ontbasten’.
                    Daar een bast meer materie is dan enkel de schors en het noodzakelijk is dat de
                    gehele bast wordt verwijderd.</al><al/><al><cursief>Artikel 1.13 Bescherming bomen</cursief></al><al>Omdat in het verleden steeds naar een hoge mate van volledigheid en
                    duidelijkheid is gestreefd, is dit artikel expliciet opgenomen.</al><al>Strikt genomen valt een deel van deze strafrechtelijke boombescherming ook onder
                    artikel 4.6.1. en 4.6.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening.</al><al/><al><vet>Afdeling 2 Het bewaren van monumentale bomen</vet></al><al><cursief>Artikel 2.1 Monumentale bomen</cursief></al><al>Een artikel om gemeenten een paar algemene richtlijn en te geven waaraan een
                    lokale monumentale bomenlijst minimaal moet voldoen. Belangrijk is om de
                    eigenaar en /of zakelijk gerechtigde en het kadastraal perceelsnummer te kennen. </al><al/><al>Artikel 2.2 Bijdrageregeling monumentale bomen</al><al>1. Bewust is gekozen voor het expliciet noemen van bomen en andere houtopstanden
                    vanwege de grotere ecologische waarde die bomen en/of heesters juist in
                    samenhang met elkaar vormen.</al><al>2. Deze lijst is een niet limitatieve opsomming van maatregelen. Er zijn dus
                    meerdere maatregelen die mogelijk voor bijdrage in aanmerking komen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.3 Procedure bijdrageregeling monumentale bomen</cursief></al><al>Dit artikel regelt de procedure om in aanmerking te komen voor een bijdrage
                    zoals in het vorige artikel 2.2. eerste lid is aangegeven. Een verzoek dient
                    schriftelijk bij burgemeester en wethouders te worden ingediend. Indien er
                    sprake is van een gebruiker en een eigenaar van de grond dienen beiden de
                    aanvraag te ondertekenen. De aanvraag wordt in behandeling genomen indien tevens
                    een overzicht van de uit te voeren werkzaamheden en een begroting daarvan worden
                    overlegd. </al><al>De aanduiding van boomverzorger in het vierde lid is verkozen boven
                    boomverzorgingsbedrijf om niet aan het juridische vereiste van een
                    bedrijf/onderneming te hoeven voldoen. De deskundigheid staat immers voorop. De
                    gemeente zal de bijdrage moeten toetsen naar de financiële draagkracht van
                    aanvrager en de aard van de in de aanvraag voorgestelde maatregelen. </al><al>Conform de zorgvuldigheidsplicht van het openbaar bestuur kunnen B &amp; W de
                    aanvrager een termijn stellen om een onvolledig of foutief ingediende aanvraag
                    aan te vullen of te verbeteren. Doel van dit lid is overeenstemming te krijgen
                    over de begroting en de te verrichten werkzaamheden.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.4 Weigering bijdrage</cursief></al><al>Geen opmerkingen</al><al/><al><cursief>Artikel 2.5 Beslissingstermijn bijdrageregeling</cursief></al><al>De termijn van dit artikel spoort met de Algemene Wet Bestuursrecht.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.6 Hoogte van de bijdrage</cursief></al><al>Geen opmerkingen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.7 Gereedmelding</cursief></al><al>Geen opmerkingen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.8 Uitbetaling bijdrage</cursief></al><al>Geen opmerkingen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.9 Intrekking van de bijdrage</cursief></al><al>Geen opmerkingen.</al><al/><al><cursief>Artikel 2.10 Terugvordering van de bijdrage</cursief></al><al>Geen opmerkingen</al><al/><al><vet>Afdeling 3 Straf-, dwang- en slotbepalingen</vet></al><al>Het apart bijeenzetten van de strafbepalingen levert meer overzichtelijkheid op.
                    Er is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de APV en andere
                    wetgeving op dit vlak.</al><al><cursief>Artikel 3.1 Straf- en dwangbepaling</cursief></al><al>Omschrijft de strafbepaling. De strafmaatbepaling is overeenkomstig de grenzen
                    van artikel 154 van de Gemeentewet vastgesteld op een boetecategorie van de
                    tweede categorie. Alleen in geval van recidive is een boete/hechtenis van de
                    derde categorie mogelijk. Ten overvloede moet misschien opgemerkt worden dat bij
                    echte opzet en bij rechtspersonen een hogere boetecategorie kan gelden. Verder
                    blijken meerdaderschap en/of medeplichtigheid regelmatig voor te komen.
                    Expliciet is de mogelijkheid van openbaarmaking als extra straf toegevoegd. Hier
                    zijn de volgende redenen voor aan te geven:</al><lijst><li nr="·"><al>vaak zijn niet zulke hoge boetes op te leggen;</al></li><li nr="·"><al>meestal legt de rechter een straf op in overeenstemming met de ernst van
                            het</al><al> feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoonlijke
                            omstandigheden van de dader, zoals daarvan tijdens de terechtzitting is
                            gebleken.</al></li></lijst><al>De boom-/opbrengst- en/of vervangingswaarde is dan ook genoemd als één van de
                    vele factoren die meewegen, maar wel expliciet om het financiële te laten
                    meewegen. </al><al/><al><cursief>Artikel 3.4 Overgangsbepaling</cursief></al><al>Aangezien de nieuwe Bomenverordening Landgraaf 2004 een verdere deregulering
                    beoogt van de procedure met betrekking tot het kappen van bomen ligt het voor de
                    hand nog niet afgehandelde vergunningaanvragen, ingediend voor de datum
                    inwerkingtreding van deze verordening, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding
                    van deze verordening af te handelen overeenkomstig het regime van de nieuwe
                    verordening.</al><al/><al><cursief>Artikel 3.6 Inwerkingtreding</cursief></al><al>Voor alle duidelijk wordt ten aanzien van artikel 3.6 “inwerkingtreding”
                    opgemerkt dat de verordening (afgezien van een eventueel referendum) op de
                    eerste dag na het verstrijken van de 3 wekentermijn (na publicatie) in werking
                    treedt. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>