<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR5239_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet kinderopvang 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2005-02-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amersfoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-02-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-02-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><cursief>Verordening</cursief></al><al>Reg.nr. 1568224</al><al>De raad van de gemeente Amersfoort;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 januari 2005,
                        sector WSO/MO (nr. 1598822);</al><al>gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang, artikel 147 eerste lid van de
                        Gemeentewet en op de Algemene wet bestuursrecht; </al><al>gezien de brief van 18 augustus 2004 van de minister van Sociale Zaken en
                        Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, waarin hij
                        aankondigt artikel 6 eerste lid, onder k, artikel 6, eerste lid onder l, en
                        artikel 23 van de Wet kinderopvang vooralsnog niet per 1-1-2005 in werking
                        te laten treden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening en
                        de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten van
                        kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al>b e s l u i t: </al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b"><al>de wet: de Wet kinderopvang</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de partner
                                        en, indien dit een ander adres is dan het adres van de
                                        ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                        kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking
                                        heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                        gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in
                                        ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang
                                        per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                        opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat
                                        de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                        artikel 22 van de wet; </al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                        besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een
                                door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste acht weken verdagen.
                                    Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                                    de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst
                                    is genomen.</al></li><li nr="2."><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang in overeenstemming met de aanvraag zal
                                    plaatsvinden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van ten hoogste een
                            kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang
                            dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie
                            van zorg met arbeid, opleiding, of traject.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de
                                    ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>het bedrag dat wordt verleend en de manier waarop dit bedrag is
                                    berekend;</al></li><li nr="f."><al>de manier waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald.</al></li><li nr="2."><al>Uitbetaling van het voorschot vindt plaats op
                                    declaratiebasis.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFSTUK</label><nr>4</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder verstrekt binnen acht weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                    periode. </al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na
                                    ontvangst van het overzicht van de kosten vast. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen zes weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                    bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling
                                    van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                    vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></li><li nr="2."><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                    binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                    aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                                    van belang zijn.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFSTUK</label><nr>6</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Indien de toepassing van de verordening zou leiden tot onbillijkheden
                            van overwegende aard, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de
                            bepalingen in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Wet kinderopvang
                            gemeente Amersfoort.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 2 februari 2005 en
                            werkt terug tot 1 januari 2005. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 1 februari 2005 .</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>PUBLICATIEDATUM: </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>INLEIDING</vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang in werking. De Wet kinderopvang
                    beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en zorg te
                    combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op de Wet kinderopvang.
                    Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen op de gemeente
                    voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor kinderopvang. De
                    vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor kinderopvang wordt
                    aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang (gemeente)’. </al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben
                    betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de
                    tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze wettelijke opdracht. </al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële middelen door een
                    bestuursorgaan verstrekt met het oog op een bepaalde activiteit van de
                    aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over subsidies is van
                    toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de verstrekking van
                    tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten drie regelingen
                    van toepassing zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wet kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>de Wet kinderopvang; </al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 van de Awb.</al></li></lijst><al>De vraag is aan de orde wat de verhouding is tussen de verordening kinderopvang
                    en de algemene subsidieverordening, en meer in het bijzonder of de algemene
                    subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de kosten van
                    kinderopvang. Deze verordening is zo opgezet dat hij geheel los staat van de
                    algemene subsidieverordening. In dat geval is de algemene subsidieverordening
                    niet van toepassing op de verstrekking van tegemoetkomingen. Het principe geldt
                    dan dat de meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene regeling. </al><al><vet>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE TEGEMOETKOMINGEN</vet></al><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                    tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd. Daarbij zijn twee uitgangspunten
                    gehanteerd. Het eerste uitgangspunt is dat de uitvoeringslasten voor zowel de
                    gemeente als de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten
                    zijn. Het tweede uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn
                    met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar zijn. </al><al><cursief>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke uitgaven te
                        bevorderen</cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een zogeheten
                    ‘open-einde regeling’. Dit betekent dat iedereen die op grond van de wet behoort
                    tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak heeft op een tegemoetkoming van de
                    gemeente. </al><al>Om de gemeente in staat te stellen de kosten die gepaard gaan met de
                    verstrekking van de tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in de
                    verordening de volgende bepalingen opgenomen: </al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming wordt aan beperkingen
                            gebonden. De tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                            kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                            redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                            mogelijk te maken.</al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht verstrekt. Een
                            gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt met ingang van het tijdstip
                            waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst
                            is genomen. </al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er daadwerkelijk
                            kinderopvang plaatsvindt. </al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt maandelijks uitbetaald op declaratiebasis.
                            Hierdoor blijft de omvang van eventuele onverschuldigde betalingen die
                            de gemeente van de ouders moet terugvorderen, beperkt. </al></li></lijst><al><cursief>Tegemoetkomingen voor de duur van een kalenderjaar</cursief></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur één kalenderjaar.
                    Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de betalingen door de
                    Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent dat een tegemoetkoming elk jaar
                    opnieuw moet worden aangevraagd. Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen
                    waarin bij de aanvraag reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming
                    beperkt is tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                    reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum waarop het
                    kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).</al><al><cursief>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen</cursief></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen. Hiermee
                    wordt aangesloten bij de Awb. De eerste stap is de beschikking tot het verlenen
                    van de tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de tegemoetkoming
                    een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De
                    aanspraak is voorwaardelijk omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven
                    nog niet zeker is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van
                    kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                    voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een rechtens
                    afdwingbare aanspraak.</al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming. In
                    deze beschikking wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger aan de gestelde
                    voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het uiteindelijke bedrag van de
                    tegemoetkoming is. Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de
                    tegemoetkoming definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld kan de
                    gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                    gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders
                    van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><al><vet>AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPEN</vet></al><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                    gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze criteria
                    zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen. Gemeenten hebben
                    bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkoming dus geen
                    beleidsvrijheid</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Overwegingen</titel></kop><al>Bij brief van 18 augustus 2004 aan de Tweede Kamer heeft de minister van
                        Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd dat artikel 6, eerste lid
                        onder k en l, en artikel 23 van de Wet Kinderopvang in 2005 nog niet in
                        werking zullen treden. In de Wet kinderopvang heeft de minister namelijk de
                        bevoegdheid gekregen om de inwerkingtreding van deze wet bij Koninklijk
                        Besluit te regelen, waarbij hij al dan niet onderdelen op verschillende
                        tijdstippen kan vaststellen.</al><al>Dit besluit van de minister heeft tot gevolg dat de in de wet gedefinieerde
                        sociaal-medische doelgroep in 2005 geen aanspraak heeft op tegemoetkomingen
                        op grond van de Wet kinderopvang. Tevens kan de gemeente niet op basis van
                        (artikel 23 van) de wet Kinderopvang besluiten afgeven waarin ouders tot
                        deze doelgroep worden gerekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook van
                        toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet
                        gedefinieerde begrippen zijn aangevuld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college (artikel
                        26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om het college van de gemeente waar
                        de ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                        schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een jaar wordt verstrekt (artikel
                        4.4) moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor de
                        aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient het aanbeveling het
                        aanvraagformulier voor een vervolgaanvraag aan de ouders toe te sturen,
                        waarbij het formulier reeds is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente
                        bekend zijn. De ouders hoeven dan alleen de mutaties op het
                        aanvraagformulier aan te geven. </al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van het
                        aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden aangevraagd. Een
                        verlaging van de tegemoetkoming in verband een vermindering van de omvang
                        van de kinderopvang hoeft niet te worden aangevraagd. De ouder moet hiervan
                        wel onmiddellijk mededeling doen aan het college (artikel 28, derde lid, Wet
                        kinderopvang en artikel 16, eerste lid). </al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                        contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                        verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                        tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over
                        een offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract
                        kan de gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen. Het
                        kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                        ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerst lid, Wet
                        kinderopvang).</al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                        verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort
                        tot een gemeentelijke doelgroep. Welke gegevens moeten worden toegevoegd
                        staat aangegeven op het aanvraagformulier. In een aantal gevallen kan de
                        ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente over
                        de gegevens beschikt. </al><al>In het derde lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner heeft,
                        deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                        volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                        neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Artikel 3 Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de aanvraag
                        van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een tegemoetkoming.
                        Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor
                        aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van een tegemoetkoming
                        en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding
                        van de omvang van de kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een
                        beslistermijn van ten hoogste acht weken die eventueel met acht weken kan
                        worden verlengd. </al><al>De beslistermijn van acht weken heeft ook gevolgen voor de datum waarbinnen
                        aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om
                        er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden
                        voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari
                        bij de gemeente moeten indienen. </al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te beslissen
                        over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard niet zeggen dat het
                        college deze termijn ook in alle gevallen moet benutten. De gemeente zal er
                        naar moeten streven de behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te
                        houden en met name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te
                        handelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal gronden
                        om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringsgronden zijn van
                        toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden
                        geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de
                                daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de
                                vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts in
                        ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste
                                beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of </al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend
                                of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke
                                personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe
                                bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming.
                        Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de gemeente
                                in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie zal de ouder
                                op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds kinderopvang
                                hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er in
                                overeenstemming met de aanvraag kinderopvang plaatsvindt. </al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                        kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                        gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten van
                        artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt gevraagd.
                            </al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop
                        de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de
                        tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                        verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                        terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst is
                        genomen. </al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van toepassing
                        op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                        tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag daarvoor
                        door het college in ontvangst is genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                        Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de
                        tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                        betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een
                        tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen. Dit
                        is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode recht
                        heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een reïntegratietraject
                        voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van verstrekking van de
                        tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het reïntegratietraject (of een
                        andere vorm van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de
                        verstrekking van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen
                        eventueel ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om per geval te beoordelen
                        hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die
                        hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de
                        omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is om arbeid en zorg te
                        combineren, zal ook rekening moeten worden gehouden met omstandigheden als
                        een handicap of chronische ziekte van de ouder(s) of een beperking die de
                        huiselijke situatie meebrengt voor de goede en gezonde ontwikkeling van het
                        kind. Voor deze beoordeling heft geen advies te worden aangevraagd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van
                        de tegemoetkoming wordt vastgesteld.In de beschikking moet onder
                        andere de wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld
                        (onderdeel f). Artikel 13 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de vorm
                        van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g schrijft voor dat in de
                        beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet
                        aan de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht
                                te verstrekken van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode; </al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot en
                                met derde lid, Wet kinderopvang;</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                        voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                        waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen
                        (indien de aanvraag het gehele jaar betreft). De gemeente betaalt de
                        tegemoetkoming uit aan de ouder. Het tweede lid vermeldt dat het voorschot
                        wordt uitbetaald op declaratiebasis. De ouder kan, al dan niet op verzoek
                        van het kindercentrum of het gastouderbureau, de gemeente machtigen om de
                        betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum of gastouderbureau te doen.
                        Deze machtiging verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de
                        gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening van het
                        kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een betaling van de
                        tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een subsidie
                        (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen
                        houdt in dat het college op eigen initiatief de tegemoetkomingen vaststelt.
                        De ouders hoeven geen aanvraag tot het vaststellen van de tegemoetkoming bij
                        het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen acht weken na afloop van de periode
                        waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de
                        feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken. Als een
                        tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend, dient het overzicht van de
                        kosten uiterlijk acht weken na 31 december bij het college te worden
                        ingediend. Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht
                        zijn dat door het kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een
                        verzameling van maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de
                        tijd om de tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente
                        een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                        gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de
                        houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald wat
                        precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft aangevraagd
                        recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de beschikking tot
                        verlening van de tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het
                        vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt
                        vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking
                        tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal
                        uren. In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel
                        worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                        tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                        betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond
                        van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan
                        de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel
                                hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
                                een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou
                                hebben geleid, of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger
                                dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de
                        subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten
                        waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als
                        noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie
                        niet in aanmerking genomen’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te betalen
                        deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger bedrag heeft
                        uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het te veel betaalde
                        bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in artikel 38 Wet
                        kinderopvang (zie ook de toelichting bij artikel 16).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in artikel
                        28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang. Volledigheidshalve wordt
                        deze verplichting hier herhaald. </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van
                        een kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                        verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders alle
                        gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op de
                        tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                        onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang; </al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot gemeentelijke
                                doelgroep). </al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                        onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan het
                        college de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van de
                        tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                        terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke
                        boete aan de betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op de twee
                        maatregelen nader ingegaan.</al><al><vet>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                            tegemoetkoming</vet></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming in
                        de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                        teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden: a. de
                        situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld en b. de situatie
                        waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of
                            wijzigen van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming (artikel
                            4:48 Awb)</cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                        beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele van
                        de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of niet
                                geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige gegevens
                                heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens
                                tot een andere beschikking op de aanvraag tot verlening van de
                                tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                        subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                        bepaald.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)</cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot dat
                        het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of gewijzigd.
                        Het college kan al eerder besluiten de betaling van de tegemoetkoming op te
                        schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het college de verplichting tot
                        betaling van een voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het
                        college aan de ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden
                        dat er grond bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                        in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de dag
                        waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of
                        de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien
                        weken zijn verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of wijzigen
                            van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49 Abw)</cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                        gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in
                        te trekken of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te wijzigen.
                        Het gaat om de volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het college bij de
                                vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte
                                kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan
                                overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de ontvanger
                                van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van de
                                tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming verbonden
                                verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van
                        de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken sinds de
                        dag waarop zij is bekendgemaakt. </al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                        tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd, kan
                        de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder terugvorderen. </al><al>In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en
                        bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige
                        toepassing verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit
                        betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden
                        verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het
                        besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd
                        worden vermeld (artikel 60, eerste lid WWB). </al><al><vet>De bestuurlijke boete</vet></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het college
                        in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De bestuurlijke
                        boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang. Een bestuurlijke
                        boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke
                        verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op bestraffing van
                        de overtreder (artikel 1, eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het
                        betreffende bedrag komt toe aan de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet
                        kinderopvang). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                        inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                        volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door het
                                college te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede lid, Wet
                                kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan het
                                college van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde lid,
                                Wet kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel 72,
                        eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van de
                        hoogte van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                        Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte van de boete
                        wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                        overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin die
                        persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk
                        geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het college géén
                        bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende
                        situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                bestuurlijke boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een
                                bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in de
                        artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Door vertraging in het wetgevingstraject is de oorspronkelijke planning van
                        het implementatietraject door gemeenten met name in 2004 onder steeds
                        groeiende tijdsdruk komen te staan. De wet in werking treedt op 1 januari
                        2005, de verordening kan pas later worden vastgesteld. Om aan de wettelijke
                        verplichtingen te kunnen voldoen vanaf 1 januari treedt de verordening in
                        werking met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>