<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR52359_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:creator><dcterms:modified>2007-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oss Actueel 03-01-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Oss.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147, eerste lid Gemeentewet, artikel 8 Wet inburgering, artikel 19, vijfde lid Wet inburgerming, artikel 23, derde lid Wet inburgering en artikel 35 Wet inburgering</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-03-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>PWI</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De raad van de nieuwe gemeente Oss heeft in het kader van de samenvoeging Oss-Lith deze regeling op 03-01-2011 geldend verklaard voor de nieuwe gemeente Oss</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oss;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24-10-2006; </al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde lid, 23, derde lid en 35 van de Wet
                        inburgering;</al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening aan bijzondere groepen
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening is vastgesteld,
                        alsmede dat de raad bij verordening het bedrag dient vast te stellen van de
                        bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden
                        opgelegd;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>VERORDENING WET INBURGERING</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Oss;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet en de daarop berustende
                                regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in deze
                                verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                            doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten
                            en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang
                            tot inburgeringsvoorzieningen. De wijze van informatieverstrekking is
                            vastgelegd in het ‘communicatieplan Wet inburgering’ dat deel uitmaakt
                            van de beleidsnotitie inburgering regio Maasland 2007 – 2010 vastgesteld
                            d.d. 21-12-2006.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van in inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bepalen van de doelgroepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt de groepen inburgeringsplichtigen waaraan een
                                inburgeringsvoorziening wordt aangeboden</al><lijst><li nr="a."><al>als bedoeld in artikel 19, eerste lid van de wet;</al></li><li nr="b."><al>als bedoeld in de beleidsnotitie inburgering regio Maasland
                                        2007 – 2010 vastgesteld d.d.</al><al> 21-12-2006. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan prioriteiten stellen in de doelgroepen die een
                                inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening, met uitzondering van
                                de inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren, af op het
                                startniveau en de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de
                                maatschappelijke positie van de inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige ook een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt het college er zorg
                                voor dat de inburgeringsvoorziening en de voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling op elkaar worden afgestemd. De voorziening wordt
                                alleen aangeboden als deze arbeidsmarktrelevant is en de voorziening
                                de mogelijkheid tot structurele inschakeling in het arbeidsproces
                                binnen een redelijke termijn vergroot.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening kan naast een cursus die toe leidt naar
                                het inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van het
                                inburgeringsexamen meerdere onderdelen bevatten waaronder in ieder
                                geval trajectbegeleiding en maatschappelijke begeleiding van
                                asielgerechtigden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in ten hoogste 10 maanden betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in de beschikking tot toekenning van een
                                inburgeringsvoorziening de termijnen van betaling vast. Als het
                                college de eigen bijdrage wil verrekenen met de algemene bijstand,
                                wordt dat in de beschikking vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college sluit bij de inning van de eigen bijdrage aan bij de
                                geldende betalingssystematiek van de afdeling Werk en Inkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer
                            van de volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>Het deelnemen aan de aangeboden inburgeringscursus;</al></li><li nr="b."><al>Het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>Het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>Voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>Het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt toegezonden op het
                                adres waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke
                                basisadministratie is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening die wordt aangeboden en van de rechten en
                                verplichtingen die aan de inburgeringsvoorziening worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige aan wie een aanbod wordt gedaan, dient
                                binnen 2 weken voor akkoord te tekenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, neemt het
                                college binnen 2 weken na ontvangst van deze akkoordverklaring het
                                besluit tot toekenning van de inburgeringsvoorziening,
                                overeenkomstig het gedane aanbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot toekenning van een inburgeringsvoorziening bevat in
                            ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>Een beschrijving van de inburgeringsvoorziening</al></li><li nr="b."><al>Een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige;</al></li><li nr="c."><al>De datum waarop het inburgeringsexamen moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>De termijnen en wijze van betaling; en</al></li><li nr="e."><al>Ingeval van een oudkomer: de datum waarop de termijn van
                                    handhaving van de inburgeringsplicht, bedoeld in artikel 26 van
                                    de wet, aanvangt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ₠ 250,= indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraag ₠ 500,= indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening,
                                bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de
                                verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze verordening. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ₠ 500,= indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ₠ 1.000,= indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 33 van de wet vastgestelde termijn het inburgeringsexamen
                                heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Oss.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 21 december 2006.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de griffier, drs. J.J. Braam</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, H.W.M. Klitsie.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>De Wet inburgering (WI) treedt op 1 januari 2007 in werking en komt in de plaats
                    van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) en de verschillende
                    oudkomersregelingen. De WI regelt de inburgeringsplicht voor in beginsel alle
                    onderdanen van derdelanden van 16 tot 65 jaar die duurzaam in Nederland willen
                    en mogen verblijven. </al><al>Bij het invulling geven van de inburgeringsverplichting staat de eigen
                    verantwoordelijkheid (ook in financiële zin) van de inburgeringsplichtige
                    centraal. De inburgeringsplichtige kan naar eigen inzicht bepalen hoe hij zich
                    wil voorbereiden op het inburgeringsexamen. Aan de inburgeringsplicht is voldaan
                    wanneer het inburgeringsexamen is behaald (een resultaatsverplichting).</al><al>Gemeenten krijgen in de WI een aantal belangrijke taken toebedeeld. Zo hebben
                    gemeenten de opdracht om de inburgeringsplichtigen in de gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. Daarnaast
                    hebben gemeenten de taak aan bepaalde groepen inburgeringsplichtigen een
                    inburgeringsvoorziening aan te bieden. Een inburgeringsvoorziening leidt
                    inburgeringsplichtigen toe naar het inburgeringsexamen. Ook moeten gemeenten de
                    inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen handhaven. Het college moet een
                    bestuurlijke boete opleggen als een inburgeringsplichtige zich verwijtbaar niet
                    houdt aan de verplichtingen die voor hem gelden.</al><al>In verband met deze taken draagt de WI gemeenten op om bij verordening regels te
                    stellen over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 WI).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen
                            aan bijzondere groepen inburgeringsplichtigen en over de rechten en
                            plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en
                            artikel 23, derde lid WI).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 WI).</al><al>Regels over de infomatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</al><al>Artikel 8 WI bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en
                            plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van
                            inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen.</al><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                            inburgeringsvoorzieningen</al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. Voor een aantal bijzondere groepen biedt de wet
                            extra faciliteiten. Gemeenten krijgen de taak om voor deze groepen
                            inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening aan te bieden. Het
                            gaat om de volgende vier groepen inburgeringsplichtigen:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuw- en oudkomers die algemene bijstand of een uitkering
                                    ontvangen die is aangewezen in het Besluit inburgering;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk, algemene bijstand of
                                    uitkering hebben;</al></li><li nr="3."><al>asielgerechtigde nieuw- en oudkomers;</al></li><li nr="4."><al>nieuw- en oudkomers die werkzaam zijn als geestelijke
                                    bedienaar.</al></li></lijst><al>Aan inburgeringsplichtigen die behoren tot de eerste twee groepen
                            (nieuw- en oudkomers die een algemene bijstand of een nader aangeduide
                            uitkering ontvangen en oudkomers die zelf geen inkomsten uit werk of
                            uitkering hebben) kán het college een inburgeringsvoorziening aanbieden
                            (artikel 19, eerste lid, WI). Het college is verplicht een
                            inburgeringsvoorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde
                            inburgeringsplichtigen (oud- en nieuwkomers) en aan nieuw- en oudkomers
                            die werkzaam zijn als geestelijke bedienaar (artikel 19, tweede lid,
                            WI).</al><al>Het aanbod behelst een inburgeringsvoorziening die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen en het eenmaal gratis afleggen van dat examen. Voor
                            asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een
                            inburgeringsvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding.</al><al>De WI draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen aan deze
                            vier groepen. In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in
                            ieder geval regels moeten worden gesteld:</al><lijst><li nr="–"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen
                                    van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                    lid, onderdeel a, WI).</al></li><li nr="–"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                                    aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a,
                                    WI).</al></li><li nr="–"><al>De vaststelling door het college van een passende
                                    inburgeringsvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                                    de samenstelling van de inburgeringsvoorziening (artikel 19,
                                    vijfde lid, onderdeel b, WI).</al></li><li nr="–"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Deze regels hebben in
                                    ieder geval betrekking op de inning van de eigen bijdrage door
                                    het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                                    (artikel 23, derde lid, WI).</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de bedragen van de bestuurlijke boete</al><al>Artikel 35 WI draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen worden
                            gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Bestuit inburgering
                            en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al><al>Artikel 2 De informatieverstekking aan inburgeringsplichtigen </al><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                            Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke
                            wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt
                            georganiseerd. Wel bepaald artikel 8 WI dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                            gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod en de toegang
                            tot inburgeringsvoorzieningen.</al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                            Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders
                            vast te stellen voor een adequate informatievoorziening door het college
                            aan de inburgeringsplichtigen. Er kan ook voor worden gekozen om in de
                            verordening vast te leggen welke middelen het college (in ieder geval)
                            moet aanwenden om de informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen te
                            organiseren. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in
                            dit artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan
                            de inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van
                            de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af
                            aan de raad.</al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei
                            manieren worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart
                            informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al dan niet in
                            combinatie met een digitaal loket. Ook is het mogelijk om de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen bij
                            een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                            gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                            bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen.</al><al>Artikel 3 Bepalen van de doelgroepen</al><al>Artikel 19, eerste lid, WI bepaalt dat het college aan twee groepen
                            inburgeringsplichtigen een inburgeringsvoorziening kán aanbieden:</al><lijst><li nr="1."><al>inburgeringsplichtigen die algemene bijstand of een uitkering op
                                    grond van een bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen
                                    socialezekerheidswetten of socialezekerheidsregelingen
                                    ontvangen;</al></li><li nr="2."><al>oudkomers die geen inkomsten uit werk of uitkering hebben.</al></li></lijst><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels stellen met betrekking tot
                            de criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan deze
                            twee groepen inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel
                            a, WI). Dit artikel vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit
                            artikel wordt het college opgedragen om vast te stellen aan welke
                            groepen inburgeringsplichtigen (binnen de twee doelgroepen van artikel
                            19, eerste lid, WI) bij voorrang een inburgeringsvoorziening zal worden
                            aangeboden. Bovendien wordt in dit artikel vastgelegd binnen welke
                            kaders het college tot zijn keuze van doelgroepen moet komen. Het is van
                            belang dat deze kaders (in casu het aanwijzen van groepen waaraan een
                            inburgeringsvoorziening wordt aangeboden) niet te eng te definiëren. Het
                            college zal binnen deze kaders gedurende een aantal jaren groepen moeten
                            kunnen aanwijzen. Het alternatief is dat de verordening op dit onderdeel
                            steeds opnieuw moet worden gewijzigd. Een andere reden om de kaders niet
                            te strak vast te stellen is dat gemeenten op dit moment geen duidelijk
                            zicht hebben op de precieze omvang van de groep oudkomers zonder werk of
                            uitkering waaraan een inburgeringsvoorziening kan worden aangeboden. Te
                            strenge criteria zouden wel een kunnen leiden tot het niet benutten van
                            de beschikbare middelen voor het aanbieden van
                            inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Dit artikel regelt dat de groepen die het college aanwijst <cursief>bij
                                voorrang</cursief> een inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden.
                            Dit betekent dat het college de ruimte heeft om in bepaalde gevallen ook
                            een inburgeringsvoorziening aan te bieden aan inburgeringsplichtigen die
                            niet behoren tot de groep of de groepen die hij heeft aangewezen (maar
                            wel behoren tot de doelgroepen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, WI).
                            Om te voorkomen dat inburgeringsplichtigen die behoren tot de groep of
                            groepen die het college heeft aangewezen aan deze aanwijzing een recht
                            te gaan ontlenen op het krijgen van een aanbod, bepaalt dit artikel dat
                            het college aan de groepen die hij aanwijst een inburgeringsvoorziening
                                <cursief>kan</cursief> aanbieden.</al><al>Voorbeelden van criteria die in de verordening kunnen worden neergelegd
                            en op basis waarvan het college de doelgroep(en) kan aanwijzen
                            zijn:</al><lijst><li nr="–"><al>hebben van een opvoedingstaak;</al></li><li nr="–"><al>hebben van een relatief korte afstand tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="–"><al>een wijkgerichte aanpak;</al></li><li nr="–"><al>een bepaalde inkomensgrens;</al></li><li nr="–"><al>het ontvangen van een bepaalde uitkering;</al></li><li nr="–"><al>bevordering van emancipatie van vrouwen.</al></li></lijst><al>Gemeenten zouden er ook voor kunnen kiezen om geen voorrang te geven aan
                            specifieke groepen, maar in plaats daarvan prioriteit te geven aan oud-
                            en nieuwkomers die graag voor een inburgeringsvoorziening in aanmerking
                            willen komen (bijvoorbeeld voorrang op basis van eigen aanmelding of
                            gemotiveerdheid). Criteria op basis waarvan het college doelgroepen
                            aanwijst, kunnen ook worden ontleend aan andere beleidsterreinen, zoals
                            bijvoorbeeld ‘leefbaar, sociaal en veilig’. Daarmee kan de uitvoering
                            van de WI een onderdeel vormen van een integrale aanpak van sociaal
                            beleid.</al><al>Op grond van de actieve informatieplicht van het college aan de raad
                            (artikel 169, tweede lid, Gemeentewet) ligt het voor de hand dat het
                            college zijn besluit aan welke groepen inburgeringsplichtigen bij
                            voorrang een aanbod zal worden gedaan ter kennisname aan de raad
                            aanbiedt.</al><al>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening</al><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening,
                            met in begrip van de totstandkoming en samenstelling van de
                            inburgeringsvoorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In
                            dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college de
                            opdracht heeft voor iedere inburgeringsplichtige die daarvoor in
                            aanmerking komt, een op de persoon toegesneden inburgeringsvoorziening
                            samen te stellen.</al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende inburgeringsvoorziening moet vaststellen. Bij het bepalen van
                            de passendheid van een inburgeringsvoorziening, kunnen de volgende
                            factoren een rol spelen:</al><lijst><li nr="–"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar
                                    leercapaciteit.</al></li><li nr="–"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid of het opvoeden
                                    van kinderen.</al></li><li nr="–"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan bijvoorbeeld gedacht worden aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen.</al></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven.</al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt
                            is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod
                            voor een inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                            inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                            arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                                <onderstreept>moet</onderstreept> worden met een voorziening gericht
                            op arbeidsinschakeling (re-integratievoorziening) als een
                            inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan een inburgeringsplichtige
                            die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt op grond van een
                            andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling
                                <onderstreept>én</onderstreept> die verplicht is om arbeid om arbeid
                            te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid, WI). Indien in
                            deze specifieke situatie geen re-integratievoorziening wordt aangeboden,
                            kan de gemeente derhalve geen inburgeringsvoorziening aanbieden. Het
                            college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                            inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid, WI). Het tweede lid van
                            artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te zorgen
                            dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                            re-integratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van
                            de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of
                            –regelingen ook door andere partijen dan het college (kunnen) worden
                            verstrekt, zal het college afspraken moeten maken met de
                            verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling:
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                            eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 WI). </al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                            onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                            aanbieden. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                            ieder geval moet bestaan: een cursus die toe leidt naar het
                            inburgeringsexamen en het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen
                            (artikel 19, derde lid, WI). Voor asielgerechtigde
                            inburgeringsplichtigen (oud- én nieuwkomers) maakt ook maatschappelijke
                            begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening
                            (artikel 19, zesde lid, WI). Wat betreft de bijkomende faciliteiten die
                            het college als onderdeel van de inburgeringsvoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen kan aanbieden, kan worden gedacht aan
                            trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken
                            met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een
                            uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                            verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral
                            van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen
                            inburgeringsvoorziening krijgen aangeboden in combinatie met een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                            onderdeel. </al><al>Ten overvloede wordt gewezen op het feit dat het inburgeringsexamen ook
                            een praktijkgericht deel omvat, waarin de praktische (taal)vaardigheden
                            worden getoetst. Het is vanzelfsprekend dat bij de samenstelling van de
                            inburgeringsvoorziening ook rekening wordt gehouden met de ontwikkeling
                            van deze vaardigheden. Daarbij zal de inzet van duale trajecten een
                            belangrijke rol vervullen.</al><al>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage</al><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op
                            de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid, WI). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgesteld in de wet en
                            bedraagt ₠ 270,=.</al><al>Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
                            (artikel 23, tweede lid, WI).</al><al>In dit artikel van de verordening wordt geregeld dat de
                            inburgeringsplichtige het recht heeft de eigen bijdrage in een aantal
                            termijnen te betalen. Artikel 24, eerste lid, WI maakt het bij
                            inburgeringsplichtigen die algemene bijstand ontvangen mogelijk dat het
                            college de eigen bijdrage verrekent met deze uitkering. Als het college
                            wil overgaan tot verrekening, moet dat worden vastgelegd in de
                            beschikking tot toekenning van de inburgeringsvoorziening.</al><al>Verder wordt aangesloten bij de op dat moment geldende
                            betalingssystematiek van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente
                            Oss.</al><al>Als de inburgeringsplichtige een uitkering van het UWV ontvangt, kan het
                            college het UWV verzoeken de eigen bijdrage te verrekenen met of in te
                            houden op de uitkering van het UWV (artikel 24, tweede lid, WI). In dit
                            geval int het UWV de eigen bijdrage ten behoeve van de gemeente. Deze
                            wijze van verrekening geschiedt door het UWV en niet door de gemeente,
                            en wordt dus niet in deze verordening geregeld.</al><al>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen</al><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid, WI dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de
                            bevoegdheid aan het college om de verplichtingen die in het artikel
                            worden genoemd aan de inburgeringsplichtigen in het kader van een
                            inburgeringsvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking
                            tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening deze verplichtingen
                            vast.</al><al>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod</al><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten
                            zorgen dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is
                            van belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het
                            goed is – leidt tot een besluit tot het toekennen van een
                            inburgeringsvoorziening. In het eerste lid van dit artikel wordt
                            geregeld dat het college het aanbod van een inburgeringsvoorziening aan
                            de inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod
                            wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                            ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijkheid
                            ontstaan over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een
                            aanbod heeft gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                            uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming
                            met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking
                            tot de toekenning van de inburgeringsvoorziening (die eenzijdig door de
                            gemeente wordt opgelegd). Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud
                            hebben als het aanbod (het vierde lid).</al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de
                            inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt, hij of zij dit schriftelijk
                            aan de gemeente meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat
                            deze schriftelijke mededeling geschiedt in de vorm van het laten
                            ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring die door
                            de gemeente is opgesteld.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de
                            gemeente meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening wil, maar dat hij
                            gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien
                            in het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert,
                            zal ze het gedane aanbod moeten aanpassen.</al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert
                            de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen. Gaat het om een oudkomer, dan is
                            er geen termijn vastgesteld waarbinnen de betreffende persoon het
                            inburgeringsexamen gehaald moet hebben. Het ligt voor de hand dat het
                            college in een dergelijke situatie een handhavingsbeschikking neemt: een
                            besluit op grond van artikel 26 WI waarmee de termijn van start gaat
                            waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet hebben
                            behaald (vijf jaar na aanvang van deze termijn). Het verdient de
                            aanbeveling dat het college deze handelwijze vastlegt in beleidsregels,
                            zodat tevoren voor betrokkenen duidelijk is (of zou kunnen zijn) wat de
                            gevolgen zijn van het weigeren van een aanbod voor een
                            inburgeringsvoorziening.</al><al>Artikel 8 De inhoud van de beschikking</al><al>Het besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening is een
                            beschikking. Dit betekent dat de inburgeringsplichtige de mogelijkheid
                            heeft tegen dit besluit in bezwaar en beroep te gaan. In dit artikel
                            wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval in de beschikking moeten
                            worden neergelegd.</al><al>In de beschikking zullen de toegekende inburgeringsvoorziening en de
                            daaraan verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige
                            nauwkeurig moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De
                            inburgeringsplichtige is verplicht zijn medewerking te verlenen aan de
                            uitvoering van de inburgeringsvoorziening (artikel 23, eerste lid, WI).
                            Handhaving hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de
                            inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene
                            (onder andere door middel van een beschikking) bekend zijn gemaakt.</al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, WI). In
                            de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden
                            gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                            termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de
                            betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de
                            verordening.</al><al>Onderdeel e heeft betrekking op beschikkingen voor oudkomers. Indien het
                            college een inburgeringsvoorziening vaststelt voor een oudkomer, dan
                            moet het college in de betreffende beschikking ook de dag opnemen waarop
                            de termijn van handhaving van de inburgeringsplicht van start gaat
                            (artikel 22, tweede lid, juncto artikel 26 WI). Binnen vijf jaar ná deze
                            datum moet de betreffende oudkomer het inburgeringexamen hebben behaald.
                            Het college kan zelf bepalen wanneer de termijn van handhaving van de
                            inburgeringsplicht van start gaat. Het ligt voor de hand om deze termijn
                            direct te laten ingaan (en bijvoorbeeld niet te koppelen aan de datum
                            waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat). De precieze datum
                            waarop de inburgeringsvoorziening van start gaat, zal niet altijd bekend
                            zijn op het moment dat deze wordt toegekend. Bovendien past het
                            vaststellen van een datum van aanvang van handhaving van de
                            inburgeringsplicht, onafhankelijk van het moment waarop met de
                            inburgeringsvoorziening kan worden begonnen bij het uitgangspunt van de
                            wet dat de betreffende persoon als oudkomer inburgeringsplichtig is en
                            in beginsel zelf verantwoordelijk is voor het behalen van het
                            inburgeringsexamen. </al><al>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                            overtredingen</al><al>Artikel 35 WI draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                            bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de
                            verschillende overtredingen de maximumbedragen van de bestuurlijke boete
                            vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in haar verordening
                            overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen.</al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn
                            maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke
                            overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                            overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                            verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden
                            met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38,
                            tweede lid, WI). Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij
                            elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete
                            passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                            inburgeringsplichtige.</al><al>In het kader van de uitvoering van een gecombineerde re-integratie- en
                            inburgeringsvoorziening kan het voorkomen dat dezelfde gedragingen
                            (bijvoorbeeld het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen en
                            gegevens te verstrekken) zowel aanleiding kan zijn voor het opleggen van
                            een bestuurlijke boete als voor het verlagen van de bijstand (een
                            maatregel op grond van artikel 18, tweede lid, Wet werk en bijstand) of
                            het opleggen van een boete of maatregel op grond van een andere
                            socialezekerheidswet of – regeling. Artikel 37 WI bevat een regeling
                            voor deze samenloop. In dit artikel wordt bepaald dat het college in dat
                            geval géén bestuurlijke boete kan opleggen.</al><al>Artikel 10 Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Artikel 11 Citeertitel</al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>