<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR52079_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening over het recht van onderzoek</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Utrecht (Utr)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad van Utrecht 2002, nr. 29</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening over het recht van onderzoek</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155a, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsvoorstel 2002, nr. 267</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING over het recht van onderzoek.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>(raadsbesluit van 28 november 2002)</al><al>De raad der gemeente Utrecht gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 14
                        november 2002</al><al>Besluit</al><al>Vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening over het recht van onderzoek</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek</al><al>De raad kan op voorstel van één of meer van zijn leden een onderzoek naar
                        het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen als
                        bedoeld in artikel 155a, eerste lid van de Gemeentewet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>De onderzoekscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De uitvoering van het besluit wordt opgedragen aan een daartoe door
                                de raad in te stellen commissie.</al></li><li nr="2."><al>De commissie wordt door de raad uit zijn midden gekozen en bestaat
                                uit zes leden. Voor ieder lid wordt een plaatsvervanger
                                aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De raad wijst uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend
                                voorzitter aan, die tevens lid zijn van de commissie.</al></li><li nr="4."><al>Het presidium van de raad wijst op voorstel van de griffier een
                                secretaris van de commissie aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Einde lidmaatschap commissie</al><lijst><li nr="1."><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien: a. de
                                raad besluit tot opheffing van de onderzoekscommissie; b. een lid
                                ophoudt lid te zijn van de raad;</al><lijst><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van zijn commissie te
                                        horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                                Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de
                                onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk op de hoogte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 </titel></kop><al>Bekendmaking</al><lijst><li nr="1."><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek, alsmede de
                                samenstelling van de onderzoekscommissie wordt algemeen
                                bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Diegene die over informatie denkt te beschikken die van belang kan
                                zijn voor het onderzoek, wordt uitgenodigd zich te melden bij de
                                voorzitter van de commissie. De commissie besluit of degene een
                                uitnodiging voor een gesprek met de commissie zal ontvangen.</al></li><li nr="3."><al>Van wijzigingen in de omschrijving van het onderwerp van het
                                onderzoek wordt op gelijke wijze kennis gegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 </titel></kop><al>Oproepingen</al><lijst><li nr="1."><al>De getuigen of deskundige wordt schriftelijk opgeroepen. De
                                oproeping wordt per aangetekende post verzonden of tegen gedagtekend
                                ontvangstbewijs uitgereikt.</al></li><li nr="2."><al>De oproeping wordt zeven dagen voor de dag van verhoor verzonden aan
                                de getuige of deskundige.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Van de vergaderingen van de onderzoekscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De onderzoekscommissie vergadert op door haar te bepalen
                                tijdstippen.</al></li><li nr="2."><al>De vergaderingen vinden alleen doorgang indien tenminste vier leden
                                van de commissie aanwezig zijn.</al></li><li nr="3."><al>De vergaderingen van de onderzoekscommissie zijn besloten.</al></li><li nr="4."><al>De onderzoekscommissie kan besluiten aan haar leden geheimhouding op
                                te leggen over hetgeen in de vergaderingen aan de orde komt. Artikel
                                25 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Van de hoorzittingen van de onderzoekscommissie</al><lijst><li nr="1."><al>De hoorzittingen van de onderzoekscommissie zijn openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een
                                verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te
                                nemen.</al></li><li nr="3."><al>De hoorzittingen vinden alleen doorgang indien tenminste 4 leden van
                                de commissie aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Van de hoorzittingen wordt een verslag opgemaakt dat door de
                                voorzitter en de secretaris wordt ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Onderzoeksverslag aan de raad</al><al>Het eindverslag van de onderzoekscommissie wordt zo spoedig mogelijk
                        gelijktijdig aan de raad en aan het college van burgemeester en wethouders
                        aangeboden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening over het recht van
                        onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking acht dagen nadat deze is
                        bekendgemaakt.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 28
                        november 2002.</ondertekening><ondertekening>De secretaris, De burgemeester, </ondertekening><ondertekening>Drs. A.A.H. Smits, loco-secretaris Mr. A.H. Brouwer-Korf</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al>Bekendmaking is geschied op 11 december 2002.</al><al>Deze verordening is in werking getreden op 19 december 2002.</al><al/><al>BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2002, NR. 29</al><al>Toelichting bij de artikelen</al><al>Artikel 1</al><al>Ieder lid van de raad kan een voorstel indienen om een raadsonderzoek te
                    starten. Er is geen drempelsteun vereist. Uiteraard beslist de raad in zijn
                    geheel of een onderzoek daadwerkelijk plaats zal vinden. Het voorstel dient
                    daartoe met gewone meerderheid van stemmen te worden aangenomen.</al><al>Artikel 2</al><al>Het ligt niet voor de hand om de hele raad te belasten met het daadwerkelijke
                    onderzoek. Daarom is ervoor gekozen een commissie bestaande uit zes raadsleden
                    met het onderzoek te belasten. De gemeentewet bepaalt dat de ambtelijke bijstand
                    van de commissie geregeld moet worden in de gemeentelijke verordening op het
                    recht van onderzoek. Vanuit de griffie wordt de secretaris van de
                    onderzoekscommissie aangewezen. Daarnaast kan de commissie een beroep doen op
                    ambtelijke bijstand zoals bedoeld in artikel 33, eerste lid van de
                    Gemeentewet.</al><al>Artikel 4, tweede lid Teneinde het mogelijk te maken een ieder uit te nodigen
                    die meent over informatie te beschikken die voor de commissie van belang kan
                    zijn, is dit artikellid opgenomen.</al><al>Artikel 6</al><al>Een ordelijke procesgang brengt met zich dat de oproepingen om voor de commissie
                    te verschijnen geruime tijd voor de hoorzitting bekend worden gemaakt. Voorts
                    kan de commissie een ieder die stelt over gegevens te beschikken met betrekking
                    tot het voorwerp van onderzoek uitnodigen voor een gesprek.</al><al>Artikelen 7 en 8</al><al>Er is onderscheid tussen de vergaderingen van de onderzoekscommissie en de
                    hoorzittingen van onderzoekscommissie. De beraadslagingen van de commissie zijn
                    niet openbaar. De verhoren zijn in principe openbaar. Tenzij gewichtige redenen
                    zich er tegen verzetten, bijvoorbeeld in een situatie waarbij uiterste
                    vertrouwelijke informatie schaden wordt medegedeeld door een getuige, dan lijkt
                    een besloten hoorzitting voor de hand liggen.</al><al>Artikelen uit de Gemeentewet met betrekking tot het recht van onderzoek</al><al>Artikel 155a</al><lijst><li nr="1."><al>De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek
                            naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur
                            instellen.</al></li><li nr="2."><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een omschrijving
                            van het onderwerp van onderzoek alsmede een toelichting. Deze
                            omschrijving kan hangende het onderzoek door de raad worden
                            gewijzigd.</al></li><li nr="3."><al>Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de raad in te stellen
                            onderzoekscommissie. De commissie heeft tenminste drie leden en bestaat
                            uitsluitend uit leden van de raad.</al></li><li nr="4."><al>De artikelen 22, 82, derde lid, en 86, eerste lid, zijn van
                            overeenkomstige toepassing op de onderzoekscommissie.</al></li><li nr="5."><al>De onderzoekscommissie kan de bij deze wet verleende bevoegdheden
                            uitsluitend uitoefenen, indien ten minste drie van haar leden aanwezig
                            zijn.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie worden niet
                            geschorst door het aftreden van de raad.</al></li><li nr="7."><al>Op het besluit tot instelling van een onderzoek en tot instelling van
                            een onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de
                            omschrijving van het onderwerp van een onderzoek zijn de artikelen</al></li></lijst><al>139, tweede lid, 140 en 141 van overeenkomstige toepassing.</al><al>8.Alvorens de raad besluit tot een onderzoek, stelt hij bij verordening nadere
                    regels met betrekking tot deze onderzoeken. In elk geval worden daarin regels
                    opgenomen over de wijze waarop ambtelijke bijstand wordt verleend aan de
                    commissie.</al><al>Artikel 155b</al><lijst><li nr="1."><al>Leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen
                            burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen leden
                            van de deelraad, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van
                            een deelgemeente, leden en gewezen leden van een door de raad, het
                            college of de burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen
                            ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
                            ondergeschikt, zijn verplicht te voldoen aan een vordering van de
                            onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van
                            afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden
                            waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de
                            onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor
                            het doen van een onderzoek als bedoeld in artikel 155a nodig is.</al></li><li nr="2."><al>Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op
                            bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese Unie of
                            van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
                            onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
                            schaden, wordt niet dan met toestemming van Onze Minister aan de
                            vordering voldaan.</al></li><li nr="3."><al>Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
                            ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek als bedoeld in artikel
                            155a alle door de onderzoekscommissie gevorderde medewerking te
                            verlenen.</al></li></lijst><al>Artikel 155c</al><lijst><li nr="1."><al>Personen als bedoeld in artikel 155b, eerste lid, zijn verplicht te
                            voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of
                            deskundige te worden gehoord.</al></li><li nr="2."><al>Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord,
                            [kan] is niet tevens lid [zijn] van de onderzoekscommissie.</al></li><li nr="3."><al>De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen, de deskundigen zijn
                            verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste weten als zodanig te
                            verlenen, een en ander behoudens verschoning wegens ambtsof
                            beroepsgeheim.]</al></li><li nr="4."><al>De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
                            weten als zodanig te verlenen.</al></li></lijst><al>[4] 5. De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                    verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in de
                    vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de voorzitter, de eed of
                    belofte af dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen
                    zeggen.</al><al>[5] 6. De getuigen en deskundigen worden in een openbare zitting van de
                    onderzoekscommissie gehoord. Plaats en tijd van de openbare zitting worden door
                    de voorzitter tijdig ter openbare kennis gebracht.</al><al>[6] 7. De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een verhoor of
                    een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De leden en
                    plaatsvervangende leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun
                    tijdens een besloten zitting ter kennis komt.</al><al>[7] 8. Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. Om
                    gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand
                    wordt gehoord.</al><al>[8] 9. Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie, of op haar
                    vordering afgelegd, kunnen, behalve in het geval van artikel</al><al>207, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, niet als bewijs in rechte
                    gelden.</al><al>Artikel 155d</al><lijst><li nr="1."><al>Getuigen en deskundigen worden schriftelijk opgeroepen. De brief,
                            houdende de oproep, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
                            ontvangstbewijs uitgereikt.</al></li><li nr="2."><al>De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
                            hoewel opgeroepen in overeenstemming met het eerste lid, niet zijn
                            verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan hun
                            verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige of
                            deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de wijze, bedoeld in het
                            eerste lid. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de
                            belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door alsnog aan zijn
                            verplichting te voldoen.</al></li><li nr="3."><al>Op een beschikking als bedoeld in het eerste en het tweede lid is
                            artikel</al></li></lijst><al>7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.</al><al>Artikel 155e</al><lijst><li nr="1."><al>Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen te
                            openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
                            toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan wel
                            aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij hij
                            werkzaam is of is geweest.</al></li><li nr="2."><al>Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding
                            verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af te leggen, doch
                            uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als
                            zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage, afschrift of kennisneming
                            anderszins weigeren van bescheiden of gedeelten daarvan tot welke hun
                            plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen
                            wethouders, leden en gewezen leden van het dagelijks bestuur van een
                            deelgemeente, leden en gewezen leden van een door het college of de
                            burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren,
                            door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt, zijn
                            niet verplicht aan artikel 155b, eerste en derde lid, en artikel 155c,
                            derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen in
                            strijd is met het openbaar belang.</al></li><li nr="4."><al>De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in het
                            derde lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd door het
                            college, of, voor zover de inlichtingen betrekking hebben op het door de
                            burgemeester gevoerde bestuur, door de burgemeester.</al></li></lijst><al>Artikel 155f Het college neemt de door de raad geraamde kosten voor een
                    onderzoek in een bepaald jaar op in de ontwerpbegroting.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>