<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR52061_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws, 2008, 23</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 147, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-05-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-06-05</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>39/BCF</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Algemene subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad: de raad van de gemeente Den Helder</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Den Helder;</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al></li><li nr="d."><al>subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 van de wet, te
                                    weten de aanspraak op financiële middelen, door een
                                    bestuursorgaan verleend met het oog op bepaalde activiteiten van
                                    de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het
                                    bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;</al></li><li nr="e."><al>organisatie: instelling of groepering van natuurlijke personen,
                                    die zich zonder winstoogmerk activiteiten ten doel stelt of mede
                                    ten doel stelt ter behartiging van algemene en collectieve
                                    belangen van ideële en/of materiële aard op door het college
                                    aangewezen gemeentelijke beleidsterreinen;</al></li><li nr="f."><al>instelling: een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid en
                                    werkend zonder winstoogmerk op door het college aangewezen
                                    gemeentelijke beleidsterreinen, die krachtens deze verordening
                                    subsidie ontvangt of aanvraagt.</al></li><li nr="g."><al>activiteit: werkzaamheid of voorziening van een instelling,
                                    waarvoor subsidie wordt aangevraagd;</al></li><li nr="h."><al>exploitatiesubsidie: een subsidie die van jaar tot jaar wordt
                                    verleend aan een organisatie teneinde een sluitende
                                    begroting/rekening te bewerkstelligen;</al></li><li nr="i."><al>investeringssubsidie: een subsidie in de stichtingskosten of in
                                    de kosten ten behoeve van herstel, verbouwing en uitbreiding van
                                    gebouwen of voorzieningen;</al></li><li nr="j."><al>incidentele subsidie: een subsidie, op eenmalige basis verleend,
                                    ten behoeve van een activiteit;</al></li><li nr="k."><al>garantiesubsidie: de aanspraak op een vooraf vastgesteld
                                    maximaal subsidiebedrag als bijdrage in een onverwacht optredend
                                    exploitatietekort;</al></li><li nr="l."><al>budgetsubsidie: een subsidie die aan een instelling wordt
                                    verleend op basis van een één- of meerjarige overeenkomst waarin
                                    de door de instelling in het kader van beleidsgestuurde
                                    contractfinanciering te leveren activiteiten en prestaties zijn
                                    vastgelegd.</al></li><li nr="m."><al>deelsubsidieverordening: een door de raad vastgestelde
                                    verordening voor een activiteit of een groep van
                                    activiteiten;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Reikwijdte van deze verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op alle van gemeentewege aan
                                organisaties te verlenen subsidies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het in artikel 1:1 onder e gestelde kan in
                                bijzondere gevallen subsidie worden verleend ten behoeve van
                                natuurlijke personen. De in in deze verordening opgenomen bepalingen
                                zijn in dat geval zoveel mogelijk van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afdeling 4.2.8 van de wet is van toepassing op exploitatiesubsidies
                                aan instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Bevoegdheden college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college is bevoegd tot het verlenen van subsidies binnen de
                                door de raad gestelde kaders.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college wijst met inachtneming van het eerste lid de
                                gemeentelijke beleidsterreinen aan waarop subsidieverlening
                                krachtens deze verordening betrekking heeft.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college weigert de verlening van een subsidie indien op de
                                gemeentebegroting geen bedragen beschikbaar zijn gesteld voor het
                                doel waarvoor die subsidie wordt aangevraagd. </al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Alle in de subsidietitel 4.2 van de wet aan het bestuursorgaan
                                toegekende bevoegdheden worden uitgeoefend door het college. </al><al/></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college is belast met de uitvoering van deze verordening en kan
                                daartoe nadere regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van deze verordening subsidie
                                verlenen, indien de voor de subsidie benodigde gelden op de
                                gemeentebegroting gereserveerd en toereikend zijn.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor in deelsubsidieverordeningen geregelde
                                subsidies een subsidieplafond vaststellen voor een nader te bepalen
                                periode.</al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beslist gelijktijdig op aanvragen met betrekking tot de
                                subsidies als bedoeld in het tweede lid, op basis van een
                                vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de
                                doelstelling van het gemeentelijk beleid terzake.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Evaluatieplicht</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels vast voor de toepassing van artikel 4:24
                            van de wet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De subsidieverlening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>De aanvraag voor subsidieverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor
                                de subsidie is bestemd heeft, dient een organisatie bij het college
                                een subsidie-aanvraag in.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid dient een eerste aanvraag van een
                                organisatie om een exploitatiesubsidie vóór 1 april van het jaar
                                voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de aanvraag is bestemd bij
                                het college te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kunnen subsidie-aanvragen ten laste
                                van een gemeentelijke begrotingspost, voor de besteding waarvan een
                                verdeelsystematiek is voorgeschreven, bij het college worden
                                ingediend vóór 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het
                                kalenderjaar waarvoor de aanvraag is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een organisatie een
                                subsidie-aanvraag voor incidentele activiteiten schriftelijk bij het
                                college indienen tot 13 weken voordat met de activiteit wordt
                                aangevangen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het het eerste tot en met vierde lid, kan het
                                college in bijzondere gevallen een andere termijn stellen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een aanvraag voor subsidieverlening wordt niet in behandeling
                                genomen indien een activiteit, waarop de aanvraag betrekking heeft,
                                reeds heeft plaatsgevonden dan wel reeds is aangevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Gegevens bij de aanvraag voor subsidieverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de subsidie-aanvraag worden de volgende stukken
                                    ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de eerste aanvraag: een afschrift van de statuten en
                                            de reglementen die de inrichting en de werkzaamheden van
                                            de organisatie regelen;</al></li><li nr="b."><al>een actuele opgave van de bestuurssamenstelling;</al></li><li nr="c."><al>een exploitatiebegroting voor het jaar waarvoor de
                                            subsidie wordt gevraagd;</al></li><li nr="d."><al>een begroting betrekking hebbende op de te subsidiëren
                                            activiteit;</al></li><li nr="e."><al>een meerjarenplan incl. meerjarenraming voor de komende
                                            vier jaar, dan wel een bijstelling daarvan, indien een
                                            aanvraag voor een budgetsubsidie wordt ingediend;</al></li><li nr="f."><al>een exploitatie-overzicht en balans van het afgelopen
                                            boekjaar; g een omschrijving van de doelstelling, de
                                            aard, de inhoud en de omvang van de activiteit;</al></li><li nr="g."><al>een omschrijving van de doelstelling, de aard, de inhoud
                                            en de omvang van de activiteit;</al><al>h. een motivering die kan worden getoetst aan de onder
                                            artikel 2.4 gestelde criteria en tevens een indicatie
                                            geeft van de omvang van het gemeentelijke aandeel in de
                                            exploitatie.</al></li><li nr="h."><al>een motivering die kan worden getoetst aan de onder
                                            artikel 2.4 gestelde criteria en tevens een indicatie
                                            geeft van de omvang van het gemeentelijk aandeel in de
                                            exploitatie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Bij een aanvraag om de verlening van een investeringssubsidie
                                    worden, naast de in het eerste lid genoemde stukken
                                    ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>een plan tot investering en financiering;</al></li><li nr="b."><al>een kostenspecificatie of -raming van de voorgenomen
                                            investering;</al></li><li nr="c."><al>de raming van de gevolgen voor de exploitatie die uit de
                                            investering voortvloeien.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in artikel 2.2, lid 1 sub e en f, is niet van
                                    toepassing op organisaties, waarvoor het definitief vastgestelde
                                    subsidiebedrag van het vorige jaar het totaalbedrag van € 5.000
                                    niet overschrijdt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Uitstel of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een organisatie om dringende redenen niet aan één van de voor
                                de indiening van de subsidie-aanvraag geldende bepalingen kan
                                voldoen, kan zij schriftelijk en met redenen omkleed uitstel of
                                ontheffing vragen. Een dergelijk verzoek moet uiterlijk twee weken
                                vóór het verstrijken van de wettelijke indieningstermijn worden
                                gedaan.</al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt de voor uitstel of ontheffing te hanteren criteria
                                in beleidsregels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De subsidieverlening kan naast de in artikel 4:25
                                    (subsidieplafond) en artikel 4:35 (weigeringsgronden) van de wet
                                    genoemde gevallen worden geweigerd indien gegronde redenen
                                    bestaan om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen
                                            zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen
                                            aan ingezetenen van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de gelden niet of in onvoldoende mate zullen worden
                                            besteed aan de doelstellingen van het gemeentelijke
                                            subsidiebeleid;</al></li><li nr="c."><al>de gelden niet doelmatig en doeltreffend zullen worden
                                            besteed;</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal
                                            ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen
                                            belang of de openbare orde;</al></li><li nr="e."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende
                                            gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen
                                            van derden kan beschikken om de kosten van de
                                            activiteiten te dekken.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen subsidie wordt verleend, indien doelstellingen,
                                    activiteiten, statuten of reglementen van de aanvrager dan wel
                                    het beoogde gebruik van de subsidie discriminatie opleveren
                                    wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras,
                                    geslacht, burgerlijke staat, seksuele gerichtheid, leeftijd of
                                    welke grond dan ook. Onder discriminatie wordt in dit verband
                                    niet begrepen onderscheid tot opheffing van maatschappelijke
                                    achterstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beschikt op de subsidie-aanvraag als bedoeld in artikel
                                2:1, eerste en tweede lid, vóór 31 december van het jaar
                                voorafgaande aan het jaar waarvoor subsidie is aangevraagd op basis
                                van het door de raad </al><al>vastgestelde gemeentelijke beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een organisatie in het jaar voorafgaande aan het jaar
                                waarvoor subsidie wordt gevraagd een exploitatiesubsidie of
                                budgetsubsidie van de gemeente heeft ontvangen, zal in geval van het
                                uitblijven van de </al><al>beschikking als bedoeld in het voorgaande lid, in ieder geval 4/12
                                deel van het laatst toegekende subsidiebedrag worden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beschikt op een subsidie-aanvraag als bedoeld in artikel
                                2:1, derde lid, (incidentele activiteiten) zo spoedig mogelijk, doch
                                uiterlijk binnen 13 weken, na ontvangst van de
                                subsidie-aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden de in het derde lid
                                gestelde termijn met ten hoogste 13 weken verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Herziening subsidiebedrag</titel></kop><al>Het college kan in de loop van het subsidiejaar bij een met redenen
                            omklede beschikking besluiten tot herziening van het verleende
                            subsidiebedrag als gevolg van zowel bij de gemeente als de organisatie
                            veranderde omstandigheden. Deze herziening mag de organisatie niet
                            verhinderen de door haar aangegane verplichtingen voor dat jaar na te
                            komen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Bonus/malus-systeem</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt nadere regels vast omtrent:</al><lijst><li nr="a."><al>het terugdringen dan wel het ontmoedigen van een
                                            samenloop in activiteiten waarvoor op de voet van deze
                                            verordening subsidie wordt aangevraagd en de
                                            verstrekking van alcoholhoudende consumpties die dienen
                                            ter ondersteuning van dezelfde activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen van samenloop in het gebruik van middelen
                                            zoals bedoeld in de Opiumwet en de onder a bedoelde
                                            activiteiten;</al></li><li nr="c."><al>de fysieke toegankelijkheid van de gebouwen, werken en
                                            terreinen waarin of waarop de onder a bedoelde
                                            activiteiten plaatsvinden.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>De nadere regels bevatten een bonus/malus-systeem op basis
                                    waarvan subsidieverlening hoger dan wel lager kan
                                    plaatsvinden.</al><al/></li><li nr="3."><al>De nadere regels betreffen in elk geval de bescherming van de
                                    positie van kinderen aan wie het op grond van wettelijke regels
                                    verboden is alcoholhoudende consumpties te verstrekken. Deze
                                    bescherming voorziet in het voorkomen dan wel ontmoedigen van
                                    het nuttigen van alcohol in aanwezigheid van deze kinderen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Schakelbepaling</titel></kop><al>Een beschikking tot subsidieverlening wordt geacht tevens een
                            beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in hoofdstuk 4 te zijn
                            in gevallen waarin het verleende subsidiebedrag lager is dan of gelijk
                            is aan € 5.000. Artikel 5:3 is in dit geval niet van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Financiële verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie-ontvanger draagt zorg voor een zodanige inrichting van
                                de financiële administratie alsmede eventuele projectadministratie,
                                dat op een eenvoudige wijze inzicht kan worden verkregen in de </al><al>exploitatieresultaten, de vermogenspositie en in het bijzonder de
                                mate waarin de subsidie-ontvanger door leden, contribuanten,
                                donateurs of anderen wordt ondersteund.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie-ontvanger van een bedrag groter dan € 50.000 per jaar
                                legt een accountantsverklaring over als bedoeld in artikel 2:393,
                                vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan subsidie-ontvangers, die een subsidie van meer dan €
                                5.000 per jaar ontvangen, verplichten een accountantsverklaring over
                                te leggen als bedoeld in artikel 2:393, vijfde lid, van het
                                Burgerlijk Wetboek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het tweede en derde lid bedoelde verklaring dient zich tevens
                                uit te strekken tot een onderzoek van de naleving van de aan de
                                subsidieverlening verbonden verplichtingen en in het bijzonder naar
                                het daadwerkelijk verricht zijn van de opgegeven prestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Wijzigingen in de organisatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie-ontvanger deelt wijzigingen in de algemene financiële
                                situatie dan wel in de financiële of organisatorische verhoudingen
                                met derden terstond schriftelijk aan het college mee.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie-ontvanger deelt wijzigingen in de stichtingsacte,
                                statuten en reglementen, werk- en beleidsplannen, het adres of de
                                samenstelling van het bestuur terstond schriftelijk aan het college
                                mee.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie-ontvanger deelt een besluit tot opheffing of fusie
                                terstond schriftelijk aan het college mee.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Toestemming</titel></kop><al>De subsidie-ontvanger heeft toestemming van het college nodig voor de
                            handelingen bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Informatieplicht</titel></kop><al>De organisatie verleent aan het college of aan door of namens hem
                            aangewezen personen inzage in de administratie en verstrekt inlichtingen
                            welke voor de beoordeling van de doelmatigheid en de rechtmatigheid van
                            de besteding van de subsidie van belang kunnen zijn. De bescherming van
                            de persoonlijke levenssfeer van de deelnemers wordt daarbij
                            gewaarborgd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Vermogensvorming</titel></kop><al>Het vormen van reserves en/of vermogen is toegestaan wanneer het ten
                            doel heeft om de vervanging van goederen dan wel kapitaalinvesteringen
                            mogelijk te maken. De hoogte van het bedrag, alsook het voor een ander
                            doel beschikken over reserves en/of vermogen is, ongeacht de herkomst,
                            onderworpen aan voorafgaande goedkeuring van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De organisatie voert het activiteitenplan, waarin een omschrijving
                                staat van de aard, de inhoud en de omvang van de activiteiten uit,
                                zoals dat aan de subsidiëring ten grondslag heeft gelegen. Afwijking
                                van het plan behoeft </al><al> de goedkeuring van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten behoeve van een doelmatige werkwijze en uitvoering, alsmede ten
                                behoeve van een verantwoord gebruik van de beschikbare middelen, kan
                                het college aan de subsidie voorschriften verbinden, de samenwerking
                                met </al><al> andere organisaties en/of de gemeente daaronder begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op organisaties,
                                waarvan het verleende subsidie wordt vastgesteld op een bedrag lager
                                dan of gelijk aan € 5.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Aanspraak</titel></kop><al>Een organisatie kan slechts aanspraak maken op subsidie, indien zij haar
                            diensten ter beschikking stelt aan alle inwoners van de gemeente,
                            waarbinnen zij werkzaam is, behoudens:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer in haar statuten wordt vermeld dat zij zich
                                    overeenkomstig de doelstelling richt op een bepaalde doelgroep
                                    dan wel</al></li><li nr="b."><al>wanneer er meer vraag is naar haar diensten dan er feitelijk
                                    mogelijkheden zijn daaraan te voldoen. In dat geval worden de
                                    aanvragen behandeld naar volgorde van binnenkomst, naar urgentie
                                    of op basis van prioriteiten zoals die in het coalitieprogramma
                                    en vastgesteld gemeentelijk beleid zijn aangegeven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Professionaliteitseisen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidie-aanvrager verzekert zijn bezittingen, het in dienst
                                zijnde personeel en de bij de activiteiten betrokken vrijwilligers
                                tegen schade en het risico van wettelijke aansprakelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de activiteiten door beroepskrachten worden uitgevoerd en/of
                                begeleid, dienen deze te handelen in overeenstemming met de voor hun
                                beroepsuitoefening geldende professionele standaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Onderzoek rekenkamercommissie</titel></kop><al>De subsidie-ontvanger is verplicht mee te werken aan een onderzoek door
                            de gemeentelijke rekenkamercommissie. Artikel 184 Gemeentewet aangaande
                            de bevoegdheden van de rekenkamer is in dit geval van overeenkomstige
                            toepassing. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>De subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>De aanvraag om subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de beschikking tot subsidievaststelling wordt een aanvraag bij
                                het college ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie-ontvanger dient binnen drie maanden na afloop van het
                                boekjaar, dan wel drie maanden na afloop van de gesubsidieerde
                                activiteit, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Gegevens bij de aanvraag om subsidievaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de aanvraag van de beschikking tot vaststelling van de subsidie
                                hoger dan € 5.000, worden de volgende stukken ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>een gespecificeerde rekening van baten en lasten, betrekking
                                        hebbende op de gesubsidieerde activiteiten of investering,
                                        alsmede een duidelijke toelichting op deze rekening in
                                        relatie tot de begroting;</al></li><li nr="b."><al>een beknopt en overzichtelijk verslag van de verrichte
                                        activiteiten en prestaties of investering;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de aanvraag bedoeld in het eerste lid is artikel 3:1, tweede en
                                derde lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen van het in het eerste lid
                                gestelde afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt de subsidie vast overeenkomstig de
                                    subsidieverlening.</al></li><li nr="2."><al>De subsidie kan naast de gevallen, vermeld in artikel 4:46,
                                    tweede en derde lid, van de wet lager worden vastgesteld,
                                    indien: </al><lijst><li nr="a"><al> is gebleken, dat de subsidie aan andere activiteiten is
                                            besteed dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>de subsidie-ontvanger niet of niet voldoende
                                            overeenkomstig zijn doelstellingen werkzaam is en hierin
                                            ondanks een daartoe ontvang waarschuwing geen
                                            verandering aanbrengt;</al></li><li nr="c."><al>de subsidie-ontvanger kennelijk een financieel wanbeleid
                                            voert;</al></li><li nr="d."><al>niet is voldaan aan de overeengekomen prestatie, zij met
                                            inbegrip van een marge (plus of min 5%).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college is bevoegd overeenkomstig artikel 4:48, 4:49 en 4:50
                                    van de wet de subsidieverlening c.q. de subsidievaststelling in
                                    te trekken of te wijzigen ten nadele van de
                                    subsidie-ontvanger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Ambtshalve vaststelling</titel></kop><al>Het college is bevoegd ambtshalve de subsidie vast te stellen indien 13
                            weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie is verleend, door de
                            subsidie-ontvanger geen aanvraag is ingediend om vaststelling van de
                            subsidie, tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Op de aanvraag om subsidievaststelling wordt binnen 13 weken na
                            ontvangst door het college beslist. Het college kan deze termijn met
                            maximaal 8 weken verlengen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Betaling en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Voorschotten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de
                                    bevoorschotting van subsidie-ontvangers.</al></li><li nr="2."><al>Een verzoek van de subsidie-ontvanger tot (extra)
                                    bevoorschotting moet schriftelijk, onder opgave van redenen, bij
                                    het college worden ingediend, dat daarop zo spoedig mogelijk zal
                                    beslissen</al></li><li nr="3."><al> Een voorschot op een budgetsubsidie wordt niet eerder verleend
                                    dan nadat de instelling de overeenkomst waarin de activiteiten
                                    en prestaties staan weergegeven heeft ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Betaling</titel></kop><al>Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling, onder
                            verrekening van betaalde voorschotten, binnen tien weken
                            uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Batig saldo</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de jaarrekening of de afrekening waarin de
                                subsidievaststelling is opgenomen, een batig saldo aanwijst, dient
                                het bedrag van het saldo, gelimiteerd tot het bedrag van de
                                verleende subsidie, op eerste aanmaning van het college in de
                                gemeentekas te worden teruggestort, tenzij het college anders
                                beslist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de subsidie-ontvanger tevens subsidie ontvangt van andere
                                subsidiënten dan de gemeente, vindt terugstorting als bedoeld in het
                                eerste lid, naar evenredigheid van de toegekende subsidies
                                plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op aan
                                instellingen verstrekte budgetsubsidies, indien de vooraf
                                overeengekomen prestaties volledig, zij het met inbegrip van een
                                marge (plus of min 5%) zijn vervuld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Bijzondere bevoegdheden</titel></kop><al>Het college kan bij een met redenen omklede beschikking besluiten tot
                            opschorting van het verstrekken van voorschotten, terugvordering van
                            reeds verleende voorschotten óf tot wijziging of intrekking van de
                            subsidiebeschikking in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de organisatie heeft onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt
                                    en kennis van de juiste gegevens zou tot een andere beschikking
                                    hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de organisatie voldoet niet of niet geheel aan het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>de organisatie is niet of onvoldoende overeenkomstig haar
                                    doelstelling werkzaam;</al></li><li nr="d."><al>het effect en/of de omvang van de activiteiten geeft daartoe
                                    aanleiding.</al></li><li nr="e."><al>de organisatie voldoet niet of niet tijdig aan de
                                    informatieplicht met betrekking tot de te leveren
                                    prestaties.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Meerjarige subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een instelling alleen een subsidie verlenen voor
                                een langere periode dan één jaar, wanneer dit in overeenstemming is
                                met het resultaat van een daartoe met de raad gevoerde wensen- en </al><al>bedenkingenprocedure.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan met inachtneming van het in het vorige lid gestelde
                                een meerjarige subsidie verlenen voor een periode van maximaal vier
                                kalenderjaren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college met inachtneming van het eerste en tweede lid een
                                meerjarige subsidie verleent, wordt in de beschikking aangegeven op
                                welk bedrag de aanvrager voor ieder jaar recht heeft, dan wel op
                                welke wijze het</al><al>verleende subsidie jaarlijks geïndexeerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien er sprake is van indexering, past het college het
                                subsidiebedrag jaarlijks aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan bepalingen van deze verordening buiten toepassing laten
                            of daarvan afwijken, indien deze gelet op het belang van de regeling
                            leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:1</nr><titel>Voorlopige voorziening</titel></kop><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet, kan het college
                            een besluit nemen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:2</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Subsidie-aanvragen, ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van
                            deze verordening, worden behandeld op basis van de Algemene
                            subsidieverordening Den Helder 2003 dan wel de daarop gebaseerde
                            deelsubsidieverordeningen, zoals genoemd in artikel 7:3, derde lid.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt onmiddellijk na haar afkondiging in
                                    werking.</al></li><li nr="2."><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening is de “Algemene
                                    Subsidie Verordening Den Helder 2003” vervallen.</al></li><li nr="3."><al>Deelsubsidieverordeningen en in dit kader van toepassing zijnde
                                    beleidsregels blijven van kracht totdat zij zijn aangepast aan
                                    het bepaalde in deze verordening. Indien de
                                    deelsubsidieverordeningen en beleidsregels niet zijn aangepast
                                    op 1 januari 2009, is deze verordening bij strijdigheid van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                            2008.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van 26 mei 2008.</ondertekening><ondertekening>S. Hulman MSc , voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman , griffier</ondertekening><ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit van 26 mei 2008 (039/BCF), afgekondigd op 5
                        juni 2008.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING Algemene subsidieverordening 2008</titel></kop><tussenkop>Artikelsgewijs commentaar.</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1:1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In dit artikel worden de voornaamste in de verordening gebezigde begrippen
                    gegeven. Voor zover in de verordening ook de begrippen subsidie-aanvrager of
                    subsidie-ontvanger worden gebruikt behoeven deze geen andere toelichting, dan
                    dat de betreffende begrippen ten opzichte van elkaar neutraal zijn. Bij het
                    begrip exploitatiesubsidie kan worden aangetekend, dat dit in de verordening
                    wordt omschreven als een per boekjaar aan een organisatie verstrekte subsidie.
                    Dit betreft een subsidie die met name wordt verstrekt voor voortdurende
                    activiteiten. De Awb, hierna te noemen de wet, bevat voor dit type subsidie,
                    voor zover deze aan rechtspersonen wordt verleend, een aparte regeling in
                    afdeling 4.2.8 van de wet. Zie verder de toelichting bij artikel 1:2. </al><al/><tussenkop>Artikel 1:2 Reikwijdte van deze verordening</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel geeft het toepassingsbereik van deze verordening
                    aan.</al><al>Het tweede lid bevat een uitzondering op het gestelde in artikel 1:1, aanhef en
                    onder e.</al><al>Het derde lid verklaart afdeling 4.2.8 van de wet van toepassing op aan
                    instellingen verleende exploitatiesubsidies. Afdeling 4.2.8 van de wet behelst
                    een specifieke regeling voor de per boekjaar verstrekte subsidies aan
                    rechtspersonen. Dit betreft subsidies die niet worden verleend voor een bepaald
                    project, maar voor voortdurende activiteiten, waarbij het gaat om de
                    instandhouding van de instelling als zodanig. Daar deze subsidies een groot
                    aantal gemeenschappelijke kenmerken vertonen, heeft de wetgever voor deze
                    subsidies een aparte regeling opgesteld. De regeling in afdeling 4.2.8. van de
                    wet is zeer volledig en behoeft geen aanvulling of wijziging teneinde in de
                    praktijk toegepast te kunnen worden. Er is echter van afgezien om de van
                    toepassing zijnde bepalingen uit de wet in extenso over te nemen in de tekst van
                    de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 1:3 Bevoegdheden college</tussenkop><al>Dit artikel specificeert de bevoegdheden van het college met betrekking tot het
                    verlenen van subsidies binnen de door de raad vastgestelde kaders. De
                    bevoegdheid van de gemeenteraad om subsidies te verlenen vloeit voort uit In
                    artikel 4:23, derde lid, onder c. en d., van de wet. In deze artikelen is
                    vastgesteld dat de gemeenteraad subsidie kan verlenen. De gemeenteraad kan ook
                    subsidie verlenen in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste
                    vier jaren (artikel 4:23, derde lid, onder d, van de wet). </al><al/><tussenkop>Artikel 1:4 Subsidieplafond</tussenkop><al>In de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat aan een subsidieplafond. Het
                    subsidieplafond moet vóór het begin van de periode waarvoor het geldt, worden
                    bekend gemaakt op grond van artikel 4:27, eerste lid, van de wet. Daarbij moet
                    ook de wijze van verdeling worden vermeld, aldus artikel 4:26, tweede lid, van
                    de wet.</al><al>In artikel 4:23, derde lid, onder c. en d., van de wet is vastgesteld dat de
                    gemeenteraad subsidie kan verlenen als de gemeentebegroting het bedrag waarop de
                    subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt. Met een subsidieplafond
                    worden wettelijke aanspraken op subsidie beperkt tot een bepaald bedrag. Met het
                    tendersysteem worden de aanvragen op kwaliteit gerangschikt, waarna de besten
                    subsidie wordt verleend. Als door toewijzing van een aanvraag het
                    subsidieplafond zou worden overschreden, móet de aanvraag om een subsidie worden
                    geweigerd (artikel 4:25, tweede lid, van de wet). Dit geldt niet als te laat, in
                    bezwaar of na beroep op een aanvraag wordt beslist (artikel 4:25, derde lid, van
                    de wet).</al><al/><tussenkop>Artikel 1:5 Evaluatieplicht</tussenkop><al>Artikel 4:24 van de wet schrijft voor dat voor de op wettelijk voorschrift
                    gebaseerde subsidies ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag wordt
                    gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de
                    praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de Algemene
                    subsidieverordening wordt geregeld, dat het college beleidsregels vaststelt met
                    betrekking tot de wijze waarop de evaluatieplicht conform artikel 4:24 van de
                    wet wordt uitgevoerd.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2 De subsidieverlening</tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle subsidies. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:1 De aanvraag voor subsidieverlening</tussenkop><al>Voor de regeling omtrent de subsidieplafonds kan het nodig zijn dat één of meer
                    keren per jaar een datum is bepaald, vóór welke de aanvragen moeten zijn
                    ingediend. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:2 Gegevens bij de aanvraag om verlening</tussenkop><al>Dit artikel specificeert welke gegevens en bescheiden bij de subsidie-aanvraag
                    moeten worden overgelegd. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:3 Uitstel of ontheffing</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen omtrent het verlenen van uitstel of ontheffing in
                    het geval waarin een organisatie om dringende redenen niet aan één van de voor
                    de indiening van de subsidie-aanvraag geldende bepalingen kan voldoen. Het
                    college dient hiervoor criteria vast te stellen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:4 Weigeringsgronden</tussenkop><al>De weigeringsgronden in dit artikel zijn een aanvulling op de in artikel 4:35
                    van de wet genoemde gronden. De terminologie en de gebruikte omschrijvingen zijn
                    daarbij enigszins aangepast. Dat heeft bv. tot gevolg dat de weigering een
                    subsidie te verlenen, omdat er onvoldoende samenwerking is met op hetzelfde
                    terrein werkzame instellingen, in de onderhavige verordening moet worden
                    gebaseerd op de overweging dat de subsidiegelden niet doelmatig en doeltreffend
                    zullen worden besteed.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:5 Beslistermijn</tussenkop><al>Dit artikel bevat de door het college bij subsidieverlening in acht te nemen
                    beslistermijn. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:6 Herziening subsidiebedrag</tussenkop><al>Dit artikel bevat de bevoegdheid van het college om in de daarvoor aangegeven
                    gevallen een verleend subsidiebedrag te te herzien. </al><al/><tussenkop>Artikel 2:7 Bonus/malus-systeem</tussenkop><al>In dit artikel worden enkele algemene maatschappelijke doelen binnen het bereik
                    van de subsidieregelgeving gebracht door het creëren van mogelijkheden om
                    maatschappelijk gewenst gedrag te stimuleren en maatschappelijk ongewenst gedrag
                    te ontmoedigen (bonus/malus). De raad geeft het college de opdracht om
                    hieromtrent nadere regels vast te stellen met inachtneming van de kaderstellende
                    bepalingen in dit artikel. De prioriteit ligt bij de bescherming van de positie
                    van kinderen die op grond van wettelijke regels geen alcoholhoudende consumpties
                    mogen kopen of verstrekt mogen krijgen. Uiteraard zullen de nadere regels
                    omtrent subsidiebeleid moeten aansluiten bij andere maatregelen ten gunste van
                    hetzelfde doel. Een integrale benadering en toepassing van preventieve,
                    curatieve en repressieve maatregelen staat voorop. Hierin ligt de reden dat
                    gekozen wordt voor het stellen van nadere (beleids)regels ten aanzien van
                    subsidiebeleid door het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 2:8 Schakelbepaling</tussenkop><al>Voor subsidiebedragen lager dan of gelijk aan € 5.000 wordt de
                    verleningsbeschikking tevens de vaststellingsbeschikking geacht te zijn. Artikel
                    5:3 van de verordening blijft in zo’n geval buiten toepassing. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 3 Verplichtingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3:1 Financiële verantwoording</tussenkop><al>Dit artikel benoemt de verplichtingen van de subsidie-ontvanger in het kader van
                    de financiële verantwoording.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:2 Wijzigingen in de organisatie</tussenkop><al>Ingeval instellingen een investering-, exploitatie of budgetsubsidie ontvangen,
                    is er behoefte aan de mogelijkheid om de in dit artikel vermelde verplichtingen
                    op te leggen.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:3 Toestemming</tussenkop><al>Dit artikel bevat het toestemmingsvereiste voor handelingen zoals omschreven in
                    artikel 4:71, eerste lid, van de wet. </al><al/><tussenkop>Artikel 3:4 Informatieplicht</tussenkop><al>In dit artikel wordt de informatieplicht naar het college omschreven.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:5 Vermogensvorming</tussenkop><al>Dit artikel geeft de voorwaarden aan, waaronder het vormen van reserves en/of
                    vermogen is toegestaan. </al><al/><tussenkop>Artikel 3:6 Uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen omtrent de uitvoering van het door de organisatie
                    ingediende activiteitenplan.</al><al/><tussenkop>Artikel 3:7 Aanspraak</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven wanneer een organisatie aanspraak kan maken op
                    subsidie. </al><al/><tussenkop>Artikel 3:8 Professionaliteitseisen</tussenkop><al>Of voldaan wordt aan de in dit artikel genoemde professionaliteitseisen zal
                    ondermeer worden afgemeten aan de voor de beroepsuitoefening geldende
                    professionele standaard, waaronder functie-eisen, zoals vastgelegd in de van
                    toepassing zijnde CAO. </al><al/><tussenkop>Artikel 3:9 Onderzoek rekenkamercommissie</tussenkop><al>In dit artikel is de verplichting vastgelegd om mee te werken aan een onderzoek
                    door de gemeentelijke rekenkamercommissie.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 4 De subsidievaststelling</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 4:1 De aanvraag om subsidievaststelling</tussenkop><al>Dit artikel bevat regels omtrent de indiening van de betreffende aanvraag.</al><al/><tussenkop>Artikel 4:2 Gegevens bij de aanvraag om subsidievaststelling</tussenkop><al>Dit artikel specificeert welke gegevens en bescheiden bij de aanvraag om
                    subsidievaststelling moeten worden overgelegd. </al><al/><tussenkop>Artikel 4:3 Vaststelling</tussenkop><al>Dit artikel bevat regels omtrent de subsidievaststelling. In het eerste lid van
                    dit artikel wordt de hoofdregel gegeven.</al><al>Het tweede lid regelt onder welke omstandigheden het mogelijk is, de subsidie
                    lager vast te stellen.</al><al>Het derde lid verwijst naar artikel 4:48, 4:49 en 4:50 van de wet en de
                    bevoegdheid die het college heeft om de subsidieverlening c.q. de
                    subsidievaststelling in te trekken of te wijzigen ten nadele van de
                    subsidie-ontvanger.</al><al/><tussenkop>Artikel 4:4 Ambtshalve vaststelling</tussenkop><al>Dit artikel bevat de bevoegdheid van het college om over te gaan tot ambtshalve
                    vaststelling van de verleende subsidie in de daarvoor in aanmerking komende
                    gevallen. </al><al/><tussenkop>Artikel 4:5 Beslistermijn</tussenkop><al>Dit artikel bevat de door het college bij subsidievaststelling in acht te nemen
                    beslistermijn. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 5 Betaling en terugvordering</tussenkop><al/><tussenkop> Artikel 5:1 Voorschotten</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot voorschotverlening. </al><al/><tussenkop> Artikel 5:2 Betaling</tussenkop><al>In afwijking van de wettelijke termijn van artikel 4:52 van de wet, die vier
                    weken bedraagt, is de betalingstermijn vastgesteld op tien weken.</al><al/><tussenkop> Artikel 5:3 Batig saldo</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen met betrekking tot gevallen, waarin een
                    jaarrekening of afrekening een batig saldo aanwijst.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 6 Overige bepalingen</tussenkop><al/><tussenkop> Artikel 6:1 Bijzondere bevoegdheden</tussenkop><al>In dit artikel is sprake van een sanctiemogelijkheid in gevallen, waarin niet
                    voldaan wordt aan de subsidievoorwaarden.</al><al/><tussenkop> Artikel 6:2 Meerjarige subsidies</tussenkop><al>Dit artikel bevat bepalingen die van toepassing zijn bij meerjarige subsidies.
                    In dat geval wordt met de raad een wensen- en bedenkingenprocedure gevoerd.
                    Verder dient in dit kader in acht te worden genomen, dat de raad </al><al>bepaalt of en zo ja op welke wijze indexering plaats vindt. De uitvoering
                    daarvan geschiedt door het college. </al><al/><tussenkop> Artikel 6:3 Hardheidsclausule</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven dat het college indien onverkorte toepassing van
                    de verordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard bepalingen uit
                    de verordening buiten toepassing kan laten of daarvan kan </al><al>afwijken. </al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop> Artikel 7:1 Voorlopige voorziening.</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om in specifieke gevallen, waarin
                    de verordening kennelijk niet voorziet, een besluit te nemen.</al><al/><tussenkop>Artikel 7:2 Overgangsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel wordt in daarvoor in aanmerking komende gevallen het
                    overgangsrecht vastgelegd.</al><al/><tussenkop>Artikel 7:3 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel regelt het van kracht worden van de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 7:4 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel bevat de aanduiding, waarmee naar de verordening kan worden
                    verwezen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>