<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51989_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene subsidieverordening Steenwijkerland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, 19</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene subsidieverordening Steenwijkerland 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/75</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011 onder gelijktijdige intrekking van de Algemene subsidieverordening Gemeente Steenwijkerland d.d. 6 december 2005</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene subsidieverordening Steenwijkerland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 31
                        augustus 2010, nummer 2010/75;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de volgende </al><al/><al><vet>Algemene subsidieverordening
                            Steenwijkerland</vet><vet> 2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Steenwijkerland;</al></li><li nr="b."><al>eenmalige subsidie: subsidie die wordt verstrekt voor
                                    activiteiten die een incidenteel of projectmatig karakter
                                    dragen;</al></li><li nr="c."><al>jaarlijkse subsidie: subsidie die voor één of meerdere jaren
                                    wordt verstrekt aan een rechtspersoon voor activiteiten die een
                                    structureel karakter dragen;</al></li><li nr="d."><al>raad: de gemeenteraad van de gemeente Steenwijkerland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening is van toepassing op alle door de gemeente te
                                verstrekken subsidies voor</al><al> activiteiten die in het belang zijn van de gemeente Steenwijkerland
                                dan wel aan haar inwoners ten</al><al> goede komen, tenzij een andere wettelijke regeling daarin
                                voorziet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen, waarin de te subsidiëren
                                activiteiten en de doelgroepen worden omschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van
                                subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen
                                financiële middelen of het subsidieplafond en, indien de begroting
                                nog niet is vastgesteld, onder de voorwaarde dat voldoende gelden
                                ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om voorwaarden aan de subsidieverstrekking te
                                verbinden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>SUBSIDIEPLAFOND, VERDELINGSMAATSTAF EN BEGROTINGSVOORBEHOUD</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieplafond, verdelingsmaatstaf en
                                begrotingsvoorbehoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het jaarlijks bij de vaststelling van de gemeentebegroting
                                beschikbare gestelde bedrag voor het verstrekken van subsidie voor
                                een beleidsterrein, activiteit of rechtspersoon geldt als
                                subsidieplafond.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de verdeling
                                        van het beschikbare bedrag;</al></li><li nr="b."><al>Indien geen voorrang is bepaald, wordt het beschikbare
                                        bedrag in de volgorde van ontvangst van de volledige
                                        aanvragen verdeeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is
                                vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende
                                middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het
                                college met behulp van een door het college vastgesteld
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag voor subsidie overlegt de aanvrager de volgende
                                gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij een subsidieaanvraag tot € 3.000: </al><al> 1<sup>o</sup> een beschrijving van de activiteiten waarvoor
                                        subsidie wordt aangevraagd;</al><al> 2<sup>o </sup>een financiële onderbouwing (begroting).</al><al/></li><li nr="b."><al>Bij een subsidieaanvraag van € 3.000 tot € 50.000:</al><al> 1<sup>o </sup>een beschrijving van de activiteiten waarvoor
                                        subsidie wordt aangevraagd;</al><al> 2<sup>o </sup>de doelstellingen en resultaten, die met deze
                                        activiteiten worden nagestreefd, alsook de wijze waarop deze
                                        activiteiten daaraan bijdragen;</al><al> 3<sup>o </sup>een begroting en dekkingsplan van de kosten
                                        van de activiteiten, waarvoor subsidie wordt
                                        aangevraagd.</al><al/></li><li nr="c."><al>Bij een subsidieaanvraag vanaf € 50.000:</al><al> 1<sup>o </sup>een beschrijving van de activiteiten waarvoor
                                        subsidie wordt aangevraagd;</al><al> 2<sup>o </sup>de doelstellingen en resultaten, die met deze
                                        activiteiten worden nagestreefd, alsook de wijze waarop deze
                                        activiteiten daaraan bijdragen;</al><al> 3<sup>o </sup>een begroting en dekkingsplan van de kosten
                                        van de activiteiten, waarvoor subsidie wordt
                                        aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een aanvrager voor de eerste maal een structurele subsidie
                                aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de
                                statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het
                                voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in
                                het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die
                                voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk,
                                respectievelijk voldoende, zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend uiterlijk
                                acht weken vóór het tijdstip, waarop wordt aangevangen met de
                                uitvoering van de activiteiten, waarvoor subsidie wordt
                                aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan uiterlijk 31
                                maart in het jaar voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de
                                aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan andere termijnen stellen voor het indienen van een
                                aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een eenmalige subsidie
                                binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie
                                uiterlijk 31 december van het jaar voorafgaand aan het jaar of de
                                jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De termijnen, genoemd in het eerste en tweede lid, kunnen met ten
                                hoogstens acht weken worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de Algemene wet
                                bestuursrecht</titel></kop><al>Afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op
                            per boekjaar te verstrekken jaarlijkse subsidies, voor zover dit in de
                            beschikking tot subsidieverlening is bepaald. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WEIGERING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25 en 4:35 van de
                                Algemene wet bestuursrecht kan de</al><al> subsidie worden geweigerd, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten, waarvoor de aanvraag is ingediend, niet of
                                        niet in overwegende mate zijn gericht op de gemeente of haar
                                        ingezetenen dan wel niet of nauwelijks ten goede komen aan
                                        de gemeente of haar ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al>er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de gelden niet
                                        of in onvoldoende mate worden besteed aan het doel, waarvoor
                                        de subsidie beschikbaar wordt gesteld; </al></li><li nr="c."><al>de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende
                                        gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van
                                        derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te
                                        dekken;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>subsidieverstrekking in strijd is met de bij of krachtens
                                        deze verordening gestelde regels;</al></li><li nr="e."><al> subsidieverstrekking niet past binnen het gemeentelijke
                                        beleid;</al></li><li nr="f."><al>de werkzaamheden of activiteiten waarvoor subsidie is
                                        gevraagd al voor de aanvraag zijn begonnen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De gronden voor weigering van subsidie kunnen bij nadere regeling
                                door het college worden aangevuld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Wet Bibob</titel></kop><al>Het college kan bepalen dat de aangevraagde subsidie kan worden
                            geweigerd of de verleende subsidie kan worden ingetrokken in het geval
                            en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                            integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERLENING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlening subsidie</titel></kop><al>In de beschikking tot subsidieverlening geeft het college aan op welke
                            wijze de verantwoording van de subsidie plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde
                                verplichtingen is het college bevoegd in de beschikking tot
                                subsidieverlening de verplichtingen op te leggen, bedoeld in de
                                artikelen 4:38 en 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om aan de beschikking tot subsidieverlening
                                verplichtingen te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik
                                van de subsidie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bevoorschotting</titel></kop><al>Indien wordt besloten tot bevoorschotting van de subsidie, worden in de
                            beschikking tot subsidieverlening de hoogte en termijnen van de
                            voorschotten bepaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>Indien de subsidie hoger is dan € 50.000 en betrekking heeft op
                            activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de
                            verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en
                            verantwoording over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden
                            uitgaven en inkomsten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra
                            aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend,
                            niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel
                            aan de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen
                            zal worden voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Toestemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor
                                handelingen als bedoeld in artikel 4:71 van de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de beschikking tot subsidieverlening kan vrijstelling van het
                                toestemmingsvereiste voor één of meer van de genoemde handelingen
                                worden verleend. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verplichting bedoeld in het eerste lid geldt niet voor subsidies
                                tot € 3.000.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verantwoording subsidies tot € 3.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt subsidies tot € 3.000 direct vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan binnen drie jaar na de vaststelling de
                                subsidieontvanger verzoeken een overzicht van de activiteiten en de
                                hieraan verbonden uitgaven en inkomsten te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere dan de in het tweede lid
                                bedoelde gegevens en bescheiden worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verantwoording subsidies tussen € 3.000 en € 50.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer dan € 3.000, maar minder dan €
                                50.000 bedraagt, dient de subsidieontvanger bij het college een
                                aanvraag tot vaststelling in:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie: uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie: uiterlijk 30 april in
                                        het jaar na afloop van het kalenderjaar, waarop de
                                        subsidieverlening betrekking heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt of het doel is
                                        gerealiseerd en de activiteiten, waarvoor de subsidie is
                                        verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere of minder dan de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor de vaststelling
                                van belang zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf € 50.000</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 50.000, dient de
                                subsidieontvanger bij het college een aanvraag tot vaststelling
                                in:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een eenmalige subsidie: uiterlijk 13 weken na het
                                        verricht zijn van de activiteiten;</al></li><li nr="b."><al>bij een jaarlijks verstrekte subsidie: uiterlijk 30 april in
                                        het jaar na afloop van het kalenderjaar, waarop de
                                        subsidieverlening betrekking heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag tot vaststelling bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt of het doel is
                                        gerealiseerd en de activiteiten, waarvoor de subsidie is
                                        verleend, zijn verricht;</al></li><li nr="b."><al>een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden
                                        uitgaven en inkomsten (financieel verslag of
                                        jaarrekening);</al></li><li nr="c."><al>een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een
                                        toelichting daarop;</al></li><li nr="d."><al>een accountantsverklaring.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat ook andere of minder dan de in dit
                                artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor de vaststelling
                                van belang zijn, worden overlegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt de subsidie vast binnen acht weken na ontvangst
                                van de aanvraag tot vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De termijn als bedoeld in het eerste lid kan met ten hoogstens acht
                                weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de aanvraag tot vaststelling niet binnen de in deze
                                verordening genoemde termijn is ontvangen, gaat het college binnen
                                acht weken na een eenmalig rappel over tot ambtshalve
                                vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers
                                aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat
                                de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in
                                te dienen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt bij de subsidieverlening of de subsidie in
                                gedeelten wordt betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de subsidie in gedeelten wordt betaald, wordt in de
                                beschikking tot subsidieverlening aangegeven hoe de gedeelten worden
                                berekend en op welke tijdstippen zij worden uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de subsidie direct wordt vastgesteld, wordt het
                                subsidiebedrag in één keer uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Het college kan een aan de subsidieontvanger uit te betalen subsidie en
                            een openstaande geldschuld van de subsidieontvanger aan de gemeente met
                            elkaar verrekenen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot
                                vermogensvorming, is de subsidie ontvanger daarvoor in de in artikel 4:41, tweede lid, van de
                                Algemene wet bestuursrecht genoemde gevallen een vergoeding
                                verschuldigd </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van
                                de waarde van de zaken en andere vermogensbestanddelen op het
                                tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande
                                dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als
                                schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De waardebepaling ingeval van onroerende zaken geschiedt door een
                                door het college aan te wijzen onafhankelijk deskundige.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen een artikel of artikelen van deze
                            verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover
                            toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger
                            leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet of onduidelijk is,
                            beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Algemene subsidieverordening Steenwijkerland 2005 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Aanvragen voor subsidie die zijn ingediend vóór 1 januari 2011, worden
                            afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening
                            Steenwijkerland 2005.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011 onder gelijktijdige
                            intrekking van de Algemene subsidieverordening Gemeente Steenwijkerland
                            d.d. 6 december 2005. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening
                            Steenwijkerland 2010.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>R.G.H.P. Moonen L.V. Elfers </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemene subsidieverordening Steenwijkerland 2010</titel></kop><divisie><kop><titel>Inleiding</titel></kop><al>In het kader van de deregulering en het – daardoor – verminderen van de
                            administratieve lastendruk voor de subsidieontvangers en de bestuurlijke
                            lastendruk voor de gemeentelijke organisatie, is de Algemene
                            subsidieverordening tegen het licht gehouden. </al><al/><al>Uit onderzoek blijkt dat 84% van de door de gemeente Steenwijkerland
                            verstrekte subsidies, ‘kleine’ subsidies zijn, dat wil zeggen: een
                            subsidiebedrag kennen van maximaal € 3000 en dat in 2/3 van deze zaken
                            het subsidiebedrag zelfs € 500 of lager is; 12% van alle verleende
                            subsidies zijn ‘middelgrote’ subsidies (tussen € 3000 en € 50.000) en 4%
                            kan als ‘grote’ subsidies (een subsidiebedrag van meer € 50.000) worden
                            aangemerkt. De kleine subsidies blijken echter maar 2% van het totale
                            subsidiebedrag te vragen, de middelgrote subsidies vragen 6% en de grote
                            subsidies nemen maar liefst 92% van het totale subsidiebedrag voor hun
                            rekening. De financiële risico’s bij de verstrekking van kleine
                            subsidies zijn derhalve zeer beperkt.</al><al/><al>Deze conclusie vormt een belangrijke aangrijpingspunt voor deregulering.
                            De huidige verordening kent alleen een afzonderlijk regime voor het
                            beperkt aantal subsidies, waarop afdeling 4.2.8. van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing kan worden verklaard. Voor de meeste
                            subsidies geldt, ongeacht het subsidiebedrag, derhalve hetzelfde
                            uniforme regime. Gelet op de geringe risico’s alsmede de
                            dereguleringswens, is dit regime te zwaar voor de kleine subsidies en in
                            een aantal gevallen ook voor de middelgrote subsidies. Toepassing van
                            dit uniforme regime leidt tot onevenredig hoge administratieve en
                            bestuurlijke lasten voor de subsidieontvangers respectievelijk de
                            gemeentelijke organisatie. Om deze reden is in de nieuwe verordening een
                            driedeling gehanteerd in kleine, middelgrote en grote subsidies met
                            bijpassende indieningsvereisten en een bijpassend verantwoordingsregime,
                            variërend van licht naar zwaar. Bij kleine subsidies vindt controle
                            steekproefsgewijze plaats. Bovendien worden bij kleine subsidies het
                            besluit tot subsidieverlening en het besluit tot subsidievaststelling in
                            elkaar geschoven, zodat een afzonderlijke vaststelling niet meer nodig
                            is. Daarnaast biedt de nieuwe verordening diverse mogelijkheden om
                            anderszins tot maatwerk-subsidies te komen. Het nieuwe systeem zal voor
                            de meeste subsidieontvangers een administratieve lastenverlichting met
                            zich meebrengen, met name voor de ontvangers van kleine subsidies. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Grondslag verordening</titel></kop><al>In de Algemene wet bestuursrecht staat dat de subsidieverstrekking moet
                            zijn gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Deze eis komt voort uit de
                            wens van de wetgever, dat de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en
                            subsidieontvanger voldoende is gewaarborgd. Hiermee wordt tevens een
                            doelmatige besteding van overheidsuitgaven nagestreefd. Mogelijk
                            onzorgvuldig of willekeurig handelen van het overheidsorgaan of
                            nalatigheid van de subsidieontvanger is immers beter te toetsen aan de
                            hand van een wettelijke regeling dan aan de hand van een op zichzelf
                            staand besluit van een bestuursorgaan.</al><al/><al>Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn
                            gebaseerd op een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Algemene
                            wet bestuursrecht). Deze verordening moet de essentiële elementen van
                            het proces van subsidieverstrekking bevatten, zoals een omschrijving of
                            aanduiding van de te subsidiëren activiteiten, de bevoegdheid voor het
                            vaststellen van een subsidieplafond en de bijbehorende
                            verdelingsmaatstaf. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Algemene
                            wet bestuursrecht [1] (MvT) moet een wettelijk voorschrift, in dit geval
                            een gemeentelijke verordening, aan de twee volgende eisen voldoen om de
                            beoogde doelmatigheid en rechtszekerheid te bereiken. Het moet een
                            omschrijving bevatten van de activiteiten, waarvoor subsidie kan worden
                            verleend en het moet een grondslag bevatten voor de verplichtingen, die
                            het bestuursorgaan aan de subsidieverlening kan verbinden voor zover die
                            grondslag niet al in de Algemene wet bestuursrecht is neergelegd (zie
                            artikel 4:37 Algemene wet bestuursrecht).</al><al/><al>[1] Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21221, nr. 3. </al></divisie><divisie><kop><titel>Uitzonderingen wettelijke grondslag</titel></kop><al>Op de hoofdregel dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een
                            wettelijke grondslag bestaan, op grond van het derde lid van artikel
                            4:23 Algemene wet bestuursrecht, vier uitzonderingen: </al><lijst><li nr="a."><al>de spoedeisende subsidieverstrekking;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost;</al></li><li nr="c."><al>de incidentele subsidieverstrekking;</al></li><li nr="d."><al>de Europese subsidies.</al></li></lijst><al>In de Algemene Subsidieverordening Steenwijkerland 2010 (hierna: Asv) is
                            er voor gekozen om voor de uitzonderingen een wettelijke grondslag op te
                            nemen in de verordening. </al></divisie><divisie><kop><titel>Gebruik en benaming nadere regels</titel></kop><al>Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn
                            gebaseerd op een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Algemene
                            wet bestuursrecht). De opzet van de Asv is dusdanig dat alle algemene
                            regels over subsidieverstrekking in de Asv zijn opgenomen. Regels die
                            alleen betrekking hebben op een speciaal beleidsterrein worden in nadere
                            regels uitgewerkt. Op meerdere plaatsen in de Asv is expliciet opgenomen
                            dat bepaalde onderwerpen door het college kunnen worden uitgewerkt in
                            nadere regels. Ook dit heeft met name te maken met het feit dat maatwerk
                            op deze manier mogelijk wordt. Verder heeft dit als voordeel dat er
                            adequater kan worden ingespeeld op veranderingen. In het kader van
                            deregulering moet het opnemen van afwijkende regels terughoudend worden
                            toegepast.</al><al/><al>Subsidieverstrekking op basis van alleen beleidsregels is
                                    <cursief><onderstreept>niet</onderstreept></cursief>
                            mogelijk vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag. In
                            jurisprudentie is bepaald dat normstelling alleen kan plaatsvinden in de
                            vorm van algemeen verbindende voorschriften en niet in beleidsregels.[2]
                            Het is wel mogelijk om een omschrijving van regels die een uitleg geven
                            aan bepalingen uit de verordening, zoals de afweging van belangen of de
                            vaststelling van feiten, op te stellen in de vorm van beleidsregels. </al><al>Ook het gebruik van beleidsnota’s dient zoveel mogelijk te worden
                            vermeden, omdat met beleidsnota’s niet rechtstreeks verplichtingen aan
                            burgers kunnen worden opgelegd. Beleidsnota’s binden alleen het
                            bestuursorgaan en werken niet extern. In ieder geval kunnen zaken als
                            termijnen en subsidieverplichtingen niet worden geregeld via een
                            beleidsregel. </al><al/><al>[2] ABvRS 28 februari 2000, Amsterdam, JB 2000 nr. 114. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Het subsidiebegrip</titel></kop><al>Om de subsidietitel uit de Algemene wet bestuursrecht op een juiste
                            wijze toe te passen, is het van belang dat helder is wat er onder
                            subsidie wordt verstaan. Subsidie is een materieel begrip en wordt
                            omschreven in artikel 4:21, eerste lid Algemene wet bestuursrecht.
                            Voldoet een geldverstrekking aan de daar genoemde voorwaarden, dan is
                            het een subsidie, hoe ook genaamd. Er is dus sprake van subsidie indien
                            het wordt aangeduid als bijdrage, uitkering of vergoeding. </al><al/><al>Er is sprake van een subsidie als het gaat om geldverstrekkingen, die
                            aan de volgende kenmerken voldoen:</al><al>a. het betreft een aanspraak op financiële middelen;</al><al>b. die door een bestuursorgaan worden verstrekt;</al><al>c. met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager;</al><al>d. anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                            goederen of diensten.</al><al/><al><vet>a. Een aanspraak op financiële middelen</vet></al><al>Het woord ‘aanspraak’ geeft aan dat het niet de daadwerkelijke
                            overhandiging van het geld hoeft te betreffen, maar dat een aanspraak
                            daarop voldoende is. Deze aanspraak is rechtens afdwingbaar. Van belang
                            is niet de daadwerkelijke beschikbaarstelling, maar het besluit van het
                            bestuursorgaan dat de voorgenomen activiteiten worden
                            gesubsidieerd.</al><al>Voor het bestuursorgaan ontstaat na het toekennen van de aanspraak op
                            financiële middelen de verplichting om aan de gesubsidieerde, na
                            uitvoering van de activiteiten en nakoming van zijn overige opgelegde
                            verplichtingen, tot betaling over te gaan.</al><al>Niet alle verstrekkingen van het bestuursorgaan zijn subsidies. Indien
                            er geen financiële middelen worden verstrekt, maar andere zaken, dan is
                            er geen sprake van subsidie.</al><al>Het leveren van goederen of diensten door de gemeente om niet of onder
                            de kostprijs valt niet onder het subsidiebegrip van de Algemene wet
                            bestuursrecht. Dit betekent, dat de zogenaamde ‘subsidies’ in natura (de
                            niet-financiële verstrekkingen), zoals het beschikbaar stellen van
                            gemeentelijke accommodaties voor sportbeoefening of het heffen van een
                            toegangsprijs voor een gemeentelijk museum, die de kosten niet dekken,
                            niet aan de begripsomschrijving voldoen en dus geen subsidie zijn
                            [3]</al><al/><al>[3] Het verstrekken van goederen en diensten kan wel de verwerkelijking
                            van een overheidstaak betreffen en niet louter een economische
                            transactie. Hoewel er dus bij subsidie in nature geen sprake is van
                            subsidie in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, betekent dit niet
                            automatisch dat het besluit over de verstrekking ervan niet als een
                            besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht kan worden
                            aangemerkt. Bijvoorbeeld, indien een gemeente eerst de sportverenigingen
                            rechtstreeks subsidieert en dit wijzigt in een overeenkomst met de
                            sportaccommodatie, waardoor de sportverenigingen geen huur meer hoeven
                            te betalen.</al><al/><al><vet>b. Verstrekt door een bestuursorgaan</vet></al><al>Slechts wanneer de financiële middelen worden verstrekt door een
                            bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet
                            bestuursrecht kan er sprake zijn van een subsidie. Geld van
                            particulieren, zoals fondsen, waarmee activiteiten van andere
                            particulieren mogelijk worden gemaakt, vallen niet onder het
                            subsidiebegrip. De rechtsverhouding tussen particuliere en
                            privaatrechtelijke personen valt immers niet onder de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al><al/><al>De meeste subsidies worden door de ‘reguliere’ bestuursorganen
                            verstrekt. Het is echter van belang om in ogenschouw te nemen, dat ook
                            particuliere fondsen en instellingen, die op grond van een wettelijk
                            voorschrift zijn belast met het geven van subsidies ten laste van
                            openbare middelen, een bestuursorgaan zijn in de zin van artikel 1:1 van
                            de Algemene wet bestuursrecht. Dergelijke privaatrechtelijke
                            rechtspersonen kunnen op grond van art 1:1, lid 1, onder b van de
                            Algemene wet bestuursrecht als bestuursorgaan worden aangemerkt.</al><al/><al><vet>c. Met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager</vet></al><al>Een subsidie wordt altijd verstrekt met een bepaald doel, voor bepaalde
                            activiteiten. De wetgever heeft bepaald dat er sprake moet zijn van
                            bepaalde, duidelijk omschreven activiteiten van de ontvanger. De
                            bestedingsrichting van de middelen moet dus duidelijk zijn.</al><al>Om deze reden vallen bijvoorbeeld sociale uitkeringen niet onder de
                            noemer ‘subsidie’. Het verschaffen van financiële middelen om te
                            voorzien in de kosten van het bestaan gebeurt niet met het oog op
                            bepaalde activiteiten van de aanvrager. Het betreft een algehele of
                            aanvullende inkomensvoorziening, bijvoorbeeld op grond van de Wet werk
                            en bijstand (WWB). </al><al/><al>Ook schadevergoedingen, verstrekt door de overheid, vallen buiten het
                            subsidiebegrip. De bestedingsrichting van de ontvanger ligt in dat geval
                            niet vooraf vast, oftewel: een schadevergoeding wordt niet verleend met
                            het oog op bepaalde activiteiten van de ontvanger, maar ter compensatie
                            van schade, veroorzaakt door handelen van de overheid zelf. Het staat de
                            ontvanger vrij te bepalen, waaraan hij het geld besteedt. Ook de
                            algemene uitkeringen aan gemeenten en provincies uit het Gemeente- en
                            Provinciefonds worden gekenmerkt door een bepaalde bestedingsvrijheid en
                            vallen dus ook buiten de subsidiedefinitie.</al><al/><al><vet>d.Anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde
                                goederen of diensten</vet></al><al>Commerciële transacties vallen buiten het subsidiebegrip. Er is geen
                            sprake van subsidie als de overheid een marktconforme vergoeding betaalt
                            voor aangeschafte goederen of aan haar geleverde diensten. Onder
                            betaling wordt verstaan het leveren van een tegenprestatie, die is
                            afgestemd op de waarde van de verkregen goederen of diensten in het
                            economische verkeer. </al><al/><al><vet><onderstreept>Subsidie versus opdracht: wat is het onderscheid?
                                    [4]</onderstreept></vet><sup/></al><al>Met de zinsnede ‘anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan
                            geleverde goederen of diensten’, had de wetgever de bedoeling de
                            subsidie te onderscheiden van het begrip ‘opdracht’. Uit de definitie
                            van artikel 4:21 Algemene wet bestuursrecht volgt dat, als er sprake is
                            van een betaling voor een opdracht (een financiële tegenprestatie), deze
                            betaling dan niet kan worden aangemerkt als een subsidieverstrekking of
                            omgekeerd. Oftewel: opdracht en subsidie sluiten elkaar uit. </al><al/><al>Het is van belang te beseffen dat de feitelijke situatie bepalend is of
                            iets wordt aangemerkt als een subsidie of een opdracht: het naamkaartje,
                            dat eraan hangt, speelt geen rol. </al><al>Om diverse redenen is het relevant om helder te hebben of het al dan
                            niet een subsidie betreft. Zo zullen ondernemers over de door aan hen
                            gedane betalingen voor geleverde diensten BTW verschuldigd zijn, terwijl
                            zij over aan hen verstrekte subsidies in beginsel geen BTW hoeven af te
                            dragen. En mocht er zich een geschil voordoen, dan kan men in het geval
                            van subsidieverstrekking naar de bestuursrechter stappen, terwijl men
                            zich bij een opdracht moet wenden tot de civiele rechter. Tenslotte kan
                            een overheid te maken krijgen met aanbestedingsregels (bij een opdracht)
                            of wellicht staatssteun (bij subsidie). </al><al/><al/><al>[4] Zie voor een uitvoerige uiteenzetting over dit onderwerp: B.S. ten
                            Kate &amp; T.A.M. van den Ende, ‘Subsidie of opdracht? Het moeizame
                            onderscheid tussen de publiekrechtelijke subsidie en de
                            privaatrechtelijke opdracht’, <cursief>Gst.</cursief> 2006, 7261, blz.
                            583-591. </al><al/><al><vet>Subsidies en Europese staatssteunregels</vet></al><al>Europese regelgeving ten aanzien van staatssteun is niet van toepassing,
                            indien de subsidie aan burgers wordt verstrekt. Ook is geen sprake van
                            staatssteun als de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verleend,
                            geen ondernemingsactiviteiten zijn. Zo is een subsidie aan een
                            (amateur-) sportvereniging geen staatssteun. Als de gesubsidieerde
                            activiteiten wel als onderneming kunnen worden aangemerkt, is er sprake
                            van staatssteun als de subsidie niet open staat voor alle ondernemingen,
                            die deze activiteit uitoefenen. Er moet sprake zijn van een selectief
                            voordeel, wil men kunnen spreken van staatssteun. Staatssteun is
                            toegestaan als deze valt binnen een van de vrijstellingsverordeningen
                            van de Europese staatssteunregels. </al><al/><al><vet>Uitgezonderd van de subsidietitel</vet></al><al>De subsidietitel is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>uitgezonderde en aangewezen beleidsterreinen en onderwerpen</al></li><li nr="b."><al>fiscale faciliteiten</al></li><li nr="c."><al>uitkeringen aan doelsgroepen</al><al/></li></lijst><al><vet>a. Uitgezonderde en aangewezen beleidsterreinen en
                                onderwerpen</vet></al><al>Het eerste lid van artikel 4:21 Algemene wet bestuursrecht geeft een
                            omschrijving van het begrip ‘subsidie’. In het tweede tot en met het
                            vierde lid wordt vervolgens aangegeven welke beleidsterreinen en
                            onderwerpen zijn uitgezonderd van de subsidietitel van de Algemene wet
                            bestuursrecht en welke juist worden aangewezen. Overigens kunnen
                            afzonderlijke wetten ook bepalen of de subsidietitel wel of niet van
                            toepassing is.<sup/>[ 5]</al><al/><al>[5] Zie het voorbeeld in noot 3. </al><al/><al><vet>b.Uitgezonderd: fiscale faciliteiten</vet></al><al>Vanuit economisch oogpunt bekeken, zullen veel belastingfaciliteiten
                            zijn aan te merken als subsidies. De Algemene wet bestuursrecht bepaalt
                            echter dat de subsidietitel niet van toepassing is op fiscale
                            stimulansen of aftrekposten. De reden hiervan is dat de toepassing van
                            de subsidietitel moeilijk te verenigen is met de systematiek van de
                            belasting- of premieheffing.</al><al/><al><vet>c.Uitgezonderd: uitkeringen aan doelgroepen</vet></al><al>Sociale zekerheidswetgeving kent veel bepalingen, waarin de toepassing
                            van de subsidietitel op de betreffende uitkering wordt uitgesloten. In
                            beginsel voldoen de uitkeringen of toeslagen met betrekking tot
                            bijzondere bijstand, subsidies voor gehandicapten met het oog op
                            bijvoorbeeld woningaanpassing of (re-)integratie in een
                            arbeidsorganisatie, aan de subsidiedefinitie van artikel 4:21 Algemene
                            wet bestuursrecht. Desondanks heeft de wetgever er voor gekozen om
                            dergelijke uitkeringen van de toepasselijkheid van de subsidietitel uit
                            te sluiten.</al><al/><al>Ook financiële tegemoetkomingen als studiefinanciering en huurtoeslag
                            zijn lastig te duiden. Enerzijds zien zij op het verrichten van een
                            bepaalde activiteit (studeren respectievelijk het kunnen bewonen van een
                            bepaalde woning, hoewel de inkomsten daartoe niet toereikend zijn),
                            terwijl zij anderzijds het karakter hebben van een aanvullende
                            inkomensvoorziening. De Algemene wet bestuursrechtwetgever heeft bepaald
                            dat dit laatste element overheerst. Mede om praktische redenen (voor
                            beide voorzieningen bestond al een uitgebreide, wettelijke regeling) is
                            daarop uitdrukkelijk bepaald dat de subsidietitel niet van toepassing is
                            op deze voorzieningen. Er is voor gekozen om voornoemde uitzonderingen
                            niet in de Algemene wet bestuursrecht zelf op te nemen, maar in de
                            desbetreffende wetten.</al><al/><al><vet>Aangewezen: bekostiging van het onderwijs en onderzoek</vet></al><al>Het vierde lid van artikel 4:21 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat
                            de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige
                            toepassing is op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek. Het
                            begrip ‘bekostiging’ bevat volgens de MvT<sup/> [6] de reguliere
                            geldstromen voor de instandhouding van de onderscheiden
                            onderwijssoorten, oftewel: de verzuiling. De MvT geeft aan dat, in
                            verband met de eigen aard van de onderwijswetgeving, die samenhangt met
                            de regeling van artikel 23 Grondwet (over de vrijheid van onderwijs),
                            het vierde lid van artikel 4:21 Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat
                            de subsidietitel niet rechtstreeks, maar van overeenkomstige toepassing
                            is op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek. Volgens de MvT
                            wordt op deze manier zoveel mogelijk recht gedaan aan enerzijds de
                            bijzondere constitutionele positie van het onderwijs en anderzijds aan
                            de doelstelling van de Algemene wet bestuursrecht om de bestuurlijke
                            wetgeving zoveel mogelijk te harmoniseren.</al><al/><al>[6] Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21221, nr. 3. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>PROCEDURE</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Sanctiebeleid</titel></kop><al>In deze Asv zijn geen bepalingen opgenomen over de werkwijze en
                            procedures indien subsidieontvangers zich niet houden aan de procedures
                            en verplichtingen. De Algemene wet bestuursrecht geeft hiervoor
                            voldoende handvaten. Bijvoorbeeld, indien aanvragen niet tijdig of
                            onvolledig worden ingediend, dient de subsidieontvanger een termijn
                            gegund te worden waarbinnen de aanvraag kan worden aangevuld, dit volgt
                            uit artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht. Voldoet de aanvrager daar
                            niet aan binnen de termijn, dan kan de gemeente de aanvraag op
                            vereenvoudigde wijze afdoen. Dat betekent dat de gemeente niet op de
                            inhoudelijke merites van de aanvraag hoeft in te gaan. Of, indien de
                            aanvrager niet voldoet aan zijn verplichtingen kan de gemeente op grond
                            van de artikelen 4:46 – 4:50 Algemene wet bestuursrecht de
                            subsidieverlening intrekken of wijzigen. Aangezien met deze bevoegdheden
                            een inbreuk gemaakt wordt op het vertrouwensbeginsel, dient hiermee
                            terughoudend en in alle redelijkheid te worden omgegaan. Daarbij zijn de
                            ernst van de tekortkoming en de gevolgen van de verlaging voor de
                            subsidieontvanger van belang zijnde factoren.</al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verduidelijkt, die in de
                            verordening wordt gehanteerd.</al><al>Er zijn in de praktijk verschillende benamingen van subsidies:
                            exploitatiesubsidie, structurele subsidie, waarderingssubsidie,
                            projectsubsidie, incidentele subsidie, productsubsidie,
                            instellingssubsidie, budgetsubsidie. De juridische betekenis van
                            dergelijke benamingen is echter beperkt. Zoals uit het voorgaande
                            blijkt, is de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht immers
                            materieel: het is afhankelijk van de feitelijke situatie en niet van de
                            benaming of de financiële verstrekking voldoet aan het subsidiebegrip,
                            zoals omschreven in artikel 4:21 Algemene wet bestuursrecht. </al><al>Het is echter de vraag of een veelvoud aan benamingen de praktijk ten
                            goede komt. In deze Algemene subsidieverordening is gekozen voor twee
                            benamingen: eenmalige subsidies en jaarlijkse subsidies. Deze benamingen
                            zijn minder strikt dan op het eerste gezicht lijkt en proberen louter
                            het verschil aan te geven tussen de in principe jaarlijks aan
                            rechtspersonen verstrekte subsidies en de overige (eenmalige)
                            subsidies.</al><al>Eenmalige subsidies zijn subsidies die worden verstrekt voor
                            activiteiten die een incidenteel of projectmatig karakter dragen met een
                            maximum van vier jaar. Onder structurele subsidies worden subsidies
                            verstaan die voor één of meerdere jaren wordt verstrekt aan een
                            rechtspersoon voor activiteiten die een structureel karakter dragen. Dus
                            subsidies die betrekking hebben op een meerjarenactiviteit en een
                            meerjarig beslag op de begrotingsruimte hebben. </al><al>Een subsidie voor maximaal één jaar, maar met een groot aantal
                            subsidieontvangers, is dus al niet meer incidenteel. Evenmin is een
                            eenmalige subsidie voor alle scholen in het basisonderwijs een
                            incidentele subsidie volgens artikel 4:23, vierde lid, onderdeel d
                            Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Een messcherpe afbakening tussen incidentele en andere subsidies is dit
                            echter niet. Vandaar dat er bij het opstellen van de deze
                            subsidieverordening voor is gekozen om ook incidentele subsidies op te
                            nemen in de verordening onder de grondslag eenmalige subsidie, zodat ook
                            deze een wettelijke grondslag hebben. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte verordening</titel></kop><al>De Asv is van toepassing op alle subsidies die door het college
                            krachtens deze Asv worden verstrekt, tenzij een andere wettelijke
                            regeling daarin voorziet. Hieronder vallen ook andere gemeentelijke
                            verordeningen (die betrekking hebben op subsidies). </al><al>Door de veelheid en verscheidenheid van subsidiemogelijkheden is
                            uiteraard niet te vermijden, dat op onderdelen nadere regels
                            noodzakelijk zullen blijken. Volgens het tweede lid is het college
                            bevoegd om deze nadere regels te stellen. Die verscheidenheid
                            onderbrengen in een algemene verordening is mogelijk, maar komt de met
                            een algemene verordening nagestreefde overzichtelijkheid niet ten goede.
                            Daarbij komt dat beleidsdoelen en prioriteiten wijzigen en dit, naar
                            aangenomen mag worden, in een hoger tempo zullen doen dan de Asv aan
                            wijziging toe is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bevoegdheid college</titel></kop><al>Het college besluit ingevolge het eerste lid binnen de daarvoor door de
                            raad vastgestelde kaders, zoals neergelegd in de gemeentebegroting en
                            deze Algemene subsidieverordening. Dit betekent dat het college geen
                            subsidies kan verlenen, die niet stroken met de door de raad
                            vastgestelde algemene regels. Door het woord besluiten i.p.v. verlenen
                            op te nemen in dit artikel wordt beoogd dat het college de bevoegdheid
                            heeft te besluiten over het gehele subsidieproces, dus ook de
                            vaststelling, het bevoorschotten, terugvorderen en dergelijke.</al><al>In het eerste lid is bepaald dat het college daarbij de
                            gemeentebegroting en subsidieplafonds in acht neemt. </al><al>In het tweede lid is de bevoegdheid van het college geregeld om
                            voorwaarden aan de subsidie te verbinden. </al><al>Onder voorwaarden worden opschortende voorwaarden (de subsidie wordt
                            verleend als een onzekere toekomstige gebeurtenis plaatsvindt) of de
                            ontbindende voorwaarden (de subsidieverlening vervalt als een onzekere
                            toekomstige gebeurtenis intreedt) verstaan. </al><al>Met oog op de rechtszekerheid kan geen voorwaarde worden gesteld die de
                            subsidieverlening afhankelijk maakt van een handeling van de
                            subsidiegever of subsidieontvanger. Tenzij het gaat om het meewerken
                            door de subsidieontvanger aan het sluiten van een
                            uitvoeringsovereenkomst of het leveren van bewijs door de
                            subsidieontvanger dat een bepaalde gebeurtenis, niet zijnde een
                            handeling van het bestuursorgaan of van de subsidieontvanger, heeft
                            plaatsgevonden. Voorwaarden moeten worden onderscheiden van
                            verplichtingen. </al><al>Aan een subsidieontvanger kunnen drie soorten verplichtingen worden
                            opgelegd. Het gaat hier om de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>technische en organisatorische verplichtingen</al></li><li nr="-"><al>andere verplichtingen, strekkende tot verwezenlijking van het
                                    doel van de subsidie</al></li><li nr="-"><al>verplichtingen die niet expliciet strekken tot verwezenlijking
                                    van het doel van de subsidie</al></li></lijst><al>Voor gedragsbeïnvloeding van de subsidieontvanger is het opleggen van
                            een verplichting de aangewezen weg. </al><al>Kortom: wanneer een subsidieontvanger niet voldoet aan de voorwaarden
                            wordt er geen subsidie toegekend. Bij verplichtingen wordt er wel
                            subsidie verleend, maar zijn aan de subsidieverlening voorschriften
                            verbonden. Voorwaarden kunnen dus niet worden gebruik voor de
                            verplichtingen van de subsidieontvanger of voor de eisen waaraan voldaan
                            moet worden om voor subsidie in aanmerking te komen. Zie hiertoe ook
                            artikel 4:33 Algemene wet bestuursrecht en voor het verschil met
                            verplichtingen artikel 4:37 Algemene wet bestuursrecht.</al><al><onderstreept>N.B.</onderstreept></al><al>Ook de bevoegdheid om aan een subsidiebeschikking een
                            uitvoeringsovereenkomst te verbinden, berust bij het college.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>SUBSIDIEPLAFOND, VERDELINGSMAATSTAF EN BEGROTINGSVOORBEHOUD</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud</titel></kop><al>Door het hanteren van een subsidieplafond kunnen ongewenste
                            overschrijdingen van het beschikbaar gestelde budget worden voorkomen. </al><al>In de Algemene wet bestuursrecht zijn in de artikelen 4:25 tot en met
                            4:28 de belangrijkste bepalingen rondom het werken met een
                            ‘subsidieplafond’ gegeven. </al><al>Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Algemene wet
                            bestuursrecht, dat het subsidieplafond bekend wordt gemaakt, vóórdat de
                            periode waarop het betrekking heeft, ingaat. Zo kunnen potentiële
                            aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Maar vooral van
                            belang is, dat subsidieaanvragen zonder nadere motivering worden
                            afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is. Indien het
                            voor subsidie beschikbare bedrag enkel op de begroting vermeldt staat en
                            de gemeente deze bedragen niet als zijnde subsidieplafonds heeft
                            gepubliceerd, kan de gemeente subsidieaanvragen niet ongemotiveerd
                            weigeren wegens het bereiken van het plafond. </al><al>Belangrijk is de verplichting om nadere regels te stellen over de
                            verdeling van de beschikbare bedragen. In de Asv is gekozen voor een
                            verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, “wie het eerst komt, het
                            eerst maalt”, waarbij aanvragen in volgorde van ontvangst van de
                            volledige aanvraag worden behandeld.</al><al>Wanneer een subsidie voor een langere tijd is verleend is in het derde
                            lid bepaald dat deze subsidie wordt verleend onder voorwaarde dat er
                            voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>AANVRAAG VAN DE SUBSIDIE</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Bij aanvraag in te dienen gegevens</titel></kop><al>In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk
                            dient te worden gedaan. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op
                            papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits
                            het college het door hem vastgestelde formulier ook in digitale vorm
                            beschikbaar heeft gesteld. </al><al>Door het gebruik van standaardformulieren wordt in ieder geval de
                            rechtszekerheid bevorderd. Voor de aanvrager is meteen duidelijk welke
                            documenten hij dient te overleggen. Het is van belang dat het
                            aanvraagformulier slechts die vragen bevat, die strikt noodzakelijk zijn
                            voor de behandeling van een aanvraag, dus zo eenvoudig mogelijk. Tevens
                            kan met een aanvraagformulier de uniformiteit van behandeling van
                            subsidieaanvragen in de verschillende beleidsterreinen van de gemeente
                            worden bevorderd.</al><al>Het is de bedoeling dat de aanvraagformulieren digitaal beschikbaar
                            worden gesteld op de website van de gemeente. Daarnaast dat de aanvrager
                            zijn formulier ook digitaal kan versturen. Dit is mogelijk met behulp
                            van DigiD. Organisaties die in het Handelsregister geregistreerd staan,
                            kunnen een toegangscode opvragen voor DigiD voor bedrijven bij de Kamer
                            Van Koophandel (www.kvk.nl). Organisaties, die niet in het
                            Handelsregister staan geregistreerd, kunnen het digitale formulier met
                            hun DigiD voor burgers versturen. De gemeente controleert dan vervolgens
                            de gegevens van de aanvrager via het Handelsregister Online. </al><al>Volgens de Algemene wet bestuursrecht is aan het vereiste van
                            ondertekening door een elektronische handtekening voldaan, indien de
                            methode, die daarbij voor authentificatie is gebruikt, voldoende
                            betrouwbaar is, gelet op de aard en inhoud van het elektronische bericht
                            en het doel, waarvoor het wordt gebruikt.</al><al>Ingevolge artikel 4:29 Algemene wet bestuursrecht begint het
                            subsidieproces met een aanvraag. Wat een aanvraag is en aan welke eisen
                            deze moet voldoen staat in afdeling 4.1.1. van de Algemene wet
                            bestuursrecht. </al><al>In het tweede lid is bepaald welke gegevens de aanvrager dient te
                            overleggen bij zijn subsidieaanvraag. </al><al><onderstreept>Beschrijving van activiteiten </onderstreept></al><al>In een beschrijving van de activiteiten staat een vermelding van de aard
                            en het doel ervan en de datum waarop of het tijdvak waarbinnen de
                            activiteiten uitgevoerd worden en voor zover het een aanvraag voor een
                            periodieke subsidie betreft, eventuele afwijkingen ten opzichte van het
                            voorgaande jaar dan wel tijdvak. </al><al><onderstreept>Doelstelling en resultaten</onderstreept></al><al>Bij de beschrijving van de doelstelling en resultaten wordt aangegeven
                            in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar
                            ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of
                            beleidsterreinen.</al><al><onderstreept>Begroting en dekkingsplan</onderstreept></al><al>Een begroting is een overzicht van de geraamde baten en lasten voor de
                            periode en/of bepaalde activiteiten waarvoor de subsidie wordt
                            aangevraagd. Verder behelst de begroting een vergelijking met de
                            begroting van de periode voorafgaande aan het jaar waarvoor de subsidie
                            wordt aangevraagd, tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag
                            betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd toegekend. De
                            begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien. </al><al>Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of
                            private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen
                            ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van
                            zaken daarvan.</al><al>In het derde lid worden meer formele eisen gesteld aan
                            subsidieaanvragers, die voor de eerste maal subsidie aanvragen. Door
                            deze eisen eenmalig te stellen ontstaat er een lastverlichting voor de
                            subsidieaanvragers. Bij hun volgende aanvraag hoeven ze de benodigde
                            stukken niet opnieuw toe te voegen, doordat zij al bekend zijn bij de
                            gemeente. Zo wordt afgezien van het opvragen van een kopie
                            inschrijfbewijs Kamer van Koophandel of een kopie van de statuten. De
                            gemeente kan deze zelf opvragen uit de online database van de Kamer van
                            Koophandel. </al><al>In lid 4 kan het college zo nodig per geval regelen welke gegevens
                            dienen te worden verstrekt, waarbij het uitgangspunt is dat het college
                            dit doet om de administratieve en bestuurlijke lasten voor alle
                            betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Aanvraagtermijn</titel></kop><al>Er is in de verordening een onderscheid gemaakt in de aanvraagtermijn
                            van een eenmalige en jaarlijkse subsidie. </al><al>Volgens het eerste lid dient een eenmalige subsidie acht weken voor het
                            tijdstip waarop een aanvang met de activiteiten wordt gemaakt het
                            aanvraagformulier door het college moet zijn ontvangen. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat een jaarlijkse subsidie uiterlijk 31 maart in
                            het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de
                            subsidieaanvraag betrekking heeft wordt aangevraagd. </al><al>Deze termijnen zijn noodzakelijk om het college in staat te stellen de
                            aanvraag te beoordelen en de ontwerpbegroting op te stellen. </al><al>Opgemerkt dient te worden dat het college, ingevolge de Algemene wet
                            bestuursrecht, aanvragen die te laat worden ontvangen op grond van
                            artikel 4:5 Awb kan weigeren. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Er is in de verordening een onderscheid gemaakt in de beslistermijn van
                            een eenmalige en jaarlijkse subsidie. </al><al>Per 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep in werking getreden.
                            Deze wet geeft subsidieaanvragers die vanaf 1 oktober 2009 een subsidie
                            aanvragen de mogelijkheid om de gemeente in gebreke te stellen wanneer
                            er niet tijdig op hun subsidieaanvraag is beslist. </al><al>Het tweede lid geeft de gemeente de mogelijkheid om een besluit
                            zorgvuldig en gemotiveerd te nemen en voor te bereiden. Bovendien is
                            deze verdagingsmogelijkheid met het oog op de Wet dwangsom en beroep
                            relevant. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toepasselijkheid afdeling 4.2.8. van de Algemene wet
                                bestuursrecht voor jaarlijkse subsidies</titel></kop><al>De regeling van afdeling 4.2.8. van de Algemene wet bestuursrecht is
                            alleen van toepassing wanneer dit wordt bepaald in een wettelijk
                            voorschrift (bijv. een verordening) of het bestuursorgaan daartoe
                            uitdrukkelijk besloten heeft. De afdeling is bedoeld voor subsidies die
                            per boekjaar worden verstrekt aan rechtspersonen ter bekostiging van hun
                            structurele activiteiten. In de subsidieverleningsbeschikking kan het
                            college afdeling 4.2.8. van toepassing verklaren. Als gevolg van het van
                            toepassing verklaren van deze afdeling worden aan het
                            besluitvormingstraject en aan de wijze van verantwoording extra eisen
                            gesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WEIGERING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De algemeen geldende weigeringsgronden staan opgenomen in artikel 4:35
                            Algemene wet bestuursrecht, hierdoor worden ze niet in deze verordening
                            vermeld. Dit artikel bevat een aantal aanvullende algemeen geldende
                            weigeringsgronden. De weigeringsgrond genoemd in het eerste lid onder a
                            is een grond die op de gemeentelijke praktijk is toegesneden. </al><al>De weigeringsgronden van artikel 9 kunnen worden gebruikt indien er
                            voldoende geld beschikbaar is gesteld door de raad. Indien er geen of
                            onvoldoende geld beschikbaar is, dan kan de subsidie worden geweigerd op
                            grond van artikel 4 (subsidieplafond). </al><al>Voorbeeld van een weigering is als de werkzaamheden of activiteiten
                            waarvoor subsidie is gevraagd al voor de aanvraag zijn begonnen. </al><al>In het tweede lid staat aangeven dat het college in nadere regels
                            aanvullende weigeringsgronden kan opnemen. In het kader van deregulering
                            moet het opnemen van aanvullende weigeringsgronden terughoudend worden
                            toegepast. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Wet Bibob</titel></kop><al>Een bijzondere weigeringsgrond is opgenomen in artikel 9, eerste lid.
                            Het betreft het geval dat de aanvrager van een subsidie de toets van de
                            Wet Bibob niet kan doorstaan. Indien deze weigeringsgrond niet zou zijn
                            opgenomen, dan zou het kunnen betekenen dat het college gehouden is
                            subsidie te verlenen aan aanvragers aan wie het college geen vergunning
                            voor niet-subsidiabele activiteiten zou verlenen. Daarbij is niet van
                            belang of de activiteiten, waarvoor subsidie wordt gevraagd, op zichzelf
                            beoordeeld subsidiabel zijn. Het gaat bij deze weigeringsgrond louter om
                            de persoon, dan wel rechtspersoon van de aanvrager.</al><al>De Wet Bibob is bedoeld als aanvulling op bestaande instrumenten, die
                            het college al ter beschikking heeft. Het college zal bij ieder
                            beleidsdoel, dat het wil subsidiëren, zich de vraag moeten stellen of er
                            enig risico is van het faciliteren van strafbare feiten en of die
                            risico’s niet voldoende worden ondervangen met de bestaande toetsing van
                            aanvragen. Het is niet mogelijk te bepalen dat de Wet Bibob generiek op
                            alle subsidies wordt toegepast. Het college dient zelf een afweging te
                            maken in welke situatie toepassing zinvol is. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>VERLENING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlening van de subsidie</titel></kop><al>Het college geeft door deze bepaling al in het besluit tot verlening van
                            de subsidie aan op welke wijze de verantwoording van de ontvangen
                            subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat degene, aan
                            wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke
                            verplichtingen en administratieve eisen hij dient te voldoen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld dat het college de ontvanger verplichtingen
                            kan opleggen. Bij veel, veelal kleinere subsidies zal het stellen van
                            verplichtingen bij de toekenning niet noodzakelijk zijn. In die gevallen
                            kan het college daarvan eenvoudig afzien. </al><al>Artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht noemt acht
                            standaardverplichtingen die ieder subsidiërend bestuursorgaan desgewenst
                            aan subsidieontvangers kan opleggen. Het gaat om verplichtingen die voor
                            een doelmatige subsidieverstrekking van belang kunnen zijn. Daarnaast
                            bieden de artikelen 4:38 en 4:39 van de Algemene wet bestuursrecht
                            mogelijkheden om andere zogenoemde <cursief>doelgebonden </cursief>of
                                <cursief>niet doelgebonden </cursief>verplichtingen op te leggen. </al><al>Bij doelgebonden verplichtingen kan worden gedacht aan de verplichting
                            betreffende de wijze waarop de administratie moeten worden gevoerd of
                            moet worden gerapporteerd over de activiteiten.</al><al>Een voorbeeld van een niet doelgebonden verplichting is de verplichting
                            om in een gebouw</al><al>voorzieningen voor gehandicapten aan te brengen. Voor deze andere
                            verplichtingen geldt, dat deze kunnen worden opgelegd voor zover dit bij
                            wettelijk voorschrift is bepaald. Met dit artikel wordt hieraan
                            voldaan.</al><al>Het tweede lid van artikel 12 biedt de mogelijkheid om toegesneden
                            verplichtingen op te leggen aan op de subsidieontvanger en de door hem
                            te ondernemen activiteiten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bevoorschotting</titel></kop><al>Voorschotten kunnen op aanvraag en ambtshalve worden verstrekt volgens
                            het in de nadere regels of de verleningsbeschikking opgenomen
                            bevoorschottingsritme. De bevoorschottingsbeschikking wordt gegeven op
                            het moment van de subsidieverlening. Tegen de
                            bevoorschottingsbeschikking is bezwaar en beroep mogelijk. </al><al>Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te
                            subsidiëren activiteit is er voor gekozen om de termijnen, waarop de
                            bevoorschotting plaats vindt, niet in de verordening te noemen. Het
                            bevoorschottingsritme en de hoogte van de voorschotten worden in
                            verleningsbeschikking vermeld.</al><al>Indien in de verleningsbeschikking niet anders is bepaald, vindt
                            betaling van het voorschot binnen zes weken na verzending van de
                            verleningsbeschikking plaats. Zie artikel 4:87, lid 1, Algemene wet
                            bestuursrecht. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tussentijdse rapportage</titel></kop><al>In het kader van het terugdringen van de administratieve lasten is
                            ervoor gekozen aan meerjarig verstrekte subsidies, hoger dan € 50.000,
                            de mogelijkheid te verbinden om jaarlijks enkele tussentijdse
                            verantwoordingen te vragen. Het college moet vooraf bepalen welke
                            vereisten worden gesteld aan de tussentijdse, inhoudelijke en financiële
                            verantwoording, bij voorkeur door middel van standaardformulieren. Bij
                            de subsidieverlening wordt aangegeven of er tussentijdse rapportage(s)
                            worden gevraagd. Het ligt voor de hand dat dit regime in ieder geval
                            lichter is dan het regime wat is opgesteld voor de
                            eindverantwoording.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><al>De meldingsplicht is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer
                            vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard
                            verantwoording afleggen bij subsidies tot € 3.000, het vragen van minder
                            tussenrapportages en bevoorschotting. </al><al>De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop)
                            te melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde
                            activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan
                            verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de
                            subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken
                            worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld
                            het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het
                            niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht
                            blijken, met toepassing van </al><al>artikel 4:49 Algemene wet bestuursrecht alsnog de subsidievaststelling
                            worden ingetrokken, omdat de ontvanger wist en behoorde te weten dat de
                            vaststelling onjuist was. </al><al>Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht niet geldt na
                            vaststelling van de subsidie of voor zover er (op verzoek van de
                            belanghebbende) door de subsidieverlener een ontheffing is verleend van
                            de verplichting om een prestatie overeenkomstig de subsidietoekenning
                            uit te voeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Toestemming</titel></kop><al>Rechtspersonen kunnen rechtshandelingen verrichten. Bepaalde
                            rechtshandelingen kunnen van</al><al>invloed zijn op de subsidieverstrekking c.q. subsidierelatie. Het kan
                            daarom gewenst zijn dat het</al><al>verrichten van bepaalde rechtshandelingen aan de toestemming van het
                            college worden onderworpen. In artikel 4:71, eerste lid, van de Algemene
                            wet bestuursrecht is een groot aantal</al><al>van deze rechtshandelingen genoemd. Het toestemmingsvereiste bestaat
                            alleen als dat vooraf bij</al><al>wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is geregeld. Dit
                            artikel beoogt dit toestemmingsvereiste te creëren in de gevallen dat
                            afdeling 4.2.8. van de wet van toepassing is.</al><al>Het tweede en derde lid van dit artikel biedt het college de
                            mogelijkheid het toestemmingsvereiste</al><al>bij de subsidieverlening te beperken c.q. te verruimen.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>VERANTWOORDING EN VASTSTELLING VAN DE SUBSIDIE</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Verantwoording subsidies tot € 3.000</titel></kop><al>Kenmerkend voor subsidies tot € 3.000 is dat een vast bedrag wordt
                            verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf niet standaard
                            verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker. De
                            subsidieontvanger hoeft geen aanvraag voor subsidievaststelling
                            (verantwoording) in te dienen. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de
                            subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard.</al><al>Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid om binnen drie jaar
                            steekproefsgewijze controle uit te voeren. Steekproefsgewijze controle
                            na de vaststelling is mogelijk, maar leidt alleen in bijzondere
                            gevallen, zoals fraude, tot terugvordering. De verantwoording van de
                            subsidieontvanger bestaat dan uit het schriftelijk overleggen van een
                            overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en
                            inkomsten. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf € 3.000 tot € 50.000</titel></kop><al>In dit artikel is aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger de aan
                            hem verleende subsidie aan het college dient te verantwoorden. Ingevolge
                            artikel 11 wordt de wijze van verantwoording al bij het besluit tot
                            verlening van de subsidie aan de ontvanger bekend gemaakt.</al><al>Bij de aanvraag tot vaststelling wordt in het eerste lid onderscheid
                            gemaakt tussen eenmalige subsidies en jaarlijkse subsidies. </al><al>Het tweede lid van artikel 18 bepaalt, dat en op welke wijze de
                            subsidieontvanger moet aantonen dat de activiteiten, waarvoor de
                            subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. Daarbij zal vooraf door de
                            subsidieverstrekker al moeten zijn aangegeven op welke manieren het
                            aantonen kan plaatsvinden. </al><al>In het tweede lid staat beschreven welke stukken de subsidieontvanger
                            bij de aanvraag tot vaststelling dient te overleggen. In een inhoudelijk
                            verslag is beschreven in welke de mate de afspraken zoals vastgelegd in
                            de subsidiebeschikking voor de betreffende periode zijn gerealiseerd.
                            Het inhoudelijke verslag dient tenminste de volgende zaken te
                            bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>de geleverde prestaties (wat is er gedaan?). Hierbij wordt
                                    beschreven wat gepland c.q. verwacht was en wat hiervan is
                                    gerealiseerd;</al></li><li nr="-"><al>doel is gerealiseerd; </al></li><li nr="-"><al>de resultaten van de geleverde prestaties, dit kan bijvoorbeeld
                                    worden weergegeven in het aantal deelnemers. Hierbij wordt
                                    beschreven wat gepland c.q. verwacht was en wat hiervan is
                                    gerealiseerd;</al></li><li nr="-"><al>een verklaring voor afwijkingen tussen de afspraken zoals
                                    opgenomen in de subsidiebeschikkingen de werkelijke geleverde
                                    prestaties en de resultaten;</al></li><li nr="-"><al>(alleen bij jaarlijkse subsidies) een beschrijving van de
                                    maatschappelijke ontwikkeling en de wijze waarop de
                                    subsidieontvanger hierop anticipeert of reageert;</al></li><li nr="-"><al>(alleen bij jaarlijkse subsidies) een beschrijving van
                                    beleidsmatige ontwikkelingen van de subsidieontvanger. </al></li></lijst><al>Ingevolge het derde lid kan het college bepalen dat het voor de
                            verantwoording daarvan andere stukken en bewijzen verlangt dan
                            gebruikelijk en uit hoofde van de gewone bedrijfsvoering van de
                            subsidieontvanger al worden opgesteld. Te denken valt aan de verslagen,
                            die rechtspersonen uit hoofde van de wet al dienen op te stellen en die
                            natuurlijk naar gelang van de hoedanigheid van de betreffende
                            rechtspersoon verschillen. Waar het hier uiteraard om gaat, is te
                            voorkomen dat subsidieontvangers speciale stukken met andere
                            verantwoordingsmethoden moeten opstellen dan zij gebruikelijk al doen.
                            Bovendien staat er op grond van dit lid de mogelijkheid om meer gegevens
                            en bescheiden te laten overleggen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verantwoording subsidies vanaf € 50.000</titel></kop><al>Bij subsidies van € 50.000 of meer wordt uitgegaan van de traditionele
                            afrekening van subsidies, namelijk op basis van gerealiseerde kosten en
                            baten. De vaststelling van de subsidie vindt - tenzij de voorschriften
                            voor subsidies tot € 50.000 worden toegepast - plaats op basis van
                            uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Bij de financiële
                            verantwoording vraagt de subsidieverstrekker een door een accountant
                            opgesteld stuk op. </al><al>In het tweede lid staat beschreven welke stukken de subsidieontvanger
                            bij de aanvraag tot vaststelling dient te overleggen. Zie de toelichting
                            bij het tweede lid van artikel 18 voor de inhoudelijke vereisten van een
                            inhoudelijk verslag. Ten opzichte van artikel 18 wordt bij deze
                            categorie subsidies ook een balans, accountantsverklaring en financieel
                            verslag gevraagd. </al><al>Het financieel verslag of de jaarrekening wordt jaarlijks achteraf door
                            de subsidieontvanger aangeleverd. De informatie van het financieel
                            verslag of de jaarrekening wordt op dezelfde wijze gepresenteerd als in
                            de bij de aanvraag ingediende begroting. Het stuk geeft weer of het de
                            subsidieontvanger in financieel opzicht zo is vergaan als was voorzien
                            in de begroting. Het beschrijft in ieder geval de exploitatie.</al><al>Evenals het derde lid van artikel 18 wordt in het derde lid van artikel
                            19 geregeld dat ook alternatieve verantwoordingsbewijzen kunnen worden
                            gevraagd. Daarmee wordt invulling geven aan het uitgangspunt, dat de
                            verantwoordingslasten in verhouding moeten zijn met de hoogte van het
                            subsidiebedrag. Bovendien staat er op grond van dit lid de mogelijkheid
                            om meer gegevens en bescheiden te laten overleggen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Vaststelling subsidie</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld binnen welke termijn het college besluit ter
                            zake van de vaststelling van de subsidie.</al><al>Het tweede lid geeft de gemeente de mogelijkheid om een besluit
                            zorgvuldig en gemotiveerd te nemen en voor te bereiden. Bovendien is
                            deze verdagingsmogelijkheid met het oog op de Wet dwangsom en beroep
                            relevant. </al><al>Ambtshalve vaststelling door het college is mogelijk op grond van het
                            derde lid nadat de subsidieontvanger na een rappel binnen acht weken
                            geen aanvraag indient. </al><al>Op grond van het vierde lid kan het college bepalen dat bepaalde
                            categorieën van subsidies, dan wel subsidieontvangers, niet tot
                            verantwoording van de aan hun verleende subsidie hoeven over te gaan. Te
                            denken valt daarbij aan subsidies van een beperkte omvang of subsidies,
                            die aan een vertrouwde ontvanger worden verstrekt, dan wel subsidies die
                            voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de
                            besteding van het geld overbodig maakt. Bij dit laatste kan worden
                            gedacht aan de huurkosten van een gebouw. De verantwoorde besteding van
                            de subsidie blijkt dan immers al uit het feit, dat het betreffende
                            gebouw in gebruik is bij de subsidieontvanger.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Betaling</titel></kop><al>Voor de betaling van het subsidiebedrag wordt het bepaalde in artikel
                            4:52 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd. In deze verordening zijn
                            daaromtrent dan ook geen nadere regels opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de betaling in termijnen/gedeelten bepaalt artikel 4:53
                            van de Algemene wet bestuursrecht dat dit slechts kan plaatsvinden
                            indien bij wettelijk voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden
                            berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald.</al><al>Dit artikel creëert de mogelijkheid van betaling in gedeelten. Hoe de
                            gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald kan
                            het bestuursorgaan bij de beschikking tot subsidieverlening bepalen.
                            Tegen deze beschikking staat bezwaar en beroep open. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Ingevolge artikel 4:93 Algemene wet bestuursrecht kan een geldschuld met
                            een bestaande vordering verrekend worden voor zover de bevoegdheid tot
                            verrekening bij een wettelijk voorschrift is toegekend. Met dit artikel
                            is deze bevoegdheid aan het college toegekend. </al><al>Bij de verrekening moet het bestuursorgaan vermelden met welke vordering
                            wordt verrekend en voor welk bedrag. Dit is ook van toepassing op
                            subsidiebedragen. Verrekening kan plaatsvinden bij afzonderlijke
                            beschikking. Tegen deze beschikking staat bezwaar en beroep open.</al><al>Verrekening heeft terugwerkende kracht. Dit betekent dat verrekening
                            terug werkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is
                            ontstaan. Voorbeeld: wanneer de bevoegdheid tot verrekening op 1 januari
                            ontstaat en er wordt op 1 mei verrekend, dan werkt de verrekening dus
                            terug tot 1 januari. Na 1 januari verschuldigde of niet betaalde
                            bedongen rente hoeft dan niet meer te worden voldaan. </al><al>Als over één van de vorderingen of over beide al opeisbare rente is
                            betaald, werkt de verrekening niet verder terug dan tot het einde van de
                            laatste termijn waarover rente is voldaan. Voorbeeld: wanneer de
                            bevoegdheid tot verrekening op 1 januari is ontstaan en er is door een
                            van partijen tot 1 maart rente betaald, dan wordt de verrekening geacht
                            op 1 maart te zijn ingetreden. Als de wederpartij nog rente verschuldigd
                            is, dan is hij die rente verschuldigd tot 1 maart. </al><al>Verrekening is niet toegestaan voor zover beslag op de vordering van de
                            wederpartij niet geldig zou zijn. De bevoegdheid tot verrekening geldt
                            ook als er een uitstel van betaling is verleend. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vermogensvorming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de mogelijkheid om vermogenstoename als gevolg van
                            het verstrekken van</al><al>subsidie te vormen. Artikel 4:41 Algemene wet bestuursrecht verlangt dan
                            wel dat dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Met dit artikel wordt
                            genoemde mogelijkheid gecreëerd.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>De te treffen voorziening, die niet in de verordening is voorzien, dient
                            altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen. De toepassing
                            van de hardheidsclausule dient beperkt te blijven tot individuele
                            gevallen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Onvoorziene situaties</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Het is van belang dat van de vigerende subsidieregelingen wordt
                            aangegeven of ze worden ingetrokken en hoe ze zich verhouden tot de
                            Algemene subsidieverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Overgangsbepalingen, Artikel 28 Inwerkingtreding, Artikel 29
                                Citeertitel</titel></kop><al>Aangezien er een geheel nieuwe verordening is vastgesteld, is het
                            noodzakelijk om de vorige algemene subsidie verordening in te trekken.
                        </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>