<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51971_8</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Elburg, 2015, nr. 25124</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening gemeente Elburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 108 en 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-07-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging van de artikelen 1:2, 2:1, 2:10b, 2:28, 2:39, 2:48, 3:5, 4:2, 4:3, 5:9, 5:24, 5:26. Toevoeging van de artikelen 2:66, 2:67, 2:68, 2:76 en de daarbij behorende toelichting.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>apv</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging van de artikelen 1:2, 2:1, 2:10b, 2:28, 2:39, 2:48, 3:5, 4:2, 4:3, 5:9, 5:24, 5:26. Toevoeging van de artikelen 2:66, 2:67, 2:68, 2:76 en de daarbij behorende toelichting.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening Elburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Elburg;</vet></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 augustus 2010
                        gelet op artikel 108 en 149 van de Gemeentewet;</al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen: de Algemene Plaatselijke Verordening.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats,
                                    waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994 ;</al></li><li nr="c."><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                    staten, respectievelijk de raad, de grenzen hebben vastgesteld
                                    overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet en
                                    artikel 20a van de wegenverkeerswet 1994;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijkrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Bouwverordening;</al></li><li nr="g."><al>gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet ;</al></li><li nr="h."><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang
                                    te dienen;</al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid,
                                artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel 4:11.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken</al><al>vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing
                                nodig heeft, kan het bestuursorgaan</al><al>besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning, als genoemd in artikel 2:25
                                van deze verordening, wordt ingediend eerder dan drie maanden voor
                                het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het</al><al>eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts
                                tot bescherming van het belang of de belangen in</al><al>verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald</al><al>of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                    vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                    ontheffing is vereist;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of wordenagekomen;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald</al><al>of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde
                            bestuursorgaan worden geweigerd in</al><al>het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:9</nr><titel>Lex Silencio Positivo van toepassing</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen)</al><al>is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2:6 ontheffing aanbieden geschreven of gedrukte
                                    stukken;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2:10a vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of
                                    aan de weg;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:11 vergunning voor het aanleggen, beschadigen of
                                    veranderen van een weg;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:12 vergunning voor het maken veranderen van een
                                    uitweg;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:28 vergunning voor het exploiteren van een
                                    horecabedrijf;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:39 vergunningspeelgelegenheden;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:72 vergunning verkoop consumentenvuurwerk;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:73 a ontheffing carbid, met meer dan vier
                                    carbidbussen</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:6 ontheffing overige geluidshinder;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:15 omgevingsvergunningvoor handelreclame</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:18 ontheffing recreatief nachtverblijf buiten
                                    kampeerterreinen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:20 ontheffing planten, paddenstoelen en mossen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:2 ontheffing parkeren voertuigen van autobedrijf;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:3 ontheffing te koop aanbieden van voertuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:6 ontheffing parkeren kampeermiddelen e.a.;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:8 ontheffing parkeren van grote voertuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:9 ontheffing uitzichtbelemmerende voertuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:11 ontheffing aantasting groenvoorziening door
                                    voertuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:13 vergunning inzameling van geld of goederen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:16 ontheffing beperking venten met gedrukte
                                    stukken;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:18 vergunning voor een standplaats;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:23 vergunning voor het organiseren van een
                                    snuffelmarkt;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:33 ontheffing verkeer in natuurgebieden;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:34 ontheffing afvalstoffen verbanden
                                    buiteninrichtingen of anderszins vuur te stoken;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:50 vergunning laden lossen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:51 ontheffing innemen ligplaats;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:53 vergunning vaste ligplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:10</nr><titel>Lex Silencio Positivo niet van toepassing</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Awb (positieve fictieve beschikking bij niet
                            tijdig beslissen) is niet van toepassing</al><al>op de volgende artikelen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2:1 ontheffing verbod op samenscholing;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:25 vergunning voor evenementen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:60 ontheffing houden hinderlijke of schadelijke
                                    dieren;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 3:4 Vergunning seksinrichtingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, te vechten, zich onnodig op te dringen en/of door
                                    uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>BETOGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid, genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>VERTONINGEN E.D. OP DE WEG</titel></kop><structuurtekst><al>[vervallen]</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10a</nr><titel>Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
                                    in strijd met de publieke functie van de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde
                                    bestuursorgaan de weg of een </al><al>weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke
                                    functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>Indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke
                                            eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>In het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan in het belang van de in lid 2 genoemde
                                    belangen nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                    activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder
                                    j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10b</nr><titel>Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voor:</al><lijst><li nr="-"><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="-"><al>terassen als bedoeld in artikel 2:27;</al></li><li nr="-"><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens
                                    niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                    worden geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het vorige
                                    artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b,van het vorige
                                    artikel geldt niet voor bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het vorige
                                    artikel geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10c</nr><titel>Vrij te stellen categorieën</titel></kop><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het
                                verbod in het eerste lid van artikel A niet geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings) vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening of voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement,
                                    de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                    gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een
                                    uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                            uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                            weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van groenvoorzieningen in de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al> voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                            voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de
                                            waterschapskeur of het Provinciale wegenreglement;</al></li><li nr="b."><al>indien in een omgevingsvergunning voor het oprichten van
                                            een bouwwerk een uitweg naar de weg is opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>indien in een door het bevoegd gezag vastgesteld
                                            planologisch document de uitweg reeds staat
                                            verbeeld.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6.</nr><titel>VEILIGHEID OP DE WEG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een gevaarlijk voorwerp aan te brengen
                                of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan
                                    wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht
                                    .</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad
                                    of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,50 m
                                    uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte
                                    delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van
                                    de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><al>[niet van toepassing]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7.</nr><titel>EVENEMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet en artikel 5:22van deze
                                            verordening;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>kermissen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie;</al></li><li nr="c."><al>een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel2:3 van deze verordening, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg;</al></li><li nr="e."><al>een klein evenement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder klein evenement wordt verstaan een kleinschalige
                                    activiteit die op slechts één dag plaatsvindt, tenzij de
                                    burgemeester deze activiteit op grond van artikel 2:25 lid 3
                                    verboden heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 500
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 8:00 en 23:30 uur plaats
                                            vindt;</al></li><li nr="c."><al>geen versterkte muziek ten gehore wordt gebracht voor
                                            9:00 uur of na 23:30 uur;</al></li><li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan,
                                            (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszinseen
                                            belemmering vormt voor het verkeer en de
                                            hulpdiensten;</al></li><li nr="e."><al>er een organisator is;</al></li><li nr="f."><al>de organisator minimaal 20 werkdagen voorafgaand aan het
                                            evenement daarvan melding heeftgedaan aan de
                                            burgemeester.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan binnen 15 dagen na ontvangst van de melding
                                    besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het
                                    tweede lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Naast de weiegringsgronden genoemd in artikel 1:8 van deze
                                    verordening, kan de vergunning worden gewiegerd indien:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard en het karakter van de locatie waarvoor een
                                            vergunning is aangevraagd zich verzetten tegen het
                                            houden van een evenement of</al></li><li nr="-"><al>door het toestaan van het aangevraagde evenement of de
                                            aangevraagde evenementen geen gevarieerd programma van
                                            evenementen ontstaat. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan gebiedenen periodes aanwijzen waarin
                                    beperkingen worden gesteld aan het aantal te houden
                                    evenementen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op
                                    of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                    1994 .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8.</nr><titel>TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Horecabedrijf</vet>: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                        worden geschonken of </al><al>rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, </al><al>discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder horecabedrijf wordt
                                        tevens verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en
                                        andere aanhorigheden.</al></li><li nr="2."><al><vet>Terras</vet>: een buiten de besloten ruimte van de
                                        inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of
                                        zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                        dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe
                                        consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="3."><al><vet>Onder exploitant wordt in deze paragraaf
                                        verstaan</vet>: degene die een horecabedrijf exploiteert op
                                        grond van het bepaalde in artikel 2:28.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf (en bijbehorend
                                    terras)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf en eventueel bijbehorend
                                    terras te exploiteren zonder vergunning van de
                                    burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    het horecabedrijf en/of het bijbehorende terras in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
                                    of voorbereidingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                    de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien
                                    naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of
                                    leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare
                                    orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf dat zich
                                    bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van het horecabedrijf
                                    een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde lid kan de burgemeester
                                    de exploitatievergunning ten behoeve van één of meer bij een
                                    horecabedrijf behorende terrassen weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                            dan wel een gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de
                                            weg of voor het doelmatig en veilig gebruik
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de woon-
                                    en leefomgeving en het uiterlijk aanzien van het terras nadere
                                    regels stellen met betrekking tot terrassen bij
                                    horecabedrijven.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat, het gestelde in het eerste lid
                                    niet geldt voor één of meer in dat besluit aangeduide soorten
                                    horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer
                                    daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De exploitatie van een horecabedrijf, waarop een besluit als
                                    bedoeld in het zevende lid van toepassing is, moet zodanig
                                    geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                    van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op
                                    ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de exploitant verboden het horecabedrijf voor bezoekers
                                    geopend te hebben, of bezoekers inhet horecabedrijf te laten
                                    verblijven: op maandag tot en met zaterdag tussen 1:00 uur en
                                    7:00 uur, en op zondag tussen 00:00 uur en 7:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift
                                    andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                                    horecabedrijf, in de gehele gemeente dan wel in één of meer
                                    aangewezen gedeelten van de gemeente bepalen dat in het
                                    horecabedrijf na 00:00 uur op zondag en na 1:00 uur op de
                                    overige dagen, geen nieuwe bezoekers meer in het horecabedrijf
                                    mogen worden toegelaten, en dat tussen 03:00 uur en 7:00 uur
                                    geen bezoekers meer in het horecabedrijf mogen verblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De sluitingstijd van een terras behorende bij een horecabedrijf
                                    is op alle dagen van de week uiterlijk om 00:00 uur. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of</al><al>in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer
                                    horecabedrijven tijdelijk andere dan de</al><al>krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of
                                    tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien</al><al>door artikel 13b van de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers verboden zich in een horecabedrijf te bevinden
                                gedurende de tijd dat het bedrijf krachtens</al><al>artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 genomen
                                besluit gesloten dient te zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend</al><al>persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op
                                    enig andere wijze overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33a</nr><titel>Zwarte lijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een inrichting, als bedoeld in artikel
                                    2:27, eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te
                                    laten verblijven niet tot zijn gezin behorende personen, die
                                    naar het oordeel van de burgemeester misbruik van
                                    alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig
                                    schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn
                                    opgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het
                                    eerste lid door de burgemeeste aan de houders van inrichtingen,
                                    als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, is opgegeven, verboden
                                    zich</al><al>in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk
                                    door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode,
                                    die niet langer is dan een jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf geen inrichting is in de zin van artikel
                                174 van de Gemeentewet, treedt het</al><al>college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel
                                2:28 tot en met 2:31</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8a</nr><titel>BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                                DRANK- EN HORECAWET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34a</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>terras: het buiten de besloten ruimte gelegen deel van
                                            een inrichting waarin het horecabedrijf wordt
                                            uitgeoefend, waar sta- of zitgelegenheid kan worden
                                            geboden en waar bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                            dranken of spijzen voor gebruik ter plaatse mogen worden
                                            verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 3 van
                                            de wet;</al></li><li nr="d."><al>bezoeker: een ieder die zich in een inrichting bevindt,
                                            met uitzondering van:</al><lijst><li nr="-"><al>leidinggevenden in de zin van de wet;</al></li><li nr="-"><al>personen die dienst doen in de inrichting;</al></li><li nr="-"><al>personen wier aanwezigheid in de inrichting
                                                  wegens dringende redenen noodzakelijk is;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>paracommerciële inrichting: een inrichting waarin een
                                            paracommerciële rechtspersoon in eigen beheer het
                                            horecabedrijf exploiteert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de overige
                                    begrippen in deze afdeling verstaan wat de wet daaronder
                                    verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34b Schenktijden para commerciële inrichtingen</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In paracommerciële inrichtingen wordt alcoholhoudende drank
                                    uitsluitend vertsrekt gedurende de periode beginnende met een
                                    uur voor aanvang en eindigende met een uur na beëindiging van
                                    activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving
                                    van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onvermimderd het eerste lid, wordt in paracommerciële
                                    inrichtingen acoholhoudende drank uitsluitend vertrekt op
                                    werkdagen tussen 19:00 en 24:00 uur en op zaterdag, zondag en
                                    algemeen erkende feestdagen tussen 13:30 en 24:00 uur. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34c</nr><titel>Bijeenkomsten in paracommerciële inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in paracommerciële inrichtingen verboden om
                                    alcoholhoudende drank te schenken tijdens bijeenkomsten van
                                    persoonlijke aard of die gericht zijn op personen die niet of
                                    niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                                    rechtspersoon betrokken zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 hebben paracommerciële inrichtingen de
                                    mogelijkheid om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens ten
                                    hoogste 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard of die
                                    gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                                    activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk 5 werkdagen
                                    vóór een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan
                                    melding aan de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34d</nr><titel>Schenken van sterk alcoholhoudende drank</titel></kop><al>Het is verboden in paracommerciële inrichtingen sterke drank te
                                verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34e</nr><titel>Prijsacties</titel></kop><al>Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de
                                openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                alcoholhoudende dranken:</al><lijst><li nr="1."><al>te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die
                                        voor een periode van 24 uur of korter lager ligt dan 60% van
                                        de prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het
                                        betreffende terras gewoonlijk wordt gevraagd;</al></li><li nr="2."><al>aan te bieden voor gebruik elders dan ter plaatse tegen een
                                        prijs die voor een periode van een week of korter lager is
                                        dan 70% van de prijs die in het betreffende verkooppunt
                                        gewoonlijk wordt gevraagd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34f</nr><titel>Ontheffingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk, in bijzondere
                                    gevallen, ontheffing verlenen van de in artikelen 2.34b, 2.34c
                                    en 2.34d opgenomen bepalingen en/of verboden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene Wet
                                    Bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college is bevoegd om voor dorps- en gemeenschapshuizen
                                    nadere regels vast te stellen voor het verlenen van een
                                    ontheffing als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.34g</nr><titel>Intrekkingsgronden ontheffing</titel></kop><al>Naast de in artikel 1:6 vermelde intrekkings- en wijzigingsgronden
                                kan de in artikel 2:34F bedoelde ontheffing ook worden ingetrokken
                                of gewijzigd indien zich feiten hebben voorgedaan, die de vrees
                                wettigen, dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar
                                oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9.</nr><titel>TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                                NACHTVERBLIJF</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefeningvan beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperenwordt verschaft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van eeninrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10.</nr><titel>TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen
                                            vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                            Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is
                                            vergunning te verlenen;</al></li><li nr="c."><al>c.speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden
                                            om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de
                                            Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                            speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op
                                            de kansspelen , of de handeling als bedoeld in artikel
                                            1, onder a, van de Wet op de kansspelen te
                                            verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de
                                            woon en leefsituatie in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                            wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van
                                            de speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd
                                            is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                            a, van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c, van de Wet;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet.</al></li><li nr="f."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                            toegestaan, waarvan maximaal twee
                                            kansspelautomaten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                    geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>11.</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een
                                    niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of
                                    dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet
                                    voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat
                                    lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of
                                    bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaatszichtbaar is te bekrassen of
                                    te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                            wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                            doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruik of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde
                                    voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een tas of andere voorwerpen die
                                    er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van winkeldiefstal
                                    te vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van
                                    toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of
                                    middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het
                                    eerste lid en/of tweede lid bedoelde handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>[niet van toepassing]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><al>[niet van toepassing]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden: </al><lijst><li nr="a."><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op
                                            een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder wordt
                                            veroorzaakt</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426 bis of 431 van
                                    het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achtien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudendedrank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of
                                            een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door het college aangewezen
                                            plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder
                                            duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid aanhef en onder b is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
                                    zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of
                                    houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                    geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                            bestemd voor het verkeer van voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op locaties binnen de bebouwde kom, die zijn aangewezen
                                            als locaties waar een hond los mag lopen;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op
                                    het terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de
                                            eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die
                                            hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod
                                            in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk
                                            vindt;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf
                                            nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft
                                            bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                            acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het
                                            gedrag van die hond noodzakelijk vind.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2:57, eerste lid onder c, geldt voor
                                    het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien
                                    moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar
                                    identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder
                                            d, van de Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                            een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                            langer is dan 1,50 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve
                                    dieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hetcollege gestelde regels;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven, of;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>te voeren. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezigte hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Vloekverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in het openbaar de naam van God vloekende te
                                    gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in het openbaar ruwe of onzedelijke taal te
                                    gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 geldt indien het Wetboek van Strafrecht
                                    van toepassing is.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>12.</nr><titel>BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling </titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te
                                    nemen:</al><lijst><li nr="a"><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b"><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c"><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                            zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                            goed;</al></li><li nr="d"><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed; en</al></li><li nr="e"><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                    Strafrecht </titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li><li nr="1)"><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging;</al></li><li nr="2)"><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen;</al></li><li nr="3)"><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4)"><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>13.</nr><titel>VUURWERK</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel</al><al>vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                het</al><al>college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden
                                gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht
                                    .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73a</nr><titel>Carbidbussen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg of op een voor het publiek
                                    toegankelijk terrein met gebruikmaking van carbid voorwerpen af
                                    te schieten:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom op andere tijden dan op 31
                                            december na 10.00 uur en op 1 januari voor 02.00
                                            uur.</al></li><li nr="c."><al>met meer dan vier carbidbussen in georganiseerd
                                            verband.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor zover de Wet geluidhinder
                                    of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het in het eerste lid onder c gestelde verbod kan ontheffing
                                    worden verleend voor het schieten (in georganiseerd verband) met
                                    vijf of meer carbidbussen in directe nabijheid van elkaar op 31
                                    december. Deze ontheffing dient ten minste vier weken van
                                    tevoren te worden aangevraagd bij de burgemeester. Indien 31
                                    december op een zondag valt, kan de burgemeester ontheffing van
                                    het eerste lid onder b en c verlenen, zodat op 30 december in
                                    plaats van 31 december in georganiseerd verband met vijf of meer
                                    carbidbussen geschoten kan worden.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>14.</nr><titel>DRUGSOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet , of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Openlijk drugsgebruik</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als
                                bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te
                                dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve
                                van het gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>15.</nr><titel>BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                                CAMERATOEZICHT</titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>a.prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>b.prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>c.seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke,
                                        besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht,
                                        of vertoningen van erotisch-</al><al>pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting
                                        worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,
                                        seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een
                                        prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>d.escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen
                                        of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof
                                        zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimtewordt uitgeoefend;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>e.sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-
                                        pornografische aard aan particulieren plegen te worden
                                        verkocht of verhuurd;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>f.exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2 van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet , de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE EN DERGELIJKE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is
                                            toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeldin artikel 9,
                                            eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht ,
                                            wegens dan wel medewegens overtreding van:</al><al>- bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                            Horecawet , de Opiumwet , de Vreemdelingenwet en de Wet
                                            arbeid vreemdelingen ;</al><al>- de artikelen 137c tot en met 137g , 140 , 240b , 242
                                            tot en met 249 , 252 , 250a (oud), 273f , 300 tot en met
                                            303 , 416 , 417 , 417bis , 426 , 429quater en 453 van
                                            het Wetboek van Strafrecht ;</al><al>- de artikelen 8 en 162, derde lid , alsmede artikel 6
                                            juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                            Wegenverkeerswet 1994 ;</al><lijst><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d , 13 , 14 , 27
                                                  en 30b van de Wet op de kansspelen ;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen
                                                  ;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan 375 euro bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van dezevergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 0:00 uur en 9:00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                            tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht , maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke
                                            vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX
                                            (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht , in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie ; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7,eerste lid, van de Grondwet
                                    .</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><al>(niet van toepassing)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon-
                                            en leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>GELUIDHINDER EN VERLICHTING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet
                                    voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                    festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer van de volgende delen: Elburg/Oostendorp, ’t Harde een
                                    Doornspijk (inclusief Hoge Enk).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan 45 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening- uiterlijk om 23:00 uur te worden
                                    beëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal één incidentele
                                    festiviteit per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen
                                    als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                    en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn,
                                    mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    3.148, eerste lid van het Besluit, niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de
                                    inrichting bedraagt niet meer dan 45 dB(A), gemeten op de gevel
                                    van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                    onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege
                                    muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten
                                    beschouwing gelaten.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld
                                    in de artikelen 2.17 , 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel
                                    4:5 van deze verordening - uiterlijk om 23:00 uur
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                    buitenruimte.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                    deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van
                                    personen of goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                    bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van
                                    het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel
                                    van toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of
                                            aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
                                            gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming
                                            geeft voor het in redelijkheiduitvoeren of doen
                                            uitvoeren van geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden
                                            bij gevoelige terreinen op de grens van het
                                            terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                            zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                            ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in
                                            de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt
                                            toegepast.</al></li><li nr="e."><al>Tabel:</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al><vet>7:00 – 19:00 uur</vet></al></entry><entry><al><vet>19:00 – 23:00 uur</vet></al></entry><entry><al><vet>23:00 -7:00 uur</vet></al></entry></row><row><entry><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry><entry><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>35 dB(A)</al></entry><entry><al>30 dB(A)</al></entry><entry><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry><al>70 dB(A)</al></entry><entry><al>65 dB(A)</al></entry><entry><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry><al>55 dB(A)</al></entry><entry><al>50 dB(A)</al></entry><entry><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek,
                                    vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                    harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende
                                    de dagen avondperiode uitgezonderd van de genoemde
                                    geluidsniveaus in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte
                                    elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte
                                    muziek en is het Besluit van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van
                                    deze verordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in
                                    werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige
                                    wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidshinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                    Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit
                                    of de Provincialemilieuverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6a</nr><titel>Geluidshinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te
                                gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                omgeving (geluid)hinder ontstaat.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de</al><al>gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN (NIET VAN TOEPASSING)</titel></kop><structuurtekst><al>Vastgelegd in de Bomenverordening 2009.</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of
                                            onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een
                                    bepaald voorwerp of bepaalde stof: op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke
                                    ordening of de Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Omgevingsvergunning handelsreclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan een
                                    onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp
                                    van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan
                                    ook, die van af de weg zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>onverlichte opschriften, aankondigingen of afbeeldingen
                                            in het inwendige gedeelte van de onroerende zaak, tenzij
                                            deze in ernstige mate in strijd is met de redelijke
                                            eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>onverlichte opschriften of aankondigingen, daartoe
                                            aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>onverlichte opschriften of aankondigingen kleiner dan
                                            0,50 m² en de langste zijde korter dan 1 meter die
                                            betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="i."><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                  verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende
                                                  zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                                  hebben;</al></li><li nr="ii."><al>het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of
                                                  op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor die zaak is bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>onverlichte en verlichte opschriften of aankondigingen
                                            in gebieden op bedrijventerreinen die volgens de
                                            Welstandsnota als welstandsvrij zijn aangemerkt, tenzij
                                            deze worden geplaatst bij of op panden aan de randen van
                                            het bedrijventerrein en mits die betrekking hebben op
                                            het beroep, de dienst of het bedrijf dat op de
                                            onroerende zaak wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>onverlichte en verlichte (mits niet periodiek oplichtend
                                            of bewegend) opschriften of aankondigingen die worden
                                            geplaatst bij of op panden aan de randen van het
                                            bedrijventerrein als bedoeld in de Welstandsnota indien
                                            het gaat om:</al><lijst><li nr="i."><al>maximaal één opschrift of aankondiging per
                                                  bedrijfsunit, die vlak op de gevel wordt
                                                  geplaatst, die maximaal 2 meter hoog is en niet
                                                  breder dan de helft van de breedte van de
                                                  bedrijfsunit met een maximale breedte van 6
                                                  meter;</al></li><li nr="ii."><al>maximaal 2 vrijgeplaatste opschriften of
                                                  aankondigingen op de onroerende zaak die niet
                                                  breder zijn dan 2 meter en niet hoger dan 3,5
                                                  meter;</al></li><li nr="iii."><al>maximaal 1 vrijgeplaatste vlag per bedrijf met
                                                  een maximale stoklengte van 6 meter en een
                                                  maximale oppervlakte van 4 m2,</al><al>mits die betrekking hebben op het beroep, de
                                                  dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak
                                                  wordt uitgeoefend;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>onverlichte opschriften of aankondigingen in het
                                            beschermd stadsgezicht indien het gaat om:</al><lijst><li nr="i."><al>maximaal 2 vlaggen per pand aan de gevel met een
                                                  maximale stoklengte van 1 meter en een maximale
                                                  oppervlakte van 1,5 m2</al></li><li nr="ii."><al>maximaal 1 historisch verantwoord bord per gevel
                                                  met een maximale oppervlakte van 0,5 m2 die op de
                                                  gevel van de begane grond van een horecabedrijf
                                                  wordt bevestigd met daarop de dag- dan wel
                                                  weekaanbiedingen dan wel menu’s, </al><al>mits die betrekking hebben op het beroep, de
                                                  dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak
                                                  wordt uitgeoefend;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>onverlichte opschriften of aankondigingen op panden met
                                            een detailhandelsbestemming, niet gelegen op
                                            bedrijventerreinen en niet in het beschermd stadsgezicht
                                            indien het gaat om:</al><lijst><li nr="i."><al>maximaal 2 vlaggen per pand aan de gevel met een
                                                  maximale oppervlakte van 1,5 m2,</al><al>mits die betrekking hebben op het beroep, de
                                                  dienst of het bedrijf dat op de onroerende zaak
                                                  wordt uitgeoefend;</al></li></lijst></li><li nr="h."><al>onverlichte opschriften die betrekking hebben op de naam
                                            of de aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de
                                            namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering
                                            van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften
                                            zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering
                                            zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke
                                            betekenis hebben; </al></li><li nr="i."><al>onverlichte opschriften of aankondigingen dienstbaar aan
                                            het openbare vervoer, indien deze zijn aangebracht ten
                                            dienste van dat vervoer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding
                                    als bedoeld in het tweede lid de veiligheid van het verkeer in
                                    gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan een vergunning als bedoeld in
                                    het eerste lid worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van een in de nabijheidgelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor voorwerpen waarop
                                    artikel 2.10a van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale
                                    landschapsverordening;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor
                                    bouwwerken;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet
                                    voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40
                                van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel
                                gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6.</nr><titel>BESCHERMING PLANTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.20</nr><titel>Planten, paddenstoelen, mossen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden planten, paddenstoelen en mossen, behorende tot
                                    de in het tweede lid van dit artikel genoemde soorten of delen
                                    daarvan:</al><lijst><li nr="a."><al>van hun groeiplaats te verwijderen;</al></li><li nr="b."><al>onder zich te hebben of te koop aan te bieden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>de plantensoorten: lelietje-der-dalen (Convallaria
                                            majalis), beemdkroon (Knautia arvensis), duifkruid
                                            (Scabiosa columbaria), gagel (Myrica gale), brem
                                            (Sarothamnus scoparius), gele anemoon (Anemone
                                            ranunculoides), bosanemoon (Anemone nemorosa),
                                            dotterbloem (Caltha palustris), speenkruid (Ranunculus
                                            ficaria), margriet (Chrysanthemum Leucanthemum);</al></li><li nr="b."><al>alle soorten paddestoelen (Funghi);</al></li><li nr="c."><al>alle soorten veenmossen (Sphagnum);</al></li><li nr="d."><al>alle soorten niet op stenen groeiende korstmossen
                                            (Lichenes);</al></li><li nr="e."><al>kussentjesmos (Leucobryum glaucum).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt niet,
                                    indien de in het eerste lid van dit artikel genoemde
                                    handelingen;</al><lijst><li nr="a."><al>betrekking hebben op planten gekweekt in tuinen of
                                            kwekerijen;</al></li><li nr="b."><al>geschieden in het kader van werkzaamheden, die verband
                                            houden met normaal onderhoud en/of exploitatie van
                                            terreinen;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>niet meer dan twee exemplaren of delen van de in het
                                            tweede lid onder b. genoemde paddestoelen betreffen,
                                            waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen de soorten
                                            paddestoelen</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>niet meer dan één dm² van de in het tweede lid onder c.
                                            genoemde mossen betreffen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid van
                                    dit artikel gestelde verbod ontheffing verlenen, al dan niet
                                    onder voorschriften.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>1.</nr><titel>PARKEEREXCESSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, ah, ia, af en onder al, van het Reglement verkeersregels
                                        en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van: treinen,
                                        trams en kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en
                                        rolstoelen.</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde
                                            lid bedoelde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel
                                            met een straal van 100 meter met als middelpunt een van
                                            deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop
                                    aanbieden of te verhandelen. </al></lid><lid><lidnr>.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt (bijvoorbeeld
                                    aanhangwagens, keten enz.):</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen op wegen
                                            binnen de bebouwde kom en op andere door het college
                                            aangewezen wegen te plaatsen of te hebben, waar dit naar
                                            zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling
                                            van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren,
                                            waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                            uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
                                    Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                    landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter, een breedte van meer dan
                                    2 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te
                                    parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik
                                    bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van
                                    bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze
                                    wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                    aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste lid gestelde verboden
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden
                                            door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd
                                    buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten
                                    staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen
                                    of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde
                                    periode onafgebroken te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>COLLECTEREN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>3.</nr><titel>VENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op
                                            jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op
                                            snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen dan wel het aanbieden van diensten op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid,de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen, algemeen erkende
                                    feestdagen en maandag t/m zaterdag tussen 20:00 uur en 9:00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Venten met gedrukte stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid geldt niet
                                    voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten
                                    en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste
                                    lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>Op door het college aangewezen openbare plaatsen;
                                            of</al></li><li nr="b."><al>Op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>4.</nr><titel>STANDPLAATSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden,, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld
                                            in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                            Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                            2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                            redelijke welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                            gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs
                                            te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning
                                            voor een standplaats voor het verkopen van goederen een
                                            redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse
                                            in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>(Vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>5.</nr><titel>SNUFFELMARKTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160,
                                            eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>6.</nr><titel>OPENBAAR WATER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven
                                    openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien
                                    dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van
                                    bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het
                                    openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan,
                                    dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                    onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                    voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een
                                    melding aan het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens
                                    van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                    voorwerp.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voorzover in de daarin
                                    geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    Telecommunicatieverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of
                                    te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water:</al><lijst><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                            orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal
                                            vaartuigen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor de haven en het
                                    havenkanaal als bedoeld in afdeling 10 van dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                    Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in de vorige leden bepaalde geldt niet voor de haven en het
                                    havenkanaal als bedoeld in afdeling 10 van dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of
                                    beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26,
                                    tweede lid bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in de vorige lid bepaalde geldt niet voor de haven en het
                                    havenkanaal als bedoeld in afdeling 10 van dit hoofdstuk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, </al><al>oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen,
                                    waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of
                                    sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement ,
                                    de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>7.</nr><titel>CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN
                                NATUURGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z , en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 , een bromfiets als
                                    bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                            door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                            hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                            bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                            wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                            percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                            eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al> voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als 'toestel'.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8.</nr><titel>VERBOD VUUR TE STOKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat geen
                                            gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                            oplevert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>9.</nr><titel>VERSTROOIING VAN AS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><lijst><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke </al><al>begraafplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10.</nr><titel>HAVEN EN HAVENKANAAL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.38</nr><titel>Toepassing van deze afdeling</titel></kop><al>Het bepaalde in deze afdeling is uitsluitend van toepassing op de
                                haven en het havenkanaal in Elburg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.39</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>havenmeester: de door of namens het college als zodanig
                                        aangewezen functionaris;</al></li><li nr="b."><al>schip: elk vaartuig daaronder mede verstaan drijvende
                                        werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten, hoe
                                        ook genaamd en van welke grootte, inhoud, toerusting of
                                        inrichting het ook zij;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>schipper: ieder, die aan boord van enig schip voortdurend of
                                        tijdelijk het gezag voert en bij ontbreken daarvan de
                                        rechthebbende op het schip;</al></li><li nr="d."><al>haven en havenkanaal: alle wateren vanaf het Drontermeer tot
                                        en met de havenkom, grenzend aan de vestingstad Elburg, voor
                                        zover in beheer bij de gemeente;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>ligplaats: vaste ligplaats of passantenligplaats;</al></li><li nr="f."><al>vaste ligplaats: een ligplaats bestemd voor de toewijzing
                                        van maximaal een jaar;</al></li><li nr="g."><al>passantenligplaats: een ligplaats voor vaartuigen die wordt
                                        toegewezen voor niet langer dan veertien aaneengesloten
                                        dagen;</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>los- en laadplaats: gedeelte van de haven, bedoeld voor
                                        laad- en losactiviteiten van schepen;</al></li><li nr="i."><al>woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                        gebezigd of tot woning bestemd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.40</nr><titel>Veilig vaargedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een schip op zodanige wijze te varen of een
                                    lig- of laad- en losplaats in te nemen, dat de vrijheid van het
                                    scheepvaartverkeer, de veiligheid van de opvarenden of de
                                    veiligheid op het water zonder noodzaak in gevaar wordt gebracht
                                    of schade wordt of kan worden veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zich op of in het water zodanig te gedragen dat
                                    daardoor hinder of last wordt of kan worden veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale
                                    vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    telecommunicatieverordening van toepassing is</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.41</nr><titel>Verstoring orde en rust</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>te varen in de nabijheid van wedstrijden, waterfeesten,
                                            demonstraties of soortgelijke gebeurtenissen;</al></li><li nr="b."><al>ligplaat<cursief>s </cursief>in te nemen in de nabijheid
                                            van als zodanig aangeduide broed- en rustplaatsen van
                                            waterwild.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale
                                    vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    telecommunicatieverordening van toepassing is</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.42</nr><titel>Vastleggen schepen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een schip is verplicht zodanige maatregelen
                                    te treffen dat dit vaartuig niet onbestuurd in openbaar
                                    vaarwater terecht kan komen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale
                                    vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.43</nr><titel>Aanwijzingen havenmeester</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De schipper is verplicht de aanwijzingen van de havenmeester, te
                                    geven in het belang van de vrijheid van het scheepvaartverkeer,
                                    de veiligheid van de opvarenden, de veiligheid te water ,en alle
                                    overige aanwijzingen in het belang van een ordelijk
                                    havenverkeer, stipt en onverwijld op te volgen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Scheepvaartwet, de provinciale
                                    vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, d
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    telecommunicatieverordening van toepassing is.e</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.44</nr><titel>Voorwerpen op of in het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 5.24, eerste lid, is
                                    het toegestaan om in, onder of over het water en de
                                    aanlegsteigers kabels, kettingen, touwen of draden, voor zover
                                    dienende tot het meren of slepen van voertuigen, te leggen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De havenmeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, volksgezondheid, milieuhygiene, het aanzien van de
                                    gemeente en de waarborging van de naleving van de overige
                                    bepalingen in deze afdeling, aan het in het eerste lid gestelde
                                    beperkingen stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanwijzingen van de havenmeester, ter effectuering van de in de
                                    tweede lid genoemde beperkingen, dienen strikt en direct te
                                    worden opgevolgd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.45</nr><titel>Dreggen en schepen opleggen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester:</al><lijst><li nr="a."><al>in het water te dreggen, daarin naar voorwerpen te
                                            zoeken of daaruit voorwerpen te halen;</al></li><li nr="b."><al>een schip op te leggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken,de Scheepvaartwet, de provinciale
                                    vaarwegenverordening of het provinciale vaarwegenreglement, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                    telecommunicatieverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.46</nr><titel>Slopen en baggerwerkzaamheden</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in het havenkanaal
                                of in de haven een schip of wrak te slopen of baggerwerkzaamheden te
                                verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.47</nr><titel>Verwijdering onbeheerde voorwerpen</titel></kop><al>De havenmeester kan niet of niet voldoende bemand zijnde schepen,
                                onbeheerd drijvende balken, palen of andere voorwerpen weren,
                                verhalen of in bewaring nemen voor rekening en risico van de
                                rechthebbende op deze voorwerpen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.48</nr><titel>Handelingen aan schepen door onbevoegden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder toestemming van de rechthebbende op een
                                    schip dat schip te betreden, daarop voorwerpen te plaatsen, het
                                    schip te verhalen, los te maken of anderszins daarop of daaraan
                                    handelingen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                    deze handelingen worden verricht door of op aanwijzing van de
                                    havenmeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.49</nr><titel>Vaarbeperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de haven en het havenkanaal te varen:</al><lijst><li nr="a."><al>met een schip dat een grotere diepgang en/of een grotere
                                            lengte en/of een grotere breedte heeft dan 2.50 meter
                                            respectievelijk 55 meter respectievelijk 7 meter;</al></li><li nr="b."><al>anders dan met gestreken zeilen;</al></li><li nr="c."><al>met een grotere snelheid dan 5 km. per uur;</al></li><li nr="d."><al>met een schip waarvan de lading nadelig is voor de
                                            volksgezondheid, gevaar oplevert voor de openbare orde
                                            en veiligheid, overlast van ernstige aard veroorzaakt,
                                            of het aanzien van de gemeente schaadt;</al></li><li nr="e."><al>met naast elkaar gekoppelde of vastgemaakte
                                            schepen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    onder e, bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en het tweede lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                    Scheepvaartwet, de provinciale vaarwegenverordening of het
                                    provinciale vaarwegenreglement, de Telecommunicatiewet of de
                                    daarop gebaseerde telecommunicatieverordening van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.50</nr><titel>Laden en lossen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen en
                                    goederen van welke aard ook, te laden, te lossen, over te slaan
                                    of op te slaan anders dan het gebruiksdoel van de ligplaats
                                    behorend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden goederen op zodanige wijze te laden, te lossen,
                                    over te slaan of op te slaan dat daardoor goederen in het water
                                    terechtkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De schipper is verplicht in het water terechtgekomen goederen
                                    daaruit te verwijderen, zulks ten genoege van de
                                    havenmeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.51</nr><titel>Innemen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>een ligplaats in te nemen buiten de op grond van artikel
                                            5.52 bestemde plaatsen;</al></li><li nr="b."><al>een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden in
                                            strijd met het bepaalde krachtens artikel
                                            (vergunningplicht vaste ligplaatsen) of 5.57 (toewijzing
                                            passantenligplaatsen);</al></li><li nr="c."><al>een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden indien
                                            daarvoor het verschuldigde havengeld niet is
                                            betaald;</al></li><li nr="d."><al>een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden met een
                                            schip dat bestemd is en gebezigd wordt voor het
                                            uitoefenen van een bedrijf of het al dan niet
                                            bedrijfsmatig aanbieden van goederen of diensten;</al></li><li nr="e."><al>een ligplaats in te nemen of ingenomen te houden met een
                                            schip met het voornemen daarop of daaraan werkzaamheden
                                            te verrichten of te doen verrichten welke ten doel
                                            hebben het schip daarna te gebruiken als, dan wel te
                                            bestemmen tot een schip als bedoeld onder d;</al></li><li nr="f."><al>een ligplaats in te nemen met een schip met het
                                            voornemen daarop of daaraan werkzaamheden te verrichten
                                            of te doen verrichten welke ten doel hebben het schip
                                            daarna te gebruiken of te doen gebruiken als, danwel te
                                            bestemmen tot een schip bestemd als woonschip.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente, van het bepaalde in het eerste lid, sub a, c, d, e en
                                    f ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.52</nr><titel>Indeling haven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt welke delen van de haven en het havenkanaal
                                    worden bestemd als:</al><lijst><li nr="a."><al>los- en laadplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>vaste ligplaatsen voor woonschepen;</al></li><li nr="c."><al>vaste ligplaatsen voor pleziervaartuigen en
                                            vissersschepen;</al></li><li nr="d."><al>passantenligplaatsen voor pleziervaartuigen en
                                            vissersschepen;</al></li><li nr="e."><al>ligplaatsen voor voormalige vissersschepen die door het
                                            gemeentebestuur van Elburg zijn aangewezen als varende
                                            monumenten;</al></li><li nr="f."><al>ligplaatsen voor een categorie schepen welke nader door
                                            het college kan worden bepaald.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst twee vaste ligplaatsen voor woonschepen aan.
                                    Elke ligplaats is bestemd voor één woonschip.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op grond van het eerste lid vastgestelde indeling wordt
                                    vastgelegd en bijgehouden op een bij deze afdeling behorende
                                    kaart. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.53</nr><titel>Vaste ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een vaste
                                    ligplaats in te nemen of ingenomen te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al/><al>In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval
                                    vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en woonplaats van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>naam, adres en woonplaats van de eigenaar van het
                                            schip;</al></li><li nr="c."><al>verklaring dat aanvrager het gebruiksrecht van het schip
                                            heeft en het schip ook zelf gebruikt;</al></li><li nr="d."><al>lengte, breedte en diepgang van het schip;</al></li><li nr="e."><al>een zodanige omschrijving van het schip dat kan worden
                                            vastgesteld welke ligplaats volgens de in artikel 5.52
                                            vastgestelde indeling, passend is voor het betreffende
                                            schip;</al></li><li nr="f."><al>de periode waarvoor de vergunning wordt aangevraagd
                                            indien de door aanvrager gewenste periode afwijkt van de
                                            periode en/of verlenging als bepaald in artikel
                                            5.55A.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen die voor de beoordeling
                                    van de aanvraag noodzakelijk zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de vergunning wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en woonplaats van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>lengte, breedte en diepgang van het schip;</al></li><li nr="3."><al>de periode waarvoor de vergunning wordt verleend.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.54</nr><titel>Wachtlijsten vaste ligplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt per categorie vaste ligplaatsen als bedoeld in
                                    artikel 5.52, lid 1, sub b,c,e en f een wachtlijst op, waarop
                                    aanvragen voor een vaste ligplaats op volgorde van binnenkomst
                                    staan vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor plaatsing op een wachtlijst is vereist dat de aanvrager
                                    verklaart het gebruiksrecht van het schip te hebben en het schip
                                    ook zelf gaat gebruiken indien een ligplaats wordt
                                    toegewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de aanvraag voor plaatsing op de wachtlijst wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de gegevens als bedoeld in artikel 5:53, lid 2;</al></li><li nr="b."><al>de verklaring als bedoeld in lid 2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Plaatsing op de wachtlijst geschiedt op de dag dat door het
                                    college wordt vastgesteld dat aan het gestelde in het derde lid
                                    is voldaan en de gegevens en verklaring als zijnde
                                    waarheidsgetrouw worden bevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de wachtlijst wordt in ieder geval aantekening gehouden
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum van plaatsing op de wachtlijst;</al></li><li nr="b."><al>de voor de aanvraag als bedoeld in het derde lid
                                            benodigde gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.56, lid 5,
                                    geschiedt verwijdering van de wachtlijst door het college op één
                                    van de volgende gronden:</al><lijst><li nr="a."><al>op aanvraag van degene die de plaatsing op de wachtlijst
                                            heeft aangevraagd danwel door degene die kan aantonen
                                            gerechtigd te zijn namens en in het belang van de
                                            aanvrager te handelen;</al></li><li nr="b."><al>door verlening van een vergunning voor een vaste
                                            ligplaats;</al></li><li nr="c."><al>indien, door het innemen van een ligplaats, gevaar,
                                            schade of hinder kan ontstaan voor de openbare orde,
                                            volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne of het
                                            aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="d."><al>indien aanvrager redelijkerwijs geen belang meer heeft
                                            bij plaatsing op de wachtlijst;</al></li><li nr="e."><al>indien degene die de plaatsing op de wachtlijst heeft
                                            aangevraagd een aangeboden ligplaats niet
                                            aanvaardt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de toepassing van een
                                    wachtlijst voor vaste ligplaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.55</nr><titel>Vergunningverlening vaste ligplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Verlening van een vergunning voor vaste ligplaatsen geschiedt in
                                    de volgende rangorde:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvragers aan wie reeds een vergunning, niet zijnde een
                                            vergunning als bedoeld in artikel 5.56 is verleend voor
                                            de voorafgaande periode;</al></li><li nr="b."><al>aan aanvragers als bedoeld onder a1. worden
                                            gelijkgesteld vergunninghouders die een aanvraag
                                            indienen voor een ligplaats voor een ander schip binnen
                                            dezelfde categorie, doch ongeacht de grootte van het
                                            schip; </al></li><li nr="c."><al>aanvragers die overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                            5.54 volgens de volgorde van datum van plaatsing op de
                                            wachtlijst staan vermeld;</al></li><li nr="d."><al>aanvragers, die niet op een wachtlijst als bedoeld in
                                            artikel 5.53 staan vermeld, op volgorde van de datum van
                                            ontvangst van de aanvraag, die voldoet aan de eisen als
                                            gesteld in artikel 53, tweede lid. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunninghouder verkrijgt geen recht op een specifieke
                                    ligplaats; indien een efficient gebruik van de ruimte in de
                                    haven dit gewenst maakt kan door de havenmeester een andere
                                    ligplaats worden aangewezen, zonder dat vergunninghouder enig
                                    recht op schadevergoeding heeft of compensatie voor wijziging
                                    van faciliteiten. </al><al/></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de openbare
                                    orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
                                    van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55A</nr><titel>Tijdsduur vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning voor een vaste ligplaats wordt verleend voor de
                                    periode, eindigende op 31 december van het jaar van
                                    vergunningverlening, behalve als de vergunning uitdrukkelijk
                                    voor een kortere periode wordt verleend. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning voor een vaste ligplaats wordt wordt jaarlijks,
                                    per kalenderjaar, automatisch verlengd, behalve als:</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>vergunninghouder geen gebruik meer wil maken van de vergunning;
                                    vergunninghouder dient dit uiterlijk 2 maanden voor afloop van
                                    een kalenderjaar te melden aan het college;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>het college voor het einde van het kalenderjaar aan
                                    vergunninghouder meedeelt dat de vergunning niet wordt verlengd.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55B</nr><titel>Tijdelijk toewijzen andere vaste ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan jaarlijks maximaal 10 dagen aanwijzen waarop een
                                    vergunninghouder geen gebruik kan maken van een toegewezen vaste
                                    ligplaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de vergunninghouder die op grond van lid 1 geen gebruik kan
                                    maken van een toegewezen vaste ligplaats wordt, tenzij de aard
                                    van het schip en de beschikbare ligplaatsen het onmogelijk
                                    maken, een andere ligplaats toegewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor woonschepen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.56</nr><titel>Tijdelijke toewijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vaste ligplaats is tijdelijk niet toewijsbaar in geval
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>het ontbreken van passende gegadigden, blijkende uit het
                                            ontbreken van een passende inschrijving op de voor de
                                            vaste ligplaats geldende wachtlijst en het ontbreken van
                                            aanvragen voor deze ligplaats, en er voorts op korte
                                            termijn ook geen passende aanvraag wordt verwacht.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>noodzakelijke beheers- en onderhoudswerkzaamheden in of
                                            nabij de haven of havenkanaal.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd in geval een vaste ligplaats tijdelijk
                                    niet toewijsbaar is, vergunning te verlenen voor maximaal drie
                                    maanden. De periode kan voor maximaal drie maanden worden
                                    verlengd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De belangen als bedoeld in artikel 5.55, tweede lid, zijn bij de
                                    vergunningverlening voor een tijdelijke vaste ligplaats van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie tijdelijk een vergunning is verleend voor een
                                    vaste ligplaats, kan na afloop van de vergunningperiode, geen
                                    aanspraak maken op toewijzing van zijn aanvraag voor een andere
                                    vaste of passantenligplaats. Hij wordt ook niet aangemerkt als
                                    houder van een passantenligplaats als bedoeld in artikel 5.57.
                                </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Toewijzing van een tijdelijke ligplaats heeft geen verwijdering
                                    van een eventuele plaatsing op de wachtlijst, als bedoeld in
                                    artikel 5.54 tot gevolg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.57</nr><titel>Passantenligplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder toestemming van de havenmeester een
                                    passantenligplaats in te nemen of ingenomen te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toestemming kan mondeling en schriftelijk worden verleend en
                                    geschiedt op aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de aanvraag wordt in ieder geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en woonplaats van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>lengte, breedte en diepgang van het schip;</al></li><li nr="c."><al>een zodanige omschrijving van het schip dat door de
                                            havenmeester kan worden vastgesteld welke ligplaats,
                                            volgens de in artikel 5.52 vastgestelde indeling,
                                            passend is voor het betreffende schip;</al></li><li nr="d."><al>de periode waarvoor de toestemming wordt
                                            aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvrager is verplicht eventuele overige voor de beoordeling
                                    van de aanvraag noodzakelijke gegevens aan de havenmeester te
                                    verschaffen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toestemming geldt slechts voor de aanvrager en het in de
                                    aanvraag vermelde schip.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een woonschip mag als passant maximaal veertien aaneengesloten
                                    verblijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.58</nr><titel>Toe- en afwijzing passantenligplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ligplaatsen voor passanten worden toegewezen op volgorde van
                                    datum van ontvangst van de aanvragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De havenmeester kan op basis van de volgende gronden afwijken
                                    van de in het eerste lid genoemde volgorde:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van werkzaamheden in het belang van de
                                            instandhouding of wijziging van het havenkanaal, de
                                            waterkwaliteit, de kades en de overige tot de
                                            haveninfrastructuur behorende voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>vanwege een evenement als bedoeld in artikel 2.24 indien
                                            het evenement in of nabij de haven en het havenkanaal
                                            plaatsvindt en voor de organisatie van het evenement
                                            ligplaatsen nodig zijn dan wel dat toewijzing van
                                            ligplaatsen onevenredige schade, gevaar of hinder
                                            toebrengt aan het evenement;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                            volksgezondheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in dit artikel kan het college
                                    bepalen dat een of meerdere passantenligplaatsen voor een
                                    bepaalde periode niet worden toegewezen.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften, niet-nakoming van een ingevolge deze verordening
                            opgelegde verplichting en niet naleving van één op grond van artikel
                            1:4</al><al>daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met
                            hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                            categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                            rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: ambtenaren van de politie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Elburg 2008
                                wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 15 oktober 2010.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Afdeling 8a van deze verordening treedt in werking op de dag na
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 8a wordt de Drank
                                en Horecaverordening 2005 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 8a vervallen voor
                                de paracommerciële inrichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften en beperkingen die tot dat tijdstip op
                                        grond van eerdere gemeentelijke verordeningen krachtens de
                                        wet zijn gesteld;</al></li><li nr="b."><al>de ontheffingen die tot dat tijdstip door het college van
                                        burgemeester en wethouders en de burgemeester zijn
                                        verleend;</al></li><li nr="c."><al>de tot dat tijdstip gehanteerde schenk- of taptijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen die tot het tijdstip van
                                inwerkingtreding van afdeling 8a op grond van eerdere gemeentelijke
                                verordeningen krachtens de wet zijn gesteld aan vergunningen van
                                andere dan in de artikel het eerste lid bedoelde inrichtingen,
                                blijven van kracht.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Ontheffingen die tot het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling
                                8a zijn verleend op grond van eerdere gemeentelijke verordeningen
                                krachtens de wet, behalve de in het vijfde lid, onder c bedoelde
                                ontheffingen, blijven 12 maanden na inwerkingtreding van deze
                                verordening van kracht. Daarna komen deze ontheffingen te
                                vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            gemeente Elburg.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Elburg</ondertekening><ondertekening>in zijn vergadering van 27 september 2010</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>F.A. de Lange Mr.Ir. M.C. Luiting-Kamminga</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Algehele toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algehele toelichting APV 2010</vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al/><al>Bij de wijziging van 2008 zijn een aantal definities vervallen of
                    verplaatst:</al><lijst><li nr="1."><al>De definitie van voertuigen (het oude nummer 1.1 onder e) is verplaatst.
                            Deze begripsomschrijving wordt maar op enkele plaatsen in de APV
                            gebruikt. Voertuigen worden waarnodig voortaan op die plaats
                            gedefinieerd. </al></li><li nr="2."><al>Hetzelfde geldt voor vaartuigen (het oude nummer 1.1 onder f). </al></li><li nr="3."><al>De definitie van vee (het oude nummer 1.1 onder j) is geschrapt: </al></li><li nr="4."><al>Door aan te sluiten bij de Meststoffenwet ontstond een enigszins
                            willekeurige groep dieren die onder de APV kwamen te vallen, er daarmee
                            een al even willekeurige groep die daar dus niet onder viel. Verder is
                            "vee" een welomschreven begrip uit het dagelijks spraakgebruik, dat
                            verder geen definitie nodig heeft om in een juridische tekst bruikbaar
                            te zijn. </al></li></lijst><al/><al>Over de in artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden
                    opgemerkt.</al><al/><al><onderstreept>a. Een openbare plaats </onderstreept></al><al>Zoals hiervoor aangegeven is de definitie van weg in de APV aanzienlijk beperkt.
                    Dat brengt met zich mee dat de werking van artikelen in dit model waar sprake is
                    van de weg een (veel) beperktere werking hebben dan daarvoor. De bevoegdheid van
                    de gemeente gaat verder dan dat. In artikelen waar het de bedoeling is om zaken
                    te regelen op plaatsen die niet tot de weg kunnen worden gerekend, is gekozen
                    voor de term "een openbare plaats". Daarmee is beoogd om die plaatsen aan te
                    duiden die voor deze wijziging onder het al te brede begrip weg vielen: </al><lijst><li nr="1."><al>al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen
                            en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                            natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; </al></li><li nr="2."><al>de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen,
                            passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik
                            zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; </al></li><li nr="3."><al>andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen,
                            trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen
                            gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar
                            burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. </al></li></lijst><al/><al>Voor het begrip openbare plaats in de zin van de Wet Openbare Manifestaties
                    (WOM) zie de toelichting bij artikel 2:3 Betogingen. </al><al/><al><onderstreept>b. Weg </onderstreept></al><al>Een aantal van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op
                    (verboden) gedragingen "op of aan de weg". In artikel 1:1 is de "weg" omschreven
                    als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 . Dat verschilt aanzienlijk van
                    de oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder
                    het begrip "weg" viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip
                    "weg" op die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale
                    spraakgebruik daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale
                    regelgeving is juist aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk
                    moet worden gevolgd (aanwijzing 66). </al><al/><al>Bij die artikelen waarvan het duidelijk de bedoeling is dat er zaken worden
                    geregeld die zich niet alleen op of aan de weg afspelen, is gekozen voor de
                    omschrijving "openbare plaats". </al><al/><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip "weg": </al><lijst><li nr="1."><al>de "(Openbare) weg" in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de
                            wetgever heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de
                            grondbeginselen van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar
                            zijn in de zin van deze wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik
                            heeft (behoudens bepaalde beperkingen; zie hierna); </al></li><li nr="2."><al>de "weg" in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de
                            voor het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als
                            gevolg van de noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en
                            het in stand houden van de weg in te grijpen. </al></li></lijst><al/><al>In eerdere versies van deze toelichting was op deze plaats een nogal uitvoerige
                    verhandeling opgenomen over de betekenis van het begrip "weg" in de Wegenwet en
                    de Wegenverkeerswet. De volledigheid ging hier ten koste van de leesbaarheid en
                    overzichtelijkheid. Ook valt te betwijfelen of er aan deze theoretische
                    achtergrond veel behoefte bestond. Vandaar dat deze paragrafen zijn geschrapt.
                    Uiteraard zijn de teksten op verzoek nog wel beschikbaar. </al><al/><al><cursief>Op of aan de weg </cursief></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op (verboden)
                    gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt begripsmatig op een
                    zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld
                    voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan de weg zijn gelegen.
                    Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis bevindt of afspeelt. </al><al>Ook treinstations vallen buiten het bereik van de APV. Artikel 27 van de
                    Spoorwegwet en de daarop gebaseerde Algemeen Reglement Vervoer regelen het
                    bevoegd gezag inzake veiligheid, orde en rust op en om stations. </al><al/><al><onderstreept>c. Openbaar water </onderstreept></al><al>Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. "Openbaar" is hier dus synoniem aan
                    "feitelijk voor het publiek toegankelijk". </al><al/><al><onderstreept>d. Bebouwde kom </onderstreept></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan) beperkt
                    (zijn) tot de bebouwde kom. </al><al/><al>Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing van
                    gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2, van de
                    Wegenwet. Voor de duidelijkheid zou de grens van de bebouwde kom op een
                    topografische kaart weergegeven kunnen worden en als bijlage bij de APV gevoegd
                    kunnen worden. </al><al/><al><onderstreept>e. Rechthebbende </onderstreept></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht. </al><al/><al><onderstreept>f. Bouwwerk </onderstreept></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening: "elke
                    constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op
                    de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
                    is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                    plaatse te functioneren"; </al><al/><al><onderstreept>g. Gebouw </onderstreept></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet: "elk
                    bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met
                    wanden omsloten ruimte vormt". </al><al/><al><onderstreept>h. Handelsreclame </onderstreept></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d. Aan een vergunningsstelsel voor handelsreclame staat het
                    grondwetsartikel niet in de weg. Onder het begrip “reclame” dient te worden
                    verstaan: iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door
                    dit te beperken tot “handelsreclame” heeft de in het vierde lid geformuleerde
                    uitzondering slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de
                    ruime zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten, maar is
                    zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Dit betekent niet dat
                    handelsreclame helemaal niet beschermd wordt. Voorschriften voor</al><al>handelsreclame zullen de toets aan artikel 10 EVRM en artikel 19 IV moeten
                    kunnen doorstaan. Deze verdragsbepalingen verzetten zich echter niet tegen een
                    vergunningsstelsel.</al><al/><al>In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor
                    aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11). De vergunning voor het
                    aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid
                    onder d van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de
                    weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat
                    om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10a). De ontheffing voor het
                    opslaan van roerende zaken is aangewezen in</al><al>artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. </al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zal worden verricht.
                    In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening
                    niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van
                    gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is
                    integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de
                    bestuursrechtelijke handhaving.</al><al/><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al/><al><onderstreept>i. bevoegd gezag</onderstreept></al><al>In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor
                    aanleg of veranderen van een weg (artikel 2:11). De vergunning voor het
                    aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid
                    onder d. van de Wabo. De Wabo kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de
                    weg anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat
                    om het opslaan van roerende zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan
                    van roerende zaken is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de
                    Wabo. </al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze
                    verordening.</al><al/><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al><onderstreept>b. Weg</onderstreept></al><al>Strandovergang is openbare weg in de zin van artikel 4, lid 1, onder II,
                    Wegenwet. ABRS 16-03-1999, Gst. 1999, 7100, 3 m.nt. HH.</al><al>Nu in dit geval onvoldoende vaststaat dat de strook grond een weg in de zin van
                    artikel 1 APV was, staat evenmin vast dat het verbod van artikel 9.1 APV is
                    overtreden. ABRS 29-08-2001, LJN-nr. AD3795.</al><al/><al><onderstreept>h. Handelsreclame</onderstreept></al><al>Onder een "commercieel belang te dienen" moet mede worden begrepen: dienstig te
                    zijn tot koop en verkoop. HR 11-05-1982, NJ 1983, 68.</al><al/><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Zo kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede beslistermijn is. In
                    dit model hebben wij de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). </al><al/><al>Dit is gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb,
                    wordt gesteld. Uiteraard kan een gemeente ook kiezen voor een andere, kortere,
                    beslistermijn of zelfs voor per type besluit verschillende beslistermijnen. Dit
                    laatste doet bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn
                    redelijk moet zijn. Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elk
                    bestuursorgaan. Het merendeel van de aanvragen zal binnen acht weken kunnen
                    worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere
                    adviezen moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst. Ook deze termijn hebben we in het model op
                    acht weken gesteld (tweede lid). Ook hier geldt dat een individuele gemeente een
                    andere termijn kan vastleggen. Uitgangspunt blijft altijd dat die termijn
                    redelijk moet zijn. </al><al/><al>Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de aanvrager van dit
                    verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de verlenging niet redelijk
                    is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.</al><al/><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>Op vergunningprocedures voor wat betreft diensten is artikel 13 van de
                    Dienstenrichtlijn van toepassing. Het derde lid bepaalt dat de aanvraag binnen
                    een redelijke, vooraf vastgestelde termijn wordt behandeld. De achtweken-termijn
                    van artikel 1:2 voldoet daaraan.</al><al/><al>Artikel 13, derde lid, van de Dienstenrichtlijn bepaalt voorts dat de
                    beslistermijn eenmaal door de bevoegde instantie mag worden verlengd, indien dit
                    gerechtvaardigd wordt door de complexiteit van het onderwerp. Dit houdt in dat
                    voor verlenging een stevige motivering is vereist met gebruikmaking van dit
                    criterium.</al><al/><al>De verlenging en duur ervan worden met redenen omkleed vóór het verstrijken van
                    de oorspronkelijke termijn ter kennis van de aanvrager gebracht worden. Het
                    derde lid is een implementatie van deze verplichting.</al><al/><al><cursief>Ontvangstbevestiging</cursief></al><al>Indien de Dienstenrichtlijn van toepassing is, wordt op grond van artikel 13,
                    vijfde lid de ontvangst van elke vergunningaanvraag zo snel mogelijk bevestigd.
                    De ontvangstbevestiging moet de volgende informatie bevatten: de beslistermijn,
                    de beschikbare rechtsmiddelen en indien van toepassing de vermelding dat bij het
                    uitblijven van een antwoord binnen de gespecificeerde termijn de vergunning
                    geacht wordt te zijn verleend. Het gaat hier om toepassing van de lex
                    silencio.</al><al/><al>Een bevoegde instantie bevestigt eveneens de ontvangst van een melding die een
                    dienstverrichter krachtens wettelijk voorschrift bij een bevoegde instantie
                    dient te verrichten, indien door het doen van die melding en een bij wettelijk
                    voorschrift bepaald tijdsverloop een voorwaarde wordt vervuld voor toegang tot
                    of de uitoefening van een dienst.</al><al/><al><cursief>Opschorting van de termijn</cursief></al><al>Op grond van de Dienstenrichtlijn gaat de termijn pas in op het tijdstip waarop
                    alle documenten zijn ingediend. Artikel 13, zesde lid bepaalt dat wanneer een
                    aanvraag onvolledig is, de aanvrager zo snel mogelijk wordt meegedeeld dat hij
                    aanvullende documenten moet verstrekken, en, in voorkomend geval, welke gevolgen
                    dit heeft voor de in artikel 13, derde lid, bedoelde termijn. Hiermee wordt
                    bedoeld dat moet worden meegedeeld dat de termijn pas aanvangt als de gevraagde
                    documenten zijn ontvangen.</al><al/><al>Deze regeling wijkt af van die van artikel 4:15 Awb: de termijn voor het geven
                    van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het
                    bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te
                    vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al/><al>Als de aanvraag is aangevuld, loopt de termijn weer verder door.</al><al/><al><vet>Wabo</vet></al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al/><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. De wegaanlegvergunning (art 2:11) en de kapvergunning (art 4:11)
                    vallen onder de Wabo. De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg
                    is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning
                    voor het vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo
                    kan ook van toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig
                    de publieke functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende
                    zaken (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is
                    aangewezen in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. </al><al/><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                    onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor,
                    Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3
                    Mor, dat luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 indieningsvereisten bij iedere aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><lijst><li nr="1."><al>de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede
                                    het elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met
                                    een elektronisch formulier wordt ingediend;</al></li><li nr="2."><al>het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het
                                    project;</al></li><li nr="3."><al>een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al></li><li nr="4."><al>indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn
                                    naam, adres en woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de
                                    gemachtigde, indien de aanvraag met een elektronisch formulier
                                    wordt ingediend; </al></li><li nr="5."><al>indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de
                                    aanvrager: zijn naam, adres en woonplaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van
                            de aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt
                            met behulp van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte
                            middelen.</al></li><li nr="3."><al>De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                            verrichten werkzaamheden. </al></li></lijst><al/><al>In Hoofdstuk 7 van de Mor staan nog bijzondere indieningsvereisten. Daarvan zijn
                    in het kader van de APV alleen die voor het vellen van houtopstanden van belang.
                    Zie daarvoor de toelichting bij artikel 4:11. </al><al/><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken.</al><al/><al>Vanzelfsprekend kan ook een langere of kortere termijn worden vastgelegd. Als
                    wordt overwogen voor verschillende APV-vergunningen of -ontheffingen
                    verschillende termijnen vast te leggen, dan dient iedere afwijking van de
                    algemene regel in het betreffende onderdeel van de APV te worden vastgelegd.
                    Gemeenten die met een systematiek werken die inhoudt dat een vergunning voor een
                    bepaald jaar vóór 1 december van het daaraan voorafgaande jaar moet worden
                    aangevraagd, kunnen dit expliciet bepalen en bekendmaken.</al><al/><al><cursief>Herhaalde aanvraag (artikel 4:6 Awb)</cursief></al><al>Als er lange tijd is verstreken tussen beide aanvragen kan het praktischer zijn
                    om de aanvraag opnieuw inhoudelijk te behandelen in plaats van een discussie te
                    voeren over de vraag of het wel of niet om een herhaalde aanvraag gaat. Zie
                    ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/186. Daar was meer dan tien jaar verlopen tussen beide
                    aanvragen, en de Afdeling oordeelde dat er geen sprake was van een herhaalde
                    aanvraag, omdat één aanvraag was gebaseerd op de Wet openbaarheid van bestuur,
                    en de andere op de Archiefwet.</al><al/><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Toch verdient het uit een oogpunt van
                    duidelijkheid aanbeveling deze bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen. Daarbij
                    moet ook - ten overvloede - worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend
                    mogen strekken ter bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste
                    van vergunning of ontheffing is gesteld.</al><al/><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al/><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al>Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                    ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van
                    het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al/><al><vet>Dienstenrichtlijn</vet></al><al>Artikel 10 van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd
                    moeten zijn op criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Ook de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning worden
                    verbonden, dienen hieraan te voldoen. Zie voor wat onder dwingende reden van
                    algemeen belang en evenredigheid wordt verstaan: de algemene toelichting en het
                    commentaar onder artikel 1:8. Op grond van het vijfde lid van artikel 10 wordt
                    de vergunning pas verleend nadat na een passend onderzoek is vastgesteld dat aan
                    de vergunningvoorwaarden is voldaan.</al><al/><al>Het derde lid zegt, dat de vergunningvoorwaarden voor een nieuwe vestiging
                    gelijkwaardige, of gezien hun doel in wezen vergelijkbare, eisen en controles
                    waaraan de dienstverrichter al in een andere of dezelfde lidstaat onderworpen
                    is, niet mogen overlappen.</al><al/><al>In de in deze model-APV opgenomen algemene strafbepaling (artikel 6:1) wordt
                    overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf
                    bedreigd. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden voorschriften.</al><al/><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</vet></al><al>Een vergunning wordt persoonlijk genoemd, als die alleen of vooral is verleend
                    vanwege de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten,
                    zoals het bezit van een diploma of een bewijs van onbesproken levensgedrag). De
                    persoonlijke vergunning is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling
                    dat uitdrukkelijk bepaalt of dit uit de aard van de vergunning voortvloeit. Een
                    voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in
                    artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Deze wet bepaalt dat voor het verkrijgen
                    van een vergunning de nodige diploma’s moeten zijn gehaald. Een persoonlijke
                    vergunning is ook de standplaatsvergunning. Dit vanwege het persoonlijke
                    karakter van de ambulante handel en omdat het aantal aanvragen om vergunning het
                    aantal te verlenen vergunningen meestal verre overtreft. Het zou onredelijk zijn
                    als een standplaatsvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere
                    terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.</al><al/><al>Als een vergunning of ontheffing zowel voor de aanvrager als voor zijn
                    rechtsopvolger geldt, is het verstandig een voorschrift op te nemen dat de
                    houder van de vergunning of ontheffing verplicht binnen twee weken schriftelijk
                    te melden dat hij zijn vergunning heeft overgedragen, met vermelding van de naam
                    en het adres van de nieuwe houder van de vergunning of ontheffing.</al><al/><al><vet>Literatuur</vet></al><al>Voor de overdraagbaarheid van APV-vergunningen, zie: C.L. Knijff,
                    Rechtsopvolging bij vergunningen in de gemeentepraktijk, GS 2004, 7205, onder
                    3.4 Overgang uitgesloten: APV-vergunningen.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Volgens art. 1:10 APV is de vergunning of ontheffing persoonsgebonden tenzij bij
                    of krachtens deze verordening anders is bepaald. Ingevolge art. 1:11, aanhef en
                    onder e APV kan de vergunning of ontheffing worden gewijzigd indien de houder of
                    zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. De Afdeling is van oordeel dat art. 1:11
                    aanhef en onder e APV niet afdoet aan het persoonsgebonden karakter van de
                    vergunning. Van een zelfstandige bepaling die het persoonsgebonden karakter van
                    de exploitatievergunning voor een coffeeshop kan opheffen is geen sprake, gelet
                    op de aard van de vergunning en op de strekking van het in de APV neergelegde
                    vergunningstelsel. De burgemeester was derhalve niet zonder meer gehouden zijn
                    medewerking te verlenen aan een verzoek tot overdracht van een vergunning aan
                    een derde. ABRS 23-11-1999, LJN-nr. AA5058, GS 2000, 7112, 6.</al><al/><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</vet></al><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter ("kan"). Het hangt van de omstandigheden af of tot
                    intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften leiden tot intrekking van de vergunning. Met name het
                    rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking.</al><al/><al>Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of
                    te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen (artikel 4:8 Awb).</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Gelet op art. 1:6 APV in samenhang gelezen met art. 2.1.4.1, tweede lid (oud),
                    APV was de burgemeester in het onderhavige geval bevoegd de vergunning in te
                    trekken. Intrekking van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding.
                    Als specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                    ingewonnen. Zes werkdagen zijn daarvoor voldoende. ABRS 11-06-2003, 200205273/1,
                    JG 03.0125, met noot M. Geertsema. (artikel 2.1.4.1 (oud) is nu opgenomen in de
                    artikelen 2.2.1 (oud) en 2.2.2 (oud)).</al><al/><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>Vóór juni 2007 kende de model-APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor
                    een krachtens het model verleende vergunning of ontheffing.
                    Vergunningvoorwaarden konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek
                    moest worden verlengd.</al><al/><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Artikel 11 van
                    de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: </al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden; </al></li><li nr="2."><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang; </al></li><li nr="3."><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang.</al></li></lijst><al/><al>Over punt b. dat onder meer op wachtlijsten ziet, schrijft de Dienstenrichtlijn:
                    "Wanneer het aantal beschikbare vergunningen voor een activiteit beperkt is
                    wegens een schaarste aan natuurlijke hulpbronnen of technische mogelijkheden,
                    moet een selectieprocedure worden vastgesteld om uit verscheidene gegadigden te
                    kiezen, teneinde via de werking van de vrije markt de kwaliteit en voorwaarden
                    van het dienstenaanbod voor de gebruikers te verbeteren. Deze procedure moet
                    transparant en onpartijdig zijn en de verleende vergunning mag niet buitensporig
                    lang geldig zijn, automatisch worden verlengd of enig voordeel toekennen aan de
                    dienstverrichter wiens vergunning net is komen te vervallen. In het bijzonder
                    moet de geldigheidsduur zodanig worden vastgesteld dat de vrije mededinging niet
                    in grote mate wordt belemmerd of beperkt dan nodig is met het oog op de
                    afschrijvingen van de investeringen en een billijke vergoeding van het
                    geïnvesteerde kapitaal." (PB L 376/36, nr. 62) Als gemeenten een vergunning voor
                    bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is
                    en de evenredigheidstoets kan doorstaan.</al><al/><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al/><al>Zie voor de betekenis van "een dwingende reden van algemeen belang" bij de
                    toelichting onder artikel 1:8.</al><al>Artikel 1:6 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden
                    gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor
                    onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij
                    gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook
                    daarbij wordt rekening gehouden met de noodzaak- en proportionaliteitseis. Bij
                    geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen
                    belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak
                    daarvoor ontbreekt.</al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>Vergunningstelsels zijn in de model-APV als volgt geformuleerd: een
                    verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning.
                    Vergunningstelsels kenden tot 2007 vervolgens een artikellid of -leden met
                    weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat
                    suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden
                    golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en
                    vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden
                    gekeken. We hebben ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid binnen de
                    model-APV ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te
                    benoemen. In de afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende
                    artikel(led)en vervallen. Alleen als er voor een vergunning andere
                    weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, worden die in het
                    betreffende artikel genoemd. In een enkel geval
                    (horecaexploitatievergunningstelsel en vergunning voor seksinrichting) is van
                    artikel 1:8 afgeweken.</al><al/><al><vet>Europese Dienstenrichtlijn</vet></al><al><cursief>Vergunningen</cursief></al><al>Tegelijkertijd met de deregulering van de vergunningstelsels van de model-APV
                    zijn deze gescreend aan de Europese Dienstenrichtlijn. Het gaat daarbij om de
                    volgende stelsels: gebiedsaanwijzing in geval van straatartiesten, de
                    evenementenvergunning, horecaexploitatievergunning, vergunning voor een
                    seksinrichting, standplaatsvergunning en de vergunning voor een snuffelmarkt.
                    Gokactiviteiten zijn van de werking van de Europese Richtlijn uitgezonderd,
                    zodat de speelautomatenvergunning niet onder het regime valt.</al><al/><al><cursief>Meldingen</cursief></al><al>Het begrip vergunningstelsel in de zin van de Dienstenrichtlijn is breder dan
                    wij dit kennen. Daaronder vallen ook meldingsplichten. Onder vergunning verstaat
                    de Dienstenrichtlijn immers: elke procedure die voor een dienstverrichter of
                    afnemer de verplichting inhoudt bij een bevoegde instantie stappen te ondernemen
                    ter verkrijging van een formele of stilzwijgende beslissing over de toegang tot
                    of de uitoefening van een dienstenactiviteit (artikel 4 lid 6). Hieruit volgt
                    dat een melding wordt aangemerkt als een vergunning. Andere voorbeelden van een
                    ‘vergunning’zijn: verklaringen van geen bezwaar; verplichting zich in te
                    schrijven in een register etc. Een voorbeeld van een meldingsplicht binnen deze
                    verordening is een eendaags klein evenement.</al><al/><al><cursief>Vestiging of tijdelijke overschrijding</cursief></al><al>Bij het screenen van de model-APV aan de Dienstenrichtlijn is het volgende in
                    ogenschouw genomen. In theorie bestaan er drie verschillende regimes: voor de
                    ‘vestiger’, de ‘tijdelijke grensoverschrijder’ en de Nederlandse
                    dienstverrichter. In het licht van deze regimes moet worden bekeken of en in
                    hoeverre vergunningstelsels zijn toegestaan.</al><al/><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Er is overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ sprake
                    van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een economische
                    activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt verricht.
                    Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde tijd
                    wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de ondernemer
                    zijn activiteiten onderneemt. (overweging 37 bij de richtlijn).</al><al/><al>In het licht van beide regimes moet worden bekeken of een vergunningstelsel is
                    toegestaan.</al><al>Artikel 9 van de Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van vestiging) ziet op de
                    zogenaamde ‘vestiger’. Het artikel staat vergunningstelsels toe, mits aan de
                    volgende vereisten is voldaan:</al><lijst><li nr=""><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van degene die de vergunning
                            aanvraagt; </al></li><li nr=""><al>de behoefte aan een vergunningstelsel is gerechtvaardigd om een
                            dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid). Het begrip
                            dwingende redenen van algemeen belang zoals bedoeld in artikel 9 is door
                            het Hof van Justitie ontwikkeld en kan zich nog verder ontwikkelen. Het
                            betreft hier de zogenaamde ‘rule of reason’. Dit begrip omvat de
                            volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid,
                            als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag, en andere
                            dwingende redenen waaronder milieu (overweging 40 bij de richtlijn);
                        </al></li><li nr=""><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al/><al>De tijdelijke dienstverrichter overschrijdt de grens om in Nederland zijn dienst
                    te verrichten, maar vestigt zich hier niet. Hierop ziet artikel 16 van de
                    Dienstenrichtlijn (vrij verkeer van diensten). Hier gelden veel strengere
                    criteria om een (vergunnings)eis te stellen:</al><lijst><li nr=""><al>zij zijn niet discriminatoir ten opzichte van de dienstverlener; </al></li><li nr=""><al>er zijn gerechtvaardigde redenen van openbare orde, openbare veiligheid,
                            de volksgezondheid of de bescherming van het milieu (noodzakelijkheid).
                            Voor wat betreft de noodzakelijkheidseis stelt artikel 16 dan ook een
                            strengere eis dan artikel 9; </al></li><li nr=""><al>het nagestreefde doel kan niet door een minder beperkende maatregel
                            worden bereikt (evenredigheid). </al></li></lijst><al/><al>Tenslotte zijn er de Nederlandse dienstverleners. In theorie staat de richtlijn
                    toe dat de overheid aan een Nederlandse dienstverlener zwaardere eisen stelt dan
                    aan een buitenlandse partij, maar dit is in de praktijk en vanuit het oogpunt
                    van rechtsgelijkheid niet wenselijk.</al><al/><al>Wij achten het op dezelfde gronden evenmin gewenst een onderscheid aan te
                    brengen tussen verschillende soorten van dienstverleners (tijdelijke
                    grensoverschrijders, vestigers en dus ook Nederlandse dienstverleners). Anders
                    zou de dienstverlener die zich vanuit een andere lidstaat hier vestigt een
                    bevoorrechte positie hebben ten opzichte van degene die de grens overschrijdt om
                    zijn diensten aan te bieden of beide dienstverleners ten opzichte van de eigen
                    onderdanen.</al><al/><al>Niet alleen de eis van het hebben van een vergunning geldt voor hen gelijkelijk,
                    maar ook de gronden om een vergunning te weigeren zijn voor de drie categorieën
                    aanvragers dezelfde. Daarom zijn de weigeringsgronden algemeen geformuleerd
                    zodat ze gelden voor interne én internationale verhoudingen. Er is aangesloten
                    bij het lichtste regime van de richtlijn (artikel 16): de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al/><al>De richtlijn geldt niet voor het verkopen van goederen. Dit is immers geen
                    dienst. Bij standplaatsvergunningen kan er echter zowel sprake zijn van een
                    vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen en/of voor het
                    verlenen van diensten. Ook in dit geval zou rechtsongelijkheid kunnen ontstaan
                    doordat de verkoper niet, maar de dienstverlener wel onder de richtlijn valt.
                    Daarom is in de model-apv geen onderscheid gemaakt tussen verkoop en
                    dienstverlening voor wat betreft de weigeringsgronden.</al><al/><al>Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor
                    in de richtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen kan als volgt worden
                    beantwoord:</al><al/><al><cursief>Overlast</cursief></al><al>Vanouds is de APV een openbare orde en overlast-verordening. Het begrip
                    ‘overlast’ komt in het EG-recht bij de toetsing van uitzonderingen op het vrij
                    verkeer niet voor. Ook de Dienstenrichtlijn spreekt niet over overlast. Het
                    milieubegrip omvat echter alle soorten van overlast die gerelateerd zijn aan de
                    omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast
                    veroorzaakt door stof, afval e.d. Overlast, veroorzaakt door vuurwerk, valt
                    eveneens onder bescherming van het milieu of zelfs gezondheid.</al><al/><al><cursief>Verkeersveiligheid</cursief></al><al>De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen
                    belang als bedoeld in artikel 9 (rule of reason). Maar ook is er sprake van een
                    belang dat te scharen valt onder de volksgezondheid, als het voorkomen van
                    verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft.</al><al/><al><cursief>Veiligheid van personen en gezondheid</cursief></al><al>Deze gronden op grond waarvan voorheen een evenementenvergunning kon worden
                    geweigerd, bijvoorbeeld bij het uitbreken van mond- en klauwzeer (gezondheid)
                    kunnen als een belang van volksgezondheid worden aangemerkt.</al><al/><al><cursief>Zedelijkheid</cursief></al><al>Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde, zoals dit wordt
                    uitgelegd in overweging 41. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke
                    waardigheid of in het geval van dierenmishandeling (bijvoorbeeld gansslaan,
                    palingtrekken of zwijntjetik) betreft onder het belang van dierenwelzijn. Ook
                    andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een ‘zedelijkheidsaspect’
                    hebben. Bij seksinrichtingen is zedelijkheid nog als een zelfstandige
                    weigeringsgrond opgenomen, omdat het om ‘vestiging’ gaat.</al><al/><al><cursief>Voorzieningenniveau bij standplaatsen</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de
                    gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt.
                    De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge
                    exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage
                    exploitatiekosten van de straathandelaren. </al><al/><al>Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt
                    dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk
                    belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts
                    één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de
                    consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Wil een gemeente op basis
                    hiervan een vergunning weigeren dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van
                    de boekhouding van de plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel
                    in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden
                    worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsvergunningen
                    waar (mede) diensten worden verleend niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                    economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten.
                    Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te hanteren bij een
                    standplaats voor het verkopen van goederen (zie artikel 5:18, derde lid, onder
                    b). Daarop is de richtlijn immers niet van toepassing.</al><al/><al><cursief>Détournement de pouvoir</cursief></al><al>Gemeenten dienen zich er van bewust te zijn dat zij een vergunningaanvraag niet
                    kunnen weigeren op een andere grond dan de grondslag van het vergunningstelsel.
                    Dit zou immers in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur.</al><al/><al><cursief>Motivering</cursief></al><al>Een weigering dient vanzelfsprekend voldoende gemotiveerd te zijn. Gemotiveerd
                    moet worden welke weigeringsgrond van toepassing is en waarom. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting afdeling 1, Orde en veiligheid op openbare
                        plaatsen</vet></al><al/><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het begrip "samenscholing" is ontleend aan artikel 186 WvSr: "Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie."</al><al/><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.
                    Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde "bevoegdheid" (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit.</al><al>De rechter blijft volkomen vrij in de beoordeling van de feiten. Als de rechter
                    meent dat de politieambtenaar in zijn waardering van de gedraging heeft
                    misgetast, laat hij de strafbepaling buiten toepassing. Het gaat hier om
                    bestaande politiebevoegdheden. Deze bevoegdheid berust op de artikelen 2 en 12
                    Politiewet. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van de
                    rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving van de openbare orde.
                    Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke strafbepaling
                    een aanwijzing, last, bevel of oordeel van een politieambtenaar een element
                    vormt.</al><al/><al>De aanvullende bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever op de artikelen 184 en
                    186 Wetboek van Strafrecht (WvSr) is meermalen door de Hoge Raad erkend. De
                    sanctionering van het niet opvolgen van een krachtens een APV bepaling gegeven
                    politiebevel gebeurt op grond van de artikelen 184 of 186 WvSr of op grond van
                    artikel 154 Gemeentewet. Het opzettelijk niet voldoen aan een dergelijk bevel
                    levert het strafbare feit van artikel 184 WvSr op en bij samenscholingen van
                    artikel 186 WvSr.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Relatie tussen APV bepaling en artikel 184 en 186 WvSr. Aanvulling van de
                    gemeentelijke wetgever erkend. HR 02 06 1903, W. 7938 (APV Amsterdam) en HR 25
                    06 1963, NJ 1964, 239 m.nt. B.V.A. Röling (samenscholingsarrest).</al><al/><al>Oordeel van de politie is element van gemeentelijke strafbepaling. HR 12 02
                    1940, NJ 140, 622, AB 1940, p. 744, Gst. 1940, p. 125 (Haags tippelverbod). Zie
                    ook: HR 02 06 1903, W. 7938, Gst., 2715 (APV Amsterdam); HR 20 01 1936, NJ 1936,
                    343, Gst. 1936, p. 90, AB 1936, p. 558 (APV Amsterdam); HR 03 06 1969, NJ 1969,
                    411, AB 1970, p. 17, OB 1971, XIV.3, nr. 30391, NG 1970, p. 616 m.nt. H.R.G.
                    Veldkamp (APV Amsterdam) en HR 17 03 1970, NJ 1970, 331, OB 1971, X.4, nr.
                    31108, NG 1971, p. 292 (APV Arnhem).</al><al/><al>Van een volksoploop ex artikel 186 WvSr is sprake als een menigte zich
                    verzamelt. De openbare orde hoeft niet te worden verstoord. HR 26-02-1991, NJ
                    1991, 512 en HR 14-01-1992, NJ 1992, 380.</al><al/><al><vet>Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid "openbare
                    plaats" gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. In het tweede lid is bepaald dat daaronder niet is
                    begrepen: een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid,
                    van de Grondwet (een kerk, moskee, synagoge of een ander gebouw dat met name
                    wordt gebruikt voor godsdienstige of levensbeschouwelijke doelen).</al><al/><al>Uit de artikelen 3 en 4 WOM volgt dat de gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja,
                    voor welke activiteiten een kennisgeving is vereist en daarbij enkele
                    procedurebepalingen moet vaststellen. Artikel 5 WOM kent de burgemeester de
                    bevoegdheid toe om naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en
                    beperkingen te stellen of een verbod te geven; artikel 6 WOM kent hem een
                    aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM bepaalt dat hij bevoegd is aan
                    de organisatoren van de desbetreffende activiteit de opdracht te geven deze te
                    beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op
                    andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM de burgemeester o.a. de
                    bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen.</al><al/><al>De meeste APV’s kennen alleen een kennisgevingeis voor betogingen. De overige
                    activiteiten zijn ongereguleerd gebleven.</al><al/><al>In verband hiermee heeft artikel 2:3. alleen betrekking op betogingen. Het
                    artikel kan zonodig worden uitgebreid tot samenkomsten tot het belijden van
                    godsdienst of levensovertuiging, tot vergaderingen en tot "processies".</al><al/><al><cursief>Uitgangspunten Wet openbare manifestaties</cursief></al><al>De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de activiteiten die onder de
                    bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen. Het gaat daarbij om
                    betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging voorzover die op openbare plaatsen gehouden worden.</al><al>De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen. Van een collectieve uiting kan
                    volgens de regering al sprake zijn wanneer daaraan meer dan twee personen
                    deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 8).</al><al>Individuele uitingsvormen zijn buiten de regeling gebleven. Zowel artikel 6 als
                    artikel 9 Grondwet maken het mogelijk ook deze onder de WOM te brengen, maar de
                    wetgever acht dat niet nodig.</al><al>Overigens vallen individuele uitingen wel onder de bescherming van artikel 7
                    Grondwet. Het eerste lid van artikel 7 verbiedt expliciet een voorafgaand verlof
                    ten aanzien van schriftelijke uitingen, ook als die uitingen godsdienstig of
                    levensbeschouwelijk van aard zijn. Niet-schriftelijke uitingen van gedachten of
                    gevoelens worden beschermd krachtens het derde lid van artikel 7 Grondwet. De
                    inhoud mag niet aan voorafgaand verlof onderworpen zijn, maar de vorm waarin zij
                    geopenbaard worden wel. De wetgever heeft de bevoegdheid tot beperking van de
                    onderhavige grondrechten aan de gemeenten opgedragen. Argumenten hiervoor zijn:
                    de regeling van onder andere de betoging houdt nauw verband met de plaatselijke
                    openbare orde. De gemeenten hebben hiermee in de loop der jaren waardevolle
                    ervaringen opgedaan.</al><al/><al>De memorie van toelichting geeft een opsomming van de bevoegdheden die de WOM
                    aan gemeenteraden en burgemeesters toekent (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p.
                    5/6):</al><lijst><li nr=""><al>de bevoegdheid tot het creëren van een kennisgevingstelsel voor
                            betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van
                            godsdienst of levensovertuiging op openbare plaatsen. De wet laat een
                            zekere variatie toe ten aanzien van kwesties als: voor welke
                            activiteiten is een kennisgeving vereist; aan welke vereisten moet een
                            kennisgeving voldoen; welke voorschriften en beperkingen kunnen opgelegd
                            worden; </al></li><li nr=""><al>de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen; </al></li><li nr=""><al>de bevoegdheid in het uiterste geval de betreffende activiteit te doen
                            beëindigen. </al></li></lijst><al/><al>Een aantal onderwerpen is daarentegen geheel of gedeeltelijk aan de plaatselijke
                    regelgeving onttrokken. De reden is dat enerzijds de Grondwet zich tegen een
                    dergelijke regeling verzet en dat anderzijds de rechtsgelijkheid een uniforme
                    regeling van de centrale wetgever rechtvaardigt. Het gaat met name om de
                    volgende onderwerpen (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 6):</al><lijst><li nr=""><al>het aanwijzen van de gronden waarop beperking van de onderhavige
                            grondrechten door gemeentelijke organen is toegestaan (artikelen 2 en 8
                            WOM); </al></li><li nr=""><al>de bescherming van het functioneren van buitenlandse
                            vertegenwoordigingen en bepaalde andere instellingen die een bijzondere
                            volkenrechtelijke bescherming genieten, voorzover deze bescherming
                            verder dient te reiken dan "de bestrijding of voorkoming van
                            wanordelijkheden" (artikel 9 WOM); </al></li><li nr=""><al>een verbod van voorafgaand toezicht op de inhoud van uitingen die
                            tijdens eerder genoemde activiteiten zullen worden gedaan (artikelen 3,
                            vierde lid, 4, derde lid, en 5, derde lid); </al></li><li nr=""><al>de strafbaarstelling van overtreding van een aantal bij de WOM gegeven
                            normen (artikel 11 WOM) en de strafbaarstelling van verhindering en
                            verstoring van geoorloofde openbare manifestaties (wijziging van de
                            artikelen 143-146 Wetboek van Strafrecht, onder artikel 11 WOM); </al></li><li nr=""><al>de bescherming van de zondagsrust, voorzover deze bescherming verder
                            dient te reiken dan "de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden"
                            (wijziging van de artikelen 3, 5 en 5a en 8 Zondagswet, onder artikel
                            III WOM). </al></li></lijst><al/><al>Voor op vaste tijdstippen regelmatig terugkerende godsdienstige of
                    levensbeschouwelijke bijeenkomsten op openbare plaatsen, uitgaande van een
                    kerkgenootschap en zelfstandig onderdeel daarvan of een genootschap op
                    geestelijke grondslag is, gelet op artikel 3, derde lid, WOM een eenmalige
                    kennisgeving voldoende. De gemeenteraad heeft twee mogelijkheden; of deze
                    bijeenkomsten ongeregeld laten of een eenmalige kennisgeving voorschrijven.</al><al/><al>Ten aanzien van vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent
                    de WOM uitsluitend repressieve bevoegdheden toe aan de burgemeester (artikel 8
                    WOM). Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist.</al><al/><al><cursief>Openbare en andere dan openbare plaatsen</cursief></al><al>De reden dat in de WOM voor openbare en andere dan openbare plaatsen
                    verschillende regimes zijn opgenomen is dat, volgens de wetgever, regulering van
                    manifestaties op andere dan openbare plaatsen niet zozeer nodig is. Een
                    terughoudende opstelling van de overheid is op zijn plaats. Daarnaast maakt de
                    redactie van artikel 6 Grondwet dit onderscheid noodzakelijk. Delegatie van de
                    beperkingsbevoegdheid heeft de grondwetgever uitsluitend mogelijk gemaakt ten
                    aanzien van belijdenis van godsdienst of levensovertuiging "buiten gebouwen en
                    besloten plaatsen". De regering geeft de voorkeur aan een functionele
                    omschrijving bij de afbakening van het begrip openbare plaats, niet- openbare
                    plaats of besloten plaats, waarin de bestemming of de wijze van gebruik van een
                    plaats bepalend is, en niet een enkel uiterlijk kenteken, zoals het al dan niet
                    afgescheiden zijn van de plaats (TK 1985-1986, 19 427, nr.3, p. 16).</al><al/><al>Wat is nu de betekenis van de begrippen "openbare en andere dan openbare
                    plaatsen"?</al><al>Artikel 1, eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een
                    plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek.
                    Deze definitie kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen "dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats".</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen "openbare plaatsen". Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip "openbare plaats".</al><al/><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. "De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt",
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al/><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip "openbare plaats" ook een aantal "besloten
                    plaatsen" als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al/><al><cursief>Betoging</cursief></al><al>Wanneer kan van een betoging worden gesproken? Blijkens de jurisprudentie van de
                    Hoge Raad kan sprake zijn van een betoging als:</al><lijst><li nr=""><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en </al></li><li nr=""><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen. </al></li></lijst><al/><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied (TK 1986-1987, 19 427, nr. 3, p. 8). Er worden dus drie
                    eisen gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens), openheid en
                    groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het uitdragen
                    van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en een
                    optocht is niet perse een betoging. Een betoging kan een optocht zijn (HR
                    30-05-1967, NJ 1968, 5). De Hoge Raad acht voor het aanwezig zijn van een
                    betoging geen "menigte" nodig. Acht personen worden al voldoende geacht om van
                    een betoging te kunnen spreken (HR 11-05- 1976, NJ 1976, 540).</al><al/><al>Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 Grondwet is "betoging" omschreven
                    als "het middel om, het liefst met zoveel mogelijk mensen, in het openbaar
                    uiting te geven aan gevoelens en wensen op maatschappelijk en politiek
                    gebied".</al><al/><al>Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke
                    bescherming. Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het
                    mom van een betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze
                    rechtsorde, zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van
                    een betoging in de zin van het grondwettelijk erkende recht (TK 1975-1976,
                    13872, nr. 4, p. 95-96). Bij de parlementaire behandeling van artikel 9 heeft de
                    regering er op gewezen dat de door haar gegeven karakterisering van het begrip
                    "betoging" meebrengt dat acties, waarvan de hoedanigheid van gemeenschappelijke
                    meningsuiting op de achtergrond is geraakt en die het karakter hebben van
                    dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens derden, geen betogingen in de zin
                    van het voorgestelde artikel 9 zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij
                    blokkades van wegen en waterwegen (TK 1976-1977, 13872, nr. 7, p. 33).</al><al/><al>Een optocht die niet primair het karakter heeft van een gemeenschappelijke
                    meningsuiting, zoals Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, is
                    geen manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM (TK
                    1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 8). Zo’n optocht kan, als die opiniërende elementen
                    bevat, wel onder de bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al/><al><cursief>Onwettig en intolerant gedrag tegenover een betoging</cursief></al><al>Het recht van betoging kan niet zonder meer beperkt worden. In de jurisprudentie
                    over het onwettig of intolerant gedrag van derden tegenover de deelnemers aan
                    een betoging, is uitgemaakt dat een beperking van het recht tot betoging moet
                    zijn gelegen in zwaarwegende omstandigheden.</al><al/><al><cursief>Klokgelui en oproepen tot gebed</cursief></al><al>Artikel 10 WOM stelt dat de gemeenteraad bevoegd is terzake regels te stellen
                    met betrekking tot duur en geluidsniveau.De strekking van artikel 10 WOM is niet
                    om een beperkingsbevoegdheid op het grondrecht vrijheid van godsdienst of
                    levensovertuiging te creëren, maar om het recht tot klokluiden en oproepen tot
                    gebed buiten twijfel te stellen en daarnaast de autonome bevoegdheid van
                    gemeentebesturen om in het kader van de beperking van geluidsoverlast regelend
                    op te treden onverlet te laten.</al><al>Gemeentelijke regels die klokgelui en oproepen tot gebed in het kader van
                    geluidsoverlast beperken zijn dus geen medebewind, maar autonome
                    bepalingen.</al><al>Artikel 10 WOM vertoont een zekere overlap met artikel 4:6 model APV (overige
                    geluidhinder). Zie de toelichting bij dat artikel.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijke bevoegdheden</cursief></al><al>Los van zijn bevoegdheden krachtens de WOM, blijft de burgemeester bevoegd tot
                    optreden krachtens de artikelen 175 en 176 Gemeentewet. De memorie van
                    toelichting bij de WOM geeft dit aan en ook de minister belicht tijdens de
                    Kamerbehandeling deze bevoegdheid nadrukkelijk. Deze twee artikelen zijn echter
                    slechts beperkt toepasbaar. Er mag namelijk pas gebruik van gemaakt worden
                    wanneer er sprake is van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde of
                    als er daadwerkelijk sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. In
                    die gevallen kan de burgemeester krachtens artikel 175 de nodige bevelen of
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een noodverordening uitvaardigen. De vraag
                    rijst of de burgemeester met behulp van deze noodbevoegdheden grondrechten,
                    zoals in dit geval het betogingsrecht, mag beperken.</al><al/><al>De regering heeft tijdens de behandeling van de herziene Grondwet namelijk
                    gesteld dat de clausule "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet"
                    inhoudt dat alleen de formele wetgever zonder delegatiemogelijkheid bevoegd is
                    tot het beperken van grondrechten en dat de formele wet zelf de omvang van de
                    grondrechtbepaling moet aangeven. In artikel 175 Gemeentewet is thans expliciet
                    opgenomen dat de burgemeester bij het geven van noodbevelen kan afwijken van
                    andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften.</al><al/><al>Het verbod van delegatie zou een obstakel kunnen zijn voor de burgemeester om
                    krachtens artikel 176 Gemeentewet een grondrecht te beperken door middel van een
                    noodverordening. Volgens de Hoge Raad voegt het voorschrift op grond van artikel
                    176 Gemeentewet zich in als bestanddeel in de omschrijving van de overtreding
                    tegen het openbaar gezag van artikel 443 Sr. en het is "dus de wet (in formele
                    zin), die in die noodtoestand de zeer tijdelijke onderbreking van de uitoefening
                    van het grondrecht gedoogt", HR 28-11-1950, NJ 1951, 137 (Tilburgse APV).</al><al>Bij betogingen waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde
                    bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester derhalve
                    bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 of de noodverordening zoals bedoeld in
                    artikel 176 Gemeentewet uitvaardigen. Dit zou in het uiterste geval zelfs een
                    verbod tot het houden van een betoging kunnen inhouden. Op de strekking en
                    reikwijdte van artikel 175 en 176 Gemeentewet is tijdens de parlementaire
                    behandeling en in de literatuur uitgebreid ingegaan. Door de staatssecretaris is
                    tijdens de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp in de Eerste Kamer
                    opgemerkt: "De gevallen waarin de noodbevoegdheden van de burgemeester kunnen
                    worden toegepast, staan in een logisch verband met de gronden krachtens welke
                    grondrechten als hier aan de orde mogen worden beperkt. De burgemeester heeft
                    dus in de noodsituaties, bedoeld in de artikelen 175 en 176, grondwettelijk de
                    bevoegdheid om grondrechtbeperkende bevelen te geven ter bescherming van de
                    gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van
                    wanordelijkheden."</al><al/><al>Verder wordt aangegeven dat ook uit de toepassingshistorie van de artikelen 219
                    en 220 van de oude gemeentewet volgt dat de noodbevoegdheden passen in het kader
                    van de beperkingsregelingen van grondrechten.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de Algemene Termijnenwet van
                    overeenkomstige toepassing is op termijnen in gemeentelijke verordeningen,
                    tenzij in de verordening anders is bepaald. Het vierde lid bevat zo’n afwijkende
                    bepaling, die voorkomt dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen
                    erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste
                    is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te
                    beschikken</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De door verzoekers verwachte ordeverstoringen, het wellicht voorvallen van
                    strafbare feiten en de omstandigheid dat de demonstratieve optocht van het COC
                    ook de bisschop als stuitend zou voorkomen, bieden geen grond tot beperking van
                    de vrijheid van meningsuiting. Vz.ARRS 11-04-1979, Arob editie 1986, nr. 122
                    m.nt. De M.</al><al>Het doel van de optocht kan de burgemeester geen grond opleveren voor weigering
                    van de vergunning. Wnd. Vz.ARRS, 23-11-1979, NG 1980, p. S 59, OB 1980,
                    III.2.2.7, nr. 41197 en Gst. 1980, 6602 m.nt. J.M. Kan (demonstratie Den
                    Haag).</al><al>Onwettig gedrag van derden tegenover de deelnemers, zware belasting van het
                    politiekorps en ernstige hindering van het verkeer zijn onvoldoende zwaarwegende
                    omstandigheden om het betogingrecht te beperken. Vz.ARRS 27-05-1982, AB 1983,
                    62, m.nt. JHvV, tB/S XI, nr. 55, m. nt. tB/S, (Idem demonstratieverbod Afcent,
                    Wnd.Vz.ARRS, 30-05-1983, AB 1984, 85, P.J. Boon, Arob editie 1986, 78, m. nt.
                    MCB.)</al><al/><al>De omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt
                    of tegendemonstraties uitlokt, is onvoldoende basis om de demonstratie op grond
                    van de WOM te verbieden. Slechts wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige
                    ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van
                    door de overheid te treffen maatregelen, kan er grond bestaan een demonstratie
                    te verbieden. Wnd.Vz.ARRS 21-03-1989, KG 1989, 158</al><al/><al>Een betoging mag slechts in dwingende situaties preventief worden verboden. Zo’n
                    beperking van het recht van demonstratie kan in beginsel niet gelegen zijn in de
                    overweging dat onwettige gedragingen van derden tegenover deelnemers aan een
                    betoging de verstoring van de openbare orde tot gevolg zullen hebben. Pres. Rb
                    Maastricht 22 maart 2001, JG 01.0198. In gelijke zin: Voorzieningenrechter
                    Rb.Rotterdam 24-01-2002, JG 02.0040 ,en: de uitoefening van een grondrecht mag
                    aanleiding zijn tot een grotere inspanning dan bij evenementen als een
                    risicowedstrijd van een voetbalclub. Het gaat hier om de waarborging van de
                    uitoefening van een grondrecht. De WOM is niet van toepassing op een
                    persconferentie in een woonhuis. ARRS 30-12-1993, JG 94.0160, Gst. 1994, 6983, 4
                    m.nt. HH, AB1994, 242 m.nt. RMvM.</al><al/><al>De actie ter blokkering van het vliegverkeer d.m.v. het oplaten van ballonen
                    door de Vereniging Milieudefensie is een betoging wegens de gemeenschappelijke
                    meningsuiting. Pres. Rb Haarlem 25-10-1996, Gst. 1996, 7044, 4 m.nt. EB, JB
                    1996, 266 m.nt. REdW..</al><al/><al>Kan een vreedzame demonstratie worden beëindigd, enkel en alleen omdat die niet
                    is aangemeld?</al><al>De Nationale Ombudsman heeft in zijn rapport van december 2007, "Demonstreren
                    staat vrij"
                    http://www.nationaleombudsman.nl/rapporten/grote_onderzoeken/2007demonstreren/index.asp),
                    de juridische grenzen nog eens helder op een rij gezet .</al><al/><al>De Hoge Raad onderschreef in haar arrest van 17 oktober 2006 (NJ 2007, 207, AB
                    2007, 23) het oordeel van het gerechtshof dat een demonstratie kan worden
                    beëindigd, alleen omdat die niet is gemeld. De Hoge Raad vernietigde de
                    uitspraak van het gerechtshof, omdat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de
                    politie op eigen gezag de demonstratie kon beëindigen. Die bevoegdheid ligt
                    uitdrukkelijk bij de burgemeester, en die zal dan ook de feitelijke beslissing
                    moeten nemen.</al><al/><al>Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde in haar arrest van
                    17 juli 2007 (NJB 2007, 1839) anders. In bijzondere omstandigheden, waarin een
                    demonstratie een onmiddellijke reactie is op politieke gebeurtenissen, is het
                    enkel en alleen ontbreken van een melding onvoldoende om de demonstratie te
                    beëindigen. Als er verder niets illegaals aan de hand is en de demonstratie geen
                    bedreiging vormt voor de openbare orde, zou het beëindigen van de demonstratie
                    alleen omdat de melding ontbreekt, een disproportionele beperking van het
                    grondrecht om te demonstreren zijn.</al><al>De Ombudsman sluit zich daarbij aan: bij het beëindigen van een demonstratie
                    moet in zijn visie altijd worden afgewogen of dat in het belang van
                    volksgezondheid, het verkeersbelang, of ter voorkoming van wanordelijkheden
                    noodzakelijk is. Dat is overigens, zo blijkt uit het rapport, ook het beleid van
                    de burgemeester van Den Haag.</al><al/><al>Of de Hoge Raad in een nieuw arrest aansluiting zou zoeken het EHRM valt
                    uiteraard niet te voorspellen, maar er is alle reden om de lijn van het EHRM en
                    de Ombudsman aan te houden: het grondrecht van demonstratie moet niet
                    lichtvaardig worden beperkt, en niets is logischer dan om ook bij het beëindigen
                    van een demonstratie vanwege het ontbreken van een melding af te wegen of het
                    belang van volksgezondheid, het verkeersbelang, of de voorkoming van
                    wanordelijkheden dat noodzakelijk maken. Niet voor niets schept het artikel in
                    de model APV de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een kort voor de
                    demonstratie gedane melding te accepteren.</al><al/><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</vet></al><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid
                    toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er "geen
                    gebruik van enige betekenis" overblijft. Zie ook de toelichting op artikel
                    2:42.</al><al>Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de
                    Gemeentewet.</al><al/><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al/><al>Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                            gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                            wet. </al></li><li nr="2."><al>De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                            toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending. </al></li><li nr="3."><al>Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                            voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof
                            nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid
                            volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor
                            personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede
                            zeden. </al></li><li nr="4."><al>De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                            handelsreclame. </al></li></lijst><al/><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude
                    Grondwet kan als volgt worden samengevat.</al><al/><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6</al><al/><al>Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de
                    daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                    verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                    koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers
                    zijn.</al><al/><al><vet>Wabo</vet></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar
                    een element van handelsreclame in zit.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>I. Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder
                    voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren
                    impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of
                    afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand
                    verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het
                    publiek bekend te maken. 07 11 1892, W. 6259 (ventverbod ‘s Gravenhage); HR 28
                    11 1950, NJ 1951, 137 en 138 m.nt. W.P.J. Pompe, OB 1951, IX.1, nr. 8326, NG
                    1951, p. 123, AB 1951, 437 en 443 (APV Tilburg en APV Sittard) en Gst. 22 1
                    1981, NG 1981, Gst. 1982, 6692,2 m.nt. J.M. Kan, OB 1981, III.2.2.7, nr. 42609
                    (reclameverordening ‘s Gravenhage). </al><al/><al>II. Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis
                    heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien,
                    valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van
                    gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk
                    verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is
                    begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. Als "zelfstandige
                    middelen van bekendmaking" zijn in de jurisprudentie onder meer aangemerkt: </al><lijst><li nr=""><al>het op de weg uitgeven van strooibiljetten, HR 27 02 1951, NJ 1951, 472
                            m.nt. B.V.A. Röling, AB 1951, p. 716, OB 1951, IX.1, nr. 8498, NG 1951,
                            p. 196, Gst. 1951, 5118 (APV Eindhoven); </al></li><li nr=""><al>het gebruik maken van reclameborden of opschriften aan onroerend goed,
                            HR 24 01 1967, NJ 1967, 270 m.nt. W.F. Prins; AB 1968, p. 72 m.nt. R.
                            Streng, OB 1967, IX.1, nr. 26092, NG 1967, p. 187 (Nederland ontwapent);
                            ARRS 23 10 1978, AB 1979, 499 m.nt. F.H. van der Burg, OB 1979,
                            III.2.2.7, nr. 40010, NG 1979, S 4, BR 1979, p. 36, Gst. 1979,6548
                            (verordening stadsschoon Leiden); </al></li><li nr=""><al>het aanbrengen van aanplakbiljetten op onroerend goed, HR 19 09 1977, NJ
                            1978, 516 (APV Hengelo); </al></li><li nr=""><al>het staan of lopen met propagandamiddelen, HR 30 05 1967, NJ 1968 m.nt.
                            W.F. Prins, AB 1968, p. 332, OB 1967, IX.1, nr. 26322, NG 1967, p. 319
                            (Vietnam I); </al></li><li nr=""><al>het aanbieden van gedrukte stukken bij gelegenheid van het houden van
                            een inzameling (niet het houden van de inzameling zélf), HR 27 06 1978,
                            NJ 1979, 59 m.nt. M. Scheltema, AB 1979, 195 m.nt. J.R. Stellinga (APV
                            Eindhoven); Vz.ARRS 16 08 1979, AB 1980, 297 m.nt. JHvdV, OB 1979,
                            III.2.2.7, nr. 40987, NG 1979, S 176, Gst. 1980, 6604 m.nt. P. van
                            Zanten (APV Rotterdam) en Vz.ARRS 18 10 1979, OB 1980, III.2.2.7, nr.
                            41340 (APV Katwijk); </al></li><li nr=""><al>verlichte fotovitrine, ARRS 20 08 1981; Gst. 1982,6692 m.nt. J.M. Kan
                            (APV Pijnacker); </al></li></lijst><al/><al>III. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van
                    gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het
                    in het openbaar bekend maken ("verspreiden") van gedrukte stukken e.d. aan
                    beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en
                    gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente. </al><al>Daarbij geldt dat:</al><lijst><li nr="1."><al>een vergunningenstelsel (voorafgaand verlof) voor het gebruik van een
                            bepaald middel van bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige
                            betekenis heeft, niet is geoorloofd; </al></li><li nr="2."><al>een algemeen verbod tot zodanig gebruik evenmin is toegestaan; </al></li><li nr="3."><al>een (naar tijd, plaats en wijze) beperkt verbod mogelijk is, mits: </al></li><li nr="4."><al>die beperking geen betrekking heeft op de inhoud van de gedrukte
                            stukken, doch gesteld is in het belang van de openbare orde e.d.; </al></li><li nr="5."><al>gebruik "van enige betekenis" overblijft; anders komt de beperking in
                            feite neer op een algemeen verbod, HR 17 03 1953, NJ 1953, 389 m.nt.
                            B.V.A. Röling, OB 1953, IX.1, nr. 10867, NG 1953, p. 264, AB 1953, p.
                            587 (Wachttorenarrest); ARRS 28-04-1981, Gst. 1981, 6686 m.nt. J.M. Kan,
                            OB 1982, nr. 43849, III.2.2.7 (APV Nijmegen). </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al><al>(gereserveerd)</al><al/><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting 2:10a t/m 2:10c</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:10a Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven
                        de weg in strijd met de publieke functie van de weg</vet></al><al>De nadere regels met betrekking tot het uitvoering geven aan dit artikel is
                    vastgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                    Elburg in beleidsstukken aangaande het uitstallen van zaken in de binnenstad,
                    (tijdelijk) plaatsen van sandwichborden e.d. en inzake het plaatsen van
                    voorwerpen of stoffen op of aan de weg. Een deel is vastgelegd in de
                    Welstandsnota en het overige gedeelte is neergelegd in (een) apart(e)
                    beleidsstuk(ken) aangaande toegestane voorwerpen op, aan of boven de weg. </al><al/><al>Aan artikel 2:10a liggen als motieven ten grondslag: de verkeersveiligheid, de
                    welstand en het gevaar of de hinder die de stoffen of voorwerpen voor personen
                    of goederen opleveren. Het artikel beperkt zich niet alleen tot het plaatsen,
                    aanbrengen of hebben van stoffen of voorwerpen op de weg, maar strekt zich
                    tevens uit tot stoffen of voorwerpen aan de weg. </al><al/><al>De term ‘aan de weg’ duidt begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van
                    de weg. Daaronder vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open
                    ruimtes die aan de weg zijn gelegen. Hetgeen zich binnenshuis bevindt of
                    afspeelt valt niet onder het bereik van dit begrip.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Hier is naast de genoemde algemeen geldende weigeringsgronden een
                    verbijzondering opgenomen: de vergunning kan worden geweigerd als het gevraagde
                    problemen, hinder of schade zou opleveren voor de weg of het gebruik
                    daarvan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10b Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Eerste lid onder a: evenementen</onderstreept></al><al>Indien een evenement wordt gehouden, waartoe vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2:25, dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2:10a. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide vergunningen. In de
                    voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan immers ook de
                    verkeersveiligheid worden gewaarborgd. </al><al/><al><onderstreept>Terrassen horecabedrijf</onderstreept></al><al>Het in artikel 2:10a bedoelde verbod gebruik van de weg geldt niet voor
                    terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester
                    vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. Een dergelijk terras maakt
                    blijkens de definitie in artikel 2:27 deel uit van dat bedrijf</al><al/><al>Als de gemeente geen exploitatievergunningenstelsel in zijn APV heeft geregeld,
                    zal de toetsing van een</al><al>vergunningsaanvraag voor een terras bij een voor het publiek openstaand gebouw
                    rechtstreeks gebaseerd moeten zijn op art. 174 Gemeentewet. De gemeente die in
                    dat geval toch een vergunning wil geven op grond van art. 2:10 moet attent zijn
                    op het feit dat het in dit artikel niet gaat om de openbare orde, maar om
                    hinder, gevaar of ontsiering door voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
                    of een weggedeelte. Dit houdt in dat op grond van deze bepaling geen voorwaarden
                    kunnen worden gesteld i.v.m. de openbare orde. Dit zal dan moeten gebeuren op
                    grond van artikel 174 Gemeentewet. Op</al><al>grond van artikel 174 Gemeentewet blijft de burgemeester – ook bij toepassing
                    van artikel 2:10 – op grond van jurisprudentie het bevoegd gezag. Voor de
                    duidelijkheid: het gaat hier om een terras dat behoort bij een voor het publiek
                    openstaand gebouw.</al><al/><al>In het geval een terras niet behoort bij een voor het publiek openstaand gebouw
                    of een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en het terras is gelegen op de weg
                    of een weggedeelte kunnen alleen de in artikel 2:10 bedoelde eisen worden
                    gesteld en is het college het bevoegd gezag.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid, onder b: standplaatsen</onderstreept></al><al>Hier wordt een uitzondering gemaakt voor standplaatsen waarop artikel 5:17 van
                    toepassing is.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het verbod van artikel 2:10a is niet van toepassing op voorwerpen waarop
                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Een vergunningsstelsel voor zulke
                    uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van de Grondwet (vrijheid van
                    meningsuiting). Het is op grond van artikel 2:1 wel verboden om uitingen te doen
                    als daardoor het verkeer wordt gehinderd of in gevaar gebracht.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Gedragingen waarop artikel 2:10b zien, kunnen onder de reikwijdte van artikel 5
                    van de Wegenverkeerswet vallen. Dit artikel bepaalt dat het voor eenieder
                    verboden is zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of
                    kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan
                    worden gehinderd. Voor zover een hinderlijke gedraging plaatsvindt op de weg,
                    zoals omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet, is voor dat gedeelte
                    artikel 2:10b niet van toepassing. </al><al/><al><onderstreept>Vijfde lid</onderstreept></al><al>Indien er sprake is van een bouwwerk in de zin van de Bouwverordening waarvoor
                    een omgevingsvergunning nodig is op grond van de Wabo, wordt er al getoetst op
                    welstandsaspecten. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2:10a, tweede lid,
                    onder b is dan niet van toepassing. </al><al><onderstreept>Zesde lid</onderstreept></al><al>De Wet milieubeheer is van toepassing als een voorwerp op de weg wordt geplaatst
                    dat een inrichting in de zin van deze wet is. De Wet milieubeheer en de daarop
                    gebaseerde voorschriften zijn aan het belang van voorkoming of beperking van
                    overlast (genoemd als weigeringsgrond in artikel 2:10a, tweede lid, onder
                    c).</al><al/><al><vet>Artikel 2:10c Vrijstellingen</vet></al><al>De nadere regels met betrekking tot het uitvoering geven aan dit artikel is
                    vastgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                    Elburg in beleidsstukken aangaande het uitstallen van zaken in de binnenstad,
                    (tijdelijk) plaatsen van sandwichborden e.d. en inzake het plaatsen van
                    voorwerpen of stoffen op of aan de weg. Een deel is vastgelegd in de
                    Welstandsnota en het overige gedeelte is neergelegd in (een) apart(e)
                    beleidsstuk(ken) aangaande toegestane voorwerpen op, aan of boven de weg.. </al><al/><al>Bij vrijstellingen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan:</al><lijst><li nr=""><al>Bloembakken en plantenbakken binnen een meter van de gevel van woningen
                            (eventueel met een maatvoering)</al></li><li nr=""><al>Reclameborden (eventueel met een maatvoering)</al></li><li nr=""><al>Uitstallingen bij winkels (eventueel met een maatvoering; eventueel
                            beperkt tot winkelgebieden)</al></li><li nr=""><al>Stortbakken en steigers nodig voor een verbouwing. Er zijn situaties
                            denkbaar dat een vergunning voor dit soort voorwerpen volstrekt redelijk
                            is. Anderzijds komt het ook voor dat vergunningen worden afgegeven voor
                            het plaatsen van een aantal steigers in de loop van een jaar, waarbij
                            naar de locatie dus niet word gekeken. Als service aan de burgers zou
                            het college in het vrijstellingsbesluit de verplichting kunnen stellen
                            dat er met een bord wordt aangegeven hoe lang dat gaat duren. Dat is in
                            een aantal Europese landen gebruikelijk.</al></li></lijst><al/><al><vet>Het plaatsen van voorwerpen op de weg</vet></al><al/><al><onderstreept>Inboedels</onderstreept></al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de
                    ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:10. In de VNG
                    ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van bestuursdwang ten
                    aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het preventief optreden tegen
                    dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld. Bij Nieuwsbrief
                    1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger
                    beroep uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001 (zie
                    ook onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de ledenbrief
                    van 20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve bestuursdwang op te
                    treden tegen de in strijd met artikel 2.1.5.1. (oud) van de model-APV op de weg
                    geplaatste zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem
                    kunnen de kosten van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald. </al><al/><al><onderstreept>Containers</onderstreept></al><al>Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het Centrum voor
                    Regelgeving en onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek
                    (CROW) in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte
                    obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van
                    verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil en opslagcontainers),
                    inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en
                    controlemogelijkheden.</al><al/><al><onderstreept>Wabo</onderstreept></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit dan onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een
                    nieuw vierde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</al><al/><al>Daarnaast blijft het derde lid gehandhaafd, waarin staat dat het bevoegde
                    bestuursorgaan (i.c. het college of de burgemeester) ontheffing kan verlenen
                    voor gebruik van de weg dat niet valt onder de Wabo, namelijk wanneer het gaat
                    om objecten die bedoeld zijn om ter plaatse blijvend te functioneren. Dat zijn
                    (b bijvoorbeeld plaatsen van bloembakken, straatmeubilair, terrassen en
                    dergelijke).</al><al/><al>Het is niet ondenkbaar dat bij een en hetzelfde project – bijvoorbeeld een
                    grootscheepse restauratie van monumentale panden – zowel de ontheffing van het
                    bevoegd bestuursorgaan (derde lid) als de omgevingsvergunning (vierde lid) nodig
                    is, waarbij dan de situatie kan ontstaan dat er twee bevoegde gezagen zijn. Met
                    het oog op die gevallen kan overwogen worden om met toepassing van artikel 2.2,
                    tweede lid van de Wabo alle activiteiten waarbij voorwerpen op of aan de weg
                    worden geplaatst, onder de Wabo te brengen. Dat heeft als nadeel dat de
                    zwaardere procedure van de Wabo in alle gevallen</al><al>gevolgd moet worden. Wij verwachten dat deze situatie maar heel zelden zal
                    voorkomen en hebben 2.2, tweede lid van de Wabo in de model-APV dan ook niet
                    toegepast.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie uitstallingen</vet></al><al>Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen gehandhaafd
                    op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op de onder a
                    opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg). De Afdeling
                    ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit artikel in het
                    hoofdstuk dat betrekking heeft op openbare orde, in de weg staat aan het opnemen
                    van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van
                    de bescherming van de openbare orde kan worden geacht. ARRS 07-10-1996, Gst.
                    1997, 7050, 5 m.nt. HH. Beleid dat inhoudt dat vergunningen voor uitstallingen
                    in het kernwinkelgebied worden geweigerd is redelijk, mede gelet op de hoge
                    voetgangersstroom en een onder consumenten gehouden enquête. ABRS 11-05-1998, JU
                    982110 (VNG-databank). Hetzelfde geldt voor een beleid dat inhoudt dat objecten
                    niet meer dan 40 cm uit de voorgevel mogen worden geplaatst, welk beleid wordt
                    ondersteund met een welstandsadvies. ABRS 01-10-1998, JU 981188
                    (VNG-databank).</al><al/><al>In de notitie Uitstallingenbeleid Binnenstad heeft het college vermeld: alleen
                    de uitstalling van bloemen, planten, groenten en fruit wordt toegestaan. Daarmee
                    is bij nadere invulling van het begrip openbare orde een onderscheid gemaakt
                    naar de soort van de uitgestalde waren. De Rechtbank is van oordeel dat hiermee
                    een wezenlijk ander onderscheid wordt gehanteerd dan welke volgt uit een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van de uitstalling. Dit onderscheid is
                    niet in het belang van de bescherming van de openbare orde in de zin van artikel
                    2.1.5.1. </al><al/><al>Voor zover de uitstallingen van eisers niet aan de nieuwe maatvoering voldoen,
                    gelet op de straten/plaatsen waar de winkels van eisers gevestigd zijn een
                    wijziging (in plaats van een intrekking) van de verleende vergunning in de rede
                    had gelegen, met name wat betreft de maatvoering en de plaats van de
                    uitstalling, waarbij voorts de uitkomst van een individuele toetsing vanuit een
                    oogpunt van welstand mogelijk tot nadere voorwaarden aanleiding had kunnen
                    geven.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie evenementen</vet></al><al>Vergunning voor luchtkussenpark onder de voorwaarden dat het mag bestaan uit
                    drie luchtkussens, een ballenbak, een aantal bankjes, een verkooppunt voor
                    frisdranken en een deugdelijke omheining. Geen bouwwerken, Woningwet niet van
                    toepassing. Indien er een meldingsplicht bestaat op grond van de Wet
                    milieubeheer, is de APV niet van toepassing. Ingeval de APV wel van toepassing
                    is, heeft het college in redelijkheid tot het verlenen van de vergunning kunnen
                    komen. Nu het seizoen al is begonnen, is er groot belang bij continuering. ABRS
                    23-06-2000, JU 001042 (VNG-databank).</al><al/><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden
                    06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond
                    van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt
                    geen grondslag voor weigering vergunning.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie terrassen</vet></al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0018, m.nt. M. Geertsema . In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN-nr. AF0269, JG 03.0022 m.nt. A.L. van Esveld.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie Reclame</vet></al><al>Zie voor jurisprudentie over handelsreclame voorts in het commentaar onder
                    artikel 4:15. </al><al/><al>De reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het college
                    reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor het publiek
                    toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De vergunning kon worden geweigerd in het
                    belang van welstand of verkeersveiligheid. Het college heeft een maximum van 123
                    locaties voor driehoeksborden aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op
                    grond van de Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze
                    op te stellen, zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij de
                    verdeling van de schaarse locaties. De Afdeling</al><al>oordeelt allereerst: Anders dan art. 7 lid 1 Gw beschermt art. 10 EVRM ook
                    uitingen met een commercieel karakter. De inmenging in het recht van vrije
                    meningsuiting is echter voorzien bij de wet conform het tweede lid van art. 10.
                    Aangezien het stelsel in de Reclameverordening er voorts toe strekt
                    reclame-uitingen te reguleren in het belang van de openbare veiligheid, het
                    voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, alsmede de bescherming van
                    de rechten van anderen, is er van strijd met art. 10 EVRM geen sprake. </al><al/><al>Vervolgens: Aan het college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een
                    maximum te stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden
                    geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van
                    bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het college heeft
                    dit nagelaten. Nu het maximum aantal aangewezen locaties het uitgangspunt vormde
                    voor de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van
                    appellante en niet kan worden nagegaan of dit uitgangspunt rechtens houdbaar is,
                    moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen
                    door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze voor vernietiging
                    in aanmerking komt. ABRS 20-04-2005, nr. 200407498, AB 2005, 180 m.nt. A.
                    Tollenaar; GS 2005, 7236, 140 m.nt. D.E. Bunschoten.</al><al/><al>Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                    reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan worden
                    gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met artikel 10 EVRM
                    (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389). Immers, dit kan betekenen dat er in
                    feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het middel van
                    verspreiding en bekendmaking zou overblijven Volgens de President kunnen wel
                    beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat betreft het aantal
                    vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur</al><al>van elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb Zwolle 26-9-1997, KG 1997, 338).
                    Dit beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of
                    welstandsadvies.</al><al/><al>Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show, oordeelde
                    de Pres. Rb ’s-Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij elke aanvraag om
                    vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling nodig is, ongeacht
                    het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden als zodanig en de plaats
                    van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te
                    worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.</al><al/><al>Driehoeksreclameborden. Het standpunt van het college dat artikel 2.1.5.1.
                    alleen van toepassing is als ook de Woningwet van toepassing is, wordt niet
                    gehonoreerd. Pres. Rb Haarlem 27-10-1997, Gst. 1998, 7069, 3 m.nt. EB, KG 1997,
                    388.</al><al/><al>Weigering van vergunning voor het maken van reclame voor een voetbalwedstrijd,
                    aangezien deze reclame-uiting ontsierend is voor de omgeving. Het betreft
                    commerciële reclame; artikel 7 Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR
                    niet van toepassing. Artikel 10 EVRM en 19 IVBPR zijn alleen in het geding als
                    de verspreiding van reclame (en uiteraard andere meningsuitingen) zo zeer aan
                    banden zou worden gelegd dat de vrijheid reclame te maken zelf zou worden
                    aangetast. ABRS 23-12-1994, JG 09.0207, AB 1995, 163.</al><al/><al>APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor
                    reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor reclameborden
                    uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen.
                    Artikel 2.1.5.1. kent een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de
                    reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder. Pres. Rb Breda
                    9-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb Zwolle 26-9-1997 en
                    29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke uitspraak betreft Pres.
                    Rb ‘s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor
                    reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder evenement</al><al>betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de zin van artikel
                    2.1.5.1. </al><al/><al>Vz.ARRS 27-08-1993, JG 94.0054. Door het verlenen van ontheffingen voor de duur
                    van een jaar heeft het college duidelijk gemaakt dat het beleid ten aanzien van
                    reclameborden en verkooprekken gewijzigd kan worden. Het in het geheel niet
                    bieden van ruimte voor het verlenen van een ontheffing verdraagt zich niet met
                    de APV. Vz.ABRS 03-01-1994, JG 94.0212.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie afvalcontainers</vet></al><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met de
                    bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het
                    geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt. HH.
                    Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn
                    waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de constructie, omvang
                    van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel 8.2 APV, welk artikel
                    vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten toepassing. ABRS 29-01-1998, Gst.
                    1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998, 54 m.nt. H.A.M.G.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie handhaving</vet></al><al>Naar aanleiding van de vraag of de gemeente veroordeeld kan worden om bij een
                    gerechtelijke ontruiming van een woning aanwezig te zijn om de op de weg
                    geplaatste inboedel terstond af te voeren en op te slaan, overweegt de Pres. Rb
                    Amsterdam 19-08-1999, KG 1999, 242, dat de executerende deurwaarder gerechtigd
                    is de inboedel aan de weg te plaatsen zonder dat hem een overtreding op grond
                    van de APV verweten kan worden. De publieke taak van de gemeente om de openbare
                    weg vrij te houden van obstakels houdt echter nog niet in dat de deurwaarder een
                    rechtens afdwingbare vordering tegen de gemeente heeft om bij gerechtelijke
                    ontruimingen de inboedel af te voeren en op te slaan. Deurwaarder kan wel
                    maatregelen nemen zoals de geëxecuteerde van tevoren waarschuwen of zelf
                    maatregelen nemen voor afvoer en opslag.</al><al/><al>Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel als afval
                    aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden. Gemeente aansprakelijk
                    voor de schade. Pres. Rb Amsterdam 15-02-2001, JG 01.0138 m.nt. E.H.J. de Bruin,
                    KG 2001, 87.</al><al/><al>Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de
                    weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van
                    artikel 2.1.5.1 (oud), eerste lid, van de APV valt. Hoewel artikel 5:21 van de
                    Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve
                    bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste
                    jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van
                    een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of
                    krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat
                    niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige
                    criterium voor preventieve bestuursdwang is dus “klaarblijkelijk gevaar van
                    overtreding”. Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de
                    woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de
                    inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van artikel 2.1.5.1 (oud)
                    van de APV. Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25
                    van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang
                    verschuldigd. ABRS 07-11-2001, JG 02.0006, LJN-nr. AD5810 (Brunssum) m.nt. M.
                    Geertsema, Gst. 2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld.</al><al/><al>Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de
                    Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat
                    plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet
                    geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig
                    haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het
                    verbod van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt. Deurwaarder is een
                    instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot
                    ontruiming overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en dient de kosten van
                    bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m. nt. van M.
                    Geertsema.</al><al/><al>Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer.
                    Vzr. Zutphen 25-08-2004, 04/1199 GEMWT, LJN-nr. AQ8910.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10d Vrijstellingen</vet></al><al>Bij vrijstellingen kan worden gedacht aan:</al><lijst><li nr=""><al>Bloembakken en plantenbakken binnen een meter van de gevel van woningen
                            (eventueel met een maatvoering) </al></li><li nr=""><al>Reclameborden (eventueel met een maatvoering) </al></li><li nr=""><al>Uitstallingen bij winkels (eventueel met een maatvoering; eventueel
                            beperkt tot winkelgebieden) </al></li><li nr=""><al>Stortbakken en steigers nodig voor een verbouwing. Er zijn situaties
                            denkbaar dat een vergunning voor dit soort voorwerpen volstrekt redelijk
                            is. Anderzijds komt het ook voor dat vergunningen worden afgegeven voor
                            het plaatsen van een aantal steigers in de loop van een jaar, waarbij
                            naar de locatie dus niet word gekeken. Als service aan de burgers zou
                            het college in het vrijstellingsbesluit de verplichting kunnen stellen
                            dat er met een bord wordt aangegeven hoe lang dat gaat duren. Dat is in
                            een aantal Europese landen gebruikelijk </al></li></lijst><al/><al><vet>Deregulering</vet></al><al>Vergeleken met het oude artikel 2.1.5.1. APV is in dit artikel een
                    dereguleringsslag gemaakt:</al><lijst><li nr=""><al>Vanwege de overzichtelijkheid zijn een aantal artikelen in de model APV,
                            waaronder ook artikel 2:10., onderverdeeld in een aantal afzonderlijke
                            artikelen. </al></li><li nr=""><al>Een aantal gedetailleerde bepalingen zijn vervallen, zoals het deel van
                            lid 1 dat regels voor voorwerpen boven de weg stelde, tot op de twintig
                            centimeter. </al></li><li nr=""><al>Er is een silencio positivo opgenomen. </al></li><li nr=""><al>Ook voor deze vergunning geldt dat ze in beginsel voor een onbeperkte
                            periode wordt verstrekt. Uiteraard kan er wel een termijn worden gesteld
                            voor zaken die per definitie tijdelijk worden geplaatst maar waarvan
                            wenselijk is dat ze niet onnodig lang het straatbeeld ontsieren, zoals
                            steigers en stortcontainers. </al></li></lijst><al/><al>Tenslotte kan de gemeente een aanzienlijke verlaging van de administratieve
                    lasten bereiken door ruim invulling te geven aan de vrijstellingsbepaling van
                    artikel 2:10d . Eén van de belangrijkste ergernissen die de toepassing van dit
                    artikel oproept, is dat gemeenten soms een vergunning eisen terwijl van reële
                    hinder of overlast geen sprake is. Er kan worden gedacht aan bloembakken,
                    uitstallingen (eventueel alleen in het winkelgebied) en kleine
                    reclameborden.</al><al/><al><vet>Het plaatsen van voorwerpen op de weg</vet></al><al><vet>Inboedels</vet></al><al>Het plaatsen van inboedels op de weg gebeurt dikwijls in het kader van de
                    ontruiming van woningen. Het is echter in strijd met artikel 2:10. In de VNG
                    ledenbrief, kenmerk 97/39, wordt ingegaan op het toepassen van bestuurswang ten
                    aanzien van op de weg geplaatste zaken. Ook het preventief optreden tegen
                    dergelijke overtredingen wordt in deze ledenbrief behandeld. Bij Nieuwsbrief
                    1360 van 12 november 2001 concludeerde de VNG naar aanleiding van de hoger
                    beroepuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 7 november 2001 (zie ook
                    onder jurisprudentie), dat met deze uitspraak het advies van de ledenbrief van
                    20 maart 1997 wordt gehandhaafd om met preventieve bestuursdwang op te treden
                    tegen de in strijd met artikel 2.1.5.1. (oud) van de model-APV op de weg
                    geplaatste zaken. De verhuurder kan daartoe worden aangeschreven en op hem
                    kunnen de kosten van de toepassing van bestuursdwang worden verhaald.</al><al/><al><vet>Containers</vet></al><al>Over het plaatsen van containers kan nog opgemerkt worden dat het Centrum voor
                    Regelgeving en Onderzoek in de Grond , Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek
                    (CROW) in 1998 richtlijnen heeft uitgebracht, getiteld Markering onverlichte
                    obstakels. Deze richtlijnen gaan in op het uniform plaatsen en markeren van
                    verplaatsbare onverlichte obstakels (waaronder vuil en opslagcontainers),
                    inclusief mogelijke regelgeving met bijbehorende handhavings- en
                    controlemogelijkheden.</al><al>Jurisprudentie uitstallingen</al><al/><al>Weigering van een uitstalvergunning voor handelswaar is niet alleen gehandhaafd
                    op de onder b genoemde weigeringsgrond (welstand), maar ook op de onder a
                    opgenomen weigeringsgrond (de uitstallingen staan ook in de weg). De Afdeling
                    ziet voorts geen grond voor het oordeel dat de plaatsing van dit artikel in het
                    hoofdstuk dat betrekking heeft op openbare orde, in de weg staat aan het opnemen
                    van de onder b genoemde weigeringsgrond. Niet valt in te zien dat een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van een uitstalling niet in het belang van
                    de bescherming van de openbare orde kan worden geacht. ARRS 07-10-1996, Gst.
                    1997, 7050, 5 m.nt. HH. Beleid dat inhoudt dat vergunningen voor uitstallingen
                    in het kernwinkelgebied worden geweigerd is redelijk, mede gelet op de hoge
                    voetgangersstroom en een onder consumenten gehouden enquête. ABRS 11-05-1998, JU
                    982110 (VNG-databank). Hetzelfde geldt voor een beleid dat inhoudt dat objecten
                    niet meer dan 40 cm uit de voorgevel mogen worden geplaatst, welk beleid wordt
                    ondersteund met een welstandsadvies. ABRS 01-10-1998, JU 981188
                    (VNG-databank).</al><al/><al>In de notitie Uitstallingenbeleid Binnenstad heeft het college vermeld: alleen
                    de uitstalling van bloemen, planten, groenten en fruit wordt toegestaan. Daarmee
                    is bij nadere invulling van het begrip openbare orde een onderscheid gemaakt
                    naar de soort van de uitgestalde waren. De Rechtbank is van oordeel dat hiermee
                    een wezenlijk ander onderscheid wordt gehanteerd dan welke volgt uit een zekere
                    beoordeling van het uiterlijk aanzien van de uitstalling. Dit onderscheid is
                    niet in het belang van de bescherming van de openbare orde in de zin van artikel
                    2.1.5.1.</al><al/><al>Voor zover de uitstallingen van eisers niet aan de nieuwe maatvoering voldoen,
                    gelet op de straten/plaatsen waar de winkels van eisers gevestigd zijn een
                    wijziging (in plaats van een intrekking) van de verleende vergunning in de rede
                    had gelegen, met name wat betreft de maatvoering en de plaats van de
                    uitstalling, waarbij voorts de uitkomst van een individuele toetsing vanuit een
                    oogpunt van welstand mogelijk tot nadere voorwaarden aanleiding had kunnen
                    geven.</al><al/><al><vet>Wabo</vet></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is een
                    nieuw derde lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. </al><al/><al><vet>Jurisprudentie evenementen</vet></al><al>Vergunning voor luchtkussenpark onder de voorwaarden dat het mag bestaan uit
                    drie luchtkussens, een ballenbak, een aantal bankjes, een verkooppunt voor
                    frisdranken en een deugdelijke omheining. Geen bouwwerken, Woningwet niet van
                    toepassing. Indien er een meldingsplicht bestaat op grond van de Wet
                    milieubeheer, is de APV niet van toepassing. Ingeval de APV wel van toepassing
                    is, heeft het college in redelijkheid tot het verlenen van de vergunning kunnen
                    komen. Nu het seizoen al is begonnen, is er groot belang bij continuering. ABRS
                    23-06-2000, JU 001042 (VNG-databank).</al><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. Pres. Rb Leeuwarden
                    06-09-2001, LJN-nr. AD3917: er doen zich geen weigeringsgronden voor op grond
                    van artikel 2.1.5.1 en 2.2.2 APV. Ook strijdigheid met het bestemmingsplan biedt
                    geen grondslag voor weigering vergunning.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie terrassen</vet></al><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0018, m.nt. M. Geertsema . In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN-nr. AF0269, JG 03.0022 m.nt. A.L. van Esveld.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie Reclame</vet></al><al>Zie voor jurisprudentie over handelsreclame voorts in het commentaar onder
                    artikel 4.21.</al><al>De reclameverordening bevatte het verbod om zonder vergunning van het college
                    reclameborden te plaatsen, die vanaf de weg of een andere voor het publiek
                    toegankelijke plaats zichtbaar zijn. De vergunning kon worden geweigerd in het
                    belang van welstand of verkeersveiligheid. Het college heeft een maximum van 123
                    locaties voor driehoeksborden aangewezen. Het stellen van beleidsregels was op
                    grond van de Reclameverordening verplicht, maar het college had nagelaten deze
                    op te stellen, zodat niet duidelijk was welke procedure werd gevolgd bij de
                    verdeling van de schaarse locaties. De Afdeling oordeelt allereerst: Anders dan
                    art. 7 lid 1 Gw beschermt art. 10 EVRM ook uitingen met een commercieel
                    karakter. De inmenging in het recht van vrije meningsuiting is echter voorzien
                    bij de wet conform het tweede lid van art. 10. Aangezien het stelsel in de
                    Reclameverordening er voorts toe strekt reclame-uitingen te reguleren in het
                    belang van de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en
                    strafbare feiten, alsmede de bescherming van de rechten van anderen, is er van
                    strijd met art. 10 EVRM geen sprake.</al><al/><al>Vervolgens: Aan het college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om een
                    maximum te stellen aan het aantal locaties waar driehoeksborden kunnen worden
                    geplaatst. Dit maximum zal moeten worden gerechtvaardigd uit hoofde van
                    bescherming van de in de Reclameverordening genoemde belangen. Het college heeft
                    dit nagelaten. Nu het maximum aantal aangewezen locaties het uitgangspunt vormde
                    voor de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde afwijzing van het verzoek van
                    appellante en niet kan worden nagegaan of dit uitgangspunt rechtens houdbaar is,
                    moet worden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar niet kan worden gedragen
                    door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat deze voor vernietiging
                    in aanmerking komt. ABRS 20-04-2005, nr. 200407498, AB 2005, 180 m.nt. A.
                    Tollenaar; GS 2005, 7236, 140 m.nt. D.E. Bunschoten.</al><al/><al>Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                    reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan worden
                    gekwalificeerd, nog daargelaten of dit in overeenstemming is met artikel 10 EVRM
                    (Pres. Rb Zwolle 29-10-1997, KG 1997, 389). Immers, dit kan betekenen dat er in
                    feite geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik van het middel van
                    verspreiding en bekendmaking zou overblijven Volgens de President kunnen wel
                    beleidscriteria in de vorm van restricties voor wat betreft het aantal
                    vergunningen (al dan niet per aanvrager per jaar), en de locatie en duur van
                    elke vergunning worden gesteld (Pres. Rb Zwolle 26-9-1997, KG 1997, 338). Dit
                    beleid kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of
                    welstandsadvies.</al><al>Over driehoeksreclameborden ten behoeve van een Rasti Rostelli-show, oordeelde
                    de Pres. Rb ’s-</al><al>Hertogenbosch 23-09-1999, KG 1999, 299 dat bij elke aanvraag om
                    vergunningverlening een individuele en concrete beoordeling nodig is, ongeacht
                    het gevoerde beleid. Geen acht is geslagen op de borden als zodanig en de plaats
                    van opstelling. Geen strijd met redelijke eisen van welstand. Aanvrager dient te
                    worden behandeld als ware hij in het bezit van een vergunning.</al><al/><al>Driehoeksreclameborden. Het standpunt van het college dat artikel 2.1.5.1.
                    alleen van toepassing is als ook de Woningwet van toepassing is, wordt niet
                    gehonoreerd. Pres. Rb Haarlem 27-10-1997, Gst. 1998, 7069, 3 m.nt. EB, KG 1997,
                    388.</al><al/><al>Weigering van vergunning voor het maken van reclame voor een voetbalwedstrijd,
                    aangezien deze reclame-uiting ontsierend is voor de omgeving. Het betreft
                    commerciële reclame; artikel 7 Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR
                    niet van toepassing. Artikel 10 EVRM en 19 IVBPR zijn alleen in het geding als
                    de verspreiding van reclame (en uiteraard andere meningsuitingen) zo zeer aan
                    banden zou worden gelegd dat de vrijheid reclame te maken zelf zou worden
                    aangetast. ABRS 23-12-1994, JG 09.0207, AB 1995, 163.</al><al/><al>APV-bepaling biedt geen ruimte voor de weigering van een vergunning voor
                    reclameborden op basis van beleid volgens welk toestemming voor reclameborden
                    uitsluitend wordt verleend voor plaatselijke, niet-commerciële evenementen.
                    Artikel 2.1.5.1. kent een aantal limitatieve weigeringsgronden. De aard van de
                    reclame, commercieel of niet-commercieel, valt daar niet onder. Pres. Rb Breda
                    9-11-1994, JG 95.0137, KG 1995, 20. Zie ook Pres. Rb Zwolle 26-9-1997 en
                    29-10-1997, resp. KG 1997, 338 en 389. Een soortgelijke uitspraak betreft Pres.
                    Rb ‘s Hertogenbosch 12-11-1998, KG 1999, 23. Weigering van vergunning voor
                    reclameborden, aangezien het geen reclame voor een zeer bijzonder evenement
                    betreft. Aard van een evenement is geen weigeringsgrond in de zin van artikel
                    2.1.5.1.</al><al>Vz.ARRS 27-08-1993, JG 94.0054. Door het verlenen van ontheffingen voor de duur
                    van een jaar heeft het college duidelijk gemaakt dat het beleid ten aanzien van
                    reclameborden en verkooprekken gewijzigd kan worden. Het in het geheel niet
                    bieden van ruimte voor het verlenen van een ontheffing verdraagt zich niet met
                    de APV. Vz.ABRS 03-01-1994, JG 94.0212.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie afvalcontainers</vet></al><al>Plaatsing van een bedrijfsafvalcontainer op de openbare weg is in strijd met de
                    bestemming. Bovendien komt het doelmatig en veilig gebruik van de weg in het
                    geding. ARRS 30-12-1993, JG 94.0213, Gst. 1994, 6995, 5 m.nt. HH.
                    Afvalcontainers kunnen echter bouwwerken in de zin van de Woningwet zijn
                    waarvoor een bouwvergunning is vereist. Dit hangt af van de constructie, omvang
                    van de constructie en de plaatsgebondenheid. Artikel 8.2 APV, welk artikel
                    vergelijkbaar is met 2.1.5.1, blijft buiten toepassing. ABRS 29-01-1998, Gst.
                    1998, 7054, 5 m.nt. JT en MenR 1998, 54 m.nt. H.A.M.G.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie handhaving</vet></al><al>Naar aanleiding van de vraag of de gemeente veroordeeld kan worden om bij een
                    gerechtelijke ontruiming van een woning aanwezig te zijn om de op de weg
                    geplaatste inboedel terstond af te voeren en op te slaan, overweegt de Pres. Rb
                    Amsterdam 19-08-1999, KG 1999, 242, dat de executerende deurwaarder gerechtigd
                    is de inboedel aan de weg te plaatsen zonder dat hem een overtreding op grond
                    van de APV verweten kan worden. De publieke taak van de gemeente om de openbare
                    weg vrij te houden van obstakels houdt echter nog niet in dat de deurwaarder een
                    rechtens afdwingbare vordering tegen de gemeente heeft om bij gerechtelijke
                    ontruimingen de inboedel af te voeren en op te slaan. Deurwaarder kan wel
                    maatregelen nemen zoals de geëxecuteerde van tevoren waarschuwen of zelf
                    maatregelen nemen voor afvoer en opslag.</al><al/><al>Ten onrechte merkte de opzichter bij een woningontruiming de inboedel als afval
                    aan en liet de afgevoerde inboedel als afval verbranden. Gemeente aansprakelijk
                    voor de schade. Pres. Rb Amsterdam 15-02-2001, JG 01.0138 m.nt. E.H.J. de Bruin,
                    KG 2001, 87.</al><al/><al>Het op straat plaatsen en daar laten staan van inboedel is geen gebruik van de
                    weg overeenkomstig de bestemming, zodat zo’n handeling onder het verbod van
                    artikel 2.1.5.1 (oud), eerste lid, van de APV valt. Hoewel artikel 5:21 van de
                    Awb niet met zoveel woorden voorziet in de mogelijkheid van een preventieve
                    bestuursdwangaanschrijving, kan een dergelijk besluit volgens vaste
                    jurisprudentie worden genomen indien er sprake is van klaarblijkelijk gevaar van
                    een op zeer korte termijn te verwachten overtreding van een concreet bij of
                    krachtens de wet gesteld voorschrift. De Afdeling overweegt nog expliciet dat
                    niet van belang is er of sprake is van dreigende ernstige schade. Het enige
                    criterium voor preventieve bestuursdwang is dus "klaarblijkelijk gevaar van
                    overtreding". Verder oordeelt de Afdeling dat de aanschrijving terecht aan de
                    woningstichting is gericht. Als opdrachtgeefster tot ontruiming, waarbij de
                    inboedel op straat komt te staan, is ze overtreedster van artikel 2.1.5.1 (oud)
                    van de APV. Als overtreedster is de woningstichting op grond van artikel 5:25
                    van de Awb ook de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang
                    verschuldigd. ABRS 07-11-2001, JG 02.0006, LJN-nr. AD5810 (Brunssum) m.nt. M.
                    Geertsema, Gst. 2002, 7157, 6 m.nt. R. Boesveld.</al><al/><al>Spoedeisende bestuursdwang met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de
                    Awb ten aanzien van op de weg geplaatste zaken na ontruiming. Het op straat
                    plaatsen en daar laten staan van een veelal uit losse voorwerpen van niet
                    geringe omvang bestaande inboedel kan niet als gebruik van de weg overeenkomstig
                    haar bestemming worden aangemerkt, zodat een dergelijke handeling onder het
                    verbod van artikel 2.1.5.1, eerste lid, van de APV valt. Deurwaarder is een
                    instrumenterend openbaar ambtenaar. Woningstichting is als opdrachtgeefster tot
                    ontruiming overtreedster van artikel 2.1.5.1 APV en dient de kosten van
                    bestuursdwang te betalen. ABRS 17-07-2002, JG 02.0151 m. nt. van M.
                    Geertsema.</al><al>Ook een preventieve last onder dwangsom kan worden opgelegd aan de ontruimer.
                    Vzr. Zutphen 25-08-2004, 04/1199 GEMWT, LJN-nr. AQ8910.</al><al/><al><vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. Wij
                    hebben ervoor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in verband
                    met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is dat
                    niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderen. Het stellen
                    van algemene regels in plaats van een vergunningvereiste hebben wij wel
                    overwogen, maar dat is niet goed mogelijk, omdat het hierbij veelal om specifiek
                    maatwerk gaat.</al><al/><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen
                    genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De
                    beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er
                    meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de
                    Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6
                    maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).</al><al/><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2 model-APV. Voor het aanleggen of veranderen van een
                    weg zijn in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al/><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. </al><al/><al>Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening
                    of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college
                    bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het
                    derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft zichzelf geen vergunning te
                    verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Aan artikel 2:11 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische
                    voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te
                    houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd
                    worden waardoor - door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare
                    voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting - de
                    bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog
                    daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt.</al><al/><al>Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook
                    privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet
                    worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een
                    derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip "weg" uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    "eigen wegen" die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al/><al>Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden
                    op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging
                    "alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen" opgenomen. De plicht
                    om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te
                    sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><al>Desgewenst kunnen in het derde lid ook nog andere publiekrechtelijke lichamen,
                    bijvoorbeeld de op de Wet gemeenschappelijke regelingen gebaseerde
                    samenwerkingsverbanden, genoemd worden. Ook is het mogelijk om voor de
                    landinrichtingscommissie, als bedoeld in artikel 27, jo 124, tweede lid,
                    Landinrichtingswet, een uitzondering te maken.</al><al>De plicht om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar
                    wegennet aan te sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term "onderwerp" in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al/><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2:11 een vergunning nodig hebben voor
                    het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De voorschriften mogen slechts slaan op datgene wat op de weg zelf betrekking
                    heeft - zoals de grenzen, de afmetingen, het profiel, de hoogte, de wijze van
                    verharding - of wat met die weg ten nauwste verband houdt zoals beplanting en
                    verlichting langs en van de weg, alsmede de (situering van de) langs of in de
                    weg liggende riolering, Vz.ARRS 10 01 1986, BR 1986, 426, Arob editie 1986, 86,
                    7 (Wegaanleg Gennep).</al><al/><al>Relatie van artikel 2.1.5.2 met artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht. APV
                    bepaling als vorenbedoeld verbiedt het feitelijk beschadigen, zonder op die
                    beschadiging gerichte opzet, onverschillig wie de eigenaar is. Artikel 350 Sr.
                    stelt daarentegen straf op opzettelijke en wederrechtelijke beschadiging van
                    enig goed, geheel of ten dele aan een ander toebehorende, en derhalve op
                    onrechtmatige beschadiging van eens anders eigendom, gepleegd met het doel en de
                    wil om te beschadigen. HR 07 01 1907, W. 8485 (APV Tiel)</al><al/><al>Anti-rampalen (voor juwelierswinkel) in het voetgangersgebied van een druk
                    winkelcentrum leveren gevaar op voor de bruikbaarheid van de weg en voor het
                    doelmatig gebruik daarvan in de zin van artikel 2.1.5.2, derde lid, van de APV
                    Zutphen. Legalisering van de palen is niet aan de orde. Objecten die in dezelfde
                    winkelstraat staan, zoals fietsen, terrasstoelen en bloempotten, zijn anders dan
                    de twee betonnen palen. Deze kunnen ’s nachts van de openbare weg worden
                    verwijderd. Er is bovendien een aanvaardbaar alternatief. De palen kunnen achter
                    de gevellijn worden gerealiseerd. ABRS 04-02-2004, 200302804/1, LJN AO2900.</al><al/><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al>Uit de jurisprudentie omtrent artikel 14 Wegenwet is duidelijk geworden dat de
                    eigenaar van een weg het uitwegen daarop moet gedogen. Voorts blijkt uit de
                    jurisprudentie dat regels in een verordening mogen worden gesteld, bijvoorbeeld
                    in het kader van de vrijheid van het verkeer, veiligheid op de weg of de
                    instandhouding van de bruikbaarheid van de weg.</al><al/><al>Artikel 2.12 beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen
                    creëert. Dat zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de
                    kant van de weg) te veel belemmeren. </al><al>Ten aanzien van het stellen van financiële voorwaarde aan een uitwegvergunning
                    is uit jurisprudentie op te maken dat dit op zich zelf wel toelaatbaar is,
                    indien die voorwaarde strekt ter behartiging van het belang waarvoor het
                    vergunningvereiste is gesteld, bijvoorbeeld de vrijheid van het verkeer, de
                    veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. Als
                    de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke
                    toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden
                    gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een </al><al>derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de
                    aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming
                    behoeft. </al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Een uitwegvergunning kan slechts worden geweigerd indien de weigeringsgronden
                    zijn opgenomen in de verordening. Ten einde de bruikbaarheid van de weg te
                    waarborgen is het toegestaan een vergunning te eisen en via voorschriften de
                    wijze waarop wordt uitgewogen te regelen. Daarmee komt de bepaling niet in
                    strijd met de Wegenwet. Deze wet houdt o.a. een regeling in ter zake van de
                    onderhoudsplicht van wegen en ziet niet toe op de bescherming van de
                    bruikbaarheid ervan. Als voorschrift aan de vergunning kan o.a. een
                    onderhoudsplicht opgelegd worden. </al><al/><al>Een weigeringsgrond die in het belang van de verkeersveiligheid is gesteld,
                    strijdt evenmin met artikel 14 Wegenwet.Hetzelfde geldt ten aanzien van de
                    weigeringsgrond die in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                    van de gemeente wordt gesteld. </al><al/><al>De grond bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld
                    gebruikt worden ter weigering van het maken van een uitweg als daarbij een
                    (gedeelte van) een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter
                    bescherming van groenvoorzieningen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zodat de groenvoorziening zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de </al><al>lagere als de hogere regeling. Naar aanleiding van uitspraken van de ABRS in
                    2002, Gst. 2003, 7180, 34 en 35 met noten van J.M.H.F. Teunissen betreffende de
                    uitleg van de afbakeningsbepaling van artikel 4.7.2 (oud, nu 4.4.2) van de
                    model-APV is de specifieke hogere regelgeving in artikel 2.1.5.3, vierde lid,
                    gekoppeld aan de weigeringsgronden a en b, genoemd in het derde lid. Zie
                    hierover meer onder het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene toelichting. </al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Eigenaar dient uitwegen op de weg te gedogen. ARRS 01 09 1977, AB 1977, 366
                    m.nt. JHvdV, Gst. 1977, 6472 m.nt. Kan, BR 1977, p. 914 m.nt. Crince le Roy
                    (Maastricht I); ARRS 08 06 1978, AA p. 574 m.nt. Wessel, Gst. 1977, 6514 (De
                    Bilt); ARRS 08 05 1981, AB 1981, nr. 391 m.nt. Borman (uitwegvergunning Nuth
                    I).</al><al/><al>Ontheffing verleend voor de verbreding in het belang van de veiligheid en
                    bruikbaarheid van de weg onder de voorwaarde dat moet worden bijgedragen in de
                    kosten. Kosten van de wegverbreding konden in redelijkheid niet geheel ten laste
                    van appellante komen. ARRS 20-06-1983, AB 1984, 75 m.nt. JHvdV.
                    (Wegverbreding)</al><al/><al>Weigering uitwegvergunning op basis van de verordeningsbepaling, die in het
                    belang van de verkeersveiligheid is gesteld, strijdt niet met artikel 14 van de
                    Wegenwet. HR 30 09 1987, BR 1988, 212 m.nt. P.C.F. van Wijmen.</al><al/><al>Weigering uitwegvergunning op grond van het belang van de bescherming van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente is in beginsel mogelijk. ARRS 22-12-1989, Bouw
                    en uitvoering 1991, nr. 5. Zie ook ABRS 13-07-1999, H01.98.1206
                    (VNG-databank).</al><al/><al>Het schrijven van het college dat grond niet in gebruik wordt gegeven, is mede
                    aan te merken als een weigering om een uitwegvergunning te verlenen. Noch het
                    eigendomsrecht, noch de handhaving van het bestemmingsplan kan een rol spelen
                    bij de beslissing gelet op het opschrift van het hoofdstuk waarin het artikel is
                    geplaatst. Rubrica ext lex. ARRS 11 01 1991, Gst. 6929, nr. 6. m.nt. HH. Via
                    voorschriften aan de vergunning te verbinden kan de wijze waarop wordt
                    uitgeweegd worden geregeld. ARRS 28 10 1983, Gst. 6774, nr. 12 (APV Vlijmen);
                    ARRS 01 04 1980, tB/S V, p. 662 (APV Dongen)). Als voorschrift aan de vergunning
                    kan o.a. een onderhoudsplicht opgelegd worden, ARRS 12 07 1982, tB/S III, nr. </al><al>356. De Wegenwet houdt een regeling in van de onderhoudsplicht van wegen en ziet
                    niet toe op de bescherming van de bruikbaarheid ervan. ARRS 09 02 1987, WO RvS
                    1987, R.J. 127/87, nr. 3.71.</al><al/><al>Ter bescherming van de veiligheid op de weg en mits opgelegd naar evenredigheid
                    kan een financiële voorwaarde worden verbonden aan een uitwegvergunning. ARRS,
                    20 06 1983, AB 1984, 75 m.nt.JHvdV. Zie ook ABRS 16 06 1995, Gst. 1996, 7035, 2
                    m.nt. EB.</al><al/><al>Indien de uitweg gedeeltelijk is aangelegd op gemeentegrond, is uitwegvergunning
                    nodig. Nader onderzocht moet worden of er een privaatrechtelijke
                    eigendomsverhouding ten grondslag ligt aan de eis dat de uitrit moet voldoen aan
                    het bestratingsplan. Vz.ABRS 20 01 1994, JG 94.0176, Gst. 1995, 7005, 4 m.nt.
                    HH.</al><al/><al>Intrekken van een uitwegvergunning kan slechts plaatsvinden op grond van de
                    gronden, genoemd in artikel 1.11, lid 1, (thans: artikel 1.6 model) APV. De
                    voorwaarde tot betaling van een recognitie maakt geen deel uit van de
                    vergunning, zij is gebaseerd op het eigendomsrecht van de gemeente. ABRS 05 12 </al><al>1996, Gst. 1997, 7061, 3 m.nt. HH.</al><al>Besluit inhoudende dat privaatrechtelijke toestemming voor gebruik van de uitweg
                    is geweigerd, is geen beschikking. De vraag of een vergunning kan worden
                    verleend staat immers los van de vraag of van die vergunning ook gebruik kan
                    worden gemaakt. Appellant niet ontvankelijk. ABRS 14 07 1997, AB 1997, 369 m.nt.
                    FM.</al><al/><al>Titel openbare orde staat weigeringsgrond bescherming uiterlijk aanzien wel toe.
                    ABRS 13-07-1999, JB 1999, 224. Zie ook: Weigeringsgrond bescherming uiterlijk
                    aanzien van de omgeving mag. Titel hoofdstuk (openbare orde) kan niet leiden tot
                    oordeel dat deze weigeringsgrond geen onderdeel van artikel is. Expliciete
                    verwijzing naar uitspraak 7 oktober 1996, Gst. 1997, 7050, 4 (zie onder
                    jurisprudentie artikel 2.1.5.1). In dezelfde zin: ABRS 14-08-2002, 200201413,
                    LJN-nr. AE6496, JG 2002, 170 m.nt. M. Geertsema.ABRS 28-01-2000, Gst. 2000,
                    7123, 3 m.nt. HH: Inrit is zonder uitwegvergunning aangelegd, nu de brief dat de
                    inrit in het trottoir zal worden gemaakt, zodra de kosten daarvan aan de
                    gemeente zijn betaald, geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste
                    lid, Awb, maar slechts een mededeling van feitelijke aard is. </al><al/><al>Weigering van toestemming voor gebruik van bij gemeente in eigendom zijnde
                    groenstrook naast woning ten behoeve van het maken van een uitweg is geen
                    besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, maar een rechtshandeling naar burgerlijk
                    recht. ZBRS 04-07-2000, JB 2000, 225, Gst. 2000, 7128, 4 m.nt. HH.</al><al>De in artikel 2.1.5.3, derde lid, van de APV omschreven algemene belangen
                    verzetten zich niet tegen vergunningverlening. Vergunning moest van rechtswege
                    worden verleend. Vergunning werd niet verleend ter behartiging van enig openbaar
                    belang. Beginsel van 'égalité devant les charges publiques' dan ook niet van
                    toepassing. Afwijzing nadeelcompensatie. ABRS 10-07-2000, Gst. 2000, 9.</al><al/><al>Aanvragen bouwvergunning en uitwegvergunning moeten naar verschillende
                    maatstaven worden beoordeeld. Vergunningaanvrager heeft bijzonder belang bij
                    uitwegvergunning, nu het college een bouwvergunning heeft verleend voor een
                    garage, namelijk het belang deze ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor zijn
                    auto. Slechts zeer bijzondere belangen aan de kant van de gemeente zouden de
                    weigering kunnen dragen. Weigering op grond van te verwachten parkeerdruk ten
                    gevolge van uitwegvergunning in de toekomst is niet nader onderbouwd. ABRS
                    19-01-2001, Gst. 2001, 7139, 2 m.nt. HH.</al><al/><al>Het college had een onderzoek moeten instellen naar de consequenties van de
                    aanleg van de inrit voor de verkeersveiligheid en voor de resterende
                    parkeerruimte ter plaatse. ABRS 29-05-2001, JB 2001,180. </al><al>Marginale toetsing rechter. De rechtbank heeft de uitwegvergunning ten onrechte
                    vernietigd op basis van een eigen oordeel over veilig en doelmatig gebruik van
                    de weg. De rechter moet zich beperken tot de vraag of de voorgedragen
                    beroepsgronden tot het oordeel leiden dat het college het genomen besluit </al><al>onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, dan wel bij beoordeling van de daarvoor
                    in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot weigering van de
                    gevraagde vergunning heeft kunnen besluiten. ABRS 27-06-2001, JB 2001, 207.</al><al/><al><vet>Algemene toelichting Afdeling 2.6 Veiligheid op de weg</vet></al><al>Artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994 geeft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot
                    het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voorzover deze verordeningen niet in strijd
                    zijn met het bepaalde in deze wet (of krachtens de op dit punt vergelijkbare
                    oude Wegenverkeerswet, zoals bij het RVV; aldus HR 16-12-1975, NJ 1976, 204
                    m.nt. W.F. Prins).</al><al/><al>Volgens de wegenverkeerswetgeving kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen
                    worden overgegaan in het belang van de vrijheid van het verkeer of de veiligheid
                    op de weg, of in het belang van de instandhouding en de bruikbaarheid van de
                    weg.</al><al>Voor het maken van aanvullende regels bij gemeentelijke verordening geldt steeds
                    de beperking dat de hogere wetgever de desbetreffende aangelegenheid niet
                    uitputtend heeft willen regelen. De vraag wanneer dat het geval is, is niet
                    altijd gemakkelijk te beantwoorden.</al><al>Daarnaast is er de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever om met geheel
                    andere motieven dan de hogere wetgever voor ogen stonden een plaatselijke
                    regeling te treffen. Zonder problemen is het werken op grond van een ander
                    motief ook weer niet, met name niet wanneer de hogere wetgever in zijn regeling
                    uitdrukkelijk bepaalde situaties buiten schot heeft willen laten.</al><al>Verder geldt hier - evenals bij de eigenlijke aanvulling - dat toepassing van de
                    gemeentelijke verordening toepassing van de hogere regeling niet onmogelijk mag
                    maken.</al><al>In deze paragraaf zijn bepalingen opgenomen die ieder op zich de veiligheid van
                    het verkeer betreffen en als eigenlijke aanvulling op de wegenverkeerswetgeving
                    aangemerkt kunnen worden.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De gemeenteraad is niet bevoegd tot het treffen van regelen inzake het verkeer
                    op wegen - ook al beogen deze regelen andere belangen te beschermen dan
                    verkeersbelangen - indien deze regels zo diep en zo algemeen ingrijpen in het
                    normale verkeer op wegen, dat het stelsel van de wegenverkeerswetgeving wordt
                    doorkruist. HR 21-06-1966, NJ 1966, 417 m.nt. W.F. Prins, OB 1967, XIV.3, nr.
                    26667, AB 1967, p. 186, NG 1966, p. 432, VR 1966, p. 227 m.nt. R.J. Polak
                    (bromfietsverbod Sneek); HR 23-12-1980, NJ 1981, 171 m.nt. T.W. van Veen, AB
                    1981, 237, NG 1981, p. S 63, VR 1981, p. 58 m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog) en AR 5-3-1981, Gst. 1981, 6678 m.nt. EB (rijverbod
                    Vlieland).</al><al/><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp</vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex arti-kel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. In-dien iemand
                    een dergelijke last krijgt opgelegd, is geen kapvergunning vereist. Artikel
                    4.3.2, tweede lid, onder g, geeft namelijk aan dat het verbod om zonder
                    vergunning van het college een houtopstand te vellen of doen vellen niet geldt
                    in die gevallen dat dit gebeurt in het kader van een opgelegde last.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Tuin afgeschermd met lattenscherm en coniferen. Het college vond het belang van
                    privacy zwaarder wegen dan het belang van de verkeersveiligheid. De Afdeling is
                    van oordeel dat de belemmering van het uitzicht van beperkte betekenis is omdat
                    het lattenscherm een open constructie kent. De weigering bestuursdwang uit te
                    oefenen tegen de coniferen blijft echter niet in stand omdat de Afdeling van </al><al>oordeel is dat de coniferen bij het uitrijden van de inrit het zicht geheel
                    ontnemen. ARRS 10 12 1993, JG 94.0138.</al><al/><al>Bijlage bij artikel 2.15 (vastgesteld in de vergadering van het college op 3
                    december 2002) Snoeischouw</al><al/><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.</vet></al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart
                    tot 1 november kunnen zijn.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>In artikel 429, aanhef en onder 3 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald:
                    Met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of geldboete van de tweede
                    categorie wordt gestraft: hij die door gebrek aan de nodige omzichtigheid of
                    voorzorg gevaar voor bos-, heide-, helm-, gras- of veenbrand doet ontstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting. </al><al/><al><vet>Schrikdraad</vet></al><al>Met betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien
                    van de veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische
                    schrikdraadinstallaties bevatte het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden
                    (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen. Nadat
                    het VBES eerst onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 47
                    ARBO-wet) is gebracht is het ingetrokken per 1 juli 1997 in verband met de
                    inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (15 januari 1997, Stb.
                    60). Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft geen technische eisen specifiek
                    gericht op schrikdraadinstallaties.Elektrische schrikdraadinstallaties worden
                    inmiddels ook door particulieren gebruikt ter bescherming van hun (volks)tuin,
                    volière en dergelijke tegen dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen
                    eisen gesteld. Wanneer daaraan behoefte bestaat kunnen in de APV dergelijke
                    eisen opgenomen worden die zijn ontleend aan het VBES.</al><al/><al>Artikel 2:19 gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het
                    aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.</al><al/><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al/><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>(Niet van toepassing)</al><al/><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 7 TOEZICHT OP EVENEMENTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:24 Begripsomschrijving</vet></al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium ("namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak")
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt.</al><lijst><li nr="1."><al>In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze
                            voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt. </al></li><li nr="2."><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten.
                            Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder
                            h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de
                            gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
                            Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 5:22 van de APV.
                            Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de toelichtingen
                            bij artikel 5:22 en de modelmarktverordening van de VNG. De Wet op de
                            kansspelen kent een eigen toezichtregime. </al></li><li nr="3."><al>Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip
                            omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een
                            andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid
                            geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of
                            een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie Lbr 92/78.
                            Zie verder hieronder onder feest. </al></li><li nr="4."><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom.
                            Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2:3. </al></li><li nr="5."><al>Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2:9
                            (Straatartiest) en 2:39 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om
                            dubbele regelgeving te voorkomen. </al></li></lijst><al>Indien een gemeentebestuur van mening is dat bepaalde, niet in de
                    begripsomschrijving uitgezonderde, evenementen van de vergunningplicht behoren
                    te worden vrijgesteld, kunnen deze evenementen ook als uitzondering worden
                    opgenomen.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al><cursief>Herdenkingsplechtigheid</cursief></al><al>Omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor publiek toegankelijk is,
                    maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan worden aangemerkt, wordt
                    ze als evenement genoemd.</al><al/><al><cursief>Braderie</cursief></al><al>Omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde regelmaat
                    terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt worden
                    aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet (Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002). Tevens valt deze activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in
                    de zin van artikel 5:22, van de model-Apv. Omdat een braderie een voor publiek
                    toegankelijke verrichting van vermaak is, is het een evenement:</al><al/><al><cursief>Optochten</cursief></al><al>Het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz, die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    (Wom) van toepassing.</al><al/><al><cursief>Feest, muziek</cursief></al><al>Wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van een
                    vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2:24, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    "besloten" karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is er sprake van een evenement. De gemeente kan bij
                    feesten waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld
                    worden georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Zie de
                    uitspraak met betrekking tot het verplicht handhavend optreden bij
                    schuurfeesten. ABRS 02-04-1999, Gst. 1999, 7103 m.nt. P.J.H.) Ook in het kader
                    van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast.</al><al/><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
                    bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een
                    optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2 (oud)
                    vergunningplichtig. ABRS 11-01-2006, LJN-nr. AU9388 (Ghostship/Ghosthouse).</al><al/><al>Wanneer een feest al dan niet besloten "op of aan de weg" plaats vindt, is dit
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt op doorgaans voor
                    publiek toegankelijk gebied. Het feit dat het feest besloten is, dus niet voor
                    publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Optreden van muziekkorpsen,
                    muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk zijn (zowel in een inrichting
                    als in de buitenlucht) vallen onder de vergunningplicht van artikel 2:25.</al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen 4:2 en 4:3 van de model-Apv geven
                    het college de bevoegdheid om ontheffing te verlenen voor geluidshinder in een
                    inrichting. Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen
                    op grond van artikel 4:6 van de model-Apv in de vergunning worden
                    opgenomen.</al><al/><al><cursief>Wedstrijd op of aan de weg</cursief></al><al>Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning van de burgemeester vereist,
                    krachtens het bepaalde in het eerste lid, van artikel 2:25 en artikel 2:24,
                    tweede lid, onder d.</al><al>Wedstrijden met voertuigen op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef
                    en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) zijn op grond van artikel
                    10, eerste lid, WVW 1994 verboden. Het eerste lid van artikel 148 WVW 1994
                    bepaalt echter dat van dat verbod ontheffing kan worden verleend. Het verlenen
                    van die ontheffing geschiedt:</al><lijst><li nr="1."><al>voor wegen onder beheer van het Rijk, door de minister van Verkeer en
                            Waterstaat; </al></li><li nr="2."><al>voor andere wegen, door gedeputeerde staten; in afwijking hiervan wordt
                            de ontheffing verleend door het college, indien de wegen waarvoor de
                            ontheffing wordt gevraagd, alle gelegen zijn binnen een gemeente. </al></li></lijst><al/><al>Artikel 1, onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                    geeft aan wat onder voertuigen moet worden verstaan: fietsen, bromfietsen,
                    invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens.</al><al/><al>Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden om binnen redelijke
                    grenzen een veilig verloop van de wedstrijd te waarborgen. Op basis van de WVW
                    1994 mogen ook milieumotieven een rol spelen bij het reguleren van het verkeer.
                    In artikel 2, tweede en derde lid, WVW 1994 worden onder meer de volgende
                    motieven worden genoemd:</al><lijst><li nr=""><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast,
                            hinder of schade; </al></li><li nr=""><al>het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting
                            van het karakter of van de functie van objecten of gebieden; </al></li><li nr=""><al>het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik. </al></li></lijst><al/><al>Wanneer een wedstrijd onder auspiciën van een sportbond plaatsvindt, zal deze
                    sportbond in veel gevallen zelf reglementen hebben opgesteld die de organisator
                    van de wedstrijd moet naleven. Het niet naleven kan tuchtrechtelijke gevolgen
                    voor de organisator hebben, bijvoorbeeld uit de bond gezet worden. De
                    veiligheidseisen die de sportbonden stellen, zijn veelal voldoende om een veilig
                    verloop van de wedstrijd mogelijk te maken. Het college kan deze voorschriften
                    van de sportbonden ook een publiekrechtelijk karakter geven door ze als
                    voorschriften in de vergunning op te nemen. Als de organisator deze
                    voorschriften vervolgens niet naleeft en de sportbond zelf ook niet ingrijpt,
                    kan uiteindelijk via een administratiefrechtelijke sanctie het houden van die
                    wedstrijd alsnog verboden worden.</al><al/><al>Indien een wedstrijd wordt gehouden met voertuigen op wegen als bedoeld in de
                    Wegenverkeerswet 1994 dan is - naast artikel 10 juncto artikel 148
                    Wegenverkeerswet 1994 - artikel 2:25 van toepassing. De evenementenbepaling is
                    namelijk van een geheel andere orde dan de wedstrijdbepalingen uit de
                    Wegenverkeerswetgeving. De burgemeester kan op grond van andere motieven, zoals
                    openbare orde, veiligheid in het algemeen en zedelijkheid en gezondheid,
                    weigeren medewerking te verlenen aan het evenement, in casu de wedstrijd op de
                    openbare weg. In die zin is de evenementenbepaling aanvullend op de
                    westrijdbepalingen uit de Wegenverkeerswetgeving. Vindt echter een wedstrijd met
                    een motorvoertuig of bromfiets plaats op een terrein dat niet behoort tot een
                    weg als hier bedoeld, dan moet daarvoor een vergunning verkregen zijn van de
                    burgemeester op grond van artikel 2:25. Op grond van de artikel 2:25 geldt voor
                    andere wedstrijden op of aan de weg eveneens een vergunningplicht. Hierbij moet
                    gedacht worden aan bijvoorbeeld "vossenjachten", droppings e.d.</al><al/><al><cursief>Klein evenement</cursief></al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest
                    is in het kader van de vermindering van administratieve lasten voor de burger
                    gekozen voor een meldingsplicht. Een klein evenement valt onder het begrip
                    evenement, maar onder voorwaarden is er geen vergunning vereist. In het derde
                    lid is een klein evenement daarom gedefinieerd. Het moet gaan om kleinschalige
                    activiteiten die niet langer duren dan één dag en die zich in de openbare ruimte
                    afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                    bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de
                    eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende
                    belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden
                    gemaakt.</al><al>Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van
                    een evenement zonder vergunning van de burgemeester. Het vervangen van
                    vergunningvoorschriften door het doen van een melding geeft organisatoren van
                    een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk ook meer verantwoordelijkheid
                    voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte. Met de invoering de
                    meldingsplicht voor de kleinschalige evenementen vervalt het eerder in dit
                    artikel opgenomen derde lid, dat bepaalde dat de burgemeester voor bepaalde
                    categorieën evenementen vrijstelling kon verlenen.</al><al/><al>Volgens de Europese Dienstenrichtlijn is in beginsel een vergunningstelsel
                    geoorloofd. De lidstaten mogen de toegang tot de uitoefening van een
                    dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van een vergunning tenzij: </al><lijst><li nr="1."><al>de vergunning niet discriminatoir is, </al></li><li nr="2."><al>het vergunningstelsel gerechtvaardigd is om een dwingende reden van
                            algemeen belang (noodzaakvereiste), </al></li><li nr="3."><al>het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan
                            worden bereikt, met name omdat controle achteraf te laat zou komen om
                            werkelijk doeltreffend te zijn (proportionaliteitsvereiste).</al></li></lijst><al/><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk,
                    controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid
                    e.d.</al><al/><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al><al>In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is
                    dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet
                    geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1:8 genoemde criteria.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Voor kleine evenementen volstaat een meldingsplicht. Het blijft verboden om
                    zonder melding zo’n evenement te houden, zodat de gemeente kan optreden als
                    zonder deze melding de barbecue en/of straatfeest wordt georganiseerd.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder a en b</onderstreept></al><al>Het aantal personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Dit kan
                    gebeuren in samenspraak met politie en/of hulpdiensten zoals de brandweer en de
                    ambulancedienst. Eveneens wordt de tijd gedurende welke het evenement plaats
                    vindt lokaal vastgesteld</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder c</onderstreept></al><al>Voor het houden van een straatfeest of barbecue is impliciet lawaai toegestaan.
                    De gemeenteraad dient wel de afweging te maken tussen de sociale cohesie van de
                    buurt en de overlast die het geluid kan hebben voor de overige buurtbewoners. Er
                    is voor gekozen dat het tussen 23.00 uur en 07.00 uur stil moet zijn. Uiteraard
                    kan de gemeente andere tijdstippen kiezen.</al><al>Muziek omvat zowel onversterkte als versterkte muziek omdat beide vormen van
                    geluid onaanvaardbare hinder kunnen veroorzaken voor buurtbewoners.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder d</onderstreept></al><al>Zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid wordt afgezet voor
                    een evenement is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel nodig, genomen door
                    het college. Deze bevoegdheid kan overigens krachtens artikel 168 van de
                    Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Als het evenement plaats
                    vindt op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte
                    voor passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm aangehouden. Het gaat vooral
                    om het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Met
                    betrekking tot de hoofdroute van de brandweer is het belangrijk dat er een lijst
                    wordt opgesteld met: doorgaande wegen, wegen en terreinen met een bijzondere
                    bestemming (markt), evenemententerreinen en routes van de operationele diensten
                    (brandweer, ambulance etc.)</al><al/><al>Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: parken,
                    plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d.</al><al><onderstreept>Tweede lid, onder e</onderstreept></al><al>Hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een barbecuetoestel, een
                    springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte bepaalt het aantal te
                    plaatsen voorwerpen. Uiteraard mag ook hier het verkeer, waaronder voetgangers
                    geen hinder van ondervinden</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder f</onderstreept></al><al>Het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich tijdig over de regels
                    te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen komt. De organisator kan
                    een natuurlijk persoon of rechtspersoon zijn.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder g</onderstreept></al><al>De organisator stelt de burgemeester tenminste ……werkdagen voorafgaand aan het
                    evenement in kennis van het evenement. De gemeente heeft er belang bij om tijdig
                    op de hoogte te zijn van een initiatief dat zich afspeelt in de buitenlucht. De
                    gemeente moet hierbij zelf overwegen welke termijn redelijk is. Wij adviseren
                    hiervoor een termijn van maximaal 5 werkdagen aan te houden.</al><al>De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig is
                    als: a. er een besloten feest wordt gehouden, waar b. geen entree wordt gevraagd
                    en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan worden alle
                    drie vereisten, Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van een vaste
                    bijdrage impliceert dit dat er sprake is van het anders dan om niet verstrekken
                    van alcoholische drank (artikel 1 jo. 3 Drank en Horecawet, Uitspraak Hoge Raad
                    van 10 februari 1987, N.J. 1987, nr. 836). In laatstgenoemde geval kan de
                    burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank- en Horecawet voor het
                    eendaagse evenement een ontheffing verlenen.</al><al>Bij toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn is het een vereiste om de
                    meldingplichtige een ontvangstbevestiging te sturen. Daarin wordt vermeld dat
                    het evenement mag plaats vinden, indien de burgemeester niet binnen een bepaalde
                    termijn reageert.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Er kan aanleiding zijn om het organiseren van een klein evenement te verbieden.
                    Dit is alleen mogelijk, als de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De criteria van de
                    Dienstenrichtlijn zijn namelijk van toepassing op een melding, omdat de
                    Dienstenrichtlijn een melding beschouwt als een vergunning.</al><al/><al><cursief>Rol van de burgemeester en de raad</cursief></al><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip "toezicht" is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Indien
                    de burgemeester de uitvoering van zijn toezichthoudende taak wil overlaten aan
                    ambtenaren dan kunnen deze bevoegdheden worden gemandateerd overeenkomstig
                    afdeling 10.1.1. Awb.</al><al/><al>Het is ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van
                    voorschriften met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen.
                    Wanneer de burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak
                    dat dit van een goede motivering is voorzien.</al><al>De raad is sinds de dualisering niet langer bevoegd om beleidsregels vast te
                    stellen. Dit neemt niet weg dat de raad de burgemeester kan aanspreken op zijn
                    beleid bij de uitoefening van zijn bestuursbevoegdheden (artikelen 169 en 180
                    Gemeentewet).</al><al/><al>Bovendien kan de raad op grond van haar kaderstellende bevoegdheid (artikel 147
                    Gemeentewet) aangeven dat het wenselijk is dat de gemeente actief is met het
                    aantrekken van evenementen in de gemeente, bijvoorbeeld het binnenhalen van
                    minimaal één groot landelijk evenement per jaar.</al><al>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</al><al/><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatige verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp
                    onder het kopje Vreemdelingen onder de </al><al/><al><vet>Algemene toelichting.</vet></al><al><cursief>Aansprakelijkheid</cursief></al><al><cursief>Vergunninghouder/organisator.</cursief></al><al>Voorop staat dat de vergunninghouder of de organisator zelf, of degene die
                    bijvoorbeeld tijdens een evenement een gevaar in het leven roept dat zich
                    vervolgens verwezenlijkt, primair aansprakelijk kan worden gesteld voor daardoor
                    veroorzaakte schade. Het arrest Vermeulen/Lekkerkerker (HR 10 maart 1972, NJ
                    1972, 278) is van overeenkomstige toepassing op de houder van de
                    evenementenvergunning. De Hoge Raad oordeelt in dat arrest dat het feit dat een
                    Hinderwetvergunning (nu: Wet milieubeheer) is verleend, nog niet betekent dat
                    eigenaren van naburige erven schade en hinder, welke zij in het algemeen niet
                    behoeven te dulden, wel zouden moeten verdragen van een vergunninghouder.</al><al>Een dergelijke vergunning vrijwaart de vergunninghouder volgens de Hoge Raad dan
                    ook niet voor zijn aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, ook niet als door
                    de desbetreffende eigenaar tegen verlening van de vergunning tevoren bezwaren
                    zijn ingebracht, maar deze bezwaren zijn verworpen.</al><al/><al><cursief>Toezicht houden</cursief></al><al>Mr. V.H. Affourtit gaat in het tijdschrift "Risicobewust" onder andere in op de
                    aansprakelijkheid voor toezichtsfalen (Aansprakelijkheid van gemeenten bij
                    evenementen, Tijdschrift Risicobewust, nr. 4, november 2003). Kort samengevat
                    komt zijn artikel op het volgende neer.</al><al/><al>Voor het houden van toezicht op evenementen bestaan op zichzelf geen heldere
                    regels bij overtreding waarvan de aansprakelijkheid eenvoudig kan worden
                    vastgesteld. De grondslag voor aansprakelijkheid moet dan ook worden gezocht in
                    artikel 6:162 BW en de door het zogenaamde Kelderluikarrest (HR 5 november 1965,
                    NJ 1966, 136) ingevulde ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Op basis daarvan is
                    een afweging nodig van de mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming
                    van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de
                    hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst die de
                    gevolgen daarvan kunnen hebben, en de mate van bezwaarlijkheid van te nemen
                    veiligheidsmaatregelen. Door dit laatste criterium komt de toezichthouder een
                    zekere "beleidsvrijheid" toe. Dit betekent dat niet van hem gevergd kan worden
                    dat hij op alles waarop hij toezicht uitoefent ook daadwerkelijk steeds toeziet,
                    omdat zijn middelen beperkt zijn. Het gaat er om dat de door de toezichthouder
                    gemaakte keuzes redelijk zijn.</al><al/><al>Affourtit trekt de volgende conclusies:</al><lijst><li nr=""><al>Als een op deugdelijke wijze totstandgekomen vergunning eenmaal is
                            verleend, bestaat geen verplichting tot het houden van algemeen toezicht
                            (HR 22 juni 2001, Gst. 2001, 7146, 2, Boeddha). Het nalaten om een
                            dergelijk toezicht te houden, zal dan ook niet snel tot
                            aansprakelijkheid leiden. Indien echter een geringe overtreding van een
                            vergunningvoorschrift zeer ernstige schade zou kunnen veroorzaken, ligt
                            een algemene controleplicht voor de hand. </al></li><li nr=""><al>Als er concrete aanwijzingen bestaan van een op handen zijnde
                            wetschending, zoals het handelen zonder vergunning of het handelen in
                            afwijking van de vergunningvoorschriften, heeft het bestuursorgaan een
                            verplichting tot ingrijpen. Indien er sterke aanwijzingen zijn die bij
                            het bestuursorgaan het vermoeden van niet naleving (moeten) doen rijzen,
                            is actief toezicht en eventueel ingrijpen met gebruikmaking van
                            bestaande bevoegdheden vereist. Niets doen is dan spoedig een
                            onrechtmatig nalaten. </al></li><li nr=""><al>Als een overheidslichaam concreet wordt gewaarschuwd voor (dreigende)
                            schade, is het in ieder geval gehouden hiernaar een onderzoek in te
                            stellen (HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319, Waterschap
                            West-Friesland/Kaagman).</al></li></lijst><al>Indien de gemeente aansprakelijk wordt gehouden in verband met het niet
                    voldoende houden van toezicht, zal vaak tevens de vergunninghouder of de
                    derde-schadeveroorzaker kunnen worden aangesproken. De in rechte aangesproken
                    gemeente kan een van beide of allebei in vrijwaring oproepen of de schade in een
                    aparte procedure (afhankelijk van de omstandigheden geheel of gedeeltelijk) op
                    hem/hen verhalen.</al><al/><al><cursief>Belastingheffing</cursief></al><al>Voor het behandelen van een aanvraag voor een vergunning voor het houden van een
                    evenement kunnen leges worden geheven. In de gemeentelijke legesverordening kan
                    hiervoor een tariefbepaling worden opgenomen. De gemeentelijke legesverordening
                    is gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet.
                    De tarieven in die verordening worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten
                    niet uitgaan boven de geraamde lasten. De Dienstenrichtlijn bepaalt in artikel
                    13, tweede lid, dat de kosten redelijk en evenredig met de kosten van de
                    vergunningsprocedures in kwestie moeten zijn; ze mogen de kosten van de
                    procedures niet overschrijden. Binnen deze grens van kostendekkendheid op
                    verordeningenniveau is het mogelijk tarieven te differentiëren als zich dat
                    beter verstaat met het gemeentelijke (evenementen)beleid. Zo zal de behandeling
                    van een vergunning voor een groot evenement meer werk en dus kosten met zich
                    brengen dan een kleinschalig evenement zoals een straatfeest. Naast dit
                    kostenaspect zal ook het profijt dat een organisator van een groot evenement
                    heeft van de evenementenvergunning groter zijn dan het profijt van de
                    organisator van een straatfeest. Veelal zal een groot evenement ook door een
                    professionele organisatie worden georganiseerd, terwijl bijvoorbeeld een
                    straatfeest door vrijwilligers wordt georganiseerd.</al><al/><al>Een en ander kan voor de gemeente aanleiding zijn tot beleidsuitgangspunt te
                    nemen dat de leges voor een vergunning voor een groot evenement hoger moet zijn
                    dan die voor een kleinschalig evenement. Of dat voor het kleinschalig evenement
                    helemaal geen leges worden geheven.</al><al>Opmerking verdient dat de tarieven niet naar het inkomen, de winst of het
                    vermogen mogen worden gedifferentieerd.</al><al/><al>Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet maakt het
                    mogelijk dat een vermakelijkheidsretributie geheven wordt voor evenementen.
                    Vereiste daarvoor is dat gebruik moet worden gemaakt van door of met medewerking
                    van de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen.
                    Hieronder valt ook een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht. De
                    gemeente moet derhalve (extra) kosten maken in verband met het evenement. De
                    gemeente hoeft de hoogte van de kosten niet aan te tonen. Het is dus niet zonder
                    meer mogelijk om de vermakelijkheidsretributie in het leven te roepen op grond
                    van het feit dat een organisator een gemeentelijke weg gebruikt voor een
                    evenement. Het gebruik van de weg moet zodanig zijn dat de gemeente hierdoor
                    extra onderhoudskosten heeft.</al><al/><al>Opmerking verdient dat de vermakelijkheidsretributie in een belastingverordening
                    moet worden geregeld. De reikwijdte van een dergelijke verordening zal zich
                    veelal ook uitstrekken tot andere "vermakelijkheden" in de gemeente.</al><al/><al>De vermakelijkheidsretributie wordt geheven van degene die het evenement
                    organiseert. Vaak wordt de vermakelijkheidsretributie geheven als een
                    toegangsprijs voor een evenement moet worden betaald. Op die manier kan de
                    vermakelijkheidsretributie door de organisator in de toegangsprijs worden
                    opgenomen, zodat deze vrij eenvoudig aan de bezoekers doorberekend kan
                    worden.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid Voorschriften</onderstreept></al><al>De burgemeester is bevoegd voorschriften te verbinden aan het houden van een
                    evenement. Voor de toelaatbaarheid van de voorschriften geldt een aantal
                    voorwaarden:</al><al>a. De voorschriften mogen niet in strijd zijn met enige wettelijke regeling. </al><al>b. De voorschriften moeten redelijkerwijs nodig zijn in verband met het
                    voorkomen van aantasting van de openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, zie de artikelen 1:4 en 1:8. </al><al>c. De voorschriften mogen niet in strijd komen met enig beginsel van behoorlijk
                    bestuur. </al><al>Het is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak aanvaardbaar dat de burgemeester
                    aan een evenementenvergunning alsnog nadere voorschriften stelt en zich niet
                    hoeft te beperken tot de voorschriften die voortvloeien uit de aanvraag, of de
                    voorschriften waarmee de aanvrager instemt. ABRS 28-04-2004, inzake Rockbitch,
                    LJN-nr AO8495.</al><al/><al>Niet nakoming van voorschriften die aan de vergunning verbonden zijn kan grond
                    opleveren voor intrekking van de vergunning dan wel voor toepassing van andere
                    administratieve sancties. In artikel 1:6 is de intrekkingsbevoegdheid
                    vastgelegd.</al><al/><al><cursief>Doorlopende vergunning</cursief></al><al>Een doorlopende vergunning is voor de evenementenvergunning niet aangewezen.
                    Immers het evenement loopt per definitie af. Hier verzet de aard van de
                    vergunning zich tegen een vergunning met onbeperkte duur.</al><al/><al><cursief>Privaatrechtelijke voorschriften</cursief></al><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet
                    mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschiften
                    zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden
                    geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke
                    vereisten.</al><al/><al><cursief>Entreeheffing</cursief></al><al>Hennekes gaat in zijn opstel (Gst. 1998, 7076, p. 281-288) in op de vraag of het
                    heffen van entreegeld voor het bezoeken van een evenement al dan niet geoorloofd
                    is. Hij concludeert dat voor entree de organisator met de bezoeker overeenkomt
                    om tegen betaling van een bepaald bedrag het door de organisator geboden
                    evenement te mogen bezoeken. Het is dus de organisator die bepaalt of er entree
                    geheven wordt en zo ja, hoe hoog dat entreegeld zal zijn.</al><al/><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd
                    is met een bestemmingsplan. Een aanvraag voor een evenementenvergunning moet
                    worden beoordeeld aan de hand van de belangen die zijn opgenomen in de
                    weigeringsgronden. Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige
                    weigeringsgrond opleveren, ABRS 29-03-2003, LJN-nr. AF8028. Dus is strijd met
                    het bestemmingsplan geen weigeringsgrond in de zin van de APV.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak heeft echter met betrekking tot het houden van
                    terugkerende, meerdaagse evenementen geoordeeld dat bij evenementen die naar
                    omvang, duur en uitstraling een planologische relevantie hebben die in strijd is
                    met het bestemmingsplan, handhavend moet worden opgetreden.</al><al/><al>Een uitzondering vormen evenementen die eenmalig plaatsvinden of in elk geval
                    niet regelmatig worden herhaald. Artikel 17 WRO, bedoeld als planologische
                    vrijstelling voor tijdelijke activiteiten, kan hierop worden toegepast.
                    Evenementen die geen of slechts geringe planologische relevantie hebben, kunnen
                    eveneens gewoon plaatsvinden. Daarvoor is geen planologische vrijstelling
                    vereist. Voor deze evenementen is wel een evenementenvergunning vereist op grond
                    van de APV en eventuele andere toestemmingen of ontheffingen voor
                    muziek/geluidhinder, brandveiligheid enz. Het is daarom van belang dat gemeenten
                    naast de vergunningverlening erop toezien dat de bestemmingsplannen voorzien in
                    de te houden evenementen. ABRS 13-04-2005, LJN-nr. AT3708 (Schuttersfeest
                    Diepenheim, Hof van Twente), Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen; Rb Leeuwarden
                    27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival Smallingerland).</al><al/><al><cursief>Evenementen op de openbare weg</cursief></al><al>Hennekens heeft in Gst, 1998, 7076, p. 281-288 een opstel geschreven met als
                    titel Evenementen op de openbare weg. Hij gaat uitgebreid in op de verhouding
                    tussen het normale gebruik van een openbare weg en het gebruik daarvan voor het
                    houden van een evenement. Eerst worden enkele opmerkingen gemaakt over de
                    evenementenvergunning als grondslag voor het besluit om een (gemeentelijke)
                    openbare weg af te sluiten voor het houden van een evenement. Hierna wordt de
                    vraag beantwoord wie bevoegd is om tot een dergelijke wegafsluiting te besluiten
                    en wat de gevolgen daarvan zijn. Daarbij wordt o.a. aandacht besteed aan de
                    openbaarheid van de weg en de regeling van wegafsluitingen in en krachtens de
                    Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al><cursief>Evenementen op het water</cursief></al><al>Indien bij een evenement onderdelen van de activiteiten op het water
                    plaatsvinden of indien de uitstraling van de activiteiten op het water voor de
                    openbare weg groot zijn moet de vergunningverlener bij de waterbeheerder advies
                    inwinnen over de voorwaarden waaronder een evenement nautisch gezien verantwoord
                    doorgang kan vinden. Er dient bijvoorbeeld nagegaan te worden of afsluiting van
                    waterwegen nodig zijn of dat er borden geplaatst moeten worden. Het is ook
                    verstandig om bij het waterschap na te gaan of er in de Waterschapswet
                    bepalingen zijn opgenomen inzake het houden van evenementen op het water. De
                    vergunningverlener vraagt daarnaast advies aan de waterpolitie over de openbare
                    orde en veiligheid.</al><al/><al>Voor partyboten moet de organisator in ieder geval een evenementenvergunning
                    aanvragen bij de gemeente waar het schip aanlegt om de passagiers aan boord te
                    laten gaan en tevens een vergunning bij de gemeente waar het schip eindigt om de
                    passagiers van boord te laten. Voorts ook overal waar het schip tussentijds
                    aanlegt.</al><al/><al><cursief>Handhaving op het water</cursief></al><al>Voor de handhaving wordt onderscheid gemaakt tussen orde op het water en de
                    openbare orde. In beide gevallen kan de politie handhavend optreden,
                    bijvoorbeeld bij geluidsoverlast of openbaar dronkenschap.</al><al/><al>De regels over de orde op het water en de openbare orde worden vastgelegd in de
                    APV, het Binnen</al><al>vaartpolitiereglement, een provinciale waterverordening, en de
                    Scheepsvaartverkeerswet.</al><al/><al><cursief>Evenementen met dieren</cursief></al><al>In opdracht van de dierenbescherming heeft SGBO, het onderzoeks- en adviesbureau
                    van de VNG, een rapport opgesteld waarin een overzicht wordt gegeven van de wet-
                    en regelgeving op het gebied van dierenwelzijn en de daaruit voortvloeiende
                    verplichtingen en bevoegdheden voor provincies en gemeenten (SGBO, "Dierwelzijn
                    in provincie en gemeente, het juridisch kader", 2003). Het volgende is aan dit
                    rapport ontleend.</al><al>De discussie over de aanvaarbaarheid van evenementen met dieren splitst zich toe
                    op twee soorten evenementen:</al><al>- circussen waar dieren optreden; </al><al>- folkloristische evenementen en wedstrijden met dieren, zoals zwijntje tikken
                    of gansslaan. </al><al/><al>Gemeenten zijn bij de besluitvorming over het toelaten van evenementen met
                    dieren gebonden aan een juridisch kader dat wordt gevormd door de
                    evenementenregeling in de APV en de voorschriften in de Gezondheids- en
                    welzijnswet voor dieren (GWWD).</al><al/><al>Hoewel dierwelzijn in de model-APV geen aparte weigeringsgrond is, kan uit
                    diverse rechterlijke uitspraken worden afgeleid dat gemeenten de mogelijkheid
                    hebben om evenementen met dieren (mede) te beoordelen op dierwelzijnsaspecten.
                    Gemeenten kunnen in de volgende twee situaties een vergunning voor het
                    organiseren van evenementen met dieren weigeren:</al><lijst><li nr="1."><al>als er sprake is van dierenmishandeling (in dat geval kan er een beroep
                            worden gedaan op het openbare-ordemotief); </al></li><li nr="2."><al>als de dieren op een weinig respectvolle wijze worden behandeld (in die
                            situatie vormt het zedelijkheidsmotief de weigeringsgrond). </al></li></lijst><al/><al>Een uittreksel waarin de belangrijkste juridische instrumenten en mogelijkheden
                    worden besproken vindt u terug op het VNG-net (www.vng.nl/juridsche
                    zaken/APV/publicaties).</al><al/><al><cursief>MKZ (Mond en Klauwzeer), vogelpest, gekke koeienziekte</cursief></al><al>Op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet heeft de minister van LNV
                    bevoegdheden om op grond van veterinaire overwegingen (beperking verspreiding
                    dierziektes) aanvullende eisen te stellen aan evenementen of deze te
                    verbieden.</al><al/><al>Veelal zijn gemeenten, wanneer besmettelijke dierziekte zich manifesteren,
                    uiteindelijk verantwoordelijk voor het al dan niet laten doorgaan van een
                    evenement. In artikel 2:25 zijn de gronden opgenomen op grond waarvan de
                    burgemeester een vergunning voor een evenement kan weigeren en een verleende
                    vergunning kan intrekken. Bij openbare orde en het voorkomen of beperken van
                    overlast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan beperkte mogelijkheid tot inzet van
                    politie ter handhaving van de openbare orde. Hierbij kan ondermeer in overweging
                    worden genomen:</al><lijst><li nr="1."><al>de aantallen en aard van de te verwachten bezoekers, </al></li><li nr="2."><al>de kans op ordeverstoring als een evenement veel door inwoners uit de
                            direct getroffen gebieden zouden worden bezocht, </al></li><li nr="3."><al>de plaats van het evenement (al dan niet in relatie tot de
                            besmettingshaarden). Over dit onderwerp is in april 2001 door de VNG een
                            Nieuwsbrief, nummer 1293, naar gemeenten toegestuurd. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Evenementen en Vuurwerk</cursief></al><al>Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het
                    bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning
                    aanvragen.</al><al>Op grond van het Vuurwerkbesluit stelt de provincie onder meer regels over de
                    opslag van het vuurwerk en de afstand bij het afsteken tot het publiek. De
                    politie stemt met de ontbrander de vervoersroute af. De provincie neemt contact
                    op met de gemeente voor de door de gemeente af te geven verklaring van geen
                    bezwaar. De gemeente kan hier aanvullende regels stellen in het kader van de
                    openbare orde en veiligheid.</al><al/><al><cursief>Meldingen</cursief></al><al>Voor het afsteken van maximaal 10 kg theatervuurwerk of 100 kg. Van
                    consumentenvuurwerk moet het ontbrandingsbedrijf ten minste tien werkdagen vóór
                    het evenement plaatsvindt melding doen bij Gedeputeerde Staten van de Provincie.
                    Dit geldt zowel voor het afsteken in de open lucht als in een gebouw.</al><al>Vergunning (ontbrandingstoestemming)</al><al>Als het ontbrandingsbedrijf tijdens het evenement grotere hoeveelheden theater
                    en/of consumentenvuurwerk of ander professioneel vuurwerk wil ontsteken, dan
                    dient het bedrijf hiervoor 14 weken van tevoren een vergunning aan te vragen bij
                    de Provincie.</al><al/><al><cursief>Lasershows</cursief></al><al>Steeds vaker worden grote buitenluchtevenementen omlijst door spectaculaire
                    lasershows al dan niet begeleid door muziek. Krachtige lasers produceren teksten
                    of figuren in de lucht of op wolken. Deze lasershows zijn spectaculair om te
                    zien maar kunnen ook tot op grote afstand invloed hebben op vliegtuigoperaties.
                    Dit laatste is niet zonder risico’s. Voor het geven van een vergunning voor een
                    lasershow moet daarom goedkeuring van de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart worden verkregen.</al><al/><al><cursief>Inspectie Verkeer en Waterstaat</cursief></al><al>Gemeenten die toestemming geven voor lasershows dienen vooraf aan het afgeven
                    van de vergunning contact op te nemen met de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
                    divisie Luchtvaart (de Inspectie). Zij beoordeelt of een lasershow kan worden
                    toegestaan en onder welke voorwaarden.</al><al>Bij de beoordeling kijkt de Inspectie naar de voorgestelde locatie van een show,
                    het type gebruikte laser en een aantal andere gegevens. Dit zijn de parameters
                    die dienen als invoergegevens voor een computerprogramma waarmee wordt bepaald
                    of de ligging van de showlocatie ten opzichte van een luchthaven zodanig is dat
                    de veiligheid gewaarborgd kan worden. Rondom ieder luchthaven bevinden zich een
                    drietal concentrisch gelegen gebieden waarbij op grotere afstand van een
                    luchthaven de energiebundels van een lasershow steeds krachtiger mogen
                    zijn.</al><al>Soms kan het nodig zijn om voorwaarden te stellen in andere gevallen hoeven geen
                    beperkingen opgelegd te worden. Indien nodig worden luchtvarenden en andere
                    organisaties zoals de luchtverkeersleiding speciaal door de Inspectie
                    geïnformeerd.</al><al>Gemeenten die het verzoek krijgen een vergunning af te geven voor een
                    laserevenement kunnen contact op nemen met de divisie Luchtvaart. De unit
                    Infrastructuur en de unit Handhaving van de divisie zijn verantwoordelijk voor
                    de vergunningverlening en het toezicht met betrekking tot luchthavens en het
                    luchtruim en zijn het aanspreekpunt. Informatie vindt u op het VNG-net
                    (www.vng.nl/juridische zaken/APV/publicaties). Meer informatie 023 - 566 31 88 (
                    Divisie luchtvaart unit infrastructuur).</al><al/><al><cursief>Kermissen</cursief></al><al>De beoordeling van de veiligheid van installaties, die vallen onder het Besluit
                    veiligheid attractie- en speeltoestellen, behoort op grond van dat besluit tot
                    de verantwoordelijkheid van de regionale Inspectie Gezondheidsbescherming van
                    het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van het ministerie van VWS. De toetsing
                    van de "veiligheid van personen of goederen" door de burgemeester zal zich
                    daarom meer richten op de veiligheid van personen of goederen op en rond het
                    evenemententerrein, de plaats van de attracties ten opzichte van elkaar, etc.
                    Voor vragen over kermissen kunnen gemeenten terecht bij de Vereniging van
                    gemeentelijke Kermisbeheerders (VGKS).</al><al/><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Voor het houden van evenementen zijn ook andere regels dan die van de model-APV
                    van toepassing. Die regels stellen vanuit andere motieven eisen aan het houden
                    van evenementen. De aanvrager van een evenementenvergunning moet zo nodig ook
                    aan andere wettelijke vereisten voldoen, zoals:</al><al>- Vreemdelingenwet 2000 </al><al>- Winkeltijdenwet </al><al>- Warenwet </al><al>- Wet milieubeheer </al><al>- Drank- en Horecawet </al><al>- Woningwet </al><al/><al><cursief>Evenementenbeleid</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden kan de
                    burgemeester beleidsregels vaststellen.</al><al>Het doel van een evenementenbeleid is enerzijds het vastleggen van wat er met
                    betrekking tot evenementen in een gemeente wordt nagestreefd, in relatie tot de
                    APV en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Anderzijds behelst het beleid
                    de afstemming van processen binnen de vergunningverlening zodat deze zo
                    efficiënt en goedkoop mogelijk kan plaatsvinden. Zo heeft de gemeente Leiden een
                    evenementenbeleid "Samen uit, samen thuis", spelregels vastgesteld.</al><al>De spelregels behelzen o.a.:</al><al>- omschrijving van het begrip evenement; </al><al>- categorieën evenementen, gemeten aan geluidsniveaus; </al><al>- spreiding categorieën over locaties; </al><al>- tijdstippen van de evenementen; </al><al>- klachtentelefoon; </al><al>- handhaving van de spelregels en gevolgen van overtreding; </al><al>- één loket:de evenementencoördinator; </al><al>- evenementenkalender; </al><al>- onvoorziene evenementen en de uitzonderingen op de spelregels. </al><al/><al>De gemeente Leiden heeft er voor gekozen om drie categorieën evenementen toe te
                    staan gemeten aan de hand van geluidsniveaus. Opmerkelijk is dat Leiden sinds
                    1998 voor de aanvraag van evenementen één aanspreekpunt heeft. Het werken met
                    een dergelijk beleid levert positief resultaat op, is klantvriendelijk maar
                    vereist wel een goede afstemming met overige gemeentelijke afdelingen die te
                    maken hebben met de vergunningverlening. Het evenementenloket onder leiding van
                    evenementencoördinator geeft "verzamelvergunningen" af die door alle betrokken
                    gemeentelijke instanties is goedgekeurd. De verzamelvergunningen worden
                    tegelijkertijd met het definitief vaststellen van de evenementenkalender
                    verleend.</al><al/><al>Een evenementenkalender wordt dan ook sterk aangeraden en deze wordt jaarlijks
                    aan de hand van een bepaald seizoen vastgesteld. U kunt indien u geïnteresseerd
                    bent in de opzet van een dergelijk beleid, contact opnemen met de
                    evenementencoördinator van de gemeente Leiden (telefoonnummer: 071-5165058)</al><al/><al><cursief>Draaiboek evenementen</cursief></al><al>Een andere mogelijkheid om een evenementen te beheersen is het instellen van een
                    evenementendraaiboek. Het doel van een draaiboek is om duidelijkheid te bieden
                    aan gemeentelijke diensten, bewoners, publiek en externe partijen. Het moet voor
                    alle betrokken partijen duidelijk zijn onder welke voorwaarden een evenement kan
                    plaatsvinden. Het draagt bij aan een soepel verloop van de vergunningaanvraag,
                    een efficiënte samenwerking tussen alle betrokken partijen en daarmee een veilig
                    en ongestoord verloop van het evenement. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld zelf in
                    samenwerking met eigen diensten, politie en betrokken partijen een draaiboek
                    evenementen ontwikkelen, zoals de gemeente Amsterdam dit inmiddels in gebruik
                    heeft.</al><al/><al>Een evenementendraaiboek kan verduidelijking verschaffen over het soort
                    evenement, maar ook over bij wie een tapvergunning moet worden aangevraagd, of
                    de podia veilig zijn opgebouwd en wie de controle uitvoert. Ook het aantal
                    aanwezige EHBO-ers, geluidseisen, de beveiliging, informatievoorziening aan
                    omwonenden en een veiligheidsplan kunnen onderdeel van een draaiboek zijn.</al><al/><al><cursief>Toezicht en handhaven van de openbare orde</cursief></al><al>Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de
                    burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd
                    bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare
                    orde. Om de veiligheid te garanderen van bezoekers neemt de burgemeester
                    voorschriften op in de evenementenvergunning waaraan de organisator zich moet
                    houden.</al><al>De politie is in beginsel terughoudend in haar optreden bij evenementen. De
                    driehoek, bestaande uit de burgemeester, de hoofdofficier van Justitie en de
                    korpschef van politie, bepaalt welke beleids- en tolerantiegrenzen tijdens een
                    (risico) evenement wordt gehanteerd. Deze grenzen geven aan of en hoe de politie
                    namens het bevoegde gezag in algemene en specifieke situaties zal optreden,
                    zoals in het geval van drugsbezit, zwarte kaartverkoop en dreigende openbare
                    ordeverstoringen.</al><al/><al><cursief>Beveiliging</cursief></al><al>De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor de orde en de veiligheid
                    van de bezoekers op het evenemententerrein. Hij moet daarom zorgen dat er
                    voldoende toezicht is. Afhankelijk van de aard van het evenement kunnen
                    vrijwilligers dit toezicht uitoefenen, of huurt de organisator een (door het
                    ministerie van justitie erkend) professioneel beveiligingsbedrijf in. De
                    burgemeester kan bepalen dat het beveiligingsbedrijf in samenspraak met de
                    politie een beveiligingsplan opstelt. Bij grote evenementen wordt- naast het
                    bevoegde beveiligingspersoneel van de evenementenorganisatie- doorgaans ook
                    (extra) politie ingezet om de orde op en rond het evenemententerrein te bewaken
                    en hulp te verlenen aan het festivalpubliek.</al><al/><al>Over het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met betrekking
                    tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak
                    dat de burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij
                    professionele begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS 07-04-2004,
                    LJN-nr. AO7140.</al><al/><al>Derde lid, het verbod van het eerste lid geldt voorts niet voor een wedstrijd op
                    of aan de weg, voor zover in het daarvoor geregelde onderwerp wordt voorzien
                    door artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994. Zie hiervoor het
                    commentaar van artikel 2:24, tweede lid, onder d.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief>Kleinere evenementen zijn al
                    vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij
                    is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot
                    evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van
                    een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren
                    van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking
                    kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen
                    belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex
                    silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Het in het vooruitzicht stellen van een beloning in de vorm van prijzen e.d.
                    maakt de activiteit tot een wedstrijd. Rb Maastricht 15-02-1977, VR 1977,
                    91.</al><al>Een limitatieve omschrijving van het begrip "evenement" kan in de praktijk tot
                    problemen aanleiding geven. ARRS 12-08-1985, Gst. 1986, 6805, 4.</al><al/><al>Het door geblinddoekte personen proberen om in aanwezigheid van publiek met een
                    sabel de hals van een van tevoren gedode gans af te slaan (zgn. gansslaan) is
                    een vertoning in de zin van artikel 39, lid 1 APV Eijsden. Dit artikel is
                    opgenomen in hoofdstuk III betreffende de openbare orde. Bij de afweging van
                    belangen met betrekking tot de vergunningverlening moet derhalve in ieder geval
                    het belang van de openbare orde worden betrokken. In casu gegronde reden voor
                    vrees voor verstoring van de openbare orde, in aanmerking genomen de emoties
                    rond het evenement en de escalatie daarvan. ABRS 26-08-1987, AB 1988, 263.</al><al/><al>Het weigeren van een vergunning ten behoeve van het houden van evangelisatie
                    activiteiten op het Museumplein in Ede is toegestaan wegens verstoring van de
                    openbare orde en veiligheid. Vz.ARRS 06-08-1991, AB 1992, 53 m.nt. PJB, AA 1992,
                    10 m.nt. P.W.C. Akkermans, JG 92.0003 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al>Braderie is geen jaarmarkt of gewone markt. Vz. ARRS 27-05-1992, JG
                    93.0002.</al><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. Schending
                    van de zondagsrust? Pres. Rb Utrecht 06-06-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts,
                    KG 1995, 292.</al><al/><al>Vergunning voor houden van festivals. Ruime uitleg begrip "openbare orde". Pres.
                    Rb Groningen 11-08-1995, Gst. 1996, 7030, 3 m.nt HH.</al><al/><al>Het toekennen van de bevoegdheid tot het verlenen van een evenementenvergunning
                    aan de burgemeester is niet in strijd met artikel 162 van de Gemeentewet. De
                    Afdeling oordeelt dat een dergelijke bevoegdheidstoekenning in lijn is met het
                    bepaalde in artikel 174 Gemeentewet. Een stelsel waarbij voor een evenement een
                    naar tijd en plaats bepaalde algemene evenementenvergunning wordt afgegeven aan
                    een organisator, die binnen de in de vergunning aangegeven grenzen en voor de in
                    de vergunning al opgenomen activiteiten op privaatrechtelijke grondslag zonder
                    bemoeienis van de burgemeester overeenkomsten sluit, waarmee verder invulling
                    wordt gegeven aan het evenement, is toegestaan. "Koninginnenacht Den Haag" ABRS
                    11-03-1999, H01.98.1109, JG 99.0129 m.nt. M. Geertsema.</al><al>Gebruik perceel voor evenementen, o.a. schuurfeesten in strijd met de
                    bestemming. Dat evenementen elk slechts een of een enkele maal per jaar worden
                    georganiseerd, doet daar niet aan af. Slechts in bijzondere omstandigheden
                    afzien van handhavend optreden (op verzoek van belanghebbende). ABRS 02-04-1999,
                    Gst. 1999, 7103, 4 m.nt. P.J.H.</al><al/><al>Ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet is de burgemeester - en niet het
                    college - bevoegd om geluidsvoorschriften op te nemen in de
                    evenementenvergunning. ABRS 13-12-1999, JG 00.0055 m.nt. M. Geertsema, Gst.
                    2000, 7116, 3 m.nt. HH.</al><al/><al>Kooigevecht is niet een sportwedstrijd maar een evenement. Weigering vergunning
                    op grond van veiligheid van personen en de goede zeden. Pres. Rb ‘s
                    Hertogenbosch 14-02-1997, KG 1997, 106. In hoger beroep: Het is primair aan de
                    burgemeester om invulling te geven aan het begrip zedelijkheid als bedoeld in de
                    APV. Weigering op grond van zedelijkheid is toegestaan. Geen sprake van gevaar
                    voor veiligheid van personen. ABRS 25-08-2000, AB 2001, 337, JG 00.0205 m.nt.
                    G.H.M. van der Horst, Gst. 2000, 7131, 3 m.nt. HH, JB 2000, 273.</al><al/><al>Met het oog op de bescherming van het belang van de openbare orde en veiligheid
                    kan de evenementenvergunning worden ingetrokken, omdat de organisatie van het
                    evenement onjuiste dan wel onvoldoende gegevens heeft verstrekt ter verkrijging
                    van de vergunning en omdat het evenement niet zal worden georganiseerd volgens
                    oorspronkelijke plannen. Rb. Groningen 21-01-2001, LJN-nr. AB1828.</al><al>Burgemeester heeft in redelijkheid kunnen weigeren om permanente verklaring van
                    geen bezwaar te verlenen voor ballonopstijging van ander terrein dan
                    gemeentelijk evenemententerrein, nu het andere terrein niet voldoet aan minimale
                    afstandseisen in Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen
                    luchtvaartterreinen. ABRS 11-07-2001, rolnr. 200003393/1.</al><al/><al>Organisatie van circus op plein met parkeerbestemming. er doen zich geen
                    weigeringsgronden voor op grond van artikel 2.1.5.1 (oud) en 2.2.2 (oud)APV. Ook
                    strijdigheid met het bestemmingsplan biedt geen grondslag voor weigering
                    vergunning. Pres. Rb Leeuwarden 06-09-2001, LJN-nr. AD3917.</al><al/><al>Terechte intrekking van een evenementenvergunning voor houden van dansfestival
                    wegens gevaar voor openbare orde en/of veiligheid. Ontbreken van deskundigheid
                    op het gebied van organiseren van evenement doet niet af aan verwijtbaarheid van
                    organisator. Kosten behoren tot normaal te achten risicosfeer van organisator
                    van evenement. ABRS 16-01-2002, rolnr. 200101384/1.</al><al/><al>Burgemeester heeft terecht vergunning geweigerd voor vechtsportevenement wegens
                    strijd met de zedelijkheid. Hij heeft zijn beoordelingsvrijheid niet
                    overschreden. In casu is er geen sprake van een regulier maatschappelijk
                    aanvaarde vechtsport. Rb Amsterdam 21-02-2003, AWB 03/1235/VEROR 031008.</al><al/><al>Vechtsportevenement is een evenement in de zin van de APV en vormt niet zonder
                    meer een inbreuk op de openbare orde en zedelijkheid. Rb Amsterdam 13-3-2003,
                    LJN-nr. AF6101.</al><al/><al>Aanvraag om evenementenvergunning moet worden beoordeeld aan de hand van de
                    belangen die zijn opgenomen in de weigeringsgronden van de APV-bepaling.
                    Andersoortige belangen kunnen geen zelfstandige weigeringsgrond opleveren, ABRS
                    29-04-2003, LJN-nr. AF8028.</al><al/><al>Intrekken van een vergunning vereist een zorgvuldige voorbereiding, Als
                    specifieke kennis bij het bestuursorgaan ontbreekt, moet advies worden
                    ingewonnen met betrekking tot MKZ-besmetting. Zes werkdagen zijn daarvoor
                    voldoende. ABRS 11-6-2003, LJN-nr. AF9809.</al><al/><al>Voor wat betreft het opnemen van voorschriften in de evenementenvergunning met
                    betrekking tot professionele beveiligingsbeambten, oordeelde de Afdeling dat de
                    burgemeester van Tubbergen voldoende had gemotiveerd waarom hij professionele
                    begeleiding van het Pinksterfeest nodig achtte. ABRS 07-04-2004, LJN-nr.
                    AO7140.</al><al/><al>De burgemeester kon nadere voorschriften aan de door hem alsnog verleende
                    vergunning verbinden. ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8495.</al><al>Burgemeester heeft terecht evenementenvergunning voor meerdaags festival
                    geweigerd wegens ontbreken van politiecapaciteit voor een extra dag. Hij heeft
                    in dit kader grote beleidsvrijheid. Rb Haarlem 06-05-2004, LJN-nr. AO9076.</al><al/><al>Het gebruik van de grond voor het houden van het schuttersfeest houdt
                    strijdigheid met het bestemmingsplan in die niet is toegestaan, althans niet
                    zonder een passende planologische vrijstelling. Het feest heeft naar omvang,
                    duur en uitstraling een planologische relevantie. ABRS 13-04-2005, LJN-nr.
                    AT3708, Gst. 2005, 7229, m.nt. Teunissen. (Schuttersfeest Diepenheim, Hof van
                    Twente). Zie ook: Rb. Leeuwarden 27-07-2005, LJN-nr. AU0442 (Veenhoopfestival
                    Smallingerland).</al><al/><al>Aanwezigheid van hoger aantal bezoekers dan 25.000 bij evenement zal leiden tot
                    concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of gezondheid bedreigende
                    situatie. Burgemeester was derhalve bevoegd verbod uit te vaardigen. ABRS
                    04-05-2005, LJN-nr. AT5100.</al><al/><al>De burgemeester heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het dat het feest
                    vanwege de grootschaligheid, de muziekstijl, het soort publiek dat er komt, en
                    de sluitingstijd - drie uur na de toegestane sluitingstijd - niet tot de normale
                    bedrijfsvoering van de inrichting behoort. Daarbij is in aanmerking genomen dat
                    het feest niet door de exploitanten van de inrichting, maar door een derde is
                    georganiseerd en de exploitanten er geen blijk van hebben gegeven dat zij op de
                    hoogte waren van hetgeen precies zou plaatsvinden in hun inrichting. Voorts is
                    daarbij in aanmerking genomen dat volgens de burgemeester de ervaring heeft
                    geleerd dat dit soort houseparty’s vaak gepaard gaat met grootschalig
                    drugsgebruik, met alle risico’s van dien, en dat extra politie-inzet nodig is om
                    de openbare orde te handhaven, terwijl dit niet het geval is bij een reguliere
                    avond in "The Royce". Onder deze omstandigheden heeft de burgemeester zich niet
                    ten onrechte op het standpunt gesteld dat "Ghosthouse" een evenement in de zin
                    van artikel 2.2.1 (oud) van de Apv is, waarvoor ingevolge artikel 2.2.2 (oud),
                    eerste lid, van de Apv een vergunning nodig is.</al><al/><al>Er zijn voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het gevaar bestond dat
                    het feest "Ghosthouse" zou worden gehouden zonder de daarvoor benodigde
                    vergunning en dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid overtreding van
                    artikel 2.2.2 (oud), eerste lid, van de Apv zou plaatsvinden. De burgemeester
                    was dan ook bevoegd de last onder dwangsom op te leggen.</al><al/><al>Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder het korte tijdsbestek
                    waarbinnen de burgemeester moest handelen aangezien tevoren met het
                    gemeentebestuur geen enkel overleg was gevoerd en de burgemeester pas op de dag
                    waarop het feest was gepland vernam dat het in "The Royce" zou worden gehouden,
                    alsmede de ervaring dat een feest als dit een grote inzet van de politie vergt,
                    welke inzet binnen het korte tijdsbestek moeilijk zo niet onmogelijk te
                    realiseren was, heeft de burgemeester in redelijkheid kunnen oordelen dat het
                    opleggen van de last onder dwangsom hier aangewezen was. ABRS 11-01-2006,
                    LJN-nr. AU9388.</al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><vet>AFDELING 8: TOEZICHT OP HORECABEDRIJVEN</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><cursief>Exploitatie horeca-inrichtingen</cursief></al><al><cursief>Deregulering</cursief></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bekeken of het horeca-exploitatievergunningenstelsel in de model-APV
                    gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met een
                    overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is er
                    niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. De VNG heeft gekozen voor het handhaven
                    van het model horecaexploitatievergunning. Veel gemeenten zijn namelijk van
                    mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare
                    orde. Gemeenten dienen wel zelf een bewuste en beargumenteerde keuze te maken
                    tussen het al dan niet invoeren cq handhaven van deze vergunning. Het
                    onderstaande kan bij het maken van die keuze behulpzaam zijn.</al><al/><al><vet>Europese Dienstenrichtlijn</vet></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van
                    een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir,
                    noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om
                    vestiging van een horecabedrijf waarvoor artikel 9 van de richtlijn de
                    bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9 verstaan
                    een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder meer de volgende
                    gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als bedoeld in
                    de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de maatschappelijke orde;
                    bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, met inbegrip van de
                    stedelijke en rurale ruimtelijke ordening; Zie verder overweging 40 van de
                    richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of reason’. </al><al/><al>Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    horecaondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan
                    is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria
                    openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor
                    een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van
                    het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een
                    economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                    verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde
                    tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                    ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><al/><al><cursief>Motieven Drank- en Horecawet en model-APV</cursief></al><al>Er wordt wel geredeneerd dat de horeca-exploitatievergunning naast de vergunning
                    op grond van de Drank- en Horecawet overbodig is. De regelingen van de Drank- en
                    Horecawet (DHW) en de model-APV hebben echter ieder hun eigen bestaansrecht
                    vanwege de verschillende motieven die eraan ten grondslag liggen. Het motief van
                    het horeca-exploitatievergunningstelsel is het het beschermen van de openbare
                    orde. Dit kan niet bereikt worden met behulp van de Drank- en Horecawet. Aan de
                    Drank- en Horecawet liggen immers primair sociaal-hygiënische en
                    sociaal-economische motieven ten grondslag.</al><al/><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Een regeling via het bestemmingsplan achten wij minder adequaat. Een
                    bestemmingsplan ordent immers de ruimte en is niet bedoeld voor het handhaven
                    van de openbare orde. Er mogen alleen ruimtelijk relevante factoren worden
                    meegewogen. Het is natuurlijk mogelijk om in een bestemmingsplan een
                    horecafunctie positief te bestemmen of juist uit te sluiten of per plangebied
                    een maximumstelsel in het leven roepen. En dat gebeurt ook. Maar de burgemeester
                    kan op grond van de huidige regelgeving niet overgaan tot tijdelijke of algehele
                    sluiting van de horecaonderneming in geval van (gevaar voor) verstoring van de
                    openbare orde.</al><al/><al>Bovendien is de gemeente "binnen de bebouwde kom" (nog) niet verplicht om een
                    bestemmingsplan vast te stellen. En juist in die gebieden wordt de meeste horeca
                    geëxploiteerd. Vooral in oude binnensteden heerst in veel gemeenten nog een
                    ratjetoe van oude, onvolledige en ontoereikende bestemmingsplannen of zelfs
                    "witte vlekken" met een bestemmingsplanloos gebied.</al><al/><al><cursief>Droge horeca</cursief></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    "horecabedrijf" zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Het toepassingsgebied van de wet is daardoor beperkt tot bedrijven
                    waarin alcoholhoudende dranken worden verstrekt, de zogenaamde natte horeca.
                    Daarentegen wordt onder een horecabedrijf in artikel 2:27, eerste lid, ook
                    verstaan het schenken van niet-alcoholhoudende dranken en het verstrekken van
                    rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook coffeeshops onder de model-APV te
                    laten vallen. In deze paragraaf worden coffeeshops dan ook als gewone
                    horecabedrijven behandeld en zijn geen bijzondere bepalingen over coffeeshops
                    opgenomen.</al><al>Dat roept de vraag naar de verhouding met de Opiumwet op. De Opiumwet verbiedt
                    immers de handel in drugs. Uitgangspunt is dat de vergunningverlening op grond
                    van de APV daar geen betrekking op heeft, maar wel op de exploitatie van een
                    alcoholvrije inrichting. Dat laat overigens onverlet dat ten aanzien van
                    coffeeshops - vanwege de effecten die met name deze inrichtingen kunnen hebben
                    op de openbare orde - wel degelijk een specifiek beleid kan worden vastgesteld.
                    Meer informatie hierover is te vinden in de publicatie 'De Wet 'Damocles',
                    bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet' van het Steun- en
                    informatiepunt drugs en veiligheid (VNG-uitgeverij, Den Haag 1999)</al><al>Bibob-toets</al><al/><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is
                    een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank-
                    en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt, zoals hierboven vermeld,
                    niet voor bedrijven waar geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. Op
                    grond van de vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten
                    mogelijk om ook voor leidinggevenden van deze bedrijven een verklaring omtrent
                    het gedrag te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. Dit is van belang omdat de
                    horeca-exploitatievergunning een persoonsgebonden is. Wie de leidinggevende is,
                    is een belang van openbare orde. Immers deze leidinggevende dient ervoor te
                    zorgen dat overlast wordt voorkomen. Artikel 4, van het Besluit Bibob bepaalt in
                    overeenstemming met de model- APV dat als inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob
                    geldt, onder andere aangewezen worden: "inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in
                    een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, logies wordt
                    verstrekt, dranken worden geschonken, of rookwaren of spijzen voor directe
                    consumptie worden verstrekt".Dit zijn dus horecabedrijven zoals gedefinieerd in
                    artikel 2:27, van de model-APV. Dit betekent dat voor horecabedrijven in de zin
                    van de APV een Bibob-onderzoek mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen
                    wettelijke grondslag voor. De Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een
                    Bibob-onderzoek.</al><al/><al><cursief>Onbepaaldheid van de duur</cursief></al><al>Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd.
                    Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin
                    een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien
                    jaar, dan mag dit slechts op gronden ontleend aan dwingende redenen van algemeen
                    belang. Zie ook onder de toelichting bij artikel 1:7.</al><al/><al><cursief>Overige wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op horecabedrijven zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog vele
                    andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer en Wet op de
                    stads en dorpsvernieuwing.</al><al>Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het
                    Activiteitenbesluit)</al><al>Op horecabedrijven zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van
                    toepassing.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubheer. Bij dit besluit is een
                    aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur
                    en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op:
                    www.overheid.nl. Nadere informatie is te vinden op: www.vrom.nl, www.infomil.nl
                    en www.horeca.org.</al><al/><al><cursief>Geluidsnormen</cursief></al><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als
                    nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften
                    stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen .Bovendien
                    kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit
                    of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende
                    eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</al><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                    opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen.</al><al/><al>Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als gold onder het
                    oude Besluit geldig, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie APV</vet></al><al>Een gemeentelijke verordening waarin een vergunningstelsel is opgenomen dat
                    specifiek regels stelt ten behoeve van coffeeshops is in strijd met de Opiumwet.
                    Rb Amsterdam 16 januari 1998 en 19 januari 1998, AB 1998, 222 en 223 m.nt. FM;
                    Rb Dordrecht 3 juli 1998, JG 98.0202; Pres. Rb Rotterdam 16 juli 1998, JG
                    98.0203 en Pres. Rb Zutphen 14 september 1998, JG 98.0204 m.nt. W.A.G.
                    Hillenaar.</al><al/><al>Burgemeester is bevoegd tot bestuursdwang, dit vergt wel zorgvuldigheid
                    bewijsvoering. Afvoeren van gedooglijst is geen gedoogbesluit. LJN-nr. AO7469,
                    JG 04.0105 m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Weigering om af te wijken van beleidsregels om een nog niet gevestigde
                    coffeeshops te gedogen is een Awb-besluit. Rechtbank Assen, 03/527BESLU, JG
                    04.0104 m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Intrekken gedoogverklaring brengt niet-ontvankelijk verklaring met zich mee,
                    zolang niet feitelijk handhavend is opgetreden. LJN-nr. AO6089, JG 04.0079 m.
                    nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Uitoefening bestuursdwangbevoegdheid is mogelijk, het ontbreken van vastgesteld
                    en gepubliceerd coffeeshopbeleid doet daar niet aan af. LJN-nr. AO2883, JG
                    04.0110, m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Exploitant horeca-inrichting verantwoordelijk voor handelingen in zijn
                    inrichting met betrekking tot handel in softdrugs. Inrichting gesloten. LJN-nr.
                    AI0787, JG 03.0168 m. nt. T. van der Reijt.</al><al/><al>Sluiting woning op grond van art. 174a Gemeentewet om andere reden dan
                    drugsoverlast toegestaan. LJN-nr. AF5325, JG. 03.0126, m. nt. T. van der
                    Reijt.</al><al/><al>Verspreiding via internet van cannabismenulijsten is volgens de Opiumwet
                    openbaarmaking . LJN-nr. </al><al>AO6423, JG 04.0130 m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol bij de vraag of zich een situatie
                    voordoet die tot sluiting van de inrichting noopt. LJN-nr. AP0405, JG 04.
                    september, m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Een hennepkwekerij van 89 planten in een woning leidt niet tot ontbinding van
                    het huurcontract. LJN-nrs. AQ9905 en AQ9850, JG 04.0131, m. nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Gebiedsontzegging i.v.m. met overlast, die te maken heeft met de handel in en
                    het gebruik van verdovende middelen, zijn gerechtvaardigd door het algemeen
                    belang in een democratische samenleving. LJN-nr. AP8138, JG 04.0132 m. nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Het onderverhuren van een kamer in een woning t.b.v. een hennepkwekerij leidt
                    tot ontbinding huurcontract. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, rolnr. C0201144/HE,
                    JG 04.0151, m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Aankondiging bevel tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet is geen
                    besluit in de zin van de Awb. Rechtbank Groningen, AWB 03/90 GEMWT VEN, JG.
                    03.0064 m.nt. T. van der Reijt.</al><al/><al>Ook een gedoogbeschikking i.p.v. een gedoogverklaring is geen besluit in de zin
                    van de Awb. LJN-nr. AR2178, JG 04.0162 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Aan het ongegrond verklaren van een bezwaar tegen het schrappen van de lijst met
                    gedoogde coffeeshop komt een gemeente niet toe, de bezwaarmaker is immers
                    volgens vaste jurisprudentie van de Raad van State niet-ontvankelijk. LJN-nr.
                    AR7067, JG 05.0034 m.nt. A.L. Esveld.Een APV-vergunning voor de exploitatie van
                    een horecabedrijf is persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de
                    exploitatie van een coffeeshop is verstrekt dot hier niet aan af. Na overlijden
                    vervalt de vergunning en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie Drank- en Horecawet</vet></al><al>BEM! niet ontvankelijk. Sommige horecaondernemers ondervinden economische last
                    van de horeca-activiteiten van verenigingen, buurthuizen e.d. (zogenoemde
                    paracommerciële inrichtingen). Gemeenten moeten op grond van de Drank- en
                    Horecawet (DHW) voorwaarden stellen om e.e.a. in goede banen te leiden. Op 1
                    januari 2000 is de Stichting Bevordering Eerlijke Mededinging
                    horeca-activiteiten (afgekort: BEM!) gestart met het beteugelen van oneerlijke
                    mededinging vanwege paracommerciële inrichtingen door gemeenten en
                    paracommerciële inrichtingen er op te wijzen dat gemeenten voorwaarden moeten
                    stellen en dat de inrichtingen deze moeten naleven. De horecaondernemers deden
                    dat liever niet zelf omdat zij repercussies vreesden.</al><al/><al>De BEM! was speciaal voor (het uitdelen van waarschuwingen en) het voeren van
                    processen opgericht omdat de ABRS bepaalde (onder meer in de uitspraak van 19
                    februari 1996, R03.93.2171, AB 1996, 241) dat de landelijke vereniging
                    Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf "Horeca
                    Nederland" te Woerden niet ontvankelijk was. De Afdeling oordeelde toen dat met
                    artikel 3a (thans artikel 4) van de (DHW) is beoogd het zogenoemd
                    paracommercialisme te beteugelen ten faveure van reguliere horecaondernemers -
                    een belang dat zich naar zijn aard in beginsel leent voor een collectieve
                    behartiging ervan op plaatselijk of regionaal niveau. De Afdeling achtte dit
                    belang niet zodanig van aard dat Horeca Nederland zich dit als landelijk
                    opererende vereniging - binnen het kader van haar zeer algemene doel - kan
                    aantrekken. De Afdeling constateert nu dat het doel van de BEM! op zichzelf
                    voldoende specifiek is maar dat de belangen die de BEM! wil behartigen toch
                    plaatselijke of hooguit regionale kwesties betreffen. Dat kunnen de
                    horecaondernemers volgens de Afdeling zelf wel doen, ook al vrezen zij eventuele
                    repercussies. De BEM! is volgens de Afdeling daarom terecht niet-ontvankelijk
                    verklaard.</al><al/><al>Terzijde wordt vermeld dat de minister van VWS in de Alcoholnota (TK 2000-2001,
                    27565, nr. 2) aangeeft voornemens te zijn de bepalingen over het
                    paracommercialisme te schrappen vanwege het feit dat bepalingen die zijn
                    ingegeven uit economische overwegingen niet in een volksgezondheidwet als de DHW
                    thuis horen. ABRS 22-05-2002, 200103867/1, LJN-nr. AE2813, JG 02.0129 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Gevolmachtigde als leidinggevende horecabedrijf geaccepteerd, in tegenstelling
                    tot huidige praktijk. LJN-nr. AG1744, JG 04.0078 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>24 Internetcomputers trekken een zelfstandige stroom bezoekers, strijd met de
                    Drank- en Horecawet. LJN-nr.AO 8501, JG 04.0103 m.nt. A.L. Esveld: Gst 2004, 188
                    m. nt. J.L.A. Kessen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip "horecabedrijf" sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de model-APV. In de praktijk is gebleken
                    dat in coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden
                    verstrekt (en genuttigde dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in
                    dat geval niet zou worden bestreken door de begripsomschrijving "horecabedrijf",
                    is in het eerste lid de aanduiding "rookwaren" toegevoegd.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Een café is geen discotheek! LJN-nr. AO9751, JG 04.0133 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf </vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het toezicht op
                    de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door de
                    burgemeester verleend.</al><al/><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bekeken of het horeca-exploitatievergunningenstelsel in de model-APV
                    gehandhaafd of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met een
                    overzichtelijk uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is er
                    niet altijd behoefte aan zo'n stelsel. De VNG heeft gekozen voor het handhaven
                    van het model horecaexploitatievergunning. Veel gemeenten zijn namelijk van
                    mening dat deze vergunning noodzakelijk is voor het handhaven van de openbare
                    orde. Gemeenten dienen wel zelf een bewuste en beargumenteerde keuze te maken
                    tussen het al dan niet invoeren cq handhaven van deze vergunning. In de algemene
                    toelichting op afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven worden overwegingen
                    gegeven voor het al dan niet hanteren van een vergunningplicht.</al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet
                    discriminatoir, noodzakelijk en proportioneel is. De richtlijn is van toepassing
                    op horeca. Het drijven van een horecaonderneming is immers het verrichten van
                    een dienst aan de klant. Voor wat betreft de noodzakelijkheid moet een gemeente
                    afwegen of er dwingende redenen van algemeen belang zijn die een
                    vergunningstelsel rechtvaardigen. Het gaat hier om de ‘rule of reason’, omdat er
                    bijna altijd sprake is van vestiging van een horecaondernemer. Op vestiging van
                    buitenlandse dienstverleners is artikel 9 van toepassing. Zie voor nadere uitleg
                    hiervan en van het begrip proportionaliteit onder het algemeen deel van deze
                    afdeling.</al><al>Vergunning voor onbepaalde tijd</al><al/><al>Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd.
                    Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin
                    een tijdsduur wil verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien
                    jaar, dan is het alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen
                    belang geoorloofd een termijn te stellen. Zie verder onder het algemeen deel bij
                    deze afdeling.</al><al/><al><cursief>Vergunningvoorschriften</cursief></al><al>Krachtens artikel 1:4 van de model APV kunnen voorschriften worden verbonden aan
                    de exploitatievergunning. Voorwaarden moeten vallen onder randvoorwaarden van
                    artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Zie daarvoor onder artikel 1:4.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Als het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Omdat de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 1:8 voor de horeca te ruim
                    zijn geformuleerd (met name de volksgezondheid is hier niet aan de orde), is
                    bepaald dat het hier om de openbare orde gaat en om het woon- en leefklimaat.
                    Het begrip openbare orde moet wel binnen de kaders van de dienstenrichtlijn
                    worden geïnterpreteerd. Met andere woorden : de interpretatie mag het kader van
                    de ‘rule of reason’ niet te buiten gaan.</al><al>Woon- en leefsituatie in de omgeving</al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen, of de exploitatie van een horecabedrijf zich
                    verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet houden staat
                    omschreven in het vierde lid.</al><al>De weigeringsgrond woon- en leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag
                    daarom (bij een horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de
                    Dienstenrichtlijn als weigeringsgrond worden gehanteerd.</al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat het in
                    het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te verlenen vergunningen
                    aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen vergunningen kan worden
                    beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum als door een veelheid van
                    horecabedrijven in de straat of de wijk de openbare orde of het woon- en
                    leefmilieu in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden aangetoond of
                    aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto daadwerkelijk sprake
                    is.</al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de bestaande lijn
                    in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag. Wel geldt op grond van
                    artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante en non-discriminatoire op
                    objectieve gronden gebaseerde verdeling/toekenning van vergunningen moet
                    zijn.</al><al/><al>Het beleid kan worden neergelegd in een horecanota of een vergelijkbaar
                    beleidsstuk, waarin gemotiveerd het maximumaantal te verlenen vergunningen is
                    vermeld of horecaconcentratie of horecastiltegebieden zijn aangewezen. Uiteraard
                    zal dat beleid moeten overeenstemmen met het voor het gebied van kracht of in
                    voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Een maximumstelsel kan ook in het
                    bestemmingsplan zelf worden neergelegd.</al><al/><al>In het algemeen mag de burgemeester afwijzend beslissen op een aanvraag om een
                    vergunning, als daarmee het maximum wordt overschreden. Daarbij zal de
                    burgemeester steeds moeten nagaan, of bijzondere omstandigheden nopen tot het
                    maken van een uitzondering op het beleid: iedere vergunningaanvraag moet immers
                    zelfstandig en met inachtneming van de betrokken belangen worden
                    beoordeeld.</al><al/><al><onderstreept>Vijfde lid</onderstreept></al><al>Een aantal categorieën van kleinschalige horecagelegenheden, waar de openbare
                    orde evident niet in het geding is, is in de visie van de VNG geen vergunning
                    nodig. Te denken valt aan tearooms, een ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons
                    etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in de zin van de Winkeltijdenwet, die als
                    nevenactiviteit een horecagedeelte hebben, uit te sluiten. De gemeente kan –
                    indien gewenst - het toepassingsgebied verder beperken door in het artikel eisen
                    te stellen aan de afmetingen van de ruimte. Bijvoorbeeld deze mag maximaal 20
                    vierkante meter bedragen en niet meer dan 20 % van het vloeroppervlak. In het
                    model is zo’n maatvoering niet opgenomen om de gemeente de gelegenheid te geven
                    dit lokaal te bepalen.</al><al/><al><onderstreept>Zesde lid</onderstreept></al><al>Voor het horecagedeelte geldt dezelfde sluitingstijd als voor de winkel om te
                    voorkomen dat de horeca-activiteiten na sluitingstijd worden voortgezet.</al><al/><al><onderstreept>Zevende en achtste lid</onderstreept></al><al>Door het opheffen van de vergunningplicht, kunnen in de gemeente gebieden worden
                    aangewezen waar zonder voorafgaande toestemming een horecabedrijf kan worden
                    geëxploiteerd. Bij wijze van ‘ondergrens’ geeft het achtste lid als
                    rechtstreekse norm dat de exploitatie van het horecabedrijf echter ook dan de
                    woon‑ en leefsituatie in de omgeving of de openbare orde niet op ontoelaatbare
                    wijze nadelig mag beïnvloeden.</al><al/><al>Indien nodig met het oog op de naleving van de in het achtste lid opgenomen
                    norm, kan bestuursdwang worden aangezegd of een dwangsom worden opgelegd
                    (afdeling 5.3 resp. 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht).</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                    positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang.
                    Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al/><al/><al><vet>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</vet></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de </al><al/><al><vet>Algemene toelichting.</vet></al><al>Opheffing vergunningplicht zoals geregeld in artikel 2.3.1.3 (oud)</al><al>Dit artikel is komen te vervallen, omdat nu in artikel 2:28 de uitzonderingen op
                    de vergunningsplicht zijn opgenomen. Gemeenten die het artikel handhaven, dienen
                    er wel een vrijstellingsbepaling van te maken en niet een mogelijkheid tot
                    opheffing, omdat dit een verouderde term is.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Strijd met het bestemmingsplan is als weigeringsgrond aanvaardbaar. ABRS 24 03
                    1997, AB 1997, 201 m.nt. FM, Gst. 1997, 7058, 4 m.nt. HH, JG 97.0165 m.nt.
                    E.M.H. Franssen.</al><al/><al>Aannemelijk is dat de aantasting van de woon en leefsituatie wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van het totale aantal inrichtingen. ARRS
                    22-05-1987, AB 1988, 240; ARRS 08 01 1988, AB 1988, 417; ABRS 24 01 1995, Gst.
                    1995, 7011, 3, JG 95.0200.</al><al/><al>Aannemelijk is dat woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed door de
                    uitbreiding van een horeca-inrichting waardoor de bezoekerscapaciteit wordt
                    vergroot. ABRS 20-05-1997, R03.93.1560, JU 982016 (VNG-databank).</al><al/><al>Weigering van vergunning voor coffeeshop die niet voldoet aan de in het beleid
                    gestelde afstandsnorm van 200 (respectievelijk 250) meter van scholen of
                    jongerencentra is terecht. Vz.ABRS 10-06-1997, H01.97.0530, JU 981013
                    (VNG-databank) en Vz.ABRS 20-02-1998, H01.97.1514, JU 981015
                    (VNG-databank).</al><al/><al>Voorschrift in terrasvergunning, waarbij op dagen dat er evenementen zijn aan
                    het gebruik van de weg voor dat doel prioriteit wordt gegeven, dient doelmatig
                    gebruik en beheer van de weg. ABRS 17 06 1997, JG 98.0027 98.0027, Gst. 1998,
                    7067, 2 met noot van HH.</al><al/><al>Een terras is een bij een voor het publiek openstaand gebouw behorend erf in de
                    zin van artikel 174 van de Gemeentewet. Ingevolge het eerste lid van dit artikel
                    is de burgemeester onder meer belast met het toezicht op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het derde lid van dit
                    artikel is de burgemeester belast met de uitvoering van de verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op dat toezicht. De burgemeester – en niet het
                    college – is dus bevoegd om terrasvergunningen te verlenen. ABRS 05-06-2002, JG
                    02.0128 m.nt. M. Geertsema. In dezelfde zin: ABRS 13-11-2002 (Nijmegen), nr.
                    200202419, LJN-nr. AF0269.</al><al/><al>De burgemeester heeft terecht vergunning verleend voor de exploitatie van een
                    terras van bepaalde afmetingen en aan deze vergunning in verband met het belang
                    van de verkeersveiligheid een voorwaarde inzake wijze van bediening verbonden.
                    LJN-nr. AF0274, JG 03.0023 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Het college is niet bevoegd tot het nemen van besluiten op aanvragen om
                    terrasvergunningen. LJN-nr. AF0261, JG 03.0022 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Internetdiensten trekken een zelfstandige stroom bezoekers; internetcafé komt
                    niet in aanmerking voor vergunning op grond van de DHW. JG 04.0193, m. nt. A.L.
                    Esveld, LJN-nr. A08501. Gst. 2004, 188 m.nt. J.L.A. Kessen.</al><al/><al>De vrees voor het niet naleven van vergunningsvoorschriften is geen reden om een
                    vergunning te weigeren. ABRS 24-11-2004, LJN-nr. AR6286, JG 05.0047 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het feit
                    dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS 03-11-2004,
                    LJN-nr. AR5047, JG 05.0006, m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Weigering op grond van gemeentelijk onderzoek als gevolg van de Wet Bibob. Rb
                    Roermond 30-12-2004, JG 05.0035 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden gebruik kan
                    niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet meer
                    tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op grond
                    van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten is daartoe
                    onvoldoende. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Een APV vergunning voor de exploitatie van een horecabedrijf is
                    persoonsgebonden. Dat tevens een gedoogverklaring voor de exploitatie van een
                    coffeeshop is verstrekt doet hier niets aan af. Na overlijden vervalt vergunning
                    en gedoogverklaring. LJN-nr. AS5523, JG 05.0050 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Houseparty in horecagelegenheid behoort vanwege de grootschaligheid, de
                    muziekstijl, het publiek dat er komt en de toegestane sluitingstijd niet tot de
                    normale bedrijfsvoering. In aanmerking wordt genomen dat de organisator van het
                    feest een derde. Voorts is in aanmerking genomen dat dit soort feesten vaak
                    gepaard gaat met grootschalig drugsgebruik en dat extra politie-inzet nodig is
                    om de openbare orde te handhaven. Het is een evenement in de zin van art. 2.2.2,
                    van de APV. Het preventief opleggen van een dwangsom is geoorloofd. ABRS
                    11-01-2006, LJN-nr. AU9388.</al><al/><al>Onder verwijzing naar AB 2003, 302 overweegt de Afdeling dat slechts het belang
                    van de aanvrager rechtstreeks betrokken is bij een besluit tot weigering van de
                    horeca-exploitatievergunning. De eigenaar van het betreffende pand en de
                    exploitant van de in dat pand geplaatste speelautomaten zijn geen
                    belanghebbende. ABRS 07-12-2005, AB Kort 2006, 42.</al><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijden</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Artikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Daarin is onderscheid gemaakt
                    tussen de sluitingstijden op werkdagen en de sluitingstijden gedurende het
                    weekeinde. Uiteraard kan deze onderverdeling anders worden opgezet, indien
                    gewenst.</al><al/><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven
                    vaststellen in het belang van de openbare orde. Deze bevoegdheid houdt ook in
                    dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden vastgesteld voor de zondag.
                    Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet dit artikel de raad niet om voor de
                    zondag een afwijkende regeling te treffen voor de sluitingstijden van cafés e.d.
                    mits de grond voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling
                    niet gelegen is in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad
                    beoogt de Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te
                    beperken in zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde
                    voorzieningen te treffen.</al><al/><al>De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de
                    eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir
                    gesitueerd terras behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting
                    bevindende woning van de exploitant niet. Ook sportkantines, sociëteiten,
                    clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><al/><al>Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de veronderstelling wekken dat
                    de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van toepassing zijn op dat bedrijf:
                    immers, volgens de jurisprudentie kan een gemeentelijke verordening geen
                    activiteiten betreffen die elk karakter van openbaarheid missen. Dit kan echter
                    niet worden gezegd van activiteiten die een weerslag hebben op een openbaar
                    belang, waarvan ook sprake is bij besloten horecabedrijven. De
                    sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al/><al>Sommige gemeenten hebben, bij wijze van of na een experiment, de verplichte
                    sluitingsuren uit de APV geschrapt. Argument daarvoor is meestal, dat daardoor
                    onder meer de verstoring van de openbare orde (nachtrust) aanzienlijk kan worden
                    beperkt: er is sprake van minder geluidsoverlast doordat cafébezoekers niet
                    langer tegelijk maar geleidelijk aan huiswaarts keren en de politie is beter in
                    staat voldoende toezicht uit te oefenen. Zo’n maatregel zal meer vruchten
                    afwerpen naarmate zij tevens van kracht is in gemeenten in de directe omgeving:
                    anders bestaat immers het gevaar dat de liberalere openingstijden een
                    aantrekkingskracht uitoefenen op horecabezoekers uit aangrenzende gemeenten, en
                    dat de kans op verstoring van de openbare orde wordt vergroot.</al><al/><al><cursief>Uitvoering</cursief></al><al>Het onderscheid tussen regelgeving en uitvoering heeft in het kader van de
                    sluitingsuren van inrichtingen aanleiding gegeven tot veel jurisprudentie van de
                    Afdeling rechtspraak van de Raad van State. In de uitspraak van 2 september
                    1983, AB 1984, 245 m.nt. JHvdV (Oploo, Sint Anthonis en Ledeacker) stond de
                    vraag centraal of de burgemeester bevoegd was een permanente ontheffing te
                    verlenen van het verbod uit de APV. De Afdeling heeft over de
                    bevoegdheidsafbakening tussen de raad en burgemeester aangegeven dat de
                    gemeenteraad in het APV artikel in het geheel geen grenzen stelt aan de
                    ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester. Noch uit de tekst van het APV
                    artikel, noch anderszins, blijkt dat de ontheffing bijvoorbeeld slechts in
                    bijzondere omstandigheden of in incidentele gevallen door de burgemeester mag
                    worden verleend.</al><al/><al>De visie van verweerder dat hij zich op het terrein van de gemeentelijke
                    wetgever zou bewegen, zou naar het oordeel van de Afdeling slechts opgaan indien
                    hij aan alle inrichtingen in de gemeente onbeperkt ontheffing van het in het
                    desbetreffende APV-artikel vervatte verbod zou verlenen. In dat geval zou
                    verweerder immers de door de gemeenteraad vastgestelde sluitingsuren als vermeld
                    in artikel 56 (2.3.1.4), eerste lid, APV in feite ter zijde stellen. De Afdeling
                    kan daarom niet inzien waarom de burgemeester de bevoegdheid zou missen het
                    verzoek om ontheffing in te willigen.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                    horecabedrijf. Dat kan neerkomen op een verruiming van de openingstijden, of op
                    een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid dat te
                    regelen met een voorschrift bij de exploitatievergunning. Het gaat hier om een
                    vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1:4 van de model APV, dat dus moet
                    strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                    vergunning vereist is. Over de uitoefening van deze bevoegdheid, kan de
                    burgemeester desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81,
                    eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Als beleidsregel kan de
                    burgemeester bepalen dat hij, bij het beantwoorden van de vraag of voor een
                    afzonderlijk horecabedrijf bij vergunningvoorschrift afwijkende sluitingstijden
                    zullen worden vastgesteld, per categorie horecabedrijven een bepaald beleid
                    hanteert.</al><al/><al>Dat beleid kan bijvoorbeeld inhouden dat het sluitingsuur voor cafetaria’s,
                    broodjeszaken e.d. als regel op een ander tijdstip (bijvoorbeeld een uur later)
                    wordt vastgesteld dan voor andere horecabedrijven, om cafébezoekers de
                    mogelijkheid te bieden iets te eten na de sluiting van hun café. Nu het hier een
                    beleidsregel betreft, kan de burgemeester daarvan in een concreet geval -
                    gemotiveerd - afwijken (een cafetaria niet toestaan een uur later te sluiten dan
                    cafés) indien dat volgens hem noodzakelijk is in het belang van de openbare orde
                    of de woon en leefomgeving.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 kan vergunningplichtig zijn
                    ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) of onder de werking van het
                    Activiteitenbesluit. Aan een krachtens de wet te verlenen vergunning kunnen
                    eveneens voorschriften worden verbonden dan wel nadere eisen worden gesteld ter
                    voorkoming van de indirecte gevolgen van de inrichting.</al><al>De sluitingsbepalingen van de APV gelden derhalve niet voorzover de op de Wm
                    gebaseerde voorschriften van toepassing zijn. Wat betekent dit voor de
                    reikwijdte van de APV bepalingen? De Wm beoogt een uitputtende regeling te geven
                    ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door het
                    in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De gemeenteraad
                    is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien daarmee wordt
                    beoogd dezelfde belangen te beschermen.</al><al/><al>De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere
                    belangen die onder het begrip "bescherming van het milieu" vallen, tegengaan die
                    wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de
                    Wm.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Een in naam besloten club die wel in hoge mate voor het publiek toegankelijk is,
                    moet voldoen aan de sluitingstijden van de APV. Vz.ARRS, 21 12 1992, Gst. 1993,
                    6073, 4 m.nt. HH, JG 93.0260.</al><al/><al>Beleid op basis waarvan coffeeshops, in tegenstelling tot andere
                    horecabedrijven, vanaf 20.00 uur gesloten moeten zijn is noch in strijd met de
                    Winkeltijdenwet noch anderszins onredelijk. Een coffeeshop is geen winkel. Hij
                    is immers in hoofdzaak ingericht als een bedrijf waar gekochte waren ter plaatse
                    worden genuttigd. Rb Breda, 03-12-1997, JG 98.0025, AB 1998, 76 m.nt. FM.</al><al/><al>Terughoudend beleid ten aanzien van nachtvergunningen voor horecabedrijven. ABRS
                    08-02-1994, JG 94.0252 , Gst. 1994, 6999, 4 m.nt. HH.</al><al/><al>Verhouding tussen sluitingstijden zoals vastgesteld door de raad op grond van de
                    verordening en door de burgemeester voor het concrete geval. Vz.ARRS 30-03-1993,
                    JG 94.0094 m.nt. A.B. Engberts.</al><al>Sluitingstijden in de APV stellen geen grenzen aan de bevoegdheid van de
                    burgemeester om ontheffing te verlenen. ARRS 02-09-1983, AB 1984, 245 m.nt.
                    JHvdV. De ontheffing van de burgemeester mag geen permanent karakter hebben en
                    niet alle in de gemeente aanwezige inrichtingen betreffen. ARRS 19-01-1984, AB
                    1984, 491 m.nt. JHvdV.</al><al/><al>De in exploitatievergunningen voor een niet-alcoholverstrekkend) horecabedrijf
                    opgenomen mededeling omtrent de openingstijden van het horecabedrijf is geen
                    besluit in de zin van art. 1:3, lid 1, van de Awb. Openingstijden vloeien
                    namelijk rechtstreeks voort uit de APV. LJN-nr. AE8980, JG 03.0024 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>De burgemeester stelde terecht eis aan garderobefunctie café bij ontheffing
                    sluitingstijd. LJN-nr. AF2496, JG 03.0063 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Herhaalde overtreding van sluitingtijd leidt tot onmiddellijke sluiting
                    horecabedrijf. LJN-nr. AM5381, JG 04.0102 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Net als voor de in artikel 2:29, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt ook
                    hier artikel 174 van de Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten.</al><al/><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere
                    omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene
                    bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2:29,
                    tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken
                    tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige
                    horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel
                    2:29, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het
                    tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke
                    sluiting.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Voor meer informatie zie de uitgave van het
                    Steun- en informatiepunt drugs en veiligheid (SIDV) onder de titel "De wet
                    "Damocles", bestuursdwangbevoegdheid in artikel 13b Opiumwet" (VNG-uitgeverij,
                    Den Haag 1999).</al><al/><al>Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook de website van het SIDV
                    www.sidv.nl.</al><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al/><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                    sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te
                    nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</al><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar.
                    ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</al><al/><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 gemeentewet
                    (oud). Vz.ARRS 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en ABRS 05-07-1996, JG
                    96.0266.</al><al/><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid
                    overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt. HH.</al><al/><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel
                    in harddrugs. Vz.ABRS 22-04-1998, K01.97.0213 (ongepubliceerd). Persoonlijke
                    verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel in harddrugs) is niet van
                    belang. ABRS 29-04-1997, R03.93.4839, JU 982015 (VNG-databank), ABRS 27-06-1997,
                    R03.93.5408, JU 98201 (VNG-databank), en ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt.
                    JGB/AES.Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de
                    exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare
                    orde. Pres. Rb Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                    strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG 97.0075.
                    Sluiting is geen "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 EVRM. Inzage in
                    geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet
                    strijdig met het "fair trial"-beginsel. ABRS 11-061998, AB 1998, 297 m.nt. FM.
                    In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en
                    zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb Breda, 27
                    januari 1998, JG 98.0096.</al><al/><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de APV van
                    Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een
                    oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem
                    16 november 2001, LJN-nr. AD5792.</al><al/><al>Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een overtreding
                    van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire maatregel maar een
                    punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6 van het EVRM op zien. Rb.
                    Den Haag 10-05-2005, LJN-nr. AT6239, JG 05.00105 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol
                    verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten aanzien
                    van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in strijd met
                    artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden. ABRS 11-05-2005, LJN-nr. AT5345, JG 05.0094 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Aan het jarenlang niet optreden van het college tegen het verboden gebruik kan
                    niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college niet meer
                    tot handhaving zou overgaan. Het accepteren van verplichte meldingen op grond
                    van de algemeen plaatselijke verordening voor incidentele feesten is daartoe
                    onvoldoende. ABRS 28-10-2004, LJN-nr. AR5063, JG 05.0008 m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Openlijke geweldpleging vóór het café niet voldoende grond voor sluiting café.
                    LJN-nr. AR6321, JG 05.0036 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Geen geabstraheerde overlast als gevolg van schietincident. Vz Rb Utrecht
                    11-03-2005, LJN-nr. AS9918, JG 05.0060 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te sluiten
                    toetst de rechter terughoudend. ABRS 09-02-2005, LJN-nr. AS5485, JG 05.0048,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden voor
                    tijdelijke sluiting. LJN-nr. AR2177, JG 04.0163 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het schrappen
                    van de gedooglijst van een coffeeshop. LJN-nr. AR8730, JG 05.0033 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting LJN-nr. AR6323, JG 05.0049 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al>Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van coffeeshop.
                    Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. LJN-nr. AT3727, JG 05.0081 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al>Onder verkoop van drugs moet het totaal aan handelingen worden verstaan dat
                    rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt. Handhavingprotocol
                    alcoholvrije inrichtingen kan worden gebruikt, ook al betreft het in casu niet
                    een alcoholvrije inrichting. Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol.
                    LJN-nr. AT4607, JG 05.0082 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Schietincident bij overval is reden voor tijdelijk sluiting. Is een reparatoire
                    maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij de persoon van de
                    coffeeshophouder geen rol speelt. LJN-nr. AT5655, JG 05.juli/augustus m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Sluiting woning voor de duur van één jaar op grond van 174a Gemeentewet wegens
                    overlast. LJN-nr. AT6163, JG 05.0095, m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</vet></al><al>Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Artikel 2:31 richt zich
                    daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met
                    goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de
                    inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en de niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al/><al><vet>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven</vet></al><al>Dit artikel betreft een verbod van heling en is het oude artikel 2.5.5 uit
                    afdeling 12 (betreffende heling) dat in 2008 naar deze afdeling verhuisd is, met
                    de bedoeling om alle artikelen betreffende horecabedrijven bij elkaar te
                    plaatsen. Met de term ‘gebruikte of ongeregelde goederen’ worden dezelfde
                    goederen bedoeld als in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al>Het is bekend dat in sommige cafés regelmatig gestolen goed verhandeld
                    wordt.</al><al>In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter
                    slechts op verkoophandelingen.</al><al/><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten
                    grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996,
                    414 m.nt. FM, JG 96.0267 .</al><al/><al>Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient
                    geen enkel doel. Pres. Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .</al><al/><al><vet>Artikel 2:33 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:33a Zwarte lijst</vet></al><al><cursief>Zwarte lijst</cursief></al><al>Als op individuele bezoekers gericht instrument ter handhaving van de openbare
                    orde in het algemeen en van de orde in inrichtingen in het bijzonder, heeft
                    enkele malen het verschijnsel "zwarte lijst" de publiciteit gehaald.</al><al/><al>Al uit HR 02-06-1924,NJ 1924, p. 901, AB 1924, p. 410, blijkt dat een verbod om
                    personen in een tapperij te laten verblijven die zich aan alcoholhoudende drank
                    plegen te buiten te gaan, de openbare orde betreft.</al><al/><al>In ARRS 19-06-1984, AB 1985, 215 komt aan de orde hoe het hanteren van de zwarte
                    lijst zich verhoudt tot de internationale verdragen en tot de huishouding van de
                    gemeente. Kort gezegd oordeelde de Afdeling dat, mede gezien de achtergrond van
                    het bestreden besluit en het feit dat het verbod slechts deels betrekking heeft
                    op het verblijf van appellant in het jongerencentrum waar deze als vrijwilliger
                    werkzaam was, het gehanteerde middel evenredig is te achten tot het daarmee
                    beoogde doel, te weten de bescherming van de openbare orde, en dat het genomen
                    besluit noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van dat belang.</al><al/><al>Volgens Ktr. Tilburg 22 maart 1989, NJ 1989,- 585, is een toegangsverbod van
                    onbepaalde duur strijdig met artikel 5 van het Verdrag tot bescherming van de
                    rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In verband daarmee verdient
                    het aanbeveling bovenstaande modelbepaling uit te breiden:</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Instrument van de zwarte lijst wordt toelaatbaar geacht. Wnd. Vz.ARRS 16 09
                    1982, AB 1983, 38, en Wnd. Vz.ARRS 30-03-1983, KG 1983, 195.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Het begrip "horecabedrijf" als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel 2.34). Gelet op
                    artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het
                    college het bevoegde bestuursorgaan.</al><al/><al>Het oude artikel 2.3.1.8 (Toegang ambtenaren van politie) is in 2002 geschrapt,
                    omdat de toezichthoudende bevoegdheden van de controlerende
                    (politie)functionarissen nu geregeld zijn in hoofdstuk 5, afdeling 2, van de
                    Awb. Het oude artikel 2.3.1.9 (zakelijk karakter van de vergunning) is geschrapt
                    (ledenbrief 97/144). In dit artikel was de overdraagbaarheid van de
                    exploitatievergunning geregeld. In praktijk bleek dat de persoon van de
                    exploitant een belangrijke rol speelt in de vraag in hoeverre een horecabedrijf
                    het woon- en leefklimaat aantast, dan wel nadelige invloed heeft op de openbare
                    orde. Dit geldt des te meer voor de coffeeshops, die ook onder het stelsel van
                    een overlastvergunning voor horecabedrijven vallen. Door het vervallen van
                    artikel 2.3.1.9 is de exploitatievergunning persoonlijk van aard geworden
                    (artikel 1:5).</al><al/><al><vet>AFDELING 8A BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                        DRANK- EN HORECAWET</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.34a:</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><lijst><li nr="1."><al><cursief>de wet</cursief></al></li></lijst><al>Door het opnemen van deze begripsbepaling kan op eenvoudige wijze worden
                    verwezen naar de Drank en Horecawet</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>terras</cursief></al></li></lijst><al>Uit de omschrijving blijkt dat het terras onderdeel uitmaakt van de inrichting
                    waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, maar dat het terras niet gelegen is
                    in het besloten deel van de inrichting. In de begripsbepaling ontbreekt dat een
                    terras in de open lucht moet zijn gelegen, daar er immers ook sprake kan zijn
                    van een terras in een overdekte winkelstraat. Een terras kan sta- of
                    zitgelegenheid bieden en het moet zijn toegestaan dat daar spijzen en dranken
                    voor gebruik ter plaatse worden verstrekt.</al><al>De hier gebruikte begripsbepaling sluit naadloos aan bij de andere
                    begripsbepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening. </al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>vergunning</cursief></al></li></lijst><al>De begripsbepaling ‘vergunning’ verwijst naar artikel 3 van de Drank- en
                    Horecawet. Het gaat derhalve niet alleen om door het bevoegd gezag verleende
                    vergunningen om het horecabedrijf uit te oefenen, maar ook om vergunningen voor
                    de uitoefening van het slijtersbedrijf.</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>bezoeker</cursief></al></li></lijst><al>Een ieder die zich in een inrichting bevindt waarin het horeca- of het
                    slijtersbedrijf wordt uitgeoefend, met uitzondering van de
                    leidinggevenden(exploitant, bedrijfsleider, beheerder) en dienstdoende personen,
                    zoals barpersoneel, keukenhulpen, schoonmakers en portiers. </al><al>Verder zijn uitgezonderd personen van wie de aanwezigheid in de inrichting
                    wegens dringende redenen noodzakelijk is. Het betreft hier bijvoorbeeld
                    ambulancepersoneel dat te hulp is geroepen of een politieagent of toezichthouder
                    die bezig is met wetshandhaving.</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>paracommerciële inrichting</cursief></al></li></lijst><al>Het begrip ‘paracommerciële inrichting’ staat voor alle kantines die door
                    paracommerciële rechtspersonen in eigen beheer worden geëxploiteerd.
                    Paracommerciële rechtspersonen richten zich per definitie primair op
                    activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke
                    of godsdienstige aard. De exploitatie in eigen beheer van de kantine is een
                    nevenactiviteit.</al><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Bijeenkomsten van persoonlijke aard </cursief></al></li></lijst><al>Definitie zoals genoemd in artikel 4 lid 3 sub b van de wet. Hierbij wordt
                    gedacht aan bijvoorbeeld bruiloften en partijen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Voor de niet in het eerste lid genoemde begrippen die in deze modelverordening
                    worden gebruikt wordt verwezen naar de begripsbepalingen opgenomen in artikel 1
                    van de Drank- en Horecawet.</al><al/><al><vet>Artikel 2.34b:</vet></al><al>Volgens artikel 4, derde lid, van de wet moeten er in elk geval regels worden
                    gesteld voor o.m. schenktijden ter voorkoming van oneerlijke concurrentie. </al><al>Er is voor gekozen de schenktijden voor alcoholhoudende drank te beperken tot de
                    periode beginnende met een uur voor aanvang en eindigende met een uur na</al><al>beëindiging van de activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving
                    van de desbetreffende paracommerciële rechtspersoon.</al><al>In lid 2 zijn de tijden opgenomen waarbinnen deze activiteiten mogen
                    plaatsvinden. Hierbij geldt onverminderd het bepaalde zoals in lid 1 is
                    gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 2.34c:</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de alcoholverstrekking door paracommerciële
                    rechtspersonen tijdens gelegenheden die niet direct verbonden zijn aan de
                    hoofdactiviteit van de paracommerciële rechtspersoon zelf, zoals bruiloften en
                    partijen, maar ook vergaderingen van bijvoorbeeld politieke partijen of goede
                    doelen organisaties.</al><al/><al>Artikel 4 van de wet bevat onder meer de verplichting om ter voorkoming van
                    oneerlijke mededinging bij gemeentelijke verordening regels te stellen waaraan
                    paracommerciële rechtspersonen zich te houden hebben bij de verstrekking van
                    alcoholhoudende drank. Deze regels moeten onder meer betrekking hebben op in de
                    inrichting te houden bijeenkomsten van persoonlijke aard (artikel 4, derde lid
                    onder b, van de wet) en op in de inrichting te houden bijeenkomsten die gericht
                    zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de
                    betreffende rechtspersoon betrokken zijn (artikel 4, derde lid onder c, van de
                    wet).</al><al/><al>Met dit artikel in deze verordening wordt aan de verplichting om dit bij
                    gemeentelijke verordening te regelen voldaan. </al><al>In artikel 2.34f is een ontheffingsmogelijkheid voor artikel 2.34c van de
                    verordening opgenomen. Deze ontheffingsmogelijkheden worden daar
                    toegelicht.</al><al/><al>Artikel 2.34c van de verordeningheeft onder meer betrekking
                    op het verstrekken tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften
                    en partijen, ook indien het personen betreft die direct betrokken zijn bij de
                    betreffende paracommerciële rechtspersoon. Daarnaast heeft het artikel
                    betrekking op bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken
                    zijn zoals bijvoorbeeld vergaderingen van politieke partijen of goede doelen
                    organisaties.</al><al/><al>In deze verordening wordt voorgesteld de alcoholverstrekking door
                    paracommerciële rechtspersonen tijdens dit soort bijeenkomsten in de regel te
                    verbieden. Gezien de lichtere eisen die de Drank- en Horecawet en andere wetten
                    aan paracommerciële rechtspersonen stellen, is het niet wenselijk dat deze
                    rechtspersonen dit als concurrentievoordeel jegens de reguliere horeca kunnen
                    gebruiken. Door dit artikel wordt voorkomen dat (veelal gesubsidieerde)
                    paracommerciële instellingen op onaanvaardbare wijze concurreren met de
                    reguliere horeca.</al><al/><al>De wet biedt in artikel 4 onvoldoende ruimte om bijeenkomsten van derden geheel
                    te verbieden. Daarvoor is dan ook niet gekozen. In deze verordening wordt
                    uitsluitend de alcoholverstrekking tijdens dit soort bijeenkomsten verboden. Bij
                    bijeenkomsten waarbij de paracommerciële rechtspersonen geen alcohol verstrekken
                    speelt het concurrentievoordeel dat ontstaat als gevolg van de lichtere eisen
                    die de wet aan deze rechtspersonen stelt immers veel minder een rol.
                    Vanzelfsprekend zal de paracommerciële rechtspersoon bij het houden van
                    dergelijke bijeenkomsten wel aan de overige regelgeving, zoals het
                    bestemmingsplan, moeten voldoen.</al><al/><al>Volgens dit artikel <onderstreept>heeft</onderstreept> iedere paracommerciële
                    inrichtingen de mogelijkheid om alcoholhoudende drank te verstrekken tijdens ten
                    hoogste 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard of die gericht zijn op
                    personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                    rechtspersoon betrokken zijn. Er mag dus in totaal per jaar bij zes van dit
                    soort bijeenkomsten alcohol worden verstrekt (en niet bij 6 bijeenkomsten per
                    jaar van persoonlijke aard plus 6 bijeenkomsten die gericht zijn op personen die
                    niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende
                    rechtspersoon betrokken zijn).</al><al/><al>Met het oog op de handhaafbaarheid van dit artikel wordt de paracommerciële
                    inrichting verplicht voor een dergelijke bijeenkomst te melden of
                    alcoholhoudende drank zal worden verstrekt. Zo kan worden bijgehouden hoeveel
                    dergelijke bijeenkomsten waar alcohol wordt verstrekt worden gehouden. Mede om
                    de bureaucratische lasten laag te houden kan worden volstaan met een melding en
                    hoeft geen ontheffing of vergunning te worden aangevraagd.</al><al/><al>Opgemerkt moet worden dat de schenktijden van artikel 2.34b van deze verordening
                    ook tijdens dit soort bijeenkomsten gelden. Behalve dat dit de duidelijkheid en
                    handhaafbaarheid ten goede komt, wordt hiermee ook oneerlijke concurrentie
                    tegengegaan. </al><al/><al><vet>Artikel 2.34d:</vet></al><al>Dit artikel verbiedt het schenken van sterke drank in paracommerciële
                    inrichtingen. Dit is de uitvoering van artikel 4 van de wet. Daarvoor is gekozen
                    omdat jongeren paracommerciële inrichtingen, zoals sportverenigingen, veel
                    bezoeken.</al><al>Het is ook wenselijk een onderscheid te maken tussen paracommerciële
                    inrichtingen en commerciële inrichtingen waaraan zwaardere eisen worden gesteld,
                    die geen subsidies ontvangen, geen fiscale voordelen genieten en geen gebruik
                    kunnen maken van barvrijwilligers. Ook moeten commerciële inrichtingen aan meer
                    regels voldoen om de gezondheid van de bezoekers zoveel mogelijk te waarborgen.
                    Het is daarom uit het oogpunt van oneerlijke concurrentie niet wenselijk dat
                    paracommerciële inrichtingen dezelfde mate van vrijheid in het schenken van
                    alcoholhoudende drank krijgen als commerciële inrichtingen.</al><al/><al>De burgemeester kan een tijdelijke ontheffing van dit verbod verlenen met
                    voorschriften en beperkingen (zie artikel 2.34f). Dit maakt maatwerk mogelijk.
                    Het ‘nee, tenzij’ principe geniet dan uit preventief oogpunt de voorkeur.
                    Bovendien wordt daarmee oneerlijke concurrentie zoveel mogelijk tegengegaan. </al><al/><al><vet>Artikel 2.34e:</vet></al><al>Dit artikel is gericht op prijsacties in de horeca en detailhandel.</al><al/><al>Er is bij dit artikel vanuit gegaan dat stunten met de prijs van alcoholhoudende
                    consumpties er enkel op is gericht om meer te verkopen. Meer verkopen betekent
                    meer drinken. Ook jeugd die weinig te besteden heeft wordt zo uitgedaagd te
                    experimenteren met (te)veel drank.</al><al/><al>Happy hours (drank tegen een geringe prijs, bijvoorbeeld 2 voor de prijs van
                    1),gratis drinken (ladys nights) of drank gratis bij een bestelling (gratis
                    alcoholhoudend drankje bij een andere bestelling) zijn voorbeelden van
                    prijsacties in de horeca.</al><al/><al>Achtergrond van dit artikel is dat prijsacties in de horeca ter bevordering van
                    de verkoop van grotere hoeveelheden alcohol, meer dan men gebruikelijk is te
                    drinken op dat moment, aanzet tot een grotere consumptie op langere termijn.
                    Nieuw is dit idee niet. In het regionaal en lokaal horeca-convenant was al de
                    volgende bepaling opgenomen: “De horeca organiseert geen verkoopbevorderende
                    activiteiten die onverantwoord alcoholgebruik stimuleren”.</al><al>Deze bepaling wordt nu in de regelgeving opgenomen met een meer specifieke
                    afbakening van het begrip ‘verkoopbevorderende activiteit’. </al><al/><al>Artikel 25d van de wet biedt gemeenten voortaan de mogelijkheid prijsacties in
                    de horeca gedeeltelijk te beperken. Hoewel de wet toestaat dat de gemeente het
                    verbod op extreme prijsacties beperkt tot prijsacties van een bepaalde aard,
                    bijvoorbeeld alleen een verbod op Ladies Nights, is daar niet voor gekozen.
                    Gemeenten kunnen de bepaling alleen inzetten ter bescherming van de
                    volksgezondheid of in het belang van de openbare orde. Desgewenst kan de
                    bepaling ook alleen gelden voor een bepaald deel van de gemeente. </al><al/><al>Tegelijk stelt de wet een bovengrens in wat een gemeente kan verbieden: de
                    verbodsbepaling kan alleen betrekking hebben op het bedrijfsmatig en anders dan
                    om niet verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse tegen
                    een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de
                    prijs die in de betreffende horecalokaliteit of op het betreffende terras
                    gewoonlijk wordt gevraagd. Dus de actie ‘3 voor de prijs van 2’ is wel
                    toegestaan (immers, dit is 66% van de reguliere prijs) maar ‘2 voor de prijs van
                    1’ is niet toegestaan. </al><al>De prijs die ‘gewoonlijk wordt gevraagd’ is af te leiden van de verplicht door
                    de horecalokaliteit te voeren prijslijst. Dit artikel ter beperking van
                    prijsacties is niet van toepassing op evenementen met een artikel 35-ontheffing. </al><al/><al>Naast prijsacties in de horeca staan prijsacties in de detailhandel tegelijk ook
                    een effectief alcoholpreventiebeleid in de weg. Naar schatting 80% van alle in
                    Nederland geconsumeerde liters alcohol wordt verkocht via de detailhandel,
                    waarvan 90% via supermarkten. De prijs van alcohol is in de detailhandel ook
                    (met afstand) het laagst.</al><al>Verder vindt ongeveer driekwart van de prijsacties op bier plaats via
                    supermarkten. Vaak adverteren supermarkten vooral met goedkoop bier tijdens
                    feestdagen, zelfs tot onder de kostprijs. Er is dan sprake van dumpprijzen met
                    het doel meer alcohol en andere aanverwante producten te verkopen. Dat zijn
                    momenten waarop mensen toch al geneigd zijn om meer te drinken. Dit stimuleert
                    overmatig alcoholgebruik en ook nog op momenten dat dit mogelijk extra risico’s
                    voor de openbare orde en veiligheid met zich brengt.</al><al/><al>Er is veel onderzoek dat aantoont dat het verlagen van prijzen van
                    alcoholhoudende dranken (bijvoorbeeld door prijsacties) alcoholgebruik en
                    alcohol gerelateerde schade in de hand werkt (Babor 2010, RAND 2009, Meier
                    2008). Een meerderheid van de jongeren geeft aan als gevolg van prijsacties méér
                    te gaan drinken (Universiteit Twente 2007). Doel van het artikel is de
                    volksgezondheid te beschermen en de openbare orde te bewaken. Het artikel is
                    gericht op een verbod van extreme prijsacties die leiden tot het ‘dumpen’ van
                    alcohol, bijvoorbeeld op piekmomenten (in examenfeesttijd en rond Oud en Nieuw)
                    en vaak onder de kostprijs. In de toelichting bij de wet wordt er van uitgegaan
                    dat van dumpen in de detailhandel sprake is bij kortingen van meer dan 30%.
                    Gemiddeld werd in 2008/2009 25% korting gegeven. Maar naar schatting is een
                    kwart van de prijsacties op bier hoger dan 30% van de normale verkoopprijs (STAP
                    2011). Deze worden met dit artikel verboden als ze een week of korter duren.
                    Langere acties leiden in mindere mate tot ‘piek gedrag’ en zijn economisch
                    waarschijnlijk ook niet altijd mogelijk, aangezien dan aanzienlijk verlies wordt
                    geleden op deze acties. Overigens vinden producenten en importeurs een maximale
                    korting van 50% verantwoord (STIVA Reclamecode voor alcoholhoudende dranken,
                    januari 2012).</al><al/><al>De wetgever heeft gemeend prijsacties in de detailhandel (ook) niet in zijn
                    geheel te willen verbieden maar wel een bovengrens aan te geven. Voor verkoop
                    van alcohol voor gebruik elders dan ter plaatse wordt aan een verbod de volgende
                    reikwijdte verbonden: die prijsactie die geldt voor een periode van een week of
                    korter en waarbij de actieprijs lager is dan 70% van de reguliere prijs die bij
                    dat verkooppunt gewoonlijk wordt gevraagd (dus ‘3 halen en 2 betalen’ is daarmee
                    niet toegestaan, dit betreft namelijk 66% van de reguliere prijs). Wanneer meer
                    gemeenten deze bepaling opnemen zullen landelijke winkelketens eerder geneigd
                    zijn hun reclamebeleid hier op aan te passen. </al><al/><al>Gelet op het streven naar een effectief preventief alcoholbeleid en ter
                    bescherming van de volksgezondheid en het tegengaan van verstoring van de
                    openbare orde en veiligheid, is in het artikel ook voor de detailhandel de
                    bovengrens gehanteerd die de wetgever de gemeente biedt. </al><al/><al><vet>Artikel 2.34f:</vet></al><al>In dit artikel zijn de mogelijkheden opgenomen tot het verlenen van ontheffingen
                    van de in deze afdeling gestelde verboden. </al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid gaat het om ontheffingen van de verboden in de artikelen
                    2.34b, 2.34c en 2.34d. Het betreft het verbod om op bepaalde tijden
                    alcoholhoudende drank te verstrekken in paracommerciele inrichtingen (art.
                    2.34b), het verbod om alcoholhoudende drank te schenken tijdens bijeenkomsten
                    van persoonlijke aard of die gericht zijn op personen die niet of niet
                    rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersonen betrokken
                    zijn (art. 2.34c) en het verbod om sterke drank te verstrekken in
                    paracommerciële inrichtingen (art. 2.34d). </al><al/><al>De burgemeester kan een tijdelijke ontheffing verlenen. Argumenten om een
                    tijdelijke ontheffing te verlenen zijn bijvoorbeeld de aard van de
                    rechtspersoon, de doelgroep waar die rechtspersoon zich op richt en de vraag of
                    er sprake is van concurrentie met reguliere commerciële horecabedrijven. De
                    mogelijkheid tot het verlenen van ontheffingen moet zeer terughoudend worden
                    toegepast. Het spreekt daarbij vanzelf dat toepassing hiervan uiterst zorgvuldig
                    moet worden gemotiveerd. </al><al/><al>Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van het vastgestelde
                    beleid in een concreet geval tot onevenredige en onwenselijke situaties kunnen
                    leiden. In zo'n geval kan ontheffing worden verleend. Dit is geen verplichting,
                    maar een goede belangenafweging kan tot deze uitkomst leiden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat de ontheffing niet stilzwijgend wordt verleend
                    indien de burgemeester te laat of niet reageert op een aanvraag om een
                    ontheffing . De lex silencio positivo is dus niet van toepassing.</al><al/><al><cursief>Derde lid. </cursief></al><al>Dorps- en gemeenschapscentra spelen van oudsher een belangrijke rol in de
                    versterking van leefbaarheid en sociale cohesie in de dorpen en het handhaven
                    van het voorzieningen niveau</al><al>Doorgaans vallen zij in de categorie paracommerciële instellingen. Uit de
                    modelverordening van de VNG blijkt dat het van belang is dat een gemeente per
                    buurt- of dorpshuis de afweging maakt, of het verbinden van beperkingen aan de
                    drankvergunning wel nodig is. ‘In gemeenten op het platteland vervullen
                    dorpshuizen vaak de rol van verlengde huiskamer. Voor de dorps- en
                    gemeenschapscentra zijn daarom in onze gemeente aparte regels opgesteld door het
                    college van burgemeester en wethouders.</al><al/><al><vet>AFDELING 9: TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN
                        NACHTVERBLIJF</vet></al><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Het begrip "inrichting" als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al/><al>De definitie van "houder" zoals deze werd gegeven in artikel 2.3.2.1, tweede lid
                    (oud) is geschrapt. Het begrip "houder" is een ouderwets begrip en er wordt
                    slechts in de artikelen 2:36 en 2:38 van gesproken. Op die plaatsen is "houder"
                    vervangen door "exploitant of feitelijk leidinggevende". Er is geen inhoudelijke
                    wijziging beoogd. Houder (dus exploitant of leidinggevende) kan ook een
                    rechtspersoon zijn, in welk geval moet worden aangenomen dat de
                    registratieplicht de directeur betreft: HR 14-06-1955, NJ 1956, 38.</al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie [2.3.2.2]</vet></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel
                    438 schrijft voor dat de houder van de inrichting:</al><al>– bij aankomst van een gast een geldig reisdocument of identiteitsbewijs
                    verlangt en daarvan aantekening maakt (eerste lid, onder 1e), en diens naam,
                    beroep of betrekking, woonplaats en dag van aankomst moet aantekenen (eerste
                    lid, onder 2e);</al><al>– bij vertrek van de gast de dag van vertrek aantekent (eerste lid, onder
                    2e);</al><al>– het register op aanvraag vertoont aan de burgemeester of een door deze
                    aangewezen ambtenaar.</al><al/><al>Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van
                    deze paragraaf primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing
                    of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te
                    vergemakkelijken. De in deze paragraaf opgenomen bepalingen kunnen eveneens een
                    ander oogmerk hebben: bijvoorbeeld, behalve de openbare orde, het vastleggen van
                    kwantitatieve gegevens over het recreatieve bezoek (om daarmee een
                    openluchtrecreatie‑ en toerismebeleid te kunnen voeren). </al><al>Een toezichthouder is op grond van artikel 5.17 Awb bevoegd inzage te vorderen
                    van zakelijke gegevens en bescheiden.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Het nachtregister moet op aanvraag worden vertoond aan de burgemeester of een
                    door deze aangewezen ambtenaar. Tot aanwijzing als hier bedoeld is de
                    gemeenteraad niet bevoegd: HR 13‑12‑1897, W. 7056.</al><al>Het college van de gemeente Terschelling had terecht uitgesproken dat het
                    beschikken over gastenstatistieken ‘dienstbaar kan worden gemaakt aan de
                    bevordering van het toerisme binnen de gemeente’ en ‘kunnen die voorschriften
                    worden aangemerkt als betreffend de huishouding der gemeente’. HR 13‑12-1966, AB
                    1967, p. 429</al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Artikel 438 Wetboek van Strafrecht kan bij plaatselijke verordening worden
                    aangevuld. HR 10 4 1979, NJ 1979, 442.</al><al/><al><vet>AFDELING 10: TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het begrip "speelgelegenheid" als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino’s en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al/><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen , zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><al/><al><onderstreept>Tweede en derde lid</onderstreept></al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al/><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de model APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><al/><al>Op 7 januari 2003 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de burgemeester
                    bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang in geval van een casino zonder
                    vergunning ex artikel 2:39 APV, een illegaal casino dus. Er was een vergunning,
                    maar vast staat dat deze was ingetrokken onder meer vanwege een geconstateerde
                    overtreding van de Wet op de Kansspelen en daarmee van overtreding van artikel
                    2:39 van de APV. Daarna is geconstateerd dat in het pand een illegaal casino
                    werd geëxploiteerd. Daarmee stond dus vast dat zonder vergunning een
                    speelgelegenheid werd geëxploiteerd, zodat bestuursdwang kon worden toegepast.
                    Ook werd bepaald dat er geen sprake was van een besloten bijeenkomst in
                    verenigingsverband, omdat een ieder tegen betaling van een betrekkelijk gering
                    bedrag lid kon worden en mee kon spelen. Rb Maastricht 07-01-2003, nr 01/1750 en
                    01/1751 GEMWT I, LJN-nr. AF2782</al><al/><al>Op 17 juli 2002 heeft de president van de rechtbank Arnhem in voorlopige
                    voorziening een uitspraak gedaan over de sluiting van een illegale
                    speelgelegenheid op basis van de APV van de gemeente Groesbeek. De gemeente
                    Groesbeek heeft een uitgebreide paragraaf opgenomen in de APV over
                    speelgelegenheden, waarin het vergunningensysteem veel verder is uitgewerkt dan
                    in de model APV. Er worden onder meer eisen aan de exploitant gesteld en er zijn
                    meer weigeringsgronden opgenomen. Er was tot nu toe nog geen rechterlijke
                    uitspraak over de verbindendheid van deze bepalingen. In deze uitspraak kwam
                    uitsluitend de vraag aan de orde of er sprake was van een speelgelegenheid met
                    een besloten karakter. Dat er sprake was van een speelgelegenheid was niet in
                    discussie. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake was van een voor
                    het publiek toegankelijke inrichting en dat de burgemeester van de gemeente
                    Groesbeek de bevoegdheid had bestuursdwang toe te passen. Deze
                    voorzieningenrechter is dus kennelijk van mening dat de APV Groesbeek verbindend
                    moet worden geacht, hoewel er niet expliciet aandacht aan wordt besteed in de
                    uitspraak. Pres. Rb. Arnhem 17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al/><al><cursief>Internetgokzuilen</cursief></al><al>Inmiddels is er ook een uitspraak van de Raad van State op 29 januari 2003 over
                    een gelegenheid waarin een internetgokzuil is geplaatst. De Raad van State gaat
                    ervan uit, en dit was ook niet in geschil, dat er dan sprake is van een
                    speelgelegenheid in de zin van dit artikel. Appellant exploiteerde zonder dat
                    zij over de vereiste vergunning beschikte, en de burgemeester is op grond van
                    artikel 125, derde lid, Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.
                    ABRS 29-01-2003, 200202981/1, LJN-nr. AF 3507. Zie ook Rb Arnhem, 11-03-2002, JG
                    02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al>Er zijn ook enkele uitspraken van de strafrechter geweest waarin de exploitant
                    van een internetgokzuil en een exploitant van een inrichting waarin een
                    internetgokzuil is geplaatst zijn veroordeeld tot een boete.</al><al/><al><cursief>Speelautomatenhallen</cursief></al><al>Speelautomatenhallen vallen niet onder de bepaling. Het is mogelijk in een
                    speelautomatenhallenverordening te bepalen dat bij de beoordeling van een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal rekening
                    wordt gehouden met de woon en leefsituatie. De VNG heeft een model
                    speelautomatenhallenverordening opgesteld.</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is hoogst onwenselijk zijn
                    als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke
                    toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio
                    positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen
                    belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Algemene toelichting.</vet></al><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Internetgokzuil in inrichting maakt dat er sprake is van speelgelegenheid,
                    burgemeester kan handhavend optreden. ABRS 29-01-2003, 200203981/1, LJN-nr
                    AF3507, Rb Almelo11-03-2002, JG 02.0152 m.nt. T.J. van der Reijt.</al><al/><al>Burgemeester kan bestuursdwang toepassen in geval er sprake is van een
                    speelgelegenheid, in dit geval een illegaal casino, zonder vergunning. Rb
                    Maastricht 07-01-2003, 01/17050 en 01/1751 GMWT I, LJN-nr. AF2782.</al><al/><al>Speelgelegenheid door een vereniging waarvan tegen betaling van een gering
                    bedrag een ieder lid kan worden, heeft geen besloten karakter, burgemeester kan
                    optreden indien er geen vergunning is. Rb Arnhem 17-07-2002, 00/3094 en 00/3095
                    AW, LJN-nr. AF5840.- Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten
                    aangemerkt, dus kan bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rb Arnhem
                    17-07-2002, 02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al/><al>Speelgelegenheid wordt in casu niet als besloten aangemerkt, dus kan
                    bestuursdwang worden toegepast ogv APV Groesbeek. Rechtbank Arnhem 17-07-2002,
                    02/1400, LJN-nr. AE5840.</al><al/><al>Gelegenheid bieden tot winnen van prijzen en premies middels internetgokzuilen
                    is strafbaar feit, Ec.politierechter Zutphen, 17-05-2002, 06/035799-01, LJN-nr.
                    AE4680 en Rb. Arnhem, ec. kamer, 20-12-2001, 05/087842-00, LJN-nr. AD8104.</al><al/><al><vet>Artikel 2:40 Speelautomaten</vet></al><al>Op 1 juni 2000 is het gewijzigde hoofdstuk van de Wet op de Kansspelen over de
                    speelautomaten in werking getreden (opnieuw gewijzigd per 1 november 2000). De
                    wetgever had er bewust voor gekozen ruimte te laten voor de uitleg van de
                    artikelen: de rechter moest maar voor nieuwe jurisprudentie zorg dragen. Deze
                    opvatting gaf de gemeenten nogal wat problemen.</al><al/><al>Begin 2002 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) een aantal
                    uitspraken gedaan, waarin ten aanzien van hoog- en laagdrempelige inrichtingen
                    een interpretatie wordt gegeven over de wijziging van de Wet op de Kansspelen
                    d.d. 1 november 2000 ten gevolge van de ingrijpende wijziging van de Drank- en
                    Horecawet. Het gaat hierbij vooral over de begrippen "inrichting" en
                    "horecalokaliteit" en de gevolgen voor hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Het
                    CBB overweegt - in tegenstelling tot wat uit de wetsgeschiedenis blijkt en tot
                    nu toe uit de jurisprudentie is gebleken – "dat er wel sprake is van een
                    materiële wijziging van de Wet" en niet slechts van een technische. Dit kan
                    verstrekkende consequenties hebben voor de gemeentelijke praktijk, vooral voor
                    de wijze van formulering van besluiten.</al><al>Het CBB toetst de vraag of er sprake is van een hoogdrempelige inrichting op een
                    wetstechnische manier. Er dient slechts beoordeeld te worden of er sprake is van
                    een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet en of er zich in deze
                    horecalokaliteit zelf geen andere activiteiten afspelen waaraan een zelfstandige
                    betekenis kan worden toegekend. (Een horecalokaliteit in de zin van de Drank- en
                    Horecawet is een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel
                    uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in
                    ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik
                    ter plaatse.) Moeilijk is te bepalen wat een andere zelfstandige activiteit is.
                    Hierover is veel jurisprudentie, zie hieronder onder het kopje jurisprudentie.
                    Er moet in ieder geval gedacht worden aan het afhalen van etenswaren, dansen,
                    zaalverhuur, bowlen of kegelen en het serveren van kleine etenswaren. Waar
                    precies de grens ligt tussen ondersteunende activiteiten en zelfstandige
                    activiteiten is een sterk feitelijk oordeel en zal van geval tot geval moeten
                    worden bekeken, gerelateerd aan de jurisprudentie. In welke omgeving de
                    horecalokaliteit ligt, is, in tegenstelling tot de oude jurisprudentie, niet
                    meer van belang. Ook een horecalokaliteit op een camping of in een sporthal of
                    dorpshuis kan hoogdrempelig zijn. Deze benadering leidt tot de vreemde
                    consequentie dat bijvoorbeeld een seksinrichting als laagdrempelig wordt
                    aangemerkt en een sportkantine (soms) als hoogdrempelig.</al><al/><al>Op 17 juli 2002 heeft het CBB geoordeeld dat een horecalokaliteit, gelegen in
                    een sportcomplex, niet per definitie laagdrempelig is. De sporthal zelf maakt
                    geen onderdeel uit van de inrichting. Er dient beoordeeld te worden of de
                    horeca-inrichting zelf hoogdrempelig is. Het feit dat het café voornamelijk
                    gericht is op bezoekers van het sportcomplex, staat daar, aldus het CBB, los
                    van. Ook het feit dat het café in belangrijke mate bezocht wordt door bezoekers
                    beneden de 18 jaar staat er volgens het CBB niet aan in de weg dat de lokaliteit
                    niet tevens in belangrijke mate gericht kan zijn op bezoekers van boven de 18
                    jaar en dat is het wettelijk criterium. (CBB 17-07-2002, JG 02.0153 , m.nt. T.J.
                    van der Reijt)</al><al/><al><cursief>Samengestelde inrichtingen</cursief></al><al>Indien er sprake is van een laagdrempelige horeca-inrichting, waarbinnen zich
                    een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Drank- en Horecawet
                    bevindt, dient te worden onderzocht of de laagdrempelige gedeelten vanaf de
                    openbare weg bereikt kunnen worden via deze horecalokaliteit. Als dit het geval
                    is, dan is (op grond van artikel 30c lid 4 van de Wet op de Kansspelen) de
                    horecalokaliteit alsnog laagdrempelig en is het niet toegestaan
                    kansspelautomaten te plaatsen.</al><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                    wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                    samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan
                    af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of
                    er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><al>a. Bij één afgesloten ruimte. </al><al>1. is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet? </al><al>2. staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf? </al><al>3. zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen ouder dan 18? </al><al>Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een hoogdrempelige
                    inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn toegestaan. Is aan een van de
                    eisen niet voldaan, dan is er sprake van een laagdrempelige inrichting. </al><al>b. Bij meerdere ruimten in een gebouw. </al><al>1. is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het gebouw, dan wel
                    van meerdere lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, die
                    tezamen een besloten ruimte vormen binnen het gebouw? </al><al>2. wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het geheel van de
                    lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting vormen, voldaan aan de stappen
                    onder A? </al><al>Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een hoogdrempelige inrichting. </al><al>c. Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en
                    Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting. </al><al>1. worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord? </al><al>2. zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting. </al><al>3. zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting mogelijk door
                    het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit? (artikel 30c lid 4 Wet op de
                    Kansspelen). </al><al>4. zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de
                    Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet toegestaan. </al><al>5. zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet
                    op de Kansspelen. </al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Het verstrekken van lunches tussen 12.00 uur en 15.30 uur, dat speciaal op een
                    reclamebord wordt aangekondigd en waarvoor een aparte lunchkaart is, vormt een
                    laagdrempelige activiteit. CBB 11-04-2003, AWB 02/1474, LJN-nr. AF7697.</al><al/><al>Een deur die slechts niet op slot mag vanwege brandveiligheidsvoorschriften,
                    maakt dat het mogelijk is via het eetcafé de snackbar te betreden. Geen
                    kansspelautomaten toegestaan. CBB 29-01-2003, AWB 02/697, LJN-nr. AF3782.</al><al/><al>De beslissing in een zogenaamd "feestcafé"-vergunning voor twee
                    kansspelautomaten onvoldoende gemotiveerd, omdat geen aandacht is besteed aan de
                    stelling dat er geen sprake meer was van exploitatie van een disco. De
                    motivering had betrekking dienen te hebben op de feitelijke gang van zaken in de
                    inrichting. Gemeente moet opnieuw besluiten. CBB 29-01-2003, AWB 02/969, LJN-nr.
                    AF3780.</al><al>Een inrichting die zich als lunchcafé afficheert, gelegen is bij een markt en
                    een sterk accent legt op kleine etenswaren, hetgeen ook uit de omzetcijfers
                    blijkt, is laagdrempelig. CBB 22-01-2003, AWB 02/1277, LJN-nr. AF 4096.</al><al/><al>Hotellobby, waarin zich bar, eetgelegenheid en hotelreceptie bevindt, is
                    laagdrempelig, want de hotelreceptie trekt zelfstandige stroom bezoekers. Ook
                    het feit dat hotelgasten door een verbindingsdeur met een pasje naar de kamers
                    kunnen, maakt de ruimte laagdrempelig. Vz. CBB 31-12-2002, AWB 02/1501, 02/1702,
                    LJN-nr AF3234.</al><al/><al>Bar/foyer in multifunctioneel vergadercentrum laagdrempelig, omdat het publiek
                    van buitenaf de zalen kan bereiken. Geen samengestelde inrichting. CBB
                    23-12-2002, AWB 02/838, LJN-nr. AF3251.</al><al/><al>Inrichting met restaurant met snackbar laagdrempelig, en restaurantgedeelte niet
                    als hoogdrempelig aan te merken, omdat er één Drank- en Horecavergunning is, het
                    personeel vanuit dezelfde ruimte beide gedeelten bedient en de toiletten (die
                    ook bestemd zijn voor bezoekers van de snackbar met bijbehorend terras) slechts
                    te bereiken zijn via het restaurantgedeelte. CBB 20-12-2002, AWB 02/1523,
                    LJN-nr. AF3248.</al><al/><al>Eetcafé dat zich hoofdzakelijk richt op het winkelend publiek en openingstijden
                    die gelijklopen met winkelcentrum en waar overdag voornamelijk koffie, thee,
                    fris, kleine gerechten en lunches worden geserveerd is laagdrempelig. CBB
                    20-12-2002, AWB 02/1493, LJN-nr. AF3245.</al><al/><al>Eetcafé met kleine kaart naast driecomponentenmaaltijden tot 17.00 uur
                    laagdrempelig in zin van de Wet op de Kansspelen, Vz.CBB 23-10-2002, AWB02/1647,
                    LJN-nr. AF1167.</al><al/><al>Een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten kan slechts worden
                    verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon, die houder is van een een
                    vergunning ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet, dan wel
                    inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het bedrijfsschap Horeca en Catering.
                    CBB 9 oktober 2002 AWB 01/963, 01/964, 01/ 965. LJN-nr. AF0354.</al><al/><al>Gebiedsaanwijzing in speelautomatenhallenverordening toegestaan, ook als
                    eigenlijk al bekend was aan wie de vergunning zou worden verleend. CBB
                    04-10-2002, AWB 02/414, LJN-nr. AF0388.</al><al/><al>Inrichting waar floorshows en stripteaseshows worden gegeven laagdrempelig en
                    seksinrichting laagdrempelig. CBB 18-09-2002, AWB 02/559, LJN-nr. AF1844 en CBB
                    19-06-2002, AWB02/25, LJN-nr. AE6041.</al><al/><al>Omzetpercentage van kleine etenswaren in een eetcafé op zichzelf niet bepalend
                    voor de vraag of er sprake is van een zelfstandige stroom bezoekers. Meer van
                    belang is de combinatie van het aanbod en de ligging, namelijk in een
                    winkelcentrum. CBB 21-08-2002, AWB02/84, LJN-nr. AE7051.</al><al>Weigering van aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in café is in
                    strijd met motiveringsbeginsel. CBB 26-07-2002, AWB01/536, LJN-nr. AE7541.</al><al/><al>Sportkantine niet per definitie laagdrempelig. CBB 17-07-2002, AWB01/822, JG
                    02.0153 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE 7540.</al><al/><al>Bowlingbaan niet gescheiden van bargedeelte. Hoewel de bowlingactiviteiten
                    slechts 20% van de omzet genereert, is er toch sprake van een zelfstandige
                    stroom van bezoekers. CBB 10-07-2002, AWB 02/300, LJN-nr. AE6038.</al><al/><al>Café bij supermarkt niet per definitie laagdrempelig. Voor beantwoording van de
                    vraag of van hoog- dan wel laagdrempelige inrichting sprake is, is beslissend de
                    wijze waarop de inrichting feitelijk op basis van de verleende vergunningen
                    functioneert en geëxploiteerd wordt. CBB 19-06- 2002, AWB02/236, LJN-nr.
                    AE6040.</al><al/><al>Deur die fungeert als nooduitgang voor het publiek tussen hoogdrempelig (café)
                    en laagdrempelig (kegelbaan) gedeelte van dezelfde inrichting, met ieder hun
                    eigen ingang, maakt dat de kegelbaan door het publiek kán worden bereikt via de
                    ingang van het café. Daarom geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 01-03-2002,
                    AWB01/399 29010, JG 02.0070 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AE0468.</al><al/><al>Geen sprake van afzonderlijke horecalokaliteit in een inrichting met een
                    afhaalgedeelte en een café verbonden via een gemeenschappelijke bar waarachter
                    het personeel beide gedeelten van de inrichting kan bedienen. Eén
                    horecalokaliteit met meerdere activiteiten, kansspelautomaten niet toegestaan.
                    CBB 22-02-2002, AWB01/903 29011, JG 02.0068 , m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr.
                    AD9635.</al><al/><al>Steeds geheel of gedeeltelijk geopende harmonicawand tussen café en zaalgedeelte
                    is niet voldoende om te spreken van twee afzonderlijke horecalokaliteiten. In
                    café geen kansspelautomaten toegestaan. CBB 15-02-2002, AWB01/482 29010, JG
                    02.0069 m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9977.</al><al/><al>Dorpshuis is niet in zijn geheel aan te merken als - laagdrempelige - inrichting
                    in de zin van de Wet op de kansspelen. In ieder geval behoren de was- en
                    kleedruimten, gezien de definitie conform de Drank- en Horecawet per 1 november
                    2000, niet tot de inrichting. CBB 13-02-2002, AWB01/616, JG 02.0065 m.nt. T.J.
                    van der Reijt, LJN-nr. AD9636.</al><al/><al>Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Aanwezigheid van
                    een voor het publiek toegankelijke deur tussen snackbar en café. In het geval er
                    slechts één deur is vanaf de openbare weg naar de snackbar, waarna kan worden
                    doorgelopen naar het café, is dat niet voldoende motivering om een vergunning
                    kansspelautomaten te weigeren. CBB 13-02-2002, AWB01/668, JG 02.0066 m.nt. T.J.
                    van der Reijt, LJN-nr. AD9630.</al><al/><al>Samengestelde inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen. Van belang is of
                    het publiek gebruik kán maken van de deur aan de openbare weg van het
                    café/restaurant om de overige - laagdrempelige - ruimten in de inrichting te
                    bezoeken. Nabijheid camping niet van doorslaggevende betekenis bij vraag of
                    kansspelautomaten zijn toegestaan. CBB13-02-2002, AWB01/582 29010, JG 02.0067
                    m.nt. T.J. van der Reijt, LJN-nr. AD9589.</al><al/><al>Nachtbar/dancing is laagdrempelig. CBB 13-08-2001, AWB 01/537 29010, JG 01.0180
                    , m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Seksclub niet hoogdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/347 29010, JG 01.0156 ,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Salsaclub is laagdrempelig. CBB 16-07-2001, AWB 01/378 29010, JG 01.0181 , m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al>Het bieden van de mogelijkheid tot het afhalen van eten vormt laagdrempelige
                    activiteiten die een zelfstandige betekenis hebben. Broodjes, broodjes shoarma
                    en soepen zijn niet als volledige maaltijd aan te merken. CBB 15-11-2000, AWB
                    00/73 29010, JG 01.0125 , m.nt. A. L. Esveld.- Het niet tijdens de gehele
                    openingstijd serveren van maaltijden die voldoen aan de definitie van het begrip
                    maaltijd, maakt een inrichting laagdrempelig. CBB 08-03-2000, AWB 99/715 29010,
                    JG 00.0083 , m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Exploitant speelautomaten is geen, exploitant horeca-inrichting is wel
                    belanghebbende ex artikel 1:2 Awb. CBB 09-02-2000, AWB 99/550 29010, JG 00.0158
                    , m.nt. A. L. Esveld.</al><al/><al>Het koppelen van de openingstijden van een inrichting aan die van een supermarkt
                    is mede een reden om die inrichting als laagdrempelig te beschouwen. CBB
                    13-01-2000, AWB 99/43 29010, JG 00.0104, m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>De omstandigheid dat coffeeshophouders personen onder de 18 jaar niet tot hun
                    inrichting mogen toelaten maakt de kwalificatie van een coffeeshop als
                    laagdrempelig niet zinledig. CBB 13-01-2000, AWB 98/1162 29010, JG 00.0132 ,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Niet ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca, derhalve ontbreekt wettelijke
                    grondslag voor vergunning voor de aanwezigheid van kansspelautomaten. CBB
                    11-03-99, AWB 98/732 29000, JG 00.0045 , m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>AFDELING 11: MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is aan te raden om voor
                    de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds verbroken
                    een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin
                    een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod.</al><al>Vóór 2002 was het oude artikel 2.4.1 genummerd als 2.4.1a. Het daarvoor
                    bestaande Artikel 2.4.1 over kraken van gebouwen is al daarvoor geschrapt wegens
                    strijd met hogere regelgeving.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen. In 2007 is het tweede lid daarop aangepast (ledenbrief
                    Lbr.07/125).</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Veel jurisprudentie over sluiting van drugspanden of voor publiek toegankelijke
                    lokalen staat op de website van het Steun- en Informatiepunt Drugs en Veiligheid
                    (SIDV): www.sidv.nl .</al><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term "bekladden" ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat "plakken" slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al/><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al/><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. Zie daarover: M. Geertsema in de noot onder ABRS 05-06-2002 in JG
                    02.0221. .</al><al/><al><cursief>Doen plakken of doen aanbrengen</cursief></al><al>Bij de herziening van 2004 is het verbod van het tweede lid, onder a, in die zin
                    uitgebreid dat nu ook het "doen" plakken of het op andere wijze "doen"
                    aanbrengen van aanplakbiljetten onder de verbodsbepaling valt. Dit vanwege de
                    jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Onder "doen"
                    aanplakken verstaat de Afdeling het geven van opdracht om te plakken of een
                    actieve bemoeienis daarmee hebben. In die gevallen kan de gemeente dus met
                    succes handhaven.</al><al/><al>Onder actieve bemoeienis wordt door de Afdeling niet verstaan: door het enkele
                    verstrekken van aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan
                    te brengen; het alleen maar niet tegengaan van het aanplakken; het op internet
                    plaatsen van posters die men voor eigen gebruik kan uitprinten, terwijl onder
                    dat eigen gebruik mede wordt verstaan het hangen van posters in de stad.</al><al>Men moet bij de handhaving de opdrachtgever wel een redelijke termijn gunnen om
                    bij de door haar ingeschakelde plakbedrijven te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters te bewerkstelligen.
                    Naast de bestuurlijke mogelijkheden tot handhaving en kostenverhaal, kan de
                    rechthebbende zijn kosten op de opdrachtgever ook verhalen met inschakeling van
                    de burgerlijke rechter.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1989, NJ 1990, 222, blijkt dat
                    pas wanneer op grond van de algemene ervaringsregelen aannemelijk is geworden
                    dat rechthebbenden op zodanige schaal zouden weigeren in te stemmen met
                    aanplakking dat in feite geen mogelijkheid tot gebruik van enige betekenis van
                    dit middel tot verspreiding aanwezig is, van de gemeenten een min of meer
                    voorwaardenscheppend beleid gevraagd wordt zodat aan het criterium "dat gebruik
                    van enige betekenis moet overblijven", ook feitelijk inhoud kan worden gegeven.
                    Het hangt af van "bijzondere plaatselijke omstandigheden" of er nog gesproken
                    kan worden van gebruik van enige betekenis. Deze zullen dan ook onderzocht
                    moeten worden, aldus de Hoge Raad in een uitspraak van 26 januari 1993, NJ 1993,
                    534.</al><al>Verzoek om vergunning voor het aanbrengen van borden aan lantaarnpalen ten
                    behoeve van het plakken van affiches is terecht opgevat als verzoek om
                    toestemming van de gemeente als eigenares van de lantaarnpalen. Betreft een
                    privaatrechtelijke aangelegenheid. ARRS 30 12 1993, JG 94.0194 m.nt. J.M. van
                    den Bosch van Os, AB 1994, 578 m.nt RMvM.</al><al>Een projectie van een lichtreclame is te beschouwen als een andere wijze van
                    aanbrengen dan aanplakken van een afbeelding of aanduiding als bedoeld in de
                    APV. Vz.ARRS 13 12 1992, JG 93.0261 , Gst. 1993, 6965, 3 m.nt EB.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie: Vrijheid van meningsuiting</vet></al><al>In APV opgenomen plakverbod is onverbindend wegens strijd met artikel 7, lid 1,
                    Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Derhalve is geen vervolging mogelijk ter
                    zake van "wild plakken". Er waren geen voldoende vrije plakplaatsen in de
                    stadsdelen. Gemeente is verplicht deze te scheppen. Rb. Amsterdam
                    07-10-1993.</al><al/><al>Over een bepaling in de APV Amsterdam met ongeveer gelijkluidende inhoud als
                    artikel 2:42 oordeelde de Hoge Raad dat "niet aannemelijk is geworden dat ten
                    gevolge van het (...) verbod geen mogelijkheid van enige betekenis tot gebruik
                    van het onderhavige middel van verspreiding en bekendmaking zou overblijven". De
                    bepaling is niet in strijd met artikel 10, tweede lid, EVRM, aangezien deze
                    "prescribed by law" is en "necessary in a democratic society (...) for the
                    prevention of disorder" en "protection of the (...) rights of others". HR
                    01-4-1997, NJ 1997, 457.</al><al/><al>Plakverbod van artikel 2.4.2 model-APV is niet in strijd met artikel 7 Grondwet
                    noch met artikel 10 EVRM. ABRS 05-06-2002, LJN-nr. AE3657, JG 02.0169 m.nt. M.
                    Geertsema, JB 2002, 221 m.nt. J. van der Velde, AB 2002, 361 m.nt. J.G. Brouwer
                    en A.E. Schilder.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie: Doen plakken of doen aanbrengen</vet></al><al>Betreft artikel 122 van de APV Utrecht, waarin ook het "doen" plakken was
                    opgenomen. Het college heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd tot
                    voorkoming van herhaling van illegaal plakken van reclamemateriaal en tot het
                    verwijderd houden van illegaal plakken. Het is een te ruime uitleg om "doen"
                    aanbrengen zo uit te leggen dat dit mede inhoudt het niet tegengaan dat van
                    Radio 538 afkomstig reclamemateriaal wordt aangeplakt. Er is geen sprake van
                    opdracht of een actieve bemoeienis van Radio 538. ABRS 18-09-2002, LJN-nr.
                    AE7789, JB 2002, 329, Gst. 7181, 42 m.nt. M.M. Dolman en Kistenkas.</al><al/><al>Last onder dwangsom om herhaling van (illegaal) plakken te voorkomen en illegaal
                    plakwerk verwijderd te houden. Uitleg van het begrip "doen aanbrengen" als
                    bedoeld in artikel 122, van de APV Utrecht. Als betrokkene een derde of derden
                    opdracht heeft gegeven tot het aanbrengen van aanplakbiljetten of anderszins
                    actieve bemoeienis heeft gehad met het aanplakken, is deze verantwoordelijk voor
                    het aanbrengen van aanplakbiljetten. Het door het enkele verstrekken van
                    aanplakbiljetten anderen in de gelegenheid stellen om deze aan te brengen, is
                    onvoldoende. ABRS 15-01-2003, 200203589/1, LJN-nr. AF2902.</al><al/><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur aanplakbiljetten te verwijderen. De
                    vraag is of Loesje als "doen"-plakker" in de zin van de APV verantwoordelijk kan
                    worden gehouden. Dit is niet het geval nu Loesje geen actieve bemoeienis heeft
                    gehad met het aanbrengen van de posters. Loesje heeft de Loesje-posters slechts
                    op internet geplaatst, waarbij is aangegeven dat een ieder de posters voor eigen
                    gebruik vrij kan uitprinten en dat onder eigen gebruik onder meer wordt verstaan
                    het hangen van posters in de stad. Bovendien bevat de internetsite een
                    disclaimer waarin erop wordt gewezen dat posters alleen mogen worden geplakt op
                    plaatsen waar dit is toegestaan en verwezen is naar de toepasselijke APV. Rb.
                    Den Haag 08-07-2004, LJN-nr. AQ5977.</al><al/><al>Aanschrijving bestuursdwang om binnen 24 uur na de telefonische inkennisstelling
                    al het aangeplakte te verwijderen. Exacte locaties waren ten tijde van de
                    bestuursdwang niet bekend. Opplakken van de posters waren aan een plakbedrijf
                    uitbesteed. De Afdeling acht de termijn, waarbinnen appellante bij de door haar
                    ingeschakelde plakbedrijven moest zien te achterhalen waar de betreffende
                    posters geplakt waren en de verwijdering van die posters moest bewerkstelligen
                    te kort. ABRS 11-08-2004, 200400185/1, LJN-nr. AQ6624.</al><al/><al>Podium had de verspreiding van affiches uit handen gegeven aan een derde met
                    uitdrukkelijke opdracht dat op legale wijze te doen. Toepasselijkheid van
                    artikel 6:171 BW dat voor Podium een risico-aansprakelijkheid vestigt voor
                    onrechtmatig handelen door derden, met wie geen dienstverband bestaat maar die
                    ingeschakeld worden voor werkzaamheden ter uitoefening van haar bedrijf, zonder
                    dat het voor de gemeente duidelijk gescheiden activiteiten waren. In casu achtte
                    de Kantonrechter het illegaal plakken aan een activiteit van Podium te wijten.
                    De kosten die de gemeente heeft gemaakt voor de verwijdering van illegaal
                    geplakte posters op gemeente-eigendommen kan zij verhalen op Podium. Rb. Zwolle,
                    sector kanton 16-12-2003, LJN-nr. AF6147, JG 04.0025 m.nt. E.H.J. de Bruin.</al><al/><al>Appellant heeft posters doen plakken. Hij is verantwoordelijk voor het gedrag
                    van het bedrijf waaraan hij opdracht heeft gegeven posters te plakken, ook als
                    dat bedrijf tegen zijn instructies in zou hebben gehandeld (door op niet
                    toegestane plaatsen te plakken). Dat appellant het bedrijf heeft opgedragen
                    uitsluitend op toegestane locaties te plakken disculpeert hem niet. Gesteld is
                    immers niet dat hij goede grond had om te mogen vertrouwen dat dit bedrijf zich
                    zou houden aan die opdracht. Hof Amsterdam </al><al>23-12-2004, 1774/03, LJN-nr. AS5302. </al><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid regelt een
                    rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde
                    stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het
                    bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM
                    neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig
                    is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op
                    wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te
                    verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.</al><al/><al>Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van
                    Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met
                    enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van
                    strafprocesrecht.</al><al/><al>Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk
                    gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of
                    er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><al>Verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde tassen. De
                    VNG krijgt geregeld vragen over de mogelijkheid voor het opnemen van een
                    verbodsbepaling in de APV met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde
                    tassen in de nabijheid van winkels.</al><al/><al>Regulerend optreden van de gemeente wordt onder andere beperkt door de
                    particuliere sfeer. Dit houdt in dat een gemeente onbevoegd is zaken te regelen
                    die zodanig de privé-sfeer van burgers raken, dat zij niet meer tot de
                    huishouding van de gemeente gerekend kunnen worden. De vraag rijst of een
                    verbodsbepaling inzake het vervoeren van een tas in de nabijheid van winkels die
                    kennelijk is toegerust om winkeldiefstallen te plegen, inbreuk maakt op de
                    privé-sfeer van burgers. Het antwoord is bevestigend. Immers door het opnemen
                    van een dergelijke bepaling wordt het mogelijk om elke willekeurige burger met
                    een dergelijke tas op straat aan te houden terwijl er nog geen strafbaar feit is
                    gepleegd. Voorts is een winkel een privé-gebied dat wordt opengesteld voor het
                    publiek. De kans is groot dat deze verbodsbepaling door de rechter onverbindend
                    wordt verklaard om bovengenoemde redenen. Het OM is in het algemeen ook niet
                    enthousiast om op grond van een dergelijke APV-bepaling te vervolgen. De VNG
                    heeft om deze reden gemeend een dergelijke verbodsbepaling achterwege te laten.
                    Zie voor meer informatie onder het kopje Winkelverbod en het verbod op het
                    vervoeren van geprepareerde tassen in de </al><al/><al><vet>Algemene Toelichting.</vet></al><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot
                    bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07
                    06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV
                    Nijmegen)</al><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. (niet van toepassing)</vet></al><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (niet van toepassing)</vet></al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte</vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Artikel 424 van het Wetboek van Strafrecht stelt "straatschenderij" strafbaar,
                    terwijl artikel 426bis het belemmeren van anderen op de openbare weg met straf
                    bedreigt. Artikel 431 stelt nachtelijk burengerucht strafbaar. Deze handelingen
                    zou men kunnen omschrijven als baldadigheid. De omschrijving is echter strakker
                    dan wat men in het taalgebruik meestal als baldadigheid ervaart.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt dat het voor eenieder verboden is
                    zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                    veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                    gehinderd. De strekking van het begrip publieke ruimte in artikel 2:47 gaat
                    verder dan het begrip weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, (zie daarvoor
                    de toelichting op artikel 1.1). Voorzover een hinderlijke gedraging plaatsvindt
                    op de weg, als omschreven in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, is artikel
                    2:47 niet van toepassing. Werd dit niet uitgesloten, dan zou een met een hogere
                    regelgeving strijdige situatie kunnen ontstaan.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd tot aanvulling van de artikel 424 en 426bis
                    WvSr. HR 26 02 1957, NJ 1957, 253 (APV Eindhoven)</al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik</vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al/><al><cursief>Omvang gebied</cursief></al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het kan bijvoorbeeld
                    gaan om het uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig
                    overlast veroorzaakt wordt.</al><al>Het is niet mogelijk het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet
                    namelijk wel een concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied
                    aangewezen wordt. Een gebied kan worden aangewezen als gerechtvaardigde vrees
                    bestaat voor aantasting van de openbare orde, of de openbare orde is al
                    aangetast. Als dat geldt voor het hele grondgebied van de gemeente is het
                    stadium van hinderlijk drankgebruik allang gepasseerd, en heeft de burgemeester
                    zijn noodbevoegdheden uit de Gemeentewet nodig. Daarnaast zou het college bij
                    een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de openbare weg, ook van goedwillende
                    personen, verbieden. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel
                    en doel, en dat zou in strijd met artikel 3:4, van de Awb. Dit geldt ook voor
                    een verbod om onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben, waar met
                    enige regelmaat naar wordt gevraagd. Het gaat de autonome verordenende
                    bevoegdheid van de gemeente te boven om te bepalen dat het verboden is
                    ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.</al><al>Het is mogelijk dat een verschuiving in het gedrag van de personen in de
                    richting van buiten het aangewezen gebied gelegen delen van de gemeente zal
                    plaatsvinden. In de meeste gevallen zal dit echter niet erg waarschijnlijk zijn,
                    omdat mag worden aangenomen dat de aangewezen plaatsen door hun aantrekkelijke
                    karakter mede bepalend voor het verschijnsel zijn. Als er toch verplaatsing
                    optreedt, kan het college alsnog ook voor die nieuwe pleisterplaatsen een
                    aanwijzingsbesluit nemen.</al><al/><al><cursief>Verstoring openbare orde</cursief></al><al>Bij daadwerkelijke verstoring van de openbare orde kunnen op grond van artikel 2
                    en 12 van de Politiewet bevelen tot verwijdering worden gegeven. Niet naleving
                    daarvan is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van
                    Strafrecht.</al><al/><al>Soms (als bijvoorbeeld wordt geconstateerd dat flesjes worden stukgegooid) zal
                    optreden mogelijk zijn aan de hand van artikel 424 van het Wetboek van
                    Strafrecht (baldadigheid). De hantering van deze wetsbepalingen is in de
                    praktijk echter niet eenvoudig. Er bestaat daarom behoefte aan dit artikel,
                    waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de "voorfase" - dus het bier
                    drinken op bepaalde plaatsen - mogelijk wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><al/><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</vet></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord
                    "ruimte" gebruikt ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip "weg".
                    Om een indicatie te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het
                    publiek toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                    voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al><al/><al>Desgewenst kan deze reeks van voorbeelden met andere worden uitgebreid. Het
                    ordeverstorende element ten slotte wordt door de zinsnede "zonder redelijk doel
                    of op voor anderen hinderlijke wijze" in de bepaling tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al/><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan ingrijpen,
                    mede om de eigendommen van derden te beschermen. In de ciruclaire van de VNG van
                    4 april 1977, OB 1977, IX.0, nr. 38112, wordt ingegaan op deze
                    modelbepaling.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Artikel 138 Sr. vereist een handeling van een rechthebbende, HR 12 06 1951, NJ
                    1951, 618</al><al>Reglement NS, inhoudende een verbod om zich op enig gedeelte van het station
                    onbehoorlijk te gedragen, is noch in strijd met artikel 1 Wetboek van Strafrecht
                    noch met artikel 7 van de Europese conventie voor de rechten van de mens (ECRM),
                    HR 02 04 1985, NJ 1985, 796 (Algemeen reglement vervoer NS). De (min of meer
                    gelijkluidende) bepaling in de APV Amsterdam is verbindend, omdat de norm
                    voldoende is geconcretiseerd, HR 01-09-1998 NJ 1999, 61 (APV Amsterdam).</al><al/><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al/><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al/><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (gereserveerd)</vet></al><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (gereserveerd)</vet></al><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg (door
                    de omschrijving van het begrip 'weg' vallen hieronder ook parken en
                    plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen
                    e.d.</al><al/><al>Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en
                    bestrijding van overlast ten grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><lijst><li nr=""><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht; </al></li><li nr=""><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden; </al></li><li nr=""><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers; </al></li><li nr=""><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.); </al></li><li nr=""><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:57 kende tot 2002 geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter
                    situaties voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een
                    strikte toepassing van het aanlijngebod verzetten. Het betreft hier onder andere
                    de eigenaren van blindengeleidehonden. In de lijn van reeds bestaande
                    jurisprudentie is voor deze categorie in het derde lid een voorziening
                    getroffen. In 2005 is het huidige tweede lid ingevoegd om het mogelijk te maken
                    dat het college een hondenuitlaatplaats aanwijst. </al><al/><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is. </al><al/><al>Men zal daarbij artikel 4 van de Wet op de dierenbescherming analoog kunnen
                    toepassen. Het eerste lid van dit artikel geeft ambtenaren van de politie de
                    bevoegdheid honden en katten op te vangen die 's nachts elders dan op het erf
                    van de eigenaar of houder zonder toezicht worden aangetroffen. Het tweede lid
                    van artikel 4 bepaalt dat het hoofd van politie de eigenaar of houder moet
                    berichten van een en ander en hem gelegenheid moet geven om het dier gedurende
                    14 dagen na de datum van het bericht op te halen.</al><al/><al>Het ter plaatse doden van loslopende honden en katten is geregeld in artikel 4,
                    eerste lid, onder b, van de Wet op de dierenbescherming. De mogelijkheid van het
                    ter plaatse doden van loslopende honden en katten wordt in twee opzichten
                    beperkt:</al><lijst><li nr="1."><al>De hond of de kat moet een onmiddellijk gevaar vormen voor zich op erven
                            of in het veld bevindende dieren, waarvan de instandhouding gewenst is.
                        </al></li><li nr="2."><al>Geen ander middel ter afwering van het gevaar mag ten dienste
                            staan.</al></li></lijst><al>De bevoegdheid komt slechts toe aan de bezoldigde ambtenaren van politie en de
                    door de minister van justitie aangewezen onbezoldigde ambtenaren van politie. </al><al/><al>Het Burgerlijk Wetboek geeft in boek 5 een regeling voor gevonden dieren. De
                    vinder van een hond kan het dier bij de gemeente in bewaring geven. De gemeente
                    moet op basis van artikel 5:8 BW vervolgens ten minste twee weken de verzorging
                    van het dier op zich te nemen. In de praktijk wordt hieraan meestal vorm gegeven
                    door het dier onder te brengen bij een dierenasiel, waarbij de gemeente de
                    kosten voor het verblijf, de voeding en de verzorging betaalt. Na twee weken is
                    de burgemeester bevoegd het dier te verkopen of weg te geven. Als deze
                    mogelijkheden zijn uitgesloten dan kan de burgemeester het dier laten afmaken.
                    De termijn van twee weken kan worden bekort als de kosten voor de verzorging
                    onevenredig hoog zullen zijn of als het afmaken van het dier om geneeskundige
                    redenen is vereist. Deze regeling geldt alleen voor gevonden dieren. Wanneer de
                    eigenaar het dier niet is verloren, bijvoorbeeld omdat duidelijk is dat het dier
                    slechts even verwijderd is van eigenaar of erf, is er geen sprake van een
                    'gevonden dier'. Beide genoemde regelingen over het doden van dieren zijn
                    uitputtend bedoeld. De gemeentelijke wetgever mag derhalve het doden van
                    loslopende honden in het geheel niet regelen.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz. ABRS 13-12-1996, JG
                    97.0050. </al><al/><al>Het college dient het onaangelijnd zijn van de hond te gedogen in verband met de
                    functie van de hond als signaal- of dovengeleidehond. Vz. ARRS 20-07-1993, JG
                    94.0055 , AB 1994, 454. </al><al/><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</vet></al><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</al><al/><al>De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.
                    Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te
                    pakken. Een goed overzicht van mogelijke maatregelen en een goed overzicht van
                    literatuur op dit terrein is te vinden in de publicatie "Gemeentelijk
                    hondenbeleid. Een handleiding ter bestrijding van de overlast door hondenpoep in
                    Nederland" van het Multidisciplinair onderzoeksinstituut in Utrecht.</al><al/><al>Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, het is te hopen
                    dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan
                    .Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Aanwijzing hondenuitlaatzone. Betrokkenen zijn belanghebbenden, gelet op de
                    geringe afstand tussen de woningen en de uitlaatzone. Vz.ABRS 13 12 1996, JG
                    97.0050.</al><al/><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al>Enige jaren geleden ontstond bezorgdheid over agressief gedrag van bepaalde
                    honden, met name van pitbullterriërs. Bij incidenten brachten honden aanzienlijk
                    letsel toe aan mens of dier. De toenmalige minister van landbouw, natuurbeheer
                    en visserij heeft daarop de Commissie van agressief gedrag bij honden ingesteld.
                    De commissie inventariseerde de problematiek en maakte onderscheid tussen drie
                    categorieën van gevaarlijke honden:</al><lijst><li nr="1."><al>Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken
                            (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. Tot
                            deze categorie rekent de commissie het type pitbullterriër. </al></li><li nr="2."><al>Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of gedeeltelijk zijn
                            opgeleid voor bewakings , opsporings of verdedigingswerk. </al></li><li nr="3."><al>Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee categorieën en
                            waarvan in de praktijk - door het toebrengen van letsel of het uiten van
                            een dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of
                            dier. </al></li></lijst><al>Om de drie beschreven groepen gevaarlijke honden onschadelijk te houden, deed de
                    adviescommissie de volgende voorstellen.</al><al/><al><cursief>Ad 1</cursief></al><al>Aan de eigenaar of de houder van een hond uit categorie 1 moet bij
                    raadsverordening worden voorgeschreven die hond op of aan de weg of op het
                    terrein van een ander kort aan te lijnen en te voorzien van een muilkorf. Bij
                    openbare kennisgeving moet het college bepalen welk ras of type hond dan wel wat
                    voor door kruising daarmee verkregen verwanten onder deze eerste categorie
                    gevaarlijke honden er dus onder de strafbepaling moeten vallen. De commissie had
                    hierbij vooral het oog op het type pitbullterriër. Het college kan echter dit
                    type hond niet meer aanwijzen, omdat daarvoor sinds 1 februari 1993 maatregelen
                    zijn getroffen in de Regeling agressieve dieren. Deze Regeling is gebaseerd op
                    de Gezondheids en welzijnswet voor dieren en houdt zowel een fok als een
                    houdverbod in voor dieren van het type pitbullterriër. Voor de reeds bestaande
                    exemplaren geldt een overgangsrecht: wordt aan bepaalde voorwaarden voldaan
                    zoals kort aanlijnen en muilkorven op voor het publiek toegankelijke terreinen
                    en terreinen van een ander, dan mogen deze dieren gehouden worden. (Zie VNG
                    circulaire van 26 januari 1993, 93/18).</al><al/><al>In 2001 bood de minister van LNV een wijzigingsvoorstel voor de Regeling
                    agressieve dieren aan de Tweede Kamer aan. Het voorstel omvatte een fok- en
                    houdverbod voor een vijftal andere rassen, te weten de Rottweiler, American
                    staffordshire terriër, Dogo Argentino, Fila Brasileiro en de Mastino Napoletana.
                    Het generieke karakter van het voorstel stuitte echter op veel kritiek van de
                    Tweede Kamer. Op basis van de discussie in de Tweede Kamer is het
                    wijzigingsvoorstel ingetrokken. Het ministerie van LNV beraadt zich nu de vraag
                    of en hoe de Regeling agressieve honden moet worden aangepast.</al><al/><al><cursief>Ad 2</cursief></al><al>Ten aanzien van een hond uit categorie 2 beveelt de commissie alleen een
                    aanlijngebod aan. Invoering van een verplichting tot muilkorven van een
                    gebruikshond stuit naar haar oordeel op het bezwaar dat hierdoor de uitvoering
                    van de taak waarvoor zo’n hond is opgeleid, bijzonder wordt bemoeilijkt. Gelet
                    op het gebruik van de hond voor bewakings, opsporings en verdedigingswerk is het
                    aanlijngebod beperkt tot de weg: op het terrein van een ander kan de hond zijn
                    functie blijven vervullen. Op het voorgestelde aanlijngebod maakt de commissie
                    onder twee voorwaarden een uitzondering: de hond moet met goed gevolg een
                    opleiding tot gebruikshond bij een erkende instantie of een zogenaamde gedrags
                    en gehoorzaamheidscursus 1 hebben doorlopen en hij moet vergezeld gaan van de
                    eigenaar of de houder, die hem heeft opgeleid. Erkende instanties zijn volgens
                    de commissie de onderafdelingen van rasverenigingen van werkhondenrassen, de
                    Nederlandse bond voor gebruikshondensportverenigingen, de Koninklijke
                    Nederlandse politiehondvereniging en de Nederlandse bond voor de
                    diensthond.</al><al>Informatie over een gedrags- of gehoorzaamheidscursus is verkrijgbaar bij een
                    (plaatselijke) kynologenclub.</al><al/><al><cursief>Ad 3</cursief></al><al>Ten slotte stelt de commissie voor dat de raad aan het college de bevoegdheid
                    verleent aan de eigenaar of de houder van een hond uit de derde categorie de
                    verplichting op te leggen tot aanlijnen en - indien noodzakelijk - tevens tot
                    muilkorven van deze hond op of aan de weg of op het terrein van een ander.</al><al>Ter ondersteuning van de beschreven aanlijn en muilkorfgeboden vindt de
                    commissie identificatie en registratie van de honden uit de drie categorieën
                    wenselijk. Dat moet worden gerealiseerd door het aanbrengen van een optisch
                    leesbaar, niet verwijderbaar identificatiemerk in het oor of in de buikwand van
                    de hond (gemeentelijk voorschrift) en voorts door gegevensverstrekking door de
                    eigenaren aan de Stichting registratie gezelschapsdieren Nederland en in geval
                    van rashonden de Raad van beheer op kynologisch gebied in Nederland (hogere
                    regeling). De identificatie en registratie zijn van belang voor de controle op
                    de naleving van de aanlijn en muilkorfgeboden en voor de opsporing van een
                    overtreder. Via de tatoeage moet nagegaan kunnen worden of een hond behoort tot
                    een gevaarlijke categorie en wie de eigenaar of houder is. De commissie heeft in
                    haar rapport een voorbeeld van drie gemeentelijke bepalingen gegeven, waarin
                    haar aanbevelingen zijn verwerkt.</al><al/><al>Een van deze bepalingen is artikel 2:59. In verband met de moeilijke
                    uitvoerbaarheid van deze twee bepalingen bevelen wij u aan de mate van te
                    verwachten handhavingsproblemen in de eigen gemeente (in kleine overzichtelijke
                    gemeenschappen zal daarvan wellicht minder sprake zijn) af te wegen tegen de
                    plaatselijke behoefte aan maatregelen om gevaarlijke honden onschadelijk te
                    houden.</al><al>Modelbepalingen voor gevaarlijke rassen of typen honden respectievelijk voor
                    gevaarlijke gebruikshonden luiden als volgt:</al><al/><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede "buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen.</al><al/><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Voorzover het college bij een aanwijzing die
                    betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens
                    wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels
                    worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Houden van duiven hinderlijk binnen de bebouwde kom. Beroep op het
                    gelijkheidsbeginsel faalt. ARRS 28 02 1990, JG 91.0031.</al><al/><al>Aanschrijving tot verplaatsing van een hok van een haan die geluidsoverlast
                    veroorzaakt. Nader onderzoek van het college verlangd. ARRS 26 02-1991, Gst.
                    1991, 6962, 3 m.nt. JMK, JG 91.0382 m.nt. L.J.J. Rogier.</al><al/><al>Aanschrijving verwijdering pluimvee in verband met overlast omwonenden. Vz.ARRS
                    02 06 1991, JG 92.0007 , AB 1991, 686 m.nt. JHvdV.</al><al/><al>Aanschrijving tot verwijdering van kraaiende haan terecht. De door het college
                    gehanteerde methode van geluidmeting is niet onredelijk. ARRS 09 04 1992, JG
                    92.0401 , GO 1992, 3, GO 1994, 2 m.nt. L.F.D, AB 1992, 583 m.nt RMvM, TMR 1994,
                    9 m.nt. RJdH.</al><al/><al>Overlast van een papegaai. Onvoldoende onderzoek naar de klacht. ARRS 22 12
                    1993, JG 93.0137 m.nt. A.B. Engberts.</al><al/><al>Aanschrijving tot verwijdering overlastgevende hanen en kippen. Relatie
                    Hinderwet en Hinderbesluit. ABRS 31 08 1995, JG 96.0005, MenR 1996, 60.</al><al/><al>Aanschrijving tot verwijdering paard in verband met overlast omwonenden terecht.
                    Klachten van omwonenden, onderzoek van bouw- en woningtoezicht en proces-verbaal
                    van politie geeft voldoende feitelijke onderbouwing. ABRS 03-07-1999, JG 99.0003
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al/><al>Artikel 2.4.20 (oud, nu 2:60) en 2.4.24 (oud, nu 2:64, bijen) kunnen in sommige
                    situaties beide worden toegepast. Artikel 2.4.24 (oud) fungeert niet als
                    lexspecialis ten opzichte van artikel 2.4.20 (oud). ABRS 02-06-1997, JG 99.0005
                    m.nt. W.A.G. Hillenaar.</al><al/><al>Zonder aanwijzing van het college kan artikel 2.4.20 geen grondslag bieden voor
                    de toepassing van bestuursdwang. ABRS 17-10-2001, JG 02.0025, art. 2-4-20-, art.
                    4-1-7b- m.nt. M. Geertsema.</al><al/><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 oud).
                    Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4:5b model-APV). Ernstige
                    geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het schoonhouden en wellicht bijvullen
                    van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van kikkers mogelijk bevorderen, maar dit
                    is onvoldoende om te concluderen dat de buurman kikkers houdt (op grond van
                    artikel 2.4.20 oud) en er de zorg voor heeft. Bij de besluitvorming is terecht
                    rekening gehouden met het feit dat de eiser in het buitengebied woont en het
                    gekwaak van kikkers tot gebiedseigen geluiden moet worden gerekend. Rb.
                    ´s-Hertogenbosch, nr.AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al><al/><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al/><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:63 Duiven (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:64 Bijen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor komt de openbare orde
                    in het geding.</al><al/><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven
                    te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.
                    In 2006 is daarom in de model-APV bovenstaand artikel opgenomen dat beoogt
                    bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college gebieden
                    aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het
                    college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus
                    een verbod instellen.</al><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning
                    vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al>Omdat dit niet in elke gemeente behoefte bestaat aan zo’n bedelarij-artikel
                    wordt het hier gepresenteerd als een facultatief artikel.</al><al/><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</vet></al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter van het Wetboek
                        van Strafrecht (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                        (gereserveerd)</vet></al><al>Het oude artikel 2.5.4 is nu opgenomen in artikel 2:68.</al><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (vervallen)</vet></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is
                    genummerd artikel 2:32.</al><al/><al><vet>Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart
                    2002 (grotendeels) in werking getreden.</al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk
                    als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur
                    wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren
                    dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken
                    en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><al/><al><cursief>Definitie consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip "consumentenvuurwerk" is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: "vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik" (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al/><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><lijst><li nr="1."><al>het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; </al></li><li nr="2."><al>het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door een particulier; </al></li><li nr="3."><al>het aangetroffen wordt bij een particulier; </al></li><li nr="4."><al>het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                            stellen of </al></li><li nr="5."><al>het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.
                        </al></li></lijst><al/><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="1."><al>vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit Speelgoed,
                            zoals klappertjes voor speelgoedpistolen; </al></li><li nr="2."><al>vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van een
                            bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of beheer
                            is; </al></li><li nr="3."><al>vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief></al><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al/><al><cursief>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</cursief></al><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1); </al></li><li nr=""><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2); </al></li><li nr=""><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3); </al></li><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4); </al></li><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel 2.3.5);
                        </al></li><li nr=""><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6). </al></li></lijst><al/><al>De bepalingen 2:72 en 2:73 van de model-APV zijn gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop en
                    afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals gesteld in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2:72 Afleveren van vuurwerk</vet></al><al><cursief>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Op basis van artikel 2:72 van de model-APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Ter bevordering van
                    de deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de model-APV zijn in
                    mei 2007 twee artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1:7 bepaalt dat de
                    vergunning voor onbepaalde tijd geldt en artikel 1:8 bevat de algemene
                    weigeringsgronden die bij elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Zie voor
                    meer informatie de toelichting bij de betreffende artikelen.</al><al>Algemene weigeringsgronden zijn bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de
                    openbare orde waaronder overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming
                    van de kwetsbare medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door
                    overlast dreigt te worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd
                    als het verkooppunt zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen,
                    bejaardentehuizen en dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van
                    handhaving van de openbare orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan
                    de verkoopvergunning kunnen voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is
                    wegens dwingende redenen van algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de
                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1:4
                    en het commentaar daarbij.</al><al/><al>De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten
                    via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te
                    reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige
                    voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in
                    bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is
                    bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te
                    worden op de verkeersaantrekkende werking. Het Vuurwerkbesluit regelt enkel
                    milieutechnische eisen waar een opslag aan moet voldoen en laat de mogelijkheid
                    open een milieuvergunning aan te vragen bij de provincie voor 10.000 kilo en
                    meer opslagen. Hierbij kan voorbij gegaan worden aan de gemeente.</al><al/><al>Artikel 2:72 is gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet. Het verdient de
                    aanbeveling om voor de verkoop van consumentenvuurwerk beleidsregels vast te
                    stellen. De beleidsregels moeten gebaseerd zijn op dwingende redenen van
                    algemeen belang, waartoe behoren de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en het milieu. Afhankelijk van de lokale situatie kunnen
                    bijvoorbeeld de volgende beleidsuitgangspunten worden opgenomen:</al><lijst><li nr=""><al>het vaststellen van een maximum aantal verkooppunten in de gemeente,
                            bijvoorbeeld gerelateerd aan inwoneraantal of spreiding over kernen;
                        </al></li><li nr=""><al>het vaststellen van een maximaal aantal verkooppunten in het
                            centrum(gebied); </al></li><li nr=""><al>de onderlinge afstand tussen verkooppunten; </al></li><li nr=""><al>het uitsluiten van verkooppunten die gelegen zijn in de nabijheid van
                            bijvoorbeeld ziekenhuizen, bejaardentehuizen, dierenasiels,
                            tankstations, (afsluitbare) winkelcentra enz. </al></li></lijst><al/><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles
                    door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of
                    milieudienst.</al><al/><al><cursief>Koopzondag</cursief></al><al>In de Nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit wordt bij de toelichting op
                    artikel 2.3.2 de koopzondag uitdrukkelijk uitgesloten als verkoopdag.
                    Consumentenvuurwerk mag niet op zondag worden verkocht. Het verbod geldt ook in
                    die gevallen waarin de binnen de wettelijke termijn vallende zondag door de
                    gemeente is aangewezen als zondag waarop winkels open mogen zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73 Bezigen van vuurwerk</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur.</al><al/><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al/><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Voorlopige voorziening. Verbod om vuurwerk op oudejaarsdag tussen 10.00 en 22.00
                    uur af te steken in de directe nabijheid van een verkooppunt op een
                    bedrijventerrein. Publiek aangekondigde sierdemonstraties, aanzuigende werking
                    van de voorgenomen demonstraties op het daarin geïnteresseerde publiek, directe
                    nabijheid van een grootschalige vuurwerkopslagplaats, gespannen sfeer tussen
                    verzoekers en van omliggende bedrijven, waaronder een verkooppunt van
                    brandstoffen, feit van algemene bekendheid dat verkoop van vuurwerk leidt tot
                    het afsteken van een deel daarvan in de nabijheid van dat verkooppunt.
                    Afsteekverbod kan in rechte stand houden. Rb. Leeuwarden 27-12-2001, 01/1133
                    GEMWT, LJN-nr. AD7648.</al><al/><al><vet>2:73a Carbidbussen</vet></al><al>Dit artikel is overgenomen uit de vorige APV, omdat hieraan in onze gemeente
                    behoefte is. De raad heeft in de vergadering van 24 november 2005 besloten het
                    woord ‘busdeksels’ te vervangen door ‘voorwerpen’. Lid 1c en lid 3 zijn
                    toegevoegd bij besluit van 24 september 2007, omdat er behoefte was aan het
                    reguleren van het schieten met behulp van carbid door groep(en) personen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage "onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet" opgenomen.De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument
                    waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op
                    lijst I ("harddrugs") en II ("softdrugs") die behoren bij deze wet. Zo wordt
                    verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af
                    te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet
                    wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat.
                    Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een artikel op te
                    nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare
                    feiten tot doel heeft.</al><al/><al><cursief>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</cursief></al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. Uit het
                    rapport van SGBO (2001) over het gebruik van de model-APV blijkt dat 86% van
                    alle gemeenten deze bepaling heeft overgenomen in de eigen APV. Ongeveer de
                    helft van de gemeenten gebruikt deze bepaling ook (incidenteel) in de
                    praktijk.</al><al/><al>De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    ("drugsrunners") strafbaar gesteld. Het "kennelijk doel" kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><al/><al>Steeds meer gemeenten hebben in de afgelopen jaren een coffeeshopbeleid (inzake
                    de verkoop van softdrugs)vastgesteld. Onderdeel van een coffeeshopbeleid -
                    ongeacht de vraag of er in een gemeente al dan niet coffeeshops worden
                    toegestaan - moet zijn dat de handel op straat wordt bestreden. Dergelijke
                    handel is immers een gevaar voor de beoogde scheiding van de hard- en
                    softdrugmarkten.</al><al>Sommige gemeenten gaan nog een stap verder en hebben in de APV ook
                    samenscholingsverboden, verblijfsontzeggingen, enz. opgenomen. Dit geldt onder
                    meer voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De noodzaak om
                    dergelijke verboden in de APV op te nemen speelt uiteraard niet voor alle
                    gemeenten, maar met name voor gemeenten waar de problematiek rond handel en
                    gebruik van drugs op straat groot is. In de model-APV zijn dan ook geen
                    bepalingen te vinden.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de
                    APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare
                    feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan
                    strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ 1993, 409, JG 94.0005 m.nt.
                    A.B. Engberts.</al><al/><al><vet>AFDELING 15. BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN EN
                        CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN (NIET VAN TOEPASSING)</vet></al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE
                    E.D.</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><onderstreept>1. Verordenende bevoegdheid van gemeenten</onderstreept></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                    verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend “ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet.</al><al>Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden
                    onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een
                    maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van
                    vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van
                    kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de
                    werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen
                    gevaar en overlast en dergelijke). Deze vergunningsvoorschriften hebben niet als
                    motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te
                    worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze
                    vergunningsvoorschriften - ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag -
                    niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir
                    wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan
                    het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen
                    ter “regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding”: in het belang van de
                    openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.</al><al/><al><cursief>Gebod of verbod; vergunning of ontheffing</cursief></al><al>Gemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij
                    verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de
                    vorm van geboden of verboden.</al><al>De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wenst te
                    volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte heeft op (exploitatie van)
                    prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten bij
                    (exploitatie van) prostitutie de vergunningsvoorschriften in acht worden genomen
                    die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is daarvoor geen nadere
                    voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist. Gebodsbepalingen hebben onder
                    meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief beperkt zijn: nadat de gemeente
                    de regels “eenmalig” heeft vastgesteld, beperkt zij zich tot het uitoefenen van
                    toezicht op de naleving daarvan.</al><al/><al>De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de
                    behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te
                    oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de
                    vergunningsvoorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van)
                    prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande
                    toestemming van de gemeente vereist.</al><al/><al>Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de
                    verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een
                    vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op
                    zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht
                    dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is in dat geval
                    niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder toestemming
                    (vergunning). Een ontheffingsplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren
                    activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk
                    wordt geacht de mogelijkheid te behouden om die, indien bijzondere
                    omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten plaatsvinden. Verboden is in
                    dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor bij wijze van uitzondering
                    toestemming (ontheffing) kan worden verleend.</al><al/><al>Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten grondslag,
                    dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een toelaatbare
                    activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien er sprake is van
                    onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan wel illegale
                    prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 3 zich richten op het reguleren
                    van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie, is daarin gekozen voor de vergunningfiguur.</al><al/><al><onderstreept>2. Vormen van (exploitatie van) prostitutie</onderstreept></al><al>Prostitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van
                    die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee
                    daarbij zelfstandig werkzaam is.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte en in
                    dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen en dergelijke), is de invloed
                    van de exploitant naar verhouding het grootst. In de inrichting bepalen zij de
                    “huisregels” voor de prostituee, die bijvoorbeeld kunnen uiteenlopen van
                    verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de prostituee om onveilig
                    seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van prostitutie wordt de hoogte van
                    de inkomsten van de exploitant rechtstreeks beïnvloed door het aantal
                    klanten.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven,
                    prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de
                    exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de
                    inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot
                    het verhuren van “ramen”, en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een
                    huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor
                    zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden
                    zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële
                    situatie.</al><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar
                    wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het
                    aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De
                    prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in
                    een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze
                    van de prostituee is daardoor relatief gering.</al><al/><al>Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en
                    niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de
                    zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees
                    werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in
                    bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt
                    langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf “de regels te bepalen”.
                    Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten
                    worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van
                    klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal
                    drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk
                    doen aan hun onderhandelingspositie.</al><al>Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen
                    voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft
                    de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo behoeft bijvoorbeeld
                    geen betoog, dat van “zichtbare” vormen (straat- en raamprostitutie) een veel
                    sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving uitgaat dan van club- of
                    escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat omdat raamprostitutie meer
                    zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden voorhanden zijn. Het ligt dan ook
                    in de rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot
                    uitdrukking zal komen.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthouders</cursief></al><al>Dit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en
                    toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van deze
                    model-APV en in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb).</al><al/><al>Gemeenten die in de vergunning nadere vergunningsvoorschriften opnemen met
                    daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de controle
                    het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze functionarissen
                    als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat er spanning
                    kan ontstaan tussen de functie van vertrouwenspersoon en de taak als
                    toezichthouder. Op die manier kunnen zij de bevoegdheden verkrijgen die voor
                    adequate controle noodzakelijk zijn.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Nulbeleid. “Bescherming openbare zeden” in bestemmingsplan is geen
                    motief.LJN-nr. AE2838, JG 02.0108 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook al
                    zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde plaats
                    feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>De omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op de
                    aanvraag rechtmatig in Nederland verblijven maakt niet dat zij in dat stadium
                    aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten aanspraak kunnen ontlenen om arbeid
                    als zelfstandige te mogen verrichten. LJN-nr. AO3839, JG 04.0112 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de
                    onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het
                    gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting
                    en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig, onverlet de
                    planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut. LJN-nr. AT4882, JG
                    05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><cursief>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</cursief></al><al>Deze omschrijving van het begrip “prostitutie” is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen “derde” en “betaling” uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk “ander”
                    en “vergoeding”.</al><al/><al><cursief>Seksinrichting (onder c)</cursief></al><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij
                    het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities
                    (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet
                    gepubliceerd). “Seksinrichting” als hier omschreven zijn inrichtingen waarin op
                    bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze
                    diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden
                    dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het
                    bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer.</al><al/><al>In de definitie is gekozen voor de term “besloten ruimte”, omdat dit meer omvat
                    dan het begrip “gebouw”. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of
                    een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord “besloten” duidt erop dat de ruimte zich
                    niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of
                    gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking
                    voor het publiek toegankelijk is.</al><al/><al>Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving
                    uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type
                    inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit
                    zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen,
                    seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen
                    behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet
                    alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie
                    plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees
                    voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden
                    verstaan een inrichting met een of meer ramen van waarachter de prostituee
                    tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een
                    inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard
                    worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van
                    een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische
                    aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin
                    deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten
                    - met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop,
                    de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk
                    voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café
                    bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient
                    derhalve niet als “sekstheater” te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter
                    worden beschouwd als een evenement (een “voor publiek toegankelijke verrichting
                    van vermaak”), waarvoor volgens artikel 2:25 vergunning van de burgemeester
                    vereist is.</al><al/><al><cursief>Escortbedrijf (onder d)</cursief></al><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><al/><al><cursief>Sekswinkel (onder e)</cursief></al><al>De omschrijving van het begrip “sekswinkel” is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al/><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen “seksinrichting” als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3:4,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan. Indien dat in aanvulling
                    daarop (in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving) raadzaam
                    wordt geacht, kan worden overwogen de exploitatie van sekswinkels te verbieden
                    in aangewezen gebieden of delen van de gemeente en daartoe artikel 3:10 op te
                    nemen. Indien wordt afgezien van het opnemen van artikel 3:10 kan onderdeel e in
                    artikel 3:1 achterwege worden gelaten en komt de titel van afdeling 2
                    “Seksinrichtingen, straatprostitutie en dergelijke” te luiden.</al><al/><al><cursief>Bezoeker (onder h)</cursief></al><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3:6 of 3:7 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als “bezoeker” moeten worden aangemerkt.</al><al/><al>Van het begrip “bezoeker” zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 lid
                    1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing.
                    LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                    bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                    prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr. AH9858, JG
                    03.0194 m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan. LJN-nr.
                    AE6669, JG 03.0024 m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Een parenclub met erotisch café levert niet meer overlast op dan een
                    relaxbedrijf met horeca. Bestemmingsplan als weigeringgrond in de APV aanvaard.
                    LJN-nr.AF9857, JG 04.0111 , m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de
                    onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het
                    gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting
                    en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al>Voor betaalde tantramassage is vergunning op grond van de APV nodig, onverlet de
                    planologische vrijstelling voor een schoonheidsinstituut. LJN-nr. AT4882, JG
                    05.0079 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met “het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven” (eerste lid) en met “de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht” (derde lid).</al><al/><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft namelijk de voor het
                    publiek openstaande gebouwen en de openbare samenkomsten en vermakelijkheden. In
                    de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere begrip “ruimte”
                    opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat om met name de
                    vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven.
                    Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit verband met name gedacht moet
                    worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om
                    deze afbakening - waar aan de orde - niet steeds opnieuw volledig te moeten
                    weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuursorgaan” gehanteerd en
                    is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd.</al><al/><al>Van de specifieke aard van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet
                    geval bevoegd is: het college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd
                    genomen besluiten vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met
                    zorgvuldigheid worden beantwoord.</al><al/><al>Op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet kan het college een of
                    meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden. Het gaat
                    hierbij om mandaat: de opgedragen bevoegdheid wordt uitgeoefend uit naam en
                    onder verantwoordelijkheid van het college (tweede lid), dat daarover bovendien
                    aanwijzingen kan geven (derde lid). Om de uitvoering van het gemeentelijk
                    prostitutiebeleid zoveel mogelijk te stroomlijnen, zou het college zijn
                    bevoegdheid terzake kunnen mandateren aan de burgemeester. Dit doet er niet aan
                    af dat goed moet worden bezien, of een concreet te nemen besluit een besluit van
                    de burgemeester zelf of van het college is.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Blijkens ARRS 27 augustus 1993 moet een raamprostitutiebedrijf worden beschouwd
                    als een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174, eerste lid,
                    van de Gemeentewet, ten aanzien waarvan mitsdien de burgemeester exclusief
                    bevoegd is, JG 94.0053.</al><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 lid
                    1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing.
                    LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Ook (reguliere) bestuursrechtelijke bevoegdheden ter handhaving van de openbare
                    orde behoren exclusief toe aan de burgemeester. LJ-nr. AR3854, JG 05.0004 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al>Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf (nogmaals: meestal de burgemeester)
                    over zijn bevoegdheid beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van
                    de Awb. Evenals algemeen verbindende voorschriften nopen beleidsregels het
                    bevoegd bestuursorgaan eveneens tot het volgen van een vaste gedragslijn bij het
                    toepassen van de desbetreffende bevoegdheid, zij het niet onder alle
                    omstandigheden: gelet op artikel 4:84 van de Awb moet het bevoegd bestuursorgaan
                    namelijk handelen overeenkomstig de beleidsregel “tenzij dat voor een of meer
                    belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden
                    onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen”.
                    Indien het wenselijk wordt geacht om een bevoegdheid als regel op een bepaalde
                    wijze toe te passen, maar in bijzondere gevallen anders te kunnen besluiten,
                    ligt het dus in de rede daarover geen “nadere regel” maar een beleidsregel vast
                    te stellen.</al><al/><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Zoals uiteengezet in de Algemene toelichting hoofdstuk 3 onder 2, is er hier
                    voor gekozen de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven te reguleren
                    door middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele
                    gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting
                    valt eveneens onder de vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een
                    wijziging van welke aard dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
                    verandering van bouwkundige aard, het aantal exploitanten, de wijze van
                    exploitatie en de naam van een of meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen
                    dat de vergunning uit de pas loopt met de feitelijke situatie.</al><al/><al>Het is ook mogelijk om een gedifferentieerd vergunningstelsel vast te stellen,
                    indien de lokale omstandigheden het wenselijk maken dat seksinrichtingen (alle,
                    of bepaalde soorten) geografisch worden geconcentreerd. De mogelijkheid om - met
                    vergunning - een seksinrichting te exploiteren, bestaat dan uitsluitend in
                    daartoe aangewezen gebieden of delen van de gemeente en is voor het overige
                    verboden. Zo’n beleid wordt veelal ingegeven door het belang van de openbare
                    orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid of de bescherming van het
                    milieu (Europese Dientenrichtlijn) : het concentreren van seksinrichtingen in
                    bepaalde gebieden kan bijvoorbeeld gewenst zijn, om daarop met voldoende
                    intensiteit toezicht te kunnen uitoefenen. Behalve ten aanzien van
                    seksinrichtingen in het algemeen, kan een dergelijk beleid vanzelfsprekend ook
                    worden gevoerd ten aanzien van een of meer vormen daarvan.</al><al/><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang
                    van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal vergunningen dat kan
                    worden verleend aan een maximum te binden. Zo’n maximumbeleid kan ook neergelegd
                    worden in een bestemmingsplan. Het kan “zelfstandig” worden toegepast, maar kan
                    ook worden gehanteerd ter ondersteuning van genoemd concentratiebeleid: denkbaar
                    is immers dat een maximumbeleid een waardevolle bijdrage kan leveren bij de
                    bescherming van de openbare orde, enz. in gebieden die zijn aangewezen voor het
                    exploiteren van seksinrichtingen. Indien de plaatselijke omstandigheden daartoe
                    aanleiding geven, kan een maximumbeleid worden toegesneden op de uiteenlopende
                    vormen van seksinrichtingen. Zo kan in een gemeente met het oog op de
                    bescherming van de openbare orde e.a. beleid worden gevoerd waarin de vestiging
                    van raamprostitutiebedrijven slechts in zeer beperkte mate, of zelfs in het
                    geheel niet wordt toegestaan.</al><al/><al>In een vergunningvoorschrift ten behoeve van een prostitutiebedrijf kan
                    uiteraard ook het aantal werkzame prostituees worden gemaximeerd, waardoor de
                    splitsing van ramen of werkruimten - in het verleden kwam dit met name voor bij
                    raamprostitutie - kan worden voorkomen (ARRS 29-08-1989; Gst. 6901, 6 en JG
                    90.0003 . Zie verder de toelichting bij artikel 3:13, tweede lid, onder a.</al><al>Het is mogelijk exploitatievergunningen te verlenen voor een bepaalde duur,
                    bijvoorbeeld 2 jaar, zodat periodiek het functioneren van inrichting(en) of het
                    gemeentelijk beleid terzake kan worden geëvalueerd. Zie bij de toelichting op
                    artikel 1:7.</al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                    eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                    omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal
                    niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                    zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de antecedenten van de
                    exploitant en beheerder. Tegen die achtergrond is het denkbaar dat gemeenten
                    voor escortbedrijven geen vergunningplicht, maar een meldingsplicht
                    instellen.</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een
                    vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot
                    vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000
                    schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking
                    anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het
                    rechtmatig verblijf blijkt. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder
                    het kopje Vreemdelingen onder de </al><al/><al><vet>Algemene toelichting.</vet></al><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1:4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting.
                    Raamprostitutiebedrijven hebben doorgaans een beduidend sterkere (nadelige)
                    invloed op de openbare ruimte dan bijvoorbeeld clubs. Denkbaar is dat het
                    bevoegd bestuursorgaan op een bepaalde locatie een prostitutiebedrijf
                    toelaatbaar acht maar ter voorkoming van verkeersoverlast, een
                    raamprostitutiebedrijf niet of slechts in beperkte mate. In dat geval moet het
                    bevoegd bestuursorgaan zich er bij beoordeling van de aanvraag van bewust
                    (kunnen) zijn dat aan een te verlenen vergunning het voorschrift dient te worden
                    verbonden dat het ter plaatse te exploiteren prostitutiebedrijf niet van
                    zogenaamde vitrines of ramen respectievelijk slechts van een bepaald aantal
                    vitrines mag zijn voorzien. Door wie de inrichting zal worden geëxploiteerd en
                    beheerd is relevant, omdat deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn
                    en dienen te voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel
                    3:5. De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet overdraagbaar.
                    Dit blijkt uit artikel 1:5.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk zijn als deze vergunning van
                    rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook
                    niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde
                    en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan. LJN-nr.
                    AE6669, JG 03.0024 ,m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden geweigerd
                    (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is daartegen uit een
                    oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN-nr. AK4053, JG 03.0195 m.
                    nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook al
                    zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde plaats
                    feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m. nt. A.L. Esveld</al><al/><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    “decriminaliseren” van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s).</al><al/><al>Aan het orgaan dat bevoegd is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld
                    in dit hoofdstuk af te geven, kunnen gegevens uit de justitiële
                    documentatieregisters worden verstrekt over personen die als exploitant of
                    beheerder zijn vermeld in een aanvraag . (artikel 13 van het Besluit justitiële
                    gegevens)</al><al/><al>In artikel 3:5. wordt zo veel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en
                    worden nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en
                    Horecawet en het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en
                    Horecawet. Dit heeft als voordeel dat voor seksinrichtingen waarvoor tevens een
                    vergunning krachtens de Drank- en Horecawet is vereist een antecedentenonderzoek
                    kan worden verricht. Belangrijker nog dan dit procedurele argument is het feit
                    dat inhoudelijk min of meer dezelfde belangen wegen bij de
                    antecedentenbeoordeling. In aanvulling op het Besluit eisen zedelijk gedrag
                    Drank- en Horeca zijn in deze bepaling zedendelicten en mishandeling uit het
                    Wetboek van Strafrecht en overtredingen van de Vreemdelingenwet en de Wav
                    opgenomen. De toevoeging van bepalingen over misdrijven tegen de zeden en
                    mishandeling dienen ter bescherming van de prostituees. De relevantie van de
                    opname van de Vreemdelingenwet en de Wav is gelegen in de bestrijding van de
                    mensenhandel.</al><al>Net als in de Drank- en Horecawet kan de aanduiding “in enig opzicht slecht
                    levensgedrag” in het eerste lid onder b. méér omvatten dan wat gesteld is in de
                    navolgende leden. Anders gezegd: lid 2 tot en met 5 geven aan wanneer in elk
                    geval sprake is van “in enig opzicht slecht levensgedrag”. Dat het niet als een
                    limitatieve opsomming dient te worden opgevat blijkt uit het gebruik van het
                    woord “naast” aan het begin van het tweede lid.</al><al/><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                    justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                    aangesloten bij de daarover reeds bestaande jurisprudentie.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>“In enig opzicht van slecht levensgedrag” ex artikel 3:5, eerste lid, onder b
                    omvat meer dan de “onherroepelijke veroordeling” ex tweede lid, onder b van de
                    model-APV. LJN-nr. AO6071 JG 04.0076 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>De algemene norm, neergelegd in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder b, van
                    de APV, dat de exploitant en de beheerder niet in enig opzicht van slecht
                    levensgedrag zijn, houdt als zodanig geen beperking in van de vrijheid van
                    arbeidskeuze als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Grondwet, aangezien
                    niet gebleken is dat de beperking verder strekt dan noodzakelijk kan worden
                    geacht voor het met de norm beoogde doel, te weten een maatschappelijk
                    verantwoorde beroepsuitoefening. Wel dient er bij de uitleg van de bepaling van
                    de APV van uit te worden gegaan dat geen sprake is van slecht levensgedrag
                    indien het tegenwerpen van de bepaling in het concrete geval leidt tot een
                    onevenredig zware beperking van de vrijheid van arbeidskeuze. ABRS 28-02-2007
                    (Uden), 200603367/1, LJN-nr. AZ9519</al><al/><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Deze
                    bevoegdheid houdt evenzeer in dat een afwijkende sluitingsplicht kan worden
                    vastgesteld voor de zondag. Sommigen concluderen uit artikel 7 van de Zondagswet
                    dat de gemeenteraad niet bevoegd is een speciaal voor de zondag geldende
                    sluitingsregeling vast te stellen. Volgens HR 22-07-1960, AB 1961, p. 15, belet
                    dit artikel de raad echter niet om voor de zondag een afwijkende regeling te
                    treffen voor het sluitingsuur van openbare inrichtingen als deze, mits de grond
                    voor de afwijking van de voor de andere dagen geldende regeling niet is gelegen
                    in het bijzondere karakter van de zondag. Volgens de Hoge Raad beoogt de
                    Zondagswet naar haar strekking niet de gemeentelijke wetgever te beperken in
                    zijn bevoegdheid om ter afwering van verstoring van de openbare orde
                    voorzieningen te treffen.</al><al/><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling maakt onderscheid tussen
                    werkdagen en het weekeinde. Uiteraard kan worden gekozen voor een ander (of
                    geen) onderscheid, zoals ook - door aanpassing van het eerste lid, of in de vorm
                    van een nadere regel als bedoeld in artikel 3:3 - voor verschillende typen
                    seksinrichtingen een verschillend sluitingstijdenregime kan worden
                    vastgesteld.</al><al>De hier opgenomen sluitingsurenregeling (want van toepassing op het begrip
                    “seksinrichting”) heeft geen betrekking op sekswinkels. Zoals vermeld in de
                    toelichting bij artikel 3:1, onder e, is op sekswinkels het regime van de
                    Winkeltijdenwet van toepassing.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1:4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo’n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><al>Over de uitoefening van deze bevoegdheid kan het bevoegd bestuursorgaan
                    desgewenst beleidsregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81, eerste lid,
                    van de Awb. Daarin kan bijvoorbeeld worden vastgelegd dat, bij het beantwoorden
                    van de vraag of voor een afzonderlijke inrichting bij vergunningvoorschrift
                    afwijkende sluitingstijden zullen worden vastgesteld, per categorie
                    seksinrichting als regel een bepaald beleid wordt gehanteerd. Van het voor die
                    categorie geldende beleid kan het bevoegd bestuursorgaan in een concreet geval
                    (gemotiveerd) afwijken, indien het dat noodzakelijk acht in het belang van
                    bijvoorbeeld de openbare orde, de woon- en leefomgeving en dergelijke.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3:6 strekt tot handhaving
                    van een publiekrechtelijke regeling.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Blijkens Vz.AGRS 24-01-1985, WO RvS 1985, G9, kan aan de Hinderwetvergunning een
                    sluitingsuur worden verbonden ter voorkoming van hinder voor de omgeving,
                    bijvoorbeeld door komende en gaande bezoekers. Hierop is nader ingegaan in AGRS
                    0802-1991, ABkort 1991, 281, waarin is vermeld dat bij verlening van een
                    hinderwetvergunning aan een inrichting waarbij van de bezoekers hinder te
                    duchten is, een voorschrift betreffende het sluitingsuur ter voorkoming of
                    beperking van die (geluid)hinder niet kan worden gemist, en dat een
                    hinderwetvergunning waarin zo’n voorschrift ontbreekt zich niet verdraagt met
                    artikel 17 van de Hinderwet.</al><al/><al>Blijkens de Kroonjurisprudentie mag daarbij slechts rekening worden gehouden met
                    “normale” hinder in de nabije omgeving van de inrichting. Alleen die overlast is
                    volgens de Kroon te beschouwen als hinder in de zin van de Hinderwet (thans: de
                    Wet milieubeheer), een van de belangen die deze wet beoogt te beschermen.
                    Excessieve hinder door gedrag van bezoekers en overlast die zich afspeelt een of
                    meer straten van de inrichting vandaan, vallen volgens de Kroon niet onder de
                    wetsterm “hinder”. Aan een gemeentelijke verordening die een algemene
                    sluitingsuurregeling bevat ter voorkoming of beperking van excessieve en verder
                    verwijderde overlast, ligt dan een ander motief ten grondslag dan aan de Wet
                    milieubeheer. Dit gaat op voor artikel 3.2.3 (oud), dat niet is toegespitst op
                    de specifieke situatie in en rond seksinrichtingen, maar dat zich richt op de
                    nadelige invloed van de aanwezigheid van zulke inrichtingen als zodanig op de
                    openbare orde en de woon- en leefomgeving ter plaatse (daartoe ARRS 31-12-1986,
                    AB 1987, 326).</al><al/><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Ten opzichte van artikel 3:6 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het “reguliere” sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><lijst><li nr=""><al>voor (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk andere
                            sluitingstijden worden vastgesteld dan de bij of krachtens artikel 3:6
                            gestelde; of </al></li><li nr=""><al>van (een of meer) inrichtingen al dan niet tijdelijk de - algehele of
                            gedeeltelijke - sluiting wordt bevolen. </al></li></lijst><al/><al>Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3:13, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><al>De bevoegdheid tot het tijdelijk vaststellen van andere sluitingsuren (als
                    bedoeld in het eerste lid, onder a) kan zich uitstrekken tot alle in de gemeente
                    gevestigde seksinrichtingen en onderscheidt zich daarin van de bevoegdheid
                    genoemd in artikel 3.2.3, tweede lid, die individueel gericht is. Tijdelijke
                    sluiting (als bedoeld in het eerste lid, onder b) kan daarentegen slechts van
                    afzonderlijke inrichtingen worden bevolen.</al><al/><al>In het eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een
                    expliciete sluitingsbevoegdheid gegeven. Deze bevoegdheid is te onderscheiden
                    van de bevoegdheid tot aanzegging van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:21
                    van de Awb die door artikel 3:7 onverlet wordt gelaten. Met toepassing van
                    bestuursdwang wordt kort gezegd beoogd een onrechtmatige situatie weer in
                    overeenstemming te (doen) brengen met het recht. De in het eerste lid, onder b,
                    opgenomen sluitingsbevoegdheid moet daarentegen veel meer worden gezien als een
                    (bestuursrechtelijke) sanctie op inbreuken op het in dit hoofdstuk
                    bepaalde.</al><al/><al>Indien nodig kan de naleving van een krachtens het eerste lid, onder b, gegeven
                    sluitingsbevel worden afgedwongen door toepassing van bestuursdwang. Om een
                    opeenstapeling van bestuursrechtelijke procedures te voorkomen, verdient het
                    aanbeveling te bezien of met het sluitingsbevel tevens (preventief)
                    bestuursdwang kan worden aangezegd. Daarvoor is wel vereist dat er een
                    klaarblijkelijke dreiging bestaat dat de desbetreffende overtreding
                    daadwerkelijk zal plaatsvinden en dat er schade dreigt.</al><al>De sluitingsbevoegdheid is in de praktijk meermalen toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormden voor allerlei vormen van criminaliteit.
                    Ook prostitutiebedrijven zijn daarvoor in het verleden een aantrekkelijke plaats
                    gebleken. Het betrof daarbij doorgaans delicten als het bezitten of verhandelen
                    van verdovende middelen of vuurwapens, het tewerkstellen van jongeren of van
                    illegalen, heling en dergelijke. Feiten als deze zijn strafbaar gesteld in het
                    Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie. Het naar
                    aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is
                    niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat daaraan een
                    afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Veel van de gedragingen als hier bedoeld
                    spelen zich weliswaar af in de inrichting, maar hebben tevens een uitstraling op
                    de openbare orde en de woon- en leefomgeving buiten de inrichting. Voor
                    toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                    overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb.</al><al/><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3:6, derde lid), is in het tweede
                    lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan de
                    betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de door
                    3:42 Awb voorgeschreven manier. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De burgemeester ontleent reeds een sluitingsbevoegdheid aan artikel 174 van de
                    Gemeentewet. De noot bij ARRS 15-06-1984, AB 1985, 96, maakt duidelijk, waarom
                    het gewenst kan zijn toch een sluitingsbepaling in de APV op te nemen: De
                    beschikking laat voorts zien dat de rechtstreeks uit artikel 221 gemeentewet
                    (oud) voortvloeiende taak tot daadwerkelijke handhaving van de openbare orde de
                    actuele situatie tot onderwerp heeft en dat hier alleen het nemen van concrete
                    maatregelen op korte tijd aan de orde is. Wil een verder vooruitziend besturen
                    meteen op langere termijn concreet gestalte krijgen, dan dient de burgemeester
                    te beschikken over de bevoegdheid tot uitvoering van gemeentelijke verordeningen
                    of van andere wettelijke voorschriften. Bij het gebruik van zijn
                    sluitingsbevoegdheid bezit de burgemeester een ruime beoordelings- en
                    beslissingsvrijheid. Voor rechterlijke toetsing van het gebruik van die
                    bevoegdheid bestaat derhalve slechts een beperkte marge.</al><al/><al>In een sluitingsbevel rechtstreeks gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet
                    dient altijd de termijn van de sluiting te zijn opgenomen. Blijkens Vz.ARRS
                    26-08-1992, AB 1993, 104; JG 93.0116 , en ABRS 05071996, JG 96.0266, voldoet een
                    sluitingsbevel zonder tijdsbepaling niet aan de aard en het doel van artikel 221
                    gemeentewet (oud). Indien gesloten wordt op basis van dit artikel in de APV kan
                    de sluiting niet alleen van langere duur zijn dan wanneer gesloten wordt op
                    basis van artikel 174 Gemeentewet, maar lijkt in analogie met uitspraken ten
                    aanzien van de sluiting van coffeeshops - onder omstandigheden - ook sluiting
                    voor onbepaalde tijd mogelijk. Daarvan kan met name sprake zijn als de vestiging
                    van de seksinrichting zonder meer in strijd is - en zal zijn - met het lokaal
                    beleid. Zie ter vergelijk: ABRS 29-04-1997, R03.93.4839; niet gepubliceerd,
                    waarin de sluiting van een coffeeshop voor onbepaalde tijd in verband met de
                    aanwezigheid van harddrugs geoorloofd wordt geacht, omdat het beleid inhoudt dat
                    coffeeshops die zich daaraan schuldig maken definitief van de gedooglijst worden
                    geschrapt. Een ander en beter voorbeeld is een seksinrichting die het in het
                    lokaal beleid vastgestelde maximum aantal inrichtingen overschrijdt en daarom
                    niet voor vergunningverlening in aanmerking komt. Zo’n inrichting kan voor
                    onbepaalde tijd worden gesloten. Zie ter vergelijk: Vz.ABRS 05-09-1997; Gst.
                    7069, 4, waarin een coffeeshop voor onbepaalde tijd wordt gesloten wegens
                    strijdigheid met het geldende nulbeleid. Een sluiting voor onbepaalde tijd staat
                    de opheffing ervan op een later tijdstip niet in de weg.</al><al/><al>Advies van bureau Bibob is oorzaak sluiting bordeel. LJN-nr: AT2983, JG 05.0061
                    m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. De aanwezigheid van de exploitant of beheerder is van belang in
                    verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede
                    lid.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><al>In de jurisprudentie is al eerder uitgemaakt dat de exploitant - uiteraard
                    binnen redelijke grenzen - verantwoordelijk is voor de gang van zaken in de
                    inrichting. Dat wordt door deze toezichtverplichting, die ook geldt voor de
                    beheerder(s), nog eens onderstreept.</al><al/><al>Indien zich in de inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel
                    aanknopingspunten om daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden.
                    Afhankelijk van de omstandigheden en het gestelde in het handhavingsbeleid kan
                    tot een tijdelijke beperking van de openingstijden, een tijdelijke sluiting of
                    een (tijdelijke) intrekking van de vergunning worden besloten. Om in deze zin
                    bestuursrechtelijk te kunnen optreden is niet vereist dat daaraan
                    strafrechtelijke vervolging of veroordeling is voorafgegaan: vaststaan moet
                    slechts dat geen of onvoldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al>Aan het toezicht dat van de exploitant of beheerder mag worden verwacht op de
                    meerderjarigheid of legaliteit van in de inrichting werkzame prostituees zal
                    gestalte kunnen worden gegeven door inzage te verlangen in hun
                    identiteitspapieren. Waar het de onvrijwillige prostitutie en andere strafbare
                    feiten betreft, zullen de exploitant of beheerder regelmatig toezicht moeten
                    houden en zo nodig handelend moeten treden. Naarmate de exploitant aantoonbaar
                    en actief huisregels toepast en een nauwkeurige registratie bijhoudt van de
                    leeftijd en nationaliteit van de prostituees, vergemakkelijkt hij niet alleen
                    het toezicht, maar zal hij ook beter in staat zijn om aannemelijk te maken dat
                    door hem voldoende toezicht is uitgeoefend.</al><al/><al>In de vergunning kan de toezichtsverplichting als doelvoorschrift worden
                    opgenomen, waarbij de exploitant zelf bepaalt hoe hij en de beheerder(s) er
                    inhoud aan geven. Ook kunnen aan de vergunning middelvoorschriften worden
                    verbonden, waardoor (gedeeltelijk) wordt voorgeschreven hoe de toezichtsplicht
                    dient te worden ingevuld. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat verplicht
                    bepaalde huisregels moeten worden gehanteerd; dat de exploitant of beheerder
                    verplicht is om na te gaan of de prostituee over voor de verrichten van arbeid
                    geldige verblijfspapieren beschikt en dat hiervan een interne registratie wordt
                    bijgehouden.</al><al/><al>Een andere zinvol vergunningvoorschrift in dit verband, dat met name het
                    toezicht door de toezichthouders kan vergemakkelijken, is bijvoorbeeld het
                    expliciet in de vergunning opnemen van de verplichting van (vooral) de
                    exploitant en beheerder(s) om alle medewerking te verlenen aan de
                    toezichthouder, waaronder in elk geval de onmiddellijke en onbelemmerde toegang
                    moet worden verstaan (artikel 5:20 Awb). Dit schept geen bevoegdheden of
                    verplichtingen, maar duidelijkheid voor de vergunninghouder. Ook kan het nuttig
                    zijn om in een vergunningvoorschrift op te nemen dat het verplicht is om een
                    (afschrift van) de vergunning altijd in de inrichting aanwezig te hebben.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Bepaalde strafbare feiten in de inrichting vormen een (ernstige) verstoring van
                    de openbare orde. Als niet de overtreding van dit artikel, maar de
                    ordeverstoring de grondslag vormt om bijvoorbeeld tot sluiting over te gaan,
                    speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant in de beoordeling van
                    de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt, in het geheel
                    geen rol. Ook de omstandigheid dat de exploitant is vrijgesproken door de
                    strafrechter doet dan niet ter zake (ABRS 30-07-1996, AB 1996, 471).</al><al/><al>Tegen de sluiting van een seksclub wegens prostitutie door minderjarigen
                    verweerde de exploitant zich door te wijzen op de inmiddels doorgevoerde
                    gewijzigde bedrijfsvoering om te voorkomen dat minderjarigen in zijn inrichting
                    werkzaam zouden zijn. Op basis van de verplicht over te leggen
                    legitimatiebewijzen van de medewerksters werd door hem sindsdien een volledige
                    lijst bijgehouden. De gemeente gaf ter zitting aan dat de sluiting zou worden
                    opgeheven als er een bevredigende controleregeling werd getroffen. Naar het
                    oordeel van de Afdeling heeft de gemeente het door de exploitant ingevoerde
                    systeem terecht niet als een sluitende en betrouwbare controleregeling
                    aangemerkt (ARRS 28-01-1992, S03.92.0095).</al><al/><al>Aan de vergunning was het volgende voorschrift verbonden: 1. de vergunninghouder
                    is verplicht dagelijks een nauwkeurige registratie bij te houden van de naam,
                    leeftijd, nationaliteit, adres en woonplaats van de bij hem/haar werkzame
                    prostituees; 2. deze registratie dient in de seksinrichting aanwezig te zijn; 3.
                    dienaangaande moeten kopieën van paspoorten of andere wettige
                    identiteitspapieren bij deze administratie bewaard worden; 4. de registratie
                    moet zeven jaar bewaard worden. De Afdeling constateert dat hoofdstuk 3 van de
                    APV “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” moet worden
                    aangemerkt als een verordening als bedoeld in artikel 151a, eerste lid, van de
                    Gemeentewet. Het voorschrift mist niet iedere wettelijke grondslag. In rechte
                    moet van de geldigheid van dat voorschrift worden uitgegaan. De burgemeester is
                    bevoegd tot handhaving. ABRS 24-1-2007 (Eindhoven), 200603030, LJN-nr.
                    AZ6851</al><al/><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende
                    gemeenten - vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes - zogenaamde
                    gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding”
                    (genoemd in artikel 3:13) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook
                    ten aanzien van straatprostitutie.</al><al/><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden
                    met de belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. Aan de hand van de
                    omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot aanwijzing van
                    een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het belang van de
                    woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de gemeente) of
                    juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving of de
                    openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou uitmaken).</al><al/><al>Over de vraag of deze afweging er ook op neer kan komen dat er in het geheel
                    geen tippellocatie wordt aangewezen verschillen de meningen. De Rechtbank
                    Maastricht oordeelde een dergelijk algeheel verbod in strijd met de vrijheid van
                    arbeidskeuze (zie hierna onder jurisprudentie). Bedacht moet echter worden dat
                    het daar de opheffing van een reeds getroffen voorziening betreft. Vooralsnog
                    dient te worden aangenomen dat gemeenten waar tot op heden in het geheel niet
                    wordt getippeld, dit in het belang van de openbare ook moeten kunnen voorkomen.
                    In dat geval zou voor dit artikel volstaan kunnen worden met de aanhef van lid 1
                    en het bepaalde in lid 2. In beleidsmatige zin dient deze keuze uiteraard wel zo
                    goed mogelijk te worden onderbouwd.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo’n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voorzover in de
                    aanzegging genoemd. Uit een verblijfsontzegging vloeit een sterke beperking van
                    de bewegingsvrijheid voort, zoals die onder meer wordt gewaarborgd door artikel
                    12 van het Internationaal Verdrag inzake de Burgerrechten en Politieke Rechten
                    (IVBPR). Deze moet daarom met de grootst mogelijke zorgvuldigheid worden
                    opgelegd. De maatregel moet noodzakelijk zijn, moet proportioneel zijn (in
                    verhouding tot de veroorzaakte ordeverstoring) en er moet worden voldaan aan het
                    subsidiariteitsbeginsel, dat erop neerkomt dat niet met een minder ingrijpend
                    middel zou kunnen worden volstaan. Uit de jurisprudentie over
                    verblijfsontzeggingen blijkt dat de rechter de volgende factoren in zijn
                    toetsing betrekt: staat de mate van overlast in verhouding tot de omvang van de
                    maatregel (welk gebied en welke tijdstippen)? Zijn er op dit verbod individuele
                    uitzonderingen noodzakelijk? En hoe lang geldt het verbod? De beantwoording van
                    deze vragen is sterk casuïstisch. Het vijfde lid heeft betrekking op de
                    eventueel noodzakelijke uitzonderingen op het verbod die in het concrete geval
                    moeten worden gemaakt. Indien betrokkene zijn woon- of werkadres heeft in het
                    desbetreffende gebied, dient dit in beginsel van het verbod te worden
                    uitgezonderd.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Uit HR 09-01-1973, NJ 1973, 134, alsmede uit de conclusie van advocaat-generaal
                    Remmelink voor HR 08-05-1979, NJ 1979, 554, kan worden opgemaakt dat artikel
                    3.2.6 (oud) niet in strijd komt met artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht
                    (dat toeziet op de schennis van de eerbaarheid).</al><al/><al>Voor wat betreft de bevoegdheid om in de APV tippelverboden op te nemen en
                    tippelzones aan te wijzen (en in te richten), kan worden gewezen op HR
                    23-10-1990, NJ 1991, 542, Gst. 6926, 4: de APV-bepaling van de gemeente
                    Groningen waarin het personen van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat
                    die zich aan prostitutie overgeven wordt verboden om post te vatten of zich heen
                    en weer te bewegen op door het college aangewezen wegen of openbare plaatsen,
                    werd door de HR niet in strijd geacht met artikel 12 IVBPR (vrijheid van
                    beweging). Over een vergelijkbare APV-bepaling in Heerlen, waar burgemeester en
                    wethouder de gehele gemeente hadden aangewezen voor de gelding van dit verbod,
                    werd door de HR 06-11-1990, NJ 1991, 218, Gst. 6918, 8, geoordeeld dat van
                    strijdigheid met artikel 1 van de Grondwet evenmin sprake was. Het verbod treft
                    weliswaar uitsluitend prostituees; dit gebeurt echter niet in verband met
                    persoonskenmerken, maar vanwege hun activiteiten.</al><al/><al>Vz.ARRS 27-09-1991, BR 1992, p. 203: met betrekking tot de inrichting van een
                    tippelzone hebben het college van Arnhem terecht besloten dat geen
                    vrijstellingen ex artikel 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vereist
                    zijn. Tippelen is niet in strijd met bestemming verkeersdoeleinden, de
                    “afwerkschotten”, die uitsluitend ’s avonds worden geplaatst, zijn dat evenmin.
                    Het plaatsen van een zogeheten huiskamerbus is een vorm van parkeren.</al><al/><al>Pres. Rb Maastricht 25-08-1995, KG 1996,46: de aanwijzing van een tippellocatie
                    is een besluit van algemene strekking waartegen beroep bij de rechtbank mogelijk
                    is. De president ziet geen aanleiding het besluit te schorsen.</al><al/><al>Pres. Rb Maastricht 03-07-1997, JB 1997, 206, en later ook de Rechtbank
                    Maastricht 02-06-1999, nrs. 98/387-389; niet gepubliceerd: de intrekking van de
                    aanwijzing van de enige tippellocatie door het college van Heerlen is in strijd
                    met het recht op bewegingsvrijheid (in casu is niet komen vast te staan dat er
                    sprake is van “pressing social need”) en in strijd met het recht op vrije
                    arbeidskeuze (artikel 19, derde lid van de Grondwet). Grondwettelijke rechten
                    kunnen - anders dan verdragsrechtelijke - slechts worden beperkt bij of
                    krachtens de wet in formele zin. Daar is in dit geval geen sprake van. Het
                    bestreden besluit mist derhalve een rechtmatige grond. De annotator merkt op dat
                    het tippelverbod slechts bepaalde handelingen verbiedt en dat het recht om te
                    gaan en te staan onverlet laat, zodat van strijdigheid met het recht op vrijheid
                    van beweging geen sprake kan zijn. Voor wat betreft het recht van vrije
                    arbeidskeuze volgt hij de president.</al><al/><al>ARRS 10-02-1981, AB 1981, 446 en HR 07-02-1984, AB 1984, 274 - indirect vervolgd
                    door HR 11-06-1985, NJ 1986, 41, AB 1986,106 - zien op de vraag wat de
                    reikwijdte van (de bevoegdheid tot) het opleggen van een verblijfsontzegging is.
                    Het vierde lid zoals hier opgenomen is daarmee in overeenstemming. Vz.ARRS
                    31-07-1989, AB 1990, 315 maakt duidelijk dat de bevoegdheid van de burgemeester
                    niet te ruim kan worden gedelegeerd. Het toekennen van een beschikkingsmandaat
                    is niet toegestaan.</al><al/><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto’s of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><al/><al>Zoals in het eerste lid is aangegeven, kan het bevoegd bestuursorgaan de
                    regulering terzake gestalte geven door:</al><lijst><li nr="1."><al>aan de betrokken rechthebbende bekend te maken dat, door de wijze van
                            tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen, de openbare orde of de woon- en
                            leefomgeving in gevaar wordt gebracht; </al></li><li nr="2."><al>(algemene) regels vast te stellen die in acht moeten worden genomen bij
                            het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften en
                            dergelijke als hier bedoeld. </al></li></lijst><al/><al>Zowel “bekendmaking” als bedoeld onder a, als de vaststelling van “regels” als
                    bedoeld onder b, vormt een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
                    Awb: in beide gevallen is er sprake van een besluit - dat zich richt tot een
                    betrokken rechthebbende respectievelijk van algemene strekking is - met het
                    (rechts)gevolg dat een verbod als genoemd in eerste lid, aanhef, van kracht
                    wordt. Tegen zo’n besluit kan dan ook door belanghebbenden bezwaar worden
                    aangetekend.</al><al/><al><vet>Artikel 3:12 Beslissingstermijn (niet van toepassing)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de “huishouding”, tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    “weigeringsgronden” hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan
                    inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de
                    in dit artikel genoemde belangen:</al><lijst><li nr=""><al>bij verordening algemeen verbindende voorschriften kunnen worden
                            vastgesteld (zoals de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen); </al></li><li nr=""><al>nadere regels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 3:3);
                        </al></li><li nr=""><al>beleidsregels kunnen worden vastgesteld (als bedoeld in artikel 4:81 van
                            de Awb); </al></li><li nr=""><al>vergunning kan worden verleend, onder vergunningsvoorschriften en
                            beperkingen (als bedoeld in artikel 1:4); </al></li><li nr=""><al>de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken (als bedoeld in
                            artikel 1:6) of </al></li><li nr=""><al>vergunning kan worden geweigerd. </al></li></lijst><al/><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag
                    voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om
                    de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</al><al/><al>Om discussie over de bevoegdheid tot wijziging of intrekking van de vergunning
                    te voorkomen, adviseren wij een vergunningsvoorschrift op te nemen dat niet mag
                    worden gehandeld in strijd met het bepaalde in hoofdstuk 3 van de APV.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder a: levensgedrag</cursief></al><al>Zie voor toelichting hierop de toelichting onder artikel 3:5.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</cursief></al><al>Net zoals in de praktijk van de vergunningverlening op basis van afdeling 2.3,
                    zal ook hier regelmatig voor kunnen komen dat er geen sprake is van een
                    weigeringsgrond als bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende
                    bestemmingsplan vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse
                    niet toelaat. Het is in dat geval lastig en onduidelijk als er vergunning wordt
                    verleend, maar tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van
                    kan worden gemaakt.</al><al/><al>Bij wijze van coördinatie is daarom strijdigheid met het bestemmingsplan als
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens ABRS 24-03-1997, AB 1997, 201, JG 97.0165 ,
                    is zulks aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                    planologische regeling bevat. Weliswaar brengt het tweede lid met zich mee dat
                    de burgemeester in een beoordeling van het geldende bestemmingsplan treedt, maar
                    dit laat de bevoegdheid van het college inzake de toepassing van het geldende
                    bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet of de Wet op de
                    Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><al/><al><cursief>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwillig, illegaal</cursief></al><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                    voorkomende weigeringsgrond, namelijk vrees voor ernstige verstoring van de
                    openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                    politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met artikel 273f
                    is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet worden dat de exploitant
                    prostituees onder dwang arbeid laat verrichten, of minderjarigen laat werken. Zo
                    dient ter bescherming van de openbare orde ook te worden voorkomen dat de
                    exploitant prostituees zonder een voor het verrichten van arbeid geldige
                    verblijfstitel inzet. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Rb
                    Rotterdam van 5-09-1997, JG 97.0209 : naar het oordeel van de Rechtbank zijn
                    terecht twee horeca-inrichtingen gesloten en zijn de exploitatievergunningen
                    ingetrokken wegens de smokkel van illegalen. De Rechtbank ziet dit als een
                    aantasting van de openbare orde.</al><al/><al>Om te voorkomen dat werkzame prostituees tegen hun wil bepaalde seksuele
                    contacten moeten aangaan, kunnen aan de vergunning voorschriften worden
                    verbonden, zoals: een verbod op het opleggen van een minimum aantal klanten, of
                    het recht van prostituee om klanten of bepaalde seksuele handelingen te
                    weigeren.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op sexinrichtingen. Het drijven
                    van een dergelijke onderneming is immers het verrichten van een dienst aan de
                    klant. De Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel a. niet
                    discriminatoir, b. noodzakelijk en c. proportioneel is. In bijna alle gevallen
                    gaat het om vestiging van een sexinrichting waarvoor artikel 9 van de richtlijn
                    de bovengenoemde criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in artikel 9
                    verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat onder andere
                    de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid, als
                    bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag; handhaving van de
                    maatschappelijke orde; doelstellingen van het sociaal beleid; bescherming van
                    afnemers van diensten; bescherming van werknemers; voorkoming van fraude;
                    bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, verkeersveiligheid. Zie
                    verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule of
                    reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    ondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan is niet
                    artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria openbare
                    orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor een
                    vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8.</al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca zijn wij van mening dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door middel van vergunningvoorwaarden te stellen aan de
                    ondernemer kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. Het
                    confectiepak voldoet hier niet.</al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 van de richtlijn is er overeenkomstig de
                    rechtspraak van het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke
                    uitoefening van een economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een
                    duurzame vestiging wordt verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een
                    onderneming voor een bepaalde tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt
                    gehuurd van waaruit de ondernemer zijn activiteiten onderneemt.</al><al>Wij hebben gemeend dat de weigeringsgronden onder de rule of reason vallen. Wel
                    moeten de begrippen worden geïnterpreteerd binnen de bandbreedte van de rule of
                    reason. Andere weigeringsgronden zijn niet geoorloofd. Uiteraard dient
                    gemotiveerd te worden van welke weigeringsgrond sprake is en waarom.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder a: openbare orde</onderstreept></al><al>De bescherming van de openbare orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer
                    aanleiding zijn om het aantal seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden
                    verleend aan een maximum te binden. Indien het maximumaantal vergunningen is
                    verleend, kan vergunning voor een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te
                    voorkomen dat de openbare orde ter plaatse door de vestiging van een nieuw
                    bedrijf verder wordt verstoord.</al><al/><al>Onder meer ARRS 18-02-1999, JG 99.0168 m.nt. W.A.G. Hillenaar, 22-05-1987, AB
                    1988, 240, en 08-01-1988, AB1988, 417 maken duidelijk dat de rechter op zichzelf
                    aannemelijk acht dat aantasting van de woon- en leefomgeving wordt veroorzaakt
                    door de cumulatieve effecten van een aantal inrichtingen (in casu bordelen) in
                    de gemeente en dat dit aantal kan worden gemaximeerd. Wel moet bij een
                    “boventallige” vergunningaanvraag worden aangetoond of aannemelijk gemaakt dat
                    de aanwezigheid of de wijze van exploitatie van de betrokken inrichting de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt. Om in dat geval
                    voldoende gemotiveerd vergunning te weigeren kan dus niet worden volstaan met
                    het gegeven dat het maximumaantal te verlenen vergunningen is bereikt maar moet
                    ook worden aangegeven dat er in casu niets is gebleken van bijzondere
                    omstandigheden die ertoe zouden nopen om - in afwijking van dat beleid - toch
                    vergunning te verlenen.</al><al/><al>Als uitgangspunt is een maximumbeleid, bijvoorbeeld ten aanzien van
                    horeca-inrichtingen of vent- en standplaatsvergunningen, door de rechter
                    aanvaard. Bij de toepassing van zo’n beleid kan een prostitutienota of een
                    vergelijkbaar beleidsstuk een belangrijk hulpmiddel zijn, indien daarin
                    gemotiveerd is toegelicht welke concentratiegebieden zijn aangewezen en voor
                    welk aantal inrichtingen ten hoogste een vergunning kan worden verleend. Ook een
                    bestemmingsplan kan daarvoor als middel dienen, indien daaruit het karakter van
                    een bepaalde straat of wijk blijkt.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder c: woon- en leefomgeving</onderstreept></al><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een
                    maximumbeleid en een concentratiebeleid veelal ter onderlinge versterking in
                    combinatie toegepast. De exploitatie van seksinrichtingen kan worden tegengegaan
                    op plaatsen waar de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze nadelig zou
                    worden beïnvloed. Daarvoor zou bijvoorbeeld specifiek reden kunnen zijn in
                    woonbuurten of in de nabije omgeving van ‘gevoelige’ gebouwen (schoolgebouwen,
                    kerkgebouwen e.d.). Indien aldus gebiedsaanwijzing heeft plaats gehad, kan op
                    een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting in een
                    aangewezen gebied afwijzend worden beslist in het belang van het woon- en
                    leefklimaat ter plaatse.</al><al/><al>Vanzelfsprekend kan een dergelijk beleid ook worden toegepast ten aanzien van
                    bepaalde categorieën seksinrichtingen. Denkbaar is immers dat de woon- en
                    leefomgeving in een bepaald gebied zich niet verdraagt met de vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven, maar bijvoorbeeld wel met de vestiging van clubs,
                    bordelen en dergelijke.</al><al/><al>Ook een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is uiteraard de
                    omvang van de inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens
                    betrekking heeft op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het
                    maximale aantal werkzame prostituees worden vastgesteld.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder d: Veiligheid personen of
                        goederen</onderstreept></al><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te kunnen waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen
                    die zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet:</al><lijst><li nr=""><al>is het Bouwbesluit daarop van toepassing met het oog op de
                            brandveiligheid van de inrichting zelf; en </al></li><li nr=""><al>biedt de gemeentelijke bouwverordening daarvoor de grondslag voorzover
                            het gaat om het gebruik van de inrichting. </al></li></lijst><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de brandbeveiligingsverordening.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder e: verkeersvrijheid of
                        -veiligheid</onderstreept></al><al>Het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid valt onder de noemer openbare
                    veiligheid en zal doorgaans vooral aan de orde zijn bij straat- en
                    raamprostitutie. Daarbij vindt de werving van klanten immers plaats op of aan de
                    openbare weg, alwaar sprake is van soms aanzienlijke aantallen voetgangers en
                    motorvoertuigen. Aanwijzing van een tippelzone of vestiging van
                    raamprostitutiebedrijven kan dan bezwaarlijk zijn, indien daardoor bijvoorbeeld
                    de normale bereikbaarheid van het desbetreffende gebied wordt geschaad of
                    bewoners ter plaatse niet of nauwelijks meer kunnen parkeren. Situaties als deze
                    kunnen zich evenwel ook voordoen bij vestiging van een (te) groot aantal
                    bordelen in een bepaald gebied, zodat ook bij andere vormen van prostitutie de
                    verkeersveiligheid of -vrijheid aanleiding kan vormen tot regulering (in de vorm
                    van een maximum- of concentratiebeleid).</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid onder f: gezondheid</onderstreept></al><al>Tot de belangen die deel uitmaken van de gemeentelijke huishouding, behoort ook
                    dat van de (volks)gezondheid. Daarnaast hebben de gemeenten, met als uitvoerende
                    instantie de GGD, ook een aantal wettelijke taken met betrekking tot de
                    ontwikkeling en uitvoering van volksgezondheidbeleid. In dit verband wordt
                    gewezen op de Wet collectieve preventie volksgezondheid (Wcpv; stb. 1990, 300)
                    en meer in het bijzonder op het Besluit collectieve preventie volksgezondheid
                    (Stb. 1992, 569). Dit Besluit verplicht gemeenten namelijk zorg te dragen op
                    voor de uitvoering van collectieve preventie van onder meer seksueel
                    overdraagbare aandoeningen (soa) en aids. Bovendien heeft de wetgever bij de
                    opheffing van het bordeelverbod het verbeteren van de positie van de prostituee,
                    waaronder tevens begrepen de gezondheidssituatie, als een van de
                    hoofddoelstellingen bestempeld. Alle reden dus voor gemeenten, bijgestaan door
                    de GGD, om een actief volksgezondheidsbeleid te voeren.</al><al/><al>Doelstelling van zo’n beleid kan om te beginnen zijn het (doen) verzorgen van
                    voorlichting over besmettingsrisico’s en seksueel veilig gedrag aan prostituees,
                    prostituanten en exploitanten. Bij die partijen rust immers de belangrijkste
                    verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke preventie van soa. Ook kan het
                    beleid erop gericht zijn zo laagdrempelig mogelijke faciliteiten te (doen)
                    verwezenlijken voor betrokkenen; hierbij kan worden gedacht aan toegankelijke
                    gezondheidszorgvoorzieningen, waar prostituees en prostituanten zich tegen een
                    beperkte vergoeding en op professionele wijze kunnen laten onderzoeken op de
                    aanwezigheid van soa. Dit beleid kan ook zijn weerslag vinden in specifieke
                    vergunningvoorschriften. Daarbij valt te denken aan de verplichting voor de
                    exploitant om een “veilig seks beleid” te voeren (dat wil zeggen dat ze geen
                    onveilige seks mogen aanbieden en veilige seks moeten faciliteren) en
                    prostituees in de gelegenheid moeten stellen zich regelmatig op soa te laten
                    onderzoeken. Ook kan het voorschrift worden opgenomen dat de exploitant
                    verplicht is om de GGD toe gang te verlenen tot de inrichting ten behoeve van de
                    voorlichting van prostituees. Als GGD-artsen of verpleegkundigen zijn aangewezen
                    als toezichthouders is een dergelijk voorschrift niet nodig. Van verschillende
                    zijde is echter opgemerkt dat de rol van de GGD als vertrouwenspersoon zich
                    moeilijk verhoudt met die van toezichthouder. Een ander vergunningvoorschrift
                    waar in het kader van de gezondheidspositie van de prostituee aan gedacht kan
                    worden, is het verbod op verplichte alcoholconsumptie.</al><al/><al>Waar het gaat om de preventie van soa’s wordt wel eens gedacht over het
                    verplicht stellen van een periodieke medische controle van prostituees.
                    Daargelaten of en hoe het verplicht stellen van een dergelijke controle mogelijk
                    is, kan zulks ertoe leiden dat het illegale prostitutiecircuit zich uitbreidt en
                    dat een toenemende groep, met name seropositieve of drugsgebruikende,
                    prostituees onbereikbaar wordt voor voorlichting en medische zorg.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder f: zedelijkheid</onderstreept></al><al>Voor wat betreft de bescherming van de zedelijkheid wordt wel eens gesteld dat
                    gemeenten hierbij geen verordenende bevoegdheid zou toekomen nu daarover door de
                    formele wetgever strafbepalingen zijn vastgesteld, te weten de artikelen 239,
                    240, 240a en 240b van het Wetboek van Strafrecht. De (aanvullende) regelgevende
                    bevoegdheid die gemeenten op dit punt reeds toekwam wordt door deze bepalingen
                    echter ongemoeid gelaten. De daarover bestaande jurisprudentie blijft derhalve
                    actueel.</al><al>Zo werd de vraag of een APV-bepaling die de exploitatie van een sekswinkel aan
                    een vergunning onderwierp in strijd was met de artikelen 240 en 451bis van het
                    Wetboek van Strafrecht, in HR 05-06-1979, NJ 1979,553, ontkennend
                    beantwoord.</al><al/><al>Ook al kunnen ter bescherming van de zedelijkheid dus ook bij gemeentelijke
                    verordening vergunningsvoorschriften worden vastgesteld, het zedelijkheidsmotief
                    zal bij de regulering van de commerciële exploitatie van prostitutie doorgaans
                    niet vooropstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat op basis van het
                    zedelijkheidsmotief in de vergunningvoorschriften een minimumleeftijdsgrens voor
                    bezoekers wordt gesteld van bijvoorbeeld 16 of 18 jaar</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid, onder g: arbeidsomstandigheden</onderstreept></al><al>Volgens de MvT betreft de bescherming en verbetering van de positie van de
                    prostituee, die als gezegd één van de hoofddoelstellingen van de wetswijziging
                    is, onder meer de arbeidsomstandigheden in prostitutiebedrijven. Door opheffing
                    van het algemeen bordeelverbod is de Arbeidsomstandighedenwet (Stb. 1990, 94)
                    van toepassing op delen van de prostitutiebranche, te weten waar sprake is van
                    een arbeidsverhouding als bedoeld in de wet.</al><al/><al>Tot slot nog een enkele opmerking over de arbeidsovereenkomst en de
                    arbeidsvoorwaarden. Al onder artikel 250bis van het Wetboek van Strafrecht kwam
                    het voor dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen prostituee en
                    exploitant. In de literatuur werd betwijfeld of een dergelijke overeenkomst in
                    strijd met de openbare orde of de goede zeden kwam of, nu artikel 250bis zich
                    richtte tot de exploitant, in strijd met de wet kon worden geacht. Met de
                    opheffing van het algemeen bordeelverbod heeft deze discussie aan belang
                    verloren.</al><al/><al>Van verordeningsbepalingen over arbeidsvoorwaarden van prostituees moet worden
                    aangenomen dat die te zeer treden in het particuliere belang van de prostituee
                    en de exploitant, en de grenzen van de huishouding (de regelgevende bevoegdheid)
                    van de gemeente te buiten gaan. Blijkens de MvT stelt ook de wetgever zich op
                    het standpunt dat “de centrale noch de lokale overheid het tot haar taak dient
                    te rekenen om binnen de grenzen van vrijheid en zelfbepaling nadere regels te
                    stellen over de rechtsverhouding tussen exploitant en prostituee.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Een brief aan alle exploitanten van seksinrichtingen inzake handhavingsbeleid is
                    geen schriftelijke waarschuwing die normaliter overeenkomstig het
                    handhavingsbeleid wordt verstuurd. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst naar
                    burgerlijk recht als prostituees loon krijgen uitbetaald volgens een door de
                    bordeelhouder vastgesteld tarief. LJN-nr. AF5723, JG 03.0127, m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al>Prostitutiebedrijf is een voor publiek openstaand gebouw. Strijd met het
                    bestemmingsplan als weigeringgrond aanvaard. Exploitatie van het
                    prostitutiebedrijf past niet in het bestaand woonklimaat. LJN-nr. AH9858, JG
                    03.0194, m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Parenclub in woning niet toegestaan wegens strijd met bestemmingsplan. LJN-nr.
                    AE6669, JG 03.0024 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de
                    onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het
                    gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting
                    en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG 04.0150,
                    m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Een bordeel is een voor publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174 lid
                    1, van de Gemeentewet. Een bordeel past niet in de functie woonbebouwing.
                    LJN-nr. AE5853, JG. 03.0062, m. nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook al
                    zouden deze de vestiging </al><al>van een prostitutiebedrijf op een bepaalde plaats feitelijk onmogelijk maken.
                    LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Bouwvergunning mag op grond van planologische uitstraling niet worden geweigerd
                    (bestemming prostitutie), de exploitatie van raambordelen is daartegen uit een
                    oogpunt van verkeersveiligheid niet toegestaan. LJN-nr. AK4053, JG 03.0195 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al>Weigering van een vergunning voor een horeca-inrichting op grond van het feit
                    dat het bestemmingsplan een seksinrichting niet toestaat? ABRS 03-11-2004,
                    LJN-nr. AR5047, JG 05.0006 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al><al><onderstreept>Eerste en tweede lid</onderstreept></al><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3:4, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. Wijziging van
                    beheer zal immers nog vaker aan de orde zijn dan de wijziging van de
                    exploitatie.</al><al/><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</vet></al><al>Als na de inventarisatie van de lokale situatie, die vooraf gaat aan de
                    beleidsformulering, blijkt dat er in de gemeente geen seksinrichtingen zijn
                    gevestigd, bestaat er uiteraard geen noodzaak om overgangsrecht te
                    formuleren.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Met het in hoofdstuk 3 opgenomen vergunningstelsel wordt een nieuw rechtsregime
                    van toepassing, onder meer op bestaande inrichtingen. Vanuit een oogpunt van
                    behoorlijk bestuur dient exploitanten van deze inrichtingen een redelijke
                    termijn te worden gegund om de benodigde vergunning aan te vragen. In het eerste
                    lid, onder a, moet worden vermeld wat daarvoor, mede gelet op de plaatselijke
                    omstandigheden, als redelijke termijn moet worden beschouwd. Indien de
                    exploitant de vergunningaanvraag binnen deze termijn heeft ingediend, mag hij de
                    inrichting zonder vergunning exploiteren zolang op zijn aanvraag niet is beslist
                    (eerste lid, onder b).</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het is echter onwenselijk dat de exploitant gedurende deze termijn zijn
                    bedrijfsvoering geheel naar eigen inzicht gestalte zou kunnen geven. Denkbaar is
                    namelijk dat, hangende het besluit over de vergunningaanvraag, het bevoegd
                    bestuursorgaan kennis krijgt van excesomstandigheden in de inrichting die met
                    het oog op een verantwoorde exploitatie onmiddellijk zouden moeten worden
                    beëindigd; een dergelijke omstandigheid kan bijvoorbeeld zijn dat nooduitgangen
                    geblokkeerd of onbruikbaar zijn, waardoor de veiligheid van in de inrichting
                    aanwezige personen acuut in het geding is. Met het oog op het tegengaan van
                    dergelijke situaties is in het tweede lid bepaald, dat het bevoegd
                    bestuursorgaan de exploitant kan aanschrijven tot het treffen van in de
                    aanschrijving te noemen voorzieningen.</al><al>Sinds 2007 zijn in artikel 1:8 de algemene weigeringsgronden vervat. Het tweede
                    lid is hier op aangepast. Er wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                        HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al><vet>AFDELING 1: GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Inrichtingen</cursief></al><al><cursief>Besluit</cursief></al><al>Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (hierna: Besluit) in werking getreden. Dit besluit vervangt een
                    groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Een van die AMvB’s is
                    het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Voor de
                    inwerkingtreding van het nieuwe Besluit werd in de APV voor festiviteiten met
                    het begrip “Besluit” verwezen naar het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer en werd voor diverse begrippen (bijvoorbeeld
                    het begrip inrichting) aangesloten bij dit besluit. Het Besluit geeft, evenals
                    het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer,
                    gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een gemeentelijke verordening
                    ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-, trillings- en
                    lichthinder.</al><al/><al>Er zijn ook diverse inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van het oude besluit.
                    Met de inwerkingtreding van het Besluit wordt het aantal branches en bedrijven
                    dat gebruik kan maken van de regelingen voor collectieve en individuele
                    festiviteiten vergroot. Zo vallen (niet-agrarische) inrichtingen die voorheen
                    onder een van de elf andere AMvB’s vielen nu ook onder het nieuwe besluit. Het
                    gaat om besluiten als bijvoorbeeld Besluit opslag- en transportbedrijven,
                    Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven, Besluit bouw- en houtbedrijven en
                    Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen. Ook diverse soorten inrichtingen die
                    voorheen vergunningplichtig waren, zoals metaalelectrobedrijven, vallen nu onder
                    het Besluit.</al><al/><al>Een tweede belangrijke wijziging is dat het Besluit de mogelijkheid biedt om in
                    de gemeentelijke verordening voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter
                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><al/><al><cursief>Inrichting</cursief></al><al>Op grond van de Wet milieubeheer moeten inrichtingen die nadelige gevolgen voor
                    het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een milieuvergunning beschikken, of
                    voldoen aan een algemene maatregel van bestuur (AMvB), welke artikelen met
                    betrekking tot de bescherming van het milieu bevat.</al><al/><al>Een inrichting is volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer “elke
                    door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                    ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden
                    verricht.” In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wm zijn de
                    categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen veroorzaken
                    voor het milieu. Deze inrichtingen waren tot 1 januari 2008 in principe
                    vergunningplichtig volgens de Wm. Het uitgangspunt van de Wm was dat een
                    inrichting een milieuvergunning diende te hebben tenzij de inrichting onder een
                    AMvB op basis van artikel 8.40 Wm viel. Met de inwerkingtreding van het Besluit
                    is dit omgedraaid. Een inrichting valt onder het Besluit tenzij de
                    bedrijfsactiviteiten hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval blijft een
                    inrichting vergunningplichtig.</al><al/><al>In het Besluit wordt gesproken over drie typen inrichtingen. Dit zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Type A-inrichtingen, deze vallen onder het lichte regime en hoeven geen
                            melding te doen op basis van het Besluit. Ze moeten wel voldoen aan de
                            inrichtinggerelateerde voorschriften uit het Besluit. Type
                            A-inrichtingen zijn bijvoorbeeld kantoren en schoolgebouwen. </al></li><li nr="2."><al>Type B-inrichtingen zijn bedrijven die tot nog toe onder de artikel
                            8.40-AMvB’s vielen en bedrijven uit onder andere de
                            metaalelectro-industrie, tandheelkundige laboratoria, zeefdrukkerijen en
                            een deel van de afvalverwerkende bedrijven en bedrijven die door
                            versoepeling of het vervallen van de uitsluitcriteria of het “in
                            hoofdzaak”-criterium nu wel onder het Besluit vallen. Type
                            B-inrichtingen vallen geheel onder het Besluit en zijn meldingsplichtig.
                        </al></li><li nr="3."><al>Type C-inrichtingen zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht
                            blijft gelden, maar die voor een deel van de activiteiten te maken
                            krijgen met de voorschriften in hoofdstuk 3 van het Besluit. </al></li></lijst><al>Voor deze afdeling van de APV zijn met name de bepalingen in de hoofdstukken 2
                    en 4 van het Besluit relevant. De type A- en type B-inrichtingen moeten voldoen
                    aan de in of bij het in hoofdstuk 2 van het </al><al>Besluit gestelde voorschriften. Voor sommige type B-inrichtingen is daarnaast
                    ook artikel 4.113 (verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht) van
                    belang.</al><al/><al>In het oude Besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer waren
                    de normen voor geluid- en trillingshinder dusdanig laag dat ze bij festiviteiten
                    met levende muziek veelal overtreden zouden worden. Vanwege de maatschappelijke
                    functie van de inrichtingen bood het besluit de mogelijkheid om ontheffing te
                    verlenen van deze voorschriften. In de andere AMvB’s was deze mogelijkheid niet
                    opgenomen. In het nieuwe Besluit wordt deze mogelijkheid voor festiviteiten ook
                    aan de andere inrichtingen geboden, bijvoorbeeld voor een personeelsfeest of een
                    open dag.</al><al/><al><cursief>Geluidsgevoelige gebouwen en terreinen</cursief></al><al>Voor deze begripsbeschrijving wordt aangesloten bij definities voor
                    (geluids)gevoelige gebouwen en terreinen uit het Besluit en de Wet geluidhinder.
                    Het begrip onversterkte muziek is niet eerder gedefinieerd.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van
                    het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al/><al>In artikel 4:2 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er
                    hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke
                    feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen. Het verdient
                    aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke
                    bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het
                    Besluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing
                    voor het aantal dagen opgenomen. Vaak zal er toch behoefte zijn om vooraf een
                    bepaald maximum aantal festiviteiten vast te stellen. Dit maximum zou door het
                    college kunnen worden vastgelegd in een beleidsregel. Als de gemeenteraad dit
                    zelf wenst te bepalen, dan dient het maximum te worden vastgelegd in de
                    verordening zelf.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet de verlichting bij
                    sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn
                    uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij
                    collectieve festiviteiten staat in artikel 4.113, tweede lid, onder a, van het
                    Besluit. Dit voorschrift is met name bedoeld voor sportverenigingen die buiten
                    de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een
                    sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier
                    verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke
                    sportverenigingen - vast te laten stellen op welke data de betreffende
                    beperkingen niet van toepassing zijn.</al><al>In het Besluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid
                    geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Kortheidshalve
                    wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen naar de bovenstaande
                    toelichting bij het eerste lid.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de
                    verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De gemeenteraad kan het
                    grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar
                    verschillende dorpskernen of wijken. De vaststelling van deze gebieden dient
                    plaats te vinden in een apart besluit waarop bezwaar en beroep volgens de Awb
                    mogelijk is. Van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt
                    tijdens carnaval, kermissen of culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.
                    De mogelijkheid van gebiedsdifferentiatie was ook in het oude besluit opgenomen.
                    Wel kan bijstelling van gebieden wenselijk zijn doordat de werkingssfeer van de
                    festiviteitenregeling sterk wordt uitgebreid.</al><al/><al>Bij de vaststelling van deze gebieden moet er wel rekening mee worden gehouden
                    dat deze de strekking van de regeling niet ondermijnt. Het onderscheid tussen
                    collectieve en incidentele festiviteiten moet duidelijk blijken.
                    Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. Artikelen 2.21 en 4.113 van het Besluit kennen
                    alleen gebiedsdifferentiatie voor collectieve festiviteiten.</al><al/><al><onderstreept>Zesde tot en met het achtste lid</onderstreept></al><al>In tegenstelling tot het oude besluit biedt dit Besluit gemeenten de
                    mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaardent te
                    stellen aan de collectieve festiviteiten en activiteiten. In de model-APV is
                    ervoor gekozen om een aantal voorwaarden in de APV op te nemen. Afhankelijk van
                    de situatie in een gemeente kan het wenselijk zijn om voorwaarden niet in maar
                    krachtens de APV te stellen, bijvoorbeeld voor meer flexibiliteit bij wijziging
                    van de voorwaarden. De basis voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van
                    artikel 2.21, onderdeel a. Hierin wordt wel duidelijk gesteld dat het moet gaan
                    om voorwaarden ter voorkoming van geluidhinder. Voor de verlichting bij
                    sportbeoefening is deze mogelijkheid niet in het Besluit opgenomen.</al><al/><al>De voorwaarden kunnen gaan over bijvoorbeeld beperking van het geluidsniveau,
                    het bepalen van het eindtijdstip of gedragsvoorschriften. De keuze om bepaalde
                    voorschriften wel of juist niet op te nemen in de APV is afhankelijk van de
                    lokale situatie en bestuurlijke prioriteiten. Wanneer er veel (horeca- of
                    andere) inrichtingen dicht bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woonwijken
                    liggen kan het wenselijk zijn om beperkende voorwaarden op te nemen. Anderzijds
                    kan ook gekozen worden om bedrijven meer geluidsruimte te geven en (net als
                    onder het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer) geen
                    voorwaarden in de APV op te nemen. Daarbij is het wel zo dat voortaan de
                    regeling voor collectieve festiviteiten geldt voor àlle type A- en
                    B-inrichtingen onder het Besluit en niet alleen voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen.</al><al/><al>Voor de hoogte van het geluidsniveau in het zesde lid wordt bij het Besluit een
                    suggestie gedaan van 10 of 20 dB(A) hoger dan de reguliere norm. Bij enkele
                    gemeenten wordt mogelijk een aanvullende norm opgenomen voor lagere frequenties
                    (gesteld in dB(C). De reden voor een geluidsnorm met gebruik van een C-filter is
                    het effect van lage bastonen bij hogere geluidsniveaus. Bij de C-filter worden
                    deze lage frequenties sterker worden meegewogen dan bij een A-filter vanwege de
                    problematiek met lage geluidsfrequenties. Een andere mogelijkheid is, als
                    woningen op grotere afstand van de inrichtingen liggen, een geluidsnorm op een
                    vaste, kortere afstand van de inrichtingen op te nemen.</al><al/><al>In het zevende lid wordt gesproken over onversterkte muziek. In het Besluit is
                    onversterkte muziek uitgezonderd bij het bepalen van de geluidsniveaus. De reden
                    hiervoor is dat maatregelen ter beperking van de geluidsemissies moeilijk zijn.
                    Dit betekent dat voor onversterkte muziek in principe geen maximum geluidsnorm
                    geldt. Op basis van artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid, van het
                    Besluit hebben gemeenten wel de mogelijkheid om dit in een gemeentelijke
                    verordening aan te passen (zie ook artikel 4:5). De reguliere geluidsnormen
                    gelden niet bij festiviteiten, waardoor bedrijven dan meer geluid mogen
                    produceren. Om de omgeving enige bescherming te bieden en geluidniveaus van
                    onversterkte muziek bij festiviteiten te begrenzen is onversterkte muziek
                    meegenomen in de geluidsnorm.</al><al/><al>Bij de bepaling van het geluidsniveau wordt in het zevende lid de
                    bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid buiten beschouwing gelaten. Dit in
                    tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. Hiervoor
                    wordt aangesloten bij de systematiek en motivatie uit het Besluit: in de
                    handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog op continu-bedrijven.
                    Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid bij horecabedrijven die
                    bijvoorbeeld om 1.00 uur sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de
                    nachtperiode hoger mag zijn door correctie voor de resterende nachtperiode.
                    Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
                    muziekgeluid niet toegestaan.</al><al>In het achtste lid is een eindtijdstip voor muziekgeluid vastgesteld om te
                    voorkomen dat feesten bij bedrijven zonder wettelijke sluitingstijden
                    (theoretisch) de hele nacht door kunnen gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld
                    een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of
                    straatfeest of een “vroege vogels”-toernooi. In het Besluit is bepaald dat het
                    maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden maximaal 12 dagen of
                    dagdelen per jaar betreft. Het betreft een maximum: de raad heeft de bevoegdheid
                    om, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, in dit artikel het
                    aantal te verlagen. In het onderhavige artikel dient de raad in de verordening
                    te bepalen hoeveel incidentele festiviteiten per inrichting maximaal zijn
                    toegestaan in de gemeente. Het maximum aantal van 12 incidentele festiviteiten
                    is ongewijzigd in vergelijking met de vorige regeling voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen. Wat wel verandert is dat de regeling nu ook geldt voor
                    festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit
                    vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en
                    transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen
                    doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type
                    C-inrichtingen (d.w.z. inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen
                    onder Besluit landbouw of Besluit glastuinbouw).</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Volgens artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit moet bij inrichtingen de
                    verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur
                    zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt
                    uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 4.113 kan hiervan worden
                    afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere
                    competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van
                    hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een “vroege
                    vogels”-toernooi. Volgens het Besluit is het maximum aantal dagen waarvoor de
                    beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per
                    jaar. Kortheidshalve wordt voor de verdere toelichting over dit maximum verwezen
                    naar de bovenstaande toelichting bij het eerste lid.</al><al/><al>Volgens de toelichting bij het Besluit blijft ook bij gebruik van artikel 4.113
                    tweede lid de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte
                    voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele
                    activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare
                    lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het bevoegd
                    gezag.</al><al><onderstreept>Zesde tot en met het tiende lid</onderstreept></al><al>In tegenstelling tot het oude Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    biedt het Besluit gemeenten de mogelijkheid om in of krachtens een gemeentelijke
                    verordening voowaarden te stellen aan de incidentele festiviteiten. De basis
                    voor deze bevoegdheid staat in het tweede lid van artikel 2.21, onderdeel b.
                    Voor de algemene toelichting over de mogelijkheid om voorwaarden te stellen bij
                    festiviteiten en de toelichting bij het zesde tot en met het tiende lid wordt
                    kortheidshalve verwezen naar bovenstaande toelichting bij artikel 4:2 APV, zesde
                    tot en met het achtste lid. Net als bij de collectieve festiviteiten geldt de
                    regeling voor incidentele festiviteiten voor àlle type A- en B-inrichtingen
                    onder het Besluit in plaats van alleen voor horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen zoals onder het oude besluit.</al><al>In het negende en tiende lid wordt de mogelijkheid om muziekgeluid te produceren
                    bij een festiviteit beperkt tot binnen de gebouwen van de inrichting. Gebouwen
                    hebben over het algemeen een bepaalde geluiddempende werking. Op het
                    buitenterrein zijn minder mogelijkheden voor het beperken van geluidemissies.
                    Daarbij is het zo dat de regeling niet langer alleen geldt voor horeca, sport-
                    en recreatie-inrichtingen maar ook voor alle andere type A- en B-inrichtingen,
                    wat met name een belasting kan geven voor woningen met diverse bedrijven in de
                    omgeving die op verschillende momenten festiviteiten organiseren. Voor
                    muziekgeluid op buitenpodia of het buitenterrein van horecagelegenheden bij
                    evenementen, kan dit in de evenementenvergunning worden geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.18 en 2.20 van het Besluit. Het
                    artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f
                    en het vijfde lid van het Besluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor
                    onversterkte muziek regels op te nemen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
                    Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd.
                    De geluidwaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. Het kan zijn dat
                    u er de voorkeur aan geeft hogere waarden vast te stellen, bijvoorbeeld vanwege
                    oude, meer gehorige panden. Deze keuze is aan de gemeente. Genmeenten kunnen op
                    basis van artikel 2.20 voor geluid maatwerkvoorschriften vaststellen. Er kan op
                    basis van artikel 2.20 en 2.17 ( en dus indirect artikel 2.18) voor gekozen
                    worden om ook maatwerkvoorschriften vast te stellen voor onversterkte muziek
                    Deze kunnen dan mogelijk wel afwijken van hetgeen in de APV gesteld wordt.Dit
                    kan verwarrend zijn voor bedrijven die meer of minder geluid mogen produceren
                    bij versterkte (maatwerkvoorschriften) dan bij onversterkte muziek. Om de
                    geluidsnormen voor versterkte muziek gelijk te kunnen maken aan onversterkte
                    muziek is dit artikel opgenomen.</al><al/><al>Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te
                    geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in lid 2
                    een mogelijkheid gecreëerd om een aantal uur in de week uitgezonderd te zijn van
                    de geluidsniveaus. In artikel 2 wordt gesproken over “oefenen”. Op deze manier
                    worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van
                    oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.</al><al/><al>De genoemde geluidsniveaus in het eerste lid onder tabel c zijn niet van
                    toepassing op;</al><lijst><li nr="1."><al>het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst
                            of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
                            levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid
                            in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; </al></li><li nr="2."><al>het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
                            het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en
                            zonsondergang op militaire inrichtingen; </al></li><li nr="3."><al>het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire
                            muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum
                            van twee uren per week op militaire inrichtingen. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder [4.1.5]</vet></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al/><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is
                    gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3.</al><al/><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening.</al><al/><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder het
                    kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al/><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr=""><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; </al></li><li nr=""><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen; </al></li><li nr=""><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; </al></li><li nr=""><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; </al></li><li nr=""><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen; </al></li><li nr=""><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. </al></li><li nr=""><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. </al></li></lijst><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Jurisprudentie op grond van het Besluit bestaat nog niet. Onderstaande is
                    gebaseerd op het oude Besluit horca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer.</al><al/><al>Weigering ontheffing om voor onbepaalde tijd eens in de twee weken op dinsdag-
                    of donderdagavond van 19.00 tot 21.30 uur luide hardrockmuziek af te spelen op
                    eigen muziekinstallatie, blijft in hoger beroep in stand. Het opnemen van
                    geluidsnormen in de verordening is een zaak van de gemeentelijke wetgever. ABRS
                    16-12-2002, 200202622/1, LJN-nr. AE8977.</al><al/><al>Voorlopige voorziening, Vergunning onder voorschriften wordt verleend voor het
                    houden van een besloten buurtfeest voor ongeveer 25 personen. Omvang en karakter
                    van het buurtfeest zijn - naar voorlopig oordeel - dusdanig te achten dat
                    daarvan in redelijkheid geen geluidhinder als bedoeld in artikel 4.1.5 (oud) van
                    de APV valt te verwachten. Rb Zutphen 05-07-2002, 02/972 VEROR 58, LJN-nr.
                    AE5178.</al><al>Verlening ontheffing, onder voorschriften, voor het ten gehore brengen van
                    carillonmuziek. Vier keer per dag twee minuten en wekelijks op woensdag- of
                    zaterdagmiddag maximaal 45 minuten. De norm van 75 dB(A) ter plaatse van
                    woningen is niet voldoende onderbouwd. Het uitgangspunt dat het carillon in het
                    winkelgebied moet worden gehoord geeft geen, althans onvoldoende blijk dat de
                    belangen van de appellant, die tussen de toren en het winkelgebied woont, bij de
                    besluitvorming in voldoende mate zijn afgewogen. ABRS 12-12-2001, 200102118/1,
                    LJN-nr. AE0239.</al><al/><al>Het houden van hinderlijke of schadelijke dieren (artikel 2.4.20 (oud)) juncto
                    artikel 4.1.5.1 (oud). Geluidhinder door dieren (zie voorbeeldbepaling 4.1.5b
                    (oud) model-APV). Ernstige geluidsoverlast door kikkers in een poel. Het
                    schoonhouden en wellicht bijvullen van een kikkerpoel zal de aanwezigheid van
                    kikkers mogelijk bevorderen, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de
                    buurman kikkers houdt (op grond van artikel 2.4.20 (oud)) en er de zorg voor
                    heeft (op grond van artikel 4.1.5.1 (oud) van de desbetreffende verordening). Rb
                    ´s-Hertogenbosch, AWB 99/6873 GEMWT, LJN-nr. AD4783.</al><al/><al>Weigering ontheffing voor geluidversterking bij geloofsverkondiging. Grote
                    zorgvuldigheid bij uitoefening grondrecht. Vz. ARRS 17-8-1990, AB, 1991, 44
                    m.nt.P.J. Boon, GS, 1991 6913, 3 m.nt. E. Brederveld, JG 91.0144 , BF 1991, 4
                    m.nt.J.M.H. de Vet-tacken.</al><al/><al>Het aan- of afslaan van een c.v. installatie is niet aan te merken als het
                    verrichten van een handeling in de zin van het APV-artikel. ABRS 3 6 1996, JG
                    97.0148 . Zie ook Lbr. 97/144.</al><al/><al>Vergunningverlening voor het ten gehore brengen van mechanische muziek in
                    winkelstraten. Overlast voor omwonenden. ABRS 10-3-1995, JG 95.0206 m.nt. A.B.
                    Engberts.</al><al/><al>Ontheffing van verbod tot veroorzaken geluidhinder in verband met spelen op
                    trompet. ABRS 7-6-1994, JG 94.0290.</al><al/><al>Geluidsvergunning voor feesttent, waarin met ontheffing van burgemeester alcohol
                    wordt geschonken, is gelijk te stellen aan geluidsvergunning voor
                    horeca-inrichting. Vz. ARRS, JG 92.0395 m.nt. L.J.J. Rogier, GS, 1992, 6945, 4
                    m.nt. H.Ph.J.A.M. Hennekens.</al><al/><al>Weigering vergunning voor rijden met geluidswagen, Wnd. Vz. ARRS 2-11-1990, GS,
                    1992, 6937, 6 m.nt. E. Brederveld.</al><al/><al>Vrijheid van godsdienst. Klokgelui Tilburgse pastoor. De rechtbank oordeelde dat
                    de gemeente niet kon optreden op grond van de APV nu de kerk in kwestie een
                    inrichting was in de zin van de Wet Milieubeheer, en daarmee niet onder de
                    werking van het APV artikel viel. Als de gemeenteraad had willen optreden, had
                    ze over de duur en het volume van het klokgelui nadere regels kunnen stellen op
                    grond van artikel 10 WOM. Rb. Breda 26 november 2007. LJN BB8689.</al><al><vet>Artikel 4:6a Geluidshinder door bromfietsen e.d.</vet></al><al>Artikel 4:6a verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een
                    motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rondrijden,
                    maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet
                    in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt
                    dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen
                    die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</al><al/><al><vet>AFDELING 2: BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Dit artikel is bij de herziening van 2004 hernummerd van 4.4.6 in 4.2.2, wegens
                    het vervallen van afdeling 4.2 (oud) en het vervallen van enkele artikelen van
                    afdeling 4.4. Zie daarover onder de algemene toelichting bij afdeling 4.2. In
                    2008 is het artikel hernummerd naar 4:8.</al><al/><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de model-APV. Momenteel zijn er veel
                    gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling
                    strikt handhaven.</al><al/><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel is bij de herziening van 2004 hernummerd van 4.4.8 in 4.2.3, wegens
                    het vervallen van afdeling 4.2 (oud) en het vervallen van enkele artikelen van
                    afdeling 4.4. Zie daarover onder de algemene toelichting bij afdeling 4.2. In
                    2008 is het artikel hernummerd naar 4:9.</al><al/><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    model-APV besloten. Zie daarover ook Gst. nr. 6849, 14, m. nt. mr. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al/><al><vet>AFDELING 3: HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN (NIET VAN TOEPASSING)</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 4: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al/><al>Bij de wijziging van de model-APV in 2004 is afdeling 4.7 hernummerd in 4.4,
                    wegens het vervallen van de afdelingen 4.2 (oud) Afvalstoffen en 4.6 (oud) Flora
                    en fauna . Afdeling 4.3 (oud) Lozing en riolering was al eerder vervallen. De
                    artikelen 4.7.1, 4.7.1a en 4.7.2 zijn hernummerd in 4.4.1, 4.4.1a en 4.4.2.</al><al>De categorieën e. afvalstoffen en f. autowrakken zijn vervallen omdat de opslag
                    van afvalstoffen voortaan wordt geregeld in artikel 31 van de
                    model-afvalstoffenverordening (versie 4 december 2004). Artikel 25, sub c, Wet
                    milieubeheer biedt hier uitdrukkelijk de basis voor. Een autowrak is overigens
                    per definitie een afvalstof. Omdat de categorie f. autowrakken vervalt, kan de
                    afbakening met het Besluit </al><al/><al>Beheer Autowrakken vervallen.</al><al>Bij de herziening van 2008 zijn de artikelen 4.4.1 t/m 4.4.2 hernummerd naar
                    4:13 t/m 4:16. Tevens zijn bij deze herziening redactionele wijzigingen
                    aangebracht die geen inhoudelijke wijziging beogen.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><al/><al>De in de afdeling 5.1 “Parkeerexcessen” opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik </al><al>van de weg als stallingsruimte voor auto’s door garagebedrijven e.d. en het
                    parkeren van caravans e.d.</al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer” op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer.</al><al/><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                        (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:15 Omgevingsvergunning handelsreclame</vet></al><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1:1, aanhef en onder h van de APV als:
                    elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd
                    wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens artikel
                    3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met de grond
                    verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn
                    verenigd.</al><al/><al>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</al><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4:15 gaat om
                    niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie
                    ook de toelichting bij artikel 1:1, aanhef en onder h (handelsreclame). Volgens
                    vaste jurisprudentie behoren reclame-uitingen in de commerciële sfeer niet tot
                    het eigenlijke gebied van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet.</al><al/><al>Artikel 4:15 is daarom niet in strijd met artikel 7 van de Grondwet. In artikel
                    7, vierde lid, van de Grondwet wordt de handelsreclame met zo veel woorden van
                    de vrijheid van drukpers uitgezonderd.</al><al>De volgende vraag is of artikel 4:15 ook in overeenstemming is met de artikelen
                    10 EVRM en 19 IVBP. De bescherming van het recht op vrije meningsuiting strekt
                    zich in deze artikelen mede uit tot reclame. Deze vraag kan bevestigend worden
                    beantwoord. Allereerst is het de vraag of artikel 10 EVRM überhaupt wel toeziet
                    op zuivere handelsreclame. Weliswaar heeft de Hoge Raad dit in algemene zin
                    gesteld in een uitspraak van 13 februari 1987 (NJ 1987, 899), het Europese Hof
                    heeft zich hierover nog niet eenduidig uitgesproken (zie onder andere EHRM 24
                    februari 1994, NJ 1994, 518). Wel mag er op grond van arresten van het Europese
                    Hof vanuit worden gegaan dat de bescherming ten aanzien van commerciële reclame
                    minder ver gaat dan de bescherming ten aanzien van andere uitingen gelet op de
                    strekking van het verdrag. Echter, ook indien er vanuit wordt gegaan dat alle
                    handelsreclame onder artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR valt, zijn beperkingen
                    mogelijk zolang deze voorzien zijn bij wet. Naar algemeen wordt aangenomen
                    worden hieronder ook gemeentelijke verordeningen verstaan. Daarnaast dienen de
                    beperkingen noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving ter
                    bescherming van de in de artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP genoemde belangen.
                    Hieronder vallen onder andere het voorkomen van wanordelijkheden en de
                    bescherming van rechten van derden. </al><al/><al>De rechtspraak lijkt deze visie te bevestigen. In een uitspraak van 23 december
                    1994 stelt de ABRS in een zaak waarin een driehoeksreclamebord wordt geweigerd
                    dat artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBP alleen in het geding zijn als de
                    verspreiding van reclame zo zeer aan banden zou zijn gelegd dat de vrijheid om
                    reclame te maken zelf zou worden aangetast (JG 95.0207, AB 1995, 163). Ook is in
                    een uitspraak van de Hoge Raad over een aanplakverbod zonder schriftelijke
                    toestemming van de rechthebbende bepaald dat dit niet in strijd is met artikel
                    10 EVRM en 19 IVBP aangezien het verbod bij wet is voorzien en noodzakelijk in
                    een democratische samenleving ter voorkoming van wanordelijkheden en ter
                    bescherming van rechten van derden (HR 1 april 1997, NJ 1997, 457). Het
                    voorgaande betekent dat zolang niet in een absoluut verbod, te absolute
                    beperkingen of restrictief beleid is voorzien en er een duidelijke noodzaak voor
                    de beperkingen bestaat, zodanig dat er feitelijk een mogelijkheid van enige
                    betekenis van het middel van bekendmaking overblijft, beperkingen mogelijk
                    blijven. </al><al/><al>Tweede lid (niet-vergunningplichtige handelsreclame)</al><al>Handelsreclame mag nooit ‘in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van
                    welstand’ zijn, en dat geldt zowel voor de reclame zelf, als voor de reclame in
                    zijn relatie tot de omgeving. Een exces is een ‘evidente en ook voor
                    niet-deskundigen duidelijk kenbare buitensporigheid van het uiterlijk’. Het zal
                    duidelijk zijn dat in een gebied waarvoor een hoog welstandsniveau is
                    vastgesteld er eerder sprake kan zijn van een exces dan in een gebied met een
                    laag niveau. Van excessen kan bijvoorbeeld sprake zijn bij te opdringerige
                    reclame-uitingen, toepassing van felle of contrasterende kleuren en/of armoedig
                    materiaalgebruik.</al><al/><al>In de Welstandsnota van de gemeente Elburg zijn er welstandsvrije gebieden
                    aangewezen. Aangezien de welstandstoets een van de belangrijkste
                    weigeringsgronden van een omgevingsvergunning voor de activiteit reclame is,
                    heeft de gemeente zoveel mogelijk aansluiting gezocht met ons reclamebeleid.
                    Indien er namelijk wel een vergunningplicht geldt voor reclame, maar deze
                    reclame op een perceel aanwezig is die is gelegen in een welstandsvrij gebied,
                    blijven alleen de weigeringsgronden verkeersveiligheid en overlast over. Op
                    grond van lid 3 is het echter ook mogelijk handhavend op te treden tegen
                    vergunningsvrije handelsreclame die gevaar oplevert voor het verkeert of
                    ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt. </al><al/><al>Dit is met name van belang voor de bedrijventerreinen. Volgens de Welstandsnota
                    zijn (enkel de binnenschil van) verschillende bedrijventerreinen welstandsvrij
                    verklaard. Voor die gebieden hoeft op grond van sub d geen vergunning voor de
                    activiteit reclame te worden aangevraagd. Dit geldt (vanwege de
                    beeldbepalendheid) niet voor de randen van de bedrijventerreinen. Reclame op of
                    bij panden in dit gebied is vergunningsvrij, mits wordt voldaan aan de
                    voorwaarden die gesteld worden in sub e. </al><al/><al>In sub f is specifiek aangegeven wanneer reclame in het beschermd stadsgezicht
                    vergunningsvrij is. Met een historisch verantwoord bord wordt bedoeld; een bord
                    dat geïntegreerd is in de architectuur van het pand. De gemeente heeft er bewust
                    voor gekozen om een ruime definitie te hanteren. Waar het om gaat is dat er met
                    het bord qua materiaal- en kleurgebruik aansluiting wordt gezocht met het
                    materiaal- en kleurgebruik van het pand in het beschermd stadsgezicht. Zo mogen
                    er in elk geval geen felle/contrasterende kleuren of kunststof materialen worden
                    gebruikt, maar is een houten krijtbord waarop (in krijt geschreven) wordt
                    aangegeven wat het dagmenu is, wel een historisch verantwoord bord. </al><al/><al>Omdat er verder ook gebieden zijn (naast het bedrijventerrein en het beschermd
                    stadsgezicht) waar reclame wordt geplaatst, is in sub g aangegeven dat reclame
                    op panden met een detailhandelsbestemming, niet gelegen op een bedrijventerrein
                    of in het beschermd stadsgezicht ook vergunningsvrij is, mits wordt voldaan aan
                    de gestelde voorwaarden. </al><al/><al>Vrijstaande reclameborden op de openbare weg vallen onder de werking van artikel
                    2:10a. Dit is met name van belang in het beschermd stadsgezicht en verschillende
                    winkelcentra. </al><al/><al>Derde lid (eisen aan niet-vergunningplichtige handelsreclame)</al><al>De bedoeling van dit lid is het mogelijk maken van toezicht op hinderlijke
                    handelsreclame die niet vergunningplichtig is. </al><al/><al>Vierde lid (weigeringsgronden)</al><al>In het vierde lid zijn als mogelijke weigeringsgronden voor een vergunning
                    opgenomen; welstand, verkeersveiligheid en overlast. Met deze weigeringsgrond
                    zijn tevens de motieven voor een vergunningplicht gegeven. De weigeringsgrond
                    welstand heeft echter in de jurisprudentie een probleem opgeleverd, omdat
                    omgevingsvergunningplichtige handelsreclame voor de activiteit bouwen reeds
                    onderworpen is aan welstandstoetsing. De toetsing van een omgevingsvergunning
                    voor de activiteit reclame beperkt zich dan tot de verkeersveiligheids- en
                    overlastaspecten. </al><al/><al>Vijfde lid (afstemming met artikel 2:10a)</al><al>Om te voorkomen dat voor een reclamebord op de openbare weg twee vergunningen
                    aangevraagd moeten worden (op grond van artikel 2:10a en op grond van artikel
                    4:15) is ervoor gekozen een duidelijke scheiding aan te brengen. Reclame op
                    voorwerpen die vallen onder de werking van artikel 2:10a, vallen buiten de
                    werking van artikel 4:15. Vrijstaande reclameborden die bijvoorbeeld in de
                    binnenstad op de stoepen worden gezet, worden gehandhaafd volgens de regels van
                    artikel 2:10a.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie </vet></al><al>Wanneer sprake is van een bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                    Woningwet, is de Woningwet van toepassing en geldt mitsdien, gezien het bepaalde
                    in artikel 4.7.2, derde lid, van de APV (oud), het in het eerste lid van dit
                    artikel gestelde verbod niet. Nu in dit geval de Woningwet van toepassing is,
                    heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat naast de door hen
                    verleende bouwvergunning voor de oprichting van de reclamezuil niet ook een
                    reclamevergunning als bedoeld in artikel 4.7.2 van de APV (oud) is vereist. Zij
                    hebben dan ook terecht het verzoek om toepassing van bestuursdwang ten aanzien
                    van de dubbelzijdige lichtreclamezuil afgewezen. ABRS 13-11-2002, GS, 2003,
                    7180, 34 m.nt. J.Teunissen.</al><al/><al>Het college heeft ten onrechte niet getoetst aan het bepaalde in het derde lid.
                    Niet is gebleken dat zij hebben beoordeeld of in dit geval de Woningwet een
                    bouwvergunning voor de betreffende reclame-objecten voorschrijft. Het standpunt
                    van het college dat in dit geval geen sprake is van overlappende regelgeving nu
                    de APV een specifiek welstandsdoel nastreeft ten opzichte van de Woningwet, doet
                    hier niet aan af. Anders dan het college meent, is het welstandstoezicht in het
                    kader van de Woningwet niet beperkt tot toetsing van bouwkundige elementen. ABRS
                    04-12-2002, GS, 2003, 7180, 35 m.nt. J.</al><al>Teunissen.</al><al/><al>In een recente uitspraak, waar het ging over de aanvraag voor een
                    reclamevergunning voor een halfronde tijdschriftenzuil, overwoog de Afdeling als
                    volgt. De achtergrond van de in artikel 4.7.2, derde lid (oud), van de model-APV
                    vervatte uitzondering is dat, ingeval de Woningwet van toepassing is, is
                    gewaarborgd dat reeds bij de toepassing van die wet een voldoende beoordeling
                    van welstandsaspecten plaatsvindt. In casu was er sprake van het plaatsen dan
                    wel veranderen van een bouwwerk in de zin van de Woningwet. Appellante had in
                    plaats van een reclamevergunning een bouwvergunning moeten aanvragen. ABRS
                    02-06-2004, 200400083/2, LJN-nr. AP0370.</al><al/><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 5: KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 wordt geadviseerd in de APV drie artikelen op te
                    nemen. Dit ter voorkoming van ongewenste situaties.</al><al/><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwenselijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat
                    dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al/><al><vet>Afdeling 6 Bescherming planten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:20 Planten, paddenstoelen, mossen</vet></al><al>Geen nadere toelichting</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                        GEMEENTE</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting afdeling 5.1 Parkeerexcessen</cursief></al><al><cursief>1. Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen </cursief>Sinds de
                    inwerkingtreding van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kunnen
                    verkeersbesluiten, behalve ten behoeve van de verkeersveiligheid en de vrijheid
                    van het verkeer, ook worden genomen ter bescherming van de zogenaamde
                    milieubelangen. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen ter voorkoming of
                    beperking van overlast, hinder of schade dan wel aantasting van het karakter of
                    de functie van objecten of gebieden ten gevolge van het verkeer (zie art. 2,
                    tweede lid WVW 1994). Op initiatief van de VNG heeft de Tweede Kamer door middel
                    van een amendement een nieuw artikel 2a in de Invoeringswet WVW 1994 ingevoegd.
                    Dit artikel luidt als volgt: “Provincies, gemeenten en waterschappen behouden
                    hun bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen ten aanzien van het
                    onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn
                    met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voor zover
                    verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.” Hierbij werd met
                    name gedacht aan de regeling van parkeerexcessen, zoals ook blijkt uit de
                    toelichting bij dit amendement. Artikel 2a WVW 1994 geeft derhalve aan dat
                    gemeenten bevoegdheid zijn om parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De
                    grondslag voor dergelijke bepalingen is overigens gewoon artikel 149
                    Gemeentewet. </al><al/><al><cursief>2. Begrip “parkeerexces” </cursief>In de wegenverkeerswetgeving wordt
                    nergens aangegeven wat het begrip “parkeerexces” precies inhoudt. Degene die tot
                    taak heeft hieromtrent verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren
                    dienen te weten wat dit begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer
                    aan een voortschrijdende ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip
                    “parkeerexces” bezwaarlijk een voldoende concrete definitie te geven. Blijkens
                    de jurisprudentie kan onder het begrip “parkeerexces” ieder excessief parkeren
                    op de weg worden begrepen, dus: </al><lijst><li nr="1."><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling). in deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de
                            weg als parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar
                            wel dat de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of
                            het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte
                            opeist in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;
                        </al></li><li nr="2."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling). </al></li></lijst><al/><al>Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad valt op te maken dat in de eerste plaats
                    van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik van de weg,
                    strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - zo lijkt de zienswijze
                    van dit rechtscollege in het kort te kunnen worden weergegeven - in de eerste
                    plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk een
                    voertuig te kunnen laten staan. Ten aanzien van bepaalde (categorieën van)
                    voertuigen, die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur
                    gerechtigd strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij
                    mag het niet te diep ingrijpen in het “normale” verkeer, en dus ook niet in het
                    “normale” parkeren. In het “normale” verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief, aldus de mening van de Hoge Raad, NG 1974, blz. S88
                    m.nt. jhr. J.J.M.M. van Rijckevorsel. Voorts is volgens de Hoge Raad sprake van
                    een parkeerexces ingeval het parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of
                    gevaar voor de veiligheid van personen. Al deze vormen van excessief, hinderlijk
                    en ontsierend gebruik van de weg kunnen door de gemeentelijke wetgever aan
                    regels worden gebonden. Zie bij voorbeeld de beide Dordtse arresten van de Hoge
                    Raad, HR 15 juni 1971, NJ 1971, 432, m.nt. W.F. Prins, VR 1972, nr. 32, m.nt. A.
                    Herstel, OB 1972, XIV.1.2.2, nr. 32566 en 25 april 1972, NJ 1972, 296, m.nt.
                    W.F. Prins, VR 1972, nr. 113, m.nt. A. Herstel, OB 1972, XIV. 1.2.2, nr. 32567,
                    NG 1972 blz. S 75, m.nt. J.H. van dcr Veen. </al><al><cursief>3. Plaatsing en rubricering parkeerexcesbepalingen </cursief>Gezien de
                    ruime uitleg van het begrip “parkeerexces” is het niet nodig om een onderscheid
                    te maken tussen twee soorten van excessief gebruik van de weg: gevallen die
                    excessief zijn op grond van een verkeersmotief en die als “parkeerexcessen”
                    moeten worden gekwalificeerd en gevallen waarin een ander motief aan het stellen
                    van regels (in hoofdzaak) ten grondslag ligt. Er bestaat geen noodzaak deze
                    soorten in aparte verordeningen onder te brengen, een parkeerexcessenverordening
                    respectievelijk de algemene plaatselijke verordening. Het verdient aanbeveling
                    de thans voorgestelde modelbepalingen in hun geheel onder te brengen in de
                    algemene plaatselijke verordening, en wel in een hoofdstuk “Andere onderwerpen
                    betreffende de huishouding der gemeente”. Plaatsing in dit hoofdstuk verdient de
                    voorkeur boven plaatsing in een ander hoofdstuk, omdat aan deze bepalingen
                    meerdere motieven ten grondslag liggen. Met het onder één noemer - die van het
                    parkeerexces - brengen van de modelbepalingen blijken de aan de bepalingen ten
                    grondslag liggende motieven niet steeds uit de tekst van de bepalingen. Het is
                    daarom verstandig, dat in de toelichting op de bepalingen deze motieven tot
                    uitdrukking worden gebracht. Een van de voordelen van deze aanpak is, dat
                    artikelen, die een zelfde gedraging verbieden, doch op grond van verschillende
                    motieven, in één artikel kunnen worden samengebracht. In afdeling 5.1
                    “parkeerexcessen” is ook een aantal onderwerpen opgenomen, welke niet kan worden
                    aangeduid als “parkeerexcessen in eigenlijke zin”, waarvan gesproken kan worden
                    als het gaat om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994. Daar deze
                    voorschriften door het publiek wel als zodanig (zullen) worden ervaren geven wij
                    er de voorkeur aan ook deze onderwerpen in deze paragraaf te regelen. Men denke
                    hierbij aan een onderwerp als het “aantasten van groenvoorzieningen”. </al><al/><al><cursief>4. Beperking tot gedragingen op de weg? </cursief>Bij parkeerexcessen
                    “in eigenlijke zin” gaat het om gedragingen op de weg in de zin van de WVW 1994.
                    Onder weg verstaat de model-APV ingevolge artikel 1:1 hetzelfde als de WVW 1994
                    daaronder verstaat. In artikel 1, eerste lid onder b, van de WVW 1994 wordt het
                    begrip wegen als volgt omschreven “alle voor het openbaar verkeer openstaande
                    wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot
                    die wegen behorende paden en bermen of zijkanten”. In de afdeling
                    “Parkeerexcessen” zijn niet uitsluitend onderwerpen geregeld welke als
                    parkeerexcessen “in eigenlijke zin” kunnen worden aangeduid. Zo hebben de
                    artikelen 5:6, eerste lid onder b, 5:7, eerste lid, en 5:10 ook betrekking op
                    gedragingen buiten de weg in de zin van de WVW 1994. Beperking van de hierin
                    neergelegde verbodsbepalingen tot “op de weg” ligt niet voor de hand, wanneer
                    men let op het motief dat aan deze bepalingen ten grondslag ligt. Deze
                    bepalingen strekken niet (mede) ter bescherming van verkeersbelangen. Bedoelde
                    gedragingen zijn daarom in die verbodsbepalingen ook strafbaar gesteld, indien
                    zij buiten de weg (in de zin van de WVW 1994) zijn gepleegd. Indien aan een
                    bepaling uitsluitend verkeersmotieven ten grondslag liggen, is de werkingssfeer
                    van die bepaling uiteraard beperkt tot de weg (in de zin van de WVW 1994). Zie
                    bijvoorbeeld de artikelen 5:2 en 5:8,tweede lid. Aan de andere bepalingen liggen
                    behalve verkeersmotieven ook andere motieven ten grondslag. Toch regelen ook
                    deze bepalingen slechts gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Voor
                    zover deze gedragingen plaatsvinden buiten de weg, kan hiertegen reeds op basis
                    van andere voorschriften in voldoende mate worden opgetreden. Zie bij voorbeeld
                    artikel 4:19 (4.6.1 (oud). Ter wille van de overzichtelijkheid zijn de
                    bepalingen betreffende parkeerexcessen - zowel de “eigenlijke” als de
                    “oneigenlijke” - zoveel mogelijk in een afdeling samengevoegd. De bedoelde
                    gedragingen zullen door het publiek immers alle als parkeerexces worden ervaren.
                    Voor in de begripsomschrijvingen van artikel 5:1 opgenomen definities van
                    “voertuig” en “parkeren” is aansluiting gezocht bij de in de
                    wegenverkeerswetgeving voor deze begrippen gebruikte definities. Uit de
                    verschillende bepalingen blijkt dan, of zij al dan niet slechts betrekking
                    hebben op gedragingen op de weg (in de zin van de WVW 1994). </al><al><cursief>5. Vervangende parkeergelegenheid </cursief>Complementair aan de
                    vaststelling van parkeerexcesbepalingen zal voor bepaalde categorieën voertuigen
                    - in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid van vervangende
                    parkeergelegenheid moeten worden bezien. Uitgangspunt dient te zijn dat de
                    desbetreffende ondernemingen in principe zelf hiervoor behoren te zorgen. De
                    indruk bestaat, dat er (met name buiten de werkuren) in diverse gevallen op de
                    bedrijfsterreinen toch voldoende parkeergelegenheid voor de eigen vrachtwagens
                    is of kan worden gecreëerd. In beginsel is het niet onredelijk te achten, dat de
                    chauffeurs die op enige afstand van hun bedrijven wonen, hun vrachtwagens ’s
                    avonds en in het weekeinde niet meer voor de woning, maar bij voorbeeld op het
                    eigen bedrijfsterrein parkeren en dat zij zich, evenals andere forensen, met
                    “normale” vervoermiddelen begeven van het bedrijf naar de woning en omgekeerd.
                    Bij onderscheidene bedrijven ontbreekt evenwel de hiervoor benodigde ruimte.
                    Verder zijn de kosten, verbonden aan het creëren van eigen parkeergelegenheid,
                    dermate hoog, dat er de voorkeur aan gegeven zal worden het parkeren van die
                    vrachtwagens, waarvoor het bestaande eigen terrein geen plaats biedt, te doen
                    geschieden op openbare wegen en terreinen. Om aan de zich hier voordoende
                    praktische bezwaren tegemoet te komen, zou de overheid het parkeren kunnen
                    blijven toelaten (of wellicht zelfs parkeergelegenheid kunnen scheppen) op
                    parkeerterreinen en op die wegen waar het parkeren van vrachtwagens op weinig of
                    geen bezwaren stuit. Hoewel er niet a priori van een plicht van de gemeentelijke
                    overheid tot aanleg van vervangende parkeergelegenheid kan worden gesproken, mag
                    er anderzijds van worden uitgegaan dat naleving van de hier bedoelde
                    verbodsbepalingen met des te meer reden gevergd kan worden, wanneer de
                    belanghebbende een andere parkeerplaats als alternatief ter beschikking staat.
                    In het bijzonder kan zulks het geval zijn ten aanzien van exploitanten van
                    bestaande bedrijven, aan wie onder omstandigheden bezwaarlijk een ontheffing kan
                    worden onthouden, wanneer een redelijk te realiseren alternatief voor hen
                    ontbreekt. Voor het geval van gemeentewege tot aanleg van een parkeerplaats
                    wordt overgegaan, zal er wellicht van het gemeentebestuur een zekere waarborg
                    worden verwacht dat voertuigen op een dergelijk parkeerterrein veilig kunnen
                    worden gestald. In het algemeen kan niet worden gesteld, dat de gemeentelijke
                    overheid een dergelijk verlangen dient te honoreren. Immers, parkeerterreinen
                    hebben, zo zij al onder toezicht staan, dit toezicht zelden ook ’s nachts;
                    bovendien is de toezichthouder in het algemeen niet aansprakelijk voor aan de
                    gestalde voertuigen door derden toegebrachte schade; men denke hierbij aan de
                    zogenaamde exoneratieclausules. Ten slotte zij erop gewezen dat een eventueel
                    door de gemeente aan te leggen parkeerterrein voor vrachtwagens zal moeten
                    passen binnen een planologisch kader (bestemmingsplan). Parkeerplaatsen zouden
                    kunnen worden aangeduid met een bord model E4 van bijlage 1 van het RVV 1990. De
                    aanduiding van parkeerplaatsen voor vrachtwagens in het kader van de voorkoming
                    van parkeerexcessen moet gebeuren op basis van de betreffende bepalingen uit de
                    APV en niet op basis van verkeersborden die gebaseerd zijn op de
                    wegenverkeerswetgeving. </al><al/><al><cursief>6. Ontheffingen </cursief>Bij de onderscheidene modelverbodsbepalingen
                    is aangegeven ten aanzien van welke bepalingen de mogelijkheid tot het verlenen
                    van ontheffingen als een noodzakelijk element moet worden beschouwd. Met name
                    zal ten aanzien van bestaande bedrijven aan het verlenen van een ontheffing,
                    waaraan voorschriften kunnen worden verbonden en welke een naar plaats of tijd
                    beperkt karakter hebben, niet steeds kunnen worden ontkomen. </al><al/><al><cursief>7. Overleg met vervoerders(organisaties) </cursief>Het behoeft geen
                    nader betoog dat het wenselijk is overleg te plegen met de betrokken chauffeurs
                    en bedrijven betreffende de vaststelling of uitvoering van parkeerregelingen van
                    vrachtwagens e.d. </al><al>Jurisprudentie</al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State bevestigt dat een gemeentelijke
                    parkeerexcessenregeling niet strijdig is met de Wegenverkeerswet (oud) en haar
                    uitvoeringsregelingen, zoals het RVV (oud). ARRS 3-12-1992, JG 93.0120.</al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder “weg” verstaan hetgeen artikel
                    1:1 van deze verordening daaronder verstaat. Concreet gaat het om alle voor het
                    openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende
                    bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
                    De artikelen 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, eerste lid, onder a, 5:7, 5:8, tweede lid,
                    en 5:9 hebben derhalve slechts op “echte” parkeerexcessen betrekking. De andere
                    artikelen in deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg
                    in de zin van de WVW 1994. Zie voorts de algemene toelichting bij deze
                    afdeling.</al><al/><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van “weg” in de zin van de WVW 1994 worden gebracht. Hiervoor pleiten
                    de volgende argumenten. De WVW 1994 bevat blijkens haar considerans regels
                    inzake het verkeer op de weg. Wat in die wet onder “wegen” wordt verstaan is
                    hiervoor reeds vermeld. Artikel 2 van de WVW 1994 bepaalt dat, met inachtneming
                    van de voorschriften van de WVW 1994, bij of krachtens algemene maatregel van
                    bestuur nadere regelingen worden gesteld nopens het verkeer op de wegen.</al><al/><al>In een van die algemene maatregelen van bestuur, het RVV 1990, worden
                    gedragsregels gegeven voor parkeerplaatsen. Zie bij voorbeeld in artikel 24 e.v.
                    en artikel 46 RVV 1990.</al><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit
                    neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel </al><al>5:8. </al><al/><al><onderstreept>Onder a</onderstreept></al><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen. Tot uitgangspunt is genomen
                    de definitie van “voertuigen” die in artikel 1, onder al, van het RVV 1990 wordt
                    gegeven. Voertuigen in de zin van dit artikel zijn: fietsen, bromfietsen,
                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. In tegenstelling tot
                    artikel 5.1.1 (oud) is in 2008 de omschrijving positief geformuleerd en wordt
                    direct aangesloten bij het RVV 1990. Voor kleine voertuigen, zoals kruiwagens,
                    kinderwagens, rolstoelen e.d. is een uitzondering gemaakt, omdat anders sommige
                    bepalingen een te ruime strekking zouden krijgen.</al><al>Fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen vallen ook onder de definitie
                    van voertuigen. Ook deze kunnen immers parkeerexcessen veroorzaken en worden
                    daarom als voertuig beschouwd.</al><al/><al><onderstreept>Onder b</onderstreept></al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990. Dit artikelonderdeel verstaat onder
                    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die
                    nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                    passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Het oude
                    artikel 5.1.1, onder c gaf deze definitie letterlijk weer. Verwijzing naar de
                    definitie is wetstechnisch te verkiezen omdat bij wijziging van de definitie in
                    het RVV de definitie in de APV niet behoeft te worden herzien.</al><al>Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede “het laten stilstaan”
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto’s op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling, ARRS 28-9-1984, nr. R03.83.7524
                    (APV Schijndel). De rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar
                    parkeert, viel volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit
                    artikel.</al><al/><al>Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers
                    excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald
                    dat onder “verhuren”, zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het
                    gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van
                    personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door
                    rijschoolhouders en taxiondernemers worden opgetreden.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Onder a is het woord “vergen” gebezigd in plaats van “duren” ten einde twijfel
                    over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan
                    een uur gemoeid is, zoveel mogelijk uit te sluiten. Bij het gebruik van de term
                    “vergen” beschikt men over een meer objectieve maatstaf.</al><al>De in het derde lid gestelde verbodsbepaling geldt uiteraard niet voor het
                    normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de
                    exploitant.</al><al/><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 kan niet als een soort “escape” fungeren ten
                    opzichte van de andere in deze afdeling opgenomen verbodsbepalingen. Artikel 5:2
                    mag met andere woorden niet gelezen worden in verband met de andere artikelen in
                    de afdeling, in die zin dat de “faciliteit” die in artikel 5:2 is besloten -
                    garagehouders enz. mogen twee auto’s sowieso op de weg laten staan - ook
                    impliceert dat zij een autowrak, een niet-rijklaar voertuig, een groot voertuig
                    enz. ongelimiteerd lang op de weg mogen laten staan, omdat de ruimte die hen is
                    aangewezen dezelfde blijft.</al><al/><al>Immers, in artikel 5:2 bestaat het excessieve in de ruimte die door het aantal
                    voertuigen in beslag wordt genomen, in bij voorbeeld de artikelen 5:4 en 5:5
                    bestaat het excessieve met name in het niet gerechtvaardigde doel om gedurende
                    lange tijd parkeerruimte in beslag te nemen met wrakken of daarvan nauwelijks te
                    onderscheiden vehikels. Dit doel is, indien zulks door garagehouders geschiedt,
                    even onduldbaar als wanneer particulieren zich hieraan bezondigen.</al><al/><al>Het bepaalde bij artikel 5:2 geeft de daarin genoemde personen dus niet een
                    “vrijstelling” om voertuigen te parkeren in afwijking van de andere
                    verbodsbepalingen in deze afdeling. Aldus besliste de Hoge Raad in zijn arrest
                    van 16 februari 1970, nr. 65705 (parkeerexcessenverordening Maassluis, niet
                    gepubliceerd).</al><al/><al>Wanneer in de gemeente een automarkt wordt gehouden, dient nog de volgende
                    uitzondering te worden toegevoegd: “Het in het eerste lid (oud, nu derde lid)
                    gestelde verbod is niet van toepassing op het parkeren van voertuigen waarvoor
                    een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de
                    tijd dat deze markt wordt gehouden.”</al><al/><al><onderstreept>Derde lid, onder a</onderstreept></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al/><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                    “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde
                    activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of
                    zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie
                    of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen
                    zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het
                    kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren
                    van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het eerste lid, onder b).</al><al>Deze bepaling heeft slechts betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen, dat wil
                    zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het
                    zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen
                    buiten de weg.</al><al>De gemeente dient zelf het aantal meters in te vullen. In de APV’s van Rotterdam
                    en Den Haag bijvoorbeeld wordt een straal van 25 meter genoemd.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid, onder b</onderstreept></al><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al/><al>Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van
                    het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene “toebehoren of zijn
                    toevertrouwd”. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2:47. Met het oog op het toenemend aantal klachten achten wij een strafbepaling
                    welke zich in het bijzonder richt tot de onderhavige activiteiten, wenselijk
                    naast genoemde (algemene) verbodsbepalingen.</al><al/><al>Gelet op de strekking van deze bepaling kan zij niet als een
                    “parkeerexcesbepaling” in de strikte betekenis van het woord worden aangemerkt.
                    Gezien het verband met de andere in deze afdeling opgenomen bepalingen achten
                    wij het niettemin wenselijk het onderhavige voorschrift in deze afdeling op te
                    nemen.</al><al/><al>Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden opgetreden tegen
                    met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande geluid- en
                    stankoverlast en verontreiniging van de weg.</al><al>Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als
                    werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt. Ook voor diegenen moet
                    echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem (en zijn gezin) gebruikte
                    auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het vierde lid opent deze
                    mogelijkheid.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. In dit verband
                    mag worden gewezen op hetgeen in de algemene toelichting is gesteld over het
                    voorzien in vervangende parkeergelegenheid.</al><al>Tevens wordt hier de aandacht gevestigd op hetgeen daar is opgemerkt over het
                    verlenen van ontheffing ten aanzien van bestaande bedrijven.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak keurde zelfs de weigering van de gemeente Binnenmaas om
                    ontheffing te verlenen voor het parkeren van meer dan twee auto’s bij elkaar
                    goed. Het feit dat het bedrijf ter plaatse was toegestaan deed daaraan niet af.
                    Het behoud van het beperkte aantal parkeerplaatsen in de omgeving van het
                    bedrijf woog zwaarder. ARRS 16-8-1988, AB 1989, 373.</al><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al/><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al/><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al/><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is.</al><al/><al>Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het het
                    verbod activeren.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al>Het artikel is in 2008 in het kader van de deregulering facultatief gemaakt.
                    Gemeenten dienen een afweging te maken of zij dit artikel nodig achten. Dit zal
                    niet in alle gemeenten het geval zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers. Het op de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus
                    primair om die reden excessief. Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde
                    verkeersmotief een rol spelen bij het uitvaardigen van dit verbod.</al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken.</al><al/><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken
                    op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van
                    wrakken vindt reeds regeling in de model Afvalstoffenverordening en tevens in
                    artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving bevat derhalve
                    niet tevens het bestanddeel “van de weg af zichtbaar”.</al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid, onder a</onderstreept></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt overtreding van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen. Het excessieve van het hier
                    bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in het buitensporige gebruik
                    van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast is dat het ontsieren van
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al/><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al>Ook met betrekking tot deze gevallen zou het voorzien in vervangende
                    parkeergelegenheid, waar dit soort voertuigen kan worden gestald, overwogen
                    kunnen worden. Verwezen wordt naar hetgeen hierover in de algemene toelichting
                    is gesteld.</al><al/><al>Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in
                    woonwijken - zou ervoor gekozen kunnen worden om de redactie van de bepaling in
                    het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele
                    gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren:</al><al>“a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom)
                    op de weg te plaatsen of te hebben;”</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid, onder b</onderstreept></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State stelde de gemeente Beverwijk in
                    het gelijk enerzijds in de aanwijzing van een weg waar parkeren van een
                    kampeerwagen langer dan 48 uur niet is toegestaan en anderzijds in de weigering
                    hiervan ontheffing te verlenen. De verkeersveiligheid en het aanbod van
                    parkeerruimte waren in het geding. ARRS 11-3-1993, AB 1993, 553.</al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft aan dat het college
                    van zijn bevoegdheid om voor een bepaalde locatie te bepalen dat er niet met een
                    kampeerwagen e.d. mag worden geparkeerd (zoals in art. 5.1.5, eerste lid, onder
                    b (oud) bedoeld), slechts gebruik kan maken voor zover het gaat om een locatie
                    die geen “weg” is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Binnenplein is weg in
                    de zin van de WVW en valt daarmee niet onder “aangewezen plaats” uit de
                    APV-bepaling. ABRS 18-4-1997, JG 97.0210 m.nt. A.B. Engberts.</al><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel.</al><al/><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al/><al>In deze bepaling gaat het om een “eigenlijk” parkeerexces, hetwelk veronderstelt
                    dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994). Het hebben
                    van handelsreclame op of aan onroerend goed op een vanaf de weg zichtbare plaats
                    is geregeld in artikel 4:15 van deze model-APV.</al><al>Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame
                    (commerciële reclame). Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van
                    de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van
                    handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Voor wat betreft de relatie met
                    artikel 10 EVRM en 19 IVBP zij verwezen naar de toelichting bij artikel
                    4:15.</al><al>Onder omstandigheden mag hij, blijkens bedoelde jurisprudentie, ook het maken
                    van reclame, waardoor gedachten of gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                    Grondwet) of een mening wordt geuit (artikel 10 EVRM) aan beperkingen
                    onderwerpen. Men spreekt wel van “ideële reclame”. De wenselijkheid en
                    mogelijkheid hiervan dienen plaatselijk te worden bezien.</al><al/><al>Het hier geregelde verbod luidt algemeen: voor het gehele grondgebied van de
                    gemeente (behoudens de ontheffingsmogelijkheid van het tweede lid). Het staat de
                    gemeenten echter vanzelfsprekend vrij de werking van het verbod - naar plaats of
                    tijd - afhankelijk te stellen van het oordeel van het college.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak acht het beleid van het college van Zierikzee
                    geen ontheffingen te verlenen voor het parkeren van reclamevoertuigen binnen de
                    bebouwde kom en de daaropvolgende bestuursdwangaanschrijving aanvaardbaar. De
                    bescherming van het uiterlijk aanzien (beschermd stadsgezicht) speelt een
                    belangrijke rol. ABRS 1-8-1994, JG 95.0245.</al><al/><al>De Afdeling bestuursrechtspraak meent dat het college van Groningen terecht een
                    dwangsomaanschrijving heeft doen uitgaan tegen een voor een winkel geplaatste
                    riksja, waarmee handelsreclame werd gemaakt. Voor de toepassing van deze
                    bepaling is de aanwezigheid van een verkeersgevaarlijke situatie niet vereist.
                    ABRS 5-12-2001, nr. 200103426/1.</al><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de
                    jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren
                    van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de recente
                    verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en
                    5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan. Zie voorts ook de algemene toelichting
                    onder punt 5 Vervangende parkeergelegenheid.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Deze bepaling beoogt aan de gemeentebesturen mogelijkheden te verschaffen om
                    aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten
                    staan van bepaalde voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote
                    voertuigen kan immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor
                    monumenten en historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open
                    landschappen een ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon
                    betekenen. Vrachtauto’s, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto’s
                    bijvoorbeeld kunnen op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het
                    zijn deze situaties waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al/><al>Aangezien over de vraag of er van aantasting van de schoonheid van stad, dorp of
                    landschap sprake is, verschillend kan worden geoordeeld, is er de voorkeur aan
                    gegeven het verbod niet zonder meer te doen werken, doch een nader oordeel van
                    het gemeentebestuur in dezen maatgevend te doen zijn. Aangezien de plaatsen waar
                    ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan voordoen, vrijwel steeds
                    aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus geredigeerd dat het verbod
                    slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het college heeft
                    aangewezen.</al><al/><al>Dit aanwijzen zal in de praktijk eenvoudig kunnen geschieden doordat het college
                    in zijn besluit verwijst naar een plattegrond van de gemeenten waarop de
                    plaatsen waar niet mag worden geparkeerd worden gearceerd.</al><al/><al>Gezien het motief van deze bepaling heeft zij ook betrekking op het parkeren van
                    grote voertuigen buiten de weg. In zoverre heeft deze bepaling dus niet enkel
                    betrekking op “eigenlijke” parkeerexcessen.</al><al>Wat het motief: bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente betreft,
                    dient er op te worden gewezen, dat het niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan
                    om (het parkeren op of bij) plaatsen, die uit een oogpunt van stadsschoon of
                    karakteristiek een bijzondere betekenis hebben, wil er sprake kunnen zijn van
                    een “parkeerexces”.</al><al/><al>In het licht van het motief dat ten grondslag ligt aan het in het eerste lid
                    bedoelde verbod verdient het aanbeveling zowel een lengte- als een
                    hoogtecriterium te hanteren. Zeer wel denkbaar is immers dat een voertuig
                    weliswaar nog geen lengte van 6 meter heeft, doch niettemin op grond van de
                    hoogte schadelijk moet worden geacht voor het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente.</al><al/><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de bevoegdheid van het
                    gemeentebestuur ter zake zeer ruim. Het is met name niet vereist dat de bij
                    openbare kennisgeving aangewezen plaatsen voldoen aan aanmerkelijke eisen van
                    schoonheid en karakteristiek. In dit verband moge tevens worden gewezen op de
                    subjectieve redactie van de onderhavige bepaling.</al><al/><al>Niet apart zijn vermeld de oplegger en de aanhangwagen. Het hier gestelde verbod
                    zou dan immers zelfs gelden voor het kleinste aanhangwagentje. Primair ware hier
                    echter te reguleren het parkeren van grote voertuigen.</al><al/><al>Bij de aanwijzing van plaatsen waar volgens besluit van het college grote
                    voertuigen met het oog op de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente niet mogen worden geparkeerd, zal eventueel rekening moeten worden
                    gehouden met een provinciale verordening die - geheel of gedeeltelijk -
                    hetzelfde terrein uit hoofde van hetzelfde motief bestrijkt, bij voorbeeld een
                    verordening bescherming landschapsschoon.</al><al/><al>Binnen de verboden zones zullen in ieder geval uitzonderingen moeten worden
                    gemaakt ten behoeve van autobussen in lijndienst.</al><al/><al>Een speciaal probleem wordt gevormd door de vraag, hoe dit verbod onder de
                    aandacht van belanghebbenden te brengen. Het is in ieder geval gewenst, dat de
                    in de gemeente gevestigde ondernemingen door de gemeente in kennis worden
                    gesteld van dit verbod. In veel gemeenten wordt een systeem toegepast, waarbij
                    langs de naar de gemeente toeleidende wegen door middel van aanwijzingsborden
                    kenbaar wordt gemaakt, dat binnen de (bebouwde kom van de) gemeente het parkeren
                    van grote voertuigen slechts is toegelaten op de als zodanig aangeduide
                    parkeergelegenheden.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren. In het licht van het motief van deze
                    bepaling is het stellen van een hoogtegrens minder opportuun. Uit de aanwijzing
                    van plaatsen waar het parkeren van grote voertuigen niet toelaatbaar is, zal
                    duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing is gebaseerd op de bepaling van het
                    eerste lid of die van het tweede lid, zulks mede in verband met het bepaalde in
                    het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door middel van een verwijzing naar een
                    plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan bij voorbeeld door het gebruik van
                    verschillende kleuren bij het arceren van de plaatsen waar niet geparkeerd mag
                    worden, worden aangegeven welk motief ten grondslag ligt aan de aanwijzing of
                    dat beide motieven daaraan ten grondslag liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat
                    aan een aanwijzing beide motieven ten grondslag kunnen liggen.</al><al>Zie wat betreft de vraag, hoe dit verbod kenbaar kan worden gemaakt, de
                    toelichting op eerste lid.</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1., onderdeel c, wordt het
                    begrip 'parkeren' zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen
                    richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is.</al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5:9.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al/><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><lijst><li nr=""><al>voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare
                            werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke
                            nabijheid van het werk worden geparkeerd; </al></li><li nr=""><al>voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                            waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                            parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                            ontheffing in moeilijkheden zou komen. </al></li></lijst><al/><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><lijst><li nr=""><al>rijdende winkels; </al></li><li nr=""><al>wagens van kermisexploitanten; </al></li><li nr=""><al>wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                            wegverkeer terstond moeten kunnen “uitrukken” (sleepwagens e.d.); </al></li><li nr=""><al>voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten
                            (auto’s met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken
                            (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de
                            parkeerplaats moeten worden gesteld. </al></li></lijst><al/><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De instelling van een parkeerverbod voor grote voertuigen dient of te gebeuren
                    op basis van de APV of op basis van een verkeersbesluit
                    (Wegenverkeerswetgeving). Een combinatie hiervan is niet mogelijk. Zie Vz. AGRS
                    27-4-1993 (B03.93.0018), JU 941157 (VNG-databank).</al><al/><al>Ontheffingenbeleid van gemeenten Grave en Stad Delden, waarbij geen ontheffingen
                    worden verleend voor het parkeren van grote voertuigen in een woon buurt, wordt
                    door de Voorzitter van de ARRS als niet onredelijk aangemerkt. Vz. ARRS
                    18-12-1992,S03.92.4266, JU 931114 (VNG-databank) en Vz. ARRS
                    16-9-1993,S03.93.3369, JU 941013 (VNG-databank).</al><al/><al>De weigering een ontheffing te verlenen voor het parkeren van een groot voertuig
                    wordt vernietigd, omdat er geen sprake is van een hoge parkeerdruk ter plaatse,
                    zoals werd aangevoerd. ARRS 4-5-1993, JG 93.0353 .Bij een verzoek om
                    bestuursdwang in geval van het parkeren van een groot voertuig, waarbij het
                    uiterlijk aanzien in het geding is, dient het college een goede belangenafweging
                    te maken tussen enerzijds de redelijke eisen van welstand en anderzijds de
                    belangen van de eigenaar van het voertuig. De belangenafweging acht de Afdeling
                    rechtspraak niet onredelijk. ARRS 3-6-1991, JG 92.0301.</al><al/><al>Wanneer (nagenoeg) de gehele bebouwde kom wordt aangewezen als gebied waar geen
                    vrachtwagens mogen worden geparkeerd, dient het college zich ervan te
                    vergewissen dat geschikte alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is, waarbij
                    ook rekening moet worden gehouden met de veiligheid van de geparkeerde
                    vrachtwagens. ABRS 15-5-2001, nr. 200002098/1.</al><al/><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8.</al><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al/><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</al><al/><al>De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door het
                    bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter van”
                    (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in de
                    APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd.</al><al/><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d. Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet
                    goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke
                    karakter van het hier bedoelde parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                        (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al/><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al/><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al/><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al/><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of
                    laten staan” in plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van
                    een auto in een plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de
                    aantrekkelijkheid veroorzaakt.</al><al/><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen.</al><al/><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in de APV
                    van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te
                    bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, verbindend werd geacht.
                    De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het
                    algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling
                    uit te vaardigen, ging niet op.</al><al/><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                    aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                    terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.</al><al/><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al/><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al/><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al/><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al/><al><vet>AFDELING 2: COLLECTEREN</vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                    vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd dient te worden
                    of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de vergunning
                    tot een algemene regel.</al><al/><al><cursief>Achtergrond</cursief></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al/><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). Bijlage bij dit kamerstuk was het rapport van de Werkgroep
                    misbruik bij charitatieve acties. Deze interdepartementale werkgroep werd in
                    1976 ingesteld naar aanleiding van kamervragen met als opdracht te rapporteren
                    op welke wijzen zich bij charitatieve acties misbruik kan voordoen en of en in
                    hoeverre dit kan worden bestreden.</al><al/><al>In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het
                    misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van
                    hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter
                    bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                    charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in
                    meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek.</al><al/><al>Het rapport stelt vast, dat in de jurisprudentie in het algemeen wordt
                    aangenomen dat de gemeentelijke wetgever regelend mag optreden ten aanzien van
                    zowel het venten als het collecteren in de gemeente. De gemeentelijke wetgever
                    dient in zijn regeling van het venten echter wel een uitzondering te maken voor
                    het venten met gedrukte stukken, daar hij anders in strijd komt met artikel 7
                    van de Grondwet.”</al><al/><al><cursief>Huidige ontwikkelingen</cursief></al><al>Inmiddels zijn we dertig jaar verder. De vraag is of in de huidige maatschappij
                    nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het
                    toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal
                    inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers.</al><al>Goede doelen gebruiken steeds nieuwe methoden om geld in te zamelen. Jarenlang
                    was de huis- aan-huiscollecte de meest voorkomende vorm, tegenwoordig worden
                    mensen via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct
                    dialogue), door shows op tv en concerten (Live Aid, Dance4life) direct of
                    indirect aangesproken. Bij de gehanteerde methoden - of het nu per brief of
                    mondeling is - wordt vaak een sterke morele aanspraak gedaan op de geldgever
                    (die op een relatief eenvoudige manier zeer veel goeds kan doen).</al><al/><al>Dat de goede doelen-branche steeds verder is geprofessionaliseerd wordt ook
                    duidelijk vanwege het inschakelen van professionele (commerciële)
                    fondswervingsbedrijven. Deze sales- en marketingbedrijven zijn gericht op het
                    werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers. Ze hebben
                    getrainde, resultaatgerichte mensen in dienst. Zowel de fondsenwerver op straat
                    als de uitvoerende instelling kan worden afgerekend op het aantal binnengehaalde
                    machtigingen (klanten/leden/donateurs).</al><al/><al>De professionele fondsenwervers willen hun activiteiten met enige regelmaat
                    uitvoeren, niet alleen huis-aan-huis, maar ook op straat. De
                    inzamelingsvergunning in de APV is destijds met een ander uitgangspunt
                    ontwikkeld, namelijk spreiding middels het collecterooster. De meeste burgers
                    zijn mondig genoeg om aan te geven of zij al dan niet gediend zijn van een
                    inzamelingsactie. Er zijn echter nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving
                    die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven
                    dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen.</al><al/><al>De nieuwe methoden van fondsenwerving leveren veel geld op en zullen daarom niet
                    snel verdwijnen. Tegelijkertijd kunnen de diverse werkwijzen voor de burger
                    overlast opleveren omdat men soms meerdere malen per dag aangesproken wordt door
                    een goed doel. De branche zelf erkent dat er irritatie is maar geeft aan dat het
                    persoonlijk contact de meest indringende manier is om klanten of donateurs te
                    werven.</al><al/><al>Interessant is dat in Denemarken de wetgever het verboden heeft potentiële
                    klanten te benaderen per telefoon, mail, automatisch oproepsysteem, of
                    persoonlijk tenzij de ontvanger van tevoren hiermee akkoord is gegaan.</al><al/><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename van al
                    dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt zullen begeven.
                    De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat. Dit is
                    voor de VNG de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de
                    model-APV.</al><al/><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel.</al><al/><al>Deze bepaling ziet formeel ook op inzamelen met collectebussen die op de
                    toonbank van winkels geplaatst zijn. Meestal betreft het hier een collectebus
                    die voor langere tijd geplaatst wordt. Hoewel dit formeel vergunningplichtig is,
                    wordt hier in de praktijk soepel mee omgegaan. Het heeft nog nooit tot klachten
                    van hetzij burgers hetzij organisaties op het collecterooster geleid.</al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) dient bij vreemdelingen die
                    willen collecteren voor een commercieel doel bij de aanvraag om een vergunning
                    een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden voordat tot vergunningverlening
                    kan worden overgegaan. Zie voor overige informatie over dit onderwerp onder het
                    kopje Vreemdelingen onder de Algemene toelichting.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al/><al><cursief>Briefkaartenacties</cursief></al><al>Bij briefkaartenacties worden briefkaarten huis-aan-huis te koop aangeboden.
                    Deze activiteit komt tot stand op initiatief van commerciële organisaties
                    waarbij de naam van een goed doel wordt gebezigd. Er wordt gebruikt gemaakt van
                    studenten bij de verkoop. Een klein deel van de opbrengst komt ten goede aan het
                    goede doel, de rest van de opbrengst aan de initiatiefnemers van de commerciële
                    instelling. Het is verwarrend dat erkende goede doelen (CBF-keur) meewerken aan
                    dergelijke acties, Het CBF dringt er bij de door haar erkende goede doelen dan
                    ook op aan om goed toezicht te houden op de verkoopactiviteiten en de informatie
                    die daarbij vertrekt wordt. Vanwege klachten over deze activiteiten die zowel
                    bij het CBF als bij de goede doelen zijn binnengekomen, is door verschillende
                    instellingen met een goed doel besloten te stoppen met deze activiteiten.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>De vraag rijst of deze wijze van collecteren valt onder de bescherming van
                    artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (recht op vrije meningsuiting). Dit is
                    niet het geval. In vaste rechtspraak is een scheiding aangebracht tussen het
                    collecteren enerzijds en het daarbij aanbieden van gedrukte stukken anderzijds
                    (HR 26-05-1987, 106, Vz ARRS 16-08-1979, AB 1979, 297 en 18-10-1979, OB 180, nr.
                    41340, rubriek III.2.2.7). Ook een beroep op artikel 10 van het EVRM en artikel
                    19 van het IVBPR heeft de verbindendheid van een dergelijke bepaling niet
                    aangetast.</al><al/><al>In het tweede lid van artikel 5:13 zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. Daarbij maakt het
                    bijzondere element “... indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk
                    wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of een
                    ideëel doel is bestemd” nog eens duidelijk, dat het gaat om een regeling van het
                    collecteren en niet om een regeling van het venten of colporteren met gedrukte
                    stukken. Huis-aan-huisverkoop van briefkaarten e.d. waarbij te kennen wordt
                    gegeven dat dit geheel of gedeeltelijk plaatsvindt ten behoeve van het goede
                    doel is op basis van het bovenstaande dan ook een vergunningplichtige
                    activiteit. De uitspraak van de Hoge Raad van 21 maart 2000, NJ 2000, 482 waar
                    door commerciële kaartverkooporganisaties nog wel eens naar verwezen wordt, doet
                    daar niet aan af. Bij deze kaartverkoopacties is het voornaamste doel het
                    inzamelen van geld (veelal deels ten behoeve van het goede doel).</al><al/><al><cursief>Venten/colporteren (met gedrukte stukken) of inzamelen (onder
                        gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken)</cursief></al><al>Het collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken moet
                    onderscheiden worden van het venten of colporteren met gedrukte stukken. Venten
                    of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste
                    lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                    kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen) van
                    gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de
                    verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer
                    voor deze stukken een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt
                    gevraagd. Denk hierbij aan de verkoop van abonnementen op kranten of
                    tijdschriften. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een willekeurig bedrag
                    of een weliswaar vast, maar niet meer als reële contraprestatie aan te merken,
                    bedrag aan geld in een bus te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een
                    duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel, dan is er in onze opvatting sprake
                    van een collecte. De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning
                    van die actie uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte.
                    Bij strafrechtelijk optreden tegen dit soort, zonder vergunning gehouden
                    inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden, dat te kennen is
                    gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of gedeeltelijk is
                    bestemd voor een ideëel doel.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>In het derde lid van artikel 5:13 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden “in besloten kring”. Voor deze
                    uitdrukking is aansluiting gezocht bij artikel 435e WvSr, waarin het telefonisch
                    colporteren voor charitatieve doeleinden wordt verboden. De uitdrukking “in
                    besloten kring” doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende instelling en de
                    persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke, maatschappelijke of
                    verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt van de actie. Het
                    begrip “besloten kring” veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook een zekere
                    gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien de band
                    tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het gemeenschappelijk
                    lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een omroepvereniging.
                    Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde kerkgenootschap. Wordt de actie
                    echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke gemeente of wijk, of door een
                    plaatselijke afdeling van een landelijke vereniging, dan zal weer wel sprake
                    kunnen zijn van een besloten kring.</al><al/><al><cursief>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</cursief></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al/><al><cursief>Direct dialogue</cursief></al><al>Direct dialogue is een fondsenwervingmethode waarbij mensen worden aangesproken
                    en gevraagd om donateur of lid te worden van een instelling voor een goed doel
                    en waarbij een intekenlijst wordt aangeboden. Het publiek geeft een machtiging
                    af. In de algemene toelichting is hierover al een en ander opgemerkt. Het is een
                    wervingmethode die de laatste jaren snel populair is geworden. Bij het opstellen
                    van de bepaling van de model-APV is met deze methode geen rekening is gehouden.
                    Deze zag immers voornamelijk op landelijk georganiseerde inzamelingen
                    huis-aan-huis.</al><al/><al>Tot voor kort voor was de meest voorkomende vorm van direct dialogue inzameling
                    op plekken met veel lopend publiek, bijvoorbeeld in het winkelgebied of bij
                    stations. Tegenwoordig wordt deze vorm van inzamelen ook huis-aan-huis
                    toegepast. Dit maakt de vergunningverlening complexer. Duidelijk is dat voor de
                    huis-aan-huiswerving rekening gehouden dient te worden met het collecterooster.
                    De vergunning voor huis-aan-huis direct dialogue kan dan ook alleen verleend
                    worden voor de vrije perioden, waarin ook ruimte dient te zijn voor lokale
                    instellingen.</al><al/><al>Organisaties die gebruik maken van direct dialogue, willen graag meerdere malen
                    per jaar, gedurende enkele dagen leden werven. Een systeem van
                    vergunningverlening zoals aan de huis-aan-huiscollecten ten grondslag ligt (één
                    keer per jaar één week) voldoet niet aan deze behoefte. Duidelijk is ook dat er
                    een verschil is tussen huis-aan-huis collecteren en inzamelingen op straat. Een
                    groot aantal huis-aan-huiscollecten geeft eerder dan een groot aantal
                    straatcollecten aanleiding tot afkeer en wrevel onder de bevolking (AR
                    02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3).</al><al/><al>Niet elke gemeente heeft te maken met direct dialogue-activiteiten, maar
                    gemeenten die regelmatig aanvragen krijgen kunnen overwegen om beleidsregels
                    vast te stellen. De gemeente kan aangeven hoeveel instellingen op een zelfde dag
                    een inzamelingsvergunning krijgen voor straatwerving, waarbij ook gekeken kan
                    worden naar het aantal wervers dat per instelling ingezet mag worden. Ook kan de
                    gemeente bepalen op welke plaatsen gebruik kan worden gemaakt van de vergunning.
                    Afgewogen dient te worden welke plekken het meest wenselijk zijn vanuit de
                    belangen van de wervende instelling en welke plekken geschikt zijn in het kader
                    van verkeersveiligheid, openbare orde en overlast. De in artikel 1:8 opgenomen
                    weigeringgronden geven de gemeente de mogelijkheid aan de hand van daar genoemde
                    criteria een maximumstelsel te hanteren.</al><al/><al>Er bestaat een Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct Dialogue
                    Donateurswervers Nederland. In deze gedragscode zijn regels opgenomen voor het
                    werven van leden en donateurs door middel van persoonlijke gesprekken. Enkele
                    van die regels zijn: de dienstverleners en hun medewerkers zullen zich aan
                    landelijke en lokale regelgeving houden (o.a. de APV), geen gebruik maken van
                    een intimiderende of agressieve werkwijze, de wervers hebben altijd een
                    identificatie bij zich en zijn goed getraind en geïnformeerd.</al><al/><al><cursief>Direct dialogue in relatie tot venten</cursief></al><al>Het komt de laatste tijd regelmatig voor dat gemeenten benaderd worden door
                    marketing- en salesorganisaties die een vergunning aanvragen om huis-aan-huis
                    klanten te werven voor hun opdrachtgevers. Een opdrachtgever kan een
                    charitatieve instelling zijn waarvoor leden worden geworven door middel van een
                    intekenlijst, maar ook een bedrijf dat producten verkoopt. Bijvoorbeeld een
                    energie- of telefonieleverancier werft huis-aan-huis klanten waarbij aan de deur
                    een contract wordt ondertekend.</al><al>De vergunningen die mogelijk op deze activiteiten van toepassing zijn, zijn de
                    inzamelingsvergunning (art 5:13 APV) en de ventvergunning (art. 5:14 e.v. APV).
                    Wat betreft de inzamelingsvergunning is het verwarrend dat het niet het
                    charitatieve doel zelf is dat de vergunning aanvraagt, maar de commerciële
                    organisatie in opdracht van een goed doel. Voor de hand ligt dat aan deze
                    instelling bij het verlenen van de inzamelingsvergunning dezelfde voorwaarden
                    worden opgelegd als aan een charitatieve instelling, dus ook het terugkoppelen
                    van wat ingezameld is (hoeveel machtigingen en voor welk bedrag).</al><al>Bij venten ziet de vergunningplicht zowel op het aanbieden van goederen als het
                    aanbieden van diensten. Het werven van klanten voor energieleveranciers valt
                    onder het aanbieden van diensten. Doel is immers om via deze methode een
                    contract af te sluiten voor de levering van een dienst. Een andere vorm van
                    venten is het op straat of huis-aan-huis verkopen van producten als een hotelbon
                    of bon voor vakantiepark.</al><al/><al>Gemeentelijk beleid met betrekking tot de verlening van de
                    inzamelingsvergunningen</al><al>Het gemeentelijk beleid inzake de verlening van inzamelingsvergunningen heeft
                    twee uitgangspunten: de inzameling geschiedt door bonafide te achten
                    instellingen en in het kader van overlast wordt het aantal collecten beperkt en
                    gelijkmatig over het jaar verdeeld. Desgewenst wordt een onderscheid gemaakt
                    tussen inzamelingen huis-aan-huis en op straat.</al><al/><al>De collecten van landelijke instellingen, voorkomende op het collecterooster
                    krijgen een doorlopende vergunning. De gemeente volgt hierbij het CBF en de
                    Stichting Collecteplan. Instellingen die niet op dit collecterooster voorkomen
                    en een vergunning vragen voor een vrije periode of voor werving op straat dienen
                    door de gemeente beoordeeld te worden. Bij de beoordeling van de aanvragen
                    worden in de praktijk onder meer de volgende criteria gehanteerd (indien van
                    toepassing):</al><lijst><li nr=""><al>de instelling moet als bonafide zijn aan te merken (advies inwinnen bij
                            CBF); </al></li><li nr=""><al>de instelling moet specifiek plaatselijke kenmerken bezitten; en/of
                        </al></li><li nr=""><al>de voorgenomen actie is geen duplicering van andere al “gevestigde”
                            inzamelingen ten bate van een identiek doel, met name dat van
                            instellingen vermeld op het collecteplan; en/of </al></li><li nr=""><al>de opbrengst van de voorgenomen collecte moet worden besteed ten behoeve
                            van personen of instellingen buiten de kring van collecterende
                            instellingen; en/of </al></li><li nr=""><al>de aanvragende instelling mag geen (controversiële) politieke doeleinden
                            nastreven; </al></li><li nr=""><al>controle van de begroting op besteding van de gelden; </al></li><li nr=""><al>tellen onder toezicht van een notaris; </al></li><li nr=""><al>betalingsbewijs achteraf (dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt aan
                            doel); </al></li><li nr=""><al>gesloten bus, legitimatie inzamelaars etc; </al></li><li nr=""><al>onderschrijven Gedragscode brancheorganisatie van de Vereniging Direct
                            Dialogue Donateurswervers Nederland</al><al><vet>Jurisprudentie collectevergunning en textiel</vet></al><al>Het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland (IOR) had een
                            inzamelvergunning voor textiel verleend aan een charitatieve instelling.
                            Het bestuur van het IOR besloot uit oogpunt van doelmatigheid de
                            inzameling van textiel zelf ter hand te nemen en de samenwerking met de
                            charitatieve instelling te beëindigen. In een spoedprocedure bij de Raad
                            van State werd door de instelling betoogd dat er geen sprake was van een
                            afvalstof, omdat het textiel met het oogmerk op hergebruik werd
                            ingeleverd en ingezameld.</al><al>De Raad van State oordeelde echter anders. Het ingezamelde textiel
                            (draagbare en niet-draagbare kleding, lakens, dekens, grote lappen stof
                            en gordijnen) is aan te merken als een huishoudelijke afvalstof, omdat
                            de aangeboden kleding kennelijk ongesorteerd wordt aangeboden en daarom
                            nog een sorteerbewerking moet ondergaan. Een deel van de ingezamelde
                            textiel kan namelijk gebruikt worden overeenkomstig de oorspronkelijke
                            bestemming, een deel is slechts geschikt voor een ander gebruik en een
                            deel is onbruikbaar. De Raad van State verwijst ook naar een uitspraak
                            van het Hof van Justitie, waarin werd geoordeeld dat het
                            toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de term “zich
                            ontdoen van”. In de genoemde feiten ligt volgens de Raad van State een
                            aanwijzing besloten dat de huishoudens zich van het textiel hebben
                            willen ontdoen, voornemens zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan
                            moeten ontdoen. De inzameling is daarom primair een verantwoordelijkheid
                            van de lokale gemeente. Voor de collectevergunning heeft de uitspraak
                            van de Raad van State de volgende consequentie. De inzameling van
                            textiel valt onder het toepassingsgebied van de afvalstoffenverordening
                            (voorheen afdeling 4.2 van de model-APV, nu uitgebracht als aparte
                            model-Afvalstoffenverordening ) Het verstrekken van een
                            inzamelingsvergunning voor de inzameling van textiel is hierdoor niet
                            mogelijk, omdat textiel in nagenoeg alle gevallen kan worden beschouwd
                            als een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, Wet
                            milieubeheer. Het is namelijk niet aannemelijk dat een burger zijn
                            textiel gesorteerd kan aanbieden. Immers deze kan niet weten voor welke
                            bestemming hij bijvoorbeeld lappen of kleren aanbiedt (hergebruik,
                            poetslap of onbruikbaar). Een sorteerbewerking lijkt hierdoor altijd
                            noodzakelijk. Gesteld kan worden dat de gemeente op grond van artikel
                            10.22 Wet milieubeheer een zorgplicht heeft voor de inzameling van
                            textiel, hierdoor is de model-Afvalstoffenverordening van toepassing.
                            Dat betekent overigens niet dat de gemeente de inzameling van textiel
                            zelf ter hand moet nemen. De inzameling van textiel kan nog steeds
                            worden overgelaten aan charitatieve instellingen. De gemeente kan
                            bijvoorbeeld op grond van artikel 7, tweede lid, van de
                            model-Afvalstoffenverordening besluiten een charitatieve instelling aan
                            te wijzen als inzamelaar van textiel. Ook kan het college op grond van
                            artikel 11 van de model-Afvalstoffenverordening besluiten een
                            inzamelvergunning te verlenen aan een charitatieve instelling. Het CBF
                            informeert gemeenten ook over charitatieve instellingen welke kleding
                            inzamelen.</al><al>ABRS 28-01-2003, nr. 200206958.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie overig</vet></al><al>Noch een APV-vergunning inzake het inzamelen van geld en goed, noch een
                            vergunning voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en/of
                            groot huisvuil is vereist. Inzameling van kleding is geen inzameling van
                            huisvuil. Inzamelen bij een centraal inzamelpunt is geen inzameling aan
                            de weg of aan huis. Vz. ARRS 19-01-1993, JG 93.0355 , Gst. 1994, 6983, 3
                            m.nt. EB.</al><al/><al>Het beleid van het college dat - conform het advies van het Centraal
                            Archief van het Inzamelingswezen - sedert 1985 aan landelijk opererende
                            instellingen die in de zgn. vrije periode collecteren, de voorwaarde
                            wordt gesteld tot het binnen twee jaar overleggen van een financiële
                            verantwoording, in de vorm van een jaarverslag met een
                            accountantsverklaring, is niet onredelijk. ARRS 28-02-1989, AB 1989,
                            251.</al><al/><al>Een groot aantal huis-aan-huiscollecten kan eerder dan een groot aantal
                            straatcollecten aanleiding geven tot afkeer en wrevel onder de
                            bevolking. ARRS 02-12-1983, Gst. 1984, 6763, 3, m.nt. J.M. Kan.</al><al>Een inzameling is openbaar als deze aan de openbare weg of van daaraf
                            zichtbaar dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                            plaatsvindt. HR 31-10-1938, NJ 1939, 235</al><al/><al>Het te koop aanbieden van bonnetjes op zich zelf en zonder dat is
                            aangegeven tot welk doel de opbrengst van de verkoop strekt, is nog niet
                            aan te merken als het houden van een openbare inzameling. HR 07-11-1932,
                            W. 1933, 12584.</al><al/><al>Het zich tot verschillende personen wenden om een geldelijke bijdrage,
                            levert het houden van een inzameling van geld op, ook indien op die
                            verzoeken slechts één gift is ontvangen. HR 21-03-1927, NJ 1927.</al><al>De collectevergunning geldt voor liefdadige én commerciële inzamelingen.
                            Daarnaast rechtvaardigt de ABRS het door de gemeente gelegde verband
                            tussen inzamelingsvergunningen voor textiel en het afvalstoffenbeleid,
                            JG 00.0187 .</al><al/><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al>Men kan twee soorten vergunningen onderscheiden. De eenmalige vergunning
                            en de vergunning voor onbepaalde tijd, ook wel de doorlopende vergunning
                            genoemd die uitsluitend bestemd is voor de instellingen die voorkomen op
                            het collecterooster. De collectevoorwaarden verbonden aan beide
                            vergunningen kunnen grotendeels gelijk zijn.</al><al>De doorlopende vergunning geldt voor de zogenoemde
                            Collecteplaninstellingen, de instellingen die zich hebben aangesloten
                            bij Stichting Collecteplan, omdat deze gebonden zijn aan de voorwaarden
                            van het zogenoemde collecterooster.</al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat gemeentebesturen in beginsel gebonden zijn
                            aan het collecteplan. Zij hebben amper de vrijheid hiervan af te wijken
                            bij het verlenen van vergunningen. Het verlenen van een doorlopende
                            vergunning voor collecten die in overeenstemming zijn met het
                            collecteplan, maakt deel uit van de verbetering van de dienstverlening
                            door gemeenten aan burgers en het bedrijfsleven. De inzamelende
                            instelling is gebaat bij het niet jaarlijks aanvragen van de vergunning.
                            De werkdruk wordt voor zowel de inzamelende instelling als de gemeente
                            enigszins verminderd Wel is een meldingsplicht vereist en blijft de
                            gemeente bijhouden of er in een bepaalde periode gecollecteerd wordt of
                            niet. De gemeente dient een instelling die zich niet meldt te benaderen,
                            om te weten te komen of deze van de aan hem toebedeelde collecteperiode
                            al dan niet gebruik maakt. Dan kunnen ook de burgers (en doorgaans ook
                            de politie in het kader van de handhaving) worden geïnformeerd over
                            welke instelling die periode collecteert.</al><al>Het is niet zo dat de gemeente kan bepalen dat instellingen die
                            voorkomen op het collecterooster geen vergunning meer nodig hebben. Het
                            CBF en het collecterooster ontlenen hun kracht voor een groot deel aan
                            de vergunningen van de gemeenten doordat zij zich aansluiten bij het
                            rooster. Het CBF is geen bestuursorgaan dat vergunning kan verlenen.
                            Daarnaast collecteren de landelijke instellingen in de hun toegewezen
                            periode niet in alle gemeenten. Het college zal, bij instellingen welke
                            twee jaar achtereen geen gebruik maken van de doorlopende vergunning,
                            deze intrekken, zodat de vrije periode in deze gemeente verruimd
                            wordt.</al><al/><al><cursief>Toelichting op de voorwaarden</cursief></al><al>Instellingen met een doorlopende vergunning zijn verplicht om drie
                            maanden van te voren te melden of ze al dan niet gebruik maken van de
                            vergunning. Het college neemt kennis van deze mededeling en beantwoordt
                            dat met een schriftelijke bevestiging. Het is praktisch om in deze
                            bevestiging de op dat moment geldende voorschriften die aan de
                            inzamelingsvergunning zijn verbonden op te nemen als service aan de
                            inzamelende organisatie, zodat deze herinnerd wordt aan de
                            vergunningvoorwaarden.</al><al>De gemeente reguleert het inzamelen op basis van de openbare orde en
                            veiligheid. Overlast voor de burger dient voorkomen te worden en deze
                            dient beschermd te worden tegen niet-bonafide instellingen. Het
                            vergunningstelsel zorgt er voor dat de burger geen overlast ondervindt
                            door een veelvoud van collecten aan de deur in een korte periode. De aan
                            de vergunning verbonden voorwaarden zorgen ervoor dat andere denkbare
                            vormen van overlast voorkomen worden (geen inzameling op zondag, of
                            ’s-avonds laat, politie kan aanwijzingen geven enz.).</al><al/><al>Enkele voorwaarden zien op de betrouwbaarheid van de inzamelende
                            instantie (afgesloten bus, gewaarmerkt legitimatiebewijs inzamelaar,
                            verantwoording afleggen over het opgehaalde bedrag).</al><al>De intrekkinggronden voor de vergunning zijn gekoppeld aan de
                            voorwaarden waaronder een vergunning wordt afgegeven. Het voorkomen op
                            het collecterooster ligt voor de hand, het gebruiken van de vergunning
                            komt voort uit de belangen van andere organisaties, niet voortkomend op
                            het rooster, om de mogelijkheid te hebben een (gewone)
                            inzamelingsvergunning aan te vragen.</al><al/><al><vet>AFDELING 3: VENTEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>Bij de herziening van 2007 is omschreven wat onder venten wordt
                            verstaan. Dit is een verbetering omdat het uitoefenen van de ambulante
                            handel (het venten) onderscheiden moet worden van enerzijds de
                            collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Onder venten
                            met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van kleinhandel
                            waarbij goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden
                            aangeboden dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten.
                            Bij venten is het van belang dat de venter in beweging is. De venter
                            biedt zijn waren voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk
                            stilstaan in afwachting van klanten is geen venten. HR 26-03-1974, NJ
                            1974, 239.</al><al>Het onderscheid tussen venten en collecteren is het volgende. Van venten
                            of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële
                            contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In
                            principe worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het
                            om het inzamelen van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of
                            ander goed door een willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet
                            meer als reële contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus
                            te werpen of te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar
                            liefdadig of ideëel doel, dan is sprake van een collecte. De goederen
                            worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie uitgereikt. Bij
                            strafrechtelijk optreden tegen dit soort zonder vergunning gehouden
                            inzamelingen zal ten laste gelegd en bewezen moeten worden dat te kennen
                            is gegeven of de indruk is gewekt dat de opbrengst geheel of
                            gedeeltelijk is bestemd voor een ideëel doel.</al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats,
                            betreft de periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op
                            straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het
                            innemen van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van
                            goederen vanaf eenzelfde plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen
                            als een kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien
                            minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen
                            ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ 1974, 239. Venten en standplaatsen
                            sluiten elkaar dus uit.</al><al/><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al>Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten,
                            behalve als met een door het college verstrekte vergunning werd
                            gehandeld. Wij hebben in 2007 gekozen voor een algemene regel. Het is
                            nog slechts verboden te venten als de openbare orde wordt verstoord, de
                            openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komen.
                            De terminologie sluit aan bij de Europese Dienstenrichtlijn. Hieronder
                            vallen de aloude motieven van overlast (in de meeste gevallen) en
                            verkeersveiligheid. Zie voor nadere uitleg de toelichting onder artikel
                            1:8. Tot het afschaffen van het vergunningstelsel is besloten, omdat in
                            de meeste gemeenten venten geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van
                            vergunningverlening is dat men de vergunning vrijwel altijd verleent
                            onder dezelfde voorwaarden. Er is dan geen goede reden waarom een
                            vergunningstelsel nog noodzakelijk en proportioneel is. Overlast kan ook
                            achteraf worden aangepakt. Wij achten het risico van achteraf
                            controleren niet veel groter dan van het vooraf vaststellen van de
                            voorwaarden die vaak dezelfde zijn. Volgens de Dienstenrichtlijn is een
                            vergunning alleen proportioneel als een controle achteraf onvoldoende
                            is.</al><al/><al>De uitgangspunten van de Dienstenrichtlijn op grond van het EG-verdrag
                            gelden overigens in het geval van venten ook voor het verkopen van
                            goederen. Volgens het Hof van Justitie kunnen beperkingen gesteld worden
                            aan de vrijheid van venten indien sprake is van een dwingende reden van
                            algemeen belang. Het Hof van Justitie heeft op 23 februari 2006
                            betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing betreffende de
                            uitleg van de artikelen 28 en 30 EG, ingediend door het Landesgericht
                            Klagenfurt (Oostenrijk), uitspraak gedaan in een zaak waarin de Duitse
                            onderneming X zich bezighield met het venten van sieraden op het
                            grondgebied van de Europese Unie, waarbij zij particulieren in
                            particuliere woningen bezocht. Daar bood zij zilveren sieraden te koop
                            aan en vergaarde zij bestellingen met betrekking tot dergelijke
                            sieraden. De nationale, Oostenrijkse bepaling verbood deze handelingen.
                            Het Hof bepaalde in de eerste plaats dat de regel niet discriminatoir
                            mag zijn ten opzichte van de dienstverlener en verder dat moet worden
                            nagegaan of de betrokken maatregel gerechtvaardigd is door een
                            doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het
                            Hof aan dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde
                            doelstellingen, en of die maatregel evenredig is aan deze
                            doelstelling.</al><al>Op grond van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn mogen er eisen worden
                            gesteld aan dienstverleners die tijdelijk in Nederland hun diensten
                            aanbieden het belang van de openbare orde, openbare veiligheid. Zie voor
                            de argumentatie waarom gekozen is voor deze regeling de toelichting bij
                            artikel 1:8.</al><al/><al>In de praktijk is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke
                            gevallen sprake is van gevaar voor de in het artikel genoemde motieven.
                            Dergelijke beleidsregels moeten bekend gemaakt worden. Ook beleidsregels
                            moeten voldoen aan criteria van de Dienstenrichtlijn. Immers volgens
                            artikel 4, van de Richtlijn vallen onder de definitie van eisen die
                            gesteld kunnen worden: elke verplichting, verbodsbepaling, voorwaarde of
                            beperking uit hoofde van de wettelijke een bestuursrechtelijke
                            bepalingen van de lidstaten.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in
                            de late avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters.</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5
                            van de Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te
                            gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden
                            veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden
                            gehinderd.</al><al>Vergunningstelsel</al><al/><al>Mocht de gemeente ondanks bovenstaande overwegingen een
                            vergunningstelsel noodzakelijk en proportioneel achten, dan kan artikel
                            5:15, eerste lid luiden: Het is verboden zonder vergunning van het
                            college te venten. Het tweede lid kan worden geschrapt, want kan als
                            vergunningvoorwaarde worden opgenomen. Weigeringsgronden worden niet
                            expliciet in het artikel opgenomen, want deze staan genoemd in artikel
                            1:8 . Artikel 1:7 geeft voorts aan dat de vergunning in beginsel voor
                            onbepaalde tijd wordt verleend. De artikelen 5:15 en 5:17 kunnen worden
                            overgenomen.</al><al/><al>Gemeenten die het vergunningstelsel niet willen loslaten, beroepen zich
                            vooral op het argument van het preventief voorkomen van overlast door
                            venters die hun goederen of diensten aan de deur slijten. Daarbij wordt
                            vaak de politie geraadpleegd of de dienstverlener een belastend verleden
                            heeft. In 1993 erkende de Afdeling rechtspraak van de Raad van State dat
                            een strafrechtelijk verleden in de weg staat aan het verlenen van een
                            ventvergunning (zie onder jurisprudentie). Het is de vraag of dit ook
                            nog geldt onder de Dienstenrichtlijn. Volgens B.Hessel (Gst. 7271, p.
                            200) mag een vergunning niet aan een dienstverlener uit een andere
                            lidstaat worden geweigerd omdat hij strafrechtelijk onvoorwaardelijk is
                            veroordeeld voor meer dan zes maanden. Aanvullende argumenten binnen het
                            begrip openbare orde in de zin van de Dienstenrichtlijn moeten aanwezig
                            zijn en gerelateerd worden aan het concrete gedrag van de
                            dienstverlener.</al><al/><al><cursief>Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau
                            in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang
                            aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd
                            worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de
                            vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie
                            van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het
                            reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk
                            belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling
                            slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het
                            voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in
                            gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren
                            dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                            plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar
                            komt als door een venter dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al/><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor venters die (mede)
                            diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                            economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van
                            diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te
                            hanteren voor het verkopen van goederen (zie ook artikel 5:18, derde
                            lid, onder b). De Dienstenrichtlijn is hierop immers niet van
                            toepassing.</al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat
                            het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te
                            verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen
                            vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum
                            als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden
                            aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto
                            daadwerkelijk sprake is.</al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de
                            bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag.
                            Wel geldt op grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante
                            en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde
                            verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.</al><al/><al><cursief>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</cursief></al><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de
                            aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te
                            vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9,
                            tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                            een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000,
                            een document te overleggen waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Zie
                            voor overige informatie over dit onderwerp onder het kopje Vreemdelingen
                            onder de </al><al/><al><vet>Artikel 5:16 Venten met gedrukte stukken</vet></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                            gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de
                            jurisprudentie is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als
                            een zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk
                            probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie sprake is van
                            de uitoefening van “een zelfstandig middel van bekendmaking” in de zin
                            van artikel 7 van de Grondwet of dat er sprake is van het te koop
                            aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of gevoelens worden
                            geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de
                            vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                            Grondwet.</al><al>Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken
                            in het kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte
                            stukken is in de praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de
                            jaren tachtig in een groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het
                            venten met prentbriefkaarten. De firma die in deze gemeenten haar
                            prentbriefkaarten in het kader van een commerciële protestactie wilde
                            verkopen was van mening dat het gedrukte stukken betrof die, gelet op
                            artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen worden. Hoewel
                            bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de opbrengst voor
                            een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te komen
                            aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                            grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                            vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk.</al><al/><al>In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en
                            afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat
                            deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde
                            uiting van kunst bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van
                            zulke gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens
                            openbaren als bedoeld in art. 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al/><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder
                            de volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben
                            op de inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige
                            betekenis te resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel
                            verbod.</al><al>Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot
                            het verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de
                            jurisprudentie wel toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk
                            waarop een mededeling staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet
                            mogelijk voor zover het betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7
                            van de Grondwet beschermt immers “iedere openbaarmaking van een - meer
                            of minder weloverwogen - gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties
                            of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni 1986, Stb. 339). Wel kan
                            de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid
                            naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al/><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond
                            van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan
                            een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als
                            verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt,
                            dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient
                            aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen
                            vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De
                            verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de
                            koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële
                            straatkantverkopers zijn.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Strafrechtelijk verleden staat in de weg aan het verlenen van
                            ventvergunning. Geen uitzondering op het beleid gezien de aard van de
                            gepleegde feiten en de veelvuldige veroordelingen. ARRS 26-07-1993, AB
                            1994, 2 m.nt. LJJR. Zie ook Vz. ARRS 20-10-89, JG 90.0181.</al><al/><al>Relatie Colportagewet en ventverbod uit de APV. Colportagewet niet
                            uitputtend bedoeld. HR 20-10-1992, JG 93.0258 , NJ 1993, 155, Gst.1993,
                            6972, 5 m.nt. EB.</al><al/><al>Verkoopactiviteiten vanuit rijdende winkel is vergunningplichtig op
                            grond van de APV. De regeling in de APV is niet in strijd met de
                            Vestigingswet Bedrijven 1954 (inmiddels ingetrokken). Aan toetsing van
                            de APV-bepaling aan artikel 30 van het EG-verdrag komt de afdeling niet
                            toe. ABRS 27-11-1998, Gst.1999, 7090, 4 m.nt. HH.</al><al/><al>Het aanbieden van goederen in een rijdende winkelwagen kan aan regels
                            worden gebonden ten behoeve van de handhaving van de openbare orde. Er
                            is sprake van venten. ARRS 15-06-1984, Gst. 1984, 6789, 4 m.nt. J.C.
                            Schroot.</al><al/><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een
                            andere plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is.
                            Er geldt een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het
                            tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is in strijd met de
                            verleende ventvergunning. HR 26-03-1974, NJ 1974, 239.</al><al/><al>Venten met gedrukte of geschreven stukken wordt aangemerkt als een
                            zelfstandig middel van verspreiding. HR 17-03-1953, NJ 1953, 389,
                            Wachttorenarrest en HR 20-06-1950, NJ 1950, 619.</al><al/><al>Terechte weigering van ventvergunning. Het reguleren van de ambulante
                            handel is een zaak die tot de gemeentelijke huishouding behoort. Pres.
                            Rb. Assen 31-10-1996, JG 97.0078</al><al/><al>Wanneer ondanks verleende ventvergunning feitelijk vanaf een standplaats
                            wordt gehandeld, dient een aanschrijving te worden gebaseerd op artikel
                            5.2.3 en niet (mede) op artikel 5.2.2. Gelet op het bepaalde in artikel
                            5.2.2 lid 2 onder d (oud) en artikel 5.2.3 (oud) sluiten venten en het
                            innemen van een standplaats elkaar uit, zodat deze artikelen niet naast
                            elkaar aan de aanschrijving ten grondslag kunnen worden gelegd. ABRS
                            23-03-1998, AB 1998,- 277.</al><al/><al>Venten met posters valt onder de vrijheid van meningsuiting. Posters
                            zijn een bepaalde uiting van kunst of ludiek van aard. Er kan daarom
                            niet gezegd worden dat de posters geen gedachten of gevoelens openbaren.
                            HR 21-03-2000, NJ 2000, 482.</al><al><vet>AFDELING 4: STANDPLAATSEN</vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>Deregulering bestaat niet alleen uit het verminderen van administratieve
                            lasten, maar ook uit het verhelderen en vereenvoudigen van regels. In
                            het kader van de deregulering in 2007 is daarom het oude artikel 5.2.3
                            opgedeeld in vijf artikelen en is de tekst verduidelijkt. In 2008 zijn
                            de artikelen hernummerd. Artikel 5:17 bevat een begripsomschrijving en
                            voorziet voorts in uitzonderingen. Het hebben van een standplaats ziet
                            op het te koop aanbieden van goederen vanaf een vaste plaats. Dit is dan
                            ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het venten met
                            goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan dat
                            de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de
                            openbare ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de
                            standplaatshouder niet.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat
                            het innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt
                            op basis van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                            Gemeentewet. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een
                            standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels die voor de
                            markt gelden. Deze zijn in veel gemeenten in een marktverordening
                            neergelegd. Een afbakening met de snuffelmarkt is niet nodig, omdat
                            snuffelmarkten in gebouwen plaats vinden en standplaatsen worden
                            ingenomen in de open lucht.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen
                            vergunning krachtens afdeling 5.4 nodig. Op het evenement zijn de
                            artikelen 2:24 en 2:25 van toepassing, waarbij de bepalingen met
                            betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing
                            zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Wij achten een vergunning voor het hebben van een standplaats, hoe
                            eenvoudig ook, noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te
                            voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt
                            tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast,
                            stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning
                            is persoonsgebonden (artikel 1:6).</al><al/><al><cursief>Vergunning voor onbepaalde tijd</cursief></al><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel
                            1:7). Indien de gemeente de vergunning met het oog op de verdeling van
                            standplaatsen aan een termijn wil verbinden, dan is het zaak te
                            motiveren waarom dit noodzakelijk is in het belang van onder meer de
                            openbare orde, overlast en de verkeersveiligheid en milieu. Zie voor
                            nadere toelichting bij de artikelen 1:7.</al><al/><al><cursief>Vrijheid van meningsuiting</cursief></al><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt
                            op het verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen
                            van stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7
                            Grondwet). Voor het aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen
                            vergunning worden geëist. Het wordt gezien als een zelfstandig middel
                            van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een
                            standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet
                            vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar
                            vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Dus het gaat hier
                            om een standplaatsvergunning.</al><al/><al><cursief>Tweede lid Bestemmingsplan</cursief></al><al>De bepalingen in de model-APV met betrekking tot het innemen van een
                            standplaats zijn gebaseerd op ordening van de straathandel en zijn
                            gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die
                            tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van
                            de Wet op de ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een
                            zelfstandige weigeringsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van
                            een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats
                            altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het bestemmingsplan
                            voortvloeien.</al><al/><al>Als het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het
                            moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar
                            dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                            bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als
                            imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit
                            aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige
                            planologische regeling bevat.</al><al/><al><cursief>Derde lid Weigeringsgronden</cursief></al><al>De generieke weigeringsgronden worden genoemd in artikel 1:8. Nadere
                            uitleg daarvan vindt men in de toelichting bij dat artikel.</al><al/><al><cursief>Derde lid, onder a Redelijke eisen van welstand</cursief></al><al>Bij de herziening van 2004 is de weigeringsgrond “uiterlijk aanzien van
                            de gemeente” vervangen door “redelijke eisen van welstand” vanwege het
                            streven om de terminologie in de model-APV zo eenduidig mogelijk te
                            houden. Bovendien sluit het aan bij de terminologie van de Woningwet.
                            Wij gaan ervan uit dat “uiterlijk aanzien” en “redelijke eisen van
                            welstand” inhoudelijk dezelfde betekenis hebben.</al><al>De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer
                            standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het
                            straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet
                            alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het
                            aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles
                            gewaarborgd. Het college bepaalt zelfstandig de inhoud van deze
                            weigeringsgrond. Het is niet noodzakelijk, maar wel verstandig om bij
                            voorbeeld de welstandscommissie om advies te vragen.</al><al/><al><cursief>Derde lid onder b Redelijk verzorgingsniveau</cursief></al><al>In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau
                            in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang
                            aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd
                            worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de
                            vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie
                            van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State blijkt dat het
                            reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk
                            belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling
                            slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het
                            voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in
                            gevaar komt. Wil een gemeente op basis hiervan een vergunning weigeren
                            dan moet worden aangetoond, mede aan de hand van de boekhouding van de
                            plaatselijke winkelier, dat het voortbestaan van de winkel in gevaar
                            komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen aangeboden worden.</al><al>De Dienstenrichtlijn staat deze weigeringsgrond voor standplaatsen die
                            (mede) diensten verlenen niet toe, omdat dit wordt beschouwd als een
                            economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van
                            diensten. Het blijft echter nog wel mogelijk om deze weigeringsgrond te
                            hanteren voor het verkopen van goederen. De Dienstenrichtlijn is daarop
                            immers niet van toepassing.</al><al/><al><cursief>Maximumstelsel</cursief></al><al>De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bepaald, dat
                            het in het belang van de openbare orde kan zijn om het aantal te
                            verlenen vergunningen aan een maximum te binden. Het aantal te verlenen
                            vergunningen kan worden beperkt tot een van tevoren vastgesteld maximum
                            als de openbare orde in gevaar wordt gebracht. Wel dient te worden
                            aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van zo'n gevaar in concreto
                            daadwerkelijk sprake is.</al><al/><al>De Europese Dienstenrichtlijn komt wat dit betreft overeen met de
                            bestaande lijn in de Nederlandse rechtspraak: een maximumstelsel mag.
                            Wel geldt op grond van artikel 9 jo artikel 10 dat er een transparante
                            en non-discriminatoire op objectieve gronden gebaseerde
                            verdeling/toekenning van vergunningen moet zijn.</al><al/><al>Het aantal vergunningen moet vastgesteld worden voordat tot uitvoering
                            van het beleid wordt overgegaan. De locaties waar een standplaats mag
                            worden ingenomen moeten zo zorgvuldig mogelijk worden geselecteerd. Het
                            totaal aantal aangewezen standplaatsen tezamen levert het maximum aantal
                            af te geven standplaatsvergunningen op. Het laten opmaken van een
                            politierapport met betrekking tot de mogelijkheden tot het innemen van
                            een standplaats op de verschillende locaties kan een verdere
                            onderbouwing leveren van het vastgestelde maximum aantal
                            standplaatsvergunningen. In dit politierapport kan worden aangegeven
                            welke gevolgen het innemen van standplaatsen zal hebben voor de
                            verkeersveiligheid en de handhaving van de openbare orde.</al><al/><al>Het innemen van een standplaats kan verder worden geordend door
                            tijdstippen aan te wijzen wanneer een standplaats mag worden ingenomen.
                            Een verdeling naar dagen van de week en eventueel naar dagdelen kan een
                            nadere invulling geven aan het maximum aantal standplaatsvergunningen.
                            Een dergelijk beleid kan zowel voor de gehele gemeente als voor nader
                            aan te geven gedeelten van de gemeente van kracht zijn.</al><al/><al>Een verdere verfijning van het maximum aantal standplaatsvergunningen
                            kan worden bereikt door een onderverdeling naar een aantal branches in
                            te stellen. Per branche kan dan een maximum aantal af te geven
                            vergunningen worden bepaald. Opgemerkt moet worden, dat een dergelijk
                            maximum aantal vergunningen slechts door de rechter wordt toegelaten
                            indien het aantal aanvragen per branche het totaal aantal af te geven
                            vergunningen overtreft.Indien voor een branche niet het maximum aantal
                            vergunningen wordt afgegeven, acht de rechter geen noodzaak tot
                            handhaving van dit stelsel aanwezig.</al><al/><al>Bij het vaststellen van een maximum aantal vergunningen, eventueel
                            uitgesplitst naar plaats, tijdstip of branche, moet rekening gehouden
                            worden met het aantal reeds afgegeven vergunningen. Indien het totaal
                            aantal aanvragen om een standplaatsvergunning het totaal aantal af te
                            geven vergunningen overtreft kan het college een wachtlijst opstellen.
                            De aanvragen worden dan geregistreerd in volgorde van binnenkomst.
                            Indien een standplaatshouder te kennen geeft zijn standplaats niet meer
                            in te zullen nemen, kan deze vergunning aan de eerste op de wachtlijst
                            toegekend worden.</al><al/><al>Ten slotte moet opgemerkt worden dat iedere aanvraag tot het innemen van
                            een standplaats afzonderlijk beoordeeld moet worden. Aan de hand van de
                            in de model-APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan de hand
                            hiervan geformuleerde beleid moet een afweging plaatsvinden of de
                            aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. Men houdt ook
                            de eis van de Dienstenrichtlijn voor ogen dat een wachtlijst noch direct
                            noch indirect discriminatoir mag zijn.</al><al/><al><cursief>Beleidsregels</cursief></al><al>Aan de hand van de motieven, genoemd in artikel 1:8, kan het college
                            beleidsregels vaststellen, waarin wordt aangegeven wanneer wel of niet
                            tot het afgeven van een standplaatsvergunning wordt overgegaan. Het
                            vaststellen van een dergelijk beleid, waarin objectieve, algemeen
                            bekendgemaakte criteria worden aangegeven, die bij de beoordeling van
                            een vergunningaanvraag worden gehanteerd, is blijkens de jurisprudentie
                            toegestaan. Wel moet worden opgemerkt dat te voeren beleid niet mag
                            leiden tot een beslissing omtrent een aangevraagde vergunning die niet
                            kan worden herleid op één van de in artikel 1:8 genoemde
                            weigeringsgronden. Rb Utrecht 23-12-1998, KG 1999, 78. Ook beleidsregels
                            zijn volgens artikel 4, van de Dienstenrichtlijn onderworpen aan
                            dwingende reden van algemeen belang: de openbare orde, de openbare
                            veiligheid, de volksgezondheid en het milieu.</al><al/><al>Bij het hanteren van deze weigeringsgronden kan een verdeling
                            gerealiseerd worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven
                            vergunningen zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie
                            van de in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. De weigeringsgronden
                            kunnen ook gebruikt worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde
                            locatie ontstaat. Een aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans
                            op feitelijke marktvorming ontstaan. Ook is het mogelijk om specifieke
                            standplaatsen op bepaalde locaties te weren. Gedacht kan bijvoorbeeld
                            worden aan bakkramen die in verband met stankoverlast of
                            brandgevaarlijkheid niet in de directe nabijheid van gebouwen gewenst
                            zijn.</al><al/><al><cursief>Inhoud standplaatsenbeleid</cursief></al><al>De motieven waarop een beleid met betrekking tot het innemen van
                            standplaatsen berust, mogen niet strijdig zijn met de
                            bevoegdheidsgrondslag om ordenend op te treden. Het beleid dat door het
                            college wordt vastgesteld ter uitvoering van de APV-bepalingen mag niet
                            de wettelijke grondslag (art. 149 Gemeentewet) van deze APV-bepalingen
                            overschrijden.</al><al/><al>De zaken die het college in het standplaatsenbeleid kan vastleggen
                            betreffen:</al><al/></li><li nr=""><al>de vaststelling van het maximum aantal af te geven
                            standplaatsvergunningen; </al></li><li nr=""><al>de vaststelling van het aantal af te geven standplaatsvergunningen per
                            branche. de aanwijzing van locaties waar standplaatsen mogen worden
                            ingenomen; </al></li><li nr=""><al>de aanwijzing van tijdstippen waarop standplaatsen mogen worden
                            ingenomen. </al></li></lijst><al/><al>De vaststelling van het aantal af te geven vergunningen wordt bepaald aan de
                    hand van een feitelijke invulling van de verschillende in artikel 1:8 genoemde
                    weigeringsgronden. Nadat aan de hand van ieder motief afzonderlijk is bepaald op
                    welke plaats in de gemeente een standplaats kan worden ingenomen, valt aan de
                    hand van het totaalbeeld dat hieruit resulteert, aan te geven wat het maximum
                    aantal af te geven standplaatsvergunningen is. Aan de hand van ieder motief
                    afzonderlijk is een aantal plaatsen aan te duiden waar een standplaats ingenomen
                    kan worden.</al><al/><al>Nadat een overzicht van het aantal mogelijk in te nemen standplaatsen en het
                    maximumaantal standplaatsvergunningen is vastgesteld, kan het college een beleid
                    vaststellen ten aanzien van de handhaving en het toezicht en de wijze waarop
                    gehandeld wordt als het maximum aantal vergunningen reeds is afgegeven. Het
                    betreft hier dan een wachtlijstensysteem dat van toepassing is wanneer het
                    aantal aanvragen het maximum aantal af te geven standplaatsvergunningen
                    overschrijdt.</al><al/><al><cursief>Vergunningsvoorschriften</cursief></al><al>Aan de standplaatsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 10
                    van de Dienstenrichtlijn bepaalt dat vergunningstelsels gebaseerd moeten zijn op
                    criteria die ervoor zorgen dat de bevoegde instanties hun
                    beoordelingsbevoegdheid niet op willekeurige wijze uitoefenen. Die criteria
                    zijn: niet-discriminatoir, gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen
                    belang; evenredig met die reden van algemeen belang; duidelijk en
                    ondubbelzinnig; objectief; vooraf openbaar bekendgemaakt; transparant en
                    toegankelijk. Zie ook artikel 1:4 en de toelichting bij dit artikel.</al><al>Voorschriften die aan een vergunning gesteld kunnen worden betreffen:</al><lijst><li nr=""><al>het vervallen van de standplaats indien gedurende een bepaalde periode
                            geen standplaats is ingenomen; </al></li><li nr=""><al>de soort goederen of diensten die mogen worden aangeboden. Hierbij moet
                            men wel het oog houden op een goede verdeling van de te verkopen
                            goederen voor de consument. Anders zou er oneerlijke concurrentie kunnen
                            zijn; </al></li><li nr=""><al>de grootte van de standplaats; </al></li><li nr=""><al>de ruimte waarbinnen de waren uitgestald mogen worden; </al></li><li nr=""><al>het uiterlijk aanzien van de standplaats; </al></li><li nr=""><al>tijden van opbouw en ontruiming van de standplaats; </al></li><li nr=""><al>eisen met betrekking tot de (brand)veiligheid; </al></li><li nr=""><al>opruimen van rommel en schoon achterlaten van de locatie. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Overige regelgeving</cursief></al><al>Op het drijven van straathandel zijn ook andere regels dan de regels van de
                    model-APV van toepassing. Deze regels stellen vanuit andere motieven eisen aan
                    de straathandel</al><al/><al><cursief>Wet op de Ruimtelijke ordening</cursief></al><al>Een vergunning voor het innemen van een standplaats kan worden geweigerd vanwege
                    strijd met een geldend bestemmingsplan. Wanneer wel een vergunning, zoals
                    vereist krachtens de model-APV, wordt verstrekt, blijven eventuele eisen die in
                    het geldende bestemmingsplan worden gesteld, van kracht.</al><al>Het college kan een aanvraag voor het innemen van een standplaats mede opvatten
                    als een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het
                    bestemmingsplan. In een dergelijk geval wordt een aanvraag gebruikt voor twee
                    afzonderlijke procedures. Het is dan niet nodig twee afzonderlijke aanvragen in
                    te dienen.</al><al/><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet regelt een aantal zaken met betrekking tot de openingstijden
                    van winkels en het leveren van goederen aan particulieren. De bepalingen uit de
                    Winkeltijdenwet gelden ook voor de verkoop van goederen vanaf een standplaats.
                    Het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Winkeltijdenwet geschiedt
                    door de Economische Controledienst.</al><al/><al><cursief>Warenwet</cursief></al><al>Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet
                    (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan van
                    tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de
                    Warenwet van toepassing. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede
                    hoedanigheid en aanduiding van waren. Daarnaast stelt de Warenwet regels met
                    betrekking tot de hygiëne en degelijkheid van producten. Met betrekking tot het
                    toezicht op de naleving van de bepalingen van de Warenwet is een afzonderlijk
                    regime van toepassing.</al><al>De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften
                    die door het college gesteld kunnen worden op basis van een
                    standplaatsvergunning.</al><al/><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen
                    die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen
                    gelden ook voor een standplaatshouder, voor zover zijn verkoopplek als
                    “inrichting” kan worden aangemerkt. Van belang is de regelgeving die geldt voor
                    bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan
                    bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Ook van belang is de
                    model-Afvalstoffenverordening.</al><al/><al><cursief>Gebruik van de openbare weg</cursief></al><al>Voor het innemen van een standplaats op de openbare weg is een vergunning
                    vereist. In veel gevallen zal de gemeente de eigenaar of rechthebbende van de
                    openbare weg zijn. Op grond hiervan kan de gemeente van degene die op de
                    openbare weg met vergunning een standplaats inneemt een vergoeding bedingen voor
                    het gebruik van het deel van de openbare weg. De grondslag voor het bedingen van
                    een dergelijke vergoeding kan gegeven worden in een retributieverordening of in
                    een huurovereenkomst.</al><al>In een retributieverordening kan afhankelijk van het formaat en de locatie van
                    de standplaats een bepaald bedrag worden vastgesteld.</al><al/><al>Voor wat betreft de huurovereenkomst kan worden opgemerkt dat een beleid kan
                    worden vastgesteld met betrekking tot de plaats en de grootte van de
                    standplaats. Per in te nemen locatie kan een vaste prijs worden berekend. De
                    huurprijs en andere voorwaarden die in een huurovereenkomst worden bedongen
                    mogen geen belemmering vormen voor het innemen van een standplaats. Uit
                    jurisprudentie is gebleken dat het bedingen van een hoge huurprijs voor het
                    gebruik van de openbare weg niet zover kan gaan dat een feitelijke belemmering
                    ontstaat voor het innemen van een standplaats waarvoor een vergunning is
                    verleend, zie Vz. ARRS 12-04-1991, JG 91.0369 .</al><al>Met betrekking tot de keuze tussen het vaststellen van een retributieverordening
                    en het aangaan van een huurovereenkomst moet opgemerkt worden dat een dergelijke
                    keuze consequent gehanteerd dient te worden. (Zie hierover de algemene
                    leerstukken met betrekking tot de tweewegenleer).</al><al/><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten dat een
                    standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt.
                    Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die
                    zonder vergunning een standplaats inneemt maar ook tegen de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat.</al><al/><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</vet></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al/><al>In het eerste lid vindt afbakening plaats met de Wet beheer
                    rijkswaterstaatswerken en het Provinciaal wegenreglement, het tweede lid ziet op
                    afbakening met de Woningwet.</al><al/><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 5: SNUFFELMARKTEN</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Bij de algehele herziening van 2008 is het oude artikel 5.2.4 in twee artikelen
                    opgesplitst en tevens hernummerd. Artikel 5:24 geeft een begripsbepaling,
                    terwijl artikel 5:25 de vergunningplicht en de weigeringsgronden
                    beschrijft.</al><al/><al><cursief>Begripsbepaling</cursief></al><al>Evenals bij venten (artikel 5:14 e.v.) en standplaatsen (artikel 5:17 e.v.)
                    wordt in deze afdeling begonnen met een begripsbepaling van de snuffelmarkt in
                    artikel 5:24. Het is niet de bedoeling geweest daaraan een andere inhoud te
                    geven dan aan het oude begrip in artikel 5.2.4 (oud).</al><al>De laatste tijd komt het in steeds meer plaatsen voor dat particulieren markten
                    organiseren in grote (doorgaans leegstaande) gebouwen. Hoofdzakelijk worden daar
                    “ongeregelde” zaken verkocht. Bij “ongeregelde” zaken kan met name worden
                    gedacht aan incourante goederen, dat wil zeggen goederen, die in de regel niet
                    meer langs normale handelskanalen het publiek bereiken, zoals bij voorbeeld
                    beschadigde artikelen, artikelen die uit de mode zijn, restanten en zaken van
                    een te liquideren onderneming.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Van de snuffelmarkt te onderscheiden zijn:</al><lijst><li nr=""><al>de weekmarkt in de zin van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
                            van de Gemeentewet. Het begrip “markt” is niet nader omschreven in de
                            Gemeentewet. In de regel worden op een weekmarkt “geregelde” waren
                            verkocht, dat wil zeggen: geen tweedehands goederen. Indien de te
                            verwachten concentratie van een aantal standplaatsen zo hoog is, dat het
                            uiterlijk de karakteristieken van een markt krijgt, mag niet meer worden
                            volstaan met het verlenen van standplaatsvergunningen, maar dient het
                            college een besluit te nemen over het instellen van een markt. De
                            weekmarkt wordt in de meeste gemeenten gereguleerd door een
                            marktverordening. Ook het begrip “jaarmarkt” wordt niet nader
                            gedefinieerd in de Gemeentewet. Bij een jaarmarkt moet gedacht worden
                            aan een jaarlijks terugkerende traditie. Zo wordt in sommige gemeenten
                            al sinds jaar en dag een veemarkt op een vast tijdstip, bijvoorbeeld op
                            tweede paasdag, gehouden. Het college dient voor dit type markt een
                            instellingsbesluit te nemen. Verder zal de raad voor een dergelijke
                            markt ook een aparte regeling moeten vaststellen, die eventueel
                            geïntegreerd kan worden in de APV of in de marktverordening. </al></li><li nr=""><al>evenement: de zogenaamde snuffelmarkten worden gehouden in een gebouw of
                            plaats. Indien het betreft braderieën, vrijmarkten op Koninginnedag of
                            vlooienmarkten in de openbare ruimte, is deze paragraaf niet van
                            toepassing, maar is er sprake van een evenement, dat al dan niet
                            vergunningplichtig is op grond van artikel 2:25. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De aard van de goederen en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt kunnen een
                    uitstralende werking hebben buiten het gebouw. Het houden van een snuffelmarkt
                    is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast en overlast
                    (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is. In het belang van
                    deze motieven is de vergunningplicht gehandhaafd. In deze toelichting is als
                    alternatief een stelsel gegeven met een meldingsplicht. Als een snuffelmarkt
                    incidenteel in een gemeente gehouden wordt, kan met een meldingsplicht worden
                    volstaan. Gaat het echter om grote snuffelmarkten die regelmatig gehouden worden
                    met gevaar voor aantasting van de openbare orde en overlast, dan doet de
                    gemeente er verstandig aan om een vergunningstelsel te hebben. Er is dan voldaan
                    aan het noodzaak- en proportionaliteitsvereiste. Op grond van dezelfde motieven
                    kan het aantal snuffelmarkten worden beperkt.</al><al/><al><cursief>De Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De richtlijn is van toepassing op zowel het vergunningstelsel als het
                    meldingsstelsel voor een snuffelmarkt. Het artikel richt zich immers tot de
                    organisator en deze is een dienstverlener in de zin van de richtlijn.Voorts komt
                    het voor dat er diensten worden aangeboden op de standplaatsen, bijvoorbeeld
                    schoenpoetsers, nagelverzorging, kappers e.d.</al><al/><al><cursief>Weigeringsgronden</cursief></al><al>De weigeringsgronden voor een snuffelmarktvergunning zijn de generieke zoals
                    genoemd in artikel 1:8. Zie ook de toelichting bij artikel 1:8.</al><al/><al><cursief>Bestemmingsplan</cursief></al><al>Als het organiseren van een snuffelmarkt niet in overeenstemming is met het
                    geldende bestemmingsplan, wordt deze weigeringsgrond ingeroepen voor die
                    gevallen waarin de snuffelmarkt frequent plaats vindt. Wordt de snuffelmarkt
                    incidenteel georganiseerd, dan wordt het organiseren ervan niet verboden op deze
                    grond. Strijd met het bestemmingsplan kan bijvoorbeeld voorkomen als een gebouw
                    een agrarische of industriebestemming heeft.</al><al/><al><cursief>Winkeltijdenwet</cursief></al><al>De Winkeltijdenwet is op het houden van een vrije markt van toepassing als de
                    markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit is afhankelijk van de aard van de op
                    de markt ontplooide activiteiten, of er geregelde of ongeregelde goederen worden
                    verkocht en de frequentie waarmee de markt gehouden wordt.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Een snuffelmarkt is een markt, niet in de open lucht, waarbij hoofdzakelijk
                    tweedehands of incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                    aangeboden vanaf een standplaats (begripsbepaling uit artikel 5:22 model APV).
                    De vergunningsplicht is in de model APV gehandhaafd, met name omdat een
                    snuffelmarkt voor overlast kan zorgen in de omgeving (bijvoorbeeld door extra
                    verkeer en parkeerdrukte). Wel is in de toelichting bij de model APV een
                    alternatief opgenomen, waarbij de vergunning wordt losgelaten en vervangen door
                    een melding. Nu aan de verlening of weigering van de vergunning een relatief
                    eenvoudige afweging ten grondslag ligt en de gevolgen van een snuffelmarkt
                    doorgaans beperkt zullen zijn, zijn er geen dwingende redenen van algemeen
                    belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3.
                    Awb wordt op het artikel van toepassing verklaard. </al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Snuffelmarktbepaling is niet van toepassing op een Oranje Vrijmarkt. Vrijmarkt
                    is categorie sui generis. Pres.Rb. Alkmaar, 12-04-1995, Gst. 1995, 7018, 3 m.nt.
                    EB. Zie ook de uitspraak over de Zwarte Markt te Beverwijk Vz. ARRS 30-03-1983,
                    Gst. 1983, 6763, 8 m</al><al/><al><vet>Algemene toelichting afdeling 5.3 Openbaar water</vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a.</al><al>De centrale wetgever heeft voor het gebruik van het openbaar vaarwater diverse
                    regelingen vastgesteld. Daarbij is een splitsing aangebracht tussen regelingen
                    die uitsluitend van toepassing zijn op de bij het rijk in beheer zijnde
                    vaarwateren en regelingen die voor het gebruik van alle openbare vaarwateren
                    gelden.</al><al/><al><cursief>Wet beheer rijkswaterstaatswerken</cursief></al><al>Onder de eerste categorie valt de Wet beheer rijkswaterstaatswerken. Deze wet
                    heeft de Wet van 28 februari 1891, Stb. 69, tot vaststelling van bepalingen
                    betreffende ’s rijks waterstaatswerken vervangen. Voor de provinciale en
                    gemeentelijke overheden en de waterschappen resteert, voor zover daaraan
                    hetzelfde motief als aan de Wet beheer rijkswaterstaatswerken ten grondslag
                    ligt, slechts voor de overblijvende vaarwateren regelgevende bevoegdheid. Deze
                    bevoegdheid wordt eveneens gerelateerd aan het onder beheer hebben van die
                    vaarwateren.</al><al/><al>Op provinciaal niveau heeft dit geresulteerd in de diverse
                    waterstaatsverordeningen die gelet op artikel 2 van de Waterstaatswet 1900 ook
                    betrekking kunnen hebben op waterstaatswerken die in beginsel niet onder hun
                    beheer vallen, maar daar wel onder gebracht kunnen worden.</al><al>Deze provinciale waterstaatsverordeningen bevatten veelal bepalingen inzake het
                    beheer, het onderhoud en de instandhouding van de desbetreffende vaarwateren.
                    Een aantal heeft ook betrekking op de verplichtingen voor de scheepvaart.</al><al/><al>Ook de gemeentelijke overheid kan krachtens artikel 149 van de Gemeentewet
                    regels stellen met betrekking tot het bij haar in beheer zijnde openbare
                    vaarwater. De Waterschapswet biedt ten slotte aan de waterschappen de
                    mogelijkheid verordeningen te maken welke onder andere betrekking kunnen hebben
                    op de doorvaart en het innemen van ligplaats in bij haar in beheer zijnde
                    openbare wateren. Bij deze regelingen van de lagere overheden moet steeds
                    bedacht worden dat deze niet in strijd mogen komen met hogere regelingen. In
                    grote lijnen betekent dit dat de overheden slechts een regelgevende bevoegdheid
                    toekomt ten aanzien van bij hen in beheer zijnde openbare vaarwateren. Hierbij
                    dient echter nog een kanttekening geplaatst te worden.</al><al/><al><cursief>Binnenschepenwet en Scheepvaartverkeerswet</cursief></al><al>De centrale overheid heeft namelijk ook regelingen vastgesteld die voor het
                    gebruik van alle openbare vaarwateren gelden. De belangrijkste zijn de
                    Binnenschepenwet en de Scheepvaartverkeerswet.</al><al>Met de Scheepvaartverkeerswet (SVW) is de Binnenaanvaringswet ingetrokken.
                    Artikel 43 SVW bepaalt dat krachtens de Binnenaanvaringswet gestelde regels
                    worden geacht te zijn gesteld krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De
                    verkeersreglementering is te vinden in het Binnenvaartpolitiereglement
                    (BPR).</al><al/><al>Artikel 42 SVW bevat de bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten,
                    waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels ten aanzien van
                    onderwerpen waarin de SVW voorziet, voor zover die regels niet in strijd zijn
                    met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.</al><al>Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer</al><al/><al>In het Besluit administratieve bepalingen scheepvaartverkeer (BABS) is het
                    college bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen ten behoeve van de
                    scheepvaart op de onder hun beheer staande vaarwegen. Voorheen vond deze
                    bevoegdheid zijn grondslag in hoofdstuk 5 van het BPR. Het BPR geeft regels en
                    verkeerstekens t.a.v. snelle motorboten in het algemeen en waterscooters in het
                    bijzonder. De APV mag niet op basis van hetzelfde motief als de bovenstaande
                    regelgeving aanvullingen geven. De artikelen 5.3.2. en 5.3.3. van de model-APV
                    kennen dan ook een ander motief.</al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar
                        water</vet></al><al>Artikel 5:24 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><al/><al><vet>Deregulering</vet></al><al>Dit artikel is in een aantal opzichten vergelijkbaar met artikel 2:10. van de
                    model APV, het plaatsen van voorwerpen op de weg. Ook bij dit artikel is een
                    vergunning vervangen door een breed gestelde algemene regel. Daarmee legt de
                    overheid nadrukkelijk een deel van de verantwoordelijkheid bij de burger. In
                    eerste instantie moet deze zelf de afweging maken of een steiger of een meerpaal
                    gevaar of hinder oplevert voor het vaarverkeer, of een probleem voor het beheer
                    en onderhoud. Omdat er hierbij, eerder dan in artikel 2:10, waar het veelal gaat
                    om tijdelijke en verplaatsbare objecten, gaat om permanent bedoelde zaken, is
                    aan dit artikel anders dan bij artikel 2:10 een meldingsplicht verbonden. Op die
                    manier kan de gemeente vooraf toetsen en met de melder overleggen of
                    bijvoorbeeld het onderhoud van de oevers niet in het geding is. Zo kan worden
                    voorkomen dat een al geplaatst object weer moet worden verwijderd, met alle
                    financiële gevolgen van dien.</al><al/><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al><cursief>Algemeen verbod is niet toegestaan</cursief></al><al>Artikel 31, tweede lid, van de Wet op Woonwagens en Woonschepen bepaalde dat de
                    gemeenteraad bevoegd is regels te stellen onder andere betreffende de plaats die
                    woonschepen mogen innemen bij verblijf binnen de gemeente. Uit jurisprudentie
                    bleek dat in beginsel in iedere gemeente met openbaar water mogelijk moet zijn
                    om met een woonschip ligplaats in te nemen. Op 1 maart 1999 is de Wet op
                    Woonwagens en Woonschepen ingetrokken. De jurisprudentie is echter opgenomen in
                    de Huisvestingswet. Artikel 88 bepaalt namelijk dat de gemeenteraad geen regels
                    stelt die leiden tot een algeheel verbod van het in gebruik nemen of geven van
                    een woonschip op een ligplaats. Een algemeen verbod komt in strijd met
                    bovengenoemde wet. Een verbod met een ontheffingen- of vergunningenstelsel is
                    wel toegestaan.</al><al/><al>Het tweede lid, onder a, van artikel 5:25 biedt het college de mogelijkheid om
                    nadere regels te stellen aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een
                    ligplaats (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156
                    Gemeentewet). Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om
                    bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste ligplaats willen innemen of hebben,
                    eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de
                    drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het
                    drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de
                    mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn.</al><al/><al>Het bepaalde in dit lid vormt voor woonschepen een handzaam alternatief van de
                    bouwverordening. Deze verplicht namelijk dat bouwwerken, zijnde een woning, over
                    een deugdelijke afvalwaterafvoer dienen te beschikken en in beginsel aangesloten
                    moeten zijn op het drinkwater- en elektriciteitsnet. Woonschepen die eveneens
                    als woning gebruikt worden, vallen vanwege het feit dat het geen bouwwerken
                    zijn, niet onder de werking van de bouwverordening. Ook kunnen krachtens dit lid
                    “welstandseisen” aan woonschepen worden gesteld.</al><al/><al>Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 5:26 heeft het college ook de
                    mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te
                    brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor
                    uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal
                    gelimiteerd worden.</al><al/><al>In het geval de gemeente eigenaar is van een openbaar water, is het ook mogelijk
                    dat de gemeente in het kader van de exploitatie van die ligplaatsen huur- of
                    verhuurovereenkomsten afsluit. Zo wees het college van Eindhoven vijf
                    ligplaatsen aan voor woonschepen onder de bepaling dat de exploitatie van die
                    ligplaatsen zal geschieden door middel van overeenkomsten van huur en verhuur.
                    De rechtbank sauveerde dit beleid en bepaalde dat “de gemeente Eindhoven als
                    eigenaresse van het Eindhovens kanaal niet het recht kan worden ontzegd
                    privaatrechtelijk op te treden tegen haar niet welgevallig gebruik van haar
                    eigendom, behoudens voor zover dat een gebruik is dat overeenstemt met of
                    voortvloeit uit de publieke bestemming van bedoeld kanaal als vaarweg”. Het
                    innemen van een ligplaats door een woonboot werd niet aangemerkt als een zodanig
                    gebruik, Rb Den Bosch 3-12-1984, KG 1985, 17.</al><al/><al><cursief>Pleziervaartuigen</cursief></al><al>Uit artikel 5:26 volgt bovendien dat ook het innemen van een ligplaats met een
                    “pleziervaartuig” slechts toegestaan is op die plaatsen die niet door het
                    college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook hier kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de niet-aangewezen gedeelten van
                    openbaar water gelimiteerd worden.</al><al/><al><cursief>Woonschepenverordening</cursief></al><al>Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden,
                    is het noodzakelijk dat daarvoor in een gemeentelijke verordening (de APV of een
                    specifieke woonschepenverordening) een basis gecreëerd wordt. De APV is een
                    geschikt middel om een algemene regeling in op te nemen. Een aparte
                    woonschepenverordening ligt meer voor de hand naarmate het aantal woonschepen
                    binnen de gemeente groter is. Een woonschepenverordening is duidelijker voor de
                    betrokken bewoners dan een globale regeling in de APV. De losbladige bundel
                    “Volkshuisvesting, stadsvernieuwing en monumenten” van de VNG bevat een
                    model-Woonschepenverordening. Daarbij is veel informatie over het woonschip
                    opgenomen. Gemeenten die een dergelijke, specifieke woonschepenverordening
                    willen gebruiken, dienen in de artikel 5:26 en 5:27 aan te geven deze artikelen
                    niet gelden voor de schepen waarop de woonschepenverordening van toepassing
                    is.</al><al/><al>Uitgangspunt van artikel 5:26 is dat het in beginsel is toegestaan met een
                    vaartuig, dus ook een woonschip, een ligplaats in te nemen, te hebben of
                    beschikbaar te stellen binnen de gemeente.</al><al/><al><cursief>Provinciale Landschapsverordening, Wet milieubeheer</cursief></al><al>Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om
                    gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen
                    dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                    een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een
                    eventuele Provinciale landschaps- of woonschepenverordening dan wel krachtens de
                    Wet milieubeheer wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats
                    zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunning-plichtige
                    inrichting.</al><al/><al>Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen dan
                    mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de
                    niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende
                    factoren worden gesteld vanuit de Provinciale landschaps- of
                    woonschepenverordening of de Wet milieubeheer.</al><al/><al>Daar waar een Provinciale verordening van kracht is, kan het motief
                    landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan
                    de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van
                    nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede
                    lid.</al><al/><al>In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die
                    gevallen waarin de Wet milieubeheer van toepassing is. Veel jachthavens zullen
                    namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige
                    inrichtingen.</al><al/><al>Door de inwerkingtreding van artikel 13 van de Hinderwet op 1 november 1981 kan
                    een hinderwetvergunning ook geweigerd worden wegens aantasting van
                    natuurwetenschappelijke, landschappelijke, ecologische en recreatieve waarden.
                    Deze situatie is niet veranderd na inwerkingtreding van de Wet
                    milieubeheer.</al><al/><al><cursief>Huisvestingswet</cursief></al><al>Om niet in strijd te komen met artikel 88 van de Huisvestingswet mag een
                    aanwijzingsbesluit krachtens het eerste lid niet de gehele gemeente omvatten. Er
                    moet een mogelijkheid zijn om met een woonschip binnen de gemeente een ligplaats
                    in te nemen.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De wetgever gaat uit van een in beginsel bestaand recht om met een woonschip te
                    verblijven in de gemeente waar men tijdelijk wenst te wonen, met deze beperking
                    dat de gemeenten voor de plaats van verblijf binnen hun grondgebied
                    voorschriften mochten vaststellen. Lagere wetgevers hebben de vrijheid
                    bepalingen vast te stellen welke de vrijheid tot het kiezen van een plaats van
                    verblijf inperken, doch deze bepalingen mogen niet zover gaan dat zij het
                    hierboven bedoelde recht van woonschipbewoners om in een bepaalde gemeente
                    verblijfplaats te kiezen geheel ondermijnen en aldus generlei ruimte laten voor
                    de toepassing van de wet. HR 2-4-1971, NJ 1971, 271.</al><al/><al>Een algemeen verbod met ontheffingsmogelijkheid om ligplaats in te nemen met een
                    woonschip, is aanvaardbaar omdat het stelselmatig weigeren van een ontheffing in
                    strijd is met de wet. ABRS 18-11-1997, JG 98.0033 m.nt. W. Vos.</al><al/><al>Overtreding van verbod in APV om ligplaats met vaartuig in te nemen op door B en
                    W aangewezen gedeelte van openbaar water. APV-bepaling betreft huishouding van
                    gemeente. Aanvullende verordenende bevoegdheid van gemeentebesturen ten opzichte
                    van scheepvaartwetgeving. HR 28-6-1994, Gst. 1994 6996, 3 m.nt. EB.</al><al/><al>De regeling in de APV met betrekking tot het innemen van een ligplaats met een
                    vaartuig heeft een ruimere strekking dan de Provinciale Landschapsverordening,
                    namelijk ook onder andere de orde en veiligheid op het water. ARRS, 7-7-1981, OB
                    1982, III.2.2.7, nr. 43852, APV Aalsmeer en Rechtbank Utrecht, 3 april 1997, AWB
                    97/670 VV, APV Loenen.</al><al/><al>Een Gemeentelijke woonschepenregeling is toelaatbaar omdat hieraan andere
                    motieven ten grondslag liggen dan aan de provinciale landschapsverordening.
                    Gemeentelijke regeling geldt als sturingsinstrument ter regulering van
                    hoeveelheid woonschepen, hun afmetingen en hun onderlinge situering, terwijl de
                    provinciale verordening uitdrukkelijk ziet op de bescherming van natuur en
                    landschap. Pres. Rb. Utrecht 3-4-1997, JG 98.0009 m.nt. W. Vos; KG 1997,
                    276.</al><al/><al>Bestuursdwangaanschrijving tot verwijdering van woonschip van zonder vergunning
                    ingenomen ligplaats in haven. Verbod in APV geldt slechts voor door het college
                    aangewezen gedeelten van openbaar (vaar)water. Toevoeging van vergunningstelsel
                    aan verbodsbepaling betreft wijziging van algemeen verbindend voorschrift. ABRS
                    6-6-1994, Gst (1995) 7001, 4 m.nt. HH.</al><al/><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen en weigering vergunning voor hotelboot die
                    enige tijd is gedoogd. APV-bepaling niet in strijd met
                    Binnenvaartpolitiereglement. Toetsing ex nunc. ARRS 20-8-1992, JG 93.0004.</al><al/><al>Sanering ligplaats voor woonschepen, die niet werden benoemd in het terzake
                    genomen besluit. Overgangssituatie. ABRS 31-10-1994, JG 95.0199.</al><al/><al>Bestuursdwangaanschrijving tegen het ligplaats innemen met een woonschip op een
                    niet aangewezen gedeelte van een openbaar water. Legalisatie is niet mogelijk en
                    beroep op gelijkheidsbeginsel gaat niet op. ABRS 7-12-2000, JG 01.0039 m.nt. W.
                    Vos.</al><al/><al>De afwijzing van een verzoek om maatregelen te treffen teneinde een onbezette
                    ligplaats met een woonschip te kunnen innemen moet worden aangemerkt als een
                    weigering om feitelijke handelingen te verrichten. Deze weigering is niet op
                    enig rechtsgevolg gericht en het bezwaar hiertegen is terecht niet ontvankelijk
                    verklaard. Het college heeft daarnaast in redelijkheid kunnen besluiten een
                    verzoek om aanwijzing van een andere ligplaats af te wijzen. Aan het college
                    komt ter zake van aanwijzingen van ligplaatsen krachtens artikel 5.3.2 APV een
                    ruime mate van beleidsvrijheid toe. ABRS 9-3-2001, Gst. (2001) 7143, 2 m.nt.
                    HH.</al><al/><al>Mededeling dat ligplaatsen van woonschepen niet (meer) gebonden zijn aan
                    objecten, maar aan personen, is een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de
                    zin van artikel 1 :3 Awb. ABRS 1-8-2001, JB (2001) 248.</al><al/><al>Een algeheel verbod om met een woonschip in een gemeente te verblijven is in
                    strijd met artikel 88 van de Huisvestingswet. Er kan zich echter in een bepaalde
                    gemeente de situatie voordoen dat er geen plaatsen in openbaar water geschikt
                    zijn om te worden bestemd of aangewezen om door een woonschip te worden
                    ingenomen. Met artikel 88 van de Huisvestingswet is dan ook niet beoogd om
                    iedere gemeente de verplichting op te leggen nieuwe ligplaatsen te creëren,
                    teneinde aan tenminste één woonschip plaatst te kunnen bieden op haar
                    grondgebied. ABRS 7-11-2001 nr. 200100971/1.</al><al/><al>Het betreft de afbakeningsbepaling van artikel 5.3.2, derde lid, van de APV.
                    Appellant betoogde dat het verbod van het eerste lid van dat artikel (om met een
                    vaartuig ligplaats in te nemen op openbaar water) niet geldt, omdat het in het
                    derde lid genoemde Binnenvaartpolitiereglement (BPR) van toepassing is. De
                    Afdeling zegt daarover: “met name uit de woorden “voor zover” blijkt dat het
                    antwoord op de vraag of het in het eerste lid vervatte verbod geldt, afhankelijk
                    is van de reikwijdte van het BPR.” En verderop: “Aan artikel 5.3.2 van de APV,
                    dat is geplaatst in hoofdstuk 5, met het opschrift “andere onderwerpen
                    huishouding gemeente” liggen (ook) andere motieven ten grondslag zoals hiervoor
                    weergegeven. De omstandigheid dat in het voorliggende geval de belangen ter
                    bescherming waarvan het BPR is vastgesteld zich niet verzetten tegen het afmeren
                    van een vaartuig op de door appellant verlangde locatie laat de uit artikel van
                    de APV blijkende wenselijkheid tot ordening van het innemen van ligplaats uit
                    een oogpunt van openbare orde, volksgezondheid etc. onverlet. Het in het eerste
                    lid van artikel 5.3.2. van de APV vervatte verbod behoudt dan ook in het
                    voorliggende geval in zoverre betekenis.” De Afdeling erkent hier dus de
                    aanvullende werking van de APV, ook als hogere regelgeving van toepassing is.
                    ABRS 28-04-2004, LJN-nr. AO8510, De Gemeentestem 2004, 7210, 109 m.nt. J.M.H.F.
                    Teunissen.</al><al/><al>De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het enkele feit dat een
                    milieuvergunning is verleend niet betekent dat artikel 5.3.2, derde lid, van de
                    APV van toepassing is. Niet is gebleken dat in het kader van de verleende
                    milieuvergunning het door de APV gediende belang van ordening van het innemen
                    van ligplaatsen met vaartuigen uit een oogpunt van openbare orde is meegewogen
                    of dat belang als gevolg van de verleende milieuvergunning rechtens geen
                    relevantie meer zou hebben. De milieuvergunning kent geen bepalingen omtrent het
                    innemen van ligplaatsen. De desbetreffende bepaling van de APV voorziet niet in
                    een door de Wet milieubeheer geregeld onderwerp. De Afdeling deelt dan ook de
                    conclusie van de rechtbank dat de verlening van de milieuvergunning niet afdoet
                    aan het in de APV vervatte verbod met een vaartuig ligplaats in te nemen. ABRS
                    17 november 2004, 200308597/1, LJN-nr. AR5815, JB 2005/17.</al><al/><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde
                    woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:26 van de
                    model-APV.</al><al/><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn. De model-APV-bepaling heeft
                    alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeenten.
                    Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een
                    kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al/><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al/><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al/><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 5:25.</al><al/><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al/><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><al><cursief>1. Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) en APV</cursief></al><al>Alvorens in te gaan op de vraag welke regelingen van toepassing kunnen zijn op
                    het crossen op daarvoor - al dan niet legaal - ingerichte terreinen, willen wij
                    eerst enige kanttekeningen plaatsen bij een verkeersrechtelijk aspect in verband
                    met de leeftijd van de crossers.</al><al>Ingevolge artikel 110, tweede lid, van de WVW 1994 jo. artikel 5 van het
                    Reglement rijbewijzen mogen bromfietsen slechts worden bestuurd door personen
                    die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Het verkeersrechtelijk regime is
                    echter niet van toepassing, wanneer de bedoelde activiteiten zich afspelen op
                    een terrein dat niet kan worden aangemerkt als een weg die feitelijk voor het
                    openbaar verkeer openstaat in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Op de vraag
                    wanneer sprake is van een zodanige weg wordt verwezen naar de toelichting bij
                    artikel 1:1 van de model-APV. Zoals daar bleek, gaat het erom of een weg
                    feitelijk voor het openbaar verkeer gesloten is.</al><al>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op de weg in
                    de zin van de WVW 1994</al><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als bedoeld in
                    de WVW 1994, plaats vindt en een wedstrijdkarakter heeft, is artikel 10 van de
                    WVW 1994 van toepassing. Het eerste lid van deze bepaling zegt dat het verboden
                    is op een weg een wedstrijd met voertuigen te houden of daaraan deel te nemen.
                    Dit verbod richt zich dus zowel tot de organisator van de wedstrijd als tot de
                    deelnemers aan de wedstrijd. In de toelichting op artikel 2:25. van de model-APV
                    inzake het houden van een feest of wedstrijd, wordt nader op het regime van de
                    WVW 1994 ten aanzien van wedstrijden op de weg ingegaan.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. met wedstrijdkarakter op
                        andere wegen dan bedoeld in de zin van de Wegenverkeerswet
                    1994</cursief></al><al>Vindt een wedstrijd met voertuigen plaats op andere plaatsen, dan op de weg in
                    de zin van de WVW 1994, dan kan artikel 5:32 van toepassing zijn. Artikel 5:32
                    ziet op het gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader van een
                    wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het college. Kenmerkend
                    voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in de vorm van prijzen,
                    medailles of iets dergelijks in het vooruitzicht worden gesteld.</al><al/><al>Indien artikel 5:32 van toepassing is, is een vergunning op basis van artikel
                    2:25. niet meer aan de orde. Zie verder de toelichting op artikel 2:25.</al><al/><al><cursief>Auto- of motorsportactiviteit zonder wedstrijdkarakter op de
                        weg</cursief></al><al>Voor het organiseren van evenementen in het algemeen zijn in principe de
                    bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2 “Toezicht op evenementen” van de
                    model-APV van toepassing (art. 2:24 e.v.). De burgemeester kan in het belang van
                    de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid voorschriften geven
                    omtrent het houden van zo’n evenement dan wel het evenement geheel verbieden.
                    Deze bepalingen zijn ook van toepassing op auto- en motorsportevenementen, die
                    geen wedstrijdkarakter hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d.</al><al/><al><cursief>2. Wet milieubeheer en APV</cursief></al><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:32 en
                    5:33 van deze model-APV.</al><al/><al><cursief>Wet milieubeheer</cursief></al><al>De speciaal voor auto- en motorsport ingerichte terreinen vallen onder de
                    werking van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer.</al><al>In bepaalde gevallen moet een motor(sport)terrein worden aangemerkt als een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. In het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer worden de inrichtingen opgesomd waarvoor
                    krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning vereist is. De
                    regeling betreffende de motorterreinen is opgenomen in categorie 19 van het
                    besluit. In categorie 19.1, onder g, worden genoemd: inrichtingen of terreinen,
                    geen openbare weg zijnde, waar gelegenheid wordt geboden tot het gebruiken van:
                    bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voer- of vaartuigen in
                    wedstrijdverband ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve
                    doeleinden.</al><al>In de nota van toelichting bij het besluit blijkt dat uit de omschrijving
                    “gelegenheid bieden” is af te leiden dat elke inrichting of elk terrein, dat in
                    enigerlei vorm is ingericht om de genoemde activiteiten mogelijk te maken, onder
                    dit besluit valt.</al><al/><al>Vervolgens vermeldt de nota van toelichting dat enige accommodatie evenwel nodig
                    zal zijn voordat kan worden vastgesteld of sprake is van een dergelijke
                    inrichting, bijvoorbeeld in de vorm van een begrenzing. Indien elke, al dan niet
                    beoogde, begrenzing van de plaats waar de genoemde activiteiten zich afspelen
                    ontbreekt, zal bezwaarlijk van een inrichting kunnen worden gesproken
                    (bijvoorbeeld wanneer een aantal liefhebbers van modelvaartuigen regelmatig met
                    elkaar hun bootjes laat varen op een grote plas of waterweg).</al><al/><al>Op grond van artikel 8.2 van de Wet milieubeheer is het college bevoegd om op
                    een aanvraag voor vergunning voor een motorterrein als bedoeld in categorie 19
                    te beslissen. Voor zover de terreinen, geen openbare weg zijnde, echter bestemd
                    of ingericht zijn voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van
                    wedstrijden of voor recreatieve doeleinden rijden met gemotoriseerde voertuigen,
                    en de terreinen daartoe acht uren per week of meer zijn opengesteld, wordt de
                    vergunning niet afgegeven door het college, maar door gedeputeerde staten
                    (categorie 19.2).</al><al/><al>Bij de vergunningverlening wordt rekening gehouden met de motieven van de Wet
                    milieubeheer, zijnde de gevolgen voor het milieu of de bescherming van het
                    milieu.</al><al>APV</al><al/><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet genoemd zijn in
                    categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
                    milieubeheer, bijvoorbeeld een terrein dat niet is ingericht voor
                    motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts eenmalig of
                    zeer incidenteel worden gebruikt.</al><al/><al>In een gemeentelijke regeling met betrekking tot dit soort motorterreinen zal de
                    werkingssfeer ten opzichte van de Wet milieubeheer in ieder geval moeten zijn
                    afgebakend.</al><al/><al>Bij een aanwijzingsbesluit kunnen alleen regels worden gesteld ter bescherming
                    van de belangen die dit voorschrift dient. Behalve het belang van de openbare
                    orde zijn dat milieubelangen en het belang van de veiligheid van het publiek of
                    de deelnemers.</al><al/><al>In de in het tweede lid genoemde regels kan bepaald worden dat op het terrein
                    slechts gecrost mag worden op bepaalde dagen en uren, en wel alleen door leden
                    van de vereniging; dat de vereniging zich gedraagt volgens de aanwijzingen van
                    KNAC, KNMV en MON; dat zij haar leden voldoende verzekerd tegen ongevallen c.q.
                    aansprakelijkheid voor schade als gevolg van ongevallen en - eventueel - dat de
                    crossers ten minste een bepaalde leeftijd moeten hebben c.q. dat de vereniging
                    er - ter voorkoming van ongelukken - zorg voor draagt dat toezicht door
                    volwassenen wordt uitgeoefend indien van dat terrein gebruik wordt gemaakt.</al><al/><al><cursief>3. Zondagswet</cursief></al><al>Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Zondagswet is het verboden op zondag
                    zonder strikte noodzaak gerucht te verwekken, dat op een afstand van meer dan
                    200 m van het punt van verwekking hoorbaar is. Volgens het tweede lid van dit
                    artikel is de burgemeester bevoegd van dit verbod voor de tijd na 13.00 uur
                    ontheffing te verlenen. De training voorafgaand aan de motorcrosswedstrijd kan
                    als deze voor publiek toegankelijk is, reeds aangemerkt worden als een openbare
                    vermakelijkheid als bedoeld in artikel 4 van de Zondagswet.</al><al><cursief>4. Wet op de Ruimtelijke Ordening en APV</cursief></al><al>Een terrein dat men wil gaan gebruiken als motorcrossterrein zal in de meeste
                    gevallen gelegen zijn in een gebied met de bestemming “agrarisch gebied” of
                    “natuurgebied”.</al><al/><al>De vraag is dan of voor het gebruik van het desbetreffende terrein als
                    motorcrossterrein vrijstelling kan worden verleend van het gebruikvoorschrift.
                    Indien aannemelijk is dat het gebruik van een terrein ten behoeve van het
                    motorcrossen zal leiden tot een onomkeerbare wijziging van de bestemming van dit
                    terrein, dan zal dit gebruik enkel worden toegestaan na een
                    bestemmingsplanwijziging.</al><al/><al><cursief>5. privaatrechtelijk optreden</cursief></al><al>Verschillende gemeenten zijn er toe overgegaan een aan de gemeente in eigendom
                    toebehorend terrein aan te wijzen waarop de motorcrossport beoefend kan worden.
                    Veelal geschiedt dit om de overlast die wordt ondervonden als gevolg van het
                    crossen in natuur- en bosgebieden te beperken.</al><al>Indien van gemeentewege een terrein ter beschikking wordt gesteld voor het
                    crossen, rijst de vraag naar de eventuele civielrechtelijke aansprakelijkheid
                    van de gemeente voor ongevallen en andere schade. Daarbij gaan wij ervan uit dat
                    het crossterrein niet een weg is in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Is
                    daarvan wèl sprake, dan is het - behoudens ontheffing; zie de artikelen 10 en
                    148 WVW 1994 - eenvoudigweg verboden aldaar te “crossen”.</al><al/><al>Civielrechtelijk brengt het feit dat een terrein met goedvinden van de gemeente
                    als crossterrein wordt gebruikt, voor haar de verplichting mee ervoor te zorgen
                    dat geen gevaarlijke situaties te creëren zijn. Het ligt op de weg van de
                    gemeente om het terrein aan te passen aan het doel waartoe het dient.</al><al>In het kader van de regels die het college kan stellen op basis van het tweede
                    lid van artikel 5:32 kunnen bijvoorbeeld leeftijdsgrenzen worden gesteld aan de
                    gebruikers van het terrein of eisen als aangegeven in artikel 110 van de WVW
                    1994 jo artikel 5 van het Reglement rijbewijzen. Uitsluiting van
                    aansprakelijkheid voor schade (ongevallen e.d.) kan de gemeente zoveel mogelijk
                    beperken; bijvoorbeeld door een bord te plaatsen bij de ingang van het terrein
                    waarop zijn aangegeven de voorwaarden waaronder van het terrein gebruik mag
                    worden gemaakt (onder andere de waarschuwing, dat gebruikers van het terrein dit
                    voor eigen risico gebruiken en de mededeling, dat de gemeente aansprakelijkheid
                    afwijst voor ongevallen en andere schade als gevolg van crossen). Het plaatsen
                    van een dergelijk bord wil overigens niet zeggen dat de gemeente gevrijwaard is
                    van aansprakelijkheid.</al><al/><al>Er is overigens nog een privaatrechtelijke mogelijkheid waardoor de gemeente aan
                    haar zorgverplichting kan voldoen, namelijk door het sluiten van een gebruiks-
                    of huurovereenkomst met de plaatselijke vereniging. De gemeente moet zich dan
                    wel realiseren dat het desbetreffende terrein dan ook alleen ter beschikking
                    wordt gesteld ten behoeve van het crossen door leden van die vereniging.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Wanneer in het kader van een evenement, zoals bedoeld in de artikel 2.2.1 (oud)
                    en 2.2.2 (oud) van de model-APV, op een crossterrein, zoals in deze bepaling
                    bedoeld, motor(sport)activiteiten worden gehouden zijn er meerdere bevoegde
                    organen in het spel. Goed onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds het
                    evenement, waarvoor de burgemeester het bevoegd gezag is om een vergunning te
                    verlenen en anderzijds de motor(sport)activiteiten, waarvoor het college het
                    bevoegd gezag is. ARRS 3-6-1994, JG 95.0055 m.nt. A.B. Engberts, AB 1994, 602
                    m.nt. RMvM, Gst. 1995, 7006, 4 m.nt. EB.</al><al>Motorcrosswedstrijden op zondag. Trainingswedstrijden voor 13.00 uur. In casu
                    geen schending van de zondagsrust, omdat het motorcrossterrein 4 km buiten de
                    bebouwde kom ligt. Pres. Rb. Utrecht 6-6-1995, JG 95.0316 m.nt. A.B. Engberts,
                    KG 1995, 292.</al><al/><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al><cursief>1. Inleiding</cursief></al><al>Vele gemeenten worden in toenemende mate geconfronteerd met het bezoek van
                    motorcrossers aan natuurgebieden, met als gevolg klachten over geluidhinder,
                    schade aan de flora, verstoring van wild e.d.</al><al/><al>Verder worden natuurgebieden, parken e.d. steeds vaker door ruiters en
                    fietsers/mountainbikers bezocht. Het komt nogal eens voor dat ruiters en
                    fietsers/mountainbikers de speciaal voor hen aangewezen ruiter- of fietspaden
                    verlaten. Deze gedraging levert gevaar en hinder op voor wandelaars en berokkent
                    vaak ook schade aan flora en fauna.</al><al>Bij de vraag, welke maatregelen mogelijk zijn tegen het motorcrossen in
                    natuurgebieden, zal men een onderscheid moeten maken tussen het zgn. “wilde
                    crossen” (op wegen en paden en “off the road”) en het crossen op daartoe
                    speciaal gebruikte motorterreinen.</al><al/><al>Op het crossen op motorterreinen is artikel 5:33 van de model-APV van
                    toepassing.</al><al>De redactie van artikel 5:33 is aangepast overeenkomstig het systeem van artikel
                    5:32. Op grond van het eerste lid van artikel 5:33 geldt een algeheel verbod om
                    zich met motorvoertuigen, (brom)fietsen of paarden in een natuurgebied te
                    bevinden. Het college kan op grond van het tweede lid terreinen aanwijzen waar
                    dit verbod niet geldt en kan tevens regels stellen voor het gebruik van deze
                    terreinen.</al><al/><al><cursief>2. Maatregelen</cursief></al><al>Bij de vraag welke maatregelen genomen kunnen worden tegen het “wildcrossen” of
                    overlastgevend ruiter- en fietsverkeer gaat het in feite om een meer algemeen
                    vraagstuk: Welke maatregelen kunnen genomen worden om ter bescherming van het
                    milieu en ter voorkoming van overlast gemotoriseerd verkeer, ruiter- of
                    fietsverkeer uit bepaalde gebieden te weren?</al><al/><al>Een mogelijkheid om het weggebruik door de verkeersdeelnemers te reguleren is
                    het nemen van verkeersbeperkende maatregelen op grond van de
                    wegenverkeerswetgeving.</al><al/><al>Voor de in deze gebieden gelegen wegen is sinds november 1991 de wegbeheerder
                    bevoegd tot het treffen van verkeersmaatregelen (zie artikel 18 WVW 1994).</al><al/><al>Volgens de WVW 1994 kan tot vaststelling van verkeersmaatregelen worden
                    overgegaan indien deze maatregelen de veiligheid op de weg verzekeren,
                    weggebruikers en passagiers beschermen, strekken tot het in stand houden van de
                    weg en de bruikbaarheid van de weg waarborgen, de vrijheid van het verkeer
                    waarborgen, strekken tot voorkoming of beperking van door het verkeer
                    veroorzaakte overlast, hinder of schade, strekken tot het voorkomen of beperken
                    van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie
                    van objecten of gebieden en tenslotte een doelmatig of zuinig energieverbruik
                    bevorderen (artikel 2, eerste tot en met derde lid, WVW 1994). De WVW 1994 geeft
                    derhalve ook mogelijkheden verkeersmaatregelen te nemen ter bescherming van
                    milieubelangen. Regulering van het gemotoriseerde verkeer dat van de weg gebruik
                    maakt in natuurgebieden dient te geschieden op basis van de WVW 1994 door middel
                    van een verkeersmaatregel. Hierbij moet het dan gaan om een regeling ten aanzien
                    van het gebruik van wegen in de zin van de WVW 1994. Voor de overige gebieden,
                    buiten de wegen in de zin van de WVW 1994, binnen een natuurgebied kan een
                    regeling worden opgenomen in de APV.</al><al/><al>Hierbij moet in het oog worden gehouden dat met betrekking tot het onderhavige
                    onderwerp ook een provinciale regeling kan gelden. Indien er reeds een
                    provinciale regeling bestaat inzake de beperking van gemotoriseerd verkeer in
                    natuurgebieden, welke regeling - deels - strekt ter bescherming van dezelfde
                    belangen, zal - althans indien een gemeente geheel of gedeeltelijk gelegen is in
                    een “natuurgebied” als bedoeld in de provinciale verordening - de werkingssfeer
                    van het gemeentelijk voorschrift ten opzichte van de provinciale verordening
                    moeten worden afgebakend.</al><al/><al><cursief>2.1 Maatregelen op basis van de Wegenwet/feitelijke sluiting en
                        sluiting krachtens artikel 461 Wetboek van Strafrecht</cursief></al><al>Ook langs feitelijke en privaatrechtelijke weg zou men kunnen komen tot het
                    weren van gemotoriseerd verkeer uit bepaalde natuurgebieden. In de eerste plaats
                    valt te denken aan het plaatsen van palen, klap- of draaihekjes bij de toegangen
                    tot de in zo’n gebied gelegen wegen. De eigenaar van een weg zal men het recht
                    tot het nemen van zodanige maatregelen niet kunnen ontzeggen.</al><al/><al>Hoe zit dit echter als deze weg is aan te merken als een openbare weg in de zin
                    der Wegenwet? Hiervoor zijn wij ingegaan op de beperkingen in het gebruik van
                    een openbare weg als gevolg van het beperkt openbaar rechtskarakter van die weg.
                    Openbare wegen in natuurgebieden zullen veelal - op grond van de gesteldheid van
                    de weg of op grond van het gebruik dat van de weg pleegt te worden gemaakt - een
                    zodanig beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ook ten aanzien van deze
                    openbare wegen zal de eigenaar deze beperking feitelijk mogen realiseren door
                    het plaatsen van klap- en draaihekjes, palen e.d. bij de toegangen tot die wegen
                    en wel zodanig dat alleen voetgangers en fietsen vrij kunnen passeren. Aan deze
                    handelwijze kleeft een aantal bezwaren.</al><al>Deze handelwijze is in de eerste plaats niet toepasbaar ten aanzien van openbare
                    wegen die niet een beperkt openbaar rechtskarakter hebben. Ingevolge het
                    bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet dienen de rechthebbende en
                    de onderhoudsplichtige dan alle verkeer over de openbare weg te dulden. Wij
                    tekenen hierbij nog aan dat het gedeeltelijk - bij voorbeeld alleen voor
                    gemotoriseerd verkeer - onttrekken van wegen aan het openbaar verkeer niet
                    mogelijk is (Kb 26 september 1955, AB 1956, blz. 357, m.nt. M. Troostwijk).</al><al/><al>Ook is het volgens de Kroon niet mogelijk een weg aan het openbaar verkeer te
                    onttrekken om hem vervolgens weer onmiddellijk open te stellen voor bij
                    voorbeeld voetgangers en fietsers (Kb 11 mei 1982, AB 1982, 378, m.nt. J.R.
                    Stellinga). Een dergelijke maatregel kan wel door middel van een verkeersbesluit
                    worden genomen, zoals hiervoor is beschreven.</al><al/><al>Ook mag verwacht worden dat het onttrekken van een aantal in het buitengebied
                    gelegen wegen aan het openbaar verkeer op bezwaren zal stuiten van met name
                    landbouwers. Verder merken wij ten aanzien van het afsluiten van wegen door
                    middel van hekjes en slagbomen nog op, dat de bereikbaarheid van bos- en
                    natuurgebieden voor de brandweer en in verband met onderhoudswerkzaamheden zal
                    verslechteren. Bovendien zullen slagbomen gemakkelijk geopend kunnen worden. Ten
                    slotte is het plaatsen van hekjes, slagbomen en dergelijke een kostbare
                    aangelegenheid.</al><al/><al>Men zou in de tweede plaats kunnen denken aan het plaatsen bij de toegangen tot
                    de wegen in een bepaald natuurgebied van borden waarop de toegang voor
                    motorvoertuigen en bromfietsen voor onbevoegden krachtens artikel 461 van het
                    Wetboek van Strafrecht wordt verboden: “Verboden toegang voor....; art. 461
                    Wetboek van Strafrecht”.</al><al/><al>Deze methode kan echter niet worden toegepast, indien het gaat om openbare wegen
                    in de zin van de Wegenwet. Zie HR 21 juni 1966, NJ 1966, 416, m.nt. W.F. Prins,
                    OB 1967, XIV.3, nr. 26667, AB 1967, blz. 186, NG 1966, blz. 432, Verkeersrecht
                    1966, blz. 227, m.nt. R.J. Polak (Bromfietsverbod Sneek), en HR 23 december
                    1980, NJ 1981, 171, m.nt. Th.W. van der Veen, AB 1981, 237, NG 1981, blz. S63,
                    m.nt., Verkeersrecht 1981, blz. 58, m.nt. J.J. Bredius (rijverbod
                    Schiermonnikoog).</al><al/><al>Sommige gemeentebesturen hebben de volgende aanpak tot wering van gemotoriseerd
                    verkeer uit natuurgebieden overwogen:</al><lijst><li nr="1."><al>onttrekking van de openbare wegen (“openbaar” in de zin van de Wegenwet)
                            aan het openbaar verkeer volgens de daartoe in de artikelen 9 e.v. van
                            de Wegenwet voorgeschreven procedure; en aansluitend daaraan: </al></li><li nr="2."><al>geslotenverklaring op privaatrechtelijke basis van de wegen in dat
                            gebied voor (recreatief) gemotoriseerd verkeer, namelijk door het
                            plaatsen van borden “Verboden toegang voor...., art. 461 Wetboek van
                            Strafrecht”. </al></li></lijst><al/><al>Aan deze aanpak wordt om twee redenen de voorkeur gegeven:</al><lijst><li nr=""><al>De Wegenwet zou zich er tegen verzetten dat wegen die voor al het
                            verkeer openbaar zijn, ter behartiging van andere belangen dan
                            verkeersbelangen bij verordening voor het gemotoriseerd verkeer gesloten
                            zouden worden. Of deze opvatting juist is, is de vraag. </al></li><li nr=""><al>Artikel 461 WvSr. is niet op openbare wegen van toepassing. </al></li></lijst><al/><al>Ook de hier bedoelde aanpak stuit overigens op bezwaren, met name in die
                    gevallen dat de wegen niet in eigendom zijn bij de overheid. De overheid is dan
                    immers van de particuliere eigenaren afhankelijk, met name waar het de
                    geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer betreft. Bovendien is de
                    toegankelijkheid van dergelijke wegen voor het publiek niet meer verzekerd,
                    indien deze wegen eenmaal aan het openbaar verkeer zijn onttrokken. De
                    particuliere eigenaar zou zijn weg immers ook voor alle publiek, dus ook voor
                    voetgangers en fietsers, kunnen afsluiten. De overheid bezit dan geen
                    machtsmiddelen daartegen op te treden. Deze machtsmiddelen bezit zij wél ten
                    aanzien van wegen die - zij het ook beperkt - voor het openbaar verkeer
                    toegankelijk zijn in de zin van de Wegenwet.</al><al/><al>Zie de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van 25 maart 1982, NG 1983 blz. S
                    145,, AB 1983, 64, m.nt. Van der Veen (Helmond) en van 5 november 1982, Gst.
                    1983, 6745, 10, m.nt. J.M. Kan (Wittem). Blijkens deze uitspraken kan (en moet!)
                    de gemeentelijke overheid de onderhouds- en de duldingsplicht van de eigenaar
                    van een openbare weg met toepassing van bestuursdwang afdwingen, indien deze
                    plicht wordt verzaakt.</al><al/><al>Men kan - zoals hierboven reeds bleek - aan genoemde consequenties niet ontkomen
                    door een weg slechts beperkt aan het openbaar verkeer te onttrekken, in die zin
                    dat hij alleen openbaar zal zijn voor bepaalde categorieën verkeersdeelnemers.
                    Bovendien, ook al zou een weg een beperkt openbaar rechtskarakter hebben, dan
                    nog zou artikel 461 WvSr. waarschijnlijk niet toepasselijk kunnen zijn.</al><al>Hiervoor werd er reeds op gewezen dat de hele onttrekkingsprocedure tijdrovend
                    is en dat de onttrekking op bezwaren zal stuiten van met name landbouwers. Zou
                    men de hier bedoelde methode toepassen, dan zou het in ieder geval noodzakelijk
                    zijn voor de onttrekking aan het openbaar verkeer met de particuliere eigenaren
                    duidelijke afspraken te maken en deze schriftelijk vast te leggen. Wij vermelden
                    hier nog, dat de onttrekking van een openbare weg aan het openbaar verkeer
                    onvoorwaardelijk moet geschieden en zonder tijdsbepaling (circulaire van de
                    minister van verkeer en waterstaat aan de colleges van gedeputeerde staten, BS
                    1933, nrs. 203 en 245, WGB 1933, blz. 225).</al><al/><al><cursief>3. Verordening stiltegebieden</cursief></al><al>Provinciale staten dienen op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer een
                    verordening op te stellen die onder andere regels bevat inzake het voorkomen of
                    beperken van geluidhinder in bij de verordening aangewezen gebieden. Deze
                    verordening wordt de provinciale milieuverordening (PMV) genoemd en vervangt de
                    oude verordeningen op grond van artikel 122 van de Wet geluidhinder.</al><al>Volgens de model-PMV is het onder meer verboden een aantal toestellen te
                    gebruiken binnen het milieubeschermingsgebied. Het is ook verboden om met een
                    motorvoertuig met draaiende verbrandingsmotor de openbare weg of andere voor
                    bestemmingsverkeer openstaande wegen en terreinen te verlaten.</al><al>Toertochten voor motorvoertuigen of een wedstrijd als bedoeld in artikel 24 van
                    de WVW 1994 zijn niet toegestaan.</al><al/><al><cursief>4. Beperking gemotoriseerd verkeer in natuurgebieden in relatie tot
                        artikel 1 van de Grondwet</cursief></al><al>De vraag rijst of het ontzeggen van de toegang tot een bepaald natuurgebied voor
                    motorrijders en bromfietsers zich verdraagt met het antidiscriminatieverbod van
                    artikel 1 van de Grondwet. Deze vraag werd aan de orde gesteld in een zitting
                    van de kantonrechter te Harderwijk op 19 september 1985. De geverbaliseerde
                    voerde aan dat het verbod “... discriminerend is ten aanzien van motorrijders,
                    bromfietsers en hun duopassagiers. Terreinwagens, motoren met zijspan, auto’s en
                    vrachtwagens mogen van de onverharde wegen wel gebruik maken. De officier van
                    justitie bestreed deze opvatting. Hij stelde dat het gemeentebestuur een keuze
                    heeft gemaakt tussen de belangen van voetgangers en flora en fauna en de
                    belangen van motorrijders en bromfietsers die zittend op hun voertuig van de
                    natuur willen genieten.”</al><al/><al>De officier meende dat de belangen van flora en fauna en de belangen van
                    voetgangers die hinder ondervinden van motorrijders, prevaleren boven de
                    belangen van motorrijders. De kantonrechter schaarde zich achter de officier van
                    justitie. Hij meende dat er geen sprake was van discriminatie van motorrijders
                    en bromfietsers omdat hun bewegingsvrijheid niet verder dan noodzakelijk voor
                    het doel dat het college voor ogen staat wordt beperkt.</al><al/><al>De Rechtbank in hoger beroep en de Hoge Raad in cassatie hebben inmiddels de
                    uitslag van de kantonrechter onderschreven (HR 19 mei 1987, AB 1988, nr. 216,
                    APV Nunspeet).</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen
                    gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het
                    verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor
                    personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken
                    van dit natuurgebied. Vanwege het ontbreken van een overgangsregeling trof de
                    Voorzitter van de ARRS een voorlopige voorziening, waarbij aan belanghebbende
                    alsnog een tijdelijke ontheffing werd verleend. Vz. ARRS 30-8-1990, AB 1991, 432
                    m.nt. PCEvW, Gst. 1991, 6929, 7 m.nt. JT.</al><al/><al><vet>Artikel 5:34 Verbod vuur te stoken</vet></al><al>In deze toelichting wordt allereerst uitgebreid ingegaan op de wetgeving voor
                    het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen, geregeld in artikel 10.2,
                    eerste lid en artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het in werking
                    treden van deze bepalingen is namelijk de aanleiding geweest om het toenmalige
                    artikel 5.5.1, nu 5:35 model-APV in 2003 gedeeltelijk te herzien.</al><al/><al>Benadrukt moet dat het nieuwe regiem voor het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen in de Wet milieubeheer er helaas niet beter, maar juist
                    onduidelijker op is geworden. Voorheen hoefde er op grond van artikel 5.5.1
                    model-APV slechts één ontheffing te worden verleend, waarin zowel de bescherming
                    van het milieu als van de openbare orde en veiligheid werden geregeld.</al><al/><al>Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer beperkt zich nu echter alleen tot de
                    bescherming van het milieuhygiënische belang. Indien het college de openbare
                    orde- en veiligheidsaspecten wil reguleren is het verlenen van een (tweede)
                    ontheffing op grond van de model-APV noodzakelijk.</al><al/><al><cursief>Afbakening</cursief></al><al>De afbakening met de Wet milieubeheer in het vijfde lid is komen te vervallen,
                    omdat in het eerste lid de afbakening heeft plaatsgevonden door de zinsnede
                    “buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer”. In de vorige versie van
                    artikel 5.5.1(oud) model-APV stond overigens alleen nog “buiten inrichtingen”.
                    De afbakening met de Wet milieubeheer is door de nieuwe formulering scherper
                    neergezet.</al><al/><al>I. ARTIKEL 10.2, EERSTE LID, EN ARTIKEL 10.63, TWEEDE LID, WET MILIEUBEHEER</al><al>Aanleiding voor de herziening van artikel 5.5.1 Model-APV: artikel 10.2, eerste
                    lid en artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer</al><al>De discussie over het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen (of aldus
                    de model-APV het stoken van open vuur) is ongeveer vier jaar geleden begonnen.
                    Aanvankelijk was het ministerie van VROM voornemens om een absoluut stookverbod
                    in de Wet milieubeheer op te nemen, zonder enkele ontheffingsmogelijkheid voor
                    het college. De VNG maakte zich echter hard voor een dergelijke
                    ontheffingsmogelijkheid, omdat in sommige lokale situaties een
                    ontheffingsmogelijkheid zeer gewenst was. De Tweede Kamer was het hiermee eens
                    en drong daarom bij amendement bij de toenmalige minister er op aan om de
                    mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing bij wet vast te stellen. Dit
                    amendement leidde tot een aanpassing van het wetsvoorstel, waarin uitdrukkelijk
                    een ontheffingsmogelijkheid voor het college werd opgenomen.</al><al/><al>De VNG pleitte eveneens voor instandhouding van de toenmalige regeling in
                    artikel 5.5.1 model-APV (stookverbod met ontheffingsmogelijkheid voor het
                    college) in plaats van een landelijk verbod in de Wet milieubeheer. Dit pleidooi
                    vond helaas geen gehoor, de Tweede Kamer hield vast aan een landelijke
                    regeling.</al><al/><al>Uiteindelijk kwamen de artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer tot stand. In artikel 10.2, eerste lid, is het verbrandingsverbod
                    buiten inrichtingen opgenomen. Artikel 10.63, tweede lid, geeft het college de
                    bevoegdheid om een ontheffing te verlenen van dit verbod.</al><al/><al>Na enige vertragingen zijn beide artikelen op 23 mei 2003 in werking getreden
                    (Stb. 2003, 213). Artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer was overigens al
                    eerder in werking getreden op 8 mei 2002, maar had geen materiële betekenis
                    omdat artikel 10.2, eerste lid nog niet in werking was getreden. Voor de tekst
                    van de Wet milieubeheer wordt verwezen naar www.overheid.nl.</al><al/><al><cursief>Voorlichting over artikel 10.2, eerste lid en 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer</cursief></al><al>In de circulaire van 27 maart 2002 aan de provincies en gemeenten van het
                    ministerie van VROM (Stcrt. 2002, 65) is aandacht besteed aan het storten en
                    verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen. Daarin is de onderhavige
                    wetswijziging reeds aangekondigd. De VNG heeft in diverse nieuwsbrieven aan de
                    gemeenten gewezen op de wetswijziging.</al><al/><al>In gemeenten waar al op grond van de APV een verbrandings- c.q. stookverbod
                    bestond met een mogelijkheid van ontheffing door het college verandert er
                    materieel niets; alleen de rechtsbasis van het verbod en de ontheffing
                    wijzigt.</al><al/><al>Voor welke afvalstoffen kan er een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer worden gegeven en wat is de reikwijdte van de wet?</al><al>Uit de kamerbehandeling van het wetsvoorstel blijkt dat de ontheffing kan worden
                    verleend voor de volgende zaken:</al><al>- vreugdevuren, zoals paas- en oudejaarsvuren. </al><al>- instandhouding van waardevolle cultuurlandschappen, in het kader van klein
                    landschapsbeheer. </al><al/><al>De minister gaf tegenover de Kamer voorts aan dat fruitsnoeihout en
                    aardappelloof onder de ontheffing zouden kunnen vallen. Hij sprak in zijn
                    algemeenheid over hout dat men van bomen of struiken afhaalt om het natuurlijke
                    proces om welke reden dan ook te bevorderen. Ook riet zou ons inziens hieronder
                    kunnen vallen. Voor welke gevallen er nog meer een ontheffing kan worden
                    gegeven, is sterk afhankelijk van de lokaal specifieke situatie, bijvoorbeeld
                    indien er sprake is van een heidegebied of specifieke beplanting. Op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer is het in ieder geval verboden
                    ontheffing te verlenen voor het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Verder
                    is het meeverbranden van allerlei afvalstoffen (banden, verf, afgewerkte olie)
                    verboden.</al><al/><al>Artikel 10.2 Wet milieubeheer ziet alleen toe op het verbranden van afvalstoffen
                    buiten inrichtingen. Dit betekent dat, indien er sprake is van een inrichting in
                    de zin van de Wet milieubeheer, het verbrandingsverbod hierop niet van
                    toepassing is. Hiervoor geldt namelijk een ander wettelijk regiem. De
                    verbranding van afvalstoffen binnen een inrichting dient enerzijds te worden
                    geregeld in de milieuvergunning of wordt anderzijds geregeld in een van de
                    zogenaamde artikel 8.40-Besluiten, waarin algemene milieuregels zijn opgenomen
                    voor homogene bedrijfscategorieën.</al><al/><al>Tevens dient rekening gehouden te worden met de gemeentelijke zorgplicht voor de
                    inzameling van huishoudelijk GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) op grond
                    van artikel 10.21 Wet milieubeheer. GFT-afval, afkomstig van huishoudens, dient
                    in de eerste plaats door de burger te worden aangeboden aan de aangewezen
                    inzameldienst. Het buitengebied wordt door gemeenten soms vrijgesteld van de
                    inzamelplicht in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen. In deze
                    gevallen kan een ontheffing voor het verbranden van tuinafval worden
                    gerechtvaardigd. Voor wat betreft stedelijke of bebouwde komgebieden, is het
                    verlenen van een ontheffing minder gerechtvaardigd. Immers, de gemeente draagt
                    zorg voor inzameling van huishoudelijk tuinafval en ook grof tuinafval, een
                    ontheffing voor het verbranden van snoeihout, lijkt daarmee niet wenselijk.</al><al/><al>Benadrukt dient te worden dat het aan het bevoegde gezag is om zelf invulling te
                    geven aan het ontheffingenbeleid. Dit geldt zeker ook voor een absoluut
                    verbrandingsverbod. Ook al geeft de Wet milieubeheer de mogelijkheid om een
                    ontheffing te verlenen, dit betekent niet dat een gemeente ook verplicht is dit
                    te doen. Gemeenten kunnen dus – óók onder het regiem van de Wet milieubeheer -
                    een absoluut stookverbod blijven hanteren. Het verdient aanbeveling om een
                    absoluut stookverbod in een beleidsnota of milieubeleidsplan vast te
                    leggen.</al><al/><al><cursief>Kan het bestaande ontheffingenbeleid van het college worden
                        gecontinueerd, maar thans op basis van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer?</cursief></al><al>Bij de behandeling van het wetsvoorstel betreffende artikel 10.2 heeft de
                    minister aangedrongen op een terughoudend ontheffingenbeleid (zie o.a.
                    Kamerstukken II 2000/ 01, 26 638, nr. 24). Ook de VNG adviseert haar leden een
                    terughoudend ontheffingenbeleid te voeren, waarbij ook wordt gekeken naar
                    alternatieve verwerkingsmethoden (het zogenaamde alara-beginsel). Indien een
                    gemeente reeds een terughoudend beleid voert, kan het bestaande
                    ontheffingenbeleid worden gecontinueerd.</al><al>Wel verdient het sterk de aanbeveling om het ontheffingenbeleid schriftelijk
                    vast te leggen in bijvoorbeeld beleidsregels. Op deze manier beschikt het
                    bevoegde gezag over een duidelijk afwegingskader, op grond waarvan de beslissing
                    om een ontheffing te verlenen kan worden gebaseerd.</al><al/><al><cursief>Welke procedure moet worden gevolgd voor het verlenen van een
                        ontheffing op basis van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer?</cursief></al><al>Bij de ontheffingverlening op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer dient de volgende procedure gevolgd te worden. Op grond van artikel
                    10.64 Wet milieubeheer zijn de artikelen 8.5–8.25 Wet milieubeheer van
                    overeenkomstige toepassing op een ontheffing van het verbrandingsverbod. In
                    artikel 8.6 Wet milieubeheer worden de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de
                    Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing verklaard, dat wil zeggen de
                    uitgebreide voorbereidingsprocedure. Dit houdt in grote lijnen het volgende in:
                    het sturen van een ontvangstbevestiging, het opstellen van een ontwerpbesluit,
                    het gedurende vier weken ter inzage leggen van het verzoek en het
                    ontwerpbesluit, het kennis geven daarvan, het eventueel organiseren van een
                    gedachtewisseling en het reageren op eventuele bedenkingen en het nemen van het
                    besluit.</al><al/><al>Dit is een tamelijk omslachtige procedure, reden waarom de VNG dit als één van
                    de knelpunten in het kader van het project Herijking VROM-wetgeving bij het
                    ministerie van VROM heeft ingebracht. Evenals het ministerie van VROM vinden wij
                    de procedure voor de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer zeer omslachtig voor een dergelijke ontheffing.</al><al/><al>Aanvankelijk wilde het ministerie van VROM de procedure versoepelen door een
                    AMvB op grond van artikel 10.2, tweede lid, Wet milieubeheer vast te stellen. In
                    deze AMvB zou voor een aantal categorieën verbrandingen een vrijstelling worden
                    verleend, met een set van algemene regels waaraan de verbrandingen zouden moeten
                    voldoen. Het ministerie van VROM heeft inmiddels gekozen voor een andere
                    oplossing.</al><al/><al><cursief>Versoepeling van de procedure artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer op komst</cursief></al><al>In de nieuwe Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure die naar verwachting
                    1 juli 2004 in werking treedt, zullen de openbare voorbereidingsprocedure
                    (afdeling 3.4. Awb) en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure (afdeling
                    3.5 Awb) worden samengevoegd tot één afdeling 3.4 Uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure.</al><al/><al>In de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zal artikel
                    10.64 Wet milieubeheer worden uitgebreid met een derde lid:</al><al>“In afwijking van het eerste lid is afdeling 3.4, van de Algemene wet
                    bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als bedoeld in artikel
                    10.63, tweede lid.”</al><al>Hiermee wordt uitdrukkelijk gesteld dat de nieuwe afdeling 3.4. Awb niet van
                    toepassing is op de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. In dit geval wordt teruggevallen op de minimale procedurele eisen
                    van de Awb.</al><al/><al><cursief>Welke voorschriften kunnen worden verbonden aan een ontheffing op grond
                        van artikel 10.63, tweede lid Wet milieubeheer?</cursief></al><al>Aan een ontheffing kunnen de volgende voorschriften worden verbonden. Gedacht
                    kan worden aan het voorschrift dat:</al><lijst><li nr=""><al>het stoken geen gevaar, schade of hinder mag opleveren voor de omgeving;
                        </al></li><li nr=""><al>de houder van de ontheffing tijdens de verbranding voortdurend ter
                            plaatse aanwezig dient te zijn en zorg dient te dragen voor een goed
                            brandend vuur, zodat zo min mogelijk rookontwikkeling plaatsvindt; </al></li><li nr=""><al>de verbranding niet mag plaatsvinden in de periode tussen zonsondergang
                            en zonsopgang; </al></li><li nr=""><al>verbranding slechts mag plaatsvinden met inachtneming van een bepaalde
                            afstand tot bouwwerken; </al></li><li nr=""><al>van de voorgenomen verbranding het hoofd van de afdeling milieuzaken van
                            de dienst ... of zijn plaatsvervanger of de alarmcentrale van de
                            regionale brandweer, ten minste één uur voor de verbranding telefonisch
                            moet worden geïnformeerd (telefoon ...). </al></li></lijst><al/><al>In de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer kunnen ook voorschriften
                    worden opgenomen over bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Veel
                    gemeenten eisen een bodembeschermende voorziening, bijvoorbeeld een betonplaat
                    of zandbed. De grondslag van een dergelijk voorschrift is in dit geval artikel
                    10.63, tweede lid, Wet milieubeheer. Het verdient de aanbeveling om in de
                    ontheffing ook een verwijzing naar de zorgplicht van artikel 13 Wet
                    bodembescherming op te nemen.</al><al/><al><cursief>Hoe kan het beste worden omgegaan met gevallen van bestrijding van
                        bepaalde ziektes?</cursief></al><al>In enkele gevallen, bijvoorbeeld bij de bestrijding van bepaalde ziektes is het
                    noodzakelijk op korte termijn passende maatregelen, zoals het verbranden van de
                    zieke bomen, te nemen. De procedure van ontheffingverlening duurt in deze
                    gevallen te lang om telkens een ontheffing te verlenen. Daarom zou voor deze
                    gevallen de ontheffing bij voorbaat verleend kunnen worden, waarbij in de
                    ontheffing nauwkeurig wordt aangegeven in welke gevallen en onder welke
                    omstandigheden van de ontheffing gebruik mag worden gemaakt. Een aantal
                    gemeenten eist bijvoorbeeld een verklaring van de Plantenziektenkundige Dienst
                    te Wageningen. Als voorschrift kan worden opgenomen dat in geval van verbranding
                    van met ziekte aangetast hout, besmet en niet-besmet snoeihout zoveel mogelijk
                    moet worden gescheiden.</al><al/><al><cursief>Kan een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer voor onbepaalde tijd worden verleend?</cursief></al><al>Nee, volgens het ministerie van VROM hangt de beantwoording van deze vraag samen
                    met het karakter van de ontheffing. Het gaat om een ontheffing van een wettelijk
                    verbod of een uitzondering op de regel. Het verlenen van een ontheffing voor
                    onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet. Het zou daarmee een
                    soort vergunningstelsel worden. Een ontheffing zal derhalve altijd voor een
                    bepaalde tijd verleend moeten worden. De precieze omvang voor een bepaalde tijd
                    is onder andere afhankelijk van de invulling van het in artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer opgenomen criterium. Na verloop van tijd kunnen er
                    bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de betreffende afvalstoffen op een
                    hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats van te verbranden. Tevens is de
                    looptijd van de ontheffing afhankelijk van de formulering van de ontheffing
                    zelf. Naarmate bijvoorbeeld de tijdsperiode waarin verbrand mag worden exacter
                    in de ontheffing staat geformuleerd (bijvoorbeeld twee keer veertien dagen in de
                    nader omschreven periode, bijvoorbeeld het snoeiseizoen met melding aan de
                    gemeente) is het volgens VROM denkbaar dat een ontheffing voor maximaal drie
                    jaar wordt verleend. Als de periode niet exact staat omschreven, stuit een
                    dergelijke looptijd van een ontheffing op bezwaren. Er zijn dus verschillende
                    mogelijkheden voor de duur van een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede
                    lid, Wet milieubeheer. Variërend van bijvoorbeeld een ontheffing per keer tot
                    een jaarlijkse ontheffing tot een ontheffing voor een periode van drie jaar.
                    Gemeenten hebben dus de beleidsvrijheid om zelf de duur van een ontheffing te
                    bepalen.</al><al/><al><cursief>II. ARTIKEL 5:34 MODEL-APV</cursief></al><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische
                    argumenten.</al><al/><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5.5.1 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al/><al>Voor artikel 5:34 model-APV betekent dit concreet het volgende. Artikel 5:34,
                    tweede lid, model-APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op grond
                    van de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten van
                    openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief ten
                    grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college de
                    mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die het
                    belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De
                    weigeringsgronden worden genoemd in derde lid.</al><al/><al><cursief>Kan de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer en de ontheffing op grond van artikel 5:34, tweede lid,
                        model-APV worden gecombineerd tot één te verlenen ontheffing?</cursief></al><al>Er is een aantal redenen om dit niet te doen. In de eerste plaats zijn de
                    gronden waarop het besluit wordt genomen, gebaseerd op twee verschillende
                    wettelijke regelingen. Het gaat dus om twee verschillende afwegingskaders.
                    Indien beide afwegingskaders in één ontheffing wordt verwerkt, is de vraag in
                    hoeverre een dergelijk besluit juridisch stand houdt. Bovendien wordt, indien
                    bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen het ene besluit, het bezwaar daarmee
                    impliciet eveneens gericht tegen het andere besluit. Tenslotte is ook de
                    strafbaarstelling verschillend. Overtreding van de ontheffing op grond van
                    artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer wordt strafbaar gesteld in de Wet op
                    de economische delicten (Wed), terwijl overtreding van artikel 5:34 strafbaar
                    wordt gesteld op grond van artikel 154 Gemeentewet.</al><al/><al>Het verschil in wettelijke grondslag (Wet milieubeheer versus Gemeentewet), het
                    verschil in toetsingskader (milieu versus openbare orde) en het verschil in
                    strafbaarstelling (Wet op de economische delicten versus Gemeentewet) pleit
                    ervoor om een systeem van twee separate ontheffingen te hanteren. Dit neemt niet
                    weg dat gemeenten de aanvraag voor beide ontheffingen kunnen coördineren. Het
                    blijven echter wel twee afzonderlijke besluiten.</al><al/><al><cursief>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                        milieubeheer wordt geweigerd, wat betekent dit voor de ontheffing op grond
                        van artikel 5:34 model-APV?</cursief></al><al>Indien de ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet milieubeheer
                    wordt geweigerd, is er geen ruimte meer voor een ontheffing op grond van artikel
                    5:34 model-APV. Dit volgt uit het systeem van de wet. Een ontheffing op grond
                    van artikel 5:34 model-APV kan in dit geval namelijk nooit worden verleend
                    wegens strijd met de Wet milieubeheer. De aanvraag voor een ontheffing op grond
                    van artikel 5:34 model-APV hoeft daarom niet in behandeling te worden genomen.
                    De grondslag hiervoor is artikel 4:5 Awb.</al><al/><al><cursief>Uitzonderingen artikel 5:34 model-APV</cursief></al><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast
                    of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van het
                    tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden.</al><al/><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt
                    namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen).</al><al/><al><cursief>III. INRICHTINGEN</cursief></al><al>Normaal gesproken is de afbakening tussen de Wet milieubeheer en de model-APV
                    helder, indien er sprake is van een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer. Daar waar de Wet milieubeheer of hierop gebaseerde regels of
                    voorschriften in een onderwerp voorzien, is geen ruimte voor de model-APV.</al><al>Het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit Akkerbouwbedrijven
                    milieubeheer, zogenaamde 8.40 AMvB’s, vormen hierop een uitzondering. In deze
                    besluiten wordt namelijk voor het onderwerp verbranden van afvalstoffen binnen
                    inrichtingen uitdrukkelijk verwezen naar een gemeentelijke verordening.</al><al/><al><cursief>Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer</cursief></al><al>Voorschrift 4.1 Afvalstoffen mogen niet binnen de inrichting worden verbrand,
                    behoudens voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening verbranden van uit
                    de inrichting afkomstige afvalstoffen is toegestaan.</al><al/><al><cursief>Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer</cursief></al><al>Voorschrift 8.1. Afvalstoffen mogen niet binnen de inrichting worden verbrand,
                    behoudens voor zover ingevolge een gemeentelijke verordening verbranden van uit
                    de inrichting afkomstige afvalstoffen is toegestaan.</al><al/><al>De artikelen 10.2, eerste lid, en 10.63, tweede lid Wet milieubeheer en ook
                    artikel 5.5.1 model-APV zijn hier niet van toepassing, omdat deze bepalingen
                    uitdrukkelijk het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen reguleren. Het
                    gaat in deze besluiten immers om het verbranden binnen inrichtingen.</al><al/><al><cursief>Is een verbod van verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen in
                        model-APV nodig?</cursief></al><al>Indien een bepaling over het verbranden van afvalstoffen binnen inrichtingen in
                    de model-APV ontbreekt, kan worden gesteld dat het per definitie verboden is om
                    afvalstoffen binnen inrichtingen te verbranden. Immers, op grond van
                    voorschriften van de genoemde Besluiten melkrundveehouderijen en
                    akkerbouwbedrijven milieubeheer geldt een verbod, tenzij een gemeentelijke
                    verordening dit toestaat. Uit het ontbreken van een regeling in de model-APV,
                    kan impliciet worden afgeleid dat de gemeentelijke verordening het verbranden
                    van afvalstoffen binnen inrichtingen dus niet toestaat. Met andere woorden,
                    indien in een gemeentelijke verordening het verbranden van afvalstoffen binnen
                    inrichtingen niet expliciet wordt toegestaan, is het verbranden van afvalstoffen
                    binnen inrichtingen verboden op grond van voorschrift 4.1. van het Besluit
                    melkrundveehouderijen milieubeheer of voorschrift 8.1 Besluit akkerbouwbedrijven
                    milieubeheer. Indien een gemeente het verbranden van afvalstoffen binnen een
                    inrichting in de gemeentelijke verordening wil toestaan, dan dient dit te worden
                    vastgelegd in de model-APV.</al><al/><al><cursief>Binnen of buiten inrichting?</cursief></al><al>Ten slotte nog de discussie of er nu sprake is van binnen of buiten een
                    inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.</al><al/><al>Artikel 1, eerste lid, onder a, Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer spreekt
                    over een inrichting die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in
                    hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouw- of tuinbouwproducten op
                    of in de open grond. In de toelichting op dit besluit wordt aangegeven dat
                    akkerland en de grond alwaar de volle grondstuinbouw plaatsvindt in het algemeen
                    niet tot de inrichting wordt gerekend. De Afdeling bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State heeft in een uitspraak van 16 januari 1997 (E03.94.0230, Tiel) de
                    uitspraak gedaan dat dit voor fruitteeltbedrijven tevens inhoudt dat de
                    boomgaarden niet tot de inrichting dienen te worden gerekend.</al><al/><al>Eerder sprak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich uit over
                    de vraag of een weiland wel of geen inrichting is. Een weiland is geen
                    inrichting, zolang het niet intensief gebruikt wordt (1 december 1995,
                    E03.94.0495, AB 1996, 128).</al><al/><al>Indien het verbranden van afvalstoffen op een weiland of akkerland plaatsvindt,
                    kan worden verdedigd dat er sprake is van het verbranden van afvalstoffen buiten
                    inrichtingen en zijn de artikelen 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer en artikel
                    10.63, tweede lid, Wet milieubeheer en artikel 5:34 van de model-APV om deze
                    reden van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5:35 Begripsomschrijving</vet></al><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie
                    verder voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van
                    crematieas.</al><al/><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al/><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al/><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende
                    plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al/><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al/><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al/><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op. Ook tot enige tijd na de
                    verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor aangegeven wijze, hinder
                    opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het verstrooien rekening mee worden
                    gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over een groter oppervlak te
                    verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt opgenomen. Een ander voorbeeld
                    in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw of vanaf een balkon. Er zijn
                    genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder oplevert voor het publiek.</al><al/><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><al/><al><vet>AFDELING 10 HAVEN EN HAVENKANAAL</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:38 Toepassing van deze afdeling</vet></al><al>Afdeling 10 is opgenomen omdat de haven en het havenkanaal als hoofd
                    gebruiksdoel hebben, het aanbieden van ligplaatsen t.b.v. vaartuigen in de
                    toeristisch/recreatieve sector. Aanvullend wordt beperkt ruimte geboden voor
                    laad- en losactiviteiten en enkele woonschepen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:39 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:40 Veilig vaargedrag</vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:41 Verstoring orde en rust </vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:42 Vastleggen schepen</vet></al><al>Geen verdere toelichting</al><al/><al><vet>Artikel 5:43 Aanwijzingen havenmeester</vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:44 Voorwerpen op of in het water</vet></al><al>De in het eerste lid opgenomen afwijking is nodig om het voor schippers mogelijk
                    te maken om vaartuigen vast te leggen. Hier ligt ook een directe relatie met
                    artikel 5.3a.2.3.</al><al/><al><vet>Artikel 5:45 Dreggen en schepen opleggen </vet></al><al>Hier is gekozen voor toestemming van de havenmeester, omdat het doorgaans gaat
                    om beperkte aktiviteiten, b.v. als er een voorwerp in het water gevallen is. Op
                    de omvangrijkere werkzaamheden ziet artikel 5.45. Bij de toestemming zal m.n.
                    gelet worden op een zo onbelemmerd en veilig mogelijk verkeer in en rondom de
                    haven en het havenkanaal.</al><al/><al><vet>Artikel 5:46 Slopen en baggerwerkzaamheden</vet></al><al>Hier is gekozen voor vergunning van het college, omdat het doorgaans gaat om
                    omvangrijkere werkzaamheden. Zie ook artikel 5.44. Bij de vergunning zal m.n.
                    gelet worden op een zo onbelemmerd en veilig mogelijk verkeer in en rondom de
                    haven en het havenkanaal.</al><al/><al>Slopen zal slechts bij uitzondering mogen plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een
                    calamiteit met een</al><al>zich in de haven bevindend vaartuig, en het uit veiligheidsoogpunt niet
                    verantwoord is dat het </al><al>vaartuig naar elders wordt gebracht.</al><al/><al><vet>Artikel 5:47 Verwijdering onbeheerde voorwerpen </vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:48 Handelingen aan schepen door onbevoegden</vet></al><al>Het eerste lid zou niet behoeven te worden opgenomen, omdat dit normaal
                    eigendomsrecht is. Het is echter opgenomen vanwege de wenselijkheid van opneming
                    van lid 2. Lid 2 is opgenomen om b.v. bij calamiteiten door de havenmeester
                    adequate maatregelen te kunnen laten nemen in het belang van de veiligheid en
                    volksgezondheid in en rond de haven en het havenkanaal.</al><al/><al><vet>Artikel 5:49 Vaarbeperkingen </vet></al><al>Bij lid 1 sub d: Bij openbare orde en veiligheid kan b.v. worden gedacht aan
                    aanwezigheid van brandbare of explosieve stoffen. Bij het aanzien van de
                    gemeente kan worden gedacht aan b.v. gehavende vaartuigen of vaartuigen die
                    anderszins een negatieve uitstraling op de haven en het havenkanaal hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 5:50 Laden en lossen </vet></al><al>Hier is gekozen voor vergunning van het college, omdat de hoofdbestermming van
                    de haven en het havenkanaal is: toerisme en recreatie. Laden en lossen is een
                    hiervan afwijkende gebeurtenis.</al><al/><al><vet>Artikel 5:51 Innemen ligplaats </vet></al><al>Lid 1, sub e: Onder dit verbod wordt niet begrepen als een vaartuig op een aan
                    de haven of havenkanaal gevestigde scheepswerf zal worden gerepareerd.</al><al/><al><vet>Artikel 5:52 Indeling haven</vet></al><al>Lid 1, sub f: Het formuleren van een nieuwe categorie dient te passen binnen de
                    bestemming van de haven en het havenkanaal: recreatie en toerisme. Hier kan
                    worden gedacht aan de rondvaartschepen in de haven. Het kan ook dienen indien er
                    binnen een andere categorie behoefte is aan detailering.</al><al/><al><vet>Artikel 5:53 Vaste ligplaats</vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:54 Wachtlijsten vaste ligplaatsen</vet></al><al>Eventuele nadere regels zijn beleidsregels en zullen volgens de geldende
                    regelgeving voor beleidsregels moeten worden vastgesteld. Het moeten
                    objectgerichte beleidsregels zijn, in het belang van de bestemming van de haven.
                    Nadere regels mogen er niet toe leiden dat aan de vermeldingen op de
                    wachtlijsten op onredelijke wijze tekort wordt gedaan. Het mag niet leiden tot
                    voortrekken van niet bovenaan de wachtlijsten geplaatsten. Het is ook niet de
                    bedoeling om bijvoorbeeld de inwoners van de gemeente een voorkeursrecht te
                    verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:55 Vergunningverlening vaste ligplaatsen</vet></al><al>Geen verdere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 5:56 Tijdelijke toewijzing</vet></al><al>Lid 5 is opgenomen omdat anders iemand die op de wachtlijst staat bij een
                    tijdelijke toewijzing zijn positie op de wachtlijst zou verliezen. Dat zou
                    onredelijk zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:57 Passantenligplaatsen</vet></al><al>Lid 6 moet in relatie tot artikel 5.38, omschrijving passantenligplaats worden
                    gezien. Het is in tegenstelling tot andere passanten niet mogelijk om aan een
                    passant-woonschip aansluitend aan de toewijzing voor maximaal 14 dagen een
                    nieuwe passantenligplaats toe te wijzen. Het doel is beperking van het aantal
                    woonschepen in de haven en het havenkanaal.</al><al/><al><vet>Artikel 5:58 Toe- en afwijzing passantenligplaatsen</vet></al><al>Gekozen is voor een besluit van het college, omdat het doorgaans samenhangt met
                    bijzondere activiteiten in de haven en het havenkanaal, bijvoorbeeld
                    werkzaamheden of evenementen.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Algemene toelichting hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</vet></al><al>Gelet op het belang van effectieve handhaving van de APV-voorschriften en de
                    vraag van gemeenten naar meer informatie op dit punt (zoals bleek uit de enquête
                    van SGBO in 2001), is hier een algemene introductie opgenomen over bestuurlijk
                    toezicht, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving.</al><al/><al><cursief>Handhaving algemeen</cursief></al><al>Handhaving is elke handeling die erop gericht is de naleving door anderen van
                    rechtsregels te bevorderen. De belangrijkste redenen voor een goede handhaving
                    zijn in het kort:</al><al>Door een goede handhaving zal de overheid uiteindelijk in steeds grotere mate
                    het door haar beoogde doel bereiken. Door handhaving kan de achteruitgang van de
                    kwaliteit van de samenleving worden tegengegaan. De rechtszekerheid en de
                    gelijke behandeling van burgers dienen te worden gewaarborgd. Dit kan door een
                    goed handhavingsbeleid te voeren. De relatie van rechtszekerheid en
                    rechtsgelijkheid met handhaving wordt verder uitgediept. De geloofwaardigheid,
                    betrouwbaarheid en integriteit van bestuurders zullen het ambtelijk en
                    maatschappelijk draagvlak vergroten.</al><al>Handhaving kan zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk zijn. Hoofdstuk 5
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een opsomming van de aan het
                    bestuursorgaan toekomende dwangmiddelen en de regels die bij de toepassing van
                    de dwangmiddelen in acht genomen moeten worden. Hierna worden deze dwangmiddelen
                    en regels toegelicht. Ook is er een korte introductie tot de strafrechtelijke
                    handhaving opgenomen.</al><al/><al><cursief>Toezicht</cursief></al><al>In veel wetten worden, ter handhaving van de regelgeving, aan bepaalde
                    ambtenaren toezichtbevoegdheden toegekend. Zij mogen plaatsen betreden,
                    inlichtingen en inzage van stukken vorderen, monsters nemen en vervoermiddelen
                    zoeken. Dit handhavingstoezicht, ook wel controle genoemd, wordt beheerst door
                    het bestuursrecht. De algemene regels zijn opgenomen in afdeling 5.2 van de Awb.
                    In bijzondere wetten kunnen echter beperkingen worden aangebracht op de in de
                    algemene regels gegeven bevoegdheden (bijvoorbeeld: artikel 45, derde lid van de
                    Wet wapens en munitie in vergelijking met artikel 5:18 van de Awb.</al><al/><al>Toezicht vindt plaats in een stadium waarin (nog) geen sprake is van een
                    redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. In het strafrecht ligt
                    dit anders. Om tot opsporing te komen moet er in beginsel wel sprake zijn van
                    een vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd. Bepaalde
                    opsporingsbevoegdheden vereisen zelfs een ontdekking op heterdaad.</al><al/><al>Om goed toezicht uit te kunnen oefenen moet een toezichthouder beschikken over
                    de nodige bevoegdheden. Voor het uitoefenen van toezicht is vaak medewerking
                    benodigd van de toezicht gestelde. In artikel 5:20, eerste lid, van de Awb is de
                    verplichting van eenieder opgenomen om aan een toezichthouder alle medewerking
                    te verlenen die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn
                    bevoegdheden. Uiteraard zijn er uitzonderingen op de medewerkingsplicht. In het
                    tweede lid van artikel 5:20 is opgenomen dat geheimhouders, zoals de arts en de
                    advocaat, niet hoeven mee te werken. Maar ook de verdachte hoeft niet mee te
                    werken. Volgens de regering geldt de plicht namelijk niet na het moment waarop
                    de overheid jegens de betrokkene een handeling heeft verricht waaraan deze in
                    redelijkheid de gevolgtrekking heeft kunnen verbinden dat tegen hem
                    strafvervolging wordt ingesteld. “Vanaf dat moment is er sprake van “criminal
                    charge” in de zin van artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en
                    kan de betrokkene een beroep doen op het zwijgrecht.”</al><al/><al>Het bovenstaande kan in de praktijk voor verwarring zorgen. Het komt voor dat er
                    toezichthouders zijn met opsporingsbevoegdheden. Degene die onder toezicht staat
                    moet dus goed weten welke “pet” de ambtenaar opheeft. In het geval van toezicht
                    moet een ieder meewerken. Zodra er echter sprake is van opsporing, kan er een
                    beroep op zwijgrecht worden gedaan. Iemand kan immers niet worden verplicht om
                    aan zijn eigen veroordeling mee te werken.</al><al/><al>Toezichthouders worden meestal belast met het toezicht op de naleving van de
                    voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de wet of verordening op grond
                    waarvan zij als toezichthouder zijn aangewezen. Zo worden in artikel 100
                    Woningwet de ambtenaren bouw- en woningtoezicht aangewezen als toezichthouders
                    op het gebied van de Woningwet. Met deze aanwijzing moeten zij niet alleen
                    toezicht houden op de naleving van de bepalingen in de Woningwet zelf, maar ook
                    op de naleving van hetgeen krachtens wettelijk voorschrift anderszins is
                    bepaald. Te denken valt hierbij aan de voorschriften bij een
                    bouwvergunning.</al><al/><al><cursief>Strafrechtelijke handhaving</cursief></al><al>Het strafrecht en het bestuursrecht worden elk op een geheel eigen wijze
                    genormeerd. In artikel 1:6 van de Awb is bepaald dat de Awb niet van toepassing
                    is op de opsporing en vervolging van strafbare feiten noch op de
                    tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het handelen van
                    strafrechtelijke organen wordt genormeerd door de regels van het Wetboek van
                    Strafrecht en door de diverse bijzondere wetten, waarin de geldende materiële
                    normen zijn verwoord en waarin soms ook van de algemene strafvordering
                    afwijkende strafprocessuele bevoegdheden zijn opgenomen, en het Wetboek van
                    Strafvordering, dat algemene regels van strafprocesrecht bevat, bevoegdheden in
                    het leven roept en de grenzen van de bevoegdheden bepaalt.</al><al/><al>Op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 heeft de politie tot taak te
                    zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van
                    hulp aan hen die deze behoeven. Op grond van deze algemene politietaak, alsmede
                    op grond van de last die in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van
                    Strafvordering aan de aldaar genoemde ambtenaren wordt gegeven om strafbare
                    feiten op te sporen, kunnen opsporingsambtenaren onderzoek doen. Een opsomming
                    van de daarbij te hanteren methoden ontbreekt. Algemene opsporingsmethoden zijn
                    niet in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Er zijn wel bijzondere
                    opsporingsbevoegdheden geregeld. Dit zijn observatie, infiltratie, de
                    pseudo-koop of pseudo-dienstverlening, het stelselmatig inwinnen van informatie,
                    het onderzoek doen in een besloten plaats zonder toestemming van de
                    rechthebbende, het opnemen van vertrouwelijke communicatie, het onderzoek van
                    telecommunicatie en het stelselmatig volgen of waarnemen.</al><al/><al>Opsporingsambtenaren kunnen, naast dat zij bevoegd zijn opsporingshandelingen te
                    verrichten, ook bevoegd zijn tot het uitoefenen van controlebevoegdheden die in
                    bijzondere wetten worden toegekend. Op grond van artikel 160 Wegenverkeerswet
                    bijvoorbeeld kan een ambtenaar de bestuurder van een voertuig vorderen zijn
                    voertuig te doen stilhouden, terwijl het vijfde lid van het artikel bepaalt dat
                    de bestuurder op eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht is
                    medewerking te verlenen aan een ademonderzoek. Als een bevoegde ambtenaar van
                    deze bevoegdheid gebruikmaakt en de ademtest wijst een te hoog alcoholpromillage
                    uit, dan is er een verdenking ontstaan en gaat controle over in opsporing.</al><al/><al>In het bestuursrecht worden de sancties opgelegd door een bestuursorgaan. De
                    rechter speelt in het bestuursrecht pas een rol indien een belanghebbende, na
                    bezwaar of administratief beroep, beroep instelt bij de rechter. De rechter
                    speelt in het strafrecht een centrale rol. Sancties in het strafrecht worden
                    opgelegd door de rechter.</al><al/><al><cursief>Bestuursdwang, dwangsom en gedogen</cursief></al><al>De Gemeentewet kent in artikel 125 aan het gemeentebestuur een algemene
                    bevoegdheid toe tot het uitoefenen van bestuursdwang. In artikel 5:21 van de Awb
                    is bestuursdwang als volgt gedefinieerd: het door feitelijk handelen door of
                    vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens
                    enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden
                    of nagelaten.</al><al>Het feitelijk handelen omvat onder meer: het doen wegnemen, ontruimen, beletten,
                    in de vorige toestand herstellen of het treffen van maatregelen om verdere
                    nadelige gevolgen van een overtreding te voorkomen.</al><al/><al>Het uitoefenen van bestuursdwang is dus zuiver gericht op het feitelijk in
                    overeenstemming brengen met de bestuursrechtelijke voorschriften van een
                    onwettige situatie. Dit heeft dus een herstellende werking en heet daarom
                    “reparatoire sanctie”.</al><al/><al>Onder overtreding van een voorschrift wordt ook verstaan het niet nakomen van
                    voorschriften die aan een vergunning zijn verbonden, zoals bijvoorbeeld
                    geluidsvoorschriften bij een milieuvergunning.</al><al>In artikel 5:32 van de Awb is aangegeven dat een bestuursorgaan dat bevoegd is
                    om bestuursdwang toe te passen, ook bevoegd is om een dwangsom op te leggen. Het
                    opleggen van een dwangsom is een middel om de overtreder door het opleggen van
                    een last om te betalen, te bewegen de overtreding te beëindigen. Bijna
                    vanzelfsprekend hoort hier de vraag bij welk instrument het geschiktst is om aan
                    de geconstateerde overtreding een einde te maken. Deze vraag zal steeds
                    beantwoord moeten worden aan de hand van feiten, de omstandigheden en de
                    belangen die aan de orde zijn. De wet laat zich hier niet over uit. Wel is in
                    artikel 5:36 van de Awb opgenomen dat een dwangsom niet mag worden opgelegd
                    zolang een reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is
                    ingetrokken. Met andere woorden: een combinatie van bestuursdwang met last
                    dwangsom is niet mogelijk.</al><al/><al>De eerste stap in een handhavingscyclus zal zijn dat een overtreding plaatsvindt
                    dan wel gaat plaatsvinden. Dat betekent dat er een onderzoek moet worden gedaan.
                    Met behulp van de toezichtsbevoegdheden wordt de situatie onderzocht. Hiervan
                    zal de ambtenaar een rapport van bevindingen moeten opmaken. Het is belangrijk
                    dat een dergelijk rapport van foto’s of ander bewijsmateriaal wordt voorzien.
                    Bij de voorbereiding van een besluit moet immers worden voldaan aan het
                    zorgvuldigheidsbeginsel.</al><al>Het kan een keuze zijn van het bestuursorgaan om niet over te gaan tot
                    handhaven. De met de wet strijdige situatie wordt dan gedoogd. Is een
                    bestuursorgaan op de hoogte van de overtreding, maar wordt er geen actie nomen,
                    dan is er sprake van passief gedogen. Het toepassen van bestuursdwang is een
                    bevoegdheid, geen absolute verplichting. Een gemeente heeft dus de mogelijkheid
                    om het belang van de handhaving door middel van bestuursdwang af te wegen tegen
                    andere belangen, zoals de mogelijkheid om een andere bestuursrechtelijke sanctie
                    in te zetten of over te gaan tot het gedogen. Deze vrijheid is echter
                    betrekkelijk. Uit jurisprudentie blijkt dat er een beginselplicht tot handhaving
                    bestaat. Bijvoorbeeld: ABRS 22 maart 2001, BR2001/778, Dwangsom Camping Nunspeet
                    . Enkel in geval van bijzondere omstandigheden kan van handhavend optreden
                    worden afgezien. Het is goed dit te beseffen. Indien er namelijk een veelheid
                    aan regelgeving binnen een gemeente bestaat, en de gemeente wordt op handhaving
                    van die regels aangesproken, is zij in beginsel dus verplicht hier gevolg aan te
                    geven. De handhaafbaarheid speelt dus een grote rol bij het opstellen van
                    regels.</al><al>Kabinetsstandpunt “Naar een veilige samenleving”</al><al/><al>In oktober 2002 is door de ministers van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijksrelaties en Justitie het programma “Naar een veilige samenleving”
                    naar de Tweede Kamer gezonden [Kamerstukken II, 2002-2003, 28 684, nr 1.]. In
                    dit programma wordt aangegeven welke concrete doelstellingen op het gebied van
                    de veiligheid van het publieke domein het kabinet voor 2006 nastreeft en hoe het
                    kabinet die doelstellingen wil bereiken.</al><al>In het programma wordt door het kabinet een lans gebroken voor versterking van
                    de bestuurlijke handhaving met betrekking tot de kleine ergernissen in het
                    publieke domein. “Naar een veilige samenleving” stelt dat gemeenten een
                    “bijzondere verantwoordelijkheid en een zelfstandige rol” hebben “bij het
                    verbeteren van de veiligheidssituatie die gestalte krijgt op lokaal en
                    wijkniveau, in de woon en leefomgeving van de burgers”. Gemeenten zijn
                    verantwoordelijk voor en worden aangesproken op het organiseren van integraal
                    veiligheidsbeleid, maar beschikken over onvoldoende bestuursrechtelijke
                    instrumenten om dat beleid integraal te handhaven. Vooral de gemeente (en niet
                    zozeer de politie) wordt door de burger aangesproken op overlast en verloedering
                    van het straatbeeld (kleine ergernissen). Verloedering scoort hoog als oorzaak
                    van gevoelens van onveiligheid bij burgers. Het kabinet wil hier iets aan doen
                    door het bestuurlijke toezicht en de handhaving in het publieke domein te
                    versterken middels de invoering van de bestuurlijke boete voor kleine
                    ergernissen.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijk instrumentarium gemeenten</cursief></al><al>Gemeenten hebben in het kader van toezicht en handhaving reeds een aantal
                    bestuursrechtelijke instrumenten ter beschikking. Voor de bestuursrechtelijke
                    instrumenten waarover gemeenten beschikken geldt een scheiding in sancties die
                    erop zijn gericht de ontstane situatie in de gewenste situatie te herstellen
                    (herstelsancties) en sancties die primair zijn bedoeld om bestraffend op te
                    treden (punitieve sancties). Bij de herstelsancties gaat het om bestuursdwang
                    [is voor gemeenten geregeld in artikel 125 Gemeentewet] en dwangsom
                    [gemeentelijke bevoegdheid op grond van artikel 136 Gemeentewet.]. Deze sancties
                    kunnen alleen worden ingezet in situaties waarin herstel daadwerkelijk mogelijk
                    is, zoals het terugbrengen van een bouwwerk in de oorspronkelijke staat. Het
                    intrekken van een begunstigend besluit (vergunning, ontheffing, subsidie)
                    [Onderscheid kan worden gemaakt tussen het intrekken van een begunstigend
                    besluit als sanctie en anderszins, bijvoorbeeld wegens gewijzigde
                    beleidsinzichten of veranderende omstandigheden.] is een voorbeeld van de tweede
                    categorie. De meeste normen die verloederingsfeiten en onveiligheidsgevoelens
                    van burgers moeten tegengaan lenen zich niet voor handhaving via dwangsom of
                    bestuursdwang. Of het herstel is feitelijk niet mogelijk (denk aan
                    geluidsoverlast), óf het herstel zélf, dan wel de controle daarop, leveren
                    problemen op (denk aan een last onder dwangsom tot het niet meer voortijdig
                    plaatsen van vuilniszakken op straat, die wekelijks gecontroleerd zou moeten
                    worden).</al><al/><al>In mei 2004 heeft de VNG het concept wetsvoorstel bestuurlijke boete kleine
                    ergernissen ontvangen van de ministers van BZK en Justitie met het verzoek
                    hierop te reageren. In het concept wetsvoorstel wordt een stelsel voorgesteld
                    waarin het mogelijk wordt gemaakt dat het gemeentebestuur desgewenst bevoegd
                    wordt tot het opleggen van een bestuurlijke boete in reactie op overtreding van
                    specifieke bij of krachtens formele wet als beboetbare feiten aangewezen
                    APV-normen. Er is dus sprake van een keuze tussen invoering en geen invoering
                    van de bestuurlijke boete.</al><al/><al>Heeft een gemeente de bestuurlijke boete ingevoerd dan kan zij te allen tijde
                    besluiten de bestuurlijke boete weer af te schaffen. Een besluit van de raad tot
                    intrekking van het besluit tot invoering van de bestuurlijke boete treedt echter
                    niet eerder in werking dan na negen maanden na de bekendmaking van het
                    intrekkingsbesluit. Bij het opstellen van de feitenlijst die onder de reikwijdte
                    van de bestuurlijke boete worden gebracht is vooralsnog de model-APV van de VNG
                    als uitgangspunt genomen. Verkeersdelicten, met uitzondering van fout-parkeren,
                    zullen volgens dit voorstel niet onder de bestuurlijke handhaving worden
                    gebracht. Zoals gezegd wordt de lijst met beboetbare feiten door de formele
                    wetgever vastgesteld (bij algemene maatregel van bestuur). Gemeenten kunnen de
                    lijst dus niet aanpassen aan de lokale situatie.</al><al/><al>De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt uitgeoefend
                    door het college. Deze bevoegdheid wordt evenwel uitgeoefend door de
                    burgemeester, indien de toepassing van dit middel dient tot handhaving van
                    regels welke hij uitvoert.</al><al/><al>Tegen de boete-oplegging staat de rechtsgang van de Algemene wet bestuursrecht
                    open. De boete dient door een bestuurlijk toezichthouder in dienst van de
                    gemeente, die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, te worden opgelegd.
                    Mandateren van deze bevoegdheid aan particuliere toezichthouders is niet
                    toegestaan. De opbrengsten van de boeten komen toe aan de gemeenten. Gemeenten
                    zijn zelf verantwoordelijk voor de incasso en de registratie van opgelegde
                    boeten (daarbij kunnen ze eventueel externen, zoals bijvoorbeeld het Centraal
                    Justitieel Incassobureau, inschakelen).</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij het concept wetsvoorstel wordt inzicht gegeven
                    in de financiële implicaties van de introductie van het handhavingsinstrument.
                    De cijfers die hierin worden genoemd geven aan dat tegenover iedere euro aan
                    opbrengsten er 2,5 euro aan investeringen staat. In onze reactie op het
                    wetsvoorstel hebben wij aangegeven dat dit naar onze mening niet acceptabel is.
                    Om de verhouding tussen investering en opbrengst rechter te trekken hebben wij
                    er voor gepleit om ook bepaalde verkeersdelicten (waaronder
                    snelheidsovertredingen) onder de reikwijdte van de bestuurlijke boete te
                    brengen.</al><al/><al>Voor wat betreft de verkeershandhaving is er een wetsvoorstel in voorbereiding
                    voor het introduceren van de bestuurlijke boete voor fout parkeren en stilstaan.
                    Hierin wordt aan gemeenten de bevoegdheid toegekend om een bestuurlijke boete op
                    te leggen voor “fout parkeren” en “stilstaan”. Deze twee overtredingen, die
                    thans in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
                    (Wahv), oftewel de Wet Mulder, zijn opgenomen, kunnen worden gekenschetst als
                    zogenaamde neutrale ordeningsfeiten. Voor de lokale overheden betekent de
                    bevoegdheid bij deze feiten in punitieve zin op te treden evenwel een belangrijk
                    instrument voor de handhaving van het eigen parkeerbeleid.</al><al/><al>Dit sluit aan bij de brief die op 15 november 2001 door de ministers van BZK,
                    Justitie en V&amp;W aan de Tweede Kamer is gezonden. Hierin is geconcludeerd dat
                    een bestuurlijke boete voor verkeersovertredingen die wordt opgelegd door het
                    lokale bestuur, beperkt dient te blijven tot normatief neutrale ordeningsfeiten.
                    Ernstige verkeersfeiten (waaronder snelheidsovertredingen) dienen daarom te
                    worden uitgesloten. Deze conclusie komt overeen met het standpunt Handhaven op
                    Niveau [Kamerstukken II 1999/2000, 26800 VI, nr. 67.], waarin het kabinet heeft
                    aangegeven dat invoering van de bestuurlijke boete aan de rand van de harde kern
                    van het strafrecht onder omstandigheden een gewenste aanvulling kan zijn op de
                    handhavingbevoegdheden. Op basis hiervan heeft het kabinet geconcludeerd dat de
                    invoering van een door het lokale bestuur op te leggen bestuurlijke boete
                    gewenst is voor een tweetal verkeersovertredingen te weten: “fout parkeren” en
                    “stilstaan”.</al><al/><al>Ten aanzien van de overige verkeersfeiten wijst de regering er op dat hiervoor
                    reeds een uiterst effectief functionerend systeem van bestuurlijke handhaving is
                    neergelegd in de Wet Mulder. In tegenstelling tot parkeren, dat vaak al door
                    gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaren wordt gehandhaafd, verwacht het
                    kabinet geen verbetering van de handhaving van de overige verkeersfeiten als die
                    worden overgebracht naar het lokale niveau. Uitgangspunt van dit systeem is dat
                    de verkeershandhaving eenduidig herkenbaar is voor de weggebruikers. Indien per
                    gemeente verschillende prioriteiten worden gehanteerd, vermindert de
                    effectiviteit van de handhavende overheid. Politie en OM kunnen de benodigde
                    eenduidigheid bevorderen. Versnippering van de handhaving over de
                    gemeentebesturen betekent dat deskundigheid verloren gaat en duur moet worden
                    binnengehaald. Het risico is groot dat dit ten koste gaat van de handhaving van
                    de lastig handhaafbare normen. Politie en Justitie zullen hun invloed op de
                    prioritering van de te handhaven normen moeten inleveren. Bovendien zullen
                    gemeenten bij de verwerking van de boeten geen gebruik kunnen maken van de
                    schaalvoordelen die gelden indien deze verkeersfeiten landelijk uniform worden
                    afgedaan. De doelmatigheid van de verkeershandhaving zal dan verloren gaan. De
                    politie moet actief blijven op de weg, zowel met het oog op verkeersveiligheid
                    als met het oog op andere politietaken. Voor effectieve en efficiënte handhaving
                    rond ernstige verkeersmisdrijven als grove snelheidsovertredingen en agressief
                    rijgedrag is een speciaal toegeruste en niet aan een bepaald gemeentelijk
                    territoir gevonden handhavingorganisatie onontbeerlijk.</al><al/><al>In gemeenten waar gekozen wordt voor invoering van de bestuurlijke boete krijgt
                    het gemeentebestuur voor wat betreft de aanpak van de kleine ergernissen het
                    primaat bij de handhaving in de publieke ruimte en neemt de rol van de politie
                    hierbij af. Daarbij zal de lijn zijn dat waar gekozen is voor bestuurlijke
                    beboeting, de politie niet meer stelselmatig aandacht besteedt aan kleine
                    ergernissen en het bestuur een 24-uurs beschikbaarheid van de bestuurlijke
                    toezichthouders waarborgt. De politie blijft wel bevoegd om, waar nodig,
                    strafrechtelijk op te treden tegen de overtreding van de APV-normen. Veel
                    overtredingen in het publieke domein worden gepleegd door daders van wie de
                    identiteit niet bekend is. Om een voorziening te treffen voor deze zogenaamde
                    “anonieme daderproblematiek” wordt gekozen voor aansluiting bij het wetsvoorstel
                    Wet op de uitgebreide identificatieplicht: toezichthouders in het publiek domein
                    krijgen de bevoegdheid de identificatie van de betrokkene te vorderen. De eis
                    dat de toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is, complementeert
                    het geheel aan bevoegdheden om de bestuurlijke boete te effectueren. Mocht niet
                    voldaan worden aan het verzoek van de toezichthouder om inzage te verlenen in
                    het identiteitsbewijs, dan kan de toezichthouder optreden als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar en hiervan een proces-verbaal opmaken.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225
                    en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Zie hierover
                    de toelichting onder het kopje Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en
                    de eerste geldboetecategorie. Het is niet mogelijk om van deindeling in
                    boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door een maximumboete van euro 1000
                    te stellen.</al><al/><al><cursief>Strafbaarheid rechtspersonen</cursief></al><al>Op grond van artikel 91 jo. artikel 51 WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (€ 4500
                    ).</al><al/><al><cursief>Medebewindsvoorschriften</cursief></al><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Deze
                    voorschriften zijn de onder onderin afdeling 2.5 Bepalingen ter bestrijding van
                    heling van goederen opgenomen artikelen met uitzondering van artikel 2.5.6.
                    Overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in de artikelen 437 en
                    437ter van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk derde categorie).</al><al/><al><cursief>Hechtenis?</cursief></al><al>Het zal zelden voorkomen dat voor overtreding van een APV-bepaling hechtenis
                    wordt opgelegd, zeker nu ernaar gestreefd wordt de korte vrijheidsstraf nog meer
                    terug te dringen “ten gunste” van de geldboete. Toch is in het eerste lid van
                    dit artikel de mogelijkheid van hechtenis opgenomen omdat niet bij voorbaat kan
                    worden uitgesloten dat in bepaalde (uitzonderings)gevallen (bijvoorbeeld in het
                    geval van recidive) de rechter behoefte heeft aan de mogelijkheid tot oplegging
                    van een vrijheidsstraf.</al><al>Op overtreding van de in het tweede lid van dit artikel genoemde - in de eerste
                    geldboetecategorie ingedeelde - bepalingen, is echter geen hechtenis gesteld,
                    omdat het hier lichte overtredingen betreft.</al><al>Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften</al><al>Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in
                    dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college
                    de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan
                    levert een strafbaar feit op. Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens
                    artikel 1.4 van de model-APV gegeven beperkingen en voorschriften bij een
                    vergunning of een ontheffing.</al><al/><al>Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 1.4, tweede lid, op.
                    Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de APV een
                    vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden
                    voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al/><al><vet>Wabo </vet></al><al>De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11) valt
                    bij inwerkingtreding van de Wabo onder de Wabo. Zie resp. artikel 2.2, eerste
                    lid onder d van de Wabo. Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg (artikel
                    2:10) kan neerkomen op het opslaan van roerende zaken als bedoeld in artikel 2.2
                    onder j en k van de Wabo, bijvoorbeeld als het gaat om de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen in containers. Een ontheffing daarvoor valt dan onder de
                    Wabo en wordt aangemerkt als een omgevingsvergunning. Artikel 2.3 van de Wabo
                    verbiedt het handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning
                    op grond van artikel 2:10, 2:11 APV.</al><al/><al>Via artikel 5.4 van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is
                    de Wet economische delicten van toepassing op handelen zonder of in strijd met
                    deze drie vergunningen. De strafbepalingen van de APV zijn er dus niet op van
                    toepassing. </al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Aanvullingen op de artikelen 424 (baldadigheid op of aan de weg) en art. 426
                    WvSr (belemmering van een ander in zijn vrijheid van beweging op de weg, zich
                    opdringen aan een ander, hinderlijk volgen) door gemeentelijke voorschriften
                    (artikel 2.4.7 tot en met 2.4.10) zijn toelaatbaar (HR 26 februari 1957, NJ
                    1957, 253 (APV Eindhoven).</al><al/><al>Het staat de gemeentelijke wetgever vrij aanvullende regelen te geven tot het
                    tegengaan van hinderlijke geluiden. Artikel 4.1.7 APV is een toegestane
                    aanvulling op artikel 431 WvSr (rumoer of burengerucht waardoor de nachtrust kan
                    worden verstoord) (HR 26 oktober 1954, NJ 1954, 779 (APV Amsterdam).</al><al/><al><vet>Artikel 6.2 Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht. NB: Dit artikel is in 2002 hernummerd
                    van 6.1a in 6.2. Het oude artikel 6.2 (opsporingsambtenaren) is bij lbr. 98/192
                    vervallen verklaard. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing
                    aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen is een nadere regeling in de APV
                    niet (meer) nodig. De aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag
                    voor het hebben van opsporingsbevoegdheid. Zie verder de toelichting onder het
                    kopje Opsporingsambtenaren.</al><al/><al><cursief>Aanwijzen toezichthouders</cursief></al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                    toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een
                    toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen. Zie de
                    toelichting hierna onder opsporingsambtenaren). Hiernaast kunnen toezichthouders
                    door het college dan wel de burgemeester worden aangewezen.</al><al>Politieambtenaren zijn alleen te beschouwen als toezichthouders voorzover zij
                    bij of krachtens een bijzondere wet als zodanig zijn aangewezen. Artikel 2 van
                    de Politiewet, dat een algemene omschrijving van de politietaak bevat, kan niet
                    worden beschouwd als een wettelijk voorschrift in de zin van het artikel.</al><al/><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al/><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid, van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld
                    bij de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131).
                    Deze regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die
                    in ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld
                    van een legitimatiebewijs.</al><al/><al><cursief>Het evenredigheidsbeginsel</cursief></al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheden toezichthouder</cursief></al><al>In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders
                    toegekend. In artikel 5:14 is de mogelijkheid opgenomen om aan een
                    toezichthouder minder bevoegdheden toe te kennen. Zo is op voorhand vaak al
                    duidelijk welke bevoegdheden voor het uitoefenen van toezicht niet relevant zijn
                    of per definitie onevenredig.</al><al/><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    “Plaats” is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    (bedrijfs)terreinen, maar ook (bedrijfs)gebouwen. Dat de Awb een uitzondering
                    maakt voor het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit
                    voort uit het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde “huisrecht”. Op grond
                    hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner
                    steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist. Voor de handhaving van
                    gemeentelijke verordeningen is de basis voor het binnentreden zonder toestemming
                    van de bewoner gelegd in artikel 149a van de Gemeentewet. Op grond van dit
                    artikel kan aan toezichthouders deze bevoegdheid worden toegekend, indien het
                    gaat om het toezicht op de naleving van bij verordening gegeven voorschriften
                    die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming
                    van het leven of de gezondheid van personen. In artikel 6.3 van de model-APV
                    wordt deze bevoegdheid aan toezichthouders toegekend. In de Algemene wet op het
                    binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften gegeven die bij het binnentreden
                    van een woning in acht genomen moeten worden. In de toelichting op artikel 6.3
                    van de model-APV zal nader op de Awbi worden ingegaan.</al><al>De bevoegdheid tot het betreden van plaatsen houdt niet tevens in de bevoegdheid
                    tot het doorzoeken van die plaatsen. De Awb geeft toezichthouders dus niet de
                    bevoegdheid om willekeurig kasten, laden en andere bergplaatsen te openen. In
                    gevallen waarin die bevoegdheid niettemin noodzakelijk is, dient deze te worden
                    verschaft door de bijzondere wetgever.</al><al/><al>Artikel 5:16 Awb geeft de toezichthouder de bevoegdheid om inlichtingen te
                    vorderen. Op grond van artikel 5:20 Awb is een ieder ook verplicht deze
                    inlichtingen te verstrekken, behoudens een aantal uitzonderingen dat terug te
                    voeren is op het beroepsgeheim.</al><al/><al>In de artikelen 5:17 tot en met 5:19 Awb worden aan toezichthouders de
                    bevoegdheden verleend om inzage te vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden
                    en om zaken en vervoermiddelen te onderzoeken.</al><al/><al><cursief>Bijzondere wetten</cursief></al><al>Bijzondere wetten die de raad bevoegd verklaren of verplichten tot het maken van
                    verordeningen, kunnen op het punt van de aanwijzing van toezichthoudende
                    ambtenaren een eigen regeling bevatten. Die aanwijzing heeft doorgaans tot
                    gevolg dat de aangewezen ambtenaar bepaalde (toezicht)bevoegdheden krijgt.</al><al/><al>Zo heeft de aanwijzing als bedoeld in artikel 18.4, derde lid, van de Wet
                    milieubeheer (Wm) tot gevolg dat de aangewezen ambtenaar de bevoegdheid van
                    artikel 18.5 van de Wm het binnentreden in een woning zonder toestemming van de
                    bewoner met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen verkrijgt.</al><al>Ook in artikel 100 van de Woningwet is aan toezichthouders de bevoegdheid
                    toegekend om een woning binnen te treden zonder toestemming van de
                    bewoners.</al><al>In bijzondere wetten kan van de bepalingen van de Awb worden afgeweken. Zo
                    hebben toezichthouders in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening op
                    grond van artikel 69 van deze wet slechts toegang tot terreinen tussen
                    zonsopgang en zonsondergang. “Terreinen” is daarbij een beperkter begrip dan
                    “plaatsen” van artikel 5:15 Awb. Zo vallen alle gebouwen - dus ook
                    bedrijfsgebouwen - hier buiten.</al><al/><al><cursief>Toezicht en opsporing</cursief></al><al>De meeste bepalingen van de model-APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving
                    hiervan dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden.
                    Dit kan op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het
                    toepassen van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom - en
                    strafrechtelijk. Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden
                    aangewezen met toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen
                    voor de aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de model
                    APV. De opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van
                    het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al/><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al/><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><al>- Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot burgers
                    en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking. Opsporing dient
                    gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening. </al><al>- Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd door de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb). De opsporing wordt geregeld in het WvSv. </al><al/><al><cursief>Opsporingsambtenaren</cursief></al><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid).</al><al/><al>Op basis van artikel 142, lid 1, onder c, WvSv hebben de volgende - voor de APV
                    relevante - personen opsporingsbevoegdheid:</al><lijst><li nr=""><al>personen die bij bijzondere wetten met de opsporing van de daarin
                            bedoelde strafbare feiten worden belast en </al></li><li nr=""><al>personen die bij verordening zijn belast met het toezicht op de naleving
                            van die verordening, een en ander voorzover het die feiten betreft en
                            die personen zijn beëdigd. </al></li></lijst><al/><al>Tot de eerste groep behoren bijvoorbeeld ambtenaren van bouw- en woningtoezicht.
                    De grondslag van de opsporingsbevoegdheid ligt in de Woningwet. De tweede groep
                    betreft de toezichthouders die in de gemeentelijke verordeningen als zodanig
                    worden aangewezen. De aanwijzing dient in de APV te geschieden aangezien artikel
                    142, eerste lid, sub c, WvSv geen delegatie van de aanwijzingsbevoegdheid
                    toestaat. Tot deze groep behoren bijvoorbeeld milieu en parkeerwachters, belast
                    met het toezicht op de desbetreffende autonome bepalingen in de APV.</al><al/><al>Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het WvSv
                    ontlenen, is een nadere regeling in de APV niet mogelijk. De aanwijzing als
                    toezichthouders in de APV is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                    opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                    opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder
                    zijn. De personen die op grond van dit artikel worden aangewezen, dienen op
                    grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan de volgende
                    voorwaarden te voldoen:</al><lijst><li nr="1."><al>zij dienen te voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en
                            betrouwbaarheid; </al></li><li nr="2."><al>zij dienen te zijn beëdigd door het College van Procureurs Generaal
                            (volgens art. 18, eerste lid, van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsambtenaar). </al></li></lijst><al>De akte van beëdiging bevat een aantal gegevens met betrekking tot de
                    buitengewoon opsporingsambtenaar, waaronder in ieder geval de feiten tot de
                    opsporing waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. De akte wordt op naam van de
                    desbetreffende ambtenaar gesteld en na de beëdiging aan hem uitgereikt. De akte
                    wordt voor vijf jaar afgegeven. Hierna kan hij worden verlengd, mits de
                    ambtenaar nog voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid.</al><al/><al><cursief>Gemeentelijke verordeningen en opsporing</cursief></al><al>Aan opsporingsambtenaren kan op grond van artikel 149a van de Gemeentewet, met
                    inachtneming van de Awbi, de bevoegdheid tot het binnentreden van woningen
                    worden verleend (zie verder de toelichting bij artikel 6.3). Hun overige
                    opsporingsbevoegdheden ontlenen zij aan het WvSv. De gemeenteraad heeft
                    hiernaast niet de bevoegdheid om andere opsporingsbevoegdheden te creëren.
                    Ingevolge artikel 1 WvSv mag bij gemeentelijke verordening geen regeling worden
                    gegeven omtrent de opsporing of het bewijs van de in die verordening strafbaar
                    gestelde feiten.</al><al/><al>Ook in een aantal bijzondere wetten worden opsporingsambtenaren aangewezen. Dit
                    is met name van belang voor de, in deze verordening opgenomen,
                    medebewindsvoorschriften. Een speciale regeling geldt voor de op de artikelen
                    437 en 437ter van het WvSr gebaseerde en in afdeling 2.5 bepalingen ter
                    bestrijding van heling van goederen opgenomen bepalingen. De in de artikelen 551
                    en 552 van het WvSv geregelde opsporings- en toezichtbevoegdheden komen reeds
                    toe aan de algemene opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 WvSv. Gezien
                    de bijzondere materie is het in het algemeen niet zinvol om ook nog eens
                    buitengewone opsporingsambtenaren aan te wijzen.</al><al/><al><cursief>Toezichthoudende ambtenaren belasten met opsporing?</cursief></al><al>Gezien het voorgaande zijn toezichthoudende ambtenaren vanuit hun aanstelling in
                    hun functie niet automatisch belast met opsporing. Dit zal in veel gevallen ook
                    niet nodig zijn. Veelal kan volstaan worden met toezichthoudende bevoegdheden.
                    De aanwijzing hoeft dan niet direct in de verordening te geschieden (art.6.2,
                    eerste lid), maar kan aan het college worden gedelegeerd (tweede lid). Indien
                    namelijk de handhaving van bepaalde wettelijke voorschriften voornamelijk
                    bestuursrechtelijk geschiedt (bestuursdwang, dwangsom), is het niet nodig om te
                    beschikken over opsporingsbevoegdheden. Dit is pas vereist indien men
                    strafrechtelijk wil gaan handhaven. In die situatie is het vaak ook niet
                    noodzakelijk om alle toezichthouders opsporingsbevoegdheden te geven. Veelal kan
                    worden volstaan met één of enkele opsporingsambtenaren. Ook kan soms de hulp
                    ingeroepen worden van een algemeen opsporingsambtenaar (ambtenaar van
                    politie).</al><al/><al><vet>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de model-APV bepaalde
                    plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde “huisrecht” regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting , Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel
                    6.1a is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners.</al><al/><al>De bevoegdheid voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner kent drie
                    elementen:</al><lijst><li nr="1."><al>de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                            verleend; </al></li><li nr="2."><al>de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens
                            de wet te worden aangewezen; </al></li><li nr="3."><al>er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen. </al></li></lijst><al/><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel
                    100 van de Woningwet. Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of
                    personen die belast zijn met een opsporings- of toezichthoudende taak in het
                    kader van de wetshandhaving. Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor
                    de uitvoering van rechterlijke taken en bevelen, de uitoefening van
                    bestuursdwang, de handhaving van de openbare orde, ter bescherming van de
                    volksgezondheid en ter uitvoering van noodwetgeving.</al><al/><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6.3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid.</al><al/><al>Voor een aantal bepalingen in de model-APV wordt de bevoegdheid om een woning
                    zonder toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een
                    bijzondere wet. Het betreft de volgende artikelen.</al><lijst><li nr="1."><al>artikel 2.1.2.3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet
                            openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de
                            bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen
                            geregeld. </al></li><li nr="2."><al>de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.6, de op de artikelen 437 en 437ter
                            van het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften. Artikel 552
                            van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren
                            (dus niet de buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats
                            hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de
                            daar genoemde ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht
                            als opsporing. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Algemene wet op het binnentreden (Awbi)</cursief></al><al><cursief>a. Vormvoorschriften</cursief></al><al>In de Awbi zijn de vormvoorschriften opgenomen die een persoon die een woning
                    wil betreden in acht moet nemen. Hij dient:</al><al>- zich te legitimeren (artikel 1 Awbi); </al><al>- mededeling te doen van het doel van het binnentreden (artikel 1 Awbi); </al><al>- te beschikken over een schriftelijke machtiging (artikel 2 Awbi); </al><al>- verslag te maken van het binnentreden (artikel 10 Awbi). </al><al/><al>De in artikel 1 opgenomen voorschriften gelden voor iedere binnentreding, dus
                    ook indien dit gebeurt met toestemming van de bewoner. De artikelen 2 tot en met
                    11 van de Awbi gelden alleen als zonder toestemming van de bewoner wordt
                    binnengetreden. Degene die binnentreedt, dient te beschikken over een
                    machtiging. In deze machtiging is aangegeven in welke woning binnengetreden kan
                    worden. De Awbi gaat daarbij in beginsel uit van een machtiging voor een woning.
                    Zo nodig kunnen in de machtiging echter maximaal drie andere afzonderlijk te
                    noemen woningen worden opgenomen. De minister van Justitie heeft een model voor
                    de machtiging vastgesteld (opgenomen in de circulaire van het Ministerie van
                    Justitie, 15 augustus 1994, 452425/294).</al><al/><al>In artikel 3 van de Awbi wordt aangegeven wie een machtiging tot binnentreden
                    kunnen afgeven: de procureur-generaal bij het gerechtshof, de officier van
                    justitie en de hulpofficier van justitie hebben een algemene bevoegdheid hiertoe
                    gekregen. Hiernaast kan ook de burgemeester bevoegd zijn machtigingen te
                    verlenen. Dit is het geval indien het binnentreden in de woning in een ander
                    doel is gelegen dan in het kader van strafvordering (bijvoorbeeld bij
                    woningontruimingen).</al><al/><al>In artikel 5:27 van de Awb is voor het binnentreden zonder toestemming van de
                    bewoner bij de uitoefening van bestuursdwang een andere regeling opgenomen. De
                    bevoegdheid tot het afgeven van de machtiging is daar met uitsluiting van de in
                    de Awbi genoemde functionarissen bij hetzelfde bestuursorgaan gelegd dat de
                    bestuursdwang toepast. Dit betekent dat een college dat bestuursdwang wil
                    uitoefenen, ook de eventueel benodigde machtiging moet afgeven.</al><al/><al>Van het binnentreden dient na afloop een verslag opgemaakt te worden (artikel 10
                    Awbi). Een voorbeeldverslag is opgenomen in de circulaire van het ministerie van
                    Justitie van 15 augustus 1994, 452425/294.</al><al/><al><cursief>b. Bevoegdheden</cursief></al><al>In de Awbi wordt aan de binnentreder een aantal algemene bevoegdheden toegekend.
                    Degene die bevoegd is een woning zonder toestemming van de bewoner binnen te
                    treden, kan zich daarbij door anderen doen vergezellen (artikel 8, tweede lid,
                    Awbi). Dit is slechts toegestaan voorzover dit voor het doel waartoe wordt
                    binnengetreden vereist is en de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt. Deze
                    personen hoeven zelf niet te beschikken over een machtiging. Het aantal en de
                    hoedanigheid van de vergezellende personen moeten in het verslag worden vermeld;
                    de namen van deze personen hoeven niet vermeld te worden.</al><al>Dat anderen de binnentreder kunnen vergezellen kan noodzakelijk zijn in het
                    belang van de veiligheid van de binnentreder, maar ook indien de nodige
                    werkzaamheden door mensen met een bepaalde vakbekwaamheid moeten worden
                    uitgevoerd.</al><al/><al>Artikel 9 van de Awbi bepaalt dat de binnentredende ambtenaar zich de toegang
                    kan verschaffen indien hij de woning of een deel daarvan afgesloten vindt. Dit
                    geldt ook indien de bewoner wel thuis is, maar zijn medewerking niet wil
                    verlenen. Hierbij kan degene die wil binnentreden zo nodig de hulp van de sterke
                    arm inroepen.</al><al/><al><cursief>c. Het begrip “woning”</cursief></al><al>Het huisrecht strekt tot bescherming van het ongestoorde gebruik van de woning.
                    Het begrip woning omvat de ruimten die tot exclusief verblijf voor een persoon
                    of voor een beperkt aantal in een gemeenschappelijke huishouding levende
                    personen ingericht en bestemd zijn. Door het huisrecht wordt dus niet de
                    eigendom of de huur van een woning beschermd.</al><al>Of een ruimte een woning is, wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke
                    kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar
                    ook door de daaraan werkelijk gegeven bestemming. Woning is derhalve een ruim
                    begrip, ook een woonboot, stacaravan, tent en keet. kunnen hieronder worden
                    verstaan. Zelfs een hotelkamer kan onder het begrip woning vallen. Een bepaalde
                    ruimte kan ook uit meer woningen bestaan. De verschillende kamers in een
                    woongroep gelden bijvoorbeeld als aparte woningen. Dit geldt ook voor een binnen
                    een woning gelegen kamer van een kamerbewoner.</al><al/><al><cursief>d. Spoedeisende situaties</cursief></al><al>Artikel 2, derde lid van de Awbi voorziet in de bevoegdheid om in uitzonderlijke
                    omstandigheden zonder machtiging en zonder toestemming de woning binnen te
                    treden. Dit is bijvoorbeeld het geval in situaties waarbij ernstig en
                    onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen dreigt, zoals
                    bij de ontdekking op heterdaad van een geweldsdelict in een woning of de
                    aanwezigheid in een woning van een bewapend persoon die van zijn wapen gebruik
                    zou kunnen maken. De politieambtenaar die geen machtiging op zak heeft en die
                    terstond moet optreden, is dan voor het binnentreden niet op toestemming van de
                    bewoner aangewezen en is bevoegd om zonder toestemming binnen te treden. Men kan
                    ook denken aan gevallen waarin de belangen van de bewoner ernstig worden
                    aangetast. Hierbij kan worden gedacht aan ontdekking op heterdaad van een
                    inbraak in de woning. Indien de opsporingsambtenaar de bewoner, bijvoorbeeld als
                    gevolg van diens afwezigheid, niet om toestemming tot binnentreden kan vragen,
                    is hij bevoegd om ter bescherming van diens belangen zonder machtiging binnen te
                    treden. Onder deze omstandigheden bestaat er dus steeds de noodzaak om terstond
                    op te treden en is binnentreden zonder toestemming ÂÅ½n zonder machtiging
                    gerechtvaardigd.</al><al>Op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, blijft ook
                    bij spoedeisende gevallen de Awbi zo veel mogelijk van toepassing. Het
                    spoedeisende karakter van de situatie is derhalve voornamelijk van invloed op
                    het hebben van een machtiging. Dat betekent dat deze bevoegdheid slechts kan
                    worden uitgeoefend door personen die bij of krachtens de wet bevoegd zijn
                    verklaard zonder toestemming van de bewoner binnen te treden. Van het
                    binnentreden zal een verslag moeten worden gemaakt.</al><al/><al><cursief>e. Mandaat is niet geoorloofd</cursief></al><al>De bevoegdheid machtigingen om binnen te treden af te geven, kan niet worden
                    gemandateerd. De machtiging voor het binnentreden in een woning zonder
                    toestemming vormt de basis voor het plegen van een inbreuk op de grondwettelijke
                    vrijheden van de bewoner. Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb is
                    mandaatverlening geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald
                    of de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Gezien de zwaarte van deze
                    inbreuk is hier sprake van een bevoegdheid waarvan de aard zich tegen
                    mandaatverlening verzet (zie de parlementaire behandeling van de Awbi).</al><al/><al><cursief>f. De strafrechtelijke sanctie</cursief></al><al>Een ambtenaar die zonder dat hij de bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij
                    de vormvoorschriften in acht neemt, een woning, lokaal of erf betreedt, dient
                    zich op vordering van de rechthebbende direct te verwijderen. Het niet opvolgen
                    van deze vordering levert het ambtsmisdrijf van artikel 370 WvS. op.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>De tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of opname
                    in een ziekenhuis, leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van woning
                    verliest (HR 4 januari 1972, NJ 1972, 121).</al><al>Met een woning verbonden ruimten die in het geheel niet voor bewoning zijn
                    bestemd en die van buitenaf via een eigen ingang kunnen worden betreden -
                    bijvoorbeeld een praktijkruimte of een winkel - vallen niet de bescherming van
                    het huisrecht. de bescherming van de woning vallen voorts niet de trappen en
                    portalen die tot een woning en andere lokaliteiten toegang geven (HR 16 december
                    1907, W 8633), dus ook - zo mag worden aangenomen - niet de gemeenschappelijke
                    trappen en portalen in een flatgebouw.</al><al/><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</vet></al><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening
                    vervalt.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen.</al><al/><al>Het is ook geoorloofd in de verordening te bepalen dat de dag van
                    inwerkingtreding door het college van burgemeester en wethouders zal worden
                    vastgesteld. Het alternatief luidt in dat geval:</al><al>“Deze verordening treedt in werking op een door het college nader te bepalen
                    tijdstip.”</al><al/><al>De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is
                    gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle
                    overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is
                    dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet.</al><al/><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te
                    verlenen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening. De overgangsbepaling zoals deze nu luidt,
                    is een verregaande vereenvoudiging van de oude regeling. Het betreft in dit
                    artikel besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                    eerste lid, dus de oude verordening. De besluiten waar het om gaat zijn
                    vergunningen, ontheffingen (het oude eerste lid), voorschriften en beperkingen
                    (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel 1:4 (het oude tweede lid), nadere
                    regels, beleidsregels en aanwijzingbesluiten (het oude zevende lid).</al><al/><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al/><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al/><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc).</al><al/><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).</al><al/><al><vet>Artikel 6.6 Citeertitel</vet></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig de modelbepaling 108, derde lid,
                    van de Adr.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop>Toelichting bij artikel 1.1.</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, d.w.z. begrippen
                    die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben, zijn in de
                    desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al>Openbare plaats: vele van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben
                    betrekking op (verboden) gedragingen ‘op een openbare plaats’ of ‘op of aan de
                    weg’ (voor ‘weg’, zie onder b). De gemeentelijke wetgever</al><al>is bevoegd ten aanzien van alle feitelijk voor de publiek toegankelijke plaatsen
                    regels vast te stellen – dit ongeacht de eigendomssituatie met betrekking tot
                    deze plaatsen – voorzover dat nodig is in het belang van de</al><al>gemeentelijke huishouding.</al><al>Weg: De omschrijving van lid Wegenverkeerswet luidt:’alle voor het openbaar
                    verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen
                    en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.</al><al>Openbaar water: de omschrijving in het artikel spreekt voor zich. Onder a is
                    meer te lezen over de bevoegdheden van de gemeente t.a.v. openbare
                    gebieden.</al><al>Bebouwde kom: De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of
                    kan) beperkt (zijn) tot de bebouwde kom. </al><al>Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, het direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of
                    gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt</al><al>Handelsreclame: Iedere vorm van openbare aanprijzing van goederen en diensten
                    die geen betrekking hebben op ideële doeleinden.</al><al/><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:2</tussenkop><al>Tijdig beslissen is een rechtsplicht voor elke bestuursorgaan. Het merendeel van
                    de aanvragen kan binnen acht weken worden afgedaan. De meer ingewikkelde
                    aanvragen, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere</al><al>instanties moeten worden ingewonnen vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst, ook wanneer een verzoek om vergunning, gelet
                    op het tijdstip van indiening, nog niet op zijn merites kan worden
                    beoordeeld.</al><al/><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:3</tussenkop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De ‘kan’ bepaling</al><al>maakt dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te
                    worden gelaten. Voor vergunningen/ontheffingen die niet binnen drie weken kunnen
                    worden behandeld, is in lid 2 de mogelijkheid geschapen om de termijn van drie
                    weken te verlengen tot maximaal acht weken.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:4</tussenkop><al>Niet-nakoming van voorschriften verbonden aan een vergunning/ontheffing, kan
                    grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing
                    van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingbevoegdheid vastgelegd. In artikel 6:1 wordt overtreding van het bij
                    of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor is ook het
                    overtreden van aan een vergunning/ontheffing verbonden voorschriften met straf
                    bedreigd.</al><al/><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:5</tussenkop><al>Persoonlijk is de vergunning als de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend of
                    in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens
                    persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van
                    onbesproken levensgedrag etc). De persoonlijke vergunning is in eerste instantie
                    niet overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend
                    hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk is de vergunning die afhangt van en
                    gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de
                    persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. De zakelijke
                    vergunning gaat in beginsel over, krachtens rechtsopvolging onder algemene of
                    bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk
                    gerechtigde ondernemer etc.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:6</tussenkop><al>De intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een facultatief karakter(“kan”). Het
                    hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan.
                    Met name het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel beperken de bevoegdheid
                    tot wijziging en intrekking. Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning
                    of ontheffing in te trekken of te wijziging, moet het de belanghebbende in de
                    gelegenheid stellen hun bedenkingen in te dienen als wordt voldaan aan artikel
                    4:8 Awb.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:7</tussenkop><al>Artikel 11 van de Dienstenrichtlijn stelt dat vergunning geen beperkte
                    geldingsduur mogen hebben, tenzij:</al><lijst><li nr="-"><al>de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de
                            voortdurende vervulling van de voorwaarden;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden
                            van algemeen belang;</al></li><li nr="-"><al>een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen
                            belang</al></li></lijst><tussenkop>Toelichting bij artikel 1:8</tussenkop><al>Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is er voor gekozen om in
                    Hoofdstuk 1 algemene weigeringsgronden te benoemen. Alleen als er voor een
                    vergunning meer weigeringsgronden zijn, worden die in het</al><al>desbetreffende artikel genoemd. De genoemde gronden voor het weigeren van een
                    vergunning of ontheffing gelden voor alle vergunningen en ontheffingen die in de
                    APV worden genoemd.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 1:9</tussenkop><al>De vergunning en ontheffingen opgenomen in dit artikel worden doorgaans verleend
                    voor zaken waarin de afweging niet bijzonder gecompliceerd is. Als het gevraagde
                    helder is omschreven kan de inschatting of er bijvoorbeeld schade, gevaar of
                    hinder dreigt, in korte tijd worden gemaakt vandaar dat een lex silencio
                    positivo is opgenomen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 1:10:</tussenkop><al>Voor een ontheffing op het verbod van samenscholing is een lex silencio niet
                    gewenst wegens de openbare orde en veiligheid. Kleinere evenementen zijn al
                    vergunningsvrij. Deze vergunning ziet derhalve op grotere evenementen. Daarbij
                    is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die een groot
                    evenement kan hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten van
                    een groot evenement, zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer en parkeren van
                    bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan
                    bieden. Bij verlening van ontheffing voor het houden van hinderlijke of
                    schadelijke dieren is ook niet gekozen voor een lex silencio omwille van
                    maatschappelijke gevoeligheid en het borgen van het derdenbelang. Bij de
                    vergunningverlening voor seksinrichtingen is tevens gekozen om geen lex silencio
                    toe te laten omwille</al><al>van de politieke en maatschappelijke gevoeligheid en het borgen van het
                    derdenbelang.</al><al/><tussenkop>Hoofdstuk 2. Openbare orde</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden</tussenkop><tussenkop>Toelichting bij afdeling 1:</tussenkop><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De</al><al>diverse functies van de openbare ruimte, onder andere voor demonstraties,
                    optochten en feesten, vraagt om een scheiding dan wel regulering van het
                    gebruik.</al><al/><tussenkop>Toelichting bij artikel 2:1</tussenkop><al>Gedragingen kunnen door hun dreigende karakter aanleiding geven voor verstoring
                    van de openbare orde. Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing
                    het karakter heeft van bijvoorbeeld een betoging.</al><al>Gelet op de Wet openbare manifestaties (WOM) moeten dit soort samenscholingen
                    van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het vijfde lid is dit dan
                    ook gebeurd. De politieambtenaar mag slechts het in</al><al>tweede lid bedoelde bevel geven wanneer de in het lid beschreven toestand
                    feitelijk bestaat. Het gehoor geven aan het bevel vormt een voorwaarde voor de
                    toepasselijkheid van de strafbepaling.</al><tussenkop>Afdeling 2. Betoging</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:3</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM). De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de
                    activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9</al><al>Grondwet vallen. Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten
                    tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare
                    plaatsen gehouden worden. De WOM heeft betrekking op collectieve uitingen.</al><tussenkop>Afdeling 3. Verspreiden van gedrukte stukken</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:6</tussenkop><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend
                    optreden vanwege de inhoud van drukwerk, maar is wel bevoegd het verspreiden van
                    drukwerk in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid aan
                    beperkingen te onderwerpen. Algemeen uitgangspunt is dat verspreiding is
                    toegestaan behalve op door het college</al><al>aangewezen wegen of gedeelten daarvan al dan niet verder beperkt tot nader aan
                    te geven dagen en uren.</al><al/><tussenkop>Afdeling 4. Vertoningen e.d. op de weg</tussenkop><tussenkop>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg</tussenkop><tussenkop>Toelichting bij artikel 2:10a</tussenkop><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of
                    gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing van dit
                    artikel moet gedacht worden aan het plaatsen van sandwichborden,</al><al>containers, meubilair tbv terrassen, inboedels bij ontruimingen e.d.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 2:10B</tussenkop><al>Als een evenement wordt gehouden, waarvoor vergunning is verleend op basis van
                    artikel 2:25 dan hoeft geen vergunning te worden verleend op basis van artikel
                    2:10. Deze bepaling voorkomt een samenloop van beide</al><al>vergunningen. In de voorschriften bij een vergunning voor een evenement kan
                    immers ook de verkeersveiligheid worden gewaarborgd. Voor terrassen en
                    standplaatsen geldt hetzelfde als artikel 2:28, vijfde lid of artikel</al><al>5:18 van toepassing is. Het verbod van artikel 2:10 is niet van toepassing op
                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</al><al>Een vergunningsstelsel voor zulke uitingen zou in strijd zijn met artikel 7 van
                    de Grondwet (vrijheid van meningsuiting). Het is daarentegen wel verboden om
                    uitingen e doen als daardoor het verkeer wordt gehinderd</al><al>of in gevaar gebracht, of wanneer het doelmatig onderhoud en beheer van de weg
                    wordt belemmerd.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:10C</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 2:11</tussenkop><al>In verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen is het niet
                    gewenst dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen beschadigen of veranderen.
                    Hierdoor kan dan worden voorkomen dat wegen voortijdig</al><al>aangelegd worden waardoor, door de latere aanleg van openbare voorzieningen als
                    verlichting en riolering de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk
                    verminderd zal zijn. Vergunning is vereist voor de aanleg, verandering etc. van
                    wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 2:12</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat nu na melding een uitweg kan worden gemaakt of veranderd
                    indien de uitweg niet botst met de veiligheid, een bestaande parkeerplaats of
                    het openbare groen. Dit betekent lastenvermindering en</al><al>snellere afhandeling voor burger en overheid</al><tussenkop>Afdeling 6. Veiligheid op de weg</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:13</tussenkop><al>Dit artikel bevat een verbod om bij vriezend weer een gevaarlijke situatie te
                    laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto op de
                    openbare weg bij vriezend weer, waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke</al><al>situatie kan ontstaan.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:15</tussenkop><al>Als door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet,</al><al>een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><tussenkop>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:18</tussenkop><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod gaat niet zover dat het roken in de
                    gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied</al><al>liggen, niet meer mogelijk is.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:19</tussenkop><al>Dit artikel gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het
                    aanbrengen van schrikdraad en puntdraad.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 2:21</tussenkop><al>Er zijn situaties waarin het nodig is verkeersborden en voorzieningen ten
                    behoeve van de straatverlichting te bevestigen aan bouwwerken van particulieren.
                    Het spreekt voor zich dat de hier gegeven bevoegdheden met de nodige
                    zorgvuldigheid dienen te worden gebruikt.</al><tussenkop>Afdeling 7. Evenementen</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:24</tussenkop><al>Er is gekozen voor de zogenoemde negatieve benaderingsmethode ten aanzien van de
                    definiëring. Uitgaande van een algemeen geldend criterium (elke voor het publiek
                    toegankelijke verrichting van vermaak) wordt vervolgens een aantal evenementen
                    opgesomd dat niet onder de werking van de bepalingen valt.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:25</tussenkop><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor een
                    groot deel van de gemeente of kleinschalig, alleen beperkt tot de</al><al>eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende
                    belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden
                    gemaakt. Voor (kleine) eendaagse evenementen is gekozen voor een algemene
                    maatregel. Het moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare
                    ruimte afspelen met als doel vermaak en ontspanning te bieden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:26</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:27</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip ‘horecabedrijf’ sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de Apv.</al><al/><tussenkop>Toelichting artikel 2:28</tussenkop><al>Op grond van de Apv kan overlast worden tegengegaan die de openbare orde betreft
                    en die zich buiten het bedrijf afspeelt. Omdat overlast groot kan zijn, is een
                    vergunningensysteem voorhanden om de openbare orde</al><al>en het leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf langs preventieve weg te
                    beschermen. De vergunningverlening dient ingevolge artikel 174 van de
                    Gemeentewet te geschieden door de burgemeester. De exploitatievergunning is
                    primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen
                    of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en
                    leefklimaat en de openbare orde ter plaatse. Daarbij is van belang in welke mate
                    van het bedrijf zelf overlast te duchten is, maar ook in welke mate het bedrijf
                    de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal kunnen aantasten. In het
                    Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer worden algemene
                    regels gesteld voor datgene wat zich afspeelt in het horecabedrijf en de directe
                    omgeving daarvan. Daarnaast kunnen nadere eisen worden gesteld ten aanzien
                    van:</al><al>het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting;</al><al>de periode van openstelling van de inrichting;</al><al>de situering van het terras;</al><al>het in acht nemen van gedragsregels binnen de inrichting, waaronder regels ten
                    aanzien van aan- en afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers. Krachtens
                    artikel 1:4 kunnen voorschriften worden verbonden aan de exploitatievergunning.
                    Tevens bestaat de mogelijkheid om de in de exploitatievergunning genoemde
                    voorschriften te koppelen aan een te sluiten horecaconvenant, om op deze wijze
                    een bijdrage te leveren aan de beheersing van de horecaoverlast. De
                    exploitatievergunning dient te worden toegeschreven op de aard en omvang van het
                    uit te oefenen horecabedrijf. Uitbreiding met een of meer lokaliteiten of
                    verandering van de aard van de bedrijfsvoering kunnen gevolgen hebben voor het
                    woon- en leefklimaat of de openbare orde. In die gevallen is dan een nieuwe
                    vergunning vereist. De</al><al>exploitatievergunning heeft een persoonlijk karakter. Maatwerk is hiermee
                    mogelijk gemaakt.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 2:29</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:30</tussenkop><al>De door de burgemeester aan de Gemeentewet te ontlenen bevoegdheid ten aanzien
                    van tijdelijk sluiting van horecabedrijven ziet op daadwerkelijke handhaving van
                    de openbare orde en heeft de alsdan actuele situatie</al><al>tot onderwerp, waardoor enkel maatregelen voor een korte termijn mogelijk zijn.
                    De in de Apv opgenomen bevoegdheid geeft de burgemeester een grotere
                    beoordelings- en beslissingsvrijheid en maakt een vooruitziend</al><al>besturen over een langere termijn mogelijk. In het besluit zal de periode van
                    afwijking expliciet moeten worden aangegeven. Indien gebeurtenissen plaatsvinden
                    in een horecabedrijf die als aantastingen van de openbare</al><al>orde of van het woon- en leefklimaat moeten worden beschouwd, kan de maatregel
                    ook voor dat enkele bedrijf worden genomen. De maatregel blijft echter tijdelijk
                    van aard.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:31</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:32</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat drugsverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen
                    goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 DHW
                    neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod
                    ziet echter slechts op verkoophandelingen. Omdat artikel 2:32 een verbod bevat
                    voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden
                    gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel
                    is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is
                    gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:33</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:33a</tussenkop><al>Dit is een op individuele bezoekers gericht instrument ter handhaving van de
                    openbare orde in het algemeen en van de orde in inrichtingen in het
                    bijzonder.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 2:34</tussenkop><al>Het begrip ‘horecabedrijf’ als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die nier voor het publiek toegankelijk zijn zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 Gemeentewet is in
                    dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan.</al><tussenkop>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen
                    van nachtverblijf</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:35</tussenkop><al>Het begrip inrichting als hier omschreven, sluit aan bij artikel 438 Wetboek van
                    Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van een terrein
                    voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van kampeermiddelen en
                    dergelijke.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:36</tussenkop><al>Dit artikel strekt ertoe dat de burgemeester een zo volledig mogelijk overzicht
                    heeft van de in de gemeente aanwezige nachtverblijf- en
                    kampeerinrichtingen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:38</tussenkop><al>Deze bepaling komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de</al><al>exploitant te verstrekken.</al><tussenkop>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:39</tussenkop><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de</al><al>speelgelegenheid vaak wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een
                    vergunningsplicht opgenomen, met in het derde lid de mogelijkheid om de
                    vergunning te weigeren als naar het oordeel van de burgemeester moet worden
                    aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid
                    of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                    exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er strijd</al><al>bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6</al><al>van de model APV zijn voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden
                    ingetrokken of gewijzigd.</al><al/><al>Toelichting op artikel 2:40</al><al>De Wet op de Kansspelen verplicht dat bij verordening wordt aangegeven dat voor
                    hoogdrempelige inrichtingen voor twee kansspelautomaten vergunning kan worden
                    verleend en dat laagdrempelige gelegenheden geen</al><al>vergunning voor kansspelautomaten wordt verleend. Ten slotte moet worden
                    aangegeven voor hoeveel behendigheidsautomaten</al><al>per inrichting vergunning wordt verleend.</al><tussenkop>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en
                    baldadigheid</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:41</tussenkop><al>Op grond van artikel 174a van de Gemeentewet is de burgemeester bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Het is
                    nodig om – voor de gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling
                    reeds is verbroken – strafbepaling op te stellen die het verbiedt om een
                    gesloten pand te betreden.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 2:42</tussenkop><al>Het eerste lid geeft een absoluut verbod. In de term ‘bekladden’ ligt reeds
                    besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR (internationaal</al><al>verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten). Het aanbrengen van
                    aanplakbiljetten op onroerend goed kan worden aangemerkt als een middel tot
                    bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen</al><al>zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde
                    behoeft kan voorzien. Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde
                    grondrecht zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou
                    worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden
                    gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin
                    neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het
                    gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voorzover door dat gebruik
                    eens anders recht wordt geschonden.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:43</tussenkop><al>Door de bepaling wordt de effectiviteit van het aanplakverbod van artikel 2:42
                    vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient zo te worden gelezen dat de
                    omstandigheid, dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet
                    waren bestemd of gebezigd voor handelingen die volgens 2:42 zijn verboden, een
                    rechtvaardigingsgrond oplevert.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:44</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 2:47</tussenkop><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden. Daarbij stelt artikel 424 Wetboek van Strafrecht
                    ‘straatschenderij’ strafbaar, terwijl artikel 426bis is het belemmeren van
                    anderen op de openbare weg met straf bedreigt.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:48</tussenkop><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Het gaat om een</al><al>exces-bepaling: oogmerk is het voorkomen c.q. tegengaan van hinderlijk gedrag
                    als gevolg van drankgebruik. Dit is bij een buurtbarbeque c.q. feest of een
                    ander evenement op de openbare weg in principe niet het geval.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:49</tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen).</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:50</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling</al><al>wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het inde Apv
                    voorkomende begrip ‘weg’ of ‘openbare plaats’. Om een indicatie te geven bij het
                    beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek toegankelijke</al><al>ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een aantal ruimten
                    concreet genoemd.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:51</tussenkop><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om</al><al>de voorkoming van overlast.Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen
                    panden die niet door de eigenaren van de voertuigen worden</al><al>bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen hinder of schade kunnen veroorzaken,
                    geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel 2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen
                    op te treden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 2:52</tussenkop><al>Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:57</tussenkop><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg (door
                    de omschrijving van het begrip 'weg' vallen hieronder ook parken en
                    plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen</al><al>e.d.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:58</tussenkop><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Maar om de
                    overlast die het veroorzaakt is bepaald dat eenieder, die een hond onder zijn
                    hoede heeft, verplicht is ervoor te zorgen dat de hond zich niet van
                    uitwerpselen ontdoet op een aantal met name genoemde terreinen en plaatsen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:59</tussenkop><al>Per 1 januari 2009 is Regeling Agressieve Dieren (RAD) ingetrokken. Door middel
                    van dit artikel kan het college, na zorgvuldig onderzoek, de eigenaar van een
                    hond (ongeacht welke ras) opdragen de hond kort aangelijnd</al><al>te houden en/of de hond een muilkorf te laten dragen. Als dit besluit wordt
                    genegeerd kan daartegen bestuursrechtelijk worden opgetreden met bestuursdwang
                    of dwangsom.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:60</tussenkop><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. Er moet kunnen
                    worden ingegrepen als overlast en/of schade voor de openbare gezondheid dreigt.
                    Dan moeten belangen worden afgewogen. Dit artikel</al><al>voorziet niet in onenigheid tussen buren over het houden van dieren. De eigen
                    verantwoordelijkheid van betrokkenen en de aanspreekbaarheid worden hiermee
                    bevorderd.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:62</tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zo veel mogelijk
                    te voorkomen is daarom op zijn plaats. Verder wordt gewezen op artikel 458
                    Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt het, zonder daartoe gerechtigd te zijn,
                    laten lopen van niet-uitvliegend pluimgedierte (onder andere kippen en
                    kalkoenen) in tuinen of op enig grond die bezaaid, bepoot of beplant is, met
                    straf bedreigd.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:65</tussenkop><al>Met name in de stadscentra wordt soms overlast ondervonden van bedelaars. Deze
                    gedragen zich soms agressief en hinderlijk door passanten aan te klampen, te
                    intimideren, de weg te versperren of te volgen. Hierdoor</al><al>komt de openbare orde in het geding.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:66</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:71</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip consumentenvuurwerk is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. De bepalingen 2:72 en 2:73
                    zijn gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:72</tussenkop><al>Dit artikel beoogt het aantal verkooppunten te reguleren in het belang van de
                    handhaving van de openbare orde. Naast een vergunning op basis van de APV is
                    voor de opslag van vuurwerk in beginsel ook een milieuvergunning vereist.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:73</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is consumentenvuurwerk af te
                    steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00
                    uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op
                    dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan
                    de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de
                    nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag
                    is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen
                    tijde niet toelaatbaar moet worden geacht. (bijvoorbeeld bejaardentehuizen,
                    huizen met rieten daken, in winkelstraten. kerkgebouwen tijdens kerkdiensten).
                    Het tweede lid maakt het mogelijk om</al><al>op te treden tegen het bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een
                    promenade, een passage, een portiek of een volksverzameling.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 2:73a</tussenkop><al>Traditiegetrouw wordt er tijdens de jaarwisseling veel geschoten met carbid.
                    Anders dan het gebruik van vuurwerk is het carbidschieten nergens geregeld. Het
                    carbidschieten valt niet onder het Vuurwerkbesluit (ivm het</al><al>ontbreken van een ontstekingsmiddel). Het betreft daarmee wel een onderwerp
                    waarover de autonome verordenende bevoegdheid van de raad zich uitstrekt en
                    waarvoor wel regels mogen worden gesteld. Het bovenstaande artikel probeert het
                    schieten met carbid te reguleren en een handvat te geven om eventueel te
                    handhaven. </al><tussenkop>Afdeling 14. Drugsoverlast</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 2:74</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De straathandel
                    in drugs kan leiden tot ernstige verstoring van de openbare orde. Deze bepaling
                    heeft een ander motief dan de Opiumwet.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN,
                    SEKSWINKELS,STRAATPROSTITUTIE, EN DERGELIJKE</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 3:1</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip ‘prostitutie’ en ‘prostituee’ is afgeleid van de
                    definitie in artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>De term ‘besloten ruimte’ van lid a omvat meer dan het begrip ‘gebouw’:
                    daaronder wordt ook begrepen een vaar- of een voertuig.</al><al>Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een
                    telefooncentrale, of zelfs een website op Internet. De plaats van de
                    bedrijfsruimte bepaalt de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de</al><al>services actief aan door middel van advertenties en andere
                    reclame-uitingen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:2</tussenkop><al>De artikelen 162 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 162 is het college van burgemeester en wethouders
                    belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen
                    als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit
                    laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met
                    'het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de
                    voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid)
                    en met 'de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het
                    in</al><al>het eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid). In veruit de meeste gevallen
                    dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt als het bevoegde
                    bestuursorgaan. In de definitie van seksinrichtingen is echter het ruimere
                    begrip 'ruimte' opgenomen. Dat betekent dat het college bevoegd is als het gaat
                    om met name de vaar- en voertuigen. Ook is het college bevoegd</al><al>als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van de openbare weg, waarbij in dit
                    verband met name gedacht moet worden aan de aanwijzing van tippelzones, is een
                    bevoegdheid van het college. Van de specifieke aard</al><al>van de seksinrichting is afhankelijk wie in een concreet geval bevoegd is: het
                    college of de burgemeester. Aangezien van onbevoegd genomen besluiten
                    vernietiging in de rede ligt, moet deze vraag met zorgvuldigheid</al><al>worden beantwoord.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:3</tussenkop><al>Vergunningvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende</al><al>voorschriften.</al><tussenkop>Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie,
                    sekswinkels en dergelijke</tussenkop><tussenkop>Toelichting bij artikel 3:4</tussenkop><al>De exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven wordt gereguleerd door
                    middel van de vergunningfiguur. Uit het eerste lid vloeit een voor de hele
                    gemeente geldende vergunningplicht voort. Het wijzigen van de seksinrichting
                    valt eveneens onder de vergunningplicht. De strekking van de vergunningplicht
                    laat onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van een
                    ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen)</al><al>vormen over alle rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen
                    (artikel 3:4 van de Awb). Indiening en in ontvangstname van een aanvraag staan
                    dus nadrukkelijk in het teken van het vergaren van alle kennis</al><al>over relevante feiten en betrokken belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige
                    afweging te kunnen komen. De vergunningverlening is persoonsgebonden en niet
                    overdraagbaar.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:5</tussenkop><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s). Daartoe is het Besluit
                    Inlichtingen justitiële documentatie gewijzigd. In dit artikel wordt zoveel
                    mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden nagenoeg dezelfde eisen
                    gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en het daarop gebaseerde
                    Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Lid 2 tot en met 5 geven aan
                    wanneer in elk geval sprake is van ‘in enig opzicht slecht levensgedrag’. Het is
                    geen limitatieve opsomming.</al><al>Bij de beoordeling van deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de
                    justitiële documentatie en de toetsing ervan aan het besluit, kan worden
                    aangesloten bij de daarover bestaande jurisprudentie.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:6</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:7</tussenkop><al>Ten opzichte van artikel 3:6 biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan
                    niet tijdelijk af te wijken. Aan zo'n tijdelijke afwijking moeten een of meer
                    van de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen ten grondslag</al><al>liggen, of er moet sprake zijn van strijdigheid met het bepaalde in dit
                    hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat
                    noodzakelijk acht in het belang van de openbare orde, de woon- en</al><al>leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en dergelijke. In het
                    eerste lid, aanhef en onder b, is het bevoegd bestuursorgaan een expliciete
                    sluitingsbevoegdheid gegeven. De sluitingsbevoegdheid kan bijvoorbeeld worden
                    toegepast in gevallen waarin openbare inrichtingen het decor vormen voor
                    allerlei vormen van criminaliteit die strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van
                    Strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en</al><al>munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de sluitingsbevoegdheid als
                    hier bedoeld, is niet in strijd met deze formeel-wettelijke regelingen omdat
                    daaraan een afwijkend oogmerk ten grondslag ligt. Voor toepassing</al><al>van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde overtredingen
                    een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:8</tussenkop><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is niet slechts een gebod
                    (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod opgenomen. De aanwezigheid
                    van de exploitant of beheerder is van belang in verband</al><al>met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in het tweede lid. Het
                    artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:9</tussenkop><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Straatprostitutie is in de gemeente verboden.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:10</tussenkop><al>Geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:11</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk</al><al>vooral zal worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig.</al><tussenkop>Afdeling 3. Beslissingstermijn;
                    weigeringsgronden</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 3:13</tussenkop><al>De hier genoemde belangen vormen samen de 'huishouding', tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    'weigeringsgronden' hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. De hier genoemde belangen
                    moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag voor (en begrenzing van)
                    het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om de (exploitatie van)
                    prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen. De bescherming van de openbare
                    orde en de woon- en leefomgeving kan onder meer aanleiding zijn om het aantal
                    seksinrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend aan een maximum te
                    binden. Indien het maximumaantal vergunningen is verleend, kan vergunning voor
                    een nieuwe seksinrichting worden geweigerd om te voorkomen dat de woon- en
                    leefomgeving ter plaatse door de vestiging van een nieuw bedrijf zou worden
                    aangetast. Het maximumstelsel is neergelegd in de Nota prostitutiebeleid
                    gemeente Nunspeet.</al><al/><tussenkop>Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 3:14</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd en/of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van één of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de</al><al>feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet worden
                    kennisgegeven.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 3:15</tussenkop><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders. Anders dan bij
                    beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het
                    van rechtswege vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in
                    de inrichting in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt
                    van de exploitant zelf.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEUEN HET
                    NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERKIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1. Geluidshinder en verlichting</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 4:1</tussenkop><al>Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
                    (hierna: Activiteitenbesluit) in werking getreden. Dit besluit vervangt een
                    groot aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Het Activiteitenbesluit
                    geeft, net als het oude besluit horeca- sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer, gemeenten de mogelijkheid om bij festiviteiten via een verordening
                    ontheffing te verlenen voor artikelen over geluid-,</al><al>trillings- en lichthinder. Hiervoor is voor de begripsbepalingen aansluiting
                    gezocht bij de definities genoemd in het Activiteitenbesluit en de Wet
                    milieubeheer.</al><tussenkop>Toelichting artikel 4:2</tussenkop><al>Het college heeft door middel van dit artikel de mogelijkheid om collectieve
                    festiviteiten aan te wijzen waarin een hogere maximale geluidsnormen geldt.
                    Voorbeeld van collectieve festiviteiten zijn: kermis, carnaval of</al><al>culturele-, sport- en recreatieve manifestaties.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 4:3</tussenkop><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal
                    inrichtingen gebonden is. Dit bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij
                    een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege</al><al>vogels’ toernooi.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 4:5</tussenkop><al>Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is
                    dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden
                    beschermd.</al><tussenkop>Toelichting bij artikel 4:6</tussenkop><al>Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Zoals; </al><lijst><li nr="-"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="-"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="-"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al>Ook kan onder dit artikel vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het
                    beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur,</al><al>het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Van geval tot geval
                    moet worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is
                    van geluidhinder en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt
                    daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde
                    onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard.</al><tussenkop>Afdeling 2. Bodem-, weg- en
                    milieuverontreiniging</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 4:8</tussenkop><al>Met behulp van dit artikel kan onder andere het wildplassen worden
                    tegengegaan.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 4:9</tussenkop><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in Bouwverordening geschrapte
                    artikelen 334 en 336. Dit zijn bepalingen die niet direct het bouwwerk maar meer
                    de omgeving betreffen en dus beter in de APV thuis horen.</al><tussenkop>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en
                    stankoverlast</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 4:13</tussenkop><al>De bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d. en landbouwproducten en –afval. Ze ziet
                    niet op handelingen die plaatsvinden op de ‘weg’in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voorzover de in
                    deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de ‘weg’ daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften. Voorzover de Wet Milieubeheer (Wm) deze activiteiten niet regelt
                    kunnen de hinderlijke effecten ervan met diverse bepalingen uit de APV worden
                    bestreden.</al><al>Voldoet een autowrak aan de omschrijving in het Activiteitenbesluit nadere
                    omschrijving begrip autowrakken dan is op de opslag daarvan ingevolge artikel
                    10.17 WM verboden. Verkeert de auto rijtechnisch wel in onvoldoende staat van
                    onderhoud, maar is voorzien van een geldig kenteken dan is de opslag daarvan
                    niet volgens artikel 10.17 WM verboden. Wel kan hier iets tegen gedaan worden op
                    grond van artikel 4:13 APV. Voor autowrakken die op de weg zijn geplaatst zie
                    artikel 5:5.</al><tussenkop>Artikel 4:15 – Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                    reclame</tussenkop><al>In dit artikel is een algemene bepaling opgenomen die verbiedt om door middel
                    van reclame het verkeer in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te
                    veroorzaken voor omwonenden.</al><tussenkop>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 4:17</tussenkop><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan</al><tussenkop>Toelichting artikel 4:18 en 4:19</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al><tussenkop>Afdeling 6. Bescherming planten</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 4:20</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen te bescherming van diverse plantsoorten, paddenstoelen
                    en mossen.</al><al>55</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                    gemeente</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1. Parkeerexcessen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 5:1</tussenkop><al>Om te voorkomen dat over de inhoud van het begrip “voertuigen” onzekerheid zal
                    bestaan, is een definitie van dit begrip opgenomen.</al><al>De omschrijving van het begrip “parkeren” is dezelfde als de omschrijving in
                    artikel 1, onder ac, van het RVV 1990.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:2</tussenkop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State besliste dat het bij elkaar
                    parkeren van drie of meer taxi’s van taxibedrijven of auto’s van
                    rijschoolhouders niet onder de werking van deze bepaling valt. Omdat het
                    parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve
                    vormen kan aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder
                    ‘verhuren’ ook wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van
                    rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Het derde lid onder
                    a maakt het mogelijk tegen autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel-
                    en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte
                    voor auto’s die hen toebehoren en/of zijn toevertrouwd. Het betreffen situaties
                    waarin het gebruik van parkeerruimte op buitensporige wijze plaats</al><al>heeft en daarom niet toelaatbaar is. Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op een
                    openbare plaats geparkeerde voertuigen in het kader van de</al><al>uitoefening van een (neven)bedrijf geven veelal klachten als geluidsoverlast en
                    verontreiniging van de weg. Daarom is het wenselijk de strafbaarheid van het
                    herstellen of slopen op een openbare plaats niet te relateren</al><al>aan de omstandigheid dat er sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Als
                    het slopen of herstellen van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet met het
                    oog op de vorengenoemde bezwaren – hiertegen kunnen worden opgetreden,
                    daargelaten of zich in de onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die
                    betrokkene ‘toebehoren of zijn toevertrouwd’. Alleen degene, die bij herhaling
                    de weg als werkplaats voor reparatie- en/of sloopdoeleinden gebruikt is
                    strafbaar.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:3</tussenkop><al>In dit artikel is gekozen voor een constructie waarin het college de bevoegdheid
                    heeft gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. Wanneer er naar het
                    oordeel van het college sprake is van overlast kan het het verbod
                    activeren.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:5</tussenkop><al>De bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van wrakken op de weg (in
                    de zin van de WVW 1994). Het elders in de openlucht opslaan van wrakken vindt
                    reeds regeling in de afvalstoffenverordening en in artikel 10.47 van Wet
                    milieubeheer. De delictsomschrijving bevat daarom niet het bestanddeel ‘van de
                    weg af zichtbaar’. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het
                    voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van
                    subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbende bij het voertuig
                    vallen onder deze bepaling.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:6</tussenkop><al>Voorkomen dient te worden dat een buitensporig gebruik wordt gemaakt van
                    parkeerruimte. Tevens dient aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    te worden voorkomen. Drie dagen is aangehouden, opdat de</al><al>betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen of caravan voor een te
                    ondernemen reis gereed te maken, respectievelijk na de reis op te ruimen. Met
                    het gebruik van de woorden "drie dagen achtereen" is beoogd</al><al>aan te geven dat niet behoeft te worden bewezen, dat het betrokken voertuig drie
                    dagen onafgebroken op dezelfde plaats heeft gestaan en dus niet - al was het
                    maar één meter - is verplaatst. Volstaan kan worden met</al><al>aan te tonen dat het voertuig op enig tijdstip (op drie achtereenvolgende dagen)
                    op de weg geparkeerd heeft gestaan. Dit behoeft niet dezelfde plaats te
                    zijn.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:7</tussenkop><al>Dit artikel richt zich tegen degenen, die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken, door één of meer voertuigen, voorzien van reclamevoorschriften op de weg
                    te parkeren. Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het
                    tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het
                    voertuig op de weg zet. Verder kan het excessieve gelegen zijn in het motief van
                    het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk</al><al>aanzien van de gemeente.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:8</tussenkop><al>Lid 1 beoogt mogelijk te maken op te treden tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg waar dit ontoelaatbaar is, omdat het ontoelaatbaar is
                    wegens een excessief gebruik van de weg of waardoor het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente wordt aangetast. Het college kunnen plaatsen aanwijzen waar het hier
                    bedoelde parkeren naar hun oordeel op een van deze beide - of op beide - gronden
                    ontoelaatbaar is. Aangezien het niet reëel wordt geacht het parkeren van
                    dergelijke grote voertuigen gedurende de werkdag te verbieden, is bepaald dat
                    het verbod niet geldt van maandag tot en met vrijdag, tenzij er sprake is van
                    een erkende feestdag. De belangen van de industrie en handel zouden anders
                    teveel kunnen worden geschaad.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:9</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt mogelijk te maken op te treden tegen het op de weg parkeren
                    van voertuigen bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw,
                    zodanig, dat daardoor het uitzicht van de bewoners</al><al>of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun
                    anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. De in lid 2 bedoelde uitzondering
                    ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en
                    dergelijke.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:11</tussenkop><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen. Deze bepaling richt zich op voorkoming van beschadiging van
                    groenstroken e.d. die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien
                    en dit groen beter aan zijn bestemming te laten beantwoorden. Dit artikel is
                    aanvullend op de wegenverkeerswetgeving die voorziet namelijk niet in de
                    gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst die
                    geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de Wegenverkeerswet)</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:12</tussenkop><al>Regelmatig wordt overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der
                    buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het college kan
                    plaatsen aanwijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer</al><al>te zetten buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te
                    laten staan. Via borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste
                    (brom)fietsen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen wordt</al><al>vervolgens beschouwd als toepassing van bestuursdwang.</al><tussenkop>Afdeling 2. Collecteren</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 5:13</tussenkop><al>Het houden van openbare inzamelingen is vergunningplichtig, niet het daarbij
                    aanbieden of verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. De bepaling laat
                    het aanbieden van geschreven of gedrukte stukken onverlet.</al><tussenkop>Afdeling 3. Venten</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 5:14</tussenkop><al>Onder venten wordt verstaan de uitoefening van kleinhandel waarbij goederen of
                    diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel het
                    huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten.Bij venten</al><al>is het van belang dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren
                    voortdurend aan vanaf een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting
                    van klanten is geen venten. Dit is het verschil tussen venten en het innemen van
                    en standplaats, het heeft te maken met de periode waarin goederen vanaf dezelfde
                    plaats (gebruikmaken van fysiek hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen)
                    in de openbare ruimte worden aangeboden. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning. </al><al/><al>Toelichting op artikel 5:15</al><al>Venten is verboden als de openbare orde wordt verstoord, de openbare veiligheid,
                    de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:16</tussenkop><al>Venten of colporteren met gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7,
                    eerste lid, van de Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken
                    van de kosten van verspreiding (het drukken en redigeren) van gedrukte stukken.
                    Het aanvaarden van geld is dus duidelijk dienstbaar aan de verspreiding. Van
                    venten of colporteren met gedrukte stukken is sprake, wanneer voor deze stukken
                    een reële contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt ontvangen. Omdat
                    het aanbieden van gedrukte stukken en het ontvangen van een geldelijke
                    vergoeding ‘gekoppeld’ en niet te scheiden zijn, is artikel 5:15 niet van
                    toepassing op het te koop aanbieden, verkopen en afleveren van gedrukte stukken
                    (waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard).</al><tussenkop>Afdeling 4. Standplaatsen</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 5:17</tussenkop><al>Het hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen van
                    een vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van
                    het venten met goederen. De venter is ambulant, de standplaatshouder niet.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:18</tussenkop><al>Het hebben van een standplaatsvergunning is, hoe eenvoudig ook, noodzakelijk en
                    evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt
                    verstoord en overlast wordt tegengegaan. De vergunning is persoonsgebonden
                    (artikel 1:6).</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:19</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de eigenaar van het perceel waarop standplaats wordt
                    ingenomen, toestemming moet verlenen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:20</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de Apv van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling.</al><tussenkop>Afdeling 5. Snuffelmarkten</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 5:22</tussenkop><al>Evenals bij venten (artikel 5:14 e.v.) en standplaatsen (artikel 5:17 e.v.)
                    wordt in deze afdeling begonnen met een begripsbepaling van de snuffelmarkt in
                    artikel 5:24.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:23</tussenkop><al>De vergunningsplicht in dit artikel is opgenomen omdat de aard van de goederen
                    en de omstandigheden rondom een snuffelmarkt een uitstralende werking kunnen
                    hebben buiten het gebouw. Het houden van een</al><al>snuffelmarkt is dan ook verboden als de openbare orde dreigt te worden aangetast
                    en overlast (milieu in de zin van de Dienstenrichtlijn) te verwachten is.</al><tussenkop>Afdeling 6. Openbaar water</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 5:24</tussenkop><al>Dit artikel is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid</al><al>op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen
                    van het Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en
                    het Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:25</tussenkop><al>In dit artikel is een verbod met een ontheffingen opgenomen voor het innemen van
                    een ligplaats voor woonschepen en overige vaartuigen. Het college heeft de
                    mogelijkheid om nadere regels te stellen aan het innemen,</al><al>hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats. Via deze algemeen werkende
                    voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan woonschepen die een vaste
                    ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de
                    afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc.</al><al>Ook heeft het college de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal
                    vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en
                    ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen</al><al>worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:26</tussenkop><al>Dit artikel biedt de grondslag om naast de algemene regels die krachtens artikel
                    5:26, tweede lid, kunnen worden uitgevaardigd, om aan een individuele
                    booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:27</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:28</tussenkop><al>Dit artikel heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij
                    de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene
                    die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht</al><al>op.</al><al/><tussenkop>Toelichting artikel 5:29</tussenkop><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:30</tussenkop><al>In dit artikel wordt hinder of gevaarlijk gedrag van de bader of zwemmer </al><al>verboden.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:31</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                    natuurgebieden</tussenkop><tussenkop>Toelichting bij artikel 5:32</tussenkop><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’ motoren,
                    bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn verschillende
                    wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een</al><al>rol in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden. Voor wat betreft de afbakening met hogere
                    regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet</al><al>dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door
                    een wet, amvb of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp”
                    in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde
                    motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De
                    volgende wettelijke regelingen kunnen van toepassing zijn: Wegenverkeerswet
                    1994, Wet milieubeheer,</al><al>Wet op de ruimtelijke ordening.</al><tussenkop>Toelichting artikel 5:33</tussenkop><al>Ter bescherming van de natuur of voorkoming van geluidsoverlast is , schade aan
                    de flora, verstoring van wild e.d. is verboden te crossen met motorvoertuig of
                    bromfiets in de genoemde plaatsen. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor
                    het verbod niet geldt.</al><tussenkop>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 5:34</tussenkop><al>Dit artikel heeft aan aanvullende werking op de bepaling van de Wet milieubeheer
                    inzake het verbranden van afvalstoffen buiten de inrichting (artikel 10.2,
                    eerste lid en artikel 10.63 tweede lid). Op grond van artikel 10.63 Wet
                    milieubeheer kan het college een vergunning verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met het verbranden van
                    afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang.
                    Artikel 10.63 Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de vergunning op die
                    argumenten te weigeren. Artikel 5:34 Apv vult daarom voor wat betreft deze
                    aspecten de Wet milieubeheer</al><al>aan. In de ontheffing kunnen dan ook alleen aspecten van openbare orde en
                    veiligheid worden geregeld.</al><al/><tussenkop>Afdeling 9. Verstrooiing van as</tussenkop><al>Toelichting op artikel 5:35</al><al>Vanwege de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging zijn de mogelijkheden voor
                    incidentele asverstrooiing verruimd. Uitgangspunt hierbij is dat nabestaanden in
                    beginsel zelf een plaats moeten kunnen kiezen om de as</al><al>te verstrooien.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:36</tussenkop><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Ook</al><al>op die plaatsen waar meerdere personen gelijktijdig vertoeven, is het niet
                    gewenst as te verstrooien. Het openstellen van de gemeentelijke begraafplaats
                    voor asverstrooiing is eveneens niet wenselijk.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:37</tussenkop><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis, zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders. Het is daarom van belang dat omstanders geen hinder
                    ondervinden. </al><al/><tussenkop>Afdeling 10. Haven en Havenkanaal</tussenkop><tussenkop>Toelichting op artikel 5:38</tussenkop><al>Afdeling 10 is opgenomen omdat de haven en het havenkanaal als hoofd
                    gebruiksdoel hebben, het aanbieden van ligplaatsen t.b.v. vaartuigen in de
                    toeristisch/recreatieve sector. Aanvullend wordt beperkt ruimte geboden</al><al>voor laad- en losactiviteiten en enkele woonschepen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:39, 5:40, 5:41, 5:42 en
                    5:43</tussenkop><al>Geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:44</tussenkop><al>De in het eerste lid opgenomen afwijking is nodig om het voor schippers mogelijk
                    te maken om vaartuigen vast te leggen. Hier ligt ook een directe relatie met
                    artikel 5:42.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:45</tussenkop><al>Hier is gekozen voor toestemming van de havenmeester, omdat het doorgaans gaat
                    om beperkte aktiviteiten, b.v. als er een voorwerp in het water gevallen is. Op
                    de omvangrijkere werkzaamheden ziet artikel 5.45. Bij de toestemming zal m.n.
                    gelet worden op een zo onbelemmerd en veilig mogelijk verkeer in en rondom de
                    haven en het havenkanaal.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:46</tussenkop><al>Hier is gekozen voor vergunning van het college, omdat het doorgaans gaat om
                    omvangrijkere werkzaamheden. Zie ook artikel 5.44. Bij de vergunning zal m.n.
                    gelet worden op een zo onbelemmerd en veilig mogelijk</al><al>verkeer in en rondom de haven en het havenkanaal. Slopen zal slechts bij
                    uitzondering mogen plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een calamiteit met een zich in
                    de haven bevindend vaartuig, en het uit veiligheidsoogpunt niet verantwoord is
                    dat het vaartuig naar elders wordt gebracht.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:47</tussenkop><al>Geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:48</tussenkop><al>Het eerste lid zou niet behoeven te worden opgenomen, omdat dit normaal
                    eigendomsrecht is. Het is echter opgenomen vanwege de wenselijkheid van opneming
                    van lid 2. Lid 2 is opgenomen om b.v. bij calamiteiten door de havenmeester
                    adequate maatregelen te kunnen laten nemen in het belang van de veiligheid en
                    volksgezondheid in en rond de haven en het havenkanaal.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:49</tussenkop><al>Bij lid 1 sub d: Bij openbare orde en veiligheid kan b.v. worden gedacht aan
                    aanwezigheid van brandbare of explosieve stoffen. Bij het aanzien van de
                    gemeente kan worden gedacht aan b.v. gehavende vaartuigen of</al><al>vaartuigen die anderszins een negatieve uitstraling op de haven en het
                    havenkanaal hebben.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 5:50</tussenkop><al>Hier is gekozen voor vergunning van het college, omdat de hoofdbestemming van de
                    haven en het havenkanaal is: toerisme en recreatie. Laden en lossen is een
                    activiteit die standaard past bij ligplaatsen zoals rondvaartboten en
                    ligplaatsen die zijn aangewezen als hebbende een laad- losfunctie, b.v. voor
                    zandaanvoer. Voor andere ligplaatsen is voor het laden en lossen een vergunning
                    van het college nodig.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 5:51</tussenkop><al>Lid 1, sub e: Onder dit verbod wordt niet begrepen als een vaartuig op een aan
                    de haven of havenkanaal gevestigde scheepswerf zal worden gerepareerd.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:52</tussenkop><al>Lid 1, sub f: Het formuleren van een nieuwe categorie dient te passen binnen de
                    bestemming van de haven en het havenkanaal: recreatie en toerisme. Hier kan
                    worden gedacht aan de rondvaartschepen in de haven. Het kan ook dienen indien er
                    binnen een andere categorie behoefte is aan detaillering.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:53</tussenkop><al>Lid 2, sub b2 : de verklaring hoeft niet te worden onderbouwd. Door
                    ondertekening van het aanvraagformulier voor een ligplaats wordt de verklaring
                    afgelegd. Als de verklaring niet juist blijkt, wordt geen ligplaatsvergunning
                    verleend. Als na vergunningverlening de verklaring niet juist blijkt kan de
                    ligplaatsvergunning vanwege de onjuiste verklaring worden ingetrokken. </al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 5:54</tussenkop><al>Eventuele nadere regels zijn beleidsregels en zullen volgens de geldende
                    regelgeving voor beleidsregels moeten worden vastgesteld. Het moeten
                    objectgerichte beleidsregels zijn, in het belang van de bestemming van de</al><al>haven. Nadere regels mogen er niet toe leiden dat aan de vermeldingen op de
                    wachtlijsten op onredelijke wijze tekort wordt gedaan. Het mag niet leiden tot
                    voortrekken van niet bovenaan de wachtlijsten geplaatsten. Het is</al><al>ook niet de bedoeling om bijvoorbeeld de inwoners van de gemeente een
                    voorkeursrecht te verlenen.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 5:55</tussenkop><al>In het belang van een efficiënte indeling van de haven kan de havenmeester
                    tijdelijk of permanent een andere plaats toewijzen. Er zal dus zoveel mogelijk
                    voor worden gezorgd dat niet benutbare restruimte bij vaartuigen wordt vermeden.
                    Dat betekent niet dat er voortdurend met vaartuigen wordt geschoven, maar een
                    vergunninghouder moet er rekening mee houden dat hij zijn vaartuig op enig
                    moment moet verplaatsen naar een door de havenmeester aan te wijzen plaats. De
                    vergunninghouder heeft geen recht op enige vergoeding, ook niet als de nieuwe
                    plaats minder (dichtbij) faciliteiten biedt zoals stroomvoorziening of
                    douches/toiletten. De verschuldigde haven- en kadegelden zijn immers ook niet
                    plaats-gekoppeld, maar afhankelijk van aard en grootte van het vaartuig. </al><al/><al><cursief>Toelichting op artikel 5:55A</cursief></al><al>Uit oogpunt van efficiency, zowel voor de gemeente als voor de vergunninghouder,
                    hoeft een vergunninghouder niet elk jaar een nieuwe ligplaatsvergunning aan te
                    vragen. De vergunninghouder moet zelf actie ondernemen als hij in een volgend
                    kalenderjaar geen ligplaats meer wenst.</al><al/><al><cursief>Toelichting op artikel 5:55B</cursief></al><tussenkop>De gemeente kan jaarlijks maximaal 10 dagen aanwijzen waarop een
                    vergunninghouder geen gebruik kan maken van de hem toegewezen ligplaats. Het
                    doel van deze bepaling is om vaartuigen als een samenhangend geheel te kunnen
                    laten deelnemen aan een gezamenlijke activiteit, meestal een evenement. De
                    havenmeester zal dan proberen om een andere ligplaats beschikbaar te hebben. De
                    aanwijzing van de dagen zal vroeg<cursief>tijdig aan de vergunninghouder bekend
                        worden gemaakt. </cursief></tussenkop><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 5:56</tussenkop><al>Lid 5 is opgenomen omdat anders iemand die op de wachtlijst staat bij een
                    tijdelijke toewijzing zijn positie op de wachtlijst zou verliezen. Dat zou
                    onredelijk zijn.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:57</tussenkop><al>Lid 6 moet in relatie tot artikel 5.38, omschrijving passantenligplaats worden
                    gezien. Het is in tegenstelling tot andere passanten niet mogelijk om aan een
                    passant-woonschip aansluitend aan de toewijzing voor maximaal 14 dagen een
                    nieuwe passantenligplaats toe te wijzen. Het doel is beperking van het aantal
                    woonschepen in de haven en het havenkanaal.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 5:58</tussenkop><al>Gekozen is voor een besluit van het college, omdat het doorgaans samenhangt met
                    bijzondere activiteiten in de haven en het havenkanaal, bijvoorbeeld
                    werkzaamheden of evenementen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en
                    slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Toelichting artikel 6:1</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen: het is de rechter die de soort en de maat
                    van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens</al><al>van de gekozen boetecategorie.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 6:2</tussenkop><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze
                    bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving</al><al>van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 6:3</tussenkop><al>Het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner is met veel
                    waarborgen omkleed. De Algemene wet op het binnentreden (Awbi) bevat
                    vormvoorschriften die in acht moeten worden genomen.</al><al/><tussenkop>Toelichting op artikel 6:4</tussenkop><al>In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude</al><al>verordening vervalt. Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van
                    artikel 142 van de Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle
                    verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een
                    ander tijdstip daarvoor is aangewezen.</al><tussenkop>Toelichting op artikel 6:5 en 6:6</tussenkop><al>Geen nadere toelichting</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>