<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51912_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schouwen-Duiveland</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-02-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schouwen-Duiveland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wereldregio, 17 februari 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, art. 8; art. 30.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-01-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-17</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Artikel 8a en 8b</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>26-01-2012/10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de Gemeente Schouwen-Duiveland;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14
                        september 2004;</al><al>gelet op de Wet werk en bijstand, Staatsblad, nummer 375;</al><al>gelet op de artikelen 8 en 30 van de Wet werk en bijstand en de bepalingen
                        van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening</al><al><vet>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b)"><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Schouwen-Duiveland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begrippen die in deze verordening worden gehanteerd, zijn
                                ontleend aan de Wet werk en bijstand, tenzij in deze verordening
                                uitdrukkelijk anders bepaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Categorieën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                categorieaanduiding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande als bedoeld in artikel 4 onder a van de
                                        wet;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4 onder b van de
                                        wet;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden als bedoeld in artikel 3 van de wet.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Algemene criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen
                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
                                en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid van de
                                wet genoemde maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder waarop het tweede lid niet
                                van toepassing is 25% van het in artikel 25, tweede lid van de wet
                                genoemde bedrag, behoudens nadere bepalingen die elders in deze
                                verordening zijn geregeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
                                of de alleenstaande ouder, in afwijking van lid 3, bepaald op het in
                                artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag, indien de
                                kosten van het bestaan uitsluitend kunnen worden gedeeld met:</al><lijst><li nr="a)"><al>kinderen die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op
                                        grond van hoofdstuk II van de Wet Studiefinanciering 2000,
                                        of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                        onderwijsbijdrage en schoolkosten, dan wel waarvoor
                                        aanspraak op kinderbijslag bestaat of,</al></li><li nr="b)"><al>niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar die over
                                        een inkomen beschikken dat niet hoger is dan het in artikel
                                        21 onder a van de wet genoemde bedrag.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Algemene criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwden lagere
                                algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de
                                bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 75% van het in
                                artikel 25, tweede lid van de wet genoemde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid blijft achterwege indien
                                de kosten van het bestaan uitsluitend kunnen worden gedeeld
                                met:</al><lijst><li nr="a)"><al>kinderen die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering op
                                        grond van hoofdstuk II van de Wet Studiefinanciering 2000,
                                        of op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                                        onderwijsbijdrage en schoolkosten, dan wel waarvoor
                                        aanspraak op kinderbijslag bestaat of,</al></li><li nr="b)"><al>niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar die over
                                        een inkomen beschikken dat niet hoger is dan het in artikel
                                        21 onder a van de wet genoemde bedrag.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijzondere criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>specifieke woonsituaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien belanghebbende, niet zijnde een schoolverlater als bedoeld in
                                artikel 6 van de verordening, geen aantoonbare eigenaarslasten van
                                de zelfbewoonde woning, (onder)huurlasten of kosten heeft die
                                voortvloeien uit een kostgangersovereenkomst, verlagen burgemeester
                                en wethouders de toeslag zodanig, dat belanghebbende alleen de
                                beschikking heeft over de van toepassing zijnde bijstandsnorm,
                                vermeld in artikel 21 onder a of b van de wet danwel 80% van het
                                bedrag vermeld in artikel 21onder c van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op degene die daadwerkelijk
                                inwonend is bij zijn ouder(s).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien kosten worden gedeeld met een derde die niet het
                                hoofdverblijf heeft in dezelfde woning, waardoor belanghebbende
                                lagere algemene kosten van bestaan heeft dan waarin de norm of de
                                toeslag voorziet, wordt de toeslag als bedoeld in artikel 3,
                                vastgesteld op. 25% van het in artikel 25, tweede lid van de wet
                                genoemde bedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt de norm van de
                                alleenstaande die een schoolverlater is zodanig verlaagd, dat
                                belanghebbende beschikt over een bijstandsuitkering gelijk aan:</al><lijst><li nr="a)"><al>60% van het bedrag vermeld in artikel 21 onder a van de wet
                                        voor de schoolverlater die thuiswonend is, en</al></li><li nr="b)"><al>100% van het bedrag vermeld in artikel 21 onder a van de wet
                                        voor de schoolverlater die niet thuiswonend is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verlaging is van toepassing over een periode van uiterlijk zes
                                maanden, gerekend vanaf de eerste dag dat belanghebbende niet langer
                                aanspraak maakte op de studiefinanciering of toelage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor schoolverlaters is het bepaalde in artikel 4 niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>alleenstaanden van 21 of 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jarige vastgesteld op 10% van het in artikel
                                25, tweede lid van de wet genoemde bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jarige vastgesteld op 45% van het in artikel
                                25, tweede lid van de wet genoemde bedrag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al>De toeslag kan niet gelijktijdig worden verlaagd jegens een
                            belanghebbende op wie het bepaalde in de artikelen 28, eerste lid, en
                            29, eerste lid, van de Wet van toepassing is. Indien belanghebbende
                            zowel schoolverlater is als de leeftijd van 21 of 22 jaar heeft, wordt
                            slechts toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’,
                                ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf
                                1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                                ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                                betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                                ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8b</nr><titel>Wijziging verwijzingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                a, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                b, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel
                                c, van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                                gelezen: artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening
                                    toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand".</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2005.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland in zijn
                        vergadering van 28 oktober 2004,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>1.<onderstreept>Inleiding</onderstreept></al><al>De verplichting tot het opstellen van een gemeentelijke verordening is opgenomen
                    in de artikelen 8 en 30 WWB. Hierin is aangegeven, dat het gemeentebestuur bij
                    verordening vaststelt voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of
                    verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van de verhoging of verlaging
                    wordt bepaald.</al><al>De reden dat gekozen is voor het voorschrijven van een gemeentelijke verordening
                    is, dat langs deze weg de gemeentelijke bevoegdheid tot het maken van keuzes
                    over verlening van algemene bijstand versterkt wordt. Het gaat daarbij niet om
                    een technische uitwerking van nadere details, maar om inhoudelijke
                    beleidskeuzes.</al><al>De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het normensysteem:</al><lijst><li nr="-"><al>vereenvoudiging van de normering zodanig, dat ongewenste en frauduleuze
                            gedragseffecten tot een minimum beperkt worden (handhaafbaarheid);</al></li><li nr="-"><al>het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor de belanghebbende om in
                            de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;</al></li><li nr="-"><al>een zodanige afstemming van de hoogte van de uitkering dat het beginsel
                            van bijstand als vangnet blijft bestaan. De verordening kan er dus niet
                            toe leiden dat complementair aan andere voorzieningen waarvoor het Rijk
                            reeds normen heeft vastgesteld, bijstand wordt verleend.</al></li><li nr="-"><al>Gelet op het uitgangspunt van de Wet werk en bijstand, dient het
                            beginsel “werk boven inkomen” ook zijn weerklank te hebben in de
                            verordening.</al></li><li nr="-"><al>Uitvoering van de verordening dient betaalbaar te zijn.</al></li></lijst><al>2. <onderstreept>systematiek</onderstreept></al><al>In de WWB zijn bijstandsnormen vastgesteld. Hierbij is geen rekening gehouden
                    met de vraag of lasten gedeeld of juist geheel zelf gedragen moeten worden. Als
                    het aan (woon)lasten ontbreekt, kan de bijstandsnorm verlaagd worden. Met name
                    voor jongere alleenstaanden en schoolverlaters kan de norm verlaagd worden om de
                    stimulans richting betaalde arbeid te versterken. In de artikelen 25 tot en met
                    29 WWB zijn hierover randvoorwaarden opgenomen.</al><al>Verhogingen of verlagingen van de in de WWB vermelde bijstandsnormen dienen in
                    de gemeentelijke verordening vastgelegd te worden.</al><al>3.<onderstreept>specifieke beleidskeuzes, voortvloeiend uit de geformuleerde
                        uitgangspunten</onderstreept></al><al>Bij het opstellen van de verordening, zijn de volgende onderdelen aan de
                    hierboven genoemde uitgangspunten getoetst:</al><lijst><li nr="a)"><al>keuze tussen forfaitaire toeslagen / verlagingen en concrete toeslagen /
                            verlagingen bij de vaststelling in welke mate sprake is van
                            schaalvoordelen;</al></li><li nr="b)"><al>bevoegdheid om bij specifieke woonsituaties nadere bepalingen te
                            ontwerpen;</al></li><li nr="c)"><al>bevoegdheid om schoolverlaters tijdelijk een lagere norm of toeslag te
                            verlenen;</al></li><li nr="d)"><al>bevoegdheid om jongere alleenstaanden (21 of 22-jarigen) een lagere
                            toeslag te verlenen;</al></li><li nr="e)"><al>minimaliseren van ongewenste situaties.</al></li></lijst><tussenkop>Ad a </tussenkop><al>Het meest rechtvaardige is om alle schaalvoordelen die een belanghebbende heeft
                    concreet te berekenen en toe te rekenen aan de hoogte van de toeslag. Dit is
                    echter uiterst arbeidsintensief, niet handhaafbaar en discutabel aangezien ook
                    de wettelijk vastgestelde bijstandsnormen forfaitair zijn vastgesteld. Afgelopen
                    jaren hebben een aantal gemeenten het zogenaamde ‘clustermodel’ toegepast,
                    waarbij forfaitair schaalvoordelen gekoppeld zijn aan diverse soorten
                    woonlasten. Hoewel uitvoerbaar zijn de diverse toeslagen die eruit voortvloeien
                    gevoelig voor juridische geschillen en moeten specifieke eisen worden gesteld
                    aan verificatie van gegevens. Het meest eenvoudige, handhaafbare en duidelijke
                    voor de belanghebbende is, een onderscheid te maken tussen degene die geheel
                    zelfstandig woont, en niet geheel zelfstandig woont. Gelet op de forfaitaire
                    normensystematiek van de WWB zelf, past een percentage van 25% van de maximale
                    toeslag of 75% verlaging voor niet geheel zelfstandig wonende
                    uitkeringsgerechtigden. Dit vormt dan ook de basis voor de verordening.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>In artikel 27 WWB is de bevoegdheid neergelegd om in de toeslag of norm lager
                    vast te stellen bij een specifieke woonsituatie waarbij belanghebbende lagere
                    algemene bestaanskosten heeft. Dit kan het geval zijn bij krakers, personen
                    zonder vaste woon- en verblijfplaats (logeren her en der), tijdelijke kostenloze
                    opvang, of indien woonlasten door een derde worden betaald. Om te voorkomen dat
                    iemand zonder reële woonlasten net zo veel of zelfs nog meer ontvangt dan iemand
                    die weliswaar woonlasten deelt, maar toch een substantieel deel zelf moet
                    voldoen, is het wenselijk van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het accent is
                    in deze verordening gelegd op een verifieerbare situatie om een toeslag te
                    kunnen verlenen. Zoniet, dan wordt de norm en/of toeslag binnen het kader van
                    artikel 27 WWB (verder) verlaagd.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Studenten hebben in de regel een toelage ontvangen krachtens de WSF 2000 of
                    WTOS. Het is niet de bedoeling dat schoolverlaters hun carrière met een
                    uitkering beginnen. Als dit onverhoopt toch het geval is, dient de prikkel om
                    arbeid in loondienst te vinden maximaal benut te worden. Dit past in het
                    uitgangspunt ‘werk boven inkomen’. Feit is dat de ‘standaard’ bijstandsuitkering
                    voor een alleenstaande hoger is dan de voordien verkregen toelage
                    studiefinanciering. Als dan ook nog een extra toeslag wordt verleend, zal de
                    prikkel om te werken, verder afnemen. Gelet op beleidsafspraken die versterking
                    van de poortwachtersrol (= vermindering van de instroom) stimuleren, alsmede
                    vermindering van financiële risico’s, is gebruikmaking van deze bevoegdheid
                    zinvol.</al><tussenkop>Ad d.</tussenkop><al>Al in de Algemene bijstandswet (Abw) is door vrijwel iedere gemeente gebruik
                    gemaakt van de bevoegdheid om de toeslag voor 21- of 22-jarigen lager vast te
                    stellen. Dit is logisch, aangezien anders het gevaar ontstaat dat een
                    uitkeringsgerechtigde meer ontvangt dan iemand die (vrijwel) fulltime werkt.
                    Daarnaast kan afgevraagd worden of aanvullend op een WW- of Wajong-uitkering
                    bijstand moet worden verstrekt. Ook deze uitkeringen zijn het resultaat van
                    vaststelling van jeugdminimumloon. Met dit inkomen zouden de algemene kosten van
                    levensonderhoud bestreden kunnen worden. Het is derhalve reëel om uit te gaan
                    van dit inkomen. Om een goed overzicht te behouden en uit systeemtechnische
                    redenen kan de toeslag het best worden uitgedrukt in een percentage. De
                    mogelijkheid bestaat om nadere differentiatie toe te passen wegens het hebben
                    van schaalvoordelen. Dit is weinig zinvol. Een halvering van het percentage
                    (basissystematiek) heeft zo een laag financieel effect (zowel voor de
                    gemeentelijke budgetten alsook voor belanghebbende) dat een eenvoudiger
                    uitvoering met één toeslag prevaleert.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>Er zijn situaties denkbaar dat toepassing van bovenstaande regeling kan leiden
                    tot onbillijkheden. Ten tijde van de Abw zijn de volgende situaties
                    genoemd:</al><lijst><li nr="·"><al>inwoning bij iemand die zorgbehoevend is;</al></li><li nr="·"><al>inwoning van kinderen of jong-meerderjarigen (18 t/m 20 jarigen) met een
                            gering inkomen zoals een studietoelage, een bijstandsuitkering of
                            inkomsten uit een parttime-betrekking.</al></li></lijst><al>In het verleden hebben diverse gemeenten een maximale toeslag verleend ingeval
                    van inwoning bij een zorgbehoevende. Immers, zo was de argumentatie, er is
                    sprake van een onvrijwillige situatie en er worden voor de maatschappij diverse
                    kosten bespaard doordat opname in een verzorgingstehuis worden voorkomen. Toch
                    zijn deze argumenten feitelijk oneigenlijk. Immers, er zijn hoe dan ook
                    schaalvoordelen. Daarnaast hebben diverse maatschappelijke ontwikkelingen ertoe
                    geleid dat uitgebreide mogelijkheden van verzorging aan huis mogelijk zijn die
                    worden gefinancierd uit de AWBZ en andere regelingen. Een aanvullende
                    ‘stimuleringsregeling’ vanuit de optiek van de bijstandsverlening is dan ook
                    niet nodig. Overigens blijkt in de praktijk slechts sporadisch gebruik gemaakt
                    te zijn van deze bepaling.</al><al>De gevolgen van het gezinsinkomen van een ouder met een jong-meerderjarig kind
                    (18 t/m 20 jaar) met een laag eigen inkomen, zijn wel reden om nadere bepalingen
                    vast te stellen. Omdat de hoogte van een bijstandsuitkering voor een 18 t/m 20
                    jarige zo laag is, dat feitelijk geen bijdrage verlangd kan worden, is het
                    bezwaarlijk om te concluderen dat een gezin schaalvoordelen heeft doordat lasten
                    gedeeld zouden worden. Dit zou ertoe kunnen leiden dat het gezinsinkomen (met
                    name van alleenstaande ouders) met enkele honderden euro’s per maand kan dalen.
                    Dit is niet billijk, waardoor verlening van de maximale toeslag gerechtvaardigd
                    is. In individuele situaties zou zelfs dan nog het gezinsinkomen gedaald kunnen
                    zijn. Overwogen zou dan kunnen worden om aanvullende bijzondere bijstand te
                    verlenen. </al><al>Wel is het noodzakelijk een duidelijke grens vast te stellen betreffende de
                    hoogte van het inkomen van het kind. Een herkenbare grens is de bijstandsnorm
                    die genoemd is in artikel 21 onder a WWB (correspondeert met 50% van het
                    minimumloon). Dit is een bedrag waarbij in ieder geval vastgesteld kan worden,
                    dat met dit inkomen lasten kunnen worden gedeeld. Toetsing aan dit bedrag is
                    helder en uitvoerbaar. Feitelijk komt dit in veel Zeeuwse gemeenten neer op een
                    verruiming van het beleid voor gezinnen met jong meerderjarige kinderen. In de
                    meeste Zeeuwse gemeenten varieerde het percentage van ongeveer 27% - 40% van het
                    minimumloon.</al><al>Daarnaast is het redelijk een aparte bepaling ten behoeve van studerenden op te
                    nemen. Over het algemeen zullen studenten niet zodanig hoge neveninkomsten
                    hebben. Omdat een inkomstenberekening bij studenten daarnaast ingewikkeld en
                    inefficiënt kan zijn, is het redelijk een ouder die slechts een studerend kind
                    heeft, de maximale toeslag te verlenen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Om verschil in interpretatie te voorkomen, wordt voor het begrippenkader
                    verwezen naar de Wet werk en bijstand. Het gaat hierbij om de begrippen zoals
                    alleenstaande, alleenstaande ouder, echtpaar, de bijstandsnorm etc. De begrippen
                    zorgbehoevende, verzorger en woonruimte zijn niet in de WWB gedefinieerd. De
                    begrippen woning en schoolverlater komen impliciet in de wet terug.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan op welke categorieën van personen met een
                    bijstandsuitkering de verordening betrekking heeft. De indeling is gebaseerd op
                    de Wet werk en bijstand. Alleen in de leeftijdscategorie 21 tot 65 jaar kunnen
                    verhogingen en verlagingen op grond van de verordening vastgelegd worden.</al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><tussenkop>Lid 1 en 2</tussenkop><al>Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande
                    ouder is de wetgever ervan uitgegaan dat belanghebbende maximale schaalvoordelen
                    geniet door kosten van het bestaan met anderen te delen. Pas als dit niet
                    mogelijk is, wordt een aanvullende toeslag verleend.</al><al>Indien vaststaat dat kosten in het geheel niet gedeeld kunnen worden met een
                    ander, dient op grond van artikel 30 lid 2 WWB de toeslag vastgesteld te worden
                    op het maximale bedrag, genoemd in artikel 25 lid 2 WWB. Met andere woorden, zij
                    die geheel zelfstandig wonen hebben recht op de maximale toeslag.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Als belanghebbende een onderhuurder, kostganger of kamerhuurder is, of een
                    inwonend verdienend kind met eigen inkomsten heeft, kunnen kosten worden
                    gedeeld. Er treden op zijn minst schaalvoordelen op. Duurzame gebruiksgoederen
                    worden gezamenlijk gebruikt, kosten van verwarming en verlichting komen niet op
                    de schouder van één persoon. Bij de beoordeling of belanghebbende inderdaad
                    hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze
                    ook feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het – gegeven de
                    omstandigheden – redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten
                        <onderstreept>kunnen</onderstreept> worden gedeeld.</al><al>Omdat het feitelijk onmogelijk is om schaalvoordelen exact en in elke situatie
                    te berekenen, is als uitgangspunt gekozen voor een forfaitaire toeslag van 25%
                    van de maximale toeslag voor situaties waar belanghebbende de woonlasten kan
                    delen. Dit is redelijk, aangezien in feite de gehele wet gebaseerd is op
                    forfaitaire percentages. In de verordening is bewust niet gekozen voor een
                    percentage van het minimumloon; de koppeling van de uitkering aan het
                    minimumloon staat ter discussie en een percentage van een in de wet vastgesteld
                    bedrag is concreter.</al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Hoewel de in het lid 3 vermelde toeslag van 25% een goed uitgangspunt is, zijn
                    er enkele specifieke situaties denkbaar waarbij toepassing hiervan te rigide zou
                    zijn. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="·"><al>inwoning van studerende kinderen die slechts studiefinanciering
                            ontvangen</al></li><li nr="·"><al>jong meerderjarigen met een gering eigen inkomen.</al></li></lijst><al>De redenen hiervoor zijn de volgende:</al><al>Jong meerderjarigen (18 t/m 20 jaar) en studenten met studiefinanciering kunnen
                    te maken hebben met een zodanig laag inkomen, dat het niet reëel is om te
                    spreken van schaalvoordelen of kostendeling. Bij de bijstandsnorm van 18 t/m 20
                    jarigen en binnen de wetgeving op het gebied van studiefinanciering wordt
                    bijvoorbeeld al uitgegaan van een zekere mate van ondersteuning door de
                    ouder(s). Een bijdrage in de woonlasten kan niet verlangd worden.</al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>De criteria voor het verhogen van de uitkering met een toeslag van 25% van het
                    in de wet genoemde maximumbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders (in
                    specifieke omstandigheden: 100%), zijn ook van toepassing op echtparen die
                    schaalvoordelen hebben door algemene bestaanskosten met anderen te delen. Gelet
                    op de normensystematiek is dan een verlaging van de bijstandsnorm met hetzelfde
                    bedrag van toepassing in situaties waarvoor bij alleenstaanden of alleenstaanden
                    ‘slechts’ een toeslag van 25% van het maximum zou zijn verleend.</al><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>De WWB biedt de mogelijkheid om de norm of de toeslag (verder) te verlagen als
                    iemand lagere algemene noodzakelijke kosten heeft als gevolg van zijn
                    woonsituatie waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning (artikel 27
                    Wwb). Uit deze bepaling blijkt een zekere beleidsvrijheid in het benoemen van
                    woonsituaties, meer dan in de ‘oude’ wet. Daarin was slechts de bevoegdheid tot
                    verlaging opgenomen bij bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn
                    verbonden (dus niet: waarvoor <cursief>belanghebbende</cursief> geen woonkosten
                    is verschuldigd).</al><al>Deze ruimere toepassing kan voor twee groepen geldend worden gemaakt:</al><lijst><li nr="1."><al>personen die geen aantoonbare woonlasten hebben;</al></li><li nr="2."><al>personen die tijdelijk in een woning mogen blijven waarbij een derde
                            tijdelijk de woonlasten voldoet.</al></li></lijst><al>Verreweg de meeste uitkeringsgerechtigden hebben woonruimte waarvoor een
                    overeenkomst is opgemaakt (huurovereenkomst, onderhuur, eigenaar van de
                    zelfbewoonde woning, liggeld, commerciële kostgangersrelatie). Voor hen is dit
                    artikel niet relevant. In een aantal situaties wordt een dergelijke overeenkomst
                    niet aangetoond, bijvoorbeeld bij tijdelijke opvang, niet-commerciële inwoning
                    bij een echtpaar (waardoor niet gesproken kan worden van een gezamenlijke
                    huishouding) en personen zonder vaste woon- en verblijfplaats.</al><al>Omdat tussen ouders en kind geen commerciële relatie bestaat, is een verdere
                    verlaging van de toeslag voor een inwonend kind via lid 2 niet van
                    toepassing.</al><al>Jurisprudentie is ontstaan over de bijstandsgerechtigde waarbij een derde de
                    woonlasten betaald. Het gaat hierbij veelal om echtscheidingssituaties waarbij
                    de (ex)-echtgenoot zich vooralsnog bereid verklaart de woonlasten te blijven
                    betalen (bijvoorbeeld in afwachting van verkoop). De bijstandsgerechtigde heeft
                    niet daadwerkelijk de beschikking over de penningen die de ex-partner betaald,
                    zodat deze bijdrage niet als middelen beschouwd worden voor de wet en
                    dienovereenkomstig in mindering gebracht mag worden op een reguliere uitkering.
                    Niettemin heeft belanghebbende lagere algemene kosten van het bestaan.</al><al>Indien ook de voorgestelde schoolverlaterskorting van toepassing is, kan dit
                    artikel niet gebruikt worden om een extra verlaging toe te passen, omdat de
                    schoolverlaterskorting al is gebaseerd om een ‘absoluut’ minimum.</al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Voor de duur van maximaal zes maanden na beëindiging van de (aanspraak op)
                    studiefinanciering mag de bijstandsnorm / toeslag verlaagd worden. Deze
                    mogelijkheid is opgenomen omdat belanghebbende met de toekenning van de
                    uitkering zonder deze bepaling er in veel gevallen financieel aanzienlijk op
                    vooruitgaat. Dit bevordert dus niet de inschakeling op de arbeidsmarkt. Een
                    optie is om bij toepassing van dit artikel aan te sluiten op de bepalingen in de
                    Wet Studiefinanciering. Dit was immers de bron van inkomsten waarop al aanspraak
                    gemaakt werd. Dit dient echter gecorrigeerd te worden met de nominale premie Zfw
                    en stuit op systeemtechnische problemen. Eenvoudiger en beheersbaarder is een
                    percentage van de basisnorm, genoemd in artikel 21 onder a WWB, die de hoogte
                    van de component levensonderhoud + premie in de WSF benadert. In economisch
                    minder gunstige tijden komen er relatief veel schoolverlaters in een
                    uitkeringssituatie, en zal toepassing van deze regeling financieel aantrekkelijk
                    zijn voor de gemeente. Niettemin moet wel overwogen worden dat toepassing
                    hiervan leidt tot een toename van het aantal werkprocessen. Immers, binnen zes
                    maanden dient de norm aangepast te worden. Daarnaast heeft een student vaak
                    bijbaantjes die een goede aanvulling vormden op het totaalinkomen aangezien de
                    WSF een ruime vrijlatingsbepaling kende op het gebied van bijverdiensten.
                    Dergelijke inkomsten worden wel op grond van de WWB geheel in mindering
                    gebracht. Dit kan met name schoolverlaters met zelfstandige huisvesting in de
                    problemen brengen, zodat voor deze groep tenminste handhaving van de norm,
                    genoemd in artikel 21 onder a WWB gerechtvaardigd is.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Als alleenstaanden van 21 of 22 jaar een uitkering met een maximale toeslag
                    zouden ontvangen, zou dit geen stimulans zijn om werk te aanvaarden. De
                    uitkering zou zonder dit artikel in een aantal gevallen hoger zijn dan bij een
                    dienstbetrekking op basis van 32 uur per week. Ook zou aanvullend op een
                    WW-uitkering of Wajong-uitkering / WAO op basis van een arbeidsongeschiktheid
                    van 80-100% toch aanvullende bijstand verleend moeten worden. Dit kan niet de
                    bedoeling zijn van de wet en het uitgangspunt van het sociale vangnet. Een WW,
                    Wajong, of WAO-uitkering is ongeveer gelijk aan een bijstandsuitkering met een
                    toeslag variërend van 10% van het maximumbedrag voor alleenstaanden van 21 jaar
                    en 45% van het maximumbedrag voor de alleenstaande van 22 jaar. Er is geen
                    bevoegdheid tot het verlagen van de toeslag wegens leeftijd van 21 of 22 jaar
                    voor alleenstaande ouders en echtparen.</al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>De anticumulatiebepaling is een wettelijk verplichte bepaling. De situatie kan
                    zich voordoen dat een 21- of 22-jarige óók schoolverlater is. Door middel van
                    deze bepaling wordt uitgesloten dat een uitkeringsgerechtigde te maken krijgt
                    met een dubbele verlaging van de uitkering.</al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>In artikel 18 WWB is geregeld dat de bijstand wordt afgestemd naar
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende. Hoewel in de regel
                    een norm en / of een toeslag kan worden vastgesteld, kunnen zich zeer
                    uitzonderlijke situaties voordoen waarin vorenstaande bepalingen niet voorzien.
                    Het kan hierbij slechts gaan om een verhoging van een toeslag. Immers, de
                    verordening dient voldoende rechtswaarborgen aan de belanghebbende te geven. Het
                    is reëel om deze bevoegdheid te delegeren aan burgemeester en wethouders. </al><al>Indien zich er een situatie zou voordoen, waarin deze verordening niet voorziet,
                    heeft het college de bevoegdheid om individueel een toeslag of verlaging te
                    beoordelen.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>