<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51709_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voor de behandeling van bezwaarschriften, gemeente Dongen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dongen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentelijke informatiekrant, 25-11-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voor de behandeling van bezwaarschriften, gemeente Dongen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voor de behandeling van bezwaarschriften, gemeente Dongen
            2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad, het college en de burgemeester van de gemeente Dongen;</al><al>ieder voor zoveel het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gezien het voorstel van het college;</al><al>gelet op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                        Gemeentewet;</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen besluiten betreffende :</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeentelijke belastingen, alsmede de uitvoering van de Wet
                                    waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>de rechtspositie van medewerkers, alsmede bestuurders van de
                                    gemeente Dongen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en
                            ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                            ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                            aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter en leden worden benoemd voor een periode van vier
                            jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden kunnen in beginsel een keer voor herbenoeming
                            in aanmerking komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van het
                            aftreden van de raad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment ontslag
                            nemen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven
                            hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig
                            mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:1, tweede lid ;</al></li><li nr="b."><al>artikel 6:6 , wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="c."><al>artikel 6:17 , voor zover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="d."><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="e."><al>artikel 7:6, vierde lid;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                            vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de zitting
                            waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de gelegenheid
                            worden gesteld zich door de commissie te laten horen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter beslist over de toepassing van de artikelen 7:3 van de
                            Awb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van
                            het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en het
                            verwerend orgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                            minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of het
                            verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                            tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één week
                            voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden en het verwerend
                            orgaan meegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of
                            afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het eerste
                            tot en met het derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de commissie
                            of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien een
                            belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig
                            zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de
                            zitting plaats met gesloten deuren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de namen van
                            de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is
                            gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvond,
                            of indien belanghebbenden, respectievelijk hun gemachtigden niet in
                            elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt het verslag hiervan
                            melding.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden, die
                            aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de
                            commissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt opgesteld,
                            nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de voorzitter uit eigen
                            beweging of op verlangen van de andere commissieleden dit onderzoek
                            houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift aan
                            de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de belanghebbenden
                            kunnen binnen een week na verzending van de nadere informatie aan de
                            voorzitter van de commissie een verzoek richten tot het beleggen van een
                            nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                            betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                            overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                            door haar uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                            brengen advies.</al><lijst><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van
                                    de voorzitter.</al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding
                                    gemaakt indien die minderheid dat verlangt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie
                            ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld in
                            artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en
                            nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het
                            bezwaarschrift dient te beslissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de termijn
                            van 10 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb ,
                            ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en
                            het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend orgaan tijdig
                            de beslissing te verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                            belanghebbenden een afschrift.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening Behandeling van Bezwaarschriften wordt ingetrokken met ingang
                        van de dag waarop deze verordening in werking treedt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op die van
                        bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voor de behandeling van
                        bezwaarschriften, gemeente Dongen 2010.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 november 2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, De secretaris/griffier,</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld in de collegevergadering van 24 augustus 2010</ondertekening><ondertekening>De burgemeester, De secretaris,</ondertekening><ondertekening>Aldus vastgesteld door de burgemeester op 24 augustus 2010</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepaling</tussenkop><al>In dit artikel zijn slechts die begripsbepalingen opgenomen die niet in de Awb
                    voorkomen. Zo ontbreekt er een omschrijving van het begrip 'bestuursorgaan'
                    hoewel dat op meerdere plaatsen in de verordening voorkomt. Het bestuursorgaan
                    dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in de verordening aangeduid als
                    'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad betreffen, het college van
                    burgemeester en wethouders, de burgemeester of een commissie waaraan via
                    delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                    overgedragen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</tussenkop><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Zittingsduur</tussenkop><al>Uiteraard is het mogelijk voor een ander moment van aftreden te kiezen dan
                    bedoeld in het derde lid.</al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het vijfde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is (nog) niet mogelijk. </al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn verdient het aanbeveling aan het hier gestelde (zo spoedig
                    mogelijk) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al/><tussenkop>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><al>Artikel 2:1, tweede lid</al><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al>Artikel 6:6</al><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><al>Toelichting:</al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit jurisprudentie over
                    belastingen valt af te leiden dat na het bieden van een hersteltermijn, bij of
                    na afloop van die termijn ook nog gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het verzuim en
                    waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet worden hersteld, is
                    noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten worden welke consequentie
                    verbonden is aan het niet-voldoen aan deze verplichting. Dit volgt ook uit de
                    facultatieve wijze waarop artikel 6:6 is geformuleerd voor het gevolg van het in
                    verzuim zijn: het bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                    uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                    situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift waardoor -
                    ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><al>Artikel 6:17</al><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de commissie
                    betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de vertegenwoordigers
                    van de belanghebbende toe te zenden die zijn geproduceerd in de fase tussen de
                    aanvraag en het primaire besluit (CRvB 24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het verstrekken
                    van afschriften van de desbetreffende stukken aan de gemachtigde van een
                    belanghebbende (HR 20 september 2000, JG 2001/30).</al><al>Artikel 7:4, tweede lid</al><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><al>Toelichting:</al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om stukken
                    in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van ter-inzage-legging (Rb.
                    Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996, 19).</al><al>Artikel 7:6, vierde lid</al><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><al>Het derde lid van dit artikel luidt:</al><al>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder van hen op de
                    hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten zijn
                    aanwezigheid.</al><tussenkop>Artikel 8 Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarmaker in contact te
                    treden om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de
                    gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de
                    normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere
                    kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in deze bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging
                    vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                    toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 10 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; </al></li><li nr="·"><al>b. het bezwaar kennelijk ongegrond is; </al></li><li nr="·"><al>c. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van
                            het recht te worden gehoord, of </al></li><li nr="·"><al>d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
                        </al></li></lijst><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. </al><al/><tussenkop>Artikel 10 Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden. </al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken. </al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Een verzoek om uitstel moet niet automatisch gehonoreerd worden. Een gemotiveerd
                    verzoek om uitstel kan ingewilligd worden, maar dient dan wel te worden beperkt
                    tot een eenmalig uitstel omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een
                    te grote vertraging kan ondervinden.</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om te wijzen
                    op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient aanbeveling om
                    van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling te doen.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 3).</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover
                    niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><al>Indien de bezwaarschriftencommissie adviseert over bezwaren op Abw-gebied, kan
                    het praktisch zijn een bepaling op te nemen waaruit duidelijk wordt dat deze
                    zittingen achter gesloten deuren plaatsvinden. Hiermee worden problemen
                    voorkomen indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare
                    zitting.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. </al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 12) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies totstandkomt, is niet
                    voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB
                    2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en
                    00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al/><tussenkop>Artikel 17 Uitbrengen advies</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald,
                    hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al/><tussenkop>Artikel 18 Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 19 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><tussenkop>Artikel 20 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>