<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51598_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maas- en Geleenbode, 12-01-2005</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang (VWk) gemeente Beek.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Beek;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van 23 november 2004;</al><al/><al>gelet op artikel 25 Wet kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al/><al>gezien de brief van 18 augustus 2004 van de minister van Sociale Zaken
                        en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer der Staten Generaal, waarin hij
                        aankondigt artikel 6 lid 1 sub k, artikel 6 lid 1 sub l en artikel 23
                        van de Wet kinderopvang vooralsnog niet in werking te laten treden;</al><al/><al>overwegende, dat het noodzakelijk is de verlening, de voorschotverlening
                        en de vaststelling van de tegemoetkoming van de gemeente in de kosten
                        van kinderopvang bij verordening te regelen;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>VERORDENING WET KINDEROPVANG</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>het college: het college van burgemeester en
                                        wethouders;</al></li><li nr="b"><al>de wet: de Wet kinderopvang.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN
                                SOCIAAL-MEDISCHE INDICATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van
                                        kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie als
                                        bedoeld in artikel 23 van de wet bevat in ieder geval de
                                        volgende gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam van de partner en indien
                                                dit een ander adres is dan het adres van de ouder:
                                                het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam en geboortedatum van het kind of de kinderen
                                                waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te
                                                kunnen besluiten over de aanvraag van de
                                                tegemoetkoming.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bepalen, dat de aanvraag geschiedt met
                                        behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar
                                        gesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                        ondertekend door de partner.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen 8 weken na ontvangst
                                    van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste 4 weken verdagen.
                                    Het college stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                                        geacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                                sociaal-medische indicatie vast te stellen, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten
                                        van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; of </al></li><li nr="b."><al>de ouder of de partner niet behoort tot de personen als
                                        bedoeld in artikel 6 lid 1 onderdeel k of l van de wet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat: </al><lijst><li nr="a."><al>naam, adres en sofi-nummer van de ouder;</al></li><li nr="b."><al>indien van toepassing: naam en sofi-nummer van de
                                            partner en indien dit een ander adres is dan het adres
                                            van de ouder: het adres van de partner;</al></li><li nr="c."><al>naam, geboortedatum en sofi-nummer van het kind of de
                                            kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                            betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                            gastouderbureau, dat de kinderopvang gaat verzorgen
                                            waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren
                                            kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de
                                            aanvangsdatum van de opvang;</al></li><li nr="e."><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt,
                                            dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld
                                            in artikel 22 van de wet; </al></li><li nr="f."><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bepalen, dat de aanvraag geschiedt met behulp
                                    van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen 4 weken na ontvangst
                                    van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan dit besluit met ten hoogste 4 weken verdagen.
                                    Het stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming, indien de ouder niet behoort
                                tot de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                                    de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst
                                    is genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang zal plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                    tegemoetkomingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan het college de tegemoetkoming voor
                                    een andere periode verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                    kinderopvang, dat door de ouder is aangevraagd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 verleent het college bij een ouder als
                                    bedoeld in artikel 24 lid 1 onderdeel a of lid 2 onderdeel a van
                                    de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren kinderopvang, dat
                                    naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is voor de
                                    combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen
                                        de ouder behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                        de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak
                                        waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt
                                        bepaald en het bedrag, dat op basis hiervan wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                    bevoorschotting. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen 4 weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                    periode. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de tegemoetkoming binnen 8 weken na ontvangst
                                    van het overzicht van de kosten vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen 4
                                weken betaald onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het
                                    bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling
                                    van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de
                                    vaststelling van een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college,
                                    binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                    aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente
                                    van belang zijn.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder toepassing van artikel 25 Tijdelijke referendumwet treedt
                                    deze verordening in werking 3 dagen na haar bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 treedt paragraaf 2 van deze verordening
                                    in werking op het moment, dat artikel 23 van de Wet kinderopvang
                                    in werking treedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                                (VWk) gemeente Beek.</al><al/><al/><al/></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al><vet>INLEIDING </vet></al><al>Op 1 januari 2005 treedt de Wet kinderopvang (Wk) in werking. Deze
                                wet beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te maken werk en
                                zorg te combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen op
                                de Wk. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep doen
                                op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij
                                maken voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente wordt
                                aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten kinderopvang
                                (gemeente)’. </al><al>Artikel 25 Wk bepaalt, dat de gemeenteraad bij verordening regels
                                vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels
                                hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de
                                vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft
                                uitvoering aan deze wettelijke opdracht. </al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21
                                Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op
                                financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op
                                een bepaalde activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 Awb, die regels
                                stelt over subsidies, is van toepassing op de tegemoetkomingen. Dit
                                betekent, dat op de verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten
                                van kinderopvang door gemeenten 3 regelingen van toepassing zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>de gemeentelijke verordening Wk (VWk);</al></li><li nr="2."><al>de Wk; </al></li><li nr="3."><al>de subsidieregels in titel 4.2 Awb.</al></li></lijst><al>De meeste gemeenten beschikken over een algemene
                                subsidieverordening. De vraag is aan de orde wat de verhouding is
                                tussen de verordening kinderopvang en de algemene
                                subsidieverordening en meer in het bijzonder of de algemene
                                subsidieverordening ook van toepassing is op tegemoetkomingen in de
                                kosten van kinderopvang. Deze verordening is zo opgezet, dat deze
                                geheel los staat van de algemene subsidieverordening. In dat geval
                                is de algemene subsidieverordening niet van toepassing op de
                                verstrekking van tegemoetkomingen. Het principe geldt dan, dat de
                                meest specifieke regeling voorrang krijgt boven de algemene
                                regeling. </al><al/><al><vet>HOOFDLIJNEN VAN HET PROCES VAN VERSTREKKING VAN DE
                                    TEGEMOETKOMINGEN</vet></al><al>In deze verordening worden de hoofdlijnen van het proces van
                                verstrekking van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd.
                                Daarbij zijn 2 uitgangspunten gehanteerd. Het 1<sup>ste</sup>
                                uitgangspunt is, dat de uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als
                                de aanvragers van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten zijn.
                                Het 2<sup>de</sup> uitgangspunt is, dat de gemeentelijke uitgaven
                                die gemoeid zijn met de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed
                                mogelijk beheersbaar zijn. </al><al><cursief>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke
                                    uitgaven te bevorderen</cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is een
                                zogeheten ‘open-einde regeling’. Dit betekent, dat iedereen die op
                                grond van de Wk behoort tot de gemeentelijke doelgroep aanspraak
                                heeft op een tegemoetkoming van de gemeente. </al><al>Om de kosten die gepaard gaan met de verstrekking van de
                                tegemoetkomingen beheersbaar te houden, zijn in deze verordening de
                                volgende bepalingen opgenomen: </al><lijst><li nr="-"><al>De omvang van de aanspraak op een tegemoetkoming van ouders
                                        die geen eigen bijdrage in de kosten van kinderopvang hoeven
                                        te betalen, wordt aan beperkingen gebonden. In de
                                        verordening wordt bepaald, dat bij deze groep ouders de
                                        tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren
                                        kinderopvang per week, dat naar het oordeel van het college
                                        voor de ouder redelijkerwijs noodzakelijk is om de
                                        combinatie van arbeid en zorg mogelijk te maken;</al></li><li nr="-"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht
                                        verstrekt. Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt verstrekt
                                        met ingang van het tijdstip waarop de aanvraag voor een
                                        tegemoetkoming door de gemeente in ontvangst is genomen;
                                    </al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er
                                        daadwerkelijk kinderopvang plaatsvindt; </al></li><li nr="-"><al>De tegemoetkoming wordt uitbetaald in maandelijkse
                                        voorschotten. Hierdoor blijft de omvang van eventuele
                                        onverschuldigde betalingen, die de gemeente van de ouders
                                        moet terugvorderen, beperkt. </al></li></lijst><al><cursief>Tegemoetkomingen voor de duur van een
                                    kalenderjaar</cursief></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur één
                                kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij wijze waarop de
                                betalingen door de Belastingsdienst worden verstrekt. Dit betekent,
                                dat een tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd.
                                Uitzondering wordt gemaakt voor de gevallen, waarin bij de aanvraag
                                reeds duidelijk is, dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is
                                tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                                reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum
                                waarop het kind naar de basisschool gaat of de basisschool
                                verlaat).</al><al><cursief>Verstrekking van de tegemoetkoming in 2
                                stappen</cursief></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in 2 stappen.
                                Hiermee wordt aangesloten bij de Awb. De 1<sup>ste</sup> stap is de
                                beschikking tot het verlenen van de tegemoetkoming. Deze geeft de
                                ontvanger van de tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de
                                tegemoetkoming tot een bepaald bedrag. De aanspraak is
                                voorwaardelijk, omdat op het moment, dat de beschikking wordt
                                gegeven nog niet zeker is, dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik
                                zal maken van kinderopvang en zich aan de opgelegde verplichtingen
                                houdt. Ondanks het voorwaardelijke karakter schept de
                                subsidieverlening wel een rechtens afdwingbare aanspraak. De
                                2<sup>de</sup> stap is de beschikking tot het vaststellen van de
                                tegemoetkoming. Hierin wordt vastgesteld in hoeverre de ontvanger
                                aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en hoeveel het
                                uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. </al><al>Met het vaststellen van de tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming
                                definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld, kan de
                                gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming
                                door gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen
                                bij de houders van een kindcentrum of gastouderbureau op te
                                vragen.</al><al/><al><vet>AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPEN</vet></al><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities
                                van gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen.
                                Deze criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wk opgenomen.
                                Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte
                                van de tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid. Over de wijze waarop
                                de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming moet worden
                                vastgesteld, worden gemeenten in een later stadium apart
                                geïnformeerd, zodra alle relevante uitvoeringsregelingen bekend
                                zijn. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><divisie><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 Wk zijn ook van toepassing op
                                deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet gedefinieerde
                                begrippen zijn aangevuld. </al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLING NOODZAAK VAN KINDEROPVANG OP GROND VAN
                                SOCIAAL-MEDISCHE INDICATIE</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie
                                moet worden ingediend bij het college. In de procedure gaat de
                                aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie
                                vooraf aan de aanvraag voor een tegemoetkoming, maar in de praktijk
                                zullen de aanvragen vaak gelijktijdig worden ingediend. Ook de
                                besluiten over de toekenning van een sociaal-medische indicatie en
                                de verlening van een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                kunnen in één beschikking worden opgenomen. Wel moet de juiste
                                volgorde in acht worden genomen: eerst het besluit over de
                                aanwezigheid van een sociaal-medische indicatie en vervolgens het
                                besluit over de verstrekking van een tegemoetkoming. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden
                                gehouden met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies
                                door een ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate
                                deskundigheid’ (artikel 23 lid 3 Wk). </al><al>Om de doorlooptijd van de adviesaanvraag te bespoedigen, verdient
                                het aanbeveling dat de gemeente ‘harde’ afspraken maakt de
                                adviserende organisaties over de termijn waarbinnen adviezen worden
                                uitgebracht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 Awb. Dit
                                betekent, dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep
                                kan worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van
                                een sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de
                                beschikking aangegeven hoeveel uren kinderopvang noodzakelijk wordt
                                geacht. Het besluit over de noodzakelijke omvang van de kinderopvang
                                vormt de grondslag voor de aanvraag voor een tegemoetkoming van de
                                gemeente. Bovendien moet in het besluit de geldigheidsduur van de
                                indicatie worden vermeld. Deze verplichting staat in artikel 23 lid
                                4 Wk. Het kan gaan om een geldigheidsduur voor een beperkte termijn,
                                maar ook om een geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het
                                indicatieadvies zal hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan. </al><al>Het college neemt het besluit op basis van het uitgebrachte
                                indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit betekent, dat het
                                college van dat advies kan afwijken. Als het college een beschikking
                                geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal het college de
                                redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren
                                (artikel 4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt vooral voor het
                                geval waarin een positief advies wordt gegeven en het college een
                                afwijzend besluit neemt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Dit artikel bevat 2 weigeringsgronden. De weigeringsgrond onder a
                                geeft aan, dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een
                                sociaal-medische indicatie een vangnetvoorziening is. Alleen ouders
                                die niet op grond van een andere bepaling in de Wk aanspraak kunnen
                                doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, kunnen
                                aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                                wegens een sociaal-medische noodzaak. </al><al>De weigeringsgrond onder b spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd bij het college
                                (artikel 26 Wk). Het moet dan gaan om het college van de gemeente
                                waar de ouder woont (artikel 22 lid 3 Wk). De aanvraag moet
                                schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb).</al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingsjaar
                                wordt verstrekt, moet deze elk jaar opnieuw worden aangevraagd. Om
                                de lasten voor de aanvragers zo beperkt mogelijk te houden, verdient
                                het aanbeveling, dat de gemeente het aanvraagformulier voor een
                                vervolgaanvraag aan de ouders toestuurt, waarbij het formulier reeds
                                is ingevuld met de gegevens die bij de gemeente bekend zijn. De
                                ouders hoeven dan alleen de mutaties op het aanvraagformulier aan te
                                geven. </al><al>Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met een verhoging van
                                het aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook moeten worden
                                aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in verband een
                                vermindering van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden
                                aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk mededeling doen
                                aan het college (artikel 28 lid 3 Wk en artikel 16 lid 1 VWk). </al><al>Onderdeel d van lid 1 bepaalt, dat bij de aanvraag een offerte of
                                contract van het kindercentrum of gastouderbureau, dat de
                                kinderopvang gaat verzorgen, moet worden gevoegd. Dit betekent, dat
                                de aanvraag voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden
                                ingediend als de ouder over een offerte of contract beschikt. Op
                                basis van de offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van
                                de tegemoetkoming vaststellen. Het kindercentrum of gastouderbureau,
                                dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet ingeschreven staan in een
                                gemeentelijk register (artikel 5 lid 1 Wk).</al><al>Onderdeel e van lid 1 bepaalt, dat bij de aanvraag gegevens of een
                                verwijzing naar gegevens wordt gevoegd, waaruit blijkt dat de ouder
                                behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan
                                de ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens, omdat de
                                gemeente over de gegevens beschikt: </al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van
                                        de WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een
                                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                        werkzoekende geregistreerd bij het CWI maakt én maakt
                                        gebruik van een voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma
                                        volgt;</al></li><li nr="-"><al>het college heeft sociaal-medische indicatie vastgesteld.
                                    </al></li></lijst><al>In andere gevallen zal de ouder de volgende gegevens aan de gemeente
                                moeten verstrekken:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>De ouder of partner ontvangt een uitkering op
                                                  grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars </al><al>De ouder heeft de leeftijd van 18 jaar nog niet
                                                  bereikt, volgt scholing of een opleiding en
                                                  ontvangt algemene bijstand op grond van de WWB of
                                                  kan zo’n uitkering ontvangen</al><al>De ouder of diens partner zijn ingeschreven bij
                                                  een school of instelling als bedoeld in paragraaf
                                                  2.2 of 2.4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdragen
                                                  of in de artikelen 2.8 tot en met 2.11 Wet
                                                  Studiefinanciering 2000</al><al>De ouder of diens partner ontvangt een
                                                  WW-uitkering en maakt gebruik van een voorziening
                                                  gericht op arbeidsinschakeling </al><al>De ouder of diens partner is arbeidsgehandicapte
                                                  en maakt gebruik van een voorziening gericht op
                                                  arbeidsinschakeling </al></entry><entry colname="col2"><al>Indien de uitkering wordt verkregen in een
                                                  andere gemeente: naam van deze gemeente</al><al>Bewijs van inschrijving school of
                                                  opleidingsinstituut</al><al>Bewijs van inschrijving school of
                                                  opleidingsinstituut </al><al>Trajectplan van het UWV</al><al>Trajectplan van het UWV </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In lid 3 wordt bepaald, dat indien de aanvrager een partner heeft,
                                deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                                volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is
                                reeds neergelegd in artikel 26 lid 3 Wk. </al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de
                                aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                                tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe
                                aanvragen, maar ook voor aanvragen die betrekking hebben op een
                                voortzetting van een tegemoetkoming en voor aanvragen voor een
                                hogere tegemoetkoming in verband met uitbreiding van de omvang van
                                de kinderopvang. In de verordening is gekozen voor een beslistermijn
                                van ten hoogste 4 weken die eventueel met 4 weken kan worden
                                verlengd. </al><al>De beslistermijn van 4 weken heeft ook gevolgen voor de datum
                                waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten
                                worden aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na
                                1 januari kan worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal
                                4 weken vóór 1 januari bij de gemeente moeten indienen. </al><al>Het feit, dat het college een termijn van 4 weken heeft om te
                                beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming, wil uiteraard
                                niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet
                                benutten. De gemeente zal er naar moeten streven de
                                behandelingstermijn van aanvragen zo kort mogelijk te houden en met
                                name aanvragen waar spoed mee geboden is direct af te handelen. Door
                                middel van mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de
                                besluitvorming worden versneld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal
                                gronden om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze
                                weigeringsgronden zijn van toepassing. Artikel 4:35 Awb bepaalt, dat
                                de subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden
                                bestaat om aan te nemen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie
                                        verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                        verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte
                                        activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten,
                                        voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van
                                        belang zijn.</al></li></lijst><al>Artikel 4:35 lid 2 Awb bepaalt, dat de subsidieverlening voorts in
                                ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige
                                        gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze
                                        gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou
                                        hebben geleid, of </al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                                        verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                        natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel
                                        een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de
                                tegemoetkoming. Er zijn 2 ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door de
                                        gemeente in ontvangst is genomen (lid 1). In deze situatie
                                        zal de ouder op het moment, dat hij zijn aanvraag indient
                                        reeds kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Lid 2
                                        bepaalt, dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als
                                        er kinderopvang plaatsvindt. </al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt, dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor
                                de kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor
                                een tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt
                                door de gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de
                                vormvereisten van artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit betekent, dat een
                                aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                        gevraagd. </al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment
                                waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling
                                van de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment, dat het
                                besluit tot verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling
                                vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de
                                aanvraag in ontvangst is genomen. </al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van
                                toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren
                                kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het
                                moment dat de aanvraag daarvoor door het college in ontvangst is
                                genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar
                                verleend. Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden
                                toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31
                                december van het betreffende jaar. Dit betekent dat een ouder elk
                                jaar vóór 1 januari opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij
                                de gemeente zal moeten indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode
                                vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een
                                bepaalde periode recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als
                                deze een reïntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door
                                de periode van verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de
                                duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van arbeid),
                                hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                                tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel
                                ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wk regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                                tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en
                                niet de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de
                                criteria die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort,
                                heeft deze recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De wet stelt
                                geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor de
                                tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                                waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in
                                verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de
                                kosten van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de
                                inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd
                                (het zogeheten ’Koa-kopje’, zie artikel 24 lid 1 onderdeel a en lid
                                2 onderdeel a Wk). Bij deze ouders zet de hoogte van de eigen
                                bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat in
                                tegenstelling tot ouders die wél een (inkomensafhankelijke) eigen
                                bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte
                                van die bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar
                                kinderopvang. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling
                                in de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming
                                enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om
                                bij de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te
                                beoordelen hoeveel kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft
                                om de arbeid die hij verricht te kunnen combineren met zorgtaken. </al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs
                                nodig is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten
                                worden gehouden met omstandigheden als een handicap of chronische
                                ziekte van de ouder(s) of een beperking die de huiselijke situatie
                                meebrengt voor de goede en gezonde ontwikkeling van het kind. In
                                tegenstelling tot kinderopvang op grond van sociaal-medische
                                indicatie op grond van artikel 23 Wk, hoeft voor deze beoordeling
                                geen advies te worden aangevraagd. </al><al>Het is aan te bevelen, dat het college in beleidsregels neerlegt,
                                hoe het wil omgaan met zijn bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze
                                beoordeling zoveel mogelijk geobjectiveerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Onderdeel e bepaalt, dat in de beschikking wordt aangeven hoe het
                                bedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld.In de
                                beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                                tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f). Artikel 13 bepaalt, dat
                                de uitbetaling plaatsvindt in de vorm van maandelijkse voorschotten.
                                Onderdeel g schrijft voor, dat in de beschikking de verplichtingen
                                van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de volgende
                                verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de
                                        periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het
                                        college een overzicht te verstrekken van de feitelijke
                                        kosten van kinderopvang over deze periode; </al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28 lid 1 tot
                                        en met 3 Wk.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                                voorschotten. Dit betekent, dat het totale bedrag van de
                                tegemoetkoming waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in 12
                                gelijke delen (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingsjaar
                                betreft). </al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder
                                kan, al dan niet op verzoek van het kindercentrum of het
                                gastouderbureau, de gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks
                                aan dat kindercentrum of gastouderbureau te doen. Deze machtiging
                                verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de
                                gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                                van het kindercentrum of gastouderbureau, er blijft sprake van een
                                betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Lid 2 geeft het college de bevoegdheid om nadere voorschriften te
                                stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo
                                kan het college bepalen, dat er alleen een voorschot wordt betaald
                                op basis van een factuur van het kindercentrum of gastouderbureau.
                                Het college zou zo’n voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels
                                bestaan of een ouder daadwerkelijk gebruik zal maken van
                                kinderopvang. </al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47 onderdeel a Awb kan het college een
                                subsidie (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen.
                                Ambtshalve vaststellen houdt in, dat het college op eigen initiatief
                                de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot
                                het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen 4 weken na afloop van de
                                periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar
                                is verleend, dient het overzicht van de kosten uiterlijk 4 weken na
                                31 december bij het college te worden ingediend. Het overzicht van
                                de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn, dat door het
                                kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling
                                van maandoverzichten. Het college heeft vervolgens 8 weken de tijd
                                om de tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de
                                gemeente een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de
                                tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en
                                eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                                gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt
                                bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die de
                                tegemoetkoming heeft aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze
                                die is opgenomen in de beschikking tot verlening van de
                                tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen van
                                de tegemoetkoming. Dit betekent, dat de tegemoetkoming wordt
                                vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat in de
                                beschikking tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat
                                is het maximum aantal uren. In de beschikking tot vaststelling van
                                de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een lager aantal
                                uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                                tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen
                                kan ook betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze
                                bevoegdheid op grond van artikel 4:46 lid 2 en 3 Awb. Op grond van
                                lid 2 kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
                                        geheel hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
                                        subsidie verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                        subsidieverlening zou hebben geleid, of</al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                        subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>Artikel 4:46 lid 3 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de subsidie
                                afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor
                                subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als
                                noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de
                                subsidie niet in aanmerking genomen’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te
                                betalen deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een
                                hoger bedrag heeft uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de
                                gemeente het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Terugvordering
                                is geregeld in artikel 38 Wk (zie ook de toelichting bij artikel
                                16).</al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in
                                artikel 28 lid 1 tot en met 3 Wk. Volledigheidshalve wordt deze
                                verplichting hier herhaald. </al><al>Artikel 28 lid 4 Wk bevat de inlichtingenplicht voor houders van een
                                kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                                verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders
                                alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op
                                de tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen 2 vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                                onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;
                                    </al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder
                                        heeft geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot
                                        gemeentelijke doelgroep). </al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan
                                ten onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog
                                bedrag, kan het college de beschikking tot het verlenen of tot het
                                vaststellen van de tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te
                                veel betaalde bedrag terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvulling
                                hierop een bestuurlijke boete aan de betreffende ouder op te leggen.
                                Hieronder wordt op de 2 maatregelen nader ingegaan.</al><al><vet>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                                    tegemoetkoming</vet></al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een
                                tegemoetkoming in de terminologie van de Wk) kan worden ingetrokken
                                en teruggevorderd. Daarbij moeten 2 situaties worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is
                                        vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is
                                        vastgesteld.</al></li></lijst><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken
                                    of wijzigen van de beschikking tot verlening van de
                                    tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb)</cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld, kan het college de
                                beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten
                                nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet
                                        of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen
                                        plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                        verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige
                                        gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                        volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
                                        tot verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en
                                        de ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
                                waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of
                                wijziging anders is bepaald.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56
                                    Awb)</cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel
                                totdat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is
                                ingetrokken of gewijzigd. Het college kan al eerder besluiten de
                                betaling van de tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel
                                4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van een
                                voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de
                                ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er
                                grond bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                                in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de
                                dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
                                bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het
                                ernstige vermoeden 13 weken zijn verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of
                                    wijzigen van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel
                                    4:49 Awb)</cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                                gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de
                                tegemoetkoming in te trekken of ten nadele van de ontvanger van de
                                tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de volgende gevallen: </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan
                                                het college bij de vaststelling van de
                                                tegemoetkoming redelijkerwijs niet op de hoogte kon
                                                zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager dan
                                                overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming
                                                zou zijn vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en
                                                de ontvanger van de tegemoetkoming wist dit of
                                                behoorde dit te weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de
                                                vaststelling van de tegemoetkoming niet voldaan aan
                                                de aan de tegemoetkoming verbonden
                                                verplichtingen.</al></li></lijst></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten
                                nadele van de ontvanger worden gewijzigd, indien 5 jaren zijn
                                verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt. </al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wk)</cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                                tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is
                                gewijzigd, kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder
                                terugvorderen. </al><al>In artikel 38 Wk worden de bepalingen in de Wet werk en bijstand
                                (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige
                                toepassing verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming.
                                Dit betekent bijvoorbeeld, dat het bedrag, dat wordt teruggevorderd
                                kan worden verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt
                                verstrekt. In het besluit tot terugvordering moet de wijze, waarop
                                zal worden teruggevorderd, worden vermeld (artikel 60 lid 1 WWB). </al><al><vet>De bestuurlijke boete</vet></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het
                                college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De
                                bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 Wk. Een bestuurlijke
                                boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke
                                verplichting tot betaling van een geldsom, die gericht is op
                                bestraffing van de overtreder (artikel 1 lid 1 onderdeel t Wk). Het
                                betreffende bedrag komt toe aan de gemeente (artikel 72 lid 4 Wk). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen, indien een ouder
                                zijn inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het
                                schenden van de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het college van alle
                                        gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de
                                        aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de
                                        gemeente van belang zijn (artikel 28 lid 1 Wk);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een
                                        door het college te stellen redelijke termijn (artikel 28
                                        lid 2 Wk);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken
                                        aan het college van inlichtingen en gegevens die kunnen
                                        leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming
                                        (artikel 28 lid 3 Wk).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2.269
                                (artikel 72 lid 1 onderdeel c Wk). Bij het vaststellen van de hoogte
                                van de bestuurlijke boete zal het college maatwerk moeten leveren.
                                Artikel 72 lid 2 Wk bepaalt, dat de hoogte van de boete wordt
                                afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                                overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden waarin
                                die persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete
                                wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
                                ontbreekt. </al><al>In de Wk is geregeld in welke gevallen het college géén bestuurlijke
                                boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                        bestuurlijke boete opgelegd of er is hem een kennisgeving
                                        gedaan, dat een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In
                                        deze gevallen kan het college aangifte doen bij het Openbaar
                                        Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is 5 jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld
                                in de artikelen 77 tot en met 84 Wk. </al></divisie><divisie><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Lid 1 bepaalt, dat de inwerkingtreding is voorzien op 1 januari
                                2005, tenzij dat door de termijnstelling op grond van de Tijdelijke
                                referendumwet niet haalbaar is. De verordening kan door het college
                                worden aangemerkt als een raadsbesluit waarover een correctief
                                referendum kan worden gehouden. Daartoe is vereist dat binnen drie
                                weken na de bekendmaking van het besluit dat een referendum kan
                                worden gehouden, voldoende kiesgerechtigden een daartoe strekkend
                                inleidend verzoek hebben ingediend. In verband met die mogelijkheid
                                treedt een referendabel besluit niet eerder in werking dan zes weken
                                na de bekendmaking van het besluit dat en waarover een referendum
                                kan worden gehouden. </al><al>In lid 2 wordt de inwerkingtreding van paragraaf 2 bepaald op het
                                moment, dat artikel 23 Wk in werking treedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>