<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51514_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beheersverordening voor het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen voor de gemeente Beek 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beek</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-20</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beek</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maas- en Geleenbode 21-07-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Beek 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de lijkbezorging</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 168</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-07-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Uitvoeringsbesluit voor de grafbedekkingen</al><al>Uitvoeringsbesluit graven, asbezorging en gedenkplaatsen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beheersverordening voor het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen voor de gemeente Beek 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Beheersverordening voor het beheer en het gebruik van de gemeentelijke
                            begraafplaatsen voor de g</vet><vet>e</vet><vet>meente Beek
                        2010</vet></al><al/><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE BEEK;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 13 april 2010;</al><al/><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al/><al>de verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke
                        begraafplaatsen 2010 vast te stellen en de huidige verordening op het beheer
                        en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen d.d. 1 januari 2006 in
                        te trekken, m.i.v. de dag dat de nieuwe verordening in werking treedt,
                        zijnde 22 juli 2010.</al><al/><al>Aldus besloten door de raad der gemeente Beek in zijn openbare vergadering
                        van 1 juli 2010.</al><al/><al/><al>De raadsgriffier, De voorzitter,</al><al/><al/><al/><al/><al/><al>drs. G.H.M. Erven drs. A.M.J. Cremers</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>begraafplaats(en): de begraafplaats(en) (Algemene Begraafplaats
                                    aan de Stegen / St. Martinusstraat en de Nieuwe Hof);</al></li><li nr="b."><al>particulier graf: een graf daaronder begrepen, waarvoor aan een
                                    natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend
                                    tot:</al><lijst><li nr="1."><al>het doen begraven en begraven houden van lijken;</al></li><li nr="2."><al>het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met
                                            of zonder urnen;</al></li><li nr="3."><al>het doen verstrooien van as;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin aan de
                                    gemeente Beek gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven
                                    van lijken;</al></li><li nr="d."><al>particulier urnengraf: een graf, daaronder begrepen, waarvoor
                                    aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is
                                    verleend tot:</al><lijst><li nr="1."><al>het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met
                                            of zonder urnen;</al></li><li nr="2."><al>het doen verstrooien van as;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>algemeen urnengraf: n.v.t.</al></li><li nr="f."><al> particulier urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk of
                                    rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen
                                    bijzetten en bijgezet worden van asbussen met of urnen;</al></li><li nr="g."><al>urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen;</al></li><li nr="h."><al>asbus: een bus ter berging van as van een overledene;</al></li><li nr="i."><al> verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt
                                    verstrooid;</al></li><li nr="j."><al> grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf, een
                                    verstrooiingsplaats of gedenkplaats;</al></li><li nr="k."><al>gedenkplaats: een plaats ingericht om overledenen te
                                    gedenken;</al></li><li nr="l."><al> beheerder: de ambtenaar die belast is met de dagelijkse leiding
                                    van de begraafplaats(en) of degene die hem vervangt;</al></li><li nr="m."><al>rechthebbende: de rechthebbende op een eigen graf.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitbreiding begrippen particulier en algemeen
                                graf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'particulier graf' mede
                                verstaan: patrticulier urnengraf, particuliere urnennis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'algemeen graf' mede
                                verstaan alleen een graf.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Openstelling, orde en rust op de begraafplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Openstelling begraafplaats(en)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de begraafplaatsen zijn voor eenieder dagelijks toegankelijk
                                gedurende door het college bij nadere regels vast te stellen tijden.
                                Zij maakt deze tijden openbaar bekend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaatsen kunnen de
                                toegangen tijdelijk worden gesloten;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaatsen niet voor
                                het publiek geopend zijn, zich daarop te bevinden, anders dan voor
                                het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het is aan bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen, en
                                personen die werkzaamheden op de begraafplaatsen hebben te
                                verrichten, zijn verplicht zich in het belang van orde, rust en
                                netheid te houden aan de aanwijzigingen van de beheerder;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de beheerder kan personen die zich niet aan de in eerste lid
                                bedoelde aanwijzing houden van de begraafplaats verwijderen of laten
                                verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het is verboden met motorrijtuigen op de begraafplaatsen te
                                rijden:</al><lijst><li nr="a."><al>elders dan op de daartoe aangewezen rijwegen. Motorrijtuigen
                                        zijn buiten de rijwegen (slechts) toegestaan voor
                                        begrafenissen of voor het vervoer van materialen;</al></li><li nr="b."><al>sneller dan 10 km per uur.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Plechtigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>dodenherdenkingen, onthullingen van gedenktekens en dergelijke
                                plechtigheden op de begraafplaats moeten zes werkdagen tevoren
                                worden gemeld aan de beheerder onder opgave van datum en uur van de
                                plechtigheid en de wijze waarop de plechtigheid zal
                                plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid moeten
                                zich in het belang van de orde, rust en netheid houden aan de
                                aanwijzingen van de beheerder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Opgravingen en ruimen</titel></kop><al>Het opgraven van lijken en het ruimen van graven is slechts toegestaan
                            indien daarbij geen andere personen aanwezig zijn dan degenen die door
                            de beheerder met deze werkzaamheden zijn belast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorschriften voor lijkbezorging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Kennisgeving begraven en asbezorging, openen en sluiten van het
                                graf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>degene, die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil doen
                                verstrooien, geeft daarvan uiterlijk om 12.00 uur van de werkdag
                                voorafgaande aan de dag waarop de begraving, bijzetting of
                                verstrooiing zal plaatsvinden, hiervan schriftelijk kennis aan de
                                beheerder. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling
                                niet als werkdag. Indien de burgemeester toestemming heeft gegeven
                                om het lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet de
                                kennisgeving aan de beheerder zo tijdig mogelijk worden gedaan;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van as,
                                en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van de
                                hulpmiddelen mag uitsluitend geschieden door het personeel van de
                                begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De
                                nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de
                                beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten indien zij hun wens
                                daartoe uiterlijk 12.00 uur van de voorafgaande aan de werkdag van
                                de begraving mondeling of schriftelijk aan de beheerder hebben
                                kenbaar gemaakt. De zaterdag geldt voor de toepassing van deze
                                bepaling niet als werkdag. Zij dienen bij deze werkzaamheden de
                                aanwijzingen van de beheerder op te volgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gebouwen en muziekinstallatie</titel></kop><al>Het is verboden op de begraafplaatsen muziek af te spelen welke niet van
                            tijdelijke aard is en verbonden is aan het begraven van lijken of het
                            doen bijzetten van as.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Over te leggen stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>begraving mag slechts geschieden indien van tevoren het verlof tot
                                begraven is overgelegd aan de beheerder;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>indien de begraving of de bezorging van as in een particulier graf
                                zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de beheerder te
                                worden overgelegd ondertekend door de rechthebbende of, indien deze
                                is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de
                                uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn
                                afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van
                                de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende
                                uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum
                                grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de
                                rechthebbende of, indien deze is overleden, door een van de andere
                                personen, genoemd in artikel 17, tweede lid;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar
                                boven toe afgerond op gehele jaren;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de beheerder onderzoekt de genoegzaamheid van de overgelegde
                                stukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tijden van begraven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de tijd van begraven en het bezorgen van as is: op maandag tot en
                                met zaterdag van 9.00 uur tot 16.00 uur;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het college kan in bijzondere gevallen van deze tijden
                                afwijken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV.</nr><titel>Indeling en uitgifte der graven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Indeling graven en asbezorging.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op de begraafplaatsen kunnen worden uitgegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>particulier graven en particuliere urnengraven;</al></li><li nr="b."><al>particuliere urnennissen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel lijken
                                en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden bijgezet in
                                de eigen graven en hoeveel verstrooiingen van as er op of in de
                                eigen graven kunnen plaatshebben. Zij bepaalt tevens de afmetingen
                                en de uitgifteduur van de particuliere graven. De uitgifteduur kan
                                niet korter zijn dan de minimumtermijn vastgesteld in de Wet op de
                                lijkbezorging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Aantal overledenen in algemene graven</titel></kop><al>In de algemene graven kunnen maximaal drie lijken worden begraven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Volgorde van uitgifte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de particuliere graven worden slechts voor directe begraving en in
                                volgorde van ligging uitgegeven;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het college kan een particulier graf toewijzen anders dan voor
                                directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, indien dit
                                wegens de situatie op de begraafplaats(en) niet bezwaarlijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en
                            particuliere graven onderverdelen in categorieën. Zij bepaalt voor de
                            verschillende categorieën de situering en oppervlakte. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Termijnen eigen graven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van de
                                begraafplaatsen zulks toelaat, op een daartoe bij hen schriftelijk
                                in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig jaar het recht op
                                een particulier graf. De termijn begint te lopen op de datum van
                                begraving;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op
                                aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van
                                10 jaren, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende
                                termijn wordt ingediend;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Grafkelder</titel></kop><al>Niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Overschrijving van verleende rechten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het recht op een particulier graf kan op aanvraag van de
                                rechthebbende worden overgeschreven op naam van een ander natuurlijk
                                persoon of rechthebbende;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>na het overlijden van de rechthebbende kan het particulier graf
                                worden overgeschreven op naam van een natuurlijk persoon of
                                rechtspersoon, mits de aanvraag hiertoe wordt gedaan binnen zes
                                maanden na het overlijden van de rechthebbende. Indien de overleden
                                rechthebbende in het graf dient te worden begraven, of indien de
                                asbus met zijn resten in het graf dient te worden bijgezet, dient
                                het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand te worden
                                gedaan;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>indien na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot
                                overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het
                                tweede lid van dit artikel gestelde termijn van zes maanden, is het
                                college bevoegd het recht op het particulier graf te doen
                                vervallen;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van zes
                                maanden kan het college het particulier graf alsnog op naam stellen
                                van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking heeft op
                                een eigen graf dat inmiddels is geruimd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Afstand doen van graven</titel></kop><al>Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de
                            rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van
                            het recht op het particulier graf. Van de ontvangst van zodanige
                            verklaring doen burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling aan
                            de rechthebbende.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V.</nr><titel>Grafbedekkingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Vergunning grafsteen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>voor het plaatsen van een grafsteen is een schriftelijke vergunning
                                nodig van het college; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor
                                het plaatsen van een grafsteen aan;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de
                                afmetingen van de grafstenen de wijze van aanbrengen kan het college
                                nadere regels vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>het college kan ontheffing verlenen van de door hen vastgestelde
                                nadere regels;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>het college kan de vergunning weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet voldaan wordt aan de door hen vastgestelde nadere
                                        regels in het derde lid;</al></li><li nr="b."><al>de grafsteen afbreuk doet aan het aanzien van de
                                        begraafplaats;</al></li><li nr="c."><al>de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is;</al></li><li nr="d."><al>de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Onderhoud door de gemeente</titel></kop><al>Het college voorziet in het schoonhouden van de begraafplaatsen en het
                            na verzakking opnieuw uitvullen van de graven en in de zorg voor de
                            winterharde beplanting<vet>.</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Onderhoud door de rechthebbende of gebruiker</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het doen plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen
                                van de grafbedekking of grafsteen geschied door, voor rekening van
                                en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>de rechthebbende of gebruiker is verplicht de grafbedekking of
                                grafsteen behoorlijk te onderhouden of te herstellen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>indien hij nalaat de grafbedekking of grafsteen behoorlijk te
                                onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in
                                aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking of
                                grafsteen doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien
                                weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en
                                vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding
                                verplicht is;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>de verwijdering vindt niet plaats dan nadat de rechthebbende of de
                                gebruiker door middel van een verklaring op de hoogte is gesteld
                                over de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de
                                rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de
                                verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het
                                mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de
                                mededeling aangebracht;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>het college kan de rechthebbende of gebruiker per aanschrijving
                                verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen
                                binnen een door het college gestelde termijn, indien de beschadiging
                                zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk
                                aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van
                                de grafbedekking gevaar op levert voor derden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Niet-blijvende grafbeplanting</titel></kop><al>Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat
                            verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak
                            kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen
                            en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder
                            worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden
                            gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende
                            indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de
                            beheerder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Verwijdering grafbedekking of grafsteen</titel></kop><al>De grafbedekking of grafsteen kan na het verstrijken van de graftermijn
                            door het college worden verwijderd.</al><lijst><li nr="1."><al>het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking of grafsteen
                                    wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het
                                    tijdstip waarop de grafbedekking of grafsteen zal worden
                                    verwijderd door middel van een op het te ruimen graf te plaatsen
                                    bordje door het college bekendgemaakt, tenzij het adres van de
                                    rechthebbende bij het college bekend is. In dat geval maakt zij
                                    aan hem uiterlijk een jaar voor het genoemde tijdstip per brief
                                    hun voornemen bekend;</al></li><li nr="2."><al>de grafbedekking vervalt aan de gemeente indien de grafbedekking
                                    niet binnen dertien weken nadat deze van het graf is verwijderd,
                                    is afgehaald zonder dat de gemeente tot enige vergoeding
                                    verplicht is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI.</nr><titel>Ruiming van graven, urnengraven en urnennissen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Ruiming, bezorging van overblijfselen en as</titel></kop><al>Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt gedurende ten
                            minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd
                            zal worden door middel van een bij het te ruimen graf te plaatsen bordje
                            en bij de ingang van de begraafplaats ter kennis van de belanghebbenden
                            gebracht, tenzij het adres van de rechthebbende op het graf aan hen
                            bekend is. In dat geval deelt zij mee wanneer de termijn van uitgifte
                            gaat verstrijken. Als de rechthebbende geen verzoek indient om de
                            termijn te verlengen maakt zij uiterlijk een jaar voor het genoemde
                            tijdstip per brief het voornemen tot ruiming bekend;</al><lijst><li nr="1."><al>de beheerder draagt er zorg voor dat bij de ruiming van het graf
                                    nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol wordt
                                    omgegaan en dat de bezoekers van de begraafplaats niet met
                                    menselijke resten worden geconfronteerd. </al></li><li nr="2."><al>de bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten
                                    worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe
                                    bestemde gedeelten van de begraafplaatsen;</al></li><li nr="3."><al>nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen
                                    graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij
                                    de beheerder een aanvraag indienen om bij ruiming de
                                    overblijfselen, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor
                                    herbegraving elders. Nabestaanden van een overledene waarvan een
                                    asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemeen graf
                                    kunnen bij de beheerder een aanvraag indienen om deze ter
                                    beschikking te houden voor herbegraving of verstrooiing
                                    elders;</al></li><li nr="4."><al>de rechthebbende op een particulier graf, kan bij de beheerder
                                    een aanvraag indienen om de overblijfselen te doen verzamelen om
                                    deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om
                                    deze elders opnieuw te doen begraven. De rechthebbende op een
                                    particulier urnengraf of urnennis kan bij de beheerder een
                                    aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders
                                    bij te zetten of om de as te doen verstrooien.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VII</nr><titel>Instandhouden historische graven en opvallende grafbedekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Lijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college houdt een lijst bij van graven die van historische
                                betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het
                                college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te
                                worden bijgeschreven;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het
                                verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde
                                lijst staan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VIII.</nr><titel>Inrichting register</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het college kan voorschriften vaststellen voor het register van te
                                begraven lijken en de bezorgde as;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het register wordt bijgehouden door de beheerder.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IX.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke
                            begraafplaatsen (huidige verordening begraafplaatsen), vastgesteld op
                            d.d. 1 januari 2006, wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>besluiten van het college die genomen zijn krachtens de (oude)
                                verordening gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de (oude) verordening is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze
                                verordening toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>hij die handelt in strijd met de bovenstaande artikelen wordt
                                gestraft met een geldboete van de eerste categorie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>overtreding van de bovenstaande artikel uit deze verordening kan
                                worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                                uitspraak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van
                            uitgifte van het weekblad waarin zij is geplaatst, derhalve op 22 juli
                            2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: beheersverordening gemeentelijke
                            begraafplaatsen gemeente Beek 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 15 juli 2010</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. G.H.M. Erven drs. A.M.J. Cremers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Toelichting Beheersverordening begraafplaatsen 2010.</tussenkop><al/><tussenkop>Algemene toelichting op de Beheersverordening begraafplaatsen
                    2010</tussenkop><tussenkop>1. De verordenende bevoegdheid</tussenkop><tussenkop>1.1 Begraafplaats op grondgebied van de eigen gemeente</tussenkop><al>In artikel 147, eerste lid, van de <onderstreept>Gemeentewet</onderstreept> is
                    bepaald dat gemeentelijke verordeningen door de raad worden vastgesteld voor
                    zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet
                    aan het college of burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de
                    Gemeentewet maakt de raad de verordening die hij in het belang van de gemeente
                    nodig acht. Sinds de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op
                    7 maart 2002 zijn in de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college
                    ontvlecht. In het kader van de ontvlechting van raad en college zijn de
                    bestuursbevoegdheden van de Gemeentewet geconcentreerd bij het college en zijn
                    de kaderstellende en controlerende bevoegdheden van de raad versterkt.</al><al>De grondslag voor de verordenende bevoegdheid voor begraafplaatsen berust op
                    artikel 149 van de Gemeentewet. Daarnaast moet worden genoemd artikel 35 van de
                    Wet op de lijkbezorging dat een verordening eist voor de dagen en uren dat de
                    gemeente gelegenheid moet geven tot begraven.</al><tussenkop>1.2 Begraafplaats op grondgebied van een andere gemeente</tussenkop><al>Indien de begraafplaats is gelegen op het grondgebied van een andere gemeente
                    doet zich voor het uitoefenen van de verordenende bevoegdheid een ietwat
                    gecompliceerde situatie voor. Het is gemeenterechtelijk niet zonder meer
                    mogelijk dat een gemeente een verordening vaststelt die werkt buiten het
                    grondgebied van de gemeente.</al><al>In het geval er verordeningen worden vastgesteld op grond van artikel 36 van de
                        <onderstreept>Wet op de lijkbezorging</onderstreept>, kan bij
                    gemeenschappelijke regeling worden bepaald dat overal waarin de verordeningen
                    sprake is van het college wordt bedoeld het college van Beek. De
                    modelverordening bevat ook een uitvoeringsbepaling waarvoor de gemeenteraad
                    bevoegd is. Daarom zal in de gemeenschappelijke regeling tevens moeten worden
                    vastgelegd dat overal waarin de verordening sprake is van gemeenteraad wordt
                    bedoeld de raad van de gemeente die de begraafplaats instandhoudt. De
                    gemeenschappelijke regeling behoeft niet meer in te houden dan de hier
                    aangegeven bepalingen.</al><al>Volgens artikel 36 van de Wet op de lijkbezorging moet de verordenende
                    bevoegdheid door de - ter zake bevoegde - gemeenteraad worden uitgeoefend in
                    overeenstemming met de bevoegdheid van de andere gemeente. De ter zake bevoegde
                    gemeenteraad is de raad van de gemeente waar de begraafplaats is gelegen. De
                    beide betrokken gemeenten zullen derhalve overeenstemming moeten bereiken over
                    de verordening die tenslotte wordt vastgesteld door de gemeente waar de
                    begraafplaats is gelegen. In een eenvoudige gemeenschappelijke regeling wordt
                    vervolgens, met toepassing van artikel 8, derde lid, van de <onderstreept>Wet
                        gemeenscha</onderstreept><onderstreept>p</onderstreept><onderstreept>pelijke
                        regeling</onderstreept> (WGR), bepaald dat daar waarin de verordening sprake
                    is van het college wordt bedoeld het college van de gemeente die de
                    begraafplaats instandhoudt. Op die manier kan het bestuur van de gemeente, die
                    de begraafplaats instandhoudt, bevoegdheden uitoefenen op het grondgebied van de
                    andere gemeente. Het gaat daarbij om bevoegdheden op grond van de in onderlinge
                    overeenstemming totstandgekomen verordening van de gemeente waar de
                    begraafplaats is gelegen. Deze bevoegdheden strekken zich ook uit tot de
                    handhaving door strafbedreiging.</al><tussenkop>2. Gemeentelijk begraafplaatsenbeleid</tussenkop><tussenkop>2.1 Inleiding</tussenkop><al>De Beheersverordening begraafplaatsen bevat verschillende regels die de
                    gemeenten hanteren voor de instandhouding en de dienstverlening op de
                    gemeentelijke begraafplaatsen. In dit hoofdstuk schenken wij aandacht aan enkele
                    van deze regels.</al><tussenkop>2.2 Gemeentelijke verantwoordelijkheid en regelgeving</tussenkop><al>De burgers hebben vaak een emotionele betrokkenheid met de begraafplaatsen en
                    alles wat zich daarop afspeelt. Daarbij stelt de dienstverlening hun voor
                    financiële lasten. Dit maakt het nodig om de rechten en verplichtingen duidelijk
                    vast te leggen. Er is naar gestreefd om overbodige regelgeving te voorkomen en
                    procedures kort te houden. De beheerder van de begraafplaats kan worden
                    aangewezen voor contacten met de burgers voor bijvoorbeeld het in ontvangst
                    nemen van diverse aanvragen.</al><al>De verantwoordelijkheid van de gemeente voor de begraafplaats kan worden
                    vergeleken met de verantwoordelijkheid die zij heeft bij de zorg voor andere
                    collectieve voorzieningen zoals wandelgebieden en fietspaden. De verschillende
                    aspecten van de begraafplaatsen vragen in bestuurlijk opzicht om een speciale
                    aanpak.</al><al>Daarom wordt voorgesteld om bij de gemeentelijke begraafplaatsen deskundigen te
                    betrekken door een adviescommissie ( <onderstreept>artikel 84 van de
                        Gemeentewet</onderstreept>) in te stellen die het college over de algemene
                    aspecten van de begraafplaats en over de uitvoeringsbesluiten kan adviseren.
                    Hierbij kan worden gedacht aan deskundigen op het gebied van de rouwverwerking,
                    de plaatselijke geschiedenis en monumenten. Maar ook personen uit de kring van
                    rechthebbenden op de graven en omwonenden van de begraafplaats kunnen deel
                    uitmaken van zo'n adviescommissie begraafplaatsen.</al><al>De waarde die aan de begraafplaatsen wordt toegekend maakt het voorts nodig dat
                    er een inventarisatie wordt samengesteld van de historische en culturele waarden
                    die op de begraafplaats aanwezig zijn. Het model voorziet in het opstellen van
                    een lijst van gedenkwaardige graven en bijzondere gedenktekens die het waard
                    zijn om zo lang mogelijk in stand te worden gehouden. Deze lijst geeft derhalve
                    uitdrukking aan de waarden van de begraafplaats als zodanig. Zij dient een ander
                    doel dan de monumentenlijst.</al><al>Voor de dienstverlening op begraafplaatsen noemt het model een uitgebreid
                    voorzieningenpakket. De regeling noemt algemene en particulier graven,
                    bestemmingen voor as en gedenkplaatsen voor vermisten of voor overledenen in den
                    vreemde als het lichaam niet naar Nederland is vervoerd. Hiermee wordt voldaan
                    aan de behoeften die de samenleving in verband met het bezorgen van de doden
                    vraagt. In deze regeling is vastgelegd dat de gemeente in beginsel bereid is om
                    de voorzieningen te treffen. Het wil dus niet zeggen dat alle voorzieningen
                    daadwerkelijk op iedere gemeentelijke begraafplaats aanwezig moeten zijn. Het
                    verdient misschien aanbeveling om met het treffen van sommige feitelijke
                    voorzieningen te wachten tot de vraag zich aandient. Van belang is wel om vast
                    te leggen en bekend te maken dat de gemeente in principe bereid is om deze
                    voorzieningen te bieden zodra blijkt dat daaraan behoefte is. De als
                    mogelijkheid aanwezige dienstverlening is dan in de volle breedte voor iedereen
                    duidelijk.</al><al> De beheersverordening geeft het college de bevoegdheid om de graven, urngraven
                    en urnennissen in te delen in categorieën. Het verdient aanbeveling om daarbij
                    niet in de eerste plaats de verschillende soorten graven als uitgangspunt te
                    nemen, maar zo veel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke situatie van het
                    park en de daarop aangebrachte beplanting en kunstvoorwerpen. Op deze wijze kan
                    een te strakke en starre inrichting worden voorkomen en behoudt het park zijn
                    aantrekkelijkheid voor veel ingezetenen.</al><al>Het is voor nabestaanden, maar ook voor uitvaartondernemers, hoveniers en
                    steenhouwers begrijpelijkerwijs gewenst dat de overboeking van een grafruimte of
                    de goedkeuring van een grafsteen snel kan verlopen. Daarom kunnen de aanvragen
                    om grafuitgiften en vergunningen voor grafstenen volgens dit voorstel het best
                    worden ingediend bij de beheerder van de begraafplaats. Door mandaat van de
                    beslissingsbevoegdheid aan de beheerder kunnen de verzoeken door hem worden
                    behandeld en afgewikkeld onder verantwoordelijkheid van het college. </al><tussenkop>2.3 Ordemaatregelen</tussenkop><al>Op de begraafplaatsen moet orde, rust en netheid bestaan. Daarom bevat het model
                    gedragsvoorschriften voor hen die van de begraafplaats gebruikmaken. Dit kunnen
                    bezoekers, uitvaartondernemers, hoveniers of steenhouwers zijn. Personen die
                    zich niet gedragen volgens de aanwijzingen van de beheerder, kunnen door hem van
                    de begraafplaats worden verwijderd. Tegen overtreding van de ordevoorschriften
                    is straf bedreigd. De politie kan als gevolg van de strafbedreiging tegen
                    ordeverstoringen optreden en zo nodig proces verbaal opmaken.</al><al>Uitdrukkelijk is vastgesteld dat bij de opgraving van een lichaam of bij ruiming
                    van een of meer graven alleen de personen aanwezig mogen zijn die met de
                    werkzaamheden zijn belast.</al><tussenkop>2.4 Verplichte verlenging</tussenkop><al>Het gebeurt veelvuldig dat in particuliere graven begravingen, bijzettingen of
                    asbezorging plaatsvinden betrekkelijk kort voor het aflopen van de
                    uitgiftetermijn. Daarom is vastgelegd dat in dergelijke gevallen begraving of
                    bijzetting alleen kan plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de
                    uitgiftetermijn. Uiteraard zal die verlenging dan een periode moeten omvatten
                    die de alsdan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk maakt aan de
                    wettelijke minimumtermijn voor het ruimen van graven.</al><tussenkop>2.5 Overboeking van een eigen graf</tussenkop><al>Het recht op een particulier graf wordt verleend door een beschikking van het
                    college.Hierin wordt aan de aanvrager het uitsluitend recht gegeven om lijken in
                    een bepaald graf te doen begraven. In juridisch opzicht is een vergelijking
                    mogelijk met de vergunning om standplaats in te nemen op de openbare weg. De
                    koopman mag op een bepaalde plaats staan. Net als bij de standplaatsvergunning
                    steunt het recht om lijken in een bepaald graf te begraven, in de praktijk
                    aangeduid als 'particulier graf', op een persoonlijke beschikking. De eigenaar
                    kan zijn recht dus niet verkopen.</al><al>Het recht kan op verzoek van de rechthebbende wel worden overgeschreven op een
                    ander. De kring van de nieuwe rechthebbende wordt in beginsel beperkt tot de
                    echtgenoot of levenspartner dan wel een bloedverwant tot en met de derde graad.
                    De achtergrond van deze beperking is gelegen in het feit dat de schaarste aan
                    particuliere graven op de begraafplaats kan leiden tot het 'opkopen' van graven
                    door willekeurige derden.</al><al>Ervaringen in gemeenten hebben geleerd dat een dergelijke ontwikkeling verre van
                    denkbeeldig is. Het is ongewenst daaraan medewerking te verlenen. Het spreekt
                    daarbij vanzelf dat de mogelijkheid open blijft dat ook een ander dan een
                    familielid of levenspartner als nieuwe rechthebbende wordt aangewezen.</al><tussenkop>2.6 Voorschriften grafbedekking</tussenkop><al>Het aanzien van begraafplaatsen kan chaotisch worden als elke regelgeving
                    ontbreekt. Het andere uiterste, een strak keurslijf van bepalingen die elke
                    persoonlijke of kunstzinnige uiting aan banden legt of onmogelijk maakt, moet
                    worden voorkomen. Dit model geeft de burgers de nodige vrijheid; het beperkt
                    zich tot het aangeven van de materiaalkeuze, te weten duurzame materialen, en de
                    maximale afmetingen voor grafstenen. Binnen die afmetingen zijn de betrokkenen
                    in beginsel vrij in de vormgeving van de grafsteen. Dit model beperkt zich tot
                    enige algemene eisen waaraan grafbedekkingen moeten voldoen: </al><lijst><li nr="1."><al>de grafsteen mag geen afbreuk doen aan het aanzien van de
                            begraafplaats;</al></li><li nr="2."><al>de duurzaamheid van de materialen moet voldoende zijn;</al></li><li nr="3."><al>de constructie moet deugdelijk zijn;</al></li><li nr="4."><al>de grafsteen moet voldoen aan de door burgemeester en wethouders gegeven
                            nadere regels.</al></li></lijst><al>Als er door de rechthebbende geen grafsteen wordt aangebracht zal wel moeten
                    worden aangeduid dat er een overledene begraven ligt om te voorkomen dat
                    bezoekers ongewild over het graf lopen. Uit een aanduiding bij het graf en de
                    administratie zal voorts moeten blijken welke overledene daar begraven is.</al><tussenkop>2.7 Verplicht onderhoud</tussenkop><al>Het model stelt verplicht dat enkele handelingen van het onderhoud, zoals het
                    onderhoud van blijvende grafbeplanting en het uitvullen van verzakte graven, van
                    gemeentewege worden verzorgd. Er is dan ook een belangrijke aspect aan
                    verbonden. In de eerste plaats is het uitvullen van de verzakte graven
                    noodzakelijk, want het is voor de nabestaande toch emotioneel als een graf
                    tamelijk is verzakt. Een verplicht onderhoud van gemeentewege komt het aanzien
                    van de begraafplaats ten goede. </al><al>Naast het onderhoud van gemeentewege zijn de rechthebbenden op particuliere
                    graven, gezien de aard en de omvang en de lange tijdsduur dat deze graven
                    bestaan, verplicht hun grafbedekking of grafsteen behoorlijk te onderhouden en
                    zo nodig te herstellen. Indien er sprake is ven verwaarlozing van de
                    grafbedekking of grafsteen kan de beheerder van de begraafplaats de nabestaande
                    aanspreken en sommeren tot het overgaan van herstelwerkzaamheden aan de
                    grafbedekking of grafsteen.</al><tussenkop>3. Wijzigingen in wet- en regelgeving</tussenkop><tussenkop>3.1. Wet op de lijkbezorging</tussenkop><al>De Wet op de lijkbezorging is op 12 juni 2009 gewijzigd. De wijziging werd van
                    kracht op 1 januari 2010. Deze wijziging heeft gevolgen voor de
                    beheersverordening begraafplaatsen, zoals deze was opgesteld in 2006.</al><al>De wijzigingen die aanpassing van het model noodzakelijk maken betreffen de
                    volgende wetsartikelen:</al><al>Artikel 16: ‘Begraving of verbranding geschiedt niet eerder dan 36 uren na het
                    overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden.’</al><al>In de oude wetstekst werd als laatst mogelijke dag de vijfde dag na het
                    overlijden genoemd. De verlenging van deze termijn heeft gevolgen voor de
                    termijn van aanmelding van herdenkingsbijeenkomsten e.d. op de begraafplaats,
                    die doorgaans niet kunnen samenvallen met een begrafenis. Dit wordt geregeld in
                    artikel 5 (‘Plechtigheden’) van de model-beheersverordening.</al><al>Artikel 23, tweede lid: ‘Begraving geschiedt in een algemeen graf, waarbij de
                    houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt begraven, dan wel in een
                    particulier graf, zijnde een graf waarop een uitsluitend recht is gevestigd,
                    waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven.’</al><al>De term ´algemeen graf´ kwam in de oude wetstekst niet voor, maar werd al wel
                    gebruikt in de model-beheersverordening. Daarentegen sprak het model van een
                    ´eigen graf´ wanneer het een graf betrof waarop een uitsluitend recht was
                    gevestigd. In het nieuwe model wordt de terminologie van de gewijzigde wet
                    gevolgd. </al><al>Artikel 27a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat de houder van de
                    begraafplaats ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het
                    verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf schriftelijk
                    mededeling daarvan doet aan de belanghebbende bij het graf. Nu dit bij wet is
                    geregeld is de noodzaak dit op te nemen in de model-beheersverordening
                    vervallen.</al><al>Artikel 28. Het eerste lid van dit artikel is gewijzigd in die zin, dat de
                    minimumtermijn voor verlening van het uitsluitend recht op een graf van twintig
                    jaar is teruggebracht tot tien jaar. </al><al>De laatste zin van dit lid betreft de verlenging en luidt: ‘Het voor bepaalde
                    tijd verleende recht wordt op verzoek, mits gedaan binnen twee jaar voor het
                    verstrijken van de termijn, telkens verlengd, met dien verstande dat de houder
                    van de begraafplaats kan bepalen dat een periode van verlenging niet korter is
                    dan vijf jaar en niet langer is dan twintig jaar.’</al><al>Een en ander heeft gevolgen voor artikel 15 (‘Termijnen particuliere graven’)
                    van de model-beheersverordening.</al><al>Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van artikel 28 bevatten nieuwe
                    bepalingen betreffende kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
                    graf:</al><al>Lid 4: ‘In geval van kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
                    particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor zover de plicht tot
                    onderhoud niet bij hem ligt, deze verwaarlozing vastleggen in een schriftelijke
                    verklaring, die hij toezendt aan de rechthebbende, die binnen één jaar na
                    ontvangst in het onderhoud voorziet.’</al><al>Lid 5: ‘Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, niet
                    bevestigd wordt, maakt de houder van de begraafplaats de verklaring bekend bij
                    het graf en bij de ingang van de begraafplaats, gedurende een periode van vijf
                    jaar dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien.’</al><al>Lid 6: ‘Indien toepassing is gegeven aan het vierde of vijfde lid en niet alsnog
                    in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf op het
                    moment dat de periode van één dan wel vijf jaar, bedoeld in het vierde
                    respectievelijk vijfde lid, is verstreken.’</al><al>Lid 7: ‘Indien het recht op het graf nog geen twintig jaar is gevestigd op het
                    moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is verstreken, blijft de
                    bekendmaking in stand totdat de periode van twintig jaar is verstreken dan wel
                    totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien niet voordien in het
                    onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf zodra de
                    termijn van twintig jaar is verstreken.’</al><al>Deze bepalingen geven de houders van de begraafplaatsen de mogelijkheid de
                    grafrechten van verwaarloosde graven vijf jaar na constatering en bekendmaking
                    te laten vervallen, met dien verstande dat de minimale uitgiftetermijn (tien
                    jaar) wordt gerespecteerd. Vóór de wetswijziging kon het recht pas dertig jaar
                    na de laatste begraving vervallen. Voor de model-beheersverordening heeft dit
                    overigens geen directe gevolgen. Wel wordt de formulering van de wijze van
                    bekendmaking steeds gevolgd in het model.</al><al>Artikel 32. Dit artikel gaf in de ongewijzigde wet de minister de mogelijkheid
                    bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent de wijze van
                    begraven, de inrichting van het graf en de afstand van de graven onderling. Dit
                    is uitgebreid met de mogelijkheid regels te stellen omtrent het ruimen van de
                    graven, het verwijderen van de grafmonumenten en de teraardebestelling van de
                    overblijfselen der lijken. Deze wijziging kwam tot stand nadat was gebleken dat
                    de samenleving behoefte had aan bepaalde richtlijnen voor met name het ruimen en
                    de teraardebestelling van de overblijfselen. </al><al>Met het oog hierop is in het model een lid toegevoegd aan het artikel
                    betreffende de ruiming en de bezorging van overblijfselen (artikel 24). Volgens
                    dit lid heeft de beheerder de plicht er zorg voor te dragen dat er altijd met
                    respect en piëteit wordt omgegaan met menselijke resten.</al><al>Artikel 32a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat gedurende de periode dat
                    een graf niet geruimd mag worden het artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e
                    en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op hetgeen op
                    het graf is geplaatst. Dit artikel van het Burgerlijk Wetboek betreft de
                    natrekking. In 2002 heeft de Hoge Raad de uitspraak gedaan dat graftekens (van
                    graven met uitsluitend recht als bedoeld in artikel 28 Wet op de lijkbezorging)
                    middels natrekking in eigendom toebehoren aan de eigenaar van de grond. De
                    consequentie van deze uitspraak was dat de begraafplaats als eigenaar van
                    grafmonumenten aansprakelijk was voor de schade die het grafmonument aan een
                    ander grafmonument of aan een ander object, mens of dier aanbrengt
                    (risicoaansprakelijkheid). Het nieuwe wetsartikel legt de eigendom en daarmee
                    ook de risicoaansprakelijkheid van de graftekens bij de rechthebbende.</al><tussenkop>3.2. Vermindering administratieve lasten</tussenkop><al>Vele zaken zijn in het model geregeld door middel van een meldingsplicht, zoals
                    het houden van plechtigheden (art. 5), het doen begraven en het doen bijzetten
                    of doen verstrooien van as en het door de nabestaanden zelf openen en sluiten
                    van een graf (art.7). Een melding genereert weinig administratieve lasten.</al><al>Slechts in twee gevallen dient in het model een vergunning te worden
                    aangevraagd, i.e. voor het aanbrengen van een grafkelder (art. 16) en voor het
                    hebben van een grafbedekking (art. 19). </al><al>De vergunningsplicht voor het hebben van een grafbedekking is in het nieuwe
                    model gehandhaafd. Controle achteraf met als uiterste consequentie correctie is,
                    juist bij grafbedekkingen, ongewenst. Het ontwerpen, de aanschaf en de plaatsing
                    van een grafmonument gaat doorgaans met emoties gepaard. Wanneer achteraf blijkt
                    dat het monument niet aan de eisen voldoet is het ondoenlijk om nabestaanden
                    alsnog te vragen het gedenkteken aan te passen of te verwijderen. Op een aantal
                    begraafplaatsen is het wellicht mogelijk een gedeelte te bestemmen voor graven
                    waarbij voor het hebben van een grafbedekking slechts een meldingsplicht geldt. </al><al>De toestemming van het college, zoals vereist voor steenhouwers, hoveniers etc.
                    die werkzaamheden op de begraafplaats willen verrichten (art. 4 eerste lid van
                    het oude model) heeft geen toegevoegde waarde. De beheerder heeft immers al de
                    bevoegdheid tegen ongewenste praktijken op te treden, volgens artikel 4 eerste
                    en tweede lid van het nieuwe model. Afschaffing van de toestemmingsvereiste
                    leidt tot vermindering van administratieve en bestuurlijke lasten.</al><tussenkop>3.3. Lex silencio positivo</tussenkop><al>In een voorgestelde nieuwe wijziging van de Wet op de lijkbezorging wordt in
                    artikel 29 voor de vergunning tot opgraving een Lex silencio positivo (positieve
                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) opgenomen. Dat wil zeggen dat
                    wanneer op een aanvraag tot opgraving niet op tijd wordt beslist, de vergunning
                    van rechtswege is verleend.</al><al>Bij de beide vergunningen die deze model-beheersverordening regelt (i.e. voor
                    het grafmonument en voor de grafkelder) is niet voor een Lex silencio positivo
                    gekozen. Op zich is hier tegen een Lex silencio positivo weinig bezwaar. De
                    vergunningen worden doorgaans tijdig verleend of afgewezen. Daarbij kunnen ook
                    van tevoren regels worden gesteld die voor een vergunning van rechtswege gelden
                    (bijvoorbeeld over maatvoering en materiaalgebruik). Bij gemeenten bestaat
                    echter veel zorg over het ontstaan van situaties waarbij toch niet aan deze
                    regels wordt voldaan, zoals hiervoor al is uiteengezet. Gemeenten wensen één
                    situatie te allen tijde te vermijden, namelijk dat nabestaanden worden
                    geconfronteerd met een handhavingactie waarbij een grafmonument (of kelder) weer
                    moet worden verwijderd omdat het niet aan de regels voldoet. Om die reden is in
                    deze verordening afgezien van de Lex silencio positivo.</al><tussenkop>3.4. Europese Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) schrijft de Lex silencio
                    positivo dwingend voor bij vergunningsstelsels die onder de reikwijdte van deze
                    richtlijn vallen. Dat is bij de vergunningen die in deze verordening zijn
                    opgenomen echter niet het geval. Het al dan niet toepassen van de Lex silencio
                    positivo is dus een autonome keuze van de gemeente.</al><al>De vorige modelverordening bevatte één bepaling die zich specifiek tot
                    dienstverleners richtte, namelijk tot steenhouwers, hoveniers en anderen die op
                    de begraafplaats werkzaamheden verrichten (artikel 4, eerste lid). Om te
                    voorkomen dat de volle lasten van de Dienstenrichtlijn op deze bepaling zouden
                    komen te rusten (screening en notificatie) is besloten de bepaling te schrappen.
                    Bovendien is voor de ordelijke gang van zaken deze bepaling niet noodzakelijk,
                    zoals hierboven is uiteengezet.</al><tussenkop>3.5. Verouderde regels</tussenkop><al>Artikel 31 van het model betreft de inwerkingtreding van de verordening. In het
                    oude model werd de inwerkingtreding gesteld op de eerste dag na het verstrijken
                    van een termijn van zes weken na de datum van uitgifte van het gemeenteblad
                    waarin de verordening is geplaatst. De beheersverordening begraafplaatsen
                    behoorde tot de verordeningen waarover op grond van de Tijdelijke referendumwet
                    (Trw) een referendum kon worden gehouden. De termijn van zes weken was
                    voorgeschreven in art. 22 van de Trw. De Trw is echter per 1 januari 2005
                    vervallen. Vanaf dat tijdstip geldt artikel 142 van de Gemeentewet: Alle
                    verordeningen treden in werking op de achtste dag na bekendmaking, tenzij
                    daarvoor een ander tijdstip was</al><al>B.Artikelsgewijze toelichting</al><tussenkop>1. Toelichting op enkele bepalingen van de Beheersverordening
                    begraafplaatsen</tussenkop><al>Artikel 1.</al><al>In dit artikel worden de gebruikte begrippen gedefinieerd. </al><al>b en c. Grafkelders worden in de praktijk steeds vaker gebruikt. Deze
                    constructies kunnen ook bovengronds worden geplaatst, als onderdeel van een muur
                    of wand.</al><al>Wanneer een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet in
                    een grafkelder of urnenmuur, spreekt men van een keldergraf, in tegenstelling
                    tot een zandgraf.</al><lijst><li nr="f."><al>Een particulier graf werd in het oude model aangeduid als ‘eigen’ graf.
                            Ook in het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘eigen graf’ nog altijd
                            gebezigd. Het nieuwe model volgt echter de terminologie van de Wet op de
                            lijkbezorging.</al></li><li nr="f."><al>en h. De mogelijkheid wordt geboden as te doen verstrooien in of op de
                            particuliere graven. Bij keldergraven, zeker wanneer deze onderdeel zijn
                            van een muur of wand, is dit niet goed mogelijk. Regels voor het
                            verstrooien van as op het strooiveld of particuliere graven kunnen
                            desgewenst worden opgenomen in artikel 11 (Indeling graven en
                            asbezorging).</al></li><li nr="g."><al>en i. In het oude model was bij de definitie van algemene graven en
                            algemene urnengraven opgenomen dat ‘aan eenieder’ gelegenheid wordt
                            geboden tot het doen begraven van lijken en het doen bijzetten van
                            asbussen. De passage ‘aan eenieder’ is overbodig en daarom geschrapt.
                            Volgens artikel 23, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging is het aan
                            de houder van de begraafplaats te bepalen wie in een algemeen graf wordt
                            begraven.</al></li><li nr="o."><al>en p. De termen rechthebbende en gebruiker zijn nader gedefinieerd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.</tussenkop><al>Voor een particulier graf, particulier urnengraf, particuliere urnennis en
                    particuliere gedenkplaats gelden vrijwel dezelfde rechten en plichten. De
                    woorden ’voor zover van belang’ zijn ingevoegd omdat de bepalingen betreffende
                    het ruimen en het wegnemen van een asbus alleen werken bij een particulier graf,
                    respectievelijk particulier urngraf.</al><tussenkop>Artikel 3.</tussenkop><al>Dit artikel maakt het de beheerder tevens mogelijk de begraafplaats geheel of
                    gedeeltelijk te sluiten wanneer dit voor het ruimen van graven noodzakelijk
                    is.</al><tussenkop>Artikel 4.</tussenkop><al>Het model bevat gedragsvoorschriften voor hen die van de begraafplaats gebruik
                    maken, in het belang van orde, rust en netheid. Tegen overtreding van de
                    voorschriften is straf bedreigd. De politie kan als gevolg van de
                    strafbedreiging tegen ordeverstoringen optreden en zo nodig proces verbaal
                    opmaken.</al><al>De in het oude model opgenomen bepaling dat personen die werkzaamheden aan
                    grafbedekkingen op de begraafplaats hebben te verrichten daarvoor toestemming
                    van het college dienen te vragen is geschrapt. De eis was gesteld in het kader
                    van de openbare orde: Steenhouwers en hoveniers moeten zich er steeds van bewust
                    zijn dat hun werkzaamheden storend kunnen zijn voor rouwenden en tijdens
                    uitvaartplechtigheden. De bevoegdheid van de beheerder om personen weg te sturen
                    als zij zich niet aan zijn aanwijzingen houden biedt echter, samen met de
                    verbodsbepalingen, voldoende mogelijkheden om tegen ongewenste activiteiten op
                    te treden. Denkbaar is dat men ter controle een bewijs moet kunnen overleggen
                    dat men in opdracht van de rechthebbende van het graf aan het werk is.</al><al>Aan een uitzondering op de regel als bedoeld in het derde lid onder a bestaat
                    behoefte omdat men soms dichtbij een graf moet kunnen komen met een
                    motorrijtuig. Aangezien een dergelijke handeling niet overeenstemt met het beeld
                    van orde en rust dient met het verlenen van de ontheffing uiterst terughoudend
                    te worden omgegaan. De situatie kan uiteraard per begraafplaats
                    verschillen.</al><tussenkop>Artikel 5.</tussenkop><al>Met dit artikel wordt beoogd om plechtigheden ordelijk te doen verlopen. Door te
                    eisen dat de mededeling zes werkdagen vooraf moet plaatshebben, kan worden
                    voorkomen dat de plechtigheid samenvalt met een begrafenis. Een begrafenis dient
                    volgens de wet uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden te
                    geschieden.</al><al>Bijeenkomsten die het karakter van een plechtigheid te buiten gaan, kunnen het
                    karakter hebben van een openbare manifestatie. Hiervan moet vooraf kennisgeving
                    worden gedaan aan de burgemeester volgens de Wet openbare manifestaties van 1988
                    en mogelijk van toepassing zijnde APV-bepalingen, zoals artikel 2.1.2.1. van de
                    model-APV.</al><tussenkop>Artikel 6.</tussenkop><al>Uitdrukkelijk is gesteld dat bij opgraving van een lichaam of bij ruiming van
                    een of meer graven alleen de personen aanwezig mogen zijn die met de
                    werkzaamheden zijn belast.</al><tussenkop>Artikel 7.</tussenkop><al>Een schriftelijke kennisgeving is nodig omdat duidelijk vast moet liggen wat
                    voor graf er wordt gevraagd.</al><al>De as kan volgens artikel 62 van de Wet op de lijkbezorging worden bijgezet in
                    of op een graf dan wel op een afzonderlijke plaats, meestal een urnennis.</al><al>In het vorige model was de bepaling opgenomen dat het lijk bij aankomst op de
                    begraafplaats of in het crematorium voorzien diende te zijn van een
                    identiteitskenmerk. Deze bepaling is geschrapt, aangezien dit vereiste volgt uit
                    artikel 8 van de Wet op de lijkbezorging.</al><al>Indien de nabestaanden alle of bepaalde werkzaamheden zelf willen verrichten
                    zijn, ook om redenen van veiligheid, toch de aanwijzingen en de hulp van het
                    personeel van de begraafplaats nodig. Het gaat dan vooral om het openen en
                    sluiten van het graf. De werkzaamheden kunnen eventueel door de nabestaanden en
                    het personeel van de begraafplaats samen worden verricht. Zo kunnen de
                    nabestaanden bijvoorbeeld een begin maken. Vervolgens kan het personeel de
                    handelingen verrichten waar ervaring voor nodig is of die van de nabestaanden te
                    zware lichamelijke inspanning vragen. Werkzaamheden als het aanbrengen van de
                    grafranden ter stutting van de grond om het geopende graf en het verwijderen van
                    die randen voor het sluiten van het graf zullen door het personeel moeten worden
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 8.</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 9.</tussenkop><al>De Wet op de lijkbezorging schrijft voor dat de behandelende arts of de
                    gemeentelijke lijkschouwer een verklaring van overlijden afgeeft aan de
                    ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 12). Vervolgens geeft deze
                    schriftelijk verlof tot begraven of cremeren (artikel 11). Dit verlof dient te
                    worden overlegd aan de beheerder. Door de medewerking aan de begrafenis te
                    weigeren wanneer dit verlof niet in zijn bezit is voldoet de beheerder aan de
                    wettelijke vereisten.</al><al>Vanuit het oogpunt van vermindering van administratieve lasten verdient het
                    aanbeveling het hierboven genoemde traject zo soepel mogelijk te doen verlopen.
                    Sommige gemeenten slaan één stap over: de ambtenaar van de burgerlijke stand is
                    tevens de beheerder van de begraafplaats. Een digitalisering van de genoemde
                    processen en voorgeschreven formulieren zal aanzienlijk bijdragen aan de
                    reductie van administratieve lasten. Volgens de memorie van antwoord aan de
                    Eerste Kamer, ontvangen op 15 mei 2009 bij de behandeling van de Wijziging van
                    de Wet op de lijkbezorging, werkt de minister van Justitie aan een wetsvoorstel
                    elektronische burgerlijke stand dat hierin voorziet.</al><al>De bezorging van as omvat zowel het bijzetten als de verstrooiing.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat het stoffelijk overschot van de rechthebbende
                    zelf in het particuliere graf mag worden bijgezet (lid 2). Het verzoek tot
                    overschrijving van het recht dient in dit geval wel vóór de bijzetting te worden
                    gedaan volgens artikel 17, tweede lid.</al><al>De wettelijke minimum grafrusttermijn (lid 3) is de termijn dat een lijk volgens
                    de wet ten minste begraven moet blijven voordat het mag worden geruimd. Het is
                    voorgekomen dat in particuliere graven begravingen of bijzettingen betrekkelijk
                    kort voor het aflopen van de uitgiftetermijn plaatsvonden. Daarom is vastgelegd
                    dat in dergelijke gevallen begraving of bijzetting alleen kan plaatsvinden onder
                    gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn. Uiteraard zal die verlenging
                    dan een periode moeten omvatten die de alsdan resterende uitgiftetermijn ten
                    minste gelijk maakt aan de wettelijke minimum grafrusttermijn, i.e. 10
                    jaar.</al><tussenkop>Artikel 10.</tussenkop><al>Artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging verplicht tot de mogelijkheid van
                    begraven op iedere dag gedurende een bij gemeentelijke verordening te bepalen
                    tijd, met uitzondering van zon- en feestdagen. Gemeenten zijn vrij te bepalen
                    dat ook op zondag of een algemeen erkende feestdag wordt begraven. Joodse
                    begrafenissen vinden niet plaats op de sabbat (i.e. zaterdag). Het
                    Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap heeft er daarom belang bij dat de
                    begraafplaatsen op zondagen en niet-Joodse feestdagen voor een begrafenis kunnen
                    worden opengesteld. Daarnaast zijn er ook andere gevallen denkbaar waarin de
                    nabestaanden er een belang bij hebben om op een zon- of feestdag een begrafenis
                    of asbezorging te kunnen doen plaatshebben. In de praktijk is het mogelijk om de
                    begraafplaats alleen in bijzondere gevallen hiervoor open te stellen.</al><al>Een bijzonder geval kan zich voordoen als de burgemeester toestemming heeft
                    gegeven om een lijk binnen 36 uur te begraven. Sommige nabestaanden vragen om
                    deze toestemming om godsdienstige redenen. Daarnaast kan spoed geboden zijn in
                    geval van lijkvinding.</al><tussenkop>Artikel 11.</tussenkop><al>Naast de particuliere graven noemt dit artikel de verschillende andere soorten
                    van voorzieningen op de begraafplaats. Gedenkplaatsen kunnen bijvoorbeeld worden
                    uitgegeven voor vermisten of als de persoon in het buitenland is overleden en
                    het stoffelijk overschot niet naar Nederland is vervoerd.</al><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><al>Het Besluit op de lijkbezorging van 4 december 1997 bevat in artikel 5 de
                    bepaling dat er ten hoogste drie lijken boven elkaar mogen worden begraven.</al><tussenkop>Artikel 13.</tussenkop><al>Een graf zal alleen buiten de volgorde van ligging worden toegewezen als dit
                    niet bezwaarlijk is voor de situatie op de begraafplaats. Hierbij kan worden
                    gedacht aan het aanzien van de begraafplaats en de gesteldheid van de
                    bodem.</al><tussenkop>Artikel 14.</tussenkop><al>Een indeling in categorieën is nodig als het college verschillende regels wil
                    vaststellen voor de grafbedekkingen op de graven die liggen op de verschillende
                    delen (categorieën) van de begraafplaats.</al><tussenkop>Artikel 15.</tussenkop><al>Volgens artikel 28, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging kan het recht op
                    een graf voor ten minste tien jaar worden verleend. Voorts kan, wanneer sprake
                    is van verlenging, de houder van de begraafplaats bepalen dat de periode van
                    verlenging 10 jaar. Daarom is in het model voor de uitgiftetermijn de
                    mogelijkheid gegeven te kiezen voor een periode gelegen tussen tien en dertig
                    jaar, en wel in een veelvoud van 5. </al><al>Soms verkeren rechthebbenden in de onjuiste veronderstelling dat de
                    uitgiftetermijn pas begint te lopen op het moment van de eerste begraving of
                    bijzetting. Daarom is de laatste zin in het eerste lid van artikel 15,
                    betreffende de aanvang van de termijn, opgenomen.</al><al>De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 28 dat vanaf twee jaar voor het
                    verstrijken van de lopende termijn verlenging van de termijn kan worden
                    aangevraagd. Binnen een jaar na het begin van deze periode moet, volgens het
                    tweede lid van genoemd wetsartikel, het college de rechthebbende op het graf
                    mededelen dat de termijn gaat aflopen. Volgens het oude wetsartikel diende deze
                    mededeling schriftelijk te geschieden ‘aan de rechthebbende wiens adres de
                    houder van de begraafplaats bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn’. Het
                    laatste deel van de zin (‘of redelijkerwijs bekend kan zijn’) is bij de
                    wijziging van de wet geschrapt. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten komt de verantwoordelijkheid voor het geven van het
                    juiste adres nu uitdrukkelijk bij de rechthebbende te liggen. Van de houder van
                    de begraafplaats wordt dan niet méér verlangd dan dat hij het adres uit zijn
                    eigen administratie gebruikt. Tevens ontslaat dit de beheerder van de plicht het
                    GBA-netwerk te (doen) raadplegen. Wanneer niet binnen drie maanden om verlenging
                    van het recht is verzocht, dient de mededeling bekend te worden gemaakt bij het
                    graf en bij de ingang van de begraafplaats tot aan het einde van de periode dat
                    de rechthebbende om verlenging van de termijn van uitgifte kan vragen.</al><al>Zie verder voor de bekendmakingen de toelichting op artikel 23.</al><al>Indien er ten tijde van de opheffing van de begraafplaats nog rechten op
                    particuliere graven bestaan, zal in overleg met de rechthebbenden moeten worden
                    bezien welke beslissingen er ten aanzien van die graven zullen worden
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 16.</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 17.</tussenkop><al>Het recht op een particulier graf wordt verleend door een beschikking van het
                    college. Hierin wordt aan de aanvrager het uitsluitend recht gegeven om lijken
                    in een bepaald graf te doen begraven. In juridisch opzicht is een vergelijking
                    mogelijk met de vergunning een standplaats in te nemen op de openbare weg. De
                    koopman mag op een bepaalde plaats staan. Net als bij de standplaatsvergunning
                    steunt het recht om lijken in een bepaald graf – vroeger aangeduid als 'eigen
                    graf' – te begraven op een persoonlijke beschikking. De eigenaar kan zijn recht
                    dus niet verkopen. Het recht kan op verzoek van de rechthebbende wel worden
                    overgeschreven op een ander.</al><al>In het vorige model was bepaald dat het recht op een graf slechts kon worden
                    overgeschreven op naam van de echtgenoot of levenspartner van de (overleden)
                    rechthebbende dan wel op naam van een bloedverwant of aanverwant tot en met de
                    derde graad. Slechts wanneer er gewichtige redenen bestonden was overschrijving
                    op naam van een ander mogelijk. Uit de praktijk bleek dat deze beperking niet of
                    lastig te handhaven is en bovendien administratieve lasten veroorzaakt. Daarom
                    is deze regel geschrapt. Wel wordt nu de mogelijkheid geboden het recht over te
                    schrijven op naam van een rechtspersoon.</al><al>Het is gewenst dat er na overlijden van een rechthebbende een nieuwe
                    rechthebbende wordt aangewezen die de verantwoordelijkheid voor de grafruimte en
                    de daaraan verbonden kosten op zich neemt. De termijn, waarbinnen de aanvraag
                    tot overschrijving kan worden gedaan, is gesteld op zes maanden na het
                    overlijden van de rechthebbende. Er is geen reden een langere termijn aan te
                    houden.</al><al>Het vierde lid van dit artikel geeft het college de mogelijkheid zo nodig van de
                    genoemde termijn af te wijken.</al><al>In het geval dat de stoffelijke resten van de rechthebbende in het graf moeten
                    worden bijgezet dient het verzoek tot overschrijving vóór de bijzetting te
                    worden gedaan. Doorgaans worden, na een overlijden, door de nabestaanden meteen
                    al de noodzakelijke regelingen getroffen. Logischerwijs is dan het aanwijzen van
                    een nieuwe rechthebbende daar één van.</al><al>Wanneer nabestaanden ontbreken is er de mogelijkheid de rechten over te
                    schrijven op naam van de notaris die de nalatenschap beheert, of op naam van de
                    Stichting Grafzorg Nederland.</al><tussenkop>Artikel 18.</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om buiten twijfel te stellen dat de rechthebbende
                    afstand van het graf kan doen.</al><tussenkop>Artikel 19.</tussenkop><al>Als elke regelgeving voor grafbedekkingen en grafsteen ontbreekt kan het aanzien
                    van begraafplaatsen chaotisch worden. Ook en vooral dienen de
                    veiligheidsaspecten te worden genoemd. Het andere uiterste, een strak keurslijf
                    van bepalingen die elke persoonlijke of kunstzinnige uiting aan banden legt of
                    onmogelijk maakt, moet worden voorkomen. Dit model geeft de burgers de nodige
                    vrijheid; het beperkt zich tot het aangeven van minimumeisen voor de afmetingen,
                    constructie en materiaalkeuze waaraan de grafbedekking moet voldoen. Deze eisen
                    zijn uitgewerkt in de nadere regels van het college.</al><al>Zie ook de Algemene toelichting, hoofdstuk 3.2 (‘Vermindering administratieve
                    lasten’).</al><al>De vergunningseis geldt voor de grafbedekkingen, grafstenen en winterharde
                    planten op algemene en voor die op particuliere graven.</al><al>Als er geen grafbedekking wordt aangebracht zal wel moeten worden aangeduid dat
                    er iemand begraven ligt om te voorkomen dat bezoekers ongewild over het graf
                    lopen. Uit een aanduiding bij het graf en uit de administratie zal voorts moeten
                    blijken wie daar begraven is.</al><tussenkop>Artikel 20.</tussenkop><al>In dit artikel is duidelijk omschreven welke onderdelen van het onderhoud door
                    de gemeente worden verzorgd. Het onderhoud door de gemeente is een minimale zorg
                    met de bedoeling dat de begraafplaats als geheel een verzorgd aanzien heeft. Op
                    de graven kunnen winterharde beplantingen worden aangebracht, zoals rozen,
                    coniferen en buxushagen. De zorg voor deze blijvende beplantingen kan omvatten
                    het snoeien, het verwijderen van onkruid en het aanbrengen van nieuwe planten.
                    Het verdient aanbeveling om het beleid dat burgemeester en wethouders ter
                    uitvoering van dit artikel voeren mede te delen bij de afgifte van de vergunning
                    voor het hebben van een grafbedekking en grafsteen en/of bekend te maken op het
                    mededelingenbord op de begraafplaats.</al><tussenkop>Artikel 21.</tussenkop><al>In dit artikel worden de rechten en de plichten van de rechthebbende of, in het
                    geval van algemene graven, van de gebruiker ten aanzien van de grafbedekking of
                    grafsteen omschreven. Alleen in dit artikel is sprake van plichten voor
                    (bepaalde) nabestaanden van overledenen die zijn bijgezet in een algemeen graf.
                    Daarom wordt hier de in artikel 1 (‘Begripsbepalingen’) gedefinieerde term
                    ‘gebruiker’ gebezigd in plaats van de ruimer op te vatten term ‘belanghebbende’,
                    die voorkomt in verband met het begrip ‘algemeen graf’ in de Wet op de
                    lijkbezorging (artikel 27a).</al><al>De eigendom en daarmee ook de risicoaansprakelijkheid van hetgeen op het graf is
                    geplaatst ligt, volgens art. 32a van de Wet op lijkbezorging, bij de
                    rechthebbende. Van natrekking is geen sprake zolang het graf niet geruimd mag
                    worden.</al><al>Het onderhoud dat door de gemeente wordt verricht zal in een aantal gevallen
                    voldoende zijn voor algemene graven. Hier wordt nogmaals gesteld dat het beleid
                    dat burgemeester en wethouders ten aanzien van het onderhoud voeren duidelijk
                    dient te worden bekend gemaakt. De aard en de afmetingen van de grafbedekkingen
                    op particuliere graven en de termijn van uitgifte van deze graven met het recht
                    om deze termijn steeds te verlengen, maken dat bij deze grafbedekkingen zeker
                    niet kan worden volstaan met het minimum aan onderhoud door de gemeente.</al><al>Indien er sprake is van verwaarlozing van de grafbedekking of grafsteen kan de
                    beheerder van de begraafplaats de rechthebbende of de gebruiker aanspreken en
                    sommeren tot het verrichten van herstelwerkzaamheden aan de grafbedekking of
                    grafsteen. De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 28, het vierde tot en
                    met het zevende lid, dat het recht op het graf vervalt wanneer vijf jaar na
                    constatering en bekendmaking van de verwaarlozing niet in het onderhoud is
                    voorzien. Hierbij wordt rekening gehouden met de termijn van grafrust en de
                    uitgiftetermijn van het graf. Zie ook de algemene toelichting, hoofdstuk
                    3.1.</al><tussenkop>Artikel 22.</tussenkop><al>In de dagelijkse praktijk rijzen er nog wel eens problemen over verwijderde
                    bloemen en eenjarige planten zoals afrikanen en geraniums. Omdat de bloemen en
                    planten eigendom zijn van de rechthebbenden of de belanghebbenden is een
                    waarschuwing vooraf op zijn plaats. Het zou echter veel te omslachtig zijn
                    genoemde personen steeds per brief te waarschuwen dat de verwaarloosde planten
                    of verwelkte bloemen zullen worden verwijderd. Het verdient aanbeveling om het
                    beleid ten aanzien van de planten en bloemen mee te delen bij de afgifte van de
                    vergunning voor het hebben van een grafbedekking en bekend te maken op het
                    mededelingenbord op de begraafplaats. Het is gewenst om verwelkte bloemen niet
                    te snel te verwijderen omdat gesteld mag worden dat zij passend zijn bij de
                    sfeer van de begraafplaats.</al><tussenkop>Artikel 23.</tussenkop><al>De rechthebbende dient volgens artikel 28, tweede lid van de Wet op de
                    lijkbezorging ten minste een jaar voor het verstrijken van de termijn van het
                    recht op de hoogte te worden gesteld van dit feit, en van de mogelijkheid
                    verlenging van het recht te vragen. In veel gevallen kan dan gelijktijdig de
                    mededeling worden gedaan dat, wanneer niet om verlenging wordt verzocht, het
                    college opdracht zal geven de grafbedekking na het verstrijken van de termijn te
                    verwijderen en het graf te ruimen. Tevens kan worden medegedeeld dat de
                    grafbedekking dertien weken na verwijdering aan de gemeente vervalt.</al><al>Ook nabestaanden van overledenen die zijn begraven in een algemeen graf dienen,
                    volgens artikel 27a van de Wet op de lijkbezorging, op hoogte te worden gesteld
                    van het verstrijken van de termijn van uitgifte. Deze mededeling dient volgens
                    de wet ‘ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het
                    verstrijken van de termijn van uitgifte’ aan de belanghebbende bij dat graf te
                    worden gedaan. Hierbij kan dan gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat de
                    mogelijk aanwezige grafbedekking zal worden verwijderd en dat het graf zal
                    worden geruimd. Zie ook artikel 15, tweede lid, met de toelichting en artikel 24
                    eerste lid.</al><al>De bordjes bij de graven met een mededeling dienen alleen aan de bezoekers van
                    die graven op te vallen. Op enkele begraafplaatsen zijn goede ervaringen
                    opgedaan met bordjes van 15 x 10 cm in een onopvallende kleur.</al><al>De grafbedekking kan ook worden verwijderd nadat het college het grafrecht
                    vervallen heeft verklaard omdat er na het overlijden van de rechthebbende niet
                    tijdig een nieuwe rechthebbende is aangewezen (artikel 17, derde lid van dit
                    model), of omdat het onderhoud van het graf is verwaarloosd (artikel 28, zesde
                    lid van de Wet op de lijkbezorging). In dat geval geldt eveneens het vereiste
                    van de voorafgaande mededeling per brief of door het plaatsen van een bordje bij
                    het graf gedurende minstens een jaar.</al><al>In het vorige model was voor de recht- of belanghebbende de mogelijkheid
                    opgenomen een aanvraag in te dienen om de grafbedekking na verwijdering een
                    bepaalde periode ter beschikking te houden. Dit bracht veel administratieve
                    lasten met zich; daarom is deze mogelijkheid in het nieuwe model niet meer
                    opgenomen. Voor relevante wetgeving omtrent eigendom van roerende zaken zie
                    artikel 8, Burgerlijk Wetboek Boek 5 en artikel 5:30 Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 24.</tussenkop><al>Volgens artikel 31, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging kan een
                    particulier graf alleen geruimd worden met toestemming van de rechthebbende. Het
                    recht op een graf kan echter vervallen na het verstrijken van de termijn, of
                    omdat er na het overlijden van de rechthebbende niet tijdig een nieuwe
                    rechthebbende is aangewezen (artikel 17, derde lid van dit model). Ook kan het
                    recht vervallen na verwaarlozing van het onderhoud, volgens artikel 28, zesde
                    lid van de Wet op de lijkbezorging.</al><al>De mededeling dat het college voornemens is om de graven te ruimen wordt gedaan
                    zowel aan de rechthebbenden op particuliere graven als aan de nabestaanden van
                    overledenen die zijn begraven in een algemeen graf. Zie verder hetgeen is
                    vermeld in de toelichting op artikel 23.</al><al>Eenieder kan van zijn zienswijze doen blijken, bijvoorbeeld omdat het graf van
                    historische betekenis is (zie artikel 26).</al><al>Volgens het vijfde lid van artikel 24 kan de rechthebbende vragen om de
                    overblijfselen te doen verzamelen om deze te cremeren, dan wel bij te zetten in
                    een ander graf op dezelfde begraafplaats of over te brengen naar een andere
                    begraafplaats. Ook wordt de mogelijkheid gegeven om de overblijfselen in
                    dezelfde grafruimte te doen plaatsen (het zogenaamde schudden). Het graf wordt
                    dan extra diep uitgegraven, en de overblijfselen worden onderin geplaatst. De
                    rechthebbende kan dan vervolgens het graf bestemmen voor andere overledenen. Op
                    deze wijze kan het graf gedurende langere tijd in dezelfde familie blijven.</al><al>Het vierde lid van artikel 24 opent de mogelijkheid ook bij ruiming van algemene
                    graven de stoffelijke overblijfselen dan wel de as een andere bestemming te
                    geven dan die welke genoemd is in het derde lid.</al><al>Met betrekking tot het ruimen is in het model gekozen voor een zorgplicht voor
                    de gemeente, als beheerder van de begraafplaats. Op de beheerder rust de plicht
                    er zorg voor te dragen dat met de menselijke resten welke bij de ruiming van een
                    graf worden aangetroffen te allen tijde respectvol wordt omgegaan. Er dienen
                    bovendien maatregelen te worden getroffen zodat bezoekers van de begraafplaats
                    niet met de menselijke resten worden geconfronteerd. Hoe dit in de praktijk
                    ingevuld kan worden wordt uitgewerkt in een handreiking, welke in samenspraak
                    met de branche wordt opgesteld.</al><tussenkop>Artikel 25.</tussenkop><al>Het ter beschikking van een kerkgenootschap gestelde deel op een gemeentelijke
                    begraafplaats valt volgens artikel 39 van de Wet op de lijkbezorging onder het
                    beheer van de gemeente. Hierdoor is ook de beheersverordening op dit gedeelte
                    van de begraafplaats van toepassing. Het college is dus verantwoordelijk voor de
                    goede gang van zaken op het ter beschikking van het kerkgenootschap gestelde
                    gedeelte. Het college voorziet ook in het minimale onderhoud van de
                    grafbedekkingen op het kerkelijk deel (artikel 20).</al><al>Wegens het kerkelijk karakter kunnen er redenen bestaan om voor dit deel ten
                    aanzien van enkele onderwerpen nadere regels vast te stellen die afwijken van de
                    nadere regels die gelden voor het overige gedeelte van de begraafplaats.</al><al>Daarnaast kan het kerkbestuur er behoefte aan hebben om van het college bericht
                    te ontvangen als volgens hun oordeel onderhoud of herstel nodig is van de
                    grafbedekking van een of meer graven op het kerkelijk deel. Het betreft hier het
                    onderhoud waartoe de rechthebbende of de gebruiker verplicht is volgens artikel
                    21 van dit model. Soms waakt een kerkgenootschap over de graven als er geen
                    nabestaanden meer in leven zijn.</al><al>Als het kerkbestuur schriftelijk aan het college heeft gevraagd om steeds als
                    zich de noodzaak van onderhoud of herstel van grafbedekking voordoet, te worden
                    geïnformeerd zal aan dit verzoek moeten worden voldaan. Het kerkgenootschap kan
                    zich dan beraden hoe te handelen.</al><tussenkop>Artikel 26.</tussenkop><al>Het is voorgekomen dat graven die van bijzondere waarde zijn ondoordacht werden
                    geruimd. Een graf kan van betekenis zijn vanwege de persoon die er is begraven,
                    maar ook uitsluitend vanwege het gedenkteken. De overledene kan voor de
                    plaatselijke gemeenschap van betekenis zijn geweest. Het gedenkteken kan
                    opvallen door zijn vormgeving en door het gebruikte materiaal. Als voorbeeld
                    kunnen gietijzeren gedenktekens worden genoemd, vaak subtiel voorzien van
                    symbolen van de dood. Het materiaal herinnert aan een reeds lang verdwenen
                    nijverheid en is alleen al daardoor van waarde. Er dienen maatregelen te worden
                    getroffen zodat graven van bekende overledenen niet meer ondoordacht worden
                    geruimd en zeldzame voorwerpen op een terrein dat zozeer aan het verleden
                    herinnert, behouden blijven. Bij twijfel over de betekenis van het gedenkteken
                    verdient het aanbeveling een deskundige te raadplegen.</al><tussenkop>Artikel 27.</tussenkop><al>Het register van de bezorgde as is niet opgenomen in het model, aangezien
                    artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging van 4 december 1997
                    gedetailleerde voorschriften voor dit register geeft.</al><tussenkop>Artikel 28.</tussenkop><al>In artikel 28 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is
                    de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.</al><tussenkop>Artikel 29.</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 30.</tussenkop><al>De beheersverordening begraafplaatsen is een besluit van het gemeentebestuur op
                    overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde
                    wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die
                    algemeen verbindende voorschriften inhouden (zie artikel 139 van de
                    Gemeentewet). Voorts is de gemeente gehouden dit besluit mede te delen aan het
                    parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen, volgens artikel 143
                    van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 31.</tussenkop><al>Hier geldt artikel 142 van de Gemeentewet: Alle verordeningen treden in werking
                    op de achtste dag na bekendmaking, tenzij daarvoor een ander tijdstip was
                    aangewezen. </al><tussenkop>Artikel 32.</tussenkop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>