<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91-->
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51374_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente eersel 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eersel</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eersel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Hint 29 februari 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art 149 gemeentwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Archeologie is nu ook opgenomen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>nvt</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Ja</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Erfgoedverordening gemeente eersel 2011
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Eersel;</al>
          <al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouder d.d. 15
                        november 2011;</al>
          <al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en artikel 2.1. en 2.2. van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsvergunning;</al>
          <al>besluit vast te stellen de volgende Erfgoedverordening 2011 gemeente
                        Eersel</al>
          <al>
            <vet>Toelichting</vet>
          </al>
          <al>De verordening is gebaseerd op de modelverordening van
                        de VNG. Op enkele punten is, gelet op de specifieke situatie in Eersel,
                        afgeweken van de modelverordening.</al>
          <al>De bepalingen van de Monumentenwet en de daarin gekozen systematiek vormen
                        de basis voor de bepalingen van de verordening. De volgende hoofdpunten zijn
                        in deze verordening geregeld:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>de regelgeving omgevingsvergunning (Wabo) voor beschermde
                                gemeentelijke monumenten, beschermde gemeentelijke dorps- of
                                stadsgezichten en monumentale zaken.</al></li>
            <li nr="2."><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk beschermd monument,
                                waaronder ook archeologische monumenten;</al></li>
            <li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                                rijksmonumenten in de Monumentenwet 1988;</al></li>
            <li nr="4."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke beschermde
                                monumenten;</al></li>
            <li nr="5."><al>de aanwijzing van beschermde gemeentelijke stads- of
                                dorpsgezichten;</al></li>
            <li nr="6."><al>de aanwijzing van gemeentelijke monumentale zaken;</al></li>
            <li nr="7."><al>een vergunningenstelsel ter bescherming van archeologische waarden
                                en verwachtingen. </al></li>
          </lijst>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening verstaat onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>
                  <cursief>Monument:</cursief> 1. onroerende zaak, die van
                                        algemeen belang is op basis van de volgende criteria: a.
                                        architectuurhistorische waarde; en/of b. landschappelijke
                                        en/of historisch ruimtelijke waarde; en/of c.
                                        cultuurhistorische waarde; en/of d. zeldzaamheidswaarde2.
                                        gebied of terrein met behoudenswaardige informatie van
                                        cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke
                                        aard.</al></li>
              <li nr="2."><al>
                  <cursief>Archeologisch verwachtingsgebied</cursief>: terrein
                                        dat in overeenstemming met de bepalingen van deze
                                        verordening is aangewezen vanwege zijn betekenis voor de
                                        gemeentelijke archeologische monumentenzorg en geregistreerd
                                        is op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.</al></li>
              <li nr="3."><al>
                  <cursief>Bodemarchief</cursief>: alle informatie die in de
                                        bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen door
                                        activiteiten van mensen en door natuurlijke processen.</al></li>
              <li nr="4."><al>
                  <cursief>Gemeentelijke archeologische
                                        beleidskaart</cursief>: kaart met een ruimtelijke
                                        presentatie van de gemeentelijke archeologische
                                        verwachtingsgebieden en het te voeren beleid, vastgesteld
                                        door de bevoegde overheid.</al></li>
              <li nr="5."><al>
                  <cursief>Beschermd rijksmonument</cursief>: onroerend
                                        monument, dat is ingeschreven in de ingevolge de
                                        Monumentenwet 1988 vastgestelde registers.</al></li>
              <li nr="6."><al>
                  <cursief>Beschermd gemeentelijk monument:</cursief>
                                        onroerend monument of terrein dat in overeenstemming met de
                                        bepalingen van deze verordening is aangewezen en
                                        geregistreerd als gemeentelijk monument.</al></li>
              <li nr="7."><al>
                  <cursief>Gemeentelijke monumentenlijst:</cursief> de lijst
                                        waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig de bepalingen in
                                        deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                        aangewezen zaken en terreinen.</al></li>
              <li nr="8."><al>
                  <cursief>Gemeentelijke monumentale zaken</cursief>:
                                        onroerend monumentale zaakt of terrein dat in
                                        overeenstemming met de bepalingen van deze verordening is
                                        aangewezen en geregistreerd als beschermd gemeentelijk
                                        monumentale zaak.</al></li>
              <li nr="9."><al>
                  <cursief>Lijst van gemeentelijke monumentale
                                        zaken</cursief>: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                                        overeenkomstig de bepalingen in deze verordening als
                                        gemeentelijk monumentale aangewezen zaken en terreinen.</al></li>
              <li nr="10."><al>
                  <cursief>Beschermd gemeentelijk stads- of
                                            dorpsgezicht</cursief>: groepen van onroerende zaken die
                                        van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
                                        onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun
                                        wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke
                                        groepen zich één of meer monumenten bevinden.</al></li>
              <li nr="11."><al>
                  <cursief>Lijst van beschermde stads- of
                                            dorpsgezichten:</cursief> de lijst waarop zijn
                                        geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                        beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aangewezen
                                        gebieden.</al></li>
              <li nr="12."><al>
                  <cursief>Kerkelijk monument:</cursief> monument, dat
                                        eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of
                                        parochie of van een kerkelijke instelling en dat tevens
                                        uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor
                                        de uitoefening van de eredienst.</al></li>
              <li nr="13."><al>
                  <cursief>Gemeentelijke cultuurhistorische
                                            beleidskaart</cursief>: kaart met een ruimtelijke
                                        presentatie van de gemeentelijke cultuurhistorisch
                                        waardevolle gebieden en het te voeren beleid, vastgesteld
                                        door de bevoegde overheid.</al></li>
              <li nr="14."><al>
                  <cursief>Terrein van archeologische waarde</cursief>: gebied
                                        of terrein dat zich bevindt in de zone die op de
                                        archeologische beleidskaart van de gemeente Eersel is
                                        aangeduid als categorie 2 en waar archeologische waarden,
                                        door onderzoek en/of in combinatie met andere bronnen zijn
                                        aangetoond, die als behoudenswaardig kunnen worden
                                        gekarakteriseerd.</al></li>
              <li nr="15."><al>
                  <cursief>Gebied met hoge archeologische verwachting
                                            (historische kern):</cursief> gebied of terrein dat zich
                                        bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van
                                        de gemeente Eersel is aangeduid als categorie 3 en 4 en
                                        waarvan op basis van historische, geologische en/of
                                        bodemkundige opbouw een hoge dichtheid aan archeologische
                                        sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al></li>
              <li nr="16."><al>
                  <cursief>Gebied met middelhoge archeologische verwachting:
                                        </cursief>gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die
                                        op de archeologische beleidskaart van de gemeente Eersel is
                                        aangeduid als categorie 5 en waarvan op basis van
                                        geologische en bodemkundige opbouw een middelhoge dichtheid
                                        aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt verwacht.</al></li>
              <li nr="17."><al>
                  <cursief>Gebied met lage archeologische
                                            verwachting:</cursief> gebied of terrein dat zich
                                        bevindt in de zone die op de archeologische beleidskaart van
                                        de gemeente Eersel is aangeduid als categorie 6 en waarvan
                                        op basis van geologische en bodemkundige opbouw een lage
                                        dichtheid aan archeologische sporen/vindplaatsen wordt
                                        verwacht.</al></li>
              <li nr="18."><al>
                  <cursief>Gebied zonder archeologische verwachting:</cursief>
                                        gebied of terrein dat zich bevindt in de zone die op de
                                        archeologische beleidskaart is aangeduid als categorie 7 en
                                        waarvan is vastgesteld dat de archeologische verwachting of
                                        archeologische waarde niet meer aanwezig is.</al></li>
              <li nr="19."><al>
                  <cursief>Archeologisch vooronderzoek</cursief>: in
                                        schriftelijke rapportage vastgelegd inventariserend
                                        onderzoek naar de geschiedenis en de archeologische waarden
                                        van een locatie in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm
                                        Nederlandse Archeologie, in de vorm van archeologisch
                                        bureauonderzoek of inventariserend veldonderzoek.</al></li>
              <li nr="20."><al>
                  <cursief>Archeologisch bureauonderzoek:</cursief> vorm van
                                        archeologisch onderzoek waarbij de aan- of afwezigheid, het
                                        karakter en de omvang, de gaafheid, de conservering en de
                                        relatieve kwaliteit van archeologische waarden worden
                                        bepaald aan de hand van bestaande bronnen over
                                        archeologische waarden die voor een bepaald gebied al bekend
                                        zijn of worden verwacht.</al></li>
              <li nr="21."><al>
                  <cursief>Inventariserend veldonderzoek (IVO):</cursief> vorm
                                        van onderzoek waarbij extra informatie wordt verworven om
                                        het gespecificeerde verwachtingsmodel dat op het
                                        archeologische bureauonderzoek is gebaseerd aan te vullen en
                                        te toetsen door middel van waarnemingen in het veld.</al></li>
              <li nr="22."><al>
                  <cursief>Archeologische begeleiding:</cursief> vorm van
                                        onderzoek waarbij de uitvoering van niet-archeologische
                                        werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid. Het proces
                                        kan 3 doelen dienen:1. Om bij afwezigheid van adequaat
                                        vooronderzoek door fysieke belemmeringen alsnog een vorm van
                                        inventariserend veldonderzoek te kunnen verrichten (cf.
                                        IVO-proefsleuven);2. Om eventueel aanwezige archeologische
                                        informatie te behouden (cf. Opgraven);3. Om bij (beperkte)
                                        ingrepen in gewaardeerde terreinen aanwezige archeologische
                                        informatie te behouden (cf. Opgraven).</al></li>
              <li nr="23."><al>
                  <cursief>Opgraving:</cursief> het vlakdekkend onderzoeken
                                        van archeologische vindplaatsen, met als doel de gegevens
                                        van de vindplaats te documenteren en daarmee de informatie
                                        te behouden die van belang is voor kennisvorming over het
                                        verleden. Opgravingen worden verricht door een partij, die
                                        beschikt over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de
                                        Monumentenwet 1988 en uitgevoerd volgens de desbetreffende
                                        specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse
                                        Archeologie (KNA).</al></li>
              <li nr="24."><al>
                  <cursief>Plan van Aanpak</cursief>: Een door de
                                        opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren
                                        werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals
                                        geformuleerd in het Programma van Eisen te voldoen. Ook
                                        wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee
                                        de in het Programma van Eisen geformuleerde
                                        resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden.</al></li>
              <li nr="25."><al>
                  <cursief>Programma van Eisen</cursief>: het Programma van
                                        Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of
                                        bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de
                                        te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de
                                        daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het
                                        uit te voeren werk.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Bodemingreep:</cursief> alle grondwerkzaamheden/
                                        activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van
                                        archeologische waarden in situ, ook wel bodemverstoring
                                        genoemd.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Bouwhistorisch onderzoek: </cursief>onderzoek, in
                                        een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de
                                        bouwgeschiedenis, de bouwhistorische kwaliteit en de
                                        monumentale waarde van een monument.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Monumentencommissie: </cursief>de op basis van
                                        artikel 15 Monumentenwet door het college van Burgemeester
                                        en Wethouders ingestelde commissie of aangewezen instantie,
                                        die als taak heeft het college van Burgemeester en
                                        Wethouders op verzoek of uit eigen beweging te adviseren
                                        over de toepassing van de Monumentenwet 1988, over de
                                        gemeentelijke archeologieverordening en over het
                                        gemeentelijke monumentenbeleid.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Vergunninghoudende partij</cursief>: een dienst,
                                        bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van
                                        Deskundigen (CCvD) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm
                                        Nederlandse Archeologie.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Deskundige op het terrein van de archeologische
                                            monumentenzorg</cursief>: een door het college van
                                        Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het
                                        gebied van de gemeentelijke archeologische
                                        monumentenzorg.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Bevoegd gezag</cursief>: bestuursorgaan als bedoeld
                                        in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Omgevingsvergunning</cursief>: een vergunning als
                                        bedoeld in artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>Redengevende beschrijving</cursief>: de motivering
                                        van het besluit om een object of terrein te beschermen als
                                        monument of als monumentale zaak.</al></li>
              <li nr=""><al>
                  <cursief>College:</cursief> het college van Burgemeester en
                                        Wethouders van de gemeente Eersel.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Het gebruik van het monument</titel>
            </kop>
            <al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met
                                het gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een
                                        belanghebbende, een monument zoals gedefinieerd in artikel 1
                                        aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li>
              <li nr="2."><al>De aanwijzing wordt gebaseerd op een redengevende
                                        monumentbeschrijving aan de hand van selectiecriteria die
                                        door het college zijn vastgesteld.</al></li>
              <li nr="3."><al>Voordat het college een kerkelijk monument aanwijst, voert
                                        het tevens overleg met de eigenaar.</al></li>
              <li nr="4."><al>Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en /
                                        of beperkt gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire
                                        schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de
                                        verzoeker worden in de gelegenheid gesteld te worden
                                        gehoord.</al></li>
              <li nr="5."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument
                                        de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als
                                        gemeentelijk monument ontvangt, tot het moment dat de
                                        registratie als bedoeld in artikel 6 plaats heeft of
                                        vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de
                                        artikelen 9 tot en met 14 bij wijze van voorbescherming van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
              <li nr="6."><al>Het college kan bepalen, dat ten behoeve van de aanwijzing
                                        van een monument als gemeentelijk monument een
                                        bouwhistorisch, cultuurhistorisch en/of archeologisch
                                        onderzoek wordt verricht.</al></li>
              <li nr="7."><al>De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument kan geen
                                        object betreffen dat onherroepelijk is aangewezen op grond
                                        van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Termijn van advies en aanwijzingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt,
                                        vraagt het advies aan de monumentencommissie.</al></li>
              <li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken
                                        na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het
                                        advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval
                                        binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Mededeling van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3 wordt medegedeeld aan
                                        degenen, die in de kadastrale registratie als eigenaar en /
                                        of beperkt gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven
                                        hypothecaire schuldeisers en, indien om aanwijzing is
                                        verzocht, aan de verzoeker.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                        aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                        gemeentelijke monumentenlijst.</al></li>
              <li nr="2."><al>De registratie van een gemeentelijke monument op de
                                        gemeentelijke monumentenlijst omvat:• de plaatselijke
                                        aanduiding;• de datum van de aanwijzing;• de kadastrale
                                        aanduiding;• de tenaamstelling en• een beschrijving van het
                                        monument.</al></li>
              <li nr="3."><al>Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig
                                        is, beperkt de bescherming en registratie zich tot dat
                                        specifieke deel. In de beschrijving dient dit tot
                                        uitdrukking te komen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van
                                        een belanghebbende wijzigen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Artikel 3, lid 2, 3, 4, 5, 6 en 7 evenals artikel 4 en 5
                                        zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></li>
              <li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                        ondergeschikte betekenis is, kan het in lid 2 gestelde
                                        achterwege blijven.</al></li>
              <li nr="4."><al>De inhoud en de datum van wijziging worden aangetekend op de
                                        gemeentelijke monumentenlijst.</al></li>
              <li nr="5."><al>De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen
                                        die in de kadastrale registratie als eigenaar en / of
                                        beperkt gerechtigde staan vermeld en aan de ingeschreven
                                        hypothecaire schuldeisers.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Intrekken van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3,
                                        lid 2, lid 3, lid 4 en lid 6 evenals artikel 4 van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
              <li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                        toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                        1988.</al></li>
              <li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                        geregistreerd.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>HOOFDSTUK 3 INSTANDHOUDING VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE
                                MONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te
                                        vernielen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden zonder een omgevingsvergunning van het
                                        bevoegd gezag:1. een handeling te verrichten als beschreven
                                        in artikel 2.2., eerste lid, sub b van de Wet algemene
                                        bepalingen omgevingsrecht:2. een gemeentelijk monument, als
                                        bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te
                                        verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;3.
                                        een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                        lid, gelden niet indien het College nadere regels stelt met
                                        betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te
                                        worden uitgevoerd.</al></li>
              <li nr="4."><al>De vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, geldt
                                        niet bij gewoon onderhoud en bepaalde kleine werkzaamheden,
                                        analoog aan de regels voor vergunningvrije activiteiten bij
                                        rijksmonumenten.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Kerkelijk monument</titel>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag geeft met betrekking tot een beschermd kerkelijk
                                monument geen beschikking ingevolge de bepalingen van artikel 6,
                                tweede lid, dan wel in overeenstemming met de eigenaar, indien en
                                voor zover het een beschikking betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.
                            </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Vergunning gemeentelijke monumenten</titel>
            </kop>
            <al>De aanvraag om een reguliere monumentenvergunning wordt ingediend
                                bij het college. Voor de indiening van een aanvraag moet gebruik
                                worden gemaakt van een door het college vastgesteld formulier. In
                                aanvulling op de in dit formulier gevraagde gegevens kan het college
                                ter beoordeling van de aanvraag nadere gegevens van de aanvrager
                                verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch en een
                                inventariserend archeologisch onderzoek en een cultuurhistorische
                                analyse. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Weigeringsgronden</titel>
            </kop>
            <al>Een vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                                monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt
                                het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om
                                        vergunning als bedoeld in artikel 11 is afdeling 3.4 van de
                                        Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li>
              <li nr="2."><al>In geval van een aanvraag om een reguliere
                                        monumentenvergunning vragen Burgemeester en Wethouders
                                        advies aan de monumentencommissie of, indien het een
                                        archeologisch monument betreft, aan een deskundige, zoals
                                        omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                                        voordat zij beslissen op de aanvraag.</al></li>
              <li nr="3."><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het
                                        afschrift brengt de betreffende commissie schriftelijk
                                        advies uit aan het college.</al></li>
              <li nr="4."><al>De vergunning wordt geweigerd indien de aangevraagde
                                        activiteiten zouden leiden tot een onevenredige aantasting
                                        van het monument.</al></li>
              <li nr="5."><al>Indien het college niet besluit binnen de (in artikel 3:18
                                        Algemene wet bestuursrecht) gestelde termijn, wordt de
                                        vergunning geacht te zijn verleend</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Intrekken van de vergunning</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken als
                                        blijkt dat:a. de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;b. de vergunninghouder de
                                        voorwaarden als bedoeld in artikel 9 niet naleeft;c. de
                                        omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het beschermde
                                        gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen;d. niet binnen
                                        52 weken van de vergunning gebruik wordt gemaakt.</al></li>
              <li nr="2."><al>Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie aan de
                                        monumentencommissie gezonden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>RIJKSMONUMENTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Vergunning voor beschermde rijksmonumenten</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het bevoegd gezag vraagt advies aan de monumentencommissie
                                        voordat het beslist op de aanvraag.</al></li>
              <li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert binnen acht weken na het
                                        verzoek om advies van het bevoegd gezag.</al></li>
              <li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn
                                        wordt de monumentencommissie geacht te hebben
                                        geadviseerd.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>BESCHERMD GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHT</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het College kan een beschermd stads- of dorpsgezicht
                                        aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of
                                        dorpsgezicht.</al></li>
              <li nr="2."><al>Voordat het College over de aanwijzing een besluit neemt,
                                        vraagt hij advies aan de monumentencommissie. In
                                        spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies
                                        achterwege blijven.</al></li>
              <li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen dat
                                        is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet
                                        1988.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Termijnen advies en plaatsingsbesluit</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                                        weken na ontvangst van het verzoek van het College.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het College beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                        advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval
                                        binnen 20 weken na de adviesaanvraag. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Registratie op de gemeentelijke lijst stads- of
                                    dorpsgezichten</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het College registreert het beschermde gemeentelijke stads-
                                        of dorpsgezicht op de lijst met beschermde gemeentelijke
                                        stads- of dorpsgezichten.</al></li>
              <li nr="2."><al>De lijst met beschermde gemeentelijke stads- of
                                        dorpsgezichten bevat de plaatselijke aanduiding, de datum
                                        van de aanwijzing, de gebiedsaanwijzing van het beschermde
                                        gemeentelijke stads- of dorpsgezicht en een beschrijving van
                                        de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Wijzigen en intrekken van de aanwijzing</titel>
            </kop>
            <al>De artikelen 7 en 8 zijn overeenkomstig van toepassing, met dien
                                verstande dat aan artikel 8, tweede lid nog wordt toegevoegd dat de
                                aanwijzing tevens wordt geacht te zijn ingetrokken als toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Vaststellen beschermend bestemmingsplan</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De raad stelt, ter bescherming van een beschermd
                                        gemeentelijk stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast
                                        als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al></li>
              <li nr="2."><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                                        dorpsgezicht wordt door het College bepaald in hoeverre
                                        geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin
                                        van het eerste lid kunnen worden aangemerkt.</al></li>
              <li nr="3."><al>Alvorens het College de raad terzake een voorstel doen,
                                        wordt de monumentencommissie gehoord.</al></li>
              <li nr="4."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                                        weken na ontvangst van het verzoek van het College.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel>Vergunningverlening in beschermd stads- of
                                    dorpsgezicht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is het
                                        verboden een bouwwerk geheel of gedeeltelijk af te breken
                                        zonder of in afwijking van een vergunning van het
                                        College.</al></li>
              <li nr="2."><al>Geen sloopvergunning is vereist voor het afbreken ingevolge
                                        een aanschrijving van het College.</al></li>
              <li nr="3."><al>Op de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste
                                        lid zijn, totdat een beschermend bestemmingsplan
                                        onherroepelijk is geworden, de artikelen 9, 10 en 11 van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSGEBIEDEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel>Instandhoudingbepaling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning
                                        het archeologische bodemarchief in een archeologisch
                                        waardevol gebied of archeologisch verwachtingsgebied te
                                        verstoren, te beschadigen of te vernielen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing:a. bij
                                        bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld met een omvang
                                        van minder dan 100 m2 in terreinen van archeologische waarde
                                        (categorie 2) als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische beleidskaart;b. bij bodemingrepen dieper dan
                                        30 cm onder maaiveld met een omvang van minder dan 250 m2 in
                                        gebieden met een hoge archeologische verwachting,
                                        historische kern (categorie 3) als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologische beleidskaart;c. bij
                                        bodemingrepen dieper dan 30 of 50 cm (bij esdek) onder
                                        maaiveld met een omvang van minder dan 500 m2 (1000 m2 bij
                                        bestemmingsplanwijzigingen) in gebieden met een hoge
                                        archeologische verwachting (categorie 4) als aangegeven op
                                        de gemeentelijke archeologische beleidskaart;d. bij
                                        bodemingrepen dieper dan 30 of 50 cm (bij esdek) onder
                                        maaiveld met een omvang van minder dan 2500 m2 (5000 m2 bij
                                        bestemmingsplanwijzigingen) in gebieden met een middelhoge
                                        archeologische verwachting (categorie 5) als aangegeven op
                                        de gemeentelijke archeologische beleidskaart;e. bij
                                        bodemingrepen met een omvang van minder dan 25.000 m2 in
                                        gebieden met een lage archeologische verwachting (categorie
                                        6) als aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                        beleidskaart;f. in gebieden zonder archeologische
                                        verwachting (categorie 7) als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische beleidskaart.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het verbod in lid 1 is ook niet van toepassing indien:a. in
                                        het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg die in overeenstemming
                                        zijn met het vastgestelde beleid;b. in een
                                        ontheffingsbesluit als bedoeld in art. 3.22 of 3.23 dan wel
                                        projectbesluit art. 3.10 Wet ruimtelijke ordening
                                        voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                        monumentenzorg.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23</nr>
              <titel>Wijzigen kwalificatie van een locatie</titel>
            </kop>
            <al>Op grond van een melding ingevolge artikel 53 van de Monumentenwet
                                1988 en op grond van de resultaten van archeologisch onderzoek kan
                                het College een terrein of locatie alsnog aanwijzen als gemeentelijk
                                archeologisch monument, gebied van archeologische waarde, of gebied
                                met hoge of middelhoge verwachting.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24</nr>
              <titel>Vergunning archeologische verwachtingsgebieden</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan vergunning verlenen voor graafwerk en
                                        bodemingrepen in archeologische verwachtingsgebieden.</al></li>
              <li nr="2."><al>Aanlegvergunning kan slechts worden verleend indien vooraf
                                        door aanvrager van de aanlegvergunning door middel van een
                                        rapportage van archeologisch vooronderzoek conform de
                                        Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie en het
                                        Programma van Eisen naar het oordeel van Burgemeester en
                                        Wethouders in voldoende mate is vastgesteld dat bij
                                        realisatie van de bodemingrepen:a. de archeologische waarden
                                        in voldoende mate zijn zeker gesteld; ofb. er geen
                                        archeologische waarden aanwezig zijn; ofc. de archeologische
                                        waarden niet of niet onevenredig worden geschaad.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan aan de verlening van de vergunning de
                                        volgende voorschriften verbinden:a. de verplichting tot het
                                        treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de
                                        bodem kunnen worden behouden;b. de verplichting tot het doen
                                        van inventariserend veldonderzoek of een opgraving;c. de
                                        verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te
                                        laten begeleiden door een vergunninghoudende partij op het
                                        terrein van de archeologische monumentenzorg.</al></li>
              <li nr="4."><al>De gevraagde vergunning kan worden geweigerd, indien de
                                        archeologische waarden die in het geding zijn naar het
                                        oordeel van het College in situ behouden dienen te
                                        blijven.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor terreinen/gebieden die
                                        in overeenstemming met artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                        zijn aangewezen als beschermd archeologisch
                                        (rijks)monument.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>25</nr>
              <titel>Vergunningaanvraag</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 24, lid 1,
                                        moet worden ingediend bij het college en moet de volgende
                                        gegevens bevatten:a. naam en adres van de aanvrager;b.
                                        locatie en omschrijving van de voorgenomen werkzaamheden;c.
                                        tijdsplanning.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan ter beoordeling van de aanvraag nadere
                                        gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder een
                                        archeologische waardering, zoals opgenomen in een
                                        archeologisch vooronderzoek.</al></li>
              <li nr="3."><al>Uit de vergunningsaanvraag moet duidelijk blijken wat de
                                        bestaande en de door de aanvrager gewenste situaties
                                        zijn.</al></li>
              <li nr="4."><al>Het college beslist op de aanvraag binnen 12 weken na
                                        ontvangst van de aanvraag.</al></li>
              <li nr="5."><al>Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn van 12
                                        weken met ten hoogste zes weken verlengen, mits zij de
                                        aanvrager daarvan kennis geeft binnen de in het eerste lid
                                        genoemde termijn van 12 weken.</al></li>
              <li nr="6."><al>Bij het niet in behandeling nemen van de aanvraag vanwege
                                        onvolledigheid is artikel 4:5 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht van toepassing. Het college kan hiertoe nadere
                                        regels geven.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>26</nr>
              <titel>Ruimtelijke ontwikkeling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen
                                        aan de bouwvergunning, als bedoeld in artikel 40 van
                                        Woningwet, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel
                                        40 lid 2 juncto artikel 39 lid 3 van de Monumentenwet
                                        1988.</al></li>
              <li nr="2."><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen
                                        aan een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 37 van de
                                        Monumentenwet 1988, voorwaarden gesteld worden als bedoeld
                                        in artikel 21 lid 1 van deze verordening.</al></li>
              <li nr="3."><al>In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen
                                        aan een ontheffingsbesluit als bedoeld in art. 3.22 of 3.23
                                        dan wel een projectbesluit art. 3.10 Wet ruimtelijke
                                        ordening, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel
                                        41 van de Monumentenwet 1988.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>27</nr>
              <titel>Opgravingen en begeleiding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Eersel
                                        onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                        opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de
                                        Monumentenwet 1988, dienen onverminderd de overige
                                        bepalingen van deze wet:a. het college een programma van
                                        eisen vast te stellen als bedoeld in artikel 1, waarbij
                                        nadere eisen worden gesteld aan het onderzoek.b. de
                                        verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoel in artikel 1 van deze verordening ter
                                        goedkeuring aan het college te overleggen.</al></li>
              <li nr="2."><al>In de nadere eisen kan het college bepalingen opnemen met
                                        betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van
                                        het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen
                                        aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.</al></li>
              <li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het
                                        programma van eisen en eventuele nadere eisen voldoet, kan
                                        het college advies vragen aan een deskundige op het terrein
                                        van de archeologische monumentenzorg.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>MONUMENTALE ZAKEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>28</nr>
              <titel>Aanwijzing</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kunnen, al dan niet op verzoek van
                                        belanghebbenden, besluiten zaken aan te wijzen als
                                        beschermde monumentale zaken.</al></li>
              <li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit nemen
                                        vragen zij advies aan:a. de monumentencommissie;b. degenen
                                        die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
                                        gerechtigde staan vermeld;c. de hypothecaire schuldeisers;d.
                                        indien om de aanwijzing is verzocht, de verzoeker.</al></li>
              <li nr="3."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een
                                        monumentale zaak de kennisgeving van het voornemen tot
                                        aanwijzing als beschermde monumentaal zaak ontvangt tot het
                                        moment dat de registratie plaatsvindt is artikel 30 van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
              <li nr="4."><al>Alvorens het college een kerkelijk monumentaal object
                                        aanwijzen, hoort het college de eigenaar.</al></li>
              <li nr="5."><al>Beschermde monumentale zaken, die zijn ingeschreven in het
                                        register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet of
                                        die zijn geregistreerd op een lijst van monumenten, op grond
                                        van een Monumentenverordening van de Provincie Noord-Brabant
                                        worden door het college niet op de in dit artikel bedoelde
                                        lijst geplaatst.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>29</nr>
              <titel>Aanwijzings- en registratieprocedure</titel>
            </kop>
            <al>Artikel 4 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
                                verstande dat voor het</al>
            <al>beschermd(e) gemeentelijk(e) monument moet worden gelezen “de
                                beschermde monumentale</al>
            <al>zaak” en voor de gemeentelijke monumentenlijst moet worden gelezen
                                “de gemeentelijke lijst</al>
            <al>monumentale zaken”.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>30</nr>
              <titel>Verbodsbepalingen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het is verboden een beschermd monumentaal zaak te
                                        beschadigen of te vernielen.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in
                                        strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:a.
                                        een beschermd monumentale zaak af te breken, te verstoren,
                                        te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of, indien het
                                        om een archeologische vondst gaat, te vervreemden.b. een
                                        beschermd monumentale zaak te herstellen, te gebruiken of te
                                        laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt
                                        ontsierd of in gevaar wordt gebracht of in strijd wordt
                                        gehandeld met de bepalingen van het eventueel daarop van
                                        toepassing zijnde Beeldkwaliteitplan.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>31</nr>
              <titel>Vergunningaanvraag</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college vraagt de monumentencommissie advies als een
                                        vergunning wordt gevraagd voor een vervangend bouwplan of
                                        voor de wijziging van een op “de gemeentelijke lijst
                                        monumentale zaken” geregistreerde onroerende zaak.</al></li>
              <li nr="2."><al>Bij hun beraadslagingen betrekt de monumentencommissie ten
                                        aanzien van de in lid 1 bedoelde aanvrage tevens de
                                        beschrijving die hoort bij het monumentale zaakzaak (zie
                                        artikel 29).</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>SCHADEVERGOEDING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>32</nr>
              <titel>Schadevergoeding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten
                                        gevolge van:a. een sloopvergunning als bedoeld in artikel
                                        37, eerste lid (Monumentenwet 1988);b. een aanlegvergunning
                                        als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke
                                        ordening;c. een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.6,
                                        eerste lid, onder c, 3.22 of 3.23 van de Wet ruimtelijke
                                        ordening;d. een projectbesluit als bedoeld artikel 1.1,
                                        eerste lid, onder f, van de Wet ruimtelijke ordening;e. een
                                        reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, eerste
                                        lid, van de Woningwet; - tengevolge van de weigering daarvan
                                        in het belang van de archeologische monumentenzorg of; - ten
                                        gevolge van voorschriften die in het belang van de
                                        archeologische monumentenzorg aan het desbetreffende besluit
                                        zijn verbonden, schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet
                                        geheel te zijner laste behoort te blijven, kent het college
                                        hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen
                                        schadevergoeding toe (artikel 42 Monumentenwet 1988).</al></li>
              <li nr="2."><al>Voor schade veroorzaakt door een maatregel als bedoeld in
                                        artikel 57, tweede lid (Monumentenwet 1988), die
                                        redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de
                                        belanghebbende behoort te blijven, kent het college op
                                        verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                                        toe.</al></li>
              <li nr="3."><al>Voor de behandeling van de verzoeken zijn de bepalingen van
                                        de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing
                                        van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>33</nr>
              <titel>Strafbepaling</titel>
            </kop>
            <al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9, 21, 22 en / of
                                artikel 30 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van
                                de tweede categorie.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>34</nr>
              <titel>Toezichthouders</titel>
            </kop>
            <al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de door het college aangewezen
                                personen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>35</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                        gemeentelijke monumenten, beschermde gemeentelijke dorps- of
                                        stadsgezichten, beschermde gemeentelijke monumentale zaken
                                        en archeologische verwachtingsgebieden treedt zij in werking
                                        op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van 8
                                        dagen na bekendmaking.</al></li>
              <li nr="2."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                        rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 15 lid 2 van de Monumentenwet 1988.</al></li>
              <li nr="3."><al>De erfgoedverordening gemeente Eersel 2010, vastgesteld om
                                        30 september 2010 wordt ingetrokken.</al></li>
              <li nr="4."><al>De op grond van het ingevolge het vorige lid vervallen
                                        verordening aangewezen en geregistreerde beschermde
                                        gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen en
                                        geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                        verordening.</al></li>
              <li nr="5."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                        inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                        inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken
                                        verordening.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>36</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Erfgoedverordening
                                Gemeente Eersel 2011”.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting>
        <slotformulering>
          <al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 31 mei 2012</al>
          <al>De raad voornoemd,</al>
        </slotformulering>
        <ondertekening>
          De griffier, de voorzitter,
        </ondertekening>
        <ondertekening>
           De heer H.J. Broekman mevrouw J.A.M. Thijs-Rademakers.
        </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Toelichting</label>
          <nr>1</nr>
          <titel>op de erfgoedverordening</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Algemeen </vet>De raad is op grond van artikel 147 van de Gemeentewet
                    bevoegd verordeningen vast te stellen op basis waarin gemeentelijk beleid is
                    geformuleerd en op basis waarvan dit beleid kan worden uitgevoerd.Een
                    vergunningaanvraag voor wijzigen van een beschermd gemeentelijk of rijksmonument
                    wordtbehandeld conform de in de Wabo beschreven procedures voor de behandeling
                    van vergunningaanvragen. Tegen een besluit over een vergunningaanvraag voor
                    wijziging van gemeentelijk- of rijksmonument is bezwaar en/of beroep mogelijk.
                    De procedures daarvoor zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht, Hoofdstuk
                    6 en 7.</al>
        <al>Deze verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Op enkele
                    punten is, gelet op de specifieke situatie in Eersel, afgeweken van de
                    modelverordening.</al>
        <al>De bepalingen van de Monumentenwet en de daarin gekozen systematiek vormen de
                    basis voor de bepalingen van de verordening. De volgende hoofdpunten zijn in
                    deze verordening geregeld:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>de regelgeving omgevingsvergunning (Wabo) voor beschermde gemeentelijke
                            monumenten, beschermde gemeentelijke dorps- of stadsgezichten en
                            monumentale zaken.</al></li>
          <li nr="2."><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk beschermd monument, waaronder
                            ook archeologische monumenten;</al></li>
          <li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de Monumentenwet 1988;</al></li>
          <li nr="4."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke beschermde
                            monumenten;</al></li>
          <li nr="5."><al>de aanwijzing van beschermde gemeentelijke stads- of
                            dorpsgezichten;</al></li>
          <li nr="6."><al>de aanwijzing van gemeentelijke monumentale zaken;</al></li>
          <li nr="7."><al>een vergunningenstelsel ter bescherming van archeologische waarden en
                            verwachtingen.</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>Toelichting artikelsgewijsArtikel 1. Begripsbepalingen</vet>
        </al>
        <al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting van de Monumentenwet 1988, de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                    waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in
                    de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is
                    een dermate ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en
                    gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al>
        <al>De gemeentelijke beleidskaart kan een praktische oplossing bieden in het geval
                    dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval kunnen
                    gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt
                    dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk archeologische
                    sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al>
        <al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven.</al>
        <al>
          <vet>Artikelen 3 t/m 23 Gemeentelijke monumenten</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet>De aanwijzing tot
                    gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met
                    verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna
                    registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                    handeling.Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                    College. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                    besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de
                    te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit
                    naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het
                    bestaande gebruik van het monument.Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor
                    de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object.
                    Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning
                    (zie art. 9, tweede lid) worden gewijzigd. Door de aanwijzing als beschermd
                    gemeentelijk monument is het gehele object, inclusief het interieur, onder de
                    werking van de monumentenverordening geplaatst. Andere (zelfstandige) zaken die
                    zich op het kadastrale perceel van het beschermde monument bevinden, zoals
                    bijgebouwen, objecten en tuininrichting, moeten expliciet in de redengevende
                    omschrijving zijn opgenomen, willen zij onder de werking van de verordening
                    vallen.Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last
                    voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                    omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                    monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven.Burgemeester en Wethouders kunnen, ten
                    behoeve van de aanwijzing tot beschermd gemeentelijkmonument, bepalen dat
                    bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. Hiervan zal met name sprake zijnindien
                    een belanghebbende om aanwijzing verzoekt.Monumenten die op grond van een
                    aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op een monumentenlijst zijn
                    geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.
                    Een beschermd gemeentelijk monument dat na aanwijzing wordt geregistreerdals
                    beschermd rijksmonument, wordt vanaf dat moment geacht niet meer te zijn
                    aangewezen als gemeentelijk monument. Hiervoor is geen apart besluit meer van
                    het College vereist. Deze mogelijkheid bestaat wel voor zelfstandige bouwdelen;
                    bijvoorbeeld een boerderij is aangewezen als rijksmonument en een inrijhek als
                    gemeentelijk monument.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 4. Termijn van advies en aanwijzingsbesluit</vet>Het College moet
                    het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld onder artikel 1. De
                    verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en
                    inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie
                    bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.In de verordening is geen bepaling
                    opgenomen dat voordat het College over een aanwijzing een besluit neemt de
                    aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld
                    in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).In dit
                    artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie moet
                    adviseren (lid 1) en het College een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn.De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                    monumentencommissie niet tijdig adviseert, het College de volgende keuze kan
                    maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat
                    uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te
                    betrekken. Als het College niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake
                    van een fictieve weigering, alhoewel de termijnen ‘termijnen van orde’ zijn.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.Het
                    artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb
                    dat afdoende regelt (afdeling 3.6).<vet>Artikel 5. Mededeling van de
                        aanwijzing</vet>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde
                    een afschrift van de inschrijving) van het College is voor alle aan het
                    monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Dit
                    artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt
                    aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6).
                    Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en derde
                    belanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel
                    3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.<vet>Artikel 6. Registratie op de
                        gemeentelijke monumentenlijst</vet>De registratie van de aanwijzing is een
                    administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van de bij te houden
                    monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als
                    gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe.<vet>Artikel 7.
                        Wijziging van de aanwijzing</vet>Op grond van dit artikel is het mogelijk om
                    de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt
                    dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing
                    worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).<vet>Artikel 8.
                        Intrekken van de aanwijzing</vet>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de
                    aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking
                    van de aanwijzing is het advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op
                    de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het College van
                    de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 2 dat monumenten
                    niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het object
                    ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen en geregistreerd. In dat
                    geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 9. Instandhoudingsbepaling</vet>Dit artikel vertoont veel
                    gelijkenis met de verbodsbepaling in de Monumentenwet 1988.Met behulp van dit
                    artikel heeft de gemeente een effectief instrument in handen ter beschermingvan
                    gemeentelijk beschermde monumenten. Aan een vergunning kunnen diverse soorten
                    voorwaarden worden verbonden. Dit kunnen bijvoorbeeld voorwaarden zijn over de
                    wijze waarop de werkzaamheden aan een gemeentelijk monument uitgevoerd moeten
                    worden, het ontzien van bepaalde onderdelen, of het voor een beperkte tijd
                    toestaan van een wijziging, zoals een luifel tijdens een braderie. Het is ook
                    mogelijk om bouwhistorisch onderzoek of het opstellen van documentatie als
                    nadere voorwaarde aan de vergunning te verbinden. Bij een sloopvergunning kunnen
                    ook voorwaarden gesteld worden ten aanzien van archeologie. Deze voorwaarden
                    kunnen bestaan uit het uitvoeren van een archeologisch onderzoek naar de te
                    verstoren waarden en de verslaglegging daarvan in een rapport. Het College kan
                    eisen stellen aan de uitvoering van het archeologisch onderzoek en aan de
                    rapportage van het onderzoek.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 10. Kerkelijk monument</vet>De noodzaak van overeenstemming
                    betreffen de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke
                    monument. Voor bijvoorbeeld een pastorie of een catechesatieruimte geldt deze
                    verbijzondering niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de overige
                    monumenten gelden. De beslissingstermijnen, genoemd in artikel 7, gelden ook
                    voor de beslissingen op grond van dit artikel. Ook hier geldt, dat roerende
                    monumenten eveneens onder de bescherming van deze verordeningkunnen vallen.
                    Hierbij wordt opgemerkt dat zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals
                    eenkerkorgel, op basis van de redengevende omschrijving al een beschermde status
                    kunnen krijgen.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 11 en 13. Vergunningverlening en termijnen</vet>Welke gegevens
                    moeten worden ingediend bij de aanvraag zijn aangegeven op het
                    modelaanvraagformulier. Zoals reeds eerder gesteld is de Awb (in dit geval de
                    artikelen 4:2, 4:5 en4:15) van toepassing.Eén van de in te dienen zaken kan
                    betrekking hebben op de uitkomsten van uitgevoerd bouwhistorisch onderzoek naar
                    de geschiedenis en de kwaliteiten van het beschermd monument. Als het College de
                    aanvraag in behandeling neemt moet zij advies vragen aan de monumentencommissie.
                    Daarvóór dient de aanvraag ter inzage gelegd te worden zodat belanghebbenden hun
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. De redactie van het derde lid heeft tot
                    gevolg dat wanneer het advies van de commissie niet op tijd is, het College de
                    keuze heeft tussen een beslissing nemen zonder advies of het te laat
                    uitgebrachte advies toch meenemen in de beslissing.Als het College geen tijdige
                    beslissing neemt wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Dezebepaling sluit
                    niet aan bij de Awb, maar wel bij de Monumentenwet, Wabo en Woningwet. Het
                    verbinden van voorschriften aan een vergunning (bijv. over de herbestemming van
                    vrijkomendematerialen en over de tijdelijkheid van de vergunning) is een
                    ongeschreven regel in het bestuursrecht,zodat opneming van deze mogelijkheid
                    niet apart in deze verordening hoeft te worden geregeld. Ten aanzien van de
                    verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument kan bijvoorbeeld
                    hetvoorschrift in de vergunning worden opgenomen dat toestemming moet worden
                    verleend om graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten
                    verrichten.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 12. Weigeringsgronden </vet>In de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht wordt het begrip beschermd monument gebruikt, maar dat betekent
                    daar alleen rijksmonument (zie art. 1.1 lid 1 Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht ). In artikel 2.2 worden echter ook de gemeentelijke en
                    provinciale monumenten onder de omgevingsvergunning gebracht, waarmee ze
                    overigens nog geen ‘beschermd monument’ in de zin van de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht zijn. Om de gemeentelijke monumenten in deze verordening te
                    beschermen is dit artikel opgenomen en kan de omgevingsvergunning slechts worden
                    verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.Bij
                    deze afweging houdt het bevoegd gezag redelijkerwijs rekening met dewensen ten
                    aanzien van het gebruik van het object (pand). Gebruik van een pand is een
                    economische basis voor de instandhouding van het monument.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</vet>Dit artikel bevat de mogelijke
                    intrekkingsgronden. De bepaling onder c. heeft betrekking op de situatiedat, als
                    er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het
                    monumentbehoren voor te gaan. In dat geval heeft het College de mogelijkheid de
                    vergunning in te trekken.De wijze waarop en de motivering waarom zijn geregeld
                    in artikel 3:41 Awb. Het ligt voor de hand om de commissie een afschrift toe te
                    sturen van de intrekking. Daarnaast kan het aan te bevelen zijn om de commissie
                    advies te vragen alvorens over de intrekking wordt besloten. Overigens kan de
                    commissie ook ongevraagd advies verstrekken.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 15. Vergunning voor beschermde rijksmonumenten</vet>De procedure
                    voor de afgifte door het College van de monumentenvergunning voor een
                    rijksmonument beschreven in de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht, hoofdstuk
                    2, de omgevingsvergunning. De Monumentenwet 1988, hoofdstuk 2 paragraaf 2 en
                    afdeling 3.4 van de Awb is de basis voor de bescherming en daarmee de
                    inhoudelijke beoordeling van vergunningaanvragen voor rijksmonumenten.</al>
        <al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) en, buiten de bebouwde
                    kom, ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee maanden na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2).
                    Het definitieve besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste
                    van de adviezen van RCE en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3).
                    Op het definitieve besluit kan nog slechts door een beperkt groep van
                    belanghebbende beroep worden ingesteld (zie de toelichting bij artikel 11).De
                    beperking adviesplicht van de Rijksdienst en provincie Noord-Brabant is ingaande
                    2009 op bovenstaande van invloed. Daarom is de verplichte advisering in de
                    ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de
                    ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning’ los
                    gelaten. De adviesplicht is alleen van toepassing wanneer er sprake is van:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>(gedeeltelijke) afbraak;</al></li>
          <li nr="2."><al>ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke afbraak;</al></li>
          <li nr="3."><al>reconstructie;</al></li>
          <li nr="4."><al>herbestemming: het wijzigen van de functie.</al></li>
        </lijst>
        <al>Door het wegvallen van het advies van de rijksdienst schrijft de Monumentenwet
                    1988 voor dat elke gemeente –ter compensatie- een 'deskundige
                    monumentencommissie' moet inschakelen bij deze vergunningprocedure, die
                    onafhankelijk en deskundig is.Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet,
                    waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                    advisering trad, wordt ingetrokken. Indien het monument buiten de bebouwde kom
                    ligt, is het college van Burgemeester en Wethouders verplicht om een afschrift
                    van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar
                    eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee
                    maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS reeds op voorhand kenbaar maakt in
                    welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk
                    kan worden gehaald.</al>
        <al>
          <vet>Artikel 16. Aanwijzing beschermde gemeentelijke stads- of
                        dorpsgezichten</vet>Indien de cultuurhistorische waarde haar grond vindt in
                    het totaal van een gebied en veel minder in het individuele monument of complex
                    en het gebied met name een lokale betekenis heeft, kan het College overgaan tot
                    het aanwijzen van gemeentelijke stads- of dorpsgezichten. Met name voor de
                    gebieden met veel jongere bouwkunst, die in het kader van het Monumenten
                    Inventarisatie Project* zijn geïnventariseerd, kan de aanwijzing een goed
                    instrument zijn om de algehele cultuurhistorische waarde van dat gebied te
                    beschermen. Qua procedure is aansluiting gezocht bij de aanwijzing en
                    registratie van beschermde monumenten. Gelet op de omvang van een stads- of
                    dorpsgezicht en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden, zijn de termijnen
                    ruimer gesteld dan bij bescherming van individuele monumenten.<vet>Artikel 19.
                        Wijzigingen en intrekken van de aanwijzing </vet>Ook bij de wijziging en
                    intrekking van een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht isaansluiting
                    gezocht bij de procedure voor beschermde monumenten. Indien een stads-
                    ofdorpsgezicht wordt aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet
                    1988 wordt deaanwijzing op grond van artikel 12 van deze verordening geacht te
                    zijn ingetrokken.<vet>Artikel 20. Vaststellen beschermd bestemmingsplan</vet>Op
                    grond van dit artikel is de raad verplicht een bestemmingsplan vast te stellen
                    ter bescherming van een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Dit
                    (gedetailleerde) bestemmingsplan moet de basis bieden voor het beschermen van de
                    structuurbepalende delen van het betreffende gebied. Deze structuurbepalende
                    delen worden benoemd in de beschrijving van het beschermd stads- of
                    dorpsgezicht. Op basis hiervan kunnen bij (ver)bouwplannen nadere eisen worden
                    gesteld. Deze nadere eisen kunnen bijvoorbeeld worden ingevuld door het
                    welstandsbeleid, een Cultuurhistorische effectraportage (CHER*) of een
                    beeldkwaliteitplan.</al>
        <al>* De CHER geeft inzicht in de (macro-)effecten van nieuwe ruimtelijke
                    ontwikkelingen op de bestaande, zichtbare ruimte. Tot die effecten rekenen wij
                    bijvoorbeeld de voor- en nadelen van de nieuwe ontwikkelingen voor het
                    macrogebruik van de ruimte, voor de aantrekkelijkheid, leefbaarheid van een
                    stadsdeel en voor de (internationale)concurrentiepositie van stedelijke centra.
                    Een CHER kan ook een maatschappelijke kosten en batenanalyse van nieuwe
                    ruimtelijke ontwikkelingen omvatten.<vet>Artikel 21. Vergunningverlening in
                        beschermd stads- of dorpsgezicht</vet>In deze verordening is gekozen voor
                    aansluiting bij de tekst van artikel 37 van de Monumentenwet 1988. Deze
                    sloopregeling heeft betrekking op alle bouwwerken in een beschermd gemeentelijk
                    stads- of dorpsgezicht. Voor het slopen van een beschermd gemeentelijk monument
                    in een beschermd gebied moet de omgevingsvergunning worden aangevraagd.Deze
                    vergunning wordt vereist door artikel 9 van de gemeentelijke erfgoedverordening.
                    In artikel 33 is de strafbepaling opgenomen indien zonder vergunning een
                    bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt gesloopt.<vet>Artikelen
                        22 t/m 27. Archeologische verwachtingsgebieden</vet>De Wet op de
                    Archeologische Monumentenzorg van 1 september 2007 verplicht de raad om, bij de
                    vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet
                    ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te
                    verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het
                    Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in
                    het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                    waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem
                    kunnen bevinden. Artikel 19 voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot
                    het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is. Tot het moment dat een
                    ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld, biedt deze verordening bij
                    wijze van artikel 3 de nodige bescherming aan archeologische waarden.</al>
        <al>Op de archeologische beleidskaart is aangegeven in welke gebieden archeologische
                    waarden zijn te verwachten. In de gebieden waar archeologische waarden zijn
                    aangetoond en waar (zeer) sterke aanwijzingen voor archeologische waarden zijn
                    (respectievelijk gebieden van archeologische waarde en gebieden met een hoge en
                    middelhoge verwachting), mogen diepere graafwerkzaamheden pas worden uitgevoerd
                    als hiervoor een vergunning is verleend. Betreft het een gemeentelijk
                    archeologisch monument, dan is een monumentenvergunning vereist.</al>
        <al>Van een vergunning uit artikel 19 kan vrijstelling worden verleend indien de
                    verstoring plaats vindt in een archeologisch waardevol gebied of
                    verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                    beleidskaart. De beleidskaart hanteert een vierdeling voor de mate waarin
                    archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze
                    archeologische verwachtingswaarden zijn gekoppeld aan een bepaalde
                    verstoringsdiepte en een bepaald aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe
                    lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn
                    waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden of zijn vrijgesteld van archeologisch
                    onderzoek . Bij een hoge verwachtingswaarde is het aantal m2 waarbinnen een
                    verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner. Bij de bepaling van deze
                    grenzen is voldoende rekening gehouden met de vraag wat er binnen het
                    verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder
                    geval moet het oppervlak dusdanig groot zijn dat voldoende informatie verkregen
                    kan worden over de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de
                    bodem aan te treffen archeologische sporen.</al>
        <al>Om de regierol mbt archeologie goed te kunnen uitoefenen dient het College een
                    archeologisch programma van eisen op te stellen waarmee eisen worden gesteld aan
                    de uitvoering en het eindresultaat van archeologisch onderzoek. Vervolgens wordt
                    van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij
                    specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma van eisen denkt
                    te gaan invullen. Op grond van artikel 24 kunnen vervolgens nadere regels worden
                    gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en
                    de beoordeling van het plan van aanpak.<vet>Artikel 28 t/m 31. Monumentale
                        zaken</vet>Naar analogie van de aanwijzing en registratie van panden en
                    objecten op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen er op de lijst van
                    monumentale zaken, “zaken” worden geregistreerdvolgens een zorgvuldige
                    procedure. Nadrukkelijk is gekozen om van monumentale zaken te spreken, die van
                    algemeen belang zijn en aan de openbare weg zijn gelegen. Het object dient qua
                    schoonheid en vanwege het stedenbouwkundig-, architectonisch- en/of
                    landschappelijk beeld van algemeen belang te zijn.Vanwege het feit dat deze
                    objecten onvoldoende schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                    cultuurhistorische waarden bezitten zijn deze niet van algemeen belang om
                    overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument te worden aangewezen.
                    In deze verordening is gekozen om de monumentencommissie als deskundige aan te
                    wijzen waar het gaat om aanwijzing en afbraak van gemeentelijke monumenten en
                    monumentale zaken. De monumentencommissie adviseert bij aanvragen om het
                    wijzigen van rijks- en gemeentelijke monumenten en monumentale
                        zaken.<vet>Artikel 32. Schadevergoeding</vet>De Afdeling rechtspraak van de
                    Raad van State heeft uitgemaakt dat de monumentenverordening zonder een
                    schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het archeologische
                    deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische
                    monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te
                    worden. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                    het eerste lid genoemde onderdelen. De gemeente zal zelf per geval moeten
                    afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is
                    gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke
                    gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het College mogelijk een
                    schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.<vet>Artikel 33.
                        Strafbepaling</vet>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een
                    keuzemogelijkheid aan de raad om op overtreding van verordeningen straf stellen,
                    maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                    geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de
                    rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                    geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in
                    de eerste categorie is maximaal € 370,- (2010); in de tweede categorie maximaal
                    € 3.800,-; tarief 2010). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere
                    geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In de Monumentenwet 1988 is
                    handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een monument zonder vergunning
                    te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie
                    maximaal € 76.000,- (tarief 2010).</al>
        <al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor de hand liggend.<vet>Artikel 34. Toezichthouders</vet>In
                    dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling 90.M
                    van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De basis voor deze
                    aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels
                    worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in
                    artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                    toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al>
        <al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al>
        <al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het College op grond van artikel 22 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het College ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.<vet>Artikel 35.
                    Inwerkingtreding</vet>De datum van inwerkingtreding is allereerst geregeld voor
                    beschermde gemeentelijke (archeologische) monumenten, beschermde gemeentelijke
                    stads- of dorpsgezichten, beschermde monumentale panden (lid 1) en daarna voor
                    rijksmonumenten (lid 2). Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de
                    Gemeentewet. Hierin wordt de bekendmaking van verordeningen
                        geregeld.<vet>Artikel 36. Citeertitel</vet>Dit artikel noemt de naam van de
                    verordening.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>