<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR51008_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening commissie bezwaarschriften 2002</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 18-12-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening commissie bezwaarschriften 2002</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-12-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR385641_1">Verordening commissie bezwaarschriften 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening commissie bezwaarschriften 2002</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>[Onderstaande tekst heeft een louter illustratieve functie]</al><al>BESLUIT NR. 143/2002</al><al>Onderwerp:</al><al><onderstreept>Verordening commissie bezwaarschriften
                        2002</onderstreept></al><al>DE RAAD, HET COLLEGE EN DE BURGEMEESTER VAN DE GEMEENTE BEMMEL;</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Bemmel d.d. 3 december 2002;</al><al>gehoord de commissie RO/AZ d.d. 26 november 2002;</al><al>gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 147
                        van de Gemeentewet;</al><al>B E S L U I T E N :</al><al><vet>vast te stellen de verordening commissie bezwaarschriften
                        2002.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b"><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;</al></li><li nr="c"><al>Awb: Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen besluiten op grond van:</al><lijst><li nr="a"><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet
                                    waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b"><al>een wettelijk voorschrift of een regeling inzake personele
                                    aangelegenheden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen een vergoeding voor de leden en de
                            voorzitter van de commissie vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en
                            ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De secretaris van de commissie is een door het college
                                    aangewezen ambtenaar.</al></li><li nr="2"><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                    secretaris aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag
                                    van het aftreden van de raad. Zij kunnen terstond worden
                                    herbenoemd.</al></li><li nr="2"><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                    ontslag nemen.</al></li><li nr="3"><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie
                                    blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                    voorzien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                    aangetekend.</al></li><li nr="2"><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo
                                    spoedig mogelijk in handen van de commissie gesteld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de Awb worden
                            voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter
                            van de commissie:</al><al>a artikel 2:1, tweede lid;</al><al>b artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een termijn;</al><al>c artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft tijdens
                            de behandeling door de commissie;</al><al>d artikel 7:4, tweede lid;</al><al>e artikel 7:6, vierde lid.</al><al>f artikel 7:10, vierde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle
                                    gewenste inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></li><li nr="2"><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                    commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen
                                    zo nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen.
                                    Indien daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van
                                    het college vereist.</al></li><li nr="3"><al>De secretaris kan, in overleg met de voorzitter en na overleg
                                    met het verwerend orgaan, onderzoeken of het bezwaar in der
                                    minne kan worden bijgelegd en daartoe de nodige handelingen
                                    verrichten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                    zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                    gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                    horen.</al></li><li nr="2"><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                    Awb.</al></li><li nr="3"><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te
                                    zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de
                                    belanghebbenden en het verwerend orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan
                                    ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></li><li nr="2"><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of
                                    het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter
                                    verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="3"><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk
                                    één week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden
                                    en het verwerend orgaan meegedeeld.</al></li><li nr="4"><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                    wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd
                                    zijn in het eerste tot en met het derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Quorum</titel></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat tenminste twee leden,
                            onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger, aanwezig
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></li><li nr="2"><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                    commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of
                                    indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></li><li nr="3"><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                    aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting
                                    verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren.</al></li><li nr="4"><al>De zitting van de commissie vindt altijd achter gesloten deuren
                                    plaats voor wat betreft bezwaarschriften die zijn ingediend
                                    tegen besluiten op grond van of krachtens de Algemene
                                    bijstandswet en de Wet voorzieningen gehandicapten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb vermeldt de
                                    namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2"><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en
                                    weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="3"><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                                    plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                    gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord,
                                    maakt het verslag hiervan melding.</al></li><li nr="4"><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde
                                    bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5"><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                    secretaris van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                    opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                    voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                    commissieleden dit onderzoek houden.</al></li><li nr="2"><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in
                                    afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en
                                    de belanghebbenden toegezonden.</al></li><li nr="3"><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                    belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de
                                    nadere informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek
                                    richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De
                                    voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></li><li nr="4"><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening
                                    die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over
                                    het door haar uit te brengen advies.</al></li><li nr="2"><al>a De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit
                                    te brengen advies.</al><al>b Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                            indien die minderheid dat verlangt.</al><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                            beslissing op het bezwaarschrift.</al><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de commissie
                            ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld
                                    in artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                    informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                    bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen.
                                </al></li><li nr="2"><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                    termijn van 10 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid,
                                    van de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen
                                    van een advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het
                                    verwerend orgaan tijdig de beslissing te verdagen.</al></li><li nr="3"><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                    belanghebbenden een afschrift.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening behandeling bezwaar- en beroepschriften gemeente Bemmel
                            2001 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het verstrijken
                            van een termijn van zes weken na de datum van haar bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening commissie
                            bezwaarschriften 2002”. </al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 12 december
                        2002.</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. G.S. Stam drs. R.J. Persoon</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>mr. G.S. Stam drs. R.J. Persoon</ondertekening><ondertekening>DE BURGEMEESTER VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>de burgemeester,</ondertekening><ondertekening>drs. R.J. Persoon</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING VERORDENING BEZWAARSCHRIFTEN
                                2002.</vet></al><al/><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                            gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voor zover het
                            hun bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen.
                            Duidelijk is dat de raad de verordenende bevoegdheid heeft, het college
                            en de burgemeester hebben deze niet, maar nemen hiermee het besluit tot
                            instellen van de commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het
                            mogelijk dat de bestuursorganen samen dezelfde commissie instellen om te
                            adviseren op bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de
                            burgemeester. De ondertekening geschiedt eveneens door de drie
                            bestuursorganen.</al><al><vet>Artikel 1 Begripsbepaling</vet></al><al>Alleen de begrippen die niet in de Awb zijn opgenomen zijn hierin
                            vastgelegd. Met verwerend orgaan wordt in de verordening bedoeld het
                            bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Dit kan zijn, de
                            gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de
                            burgemeester, of een commissie waaraan via delegatie bepaalde
                            bevoegdheden van de hiervoor genoemde bestuursorganen zijn
                            overgedragen.</al><al><vet>Artikel 2 Inleidende bepaling commissie</vet></al><al>In de nieuwe verordening worden de bevoegdheden van de commissie
                            geregeld in artikel 2. In lid 2 van dit artikel treft u de bestaande
                            uitsluitingen van belastingzaken, Wet waardering onroerende zaken en
                            personeelszaken aan. Het tweede lid is facultatief. De uitsluitingen
                            betreffende belastingzaken en de WOZ bevatten afwijkende of aanvullende
                            bepalingen over beslistermijnen, het horen en de geheimhouding. Dit is
                            reden om ze in elk geval uit te zonderen. Voor personeelszaken kent de
                            gemeente Bemmel een aparte commissie.</al><al><vet>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</vet></al><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel
                            7:13 Awb.</al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                            commissieleden aan het college.</al><al><vet>Kamer Algemene Zaken en kamer Sociale Zaken</vet></al><al>Bij de vaststelling van de verordening 2001, vlak na de herindeling, is
                            gekozen voor een systeem waarbij de commissie werd opgedeeld in 2
                            kamers, te weten een kamer Sociale Zaken en een kamer Algemene Zaken.
                            Dit is vastgelegd in artikel 2 lid 2 van de verordening 2001. </al><al>Reden om hiervoor te kiezen was de te verwachten stijging van het aantal
                            bezwaarschriften in de nieuwe gemeente. Een tweekamersysteem zou
                            bijdragen aan de noodzakelijke ordening van de bezwaarschriften en leden
                            met specifieke expertise op een bepaald terrein zouden zich met
                            bezwaarschriften van een specifiek onderwerp gaan bezighouden. Tevens
                            zou het systeem bijdragen aan de duidelijkheid betreffende het al dan
                            niet openbaar zijn van de hoorzittingen, aangezien de sociale kamer
                            altijd achter gesloten deuren hoorzitting houdt, terwijl de algemene
                            kamer werkt met openbare hoorzittingen.</al><al>Anderhalf jaar praktijk ervaring met dit systeem heeft ons echter doen
                            inzien dat aan dit tweekamer systeem nauwelijks meerwaarde kan worden
                            toegekend. De huidige praktijk leert dat de commissieleden zowel
                            inzetbaar zijn in de sociale- als de algemene kamer zonder dat dit
                            problemen oplevert op het gebied van kennis van zaken. De meeste
                            commissieleden zijn echte allrounders, die het een uitdaging vinden om
                            zich over verschillende zaken te buigen.</al><al>Het regelmatig houden van hoorzittingen leert ons dat het geen probleem
                            is om op een avond vier zaken te behandelen waarvan er bijvoorbeeld één
                            achter gesloten deuren plaatsvindt.</al><al>Praktisch gezien kent het tweekamersysteem echter wel nadelen. Het
                            aantal ingediende bezwaarschriften in Bemmel noopt tot het houden van
                            minimaal twee vergaderingen per maand. Echter, de aard van de zaken laat
                            zich niet zo gemakkelijk verdelen, zodat om praktische en financiële
                            redenen - immers, het houden van een vergadering met één sociale of één
                            algemene zaak is een kostbare aangelegenheid- vaak gekozen wordt voor
                            een gemengde vergadering. Bij de commissieleden bestaat hiertegen geen
                            bezwaar. Aangezien er een relatief korte termijn bestaat waarbinnen een
                            bezwaarschrift moet worden afgedaan, kan er namelijk niet voor gekozen
                            worden om te wachten tot zich drie of vier zaken voor dezelfde kamer
                            hebben aangediend. Dit zou leiden tot onnodig tijdverlies en forse
                            termijnoverschrijdingen, waarmee de klantvriendelijkheid in het geding
                            zou komen. Derhalve is er voor gekozen om in de thans voor u liggende
                            verordening het tweekamer- systeem niet meer op te nemen. Dergelijke
                            splitsing is overigens evenmin opgenomen in de modelverordening van de
                            VNG.</al><al><vet>Artikel 4 Secretaris</vet></al><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                            gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter
                            ondersteuning van de werkzaamheden.</al><al><vet>Artikel 5 Zittingsduur</vet></al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen.
                            Het kan ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de
                            afhandeling van lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van
                            het derde lid is van orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen
                            worden ook feitelijk de functie te blijven vervullen.</al><al><vet>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich. Over de ontvangstbevestiging wordt nog
                            opgemerkt dat naast verzending ook uitreiking van een
                            ontvangstbevestiging in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs kan
                            samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                            wordt gesteld om te worden gehoord, mits deze mededeling spoedig na de
                            ontvangst van het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om de envelop waarin het bezwaarschrift is
                            verzonden te bewaren. Hiermee kunnen geschillen over de ontvankelijkheid
                            van het bezwaarschift worden voorkomen (zie artikel 6:9 Awb).</al><al>Een per fax verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste
                            dag van de termijn te zijn ingediend. Het faxen moet vóór 24.00 uur zijn
                            aangevangen. Een bezwaar indienen per e-mail wordt in de toekomst
                            mogelijk. De bezwaarde dient er wel op te worden gewezen dat hij zijn
                            bezwaarschrift schriftelijk moet indienen.</al><al>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden</al><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de
                            toepassing van artikel 7:4, zesde lid (geen terinzagelegging stukken
                            wannneer geheimhouding om gewichtige redenen is geboden), en 7:5, tweede
                            lid (bepalen of het horen in het openbaar plaatsvindt). Dit
                            uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid
                            door de voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt
                            uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan
                            ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb
                            luiden als volgt.</al><al>Artikel 2:1, tweede lid</al><al><cursief>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke
                                machtiging verlangen.</cursief></al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij
                            al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><al><vet>Artikel 6:6</vet></al><al><cursief>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de
                                wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar
                                of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de
                                indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen
                                een hem daartoe gestelde termijn.</cursief></al><al>Toelichting:</al><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt
                            vastgesteld door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een
                            vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in
                            algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou
                            moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een
                            redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee
                            weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds
                            moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                            geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn
                            dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Uit
                            jurisprudentie over belastingen valt af te leiden dat na het bieden van
                            een hersteltermijn, bij of na afloop van die termijn ook nog
                            gerappelleerd dient te worden.</al><al>Een zorgvuldige formulering van de brief waarin gewezen wordt op het
                            verzuim en waarin de termijn wordt gesteld waarbinnen het verzuim moet
                            worden hersteld, is noodzakelijk. Er zal duidelijk aangegeven moeten
                            worden welke consequentie verbonden is aan het niet-voldoen aan deze
                            verplichting. Dit volgt ook uit de facultatieve wijze waarop artikel 6:6
                            is geformuleerd voor het gevolg van het in verzuim zijn: het
                            bezwaarschrift 'kan' niet-ontvankelijk worden verklaard. De
                            uiteindelijke beslissing ligt dus bij het bestuursorgaan.</al><al>Overigens zal niet zonder meer geconcludeerd mogen worden dat er in zo'n
                            situatie sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift
                            waardoor - ingevolge artikel 7:3 Awb - van het horen kan worden
                            afgezien.</al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin
                            voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend
                            bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk
                            opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een
                            verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop
                            het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is
                            verstreken.</al><al><vet>Artikel 6:17</vet></al><al><cursief>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat
                                bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking
                                hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde.</cursief></al><al>Toelichting:</al><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Voorzover het de behandeling door de
                            commissie betreft, ligt deze taak bij de voorzitter.</al><al>Het is niet nodig om in de bezwaarfase ook de stukken aan de
                            vertegenwoordigers van de belanghebbende toe te zenden die zijn
                            geproduceerd in de fase tussen de aanvraag en het primaire besluit (CRvB
                            24 juni 1997, JB 1997/196).</al><al>Artikel 7:4, vierde lid Awb staat toe om leges te heffen voor het
                            verstrekken van afschriften van de desbetreffende stukken aan de
                            gemachtigde van een belanghebbende (HR 20 september 2000, JG
                            2001/30).</al><al><vet>Artikel 7:4, tweede lid</vet></al><al><cursief>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de
                                zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende
                                ten minste één week voor belanghebbenden ter inzage.</cursief></al><al>Toelichting:</al><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                            verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe
                            van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting:
                            wordt er niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte
                            ter-inzage-legging.</al><al>Stukken toezenden hoeft niet, maar een verzoek van een belanghebbende om
                            stukken in te zien mag niet beperkt blijven tot de termijn van
                            ter-inzage-legging (Rb. Amsterdam, 8 augustus 1995, Awb katern 1996,
                            19).</al><al><vet>Artikel 7:6, vierde lid</vet></al><al><cursief>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                                belanghebbende, toepassing van het derde lid achterwege laten,
                                voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden
                                [...].</cursief></al><al><vet>Het derde lid van dit artikel luidt:</vet></al><al><cursief>Wanneer belanghebbenden afzonderlijk zijn gehoord, wordt ieder
                                van hen op de hoogte gesteld van het verhandelde tijdens het horen
                                buiten zijn aanwezigheid.</cursief></al><al><vet>Artikel 7:10, vierde lid</vet></al><al><cursief>Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het
                                bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor
                                niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee
                                instemmen.</cursief></al><al><vet>Artikel 8 Vooronderzoek</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor
                            dient te dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling
                            van het bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel
                            intern bij de gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen - als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met
                            de klager in contact te treden om nadere informatie in te winnen of
                            bijvoorbeeld hem bij kennelijke niet-ontvankelijkheid in overweging te
                            geven het bezwaarschrift in te trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding
                            van de te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij
                            vallen gewone en bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten
                            valt te denken aan bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het
                            inschakelen van externe deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen.
                            Deze kosten komen ten laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken
                            is er in de begroting voorzien in de normale kosten van een commissie.
                            Dat kan anders liggen als het om bijzondere kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt
                            het voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat
                            college de gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een
                            begrotingspost. Om deze reden is in deze bepaling voor de kosten voor
                            getuigen of deskundigen een machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard
                            mag het niet zo zijn dat het college door zo'n toetsing het werk van de
                            commissie frustreert en haar onafhankelijke positie daardoor
                            aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald
                            dat het bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op
                            verzoek, de gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig
                            zijn voor een goede vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                            bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van
                            het advies van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak
                            betrekking hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen
                            afgewogen oordeel kunnen uitbrengen indien gegevens worden
                            achtergehouden.</al><al>Artikel 8 lid 3 betreft een nieuwe bepaling.</al><al>Onder meer in het kader van de aandacht voor kwaliteit van het openbaar
                            bestuur en de behoefte aan de terugdringing van de juridisering wordt
                            gezocht naar de mogelijkheden om bezwaar- en beroepsprocedures te
                            vermijden en andere instrumenten in te zetten voor het oplossen van
                            conflicten. Mediation is één van de methoden. De betrokken partijen
                            (bestuurorgaan, bezwaarde en eventueel derden belanghebbenden) kunnen
                            afspreken om via mediation, onder leiding van een externe bemiddelaar,
                            tot een oplossing te komen. Om te ondervangen dat de bezwaartermijn
                            verstrijkt kan een zogenaamd pro forma bezwaar worden ingediend. Dit
                            geeft de mogelijkheid het bezwaarschrift later te motiveren.</al><al>De keuze om al dan niet tot mediation over te gaan is aan het
                            bestuursorgaan, dat ook de grenzen van de onderhandelingsruimte dient
                            vast te stellen. De secretaris heeft een initïerende en vrij
                            zelfstandige en begeleidende rol omdat het bij niet-slagen van de
                            bemiddelingspoging van belang is dat de adviescommissie nog steeds
                            onbevangen kan horen en adviseren. Het bestuursorgaan beslist
                            uiteindelijk over het resultaat van de mediation.</al><al><vet>Artikel 9 Hoorzitting</vet></al><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 10
                            van deze verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                            belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift
                            is dat indien:</al><lijst><li nr="a"><al>het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b"><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c"><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken
                                    van het recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d"><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                                    belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                                    geschaad.</al></li></lijst><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar
                            van appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met
                            de voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook
                            gewezen op artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het
                            tijdens het aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het
                            bestreden besluit. In artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een
                            bestuursorgaan zo'n intrekkings- of wijzigingsbesluit heeft genomen, het
                            bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn tegen het nieuwe besluit
                            tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening
                            toegekend aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus
                            niet aan het bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat
                            zou overigens ook niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid,
                            waarin onder andere is bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk
                            voorschrift niet anders is bepaald, beslist over de toepassing van
                            artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                            uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten
                            worden. Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de
                            beslissing op een bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien,
                            aangegeven moet worden op welke grond dat is geschied.</al><al><vet>Artikel 10 Uitnodiging zitting</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend
                            orgaan uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit
                            orgaan zich ook ter zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden
                            voorkomen dat er, vanwege de inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig
                            beeld ontstaat. Voorts is het voor een externe commissie van groot
                            belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een beslissing tot
                            stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk worden om
                            een goede afweging te maken. </al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                            oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan
                            een zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden
                            voldoende gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te
                            bereiden. Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om
                            hun verweer op schrift te stellen dat bij het verslag wordt
                            gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de
                            termijn van 10 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar
                            moet zijn beslist (zie artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4
                            Awb (zie hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het
                            tijdstip van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden
                            verleend. Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om
                            uitstel te krijgen. Een verzoek om uitstel moet niet automatisch
                            gehonoreerd worden. Een gemotiveerd verzoek om uitstel kan ingewilligd
                            worden, maar dient dan wel te worden beperkt tot een eenmalig uitstel
                            omdat anders de afwikkeling van het bezwaarschrift een te grote
                            vertraging kan ondervinden.</al><al>De toelichting op dit artikel van deze verordening is ook de plaats om
                            te wijzen op het bepaalde in artikel 7:4 en 7:8 van de Awb. Het verdient
                            aanbeveling om van de inhoud van deze artikelen bij de uitnodiging van
                            de hoorzitting mededeling te doen.</al><al>Omdat de inhoud van deze artikelen voor zich spreekt, is ermee volstaan
                            de tekst ervan hier integraal op te nemen (zie ook de toelichting bij
                            artikel 7).</al><al><vet>Artikel 7:4</vet></al><lijst><li nr="1"><al><cursief>Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden
                                        nadere stukken indienen.</cursief></al></li><li nr="2"><al><cursief>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het
                                        bezwaarschrift/beroepschrift en alle verder op de zaak
                                        betrekking hebbende stukken, voorafgaand aan het horen,
                                        gedurende ten minste één week voor belanghebbenden ter
                                        inzage.</cursief></al></li><li nr="3"><al><cursief>Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden
                                        gewezen op het eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer
                                        de stukken ter inzage zullen liggen.</cursief></al></li><li nr="4"><al><cursief>Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen
                                        vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften
                                        verkrijgen.</cursief></al></li><li nr="5"><al><cursief>Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan
                                        toepassing van het tweede lid achterwege worden
                                        gelaten.</cursief></al></li><li nr="6"><al><cursief>Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op
                                        verzoek van een belanghebbende, toepassing van het tweede
                                        lid voorts achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                                        gewichtige redenen is geboden. Van de toepassing van deze
                                        bepaling wordt mededeling gedaan.</cursief></al></li><li nr="7"><al><cursief>Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig,
                                        voorzover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de
                                        verplichting bestaat een verzoek om informatie, vervat in
                                        deze stukken, in te willigen.</cursief></al></li><li nr="8"><al><cursief>Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor
                                        schade aan de lichamelijke of geestelijke gezondheid van een
                                        belanghebbende, kan inzage van de desbetreffende stukken
                                        worden voorbehouden aan een gemachtigde die hetzij advocaat,
                                        hetzij arts is.</cursief></al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                            geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in
                            de WOB opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari
                            1996, Awb katern 1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding
                            van stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb.
                            Alkmaar, 20 oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al><vet>Artikel 7:8</vet></al><lijst><li nr="1"><al><cursief>Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem
                                        meegebrachte getuigen en deskundigen worden
                                        gehoord.</cursief></al></li><li nr="2"><al><cursief>De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor
                                        rekening van de belanghebbende die hen heeft
                                        meegebracht.</cursief></al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                            bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG
                            2000/122).</al><al>Artikel 11 Quorum</al><al>Dit artikel spreekt voor zich. Er is geen wettelijk bezwaar tegen het
                            horen in het kader van de bezwaarschriftenprocedure door de voorzitter
                            en één lid van de commissie, terwijl advisering door de voltallige
                            commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000, GS 2000/7119,
                            3).</al><al><vet>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb. </al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog
                            niet vast dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van
                            niet-vooringenomenheid sprake is ( Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3
                            (1996), 100).</al><al><vet>Artikel 13 Openbaarheid zitting</vet></al><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor
                            zover niet bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in
                            het openbaar plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze
                            bevoegdheid aan de commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting
                            in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel
                            blijft mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van
                            familiaire, medische of financiële aard of andere zaken met een
                            vertrouwelijk karakter aan de orde komen. </al><al>Om praktische redenen en om te voorkomen dat er problemen kunnen
                            ontstaan indien de commissie vergeet te besluiten tot een niet-openbare
                            zitting, is in lid 4 een aantal zaken reeds uitgezonderd van de
                            openbaarheid.</al><al><vet>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</vet></al><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een
                            verslag wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijk vereisten aan
                            het verslag worden niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens
                            niet aan in de weg dat in de verordening een vaste procedure wordt
                            opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al
                            het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit
                            het verslag duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig
                            was en wat door hen naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de
                            besluitvorming in de bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel
                            niet voorgeschreven in de Awb) dat het verslag van de zitting uiterlijk
                            gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar aan belanghebbende wordt
                            toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag van de hoorzitting vóór het
                            nemen van het bestreden besluit aan de belanghebbenden te zenden.
                            Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te reageren indien het
                            verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. </al><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als
                            een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de
                            adviescommissie, hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie
                            niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><al><vet>Artikel 15 Nader onderzoek</vet></al><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen
                            die op het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan
                            aanleiding zijn om belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te
                            horen. De onderhavige bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie
                            te verzoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb
                            wordt bepaald dat indien het in het hier bedoelde geval feiten of
                            omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te nemen beslissing van
                            aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt
                            meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                            gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet
                            van aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de
                            belanghebbenden in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren.
                            Na de hoorzitting gehouden telefoongesprekken kunnen gezien worden als
                            nader onderzoek (Nationale ombudsman 9 juli 2001, AB 2001/263). Een
                            zorgvuldige procedure houdt ook in dat het bestuursorgaan zich niet
                            rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder dat de andere
                            belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                            dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                            1999/311). </al><al><vet>Artikel 16 Raadkamer en advies</vet></al><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe
                            openbaar; de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren
                            plaats.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder
                            11); de advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet
                            aan de eisen van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies
                            totstandkomt, is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is
                            mogelijk (CRvB 21 oktober 1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari
                            2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb 00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in
                            strijd met artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State,
                            Afdeling bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid
                            van dit artikel (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te
                            dragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet
                            werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt
                            niet dat de gehele advisering kan worden opgedragen aan de voorzitter en
                            één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                            beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                            06-01-1997).</al><al><vet>Artikel 17 Uitbrengen advies en verdaging</vet></al><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure
                            het verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie
                            en wordt het schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 10 weken,
                            behoudens in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de
                            mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de
                            voorzitter van de commissie dat indien hij voorziet dat de termijn als
                            hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan
                            verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb
                            zijn artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en
                            mededeling van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing.
                            Artikel 3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een
                            besluit niet in werking treedt voordat het bekendgemaakt is. Het ligt
                            voor de hand in verband hiermee ook belanghebbenden een afschrift van
                            het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al><vet>Artikel 18 Intrekking oude regeling</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al><vet>Artikel 19 Inwerkingtreding </vet></al><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                            inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften
                            inhouden geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van
                            besluiten zoals opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing
                            op algemeen verbindende voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft
                            dat op besluiten, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, van
                            dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en met 4A van toepassing zijn en
                            wel voorzover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet).
                            Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                            inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt zijn. De
                            bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                            andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                            (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><al>In verband met de inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw)
                            op 1 januari 2002 is gekozen voor een termijn van zes weken. De Trw
                            bepaalt in artikel 22 dat een verordening (een algemeen verbindend
                            voorschrift) niet eerder in werking treedt dan zes weken na de
                            bekendmaking van het besluit. Deze termijn hangt hiermee samen: na
                            bekendmaking van de verordening en de mededeling dat over deze
                            verordening een referendum gehouden kan worden, kan een verzoek tot het
                            houden van een referendum worden ingediend. Het college is op grond van
                            de Trw gehouden tot het bekendmaken van deze besluiten. Op grond van de
                            Trw is de gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een
                            verordening indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden
                            van een referendum indienen. Door de inwerkingtreding van de Trw geldt
                            artikel 142 Gemeentewet niet meer voor verordeningen. </al><al><vet>Artikel 20 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening commissie
                            bezwaarschriften 2002.</al><al>In verband met de wijziging van de gemeentenaam in 2003 (Bemmel wordt
                            Lingewaard) is ervoor gekozen te volstaan met verwijzing naar het jaar
                            2002. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>