<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50967_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2010 Lingewaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Gemeente Nieuws, 29-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2010 Gemeente Lingewaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.1">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779&amp;artikel=2.2">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=12">Monumentenwet 1988, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=15">Monumentenwet 1988, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471&amp;artikel=38">Monumentenwet, 1988 art. 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-10-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluitnummer 44/2010</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>monumenten en archeologie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 01-10-2010.</al><al>Deze regeling vervangt de Monumentenverordening Lingewaard 2007.</al><al>Artikel 23 bevat een overgangsrecht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2010 Lingewaard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit raad</al><al>Besluitnummer 44/2010</al><al>Onderwerp</al><al>Erfgoedverordening 2010 gemeente Lingewaard, inclusief
                            Archeologische beleidsadvieskaart met voorstel tot
                            bijstelling wettelijk verplichte ondergrens.</al><al/><al>De raad van de gemeente Lingewaard;</al><al>gelezen het voorstel van       d.d.      ;</al><al>gehoord de behandeling tijdens de Politieke Avond d.d. 08-10-2010;</al><al>gezien het voorstel van het college van d.d.      ;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al>besluit vast te stellen de volgende <vet>Erfgoedverordening 2010
                        Lingewaard</vet>, inclusief Archeologische beleidsadvieskaart met
                        voorstel tot bijstelling wettelijk verplichte ondergrens.</al><al> Erfgoedverordening 2010 Gemeente Lingewaard</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a"><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1"><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                        betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                        waarde;</al></li><li nr="2"><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                        zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                                overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen
                                zaken of terreinen bedoeld in onderdeel a;</al></li><li nr="c"><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1,
                                eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="d"><al>1 Commissie Monumenten en Cultuurhistorie: de door het college op
                                basis van de verordening commissie monumenten en cultuurhistorie Lingewaard 2007
                        ingestelde commissie;</al><al>2 Commissie Welstand en Monumenten: de door het college op basis van de
                        Bouwverordening ingestelde commissie</al></li><li nr="e"><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van
                                het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop
                                archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden
                                zijn aangegeven;</al></li><li nr="f"><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden: landelijke
                                kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van geomorfologische
                                gegevens, de trefkans weergeeft op de aanwezigheid van
                                archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in
                                hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g"><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart van
                                (delen van) het provinciale grondgebied, waarop archeologische
                                monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="h"><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde
                                mate archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="i"><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten of
                                informatie;</al></li><li nr="j"><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                vondsten of informatie;</al></li><li nr="k"><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten of
                                informatie;</al></li><li nr="l"><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m"><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de
                                uitvoering van archeologisch onderzoek conform de KNA.</al></li><li nr="n"><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li><li nr="o"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li><li nr="p"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Lingewaard.</al></li><li nr="q"><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
                            </al></li><li nr="r"><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="s"><al>archeologisch onderzoek: werkzaamheden met betrekking tot het
                                bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg
                                worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld in de vigerende
                                Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). </al></li><li nr="t"><al>bouwhistorisch onderzoek: werkzaamheden ten behoeve van een
                                rapportage waarin de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een bouwwerk
                                of structuur wordt vastgesteld, dat naar oordeel van het college
                                voldoet aan de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek, uitgegeven door
                                de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.</al></li><li nr="u"><al>selectiebesluit: een archeologisch inhoudelijke afweging na een
                                onderzoeksfase over eventuele archeologische vervolgstappen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                        gebruik van het gemeentelijk monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2"><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de Commissie Monumenten en Cultuurhistorie.</al></li><li nr="3"><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar. </al></li><li nr="4"><al>Het college kan bepalen dat bouwhistorisch of archeologisch
                                onderzoek wordt verricht. De eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde
                                en gebruiker van het monument zijn desgevraagd verplicht het
                                onderzoek uit te voeren dan wel aan uitvoering van het onderzoek mee
                                te werken. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving
                        van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het
                        moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7
                        plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd,
                        zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>De Commissie Monumenten en Cultuurhistorie adviseert schriftelijk
                                binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2"><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies
                                van de Commissie Monumenten en Cultuurhistorie, maar in ieder geval
                                binnen twaalf weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan
                        degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                        staan.</al><al>Het college stelt de Commissie Monumenten en Cultuurhistorie in kennis van
                        het met reden omklede besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2"><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2"><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3"><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4"><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing. Het college
                                vraagt, voor intrekking van de aanwijzing, toestemming aan de
                                gemeenteraad, indien het op basis van artikel 3, tweede lid
                                uitgebrachte advies negatief is.</al></li><li nr="2"><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></li><li nr="3"><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 10 Instandhoudingbepaling</al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2"><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a"><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b"><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></li><li nr="4"><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></li><li nr="5"><al>Het college kan aan de vergunning voorschriften verbinden
                                betreffende de uitvoering en materiaaltoepassing.</al></li><li nr="6"><al>Het College kan voorschrijven dat de aanvrager van een vergunning
                                als bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals
                                een bouwhistorisch onderzoek of een archeologisch onderzoek.</al></li></lijst><al>Artikel 11 De schriftelijke aanvraag</al><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                        vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en
                        bescheiden worden in drievoud ingediend. </al><al>Artikel 12 Termijnen advies </al><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de Commissie Welstand en Monumenten voor advies. </al></li><li nr="2"><al>Binnen twee weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de Commissie Welstand en Monumenten schriftelijk advies uit
                                aan het college.</al></li></lijst><al>Artikel 13 Weigeringsgronden</al><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                        (archeologische) monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de
                        beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het
                        monument. </al><al>Artikel 14 Intrekken van de vergunning</al><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a"><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
                                opgave is verleend;</al></li><li nr="b"><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                                hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument
                                zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMDE monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de Commissie Welstand en Monumenten. </al></li><li nr="2"><al>De Commissie Welstand en Monumenten adviseert schriftelijk over de
                                aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het
                                afschrift.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 16 Instandhoudingbepaling</al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></li><li nr="2"><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;</al><lijst><li nr="a"><al>het een verstoring betreft van een archeologisch waardevol
                                        (verwachtings)gebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische beleidskaart, en waarbij die verstoring
                                        plaatsvindt:</al><lijst><li nr="§"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 2500 m2, of;</al></li><li nr="§"><al>in een gebied met een middelhoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 500 m2, of;</al></li><li nr="§"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 100 m2, of;</al></li><li nr="§"><al>in een gebied met zeer hoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 30 m2.</al></li></lijst></li><li nr="b"><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg van na vaststelling
                                        van de vigerende gemeentelijke archeologische
                                        beleidskaart.</al></li><li nr="c"><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d"><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke
                                        archeologische beleidskaart;</al></li><li nr="e"><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="§"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="§"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="§"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn, dan wel;</al></li><li nr="§"><al>burgemeester en wethouders een selectiebesluit
                                                hebben genomen ten aanzien van het opgraven van het
                                                te verstoren gebied/terrein.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 17 Opgravingen en begeleiding</al><lijst><li nr="1"><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Lingewaard onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a"><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b"><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></li><li nr="3"><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst><al>Artikel 18 Procedure </al><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                        toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en artikel
                        17, eerste lid, onder b.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 19 Tegemoetkoming in schade</al><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                        lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te
                        blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te
                        bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a"><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b"><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning
                                als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c"><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                                10, derde lid;</al></li><li nr="d"><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel
                                16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e"><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                volzin.</al></li></lijst><al>Artikel 20 Strafbepaling</al><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en artikel 16
                        met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze
                        verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een
                        hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al><al>Artikel 21 Toezichthouders</al><lijst><li nr="1"><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a"><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; ... .</al></li><li nr="b"><al>Met betrekking tot monumentale terreinen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 2; … .</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 22 Intrekken oude regeling</al><al>De “monumentenverordening 2007” wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 23 Overgangsrecht</al><lijst><li nr="1"><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken
                                monumentenverordening 2007 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd
                                te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></li><li nr="2"><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></li></lijst><al>Artikel 24 Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. </al><al>Artikel 25 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening 2010 Gemeente
                        Lingewaard”.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van d.d.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.G.L. Greep H.H. de Vries</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al> A Algemene toelichting</al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de
                        verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                        monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen
                        monumenten en archeologie, is de model Erfgoedverordening in 2008 aangevuld
                        met een archeologisch deel en heeft een vereenvoudiging van de model
                        Erfgoedverordening in het kader van deregulering plaatsgevonden. De huidige
                        wijziging van de model Erfgoedverordening houdt verband met de
                        inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te
                        noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna
                        te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te
                        noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor).</al><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                        vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een
                        fysiek project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle
                        dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan
                        een onderdeel.</al><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket
                        gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment
                        in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De
                        aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn
                        aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat
                        bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en de
                        omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                        doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure
                        van rechtsbescherming. </al><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                        wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
                        verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen
                        besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                        minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen
                        als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel
                        3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag
                        indien het gaat om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn
                        specifiek in bijlage I van het Bor omschreven. </al><al><vet>Toestemmingsstelsels </vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                        ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels
                        die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                        geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                        verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                        verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                        gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                        zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                        optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                        toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><al><vet>De procedure</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
                        voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts
                        op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de reguliere-
                        en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                        door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                        aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                        deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                        omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                        project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                        project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium
                        van de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                        onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                        handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt
                        moet worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en
                        2.2. van de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te
                        scheiden. Zij vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                        activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                        activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de
                        handeling op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                        deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                        behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond
                        bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten
                        worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De
                        omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen
                        kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit
                        gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een
                        omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het
                        gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke
                        rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                        omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                        gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken
                        of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                        oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus
                        een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                        volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                        mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                        volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat
                        de noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund.
                        Door aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel
                        risico voor de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan
                        alle indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste
                        fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag
                        voor de overige activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst
                        wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan
                        door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar
                        nadat deze beschikking is genomen een aanvraag voor een tweede
                        fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen treden tezamen in
                        werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op grond van de
                        Awb open. </al><al><vet>Informatie over de omgevingsvergunning</vet></al><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning:
                        http://omgevingsvergunning.vrom.nl. hierop vindt u tal van brochures over de
                        omgevingsvergunning. Als u nog geen beeld hebt van wat er allemaal
                        verandert, geven wij u in overweging de volgende informatie te lezen:</al><lijst><li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li><li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen
                                met – (augustus 2008; een online product). </al></li></lijst><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de model erfgoedverordening integreert volledig
                        in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat.
                        Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                        omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te
                        slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te
                        herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt
                        ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig
                        integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de
                        verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de
                        verlening van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen
                        om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van
                        artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning
                        (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet
                        ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming
                        aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van
                        een fysiek project. </al><al>De model erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te
                        stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere
                        regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                        gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                        gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit
                        nieuwe model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin
                        gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen
                        bepalingen opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads-
                        en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel
                        gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze
                        artikelen gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten
                        bij burgers genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007
                        is er thans voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de
                        modelverordening op te nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het
                        VNG-model op dit en op andere onderdelen zelf aan te vullen.</al><al>B Artikelsgewijze toelichting</al><al>Hoofdstuk 1 Algemeen</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                        uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving
                        van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is
                        volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                        waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens
                        in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
                        Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken
                        en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te
                        worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische
                        waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook
                        gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet
                        vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een
                        gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel
                        ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                        monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                        monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze
                        ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                        onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                        vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                        worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee
                        buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun
                        aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                        krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in
                        het achterhoofd is het echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook
                        roerende monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat
                        gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat
                        cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van
                        deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                        aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft
                        geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling.
                        Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot
                        gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de
                        aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                        toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 7.</al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij
                        de begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de
                        Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een
                        onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet
                        1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten
                        zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk
                        bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                        commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert
                        aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald
                        dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag.
                        Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is
                        bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                        moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                        omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
                        lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in
                        dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een
                        commissie. Het instellen van de monumentencommissie door het college moet
                        door middel van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor
                        het instellen van een (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren
                        het college bij het besluit tot instellen van een monumentencommissie
                        gebruik te maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze
                        verordening is te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                        www.modelverordeningen.nl .</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                        Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                        monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de
                        toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan
                        het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een
                        gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de
                        bepaling opgenomen worden. Overigens kan de monumentencommissie worden
                        gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al><cursief>Sub n</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in
                        het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat
                        geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen,
                        indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek
                        mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al><cursief>Sub o</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                        burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                        hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt
                        verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening. </al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                        deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                        behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige
                        gedereguleerde verordening geschrapt:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                        deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het
                        college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch
                        onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de
                        eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te
                        verrichten, voornamelijk vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet
                        mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te kunnen treden
                        puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen
                        is dat wel mogelijk, maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het
                        Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet
                        mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot
                        monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                        binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de verordening.
                        Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de
                        aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                        aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                        afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                        monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                        voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische
                        waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van
                        een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van)
                        een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot
                        een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                        evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in
                        relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                        bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten
                        verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen
                        hoeft te worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                        dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt
                        het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument.
                        Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een
                        vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait
                        hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere
                        onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch evenredig zijn om
                        bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een bouwhistorisch onderzoek
                        verplicht te stellen. Het niet langer verplicht stellen doet echter niets af
                        aan het intrinsieke belang van bouwhistorisch onderzoek. </al><al>Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten</al><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                        toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het
                        college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                        aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                        zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de
                        constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik
                        van het object zelf. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                        monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing
                        heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke
                        monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                        college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                        besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van
                        de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het
                        besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                        schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                        het bestaande gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft
                        het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                        aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede
                        lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                        worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                        vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                        vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken,
                        dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken
                        te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal
                        beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                        vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om
                        alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot
                        monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                        achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                        monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor
                        het bouwen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                        onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                        voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van
                        de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over
                        een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden
                        worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van)
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                        zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar
                        voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op
                        een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                        gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                        monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de
                        periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument
                        op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                        aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en
                        met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere
                        dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument
                        niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                        omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels
                        opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden
                        aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                        financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de
                        voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                        beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub
                        1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van
                        deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor
                        geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren
                        voor het inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij
                        artikel 6 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                        moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).
                        Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden
                        waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve
                        lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met
                        betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter
                        de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de
                        burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie
                        niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder
                        advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies
                        als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Op
                        grond van de Wet dwangsom en beroep kan sprake zijn van niet tijdig
                        beslissen (Awb 1-10-2009). Indien het college niet tijdig beslist op de
                        aanvraag, kan het bestuursorgaan een dwangsom verbeuren of kan de aanvrager
                        beroep instellen (bezwaar indienen is dus niet meer mogelijk en er is ook
                        geen sprake van een fictieve weigering). Het artikel bevat geen bepalingen
                        over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt
                        (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift
                        van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                        verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                        aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder
                        a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                        publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                        voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                        bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                        bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                        (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                        en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde
                        in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                        besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder
                        snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij
                        tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                        (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                        voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                        wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                        aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                        4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het
                        advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                        monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt
                        of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                        monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking
                        van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds
                        kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt
                        het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis
                        gedocumenteerd.</al><al>Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                        omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat
                        het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                        voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor
                        zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met
                        betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de
                        werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag
                        heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het
                        kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                        mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                        beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                        nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het
                        verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                        ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen
                        van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor
                        het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen
                        aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                        Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                        materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze
                        nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de
                        burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat
                        het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                        monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen,
                        zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                        geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                        de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                        monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                        kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                        van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                        geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de
                        gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken
                        welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat
                        de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt
                        aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst.
                        Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming
                        tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en
                        overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                        bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet
                        geldt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                        digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen
                        het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                        ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                        keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg
                        indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over
                        de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen
                        is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na
                        verloop van twee jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                        lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                        aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                        bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid
                        van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van
                        twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                        opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                        voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                        Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende
                        de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                        project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                        uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg
                        moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar
                        één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                        geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                        om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                        de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
                        Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                        (gemeentelijke) monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat
                        de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen.
                        Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                        gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                        besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                        gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag
                        dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken
                        kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                        hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de
                        aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur
                        meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                        stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de
                        adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de
                        beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                        monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                        door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling
                        gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning
                        waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                        waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit
                        treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt
                        opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                        verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                        opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de
                        overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van
                        rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men
                        spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit
                        paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering
                        van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende
                        vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en
                        wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
                        is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                        toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                        toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader
                        van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten
                        in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                        monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het
                        economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het
                        belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag
                        verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning
                        moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet
                        strijdig is met het belang van de monumentenzorg. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken.
                        De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij
                        de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo
                        kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden,
                        de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het
                        bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>Hoofdstuk 4 Beschermde monumenten</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van
                        de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                        Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                        omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                        bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te
                        worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                        voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde
                        monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn
                        voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                        adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst
                        van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                        termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                        konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                        Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                        verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                        binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                        definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                        ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                        invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                        vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                        advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in
                        verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen
                        wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een
                        beschermd monument zal de adviesplicht van toepassing blijven. Ter
                        compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle
                        gemeenten vanaf 2009 een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die
                        onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet
                        1988, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in
                        diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten
                        de bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift
                        van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens
                        naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor
                        men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS al op voorhand kenbaar
                        maken in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook
                        daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                        ingeschakeld.</al><al>Hoofdstuk 5 Instandhouding van archeologische terreinen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                        raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel
                        3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond
                        aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                        (voortvloeiend uit het Verdrag van Valletta) en daarmee ook van deze
                        verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van
                        een gemeentelijke archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich
                        archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in
                        de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan
                        ´Malta-proof´ is.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                        biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan
                        archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 16 biedt
                        bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30 cm de bodem te
                        verstoren. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal
                        uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is niet
                        van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in een archeologisch
                        monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de landelijk of een
                        provinciale archeologische waardenkaart. Een gemeente kan van deze kaarten
                        gebruik maken, indien het zelf nog niet beschikt over een gemeentelijke
                        archeologische waardenkaart. Deze waardenkaarten hanteren over het algemeen
                        een driedeling wat betreft de mate waarin archeologische waarden in de bodem
                        kunnen worden aangetroffen. Deze archeologische verwachtingswaarden zijn
                        vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe
                        lager de verwachte archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn
                        waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde
                        zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter
                        aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende
                        rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen het
                        verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In
                        ieder geval moet binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat
                        voldoende informatie verkregen kan worden over de aard, het karakter en de
                        datering van de (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen.
                        Om dezelfde reden als in het eerste lid zijn ook in dit onderdeel geen
                        standaardwaarden opgenomen, zodat de lokale situatie hieraan een invulling
                        moet geven.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is
                        als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt
                        het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische
                        waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te
                        verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de
                        Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het
                        gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de
                        oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de
                        artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet
                        Wabo komen te vervallen. </al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat
                        bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                        archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de
                        aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                        overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                        voldoende mate is vastgesteld. </al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c.
                        Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten
                        behoeve van het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om
                        deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18
                        zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard
                        op de beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                        overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988
                        in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                        artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                        uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch
                        monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’
                        bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de
                        situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is
                        opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van
                        een aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van
                        archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking
                        van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                        functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                        onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar
                        verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij
                        archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een
                        dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst, dient deze bepaling niet
                        overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming
                        bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken
                        uitputtend is geregeld. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van
                        opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de
                        opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht;
                        en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                        geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                        programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                        ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                        Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                        weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                        programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is
                        sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van
                        een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel
                        16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten
                        vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden
                        gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop)
                        en de beoordeling van het plan van aanpak.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e
                        en artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel
                        en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van
                        toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke
                        zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                        monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
                        Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelgewijze toelichting bij
                        deze artikelen. </al><al>Hoofdstuk 6 Overige bepalingen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                        86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op
                        grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                        schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                        rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                        toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                        toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord,
                        staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt
                        voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                        moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze
                        modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de
                        specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                        mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te
                        kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige model
                        erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het
                        bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro
                        jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te
                        besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte
                        van de kosten en omvang van deze procedure. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op
                        de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10,
                        derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                        strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten
                        is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder
                        vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt
                        aangemerkt als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1,
                        van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding
                        van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan
                        hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                        al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23
                        van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op
                        te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal €
                        370,- (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari
                        2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te
                        nemen dan in genoemde categorieën. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om
                        enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                        tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van
                        de nadere regels voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het
                        is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de
                        ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen
                        van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college
                        geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening
                        en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van
                        de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                        zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met
                        het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                        enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve
                        in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt
                        dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover
                        dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld
                        dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren
                        aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het
                        college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van
                        Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook
                        opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben
                        in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                        feiten.</al><al>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat niet
                        twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                        uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden
                        gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde
                        wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                        bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                        welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                        beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                        rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                        bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel
                        3) en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                        gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                        aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het
                        tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                        deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor
                        een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                        de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel
                        in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de
                        kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                        verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                        een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                        verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                        Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                        Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al><al>VNG, januari 2010</al><al> Bijlage</al><lijst><li nr="·"><al>Selectiecriteria gemeentelijke monumenten behorende bij de
                                Erfgoedverordening 2010 Gemeente Lingewaard;</al></li><li nr="·"><al>Archeologische beleidsadvieskaart (oost &amp; west) en
                                Geomorfogenetische kaart met bekende vindplaatsen
                                (oost&amp;west);</al></li><li nr="·"><al>RAAP-RAPPORT 1751, Voorstel tot bijstelling wettelijk verplichte
                                ondergrens. </al></li></lijst><al> Bijlage <vet>Selectiecriteria gemeentelijke monumenten behorende bij de
                        </vet></al><al><vet> Erfgoedverordening 2010 Gemeente Lingewaard</vet></al><al><vet>Bovengrondse monumenten</vet></al><al>Een monument wordt gewaardeerd aan de hand van de volgende
                        selectiecriteria:</al><lijst><li nr="1"><al>Algemene criteria</al></li><li nr="2"><al>Objectgebonden criteria: object en omgeving</al></li><li nr="3"><al>Objectgebonden criteria: intrinsiek</al></li><li nr="4"><al>Overige criteria</al></li></lijst><al><vet>1</vet><vet> Algemene criteria</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen uitsluitend onroerende
                                goederen worden geplaatst: gebouwen of groepen gebouwen, parken en
                                begraafplaatsen en ook pompen, fonteinen, hekwerken en dergelijke.
                                Bomen en roerende objecten (schepen en voertuigen) komen niet in
                                aanmerking voor aanwijzing. </al></li><li nr="·"><al>Op de gemeentelijke monumentenlijst kunnen ook delen van gebouwen,
                                zoals een voorgevel, een gevelteken, of een interieur, mits aard- en
                                nagelvast verbonden aan het object, worden geplaatst. In de
                                redengevende omschrijving wordt aangegeven om welk deel het gaat.
                            </al></li><li nr="·"><al>De aan te wijzen onroerende goederen zijn geen rijksmonument of
                                provinciaal monument. </al></li><li nr="·"><al>Gemeentelijke monumenten zijn niet gebonden aan een ontstaansgrens.
                                Onroerende goederen, jonger dan 50 jaar, kunnen gemeentelijk
                                monument worden. </al></li><li nr="·"><al>Gemeentelijke monumenten worden geselecteerd op hun
                                cultuurhistorische waarde in de breedste zin van het woord. </al></li><li nr="·"><al>Gemeentelijke monumenten worden geselecteerd op hun locale of
                                regionale belang. </al></li></lijst><al><vet>2</vet><vet> Objectgebonden criteria: object en omgeving</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Ensemblewaarde Maakt het object deel uit van een groter geheel
                                (architectonisch, functioneel enz.) en zou het geheel door
                                verwijdering of aantasting van het object aan waarde inboeten? </al></li><li nr="·"><al>Stedenbouwkundige situering De rol in het straatbeeld. Staat het
                                object bijvoorbeeld op een stedenbouwkundig belangrijke plaats zoals
                                een straathoek of in een zichtas? </al></li><li nr="·"><al>Volume en afmetingen Is het object in z’n hoofdvorm en afmetingen
                                karakteristiek voor de omgeving of vormt het juist door zijn
                                afwijkende maten een waardevol element in de gebouwde en ingerichte
                                omgeving? </al></li><li nr="·"><al>Architectonische kwaliteit Getuigt het ontwerp van goede
                                architectuur? </al></li><li nr="·"><al>Bouwstijl Is het object een voortbrengsel van een voor de stad en
                                omgeving kenmerkende of juist zeldzame bouwstijl? </al></li><li nr="·"><al>Detaillering Draagt het object door een goede of bijzondere
                                detaillering bij aan de ruimtelijke beleving in de onmiddellijke
                                omgeving van het object? </al></li><li nr="·"><al>Typologie Is het object in typologisch opzicht uniek of
                                vertegenwoordigt het een zeldzaamheidswaarde? </al></li></lijst><al><vet>3</vet><vet> Objectgebonden criteria: intrinsiek</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Gaafheid De (mate van) gaafheid van het volledige object: zijn er
                                storende of juist waardevolle wijzigingen, vormt het object in
                                voldoende mate een eenheid? </al></li><li nr="·"><al>Oorspronkelijkheid In hoeverre heeft het object nog historische
                                bouwmassa? Bestaan bijvoorbeeld muren, vloeren en kapconstructies
                                nog uit authentiek materiaal uit de bouwtijd of betreft het
                                materiaal van reconstructies of restauraties? </al></li><li nr="·"><al>Oeuvre Maakt het object deel uit van het oeuvre van een belangrijk
                                architect en/of is het karakteristiek voor dat oeuvre? </al></li><li nr="·"><al>Functie Is het object karakteristiek voor een bijzondere historische
                                ontwikkeling op het gebied van de gezondheidszorg, sociale zorg,
                                landbouw, economie of cultuur? </al></li><li nr="·"><al>Bouwtechniek Kent het object bijzondere toepassingen van
                                bouwtechniek of is de bouwtechniek kenmerkend voor de regionale of
                                locale bouwwijze? </al></li><li nr="·"><al>Materiaalgebruik Kent het object opmerkelijke materiaaltoepassingen
                                (baksteen, ijzer, beton, glas, decoraties e.d.)? </al></li><li nr="·"><al>Interieurs Zijn in het interieur waardevolle onderdelen aanwezig
                                (ruimte-indeling, betimmeringen en kastenwanden, elementen als
                                schouwen, tegels of schilderstukken, geschilderde afwerkingen e.d.)?
                            </al></li><li nr="·"><al>Niet-fysieke cultuurhistorische waarden Hierbij moet worden gedacht
                                aan de rol die een object heeft gespeeld in de Leeuwarder
                                geschiedenis: geboortehuizen van bijzondere inwoners, plaatsen waar
                                zich belangrijke gebeurtenissen hebben afgespeeld enz. </al></li></lijst><al><vet>4</vet><vet> Objectgebonden criteria: overige</vet></al><al>·Technische staat </al><al><vet>Toepassing van de selectiecriteria</vet></al><al>Voor het toepassen van de selectiecriteria kan gebruik gemaakt worden van
                        een scorematrix. Per onderdeel kan daarbij door middel van tekens
                        (bijvoorbeeld: --, -, 0, + of ++) of cijfers (bijvoorbeeld 1, 2, 3, 4, 5)
                        worden aangegeven of en in welke mate de omschreven waarden aanwezig zijn en
                        bijdragen aan de monumentwaarde dan wel ernstig verstoord zijn en afbreuk
                        daaraan doen.</al><al>Het is echter niet mogelijk exacte score-eisen te stellen als voorwaarde
                        voor de uiteindelijke selectie. De vorenstaande selectiecriteria en het
                        globale scoresysteem vormen in de eerste plaats een hulpmiddel. De vorming
                        van het eindoordeel vraagt meer dan het tellen van "plusjes en minnetjes".
                        Elk voorstel of aanvraag voor plaatsing op de monumentenlijst vergt een
                        afzonderlijke beslissing op grond van een overtuigende motivering. Het
                        eindoordeel zal terug te vinden zijn in de zogenaamde redengevende
                        omschrijving van het object dat wordt voorgedragen voor plaatsing op de
                        gemeentelijke monumentenlijst, ofwel, bij een negatieve beoordeling, in een
                        gemotiveerde afwijzing van de aanvraag.</al><al>Archeologische monumenten</al><al>Voor de selectiecriteria gemeentelijke archeologische monumenten wordt
                        gebruik gemaakt van de systematiek uit de vigerende Kwaliteitsnorm
                        Nederlandse Archeologie (KNA).</al><al>In de eerste plaats wordt nagegaan of monumenten vanwege hun
                        belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als
                        behoudenswaardig kunnen worden getypeerd. Deze elementen worden niet
                        gescoord, maar wel meegewogen in de afweging. De monumenten worden
                        vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een monument wordt op basis
                        van fysieke kwaliteit als behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria
                        gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren.
                        Bij een lage of middelmatige score (4 punten of minder) is de inhoudelijke
                        kwaliteit doorslaggevend. Hierbij maakt een bovengemiddelde score (6-7
                        punten) een vindplaats monumentwaardig. Eerst vindt een afweging plaats op
                        de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid,
                        informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven
                        punten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt. Na deze
                        weging wordt bij monumenten met een lagere inhoudelijke waardering (minder
                        dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van
                        toepassing is. Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als
                        behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie.</al><al><vet>Waardering</vet></al><al>Bij de waarde Fysieke kwaliteit gaat het in de eerste plaats om de
                            <cursief>gaafheid</cursief> van het monument; in hoeverre is het
                        archeologische ensemble compleet. Wanneer het gaat om gaafheid, wordt verder
                        gekeken naar de toestand van de grondsporen.</al><al>Het criterium <cursief>conservering</cursief> heeft betrekking op de
                        bewaringstoestand van de vondsten (anorganisch en organisch) en ecologisch
                        materiaal.</al><al>Van de waarde inhoudelijke kwaliteit, is het criterium
                            <cursief>zeldzaamheid</cursief> het eerste dat bij het waarderen in
                        beschouwing wordt genomen. </al><al>Bij het criterium <cursief>informatiewaarde</cursief> gaat het om de waarde
                        van de vindplaats als bron van kennis over het verleden. Het gaat dan met
                        name om nieuwe kennis, zodat er een sterk verband bestaat met het criterium
                            <cursief>zeldzaamheid</cursief>.</al><al>Tenslotte zijn er de criteria <cursief>ensemblewaarde</cursief> en
                            <cursief>representatieviteit</cursief>, de informatie van een vindplaats
                        die voortkomt uit de landschappelijke context, naburige vindplaatsen en de
                        kenmerkendheid voor een bepaalde periode of gebied. </al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="11*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="10*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al>Scoretabel waardestelling</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al><vet>waarden</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al><vet>criteria</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="1"><al><vet>parameters</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al><vet> Scores</vet></al></entry></row><row><entry colname="col4"><al><vet>Hoog</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Midden</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>Laag</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al>Beleving</al></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>Schoonheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Zichtbaarheid vanaf het maaiveld als
                                            landschapselement</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Vorm en structuur</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Relatie met omgeving</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>Herinneringswaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>Verbondenheid met feitelijke historische
                                            gebeurtenis</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Associatie met toegeschreven kwaliteit of betekenis</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>Wordt niet gescoord</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="5"><al>Fysieke kwaliteit</al></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Gaafheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid van soort en intactheid bodemprofiel</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid sporen: antropogene lagen, biochemische
                                            laag of residu</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid archeologische indicatoren voor menselijke
                                            activiteiten</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="1"><al>Conservering</al></entry><entry colname="col3"><al>Conservering artefacten (metaal/overig)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Conservering organisch materiaal</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al>Inhoudelijke kwaliteit</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Zeldzaamheid</al></entry><entry colname="col3"><al>In vergelijking met onderzoek van vergelijkbare
                                            monumenten (complextypen) van goede fysieke kwaliteit
                                            uit dezelfde perioden binnen dezelfde archeoregio
                                            waarvan de aanwezigheid is vastgesteld</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Idem, op basis van een recente en specifieke
                                            verwachtingskaart</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Informatiewaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>In vergelijking met onderzoek van vergelijkbare
                                            monumenten binnen dezelfde archeoregio (minder/meer dan
                                            5 jaar geleden; volledig/partieel)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2" morerows="3"><al>Ensemblewaarde</al></entry><entry colname="col3"><al>Synchrone context (voorkomen van monumenten uit dezelfde
                                            periode binnen de micro-regio)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Diachrone context (voorkomen van monumenten uit
                                            opeenvolgende perioden binnen de micro-regio)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Landschappelijke context (fysisch- en
                                            historisch-geografische gaafheid van het contemporaine
                                            landschap)</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid van contemporaine organische sedimenten in
                                            de directe omgeving</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col2"><al>Representativiteit</al></entry><entry colname="col3"><al>Kenmerkendheid voor een bepaald gebied en/of
                                            periode</al></entry><entry colname="col4"><al>3</al></entry><entry colname="col5"><al>2</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Juli 2010</al><al> Bijlage <vet>Archeologische beleidsadvieskaart (oost &amp; west) en
                            Geomorfogenetische </vet></al><al><vet> kaart met bekende vindplaatsen (oost&amp;west)</vet></al><al> Bijlage <vet>RAAP-RAPPORT 1751, Voorstel tot bijstelling wettelijk
                            verplichte </vet></al><al><vet> ondergrens</vet></al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>