<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50959_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Bemmel 2001</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2001-12-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Nieuwe Koerier, 28-11-2001</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Bemmel 2001</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0022977&amp;artikel=12">Brandweerwet 1985, art. 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-11-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2001-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2003-12-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Besluitnummer 96/2001</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Artikel 3.3 bevat een overgangsbepaling.</al><al>Deze regeling vervangt de brandbeveiligingsverordening Bemmel 1998, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 26-02-’98, de brandbeveiligingsverordening gemeente Gendt 1993, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 16-03-’93 en de brandbeveiligingsverordening gemeente Huissen 1993, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 13-01-’93.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Bemmel 2001</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>BESLUIT NR. 96/2001</vet></al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al/><al><onderstreept>Brandbeveiligingsverordening Bemmel
                        2001</onderstreept></al><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE BEMMEL;</al><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 31 oktober
                        2001;</al><al>gehoord de commissie Ruimtelijke Ontwikkeling en Algemene Zaken d.d. 30
                        oktober 2001;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 12 van de Brandweerwet 1985;</al><al>B E S L U I T:</al><al>Vast te stellen de Brandbeveiligingsverordening Bemmel 2001</al><al>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 15 november 2001</al><al>DE RAAD VOORNOEMD,</al><al>de secretaris, de voorzitter,</al><al>mr. G.S. Stam drs. R.J. Persoon</al><al/><al><vet>Brandbeveiligingsverordening Bemmel 2001</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            Woningwet en de bouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    of te houden, waarin:</al><lijst><li nr="a"><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                            zijn;</al></li><li nr="b"><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen
                                            zullen worden opgeslagen;</al></li><li nr="c"><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="d"><al>aan personen in het kader van de Algemene Wet Bijzondere
                                            Ziektekosten huisvesting zal worden verschaft
                                            (verzorgingstehuizen);</al></li><li nr="e"><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk
                                            gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                                            verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning
                                    voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden
                                    na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en
                                    gestelde voorschriften wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag
                                vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de
                                beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig
                                gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende
                                brandveilig gebruik kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken
                                indien:</al><lijst><li nr="a"><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b"><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan
                                        aan een voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="c"><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken
                                        na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de
                                        datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien
                                        waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat
                                        bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="d"><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of
                                        langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e"><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                        grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                        van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                                        opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het niet
                                        mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van
                                        voorschriften dat belang voldoende te beschermen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn, en
                                moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de
                                naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn. </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                                    begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                                    brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van
                                    de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij
                                    een inrichting aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a"><al>het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het
                                            andere niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste
                                            lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de
                                            bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden niet
                                            overschrijdt;</al></li><li nr="b"><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                            stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning
                                            overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend; </al></li><li nr="c"><al>de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen
                                            of afleveren van vloeibare brandstoffen, dat voldoet aan
                                            de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag
                                            gas-, huisbrand- en stookolie;</al></li><li nr="d"><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="e"><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of
                                            een ander warmte-ontwikkelend toestel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid
                                    volledig meegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de
                                in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven wijze. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                                onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                                worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a"><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                        bestrijding van brand;</al></li><li nr="b"><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                        personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen
                                als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992,
                                nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt.
                                1992, nr. 188), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het
                                gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten
                                voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van
                                brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Verbod open vuur en roken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben:</al><lijst><li nr="a"><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of
                                            meer van de stoffen genoemd in de regeling Bouwbesluit
                                            brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel
                                            II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188),
                                            onder a tot met h;</al></li><li nr="b"><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen
                                            van brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                            veroorzaken;</al></li><li nr="c"><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een
                                            brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te
                                    doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen
                                    opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                    luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                                onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                    ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht -na een van burgemeester en wethouders ontvangen
                                    aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die
                                    burgemeester en wethouders in die brief geven tot het voorkomen
                                    van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan
                                    elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                            derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van
                                de brandbeveiligingsverordeningen van de voormalige gemeenten
                                Bemmel, Gendt en Huissen, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een
                                beslissing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond
                                van genoemde brandbeveiligingsverordeningen en alle daarin
                                aangebrachte wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                                brandbeveiligings-verordeningen van de voormalige gemeenten Bemmel,
                                Gendt en Huissen geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                2.1.1, voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de
                                bouwverordening geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                6.1.1 van de bouwverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Deze verordening treedt in werking op 1 december 2001.</al></li><li nr="2"><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt:</al><lijst><li nr="-"><al>de brandbeveiligingsverordening Bemmel 1998, vastgesteld
                                            bij raadsbesluit d.d. 26-02-’98;</al></li><li nr="-"><al>de brandbeveiligingsverordening gemeente Gendt 1993,
                                            vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 16-03-’93;</al></li><li nr="-"><al>de brandbeveiligingsverordening gemeente Huissen 1993,
                                            vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 13-01-’93;</al></li></lijst></li></lijst><al>en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al><al>3Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                <vet>Brandbeveiligingsverordening Bemmel 2001</vet>.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>A Algemene toelichting</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van
                    inrichtingen.</al><al>De werkingssfeer is in artikel 12 van de Brandweerwet 1985 aangegeven: de
                    brandbeveiligings-verordening is van toepassing voor zover in hetgeen zij regelt
                    niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet.</al><al>Bouwwerken zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig
                    gebruik daarvan ingevolge de Woningwet 1991 verplicht in de bouwverordening is
                    opgenomen.</al><al>De brandbeveiligingsverordening kan slechts regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in andere wettelijke
                    regelingen. Rest derhalve thans die 'voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                    begrensde plaatsen', die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel
                    1).</al><al>De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd in artikel 2.1.1 wordt voldaan.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften over het aanvragen, het voorbereiden en
                    het beslissen op een verzoek om een vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in
                    de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992, 315).</al><al>De artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de vergunningaanvraag van
                    toepassing. De voorschriften hebben onder andere betrekking op: bij wie de
                    aanvraag moet worden ingediend, welke gegevens tenminste op de aanvraag moeten
                    staan en wanneer de aanvraag in behandeling kan worden genomen.</al><al>De artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen welke termijn een
                    aanvraag om een vergunning moet worden afgewikkeld. De Awb geeft geen vaste
                    termijn in weken, maar geeft aan dat de aanvraag binnen een redelijke termijn
                    tot een beschikking moet leiden. Die redelijke termijn is in ieder geval
                    verstreken als niet binnen acht weken na het in ontvangst nemen van de aanvraag
                    een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld binnen welke
                    redelijke termijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt.</al><al>Door het hanteren van de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan
                    afhankelijk van de inhoud van de aanvraag aangegeven worden binnen welke termijn
                    de aanvraag wordt afgehandeld. Derhalve is in de verordening geen artikel
                    opgenomen dat een vaste termijn voor een vergunningaanvraag voorschrijft.</al><al>Het gebruik van de bovengenoemde artikelen van de Awb bij de behandeling van een
                    vergunningaanvraag vereist geen afzonderlijk besluit van burgemeester en
                    wethouders. Bij de eerste vergunningaanvraag op basis van de verordening zal
                    aangegeven moeten worden dat bij de afwikkeling van de vergunningaanvraag de
                    artikelen 4:1 tot en met 4:6 en 4:13 tot en met 4:15 van de Awb gebruikt worden.
                    Op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn burgemeester en
                    wethouders vervolgens gehouden de daarop volgende aanvragen eveneens met
                    toepassing van de Awb artikelen te behandelen.</al><al>In een bij deze toelichting behorende bijlage is de tekst van de bovenbedoelde
                    artikelen opgenomen.<vet> B</vet><vet> Artikelsgewijze toelichting</vet></al><tussenkop>Artikel 1.2 Werkingssfeer</tussenkop><al>De in artikel 1.1 bedoelde 'voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaatsen' is een ruime omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het
                    gebruik hiervan vindt immers regeling in de bouwverordening.</al><al>In dit verband ware te denken aan alle 'bouwwerken' die op het water drijven en
                    los met de wal verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende
                    restaurants. Deze zijn namelijk geen bouwwerken in de zin van de Woningwet 1991
                    en vallen derhalve niet onder de werking van het Bouwbesluit en de
                    bouwverordening.</al><al>Er bestaat een in dit kader relevante uitspraak van het Hof Arnhem d.d. 6 juni
                    1972, NJ 73, 209. Daarin werd uitgemaakt 'dat een op het water drijvend bouwsel
                    niet valt onder het begrip "gebouw" en evenmin onder de definitie in de
                    gemeentelijke bouwverordening, omdat het niet in de geest van die verordening
                    met de grond verbonden is noch steun vindt in of op de grond'.</al><al>Er was hier sprake van het aanmeren middels twee lijnen aan in de grond
                    geplaatste meerpalen, teneinde afdrijven te voorkomen. Het valt te verwachten
                    dat bij een 'minder losse verbinding' de bouwsels onder de werking van de
                    Woningwet zullen vallen.</al><al>Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals (feest)tenten
                    e.d.</al><tussenkop>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden,
                    zoals voorschriften met betrekking tot:</al><lijst><li nr="-"><al>Stoffering en versiering;</al></li><li nr="-"><al>Uitgangen en vluchtwegen;</al></li><li nr="-"><al>Installaties;</al></li><li nr="-"><al>Standbouw, podia, kramen e.d.;</al></li><li nr="-"><al>Verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="-"><al>Verbod voor open vuur en vuurwerk;</al></li><li nr="-"><al>Bewaking en controle;</al></li><li nr="-"><al>Ventilatie en werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>Brandbare , brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                            stoffen;</al></li><li nr="-"><al>Opstellingsplannen;</al></li><li nr="-"><al>Afval;</al></li><li nr="-"><al>Doorlopend toezicht;</al></li><li nr="-"><al>Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                            interne organisatie;</al></li><li nr="-"><al>Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                            inrichting of in een inrichting met het oog op de brandveiligheid.</al></li></lijst><al>Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde
                    bouwsels niet onder de werking van de Woningwet vallen.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2</tussenkop><tussenkop> Weigeren vergunning</tussenkop><al>Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond
                    voor een vergunning kunnen zijn:</al><lijst><li nr="a"><al>voor de constructies - het Bouwbesluit en de bouwverordening;</al></li><li nr="b"><al>voor het gebruik - de bijlagen van bouwverordening en van de toelichting
                            op de (model-)bouwverordening 1992. </al></li></lijst><al>De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid.</al><al>Een andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige
                    inrichtingen zijn de boeken die de NBF uitgeeft in de serie 'Een brandveilig
                    gebouw .......'.</al><al>Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de
                    inrichtingen (tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen </tussenkop><al>Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig.</al><al>In artikel 2.2.1 vindt de brandveiligheid van niet vergunningsplichtige
                    inrichtingen regeling.</al><tussenkop>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving</tussenkop><al>Burgemeester en wethouders wijzen in verband met de bij de gemeentelijke
                    organisatie verordening (ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken
                    in ieder geval de brandweer aan als de gemeentelijke dienst belast met het
                    toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening. In de toelichting
                    op de (model-)bouwverordening 1992 vermelden wij dat de brandweer de deskundige
                    dienst is om te adviseren over brandpreventie voorschriften. Tevens kunnen ook
                    andere personen met de naleving ervan worden belast, zoals bijvoorbeeld van het
                    bouw- en woningtoezicht.</al><al>Het verdient in elk geval aanbeveling bij de uitvoering van deze verordening en
                    van andere verordeningen een coördinatie tot stand te brengen.</al><al>Voor de opsporing van (onder meer) de in de brandbeveiligingsverordening
                    aangegeven strafbare feiten zijn door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
                    uitsluitend aangewezen de commandanten en het personeel van gemeentelijke
                    brandweren in de rang van adjunct-hoofdbrandmeester of hoger. Beschikkingen van
                    de staatssecretaris van 24 maart 1986, nr. EB 85/V4828 (Stb. 1986, 84) en van 5
                    december 1986, nr. EB 86/V2859 (Stb. 1986, 247).</al><tussenkop>Artikel 3.2 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet
                    1985 genoemde strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels
                    van de brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de
                    eerste of tweede categorie in de verordening gesteld worden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>