<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50936_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reïntegratieverordening WWB, IOAW, IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heemstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heemstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Heemsteder, 6 oktober 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reïntegratieverordening WWB, IOAW, IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=147">Gemeentewet, artikel 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand, artikelen 7, 8 en 10, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikelen 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikelen 34, 35 en 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-09-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>479200</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Reïntegratieverordening WWB, IOAW, IOAZ
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Heemstede;</al>
          <al>- gezien het advies van de Commissie Samenleving;</al>
          <al>- gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24
                        augustus 2010;</al>
          <al>- gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8
                        en 10, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen,</al>
          <al>- gelet op de EG-verordening Werkgelegenheidssteun (nr. 2204/2002, Pb EG
                        2002, L 337/3) en de EG-verordening de minimissteun (nr. 69/2001, Pb EG
                        2001, L 10/30), alsmede de Beleidsaanbeveling van belang voor het opstellen
                        van de gemeentelijke reïntegratieverordeningen in het kader van de Wet Werk
                        en Bijstand (Verzamelcirculaire SZW, april 2004),</al>
          <al/>
          <al>B E S L U I T:</al>
          <al>vast te stellen de volgende: </al>
          <al>
            <vet>Reïntegratieverordening WWB, IOAW, IOAZ</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1.</nr>
              <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <table>
              <tgroup cols="3">
                <colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/>
                <colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2.64*"/>
                <colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="10.05*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>a.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>de Wet:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>de Wet werk en bijstand (WWB)</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>b.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>IOAW:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>c.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>IOAZ:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>d.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>uitkeringsgerechtigden:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Personen met een uitkering ingevolge de WWB, IOAW of
                                                IOAZ;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>e.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Anw-ers:</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>personen met een uitkering ingevolge de Algemene
                                                nabestaandenwet die ingeschreven zijn bij het
                                                UWV-werkbedrijf;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>f.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Nuggers: </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>personen als bedoeld in de WWB, artikel 6 onder
                                                a;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>g.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>voorziening: </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>een voorziening bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                                onder a van de wet, deze verordening en het
                                                beleidsplan als bedoeld in artikel 3 eerste
                                                lid;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>h.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>de wet: </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>de Wet werk en bijstand;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>f.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>IOAW: </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>i.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>IOAZ: </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>j.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>het college: </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente;</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>k.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>werknemers in gesubsidieerde arbeid:.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van
                                                de wet</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>Beleid en financiën</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2.</nr>
              <titel>Opdracht college</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden, ANW-ers en Nuggers
                                alsmede aan personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de
                                wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan en, voor zover het
                                college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht op die
                                arbeidsinschakeling. Artikel 40, eerste lid van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van een cliënt, het meest
                                doelmatig is met het oog op de arbeidsinschakeling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod aan
                                ondersteuning en voorzieningen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college kan, in overeenstemming met het Uitvoeringsinstituut
                                Werknemersverzekeringen, voorzieningen als bedoeld in deze
                                verordening aanbieden aan personen aan wie het Uitvoeringsinstituut
                                Werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3.</nr>
              <titel>Beleid</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt –mede ter nadere uitvoering van deze verordening- ten
                            behoeve van de IASZ jaarlijks een bedrijfsplan vast waarin
                            beleidsprioriteiten worden aangegeven, alsmede de financiering hiervan,
                            en brengt deze ter kennis van de gemeenteraad.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4.</nr>
              <titel>Aanspraak op ondersteuning</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers, alsmede personen als
                                bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, kunnen aanspraak maken
                                op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel
                                van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en het in artikel 3 genoemde
                                bedrijfsplan.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De Nuggers waarvan het inkomen uit een gezamenlijke huishouding 130
                                procent van de van toepassing zijnde bijstandsnorm of meer bedraagt
                                kunnen geen aanspraak maken op re-integratie-instrumenten.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5.</nr>
              <titel>Verplichtingen van de cliënt</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Een persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen
                                aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de IOAW, de IOAZ
                                en de Wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening,
                                alsmede aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden
                                voorziening heeft verbonden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening,
                                niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de
                                uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de
                                Maatregelenverordening WWB, IOAW en IOAZ.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Indien een persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in
                                het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening dan wel
                                de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6.</nr>
              <titel>Budget- en subsidieplafonds</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld
                                subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de
                                aanspraak op een specifieke voorziening.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
        <paragraaf>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Reïntegratie - instrumenten</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7.</nr>
              <titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>In het beleidsplan als bedoeld in artikel 3 wordt vastgelegd welke
                                voorzieningen het college in ieder geval kan aanbieden gericht op
                                economische zelfredzaamheid en maatschappelijke
                                zelfredzaamheid.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet, IOAW, IOAZ en deze verordening, aan een voorziening
                                nadere verplichtingen verbinden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Het college kan een voorziening beëindigen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9, 10, 10a, 17 en
                                        55 van de wet niet nakomt;</al></li>
                <li nr="b."><al>indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep van de wet, IOAW en IOAZ;</al></li>
                <li nr="c."><al>indien de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                        waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                        voorziening;</al></li>
                <li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college kan ten aanzien van de voorzieningen, met inachtneming
                                van hetgeen daarover in het beleidsplan is bepaald, nadere regels
                                stellen. Deze regels kunnen in ieder geval betrekking hebben
                                op:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li>
                <li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanvragen van
                                        voorzieningen;</al></li>
                <li nr="c."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li>
                <li nr="d."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li>
                <li nr="e."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li>
              </lijst>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8.</nr>
              <titel>Diagnose</titel>
            </kop>
            <al>Het college stelt met betrekking tot een belanghebbende een diagnose
                            teneinde te bepalen welke afstand de betrokkene heeft tot de
                            arbeidsmarkt en welke reïntegratie-instrumenten noodzakelijk zijn om
                            reguliere arbeid te vinden. Een arbeidskundige en/of medische keuring,
                            als bedoeld in artikel 9, kan hier deel van uit maken. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9.</nr>
              <titel>Arbeidskundige en/of medische keuring</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan besluiten om met betrekking tot een belanghebbende een
                            arbeidskundige en/of medische keuring te laten verrichten teneinde te
                            kunnen vaststellen in hoeverre reïntegratie haalbaar is.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10.</nr>
              <titel>Reïntegratiebemiddeling</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan besluiten om aan een belanghebbende
                            reïntegratiebemiddeling aan te bieden. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11.</nr>
              <titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan aan ondernemingen waarbij een cliënt algemeen
                            geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, voorzieningen bieden gericht op
                            nazorg met een maximale duur van 12 maanden. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12.</nr>
              <titel>Leerwerkstages</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan aan een belanghebbende een leerwerkstage van
                                maximaal 6 maanden aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling, met
                                behoud van uitkering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het doel van de werkstage is arbeidsoriëntatie, het opdoen van
                                werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie
                                (arbeidsgewenning).</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De werkstage duurt maximaal 6 maanden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Gedurende deze leerwerkstage wordt arbeidsbemiddeling
                                aangeboden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Het college plaatst de belanghebbende alleen indien door zijn
                                plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing
                                plaatsvindt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>In een schriftelijke overeenkomst wordt ten minste het doel van de
                                werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt,
                                vastgelegd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12a.</nr>
              <titel>Participatieplaatsen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een participatieplaats
                                aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling, met behoud van
                                uitkering.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het doel van de participatieplaats is arbeidsinschakeling voor niet
                                beloonde additionele arbeid waarbij het opdoen van werkervaring dan
                                wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie leidt tot een
                                reguliere arbeidplaats.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Deze participatieplaats duurt maximaal 2 jaar en kan verlengd worden
                                met 2 keer een jaar</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het college beoordeelt, uiterlijk 3 maanden voor afloop van de
                                termijn van 2 jaar, met het oog op de arbeidsinschakeling, of een
                                andere voorziening, bijvoorbeeld sociale activering, meer adequaat
                                is.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5</lidnr>
              <al>Indien er geen andere voorziening wordt aangeboden dan als bedoeld
                                in het vierde lid, kan de termijn van twee jaar worden verlengd met
                                een jaar onder de voorwaarde dat de uitkeringsgerechtigde in het
                                derde jaar in een andere omgeving additionele werkzaamheden verricht
                                dan die in de eerste twee jaar heeft verricht.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Uiterlijk 3 maanden voor afloop van het derde jaar moet worden
                                beoordeeld of, met het oog op de arbeidsinschakeling, een andere
                                voorziening adequaat is en indien dat niet het geval is kan de
                                termijn met nog één jaar worden verlengd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>7.</lidnr>
              <al>Gedurende de eerst vastgestelde termijn van 2 jaar van de
                                participatieplaats wordt arbeidsbemiddeling aangeboden en kan de
                                bemiddeling verlengd worden met 2 keer een jaar.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>8.</lidnr>
              <al>Plaatsing van de uitkeringsgerechtigde kan alleen indien door zijn
                                plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing
                                plaatsvindt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>9.</lidnr>
              <al>In een schriftelijke overeenkomst wordt ten minste het doel van de
                                participatieplaats, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt, vastgelegd.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13.</nr>
              <titel>Loonkostensubsidies</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde voor
                                maximaal 1 jaar loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers die
                                met een uitkeringsgerechtigde een arbeidsovereenkomst sluiten
                                gericht op arbeidsinschakeling.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van het voor
                                uitkeringsgerechtigde geldende wettelijk minimumloon.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De duur en hoogte van de subsidie worden met inachtneming van het
                                bepaalde in dit artikel door burgemeester en wethouders vastgesteld
                                op basis van een individuele afweging ten aanzien van de betreffende
                                uitkeringsgerechtigde.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14.</nr>
              <titel>Scholing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Het college kan aan een belanghebbende een vorm van scholing
                                aanbieden gericht op arbeidsinschakeling, met gebruikmaking van een
                                duaal traject.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Scholing dient gericht te zijn op, en bij te dragen aan, het
                                vergroten van de kans op het verkrijgen van een (reguliere)
                                baan.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15.</nr>
              <titel>Sociale activering</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan aan een belanghebbende activiteiten aanbieden in het
                            kader van sociale activering.</al>
            <al>Onder sociale activering wordt verstaan het aanbieden van activiteiten
                            bedoeld om de uitkeringsgerechtigde vaardigheden aan te leren waardoor
                            deze in staat is om zoveel als mogelijk zelfstandig te functioneren in
                            de samenleving, met als doel het verkleinen van de afstand tot de
                            arbeidsmarkt <cursief>of</cursief> het voorkomen van sociaal
                            isolement.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16.</nr>
              <titel>Premies</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden, als bedoeld in artikel 1,
                            onder sub a, een activeringspremie toekennen.</al>
            <al>Een activeringspremie kan worden verstrekt in de volgende gevallen:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>Bij volledige uitstroom naar de arbeidsmarkt wordt een eenmalige
                                    premie verstrekt ter hoogte van 25% van het in artikel 31, lid 2
                                    onder j. genoemde bedrag, als betrokkene ten minste 12 maanden
                                    een uitkering op grond van de WWB, IOAW of IOAZ heeft ontvangen
                                    en hij/zij ten minste voldoet aan de referte-eis voor de
                                    WW.</al></li>
              <li nr="b."><al>Aan de persoon die deeltijdarbeid verricht en die bij aanvang
                                    van deze werkzaamheden ten minste 12 maanden een uitkering op
                                    grond van de WWB, IOAW of IOAZ heeft ontvangen wordt één keer
                                    per jaar een eenmalige premie verstrekt ter hoogte van 25% van
                                    de genoten netto-inkomsten met een maximum van 25% van het in
                                    artikel 31, lid 2 sub j WWB genoemde bedrag.</al></li>
              <li nr="c."><al>Voor de premie onder a. kan de uitkeringsgerechtigde eens in de
                                    drie jaar in aanmerking komen. De premie kan worden aangevraagd
                                    nadat de uitkeringsgerechtigde aantoonbaar kan maken, dat aan de
                                    beide gestelde voorwaarden is voldaan.</al></li>
              <li nr="d."><al>Voor de premie als bedoeld onder b. kan de uitkeringsgerechtigde
                                    een aanvraag indienen 12 maanden na aanvang van de parttime
                                    werkzaamheden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17.</nr>
              <titel>Overige vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten in
                            het kader van arbeidsmarktgerichte reïntegratieactiviteiten. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18.</nr>
              <titel>Verzuimcontrole</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan besluiten om met betrekking tot een belanghebbende een
                            verzuimcontrole te verrichten teneinde te kunnen vaststellen of het
                            verzuim terecht is.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19.</nr>
              <titel>Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20.</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Reïntegratieverordening WWB, IOAW,
                            IOAZ.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21.</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand van 24 juni 2004
                                (nr. 42a) wordt gelijktijdig ingetrokken.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </paragraaf>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Vastgesteld bij raadsbesluit van 30 september 2010.</ondertekening>
        <ondertekening>Gepubliceerd in de Heemsteder d.d. 6 oktober 2010.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Stappenschema ter beoordeling of er sprake is van staatssteun</titel>
        </kop>
        <al>
          <plaatje>
            <illustratie id="i14e18ff6-ec79-4bfa-80a5-3118cc810c8c" naam="i11496i14e18ff6-ec79-4bfa-80a5-3118cc810c8c.jpg" type="lijn" breedte="14.9cm" hoogte="20.3cm"/>
          </plaatje>
        </al>
      </bijlage>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting algemeen</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Inleiding</tussenkop>
        <al>Volgens de WWB krijgen burgemeester en wethouders de opdracht voor de
                    reïntegratie van bijstandsgerechtigden, nuggers en Anw-ers. De WWB draagt aan de
                    gemeenteraad op om een verordening vast te stellen waarin het beleid van de
                    gemeente ten aanzien van haar reïntegratietaak wordt neergelegd. Tevens wordt
                    hierin de aanspraak van burgers op ondersteuning bij reïntegratie geregeld.</al>
        <al/>
        <al>De basis voor de verordening is neergelegd in artikel 8, eerste lid onder a en
                    tweede lid en artikel 10 eerste en tweede lid:</al>
        <tussenkop>Artikel 8 lid 1 onder a:</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het
                        ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen
                        gericht op arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                        onderdeel a.</al>
          <al/>
          <al>Artikel 8 lid 2:</al>
          <al>De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in ieder geval
                        betrekking op de evenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid,
                        onderdeel a, genoemde groepen, alsmede voor de verschillende doelgroepen
                        daarbinnen, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken.</al>
          <al/>
          <al>Artikel 10 lid 1 en 2:</al>
          <lijst>
            <li nr="1."><al>Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een
                                nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene
                                nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden hebben,
                                overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
                                onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en
                                op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al></li>
            <li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die
                                vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een
                                van de groepen, bedoelt in het eerste lid, behoren.</al></li>
          </lijst>
        </al-groep>
        <al/>
        <al>Uit de wet vloeit voort dat – naast het reïntegratiebeleid in algemene zin – in
                    of via de verordening ten minste de volgende zaken moeten worden geregeld:</al>
        <lijst>
          <li nr="•"><al>het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en
                            subdoelgroepen;</al></li>
          <li nr="•"><al>het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken.</al></li>
        </lijst>
        <al/>
        <al>In deze verordening is er voor gekozen om de doelgroep van de IOAW en de IOAZ
                    rechtstreeks onder de werking van deze verordening te laten vallen voor wat
                    betreft het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al>
        <tussenkop>Staatssteun</tussenkop>
        <al>Ondanks het feit dat gemeenten beleidsvrijheid hebben met betrekking tot de
                    inrichting van het reïntegratiebeleid, worden zij toch gebonden aan de regels
                    die de Europese Unie stelt. Dit betreft onder meer het onderwerp staatssteun,
                    wat is neergelegd in de Verordening Werkgelegenheidssteun (Nr. 2204/2002) en de
                    Verordening de minimis-steun (Verordening (EG) Nr. 69/2001).</al>
        <al/>
        <al>De Europese regelgeving over staatssteun kan een beperking van de mogelijkheden
                    voor het gemeentelijke reïntegratiebeleid opleveren. Van belang is om na gaan,
                    in hoeverre de gemeentelijke verordening voldoet aan de voorwaarden uit de
                    Europese verordeningen. Hiervoor kan het stroomschema gebruikt worden dat als
                    bijlage is gevoegd bij dit model. Uit dit stroomschema volgt, dat indien in de
                    gemeentelijke verordening sprake is van een generieke regeling, dat de subsidies
                    niet aangemerkt worden als staatssteun. De bepalingen uit de EG-verordeningen
                    zijn dan niet van toepassing. Generiek wil zeggen, dat niet op voorhand bepaalde
                    bedrijven of groepen van bedrijven of sectoren expliciet in de verordening
                    worden uitgesloten van subsidiëring. De redactie van de artikelen die gaan over
                    detacheringsbanen en loonkostensubsidies is zodanig, dat sprake is van een
                    generieke regeling.</al>
        <al/>
        <al>Opgemerkt moet hier nog worden, dat het bij staatssteun niet alleen gaat om
                    directe subsidiëring vanuit de gemeente. Ook indien de gemeente een
                    reïntegratiebedrijf opdraagt loonkostensubsidies te verstrekken of
                    detacheringsbanen te organiseren, kan er sprake zijn van staatssteun.</al>
        <al/>
        <al>Naast de inhoudelijke regels vragen de EG-verordeningen om uitgebreide
                    informatiestromen richting Europese Commissie. Deze informatieverplichtingen
                    worden beperkt door afspraken van het Ministerie van SZW met de Europese Unie,
                    die hun weerslag hebben gevonden in het document “Subsidiëring arbeidsplaatsen
                    in het kader van reïntegratie werkzoekenden – beleidsaanbeveling van belang voor
                    het opstellen van de gemeentelijke reïntegratieverordeningen in het kader van de
                    Wet Werk en Bijstand.” </al>
        <al/>
        <al>De beperking van de informatieverplichtingen wordt alleen effectief, als
                    gemeenten een expliciete verwijzing naar deze beleidsaanbeveling opnemen in hun
                    reïntegratieverordening. Hier is ervoor gekozen deze verwijzing op te nemen in
                    de aanhef van de verordening (gelet op …). Hiermee wordt aangegeven dat alle
                    bepalingen uit de verordening in overeenstemming zijn met deze
                    beleidsaanbeveling. Overigens wordt er in de beleidsaanbeveling van uitgegaan
                    dat de gemeentelijke verordening voldoet aan de EG-verordeningen terzake. Daarom
                    is er voor gekozen om ook deze EG-verordeningen in de aanhef op te nemen.</al>
        <tussenkop>Relatie met andere de Maatregelenverordening</tussenkop>
        <al>De WWB vraagt tevens aan gemeenten een verordening op te stellen waarin het
                    samenstel van de rechten en plichten van de cliënt wordt geregeld.</al>
        <al>De reïntegratieverordening en de maatregelenverordening zijn nauw met elkaar
                    verbonden. Immers, aan de plicht tot meewerken aan een traject kunnen sancties
                    worden verbonden die gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Dit zou
                    ervoor pleiten de beide verordeningen te integreren. Echter, de gemeente kan ook
                    aan de verstrekking van bijstand verplichtingen verbinden, die geen directe
                    relatie hebben met reïntegratie. Dit pleit ervoor om de verordeningen te
                    scheiden, maar wel om duidelijke verwijzingen aan te brengen.</al>
        <tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de
                        Wet Werk en Bijstand. Waar dat mogelijk is, kan de gemeente via de
                        begripsbepalingen eigen accenten leggen.</al>
          <al>Uiteraard zijn in dit artikel ook andere subdoelgroepen omschreven.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 2. Opdracht college</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan
                        artikel 7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en
                        consistentie. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan het college
                        specifieke opdrachten mee te geven. Een voorbeeld kan zijn een speciale
                        opdracht om uitstroom uit bestaande gesubsidieerde arbeid te
                        stimuleren.</al>
          <al/>
          <al>In de WWB is in artikel 10, derde lid aangegeven dat de aanspraak op
                        voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners
                        van de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40, eerste
                        lid van de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college te
                        koppelen, kan de gemeente aangeven voorzieningen alleen voor de eigen
                        doelgroep in te willen zetten.</al>
        </al-groep>
        <al/>
        <al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar vooral in de
                    uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt.</al>
        <al/>
        <al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient
                    altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al>
        <al>Het vierde lid is een vertaling van artikel 7 lid 3 van de WWB, waarin is
                    geregeld dat, ondanks de verantwoordelijkheidsverdeling tussen gemeente en UWV
                    zoals neergelegd in de Wet Suwi, de gemeente aan personen die van het UWV een
                    uitkering ontvangen een voorziening kan aanbieden.</al>
        <tussenkop>Artikel 3. Beleid</tussenkop>
        <al>Zoals ook in de algemene toelichting is gesteld, vraagt WWB aan de gemeenteraad
                    om het reïntegratiebeleid in een verordening vast te leggen. Hier is gekozen
                    voor de systematiek om niet alles in de verordening te regelen, maar ook om het
                    college van burgemeester en wethouders de gelegenheid te geven om binnen de
                    gedachte van deze verordening het beleid aan te passen als de situatie hierom
                    vraagt. Hierbij moet worden gedacht aan beleidswijzigingen op grond van een
                    overschrijding van budgetten enz.</al>
        <al>Om ook de gemeenteraad een actieve rol te geven is bepaald dat het college dit
                    plan ter kennis brengt van de gemeenteraad. De IASZ zal wijzigingen in het
                    beleid verwoorden in het jaarlijks vast te stellen bedrijfsplan.</al>
        <tussenkop>Artikel 4. Aanspraak op ondersteuning</tussenkop>
        <al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid).</al>
        <al/>
        <al>In het tweede lid wordt expliciet te koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin die criteria
                    geformuleerd kunnen worden, maar minimaal de verordening en het
                    bedrijfsplan.</al>
        <al/>
        <al>In het derde lid is de taak van de gemeente bij de arbeidsinschakeling van
                    niet-uitkeringsgerechtigden (nuggers) en personen met een uitkering op grond van
                    de Algemene nabestaandenwet (anw-ers) opgenomen. De gemeente beperkt haar rol
                    bij nuggers en anw-ers met een inkomen hoger dan 130% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm (inclusief het inkomen van de partner, indien van toepassing), tot
                    een advies- en verwijsfunctie. Zij worden geacht zelf middelen vrij te kunnen
                    maken voor hun arbeidsinschakeling. Nuggers en anw-ers met een laag inkomen
                    hebben recht op dezelfde ondersteuning van de gemeente als
                    bijstandsgerechtigden, met uitzondering van de instrumenten loonkostensubsidie,
                    participatiebanen en premies. Deze instrumenten zullen niet voor deze groep
                    worden ingezet.</al>
        <tussenkop>Artikel 5. Verplichtingen van de cliënt</tussenkop>
        <al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd.</al>
        <al-groep>
          <al/>
          <al>Het derde lid biedt de verbinding met de maatregelenverordening WWB, IOAW en
                        IOAZ. De maatregelenverordening regelt het opleggen van een maatregel indien
                        de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze
                        maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald
                        percentage.</al>
          <al>Echter, voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in
                        gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als
                        maatregel. Daarom is in het vierde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die
                        gevallen de gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan
                        vorderen. Daartoe is het noodzakelijk dat afspraken hierover schriftelijk
                        wordt vastgelegd.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 6. Subsidie- en budgetplafonds</tussenkop>
        <al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Dit kan in het bedrijfsplan
                    gebeuren. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn
                    om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de
                    gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen.</al>
        <al/>
        <al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken.</al>
        <al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                    kader van voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die
                    subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór
                    de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al>
        <tussenkop>Artikel 7. Algemene bepalingen over
                    voorzieningen</tussenkop>
        <al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook die
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid
                    geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen
                    bevat.</al>
        <al/>
        <al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt.</al>
        <al-groep>
          <al>Het derde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                        welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan
                        het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                        arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                        beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                        arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te
                        worden genomen.</al>
          <al/>
          <al>Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van voorzieningen aan
                        reïntegratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie
                        uit handen gegeven. Het verdient dan ook aanbeveling dat in het contract met
                        het reïntegratiebedrijf wordt verklaard dat deze reïntegratieverordening van
                        toepassing is.</al>
        </al-groep>
        <al>Het vierde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten.</al>
        <tussenkop>Artikel 8. Diagnose</tussenkop>
        <al>Behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 9. Arbeidsdeskundige en/of medische
                    keuring</tussenkop>
        <al>Een medische keuring vindt pas plaats wanneer uit intern onderzoek is gebleken
                    dat er sprake is van medische belemmeringen.</al>
        <tussenkop>Artikel 10. Reïntegratiebemiddeling</tussenkop>
        <al>Behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 11. Voorzieningen gericht op nazorg</tussenkop>
        <al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                    belanghebbenden na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de
                    uitkering. Het college kan ertoe besluiten aandacht te besteden aan nazorg, met
                    als doel een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is
                    ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen
                    geaccepteerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid en bij additionele arbeid met
                    behoud van uitkering maakt begeleiding en advisering normaal gesproken al
                    onderdeel uit van het traject.</al>
        <tussenkop>Artikel 12. Leerwerkstages</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>Leerwerkstages zijn een instrument om langdurig werklozen te reïntegreren.
                        Voor de term leerwerkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat om een
                        soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken staat
                        centraal. </al>
          <al/>
          <al>De leerwerkstage heeft als belangrijkste doel het opdoen en/of behouden van
                        vaardigheden in een vakgebied, waardoor uitstroom naar betaald werk mogelijk
                        wordt gemaakt.</al>
        </al-groep>
        <al-groep>
          <al/>
          <al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de
                        leerwerkstage aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de leerwerkstage
                        beschouwd kan worden als een gewone arbeidsovereenkomst. Volgens het
                        arbeidsrecht is er sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt
                        aan de volgende voorwaarden:</al>
          <lijst>
            <li nr="•"><al>er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid
                                te verrichten;</al></li>
            <li nr="•"><al>die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li>
            <li nr="•"><al>die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li>
            <li nr="•"><al>de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                        persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                        uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                        leerwerkstage in de regel geen sprake van beloning. Het is daarom verstandig
                        om geen stagevergoeding toe te staan. Er kan wel een vergoeding voor
                        verwervingskosten worden gegeven, maar daarbij moet dan ook daadwerkelijk
                        sprake zijn van een vergoeding van gemaakte kosten. De gemaakte kosten
                        moeten gemaakt zijn om de leerwerkstage mogelijk te maken of te kunnen
                        behouden. Hierbij kan gedacht worden aan bij voorbeeld reiskosten, kleedgeld
                        of gereedschapsgeld.</al>
        </al-groep>
        <al-groep>
          <al/>
          <al>Het eerste lid van artikel 12 artikel geeft de algemene bepaling voor het
                        aanbieden van een leerwerkstage. </al>
          <al/>
          <al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                        leerwerkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                        geven. Dit is met name van belang om te voorkomen dat de
                        uitkeringsgerechtigde claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, en
                        bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al>
          <al/>
          <al>De leerwerkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om
                        het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                        zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij de belanghebbende de gelegenheid krijgt
                        om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de
                        tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                        werkstage kan de uitkeringsgerechtigde wennen aan aspecten als gezag, op
                        tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al>
          <al/>
          <al>Het derde lid geeft de maximale duur van de leerwerkstage aan. </al>
          <al/>
          <al>Het vijfde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt,
                        of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het
                        college kan dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat verricht
                        gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft
                        plaatsgevonden.</al>
          <al/>
          <al>In het zesde lid wordt bepaald dat er voor de leerwerkstage een
                        schriftelijke overeenkomst (stage-overeenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan
                        expliciet het doel van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van
                        begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd
                        worden dat het bij een leerwerkstage niet gaat om een reguliere
                        arbeidsverhouding.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 12a Participatieplaatsen</tussenkop>
        <al>Op 18-07-2008 (Stb. 2008, 284) is artikel 10a van de WWB in werking getreden en
                    is artikel 38 IOAW en IOAZ gewijzigd. Artikel 10a WWB en artikel 38 IOAW en IOAZ
                    regelen de participatiebanen. </al>
        <al/>
        <al>De participatieplaats heeft als voornaamste doel om uitkeringsgerechtigden die
                    door persoonlijke belemmeringen weinig kans hebben om zelfstandig een baan te
                    vinden de mogelijkheid te bieden om met behoud van uitkering twee jaar
                    additionele arbeid te verrichten. De participatieplaats geeft de mogelijkheid
                    om, in de uitzonderlijke situaties, wanneer een volgende stap naar arbeid in
                    loondienst nog niet mogelijk is, de participatieplaats na twee jaar voor de duur
                    van een jaar te verlengen. Als ook daarna een volgende stap niet mogelijk is,
                    kan de participatieplaats nogmaals voor de duur van een jaar worden verlengd.
                    Het is expliciet niet de bedoeling dat de verlenging van de duur van de
                    participatieplaatsen een automatisme wordt. </al>
        <al/>
        <al>De mogelijkheid om de duur van de participatieplaats te verlengen kan alleen als
                    het college en de uitkeringsgerechtigde gestimuleerd worden om - voordat tot
                    verlenging wordt overgegaan - te bezien of overgang naar reguliere arbeid of een
                    ander reïntegratie-instrument mogelijk is. Bij de eerste verlenging moet de
                    belanghebbende andere additionele werkzaamheden verrichten dan die hij de eerste
                    twee jaar heeft verricht. </al>
        <al>Tevens moeten deze in een ander organisatorisch verband worden verricht. Hiermee
                    wordt voorkomen dat de reïntegratie van uitkeringsgerechtigde stagneert en de
                    participatieplaats van middel tot doel wordt.</al>
        <al-groep>
          <al/>
          <al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de
                        participatieplaats aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de
                        participatieplaats beschouwd kan worden als een gewone arbeidsovereenkomst.
                        Evenals bij de voorwaarden van de leerwerkstage, blijft het verrichten van
                        additionele arbeid met behoud van uitkering, geen arbeid in loondienst. Er
                        is geen sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van het Arbeidsrecht.
                        Daarom blijft het gestelde bij artikel 13 voor wat betreft de toelichting op
                        het begrip arbeidsovereenkomst van kracht. Als volgt: volgens het
                        arbeidsrecht is er sprake van een arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt
                        aan de volgende voorwaarden:</al>
          <lijst>
            <li nr="•"><al>er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid
                                te verrichten;</al></li>
            <li nr="•"><al>die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li>
            <li nr="•"><al>die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li>
            <li nr="•"><al>de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                        persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                        uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                        leerwerkstage in de regel geen sprake van beloning. Het is daarom verstandig
                        om geen stagevergoeding toe te staan. Er kan wel een vergoeding voor
                        verwervingskosten worden gegeven, maar daarbij moet dan ook daadwerkelijk
                        sprake zijn van een vergoeding van gemaakte kosten. De gemaakte kosten
                        moeten gemaakt zijn om de leerwerkstage mogelijk te maken of te kunnen
                        behouden. Hierbij kan gedacht worden aan bij voorbeeld reiskosten, kleedgeld
                        of gereedschapsgeld.</al>
        </al-groep>
        <al-groep>
          <al/>
          <al>Het eerste lid van artikel 12a geeft de algemene bepaling voor het aanbieden
                        van een participatieplaats. Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat
                        het doel is van de participatieplaats, om het verschil met een normale
                        arbeidsverhouding aan te geven. Dit is met name van belang om te voorkomen
                        dat de uitkeringsgerechtigde claimt dat sprake is van een
                        arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al>
          <al/>
          <al>De participatieplaats heeft tot doel om de uitkeringsgerechtigde te helpen
                        om makkelijker over te stappen in een reguliere baan. Zodat de persoonlijke
                        belemmeringen, die de uitkeringsgerechtigde beperken bij het zelfstandig
                        vinden van een reguliere baan, aanzienlijk worden verminderd. </al>
          <al/>
          <al>De leerwerkstage is een middel wat voor de duur van 6 maanden kan worden
                        ingezet. Indien van de leerwerkstage in de participatieplaats gebruik wordt
                        gemaakt, telt de maximale duur van 6 maanden leerwerkstage bij de duur van 2
                        jaar. </al>
          <al/>
          <al>Het derde lid geeft de maximale duur van de participatieplaats aan. </al>
          <al/>
          <al>Het vierde tot en met het zesde lid geeft de voorwaarden aan waaronder
                        verlenging van de termijn van twee jaar mogelijk zijn. </al>
          <al/>
          <al>Het zevende lid biedt de mogelijkheid tot arbeidsbemiddeling bij plaatsing
                        en begeleiding van de uitkeringsgerechtigde in een participatieplaats. </al>
          <al/>
          <al>Het achtste lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats
                        vindt, of dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het
                        college kan dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat verricht
                        gaat worden niet productief is, of dat er geen recent ontslag heeft
                        plaatsgevonden.</al>
          <al/>
          <al>In het negende lid wordt bepaald dat er voor de participatieplaats een
                        schriftelijke overeenkomst (participatie -overeenkomst) wordt opgesteld.
                        Hierin kan expliciet het doel van de participatieplaats worden opgenomen,
                        alsmede de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke overeenkomst kan
                        nog eens gewaarborgd worden dat het bij een participatieplaats niet gaat om
                        een reguliere arbeidsverhouding.</al>
        </al-groep>
        <al/>
        <al>Overigens is het inzetten van dit reïntegratie-instrument minder vanzelfsprekend
                    dan het lijkt. Omdat er veel afspraken nodig zijn tussen het college, de
                    uitkeringsgerechtigde en de aanbieder van de participatieplaats is een goede
                    organisatie vereist. Omdat de uitkeringsgerechtigden op een vergelijkbare wijze
                    bediend kunnen worden met de overige reïntegratie-instrumenten welke zijn
                    genoemd in deze verordening zal dit instrument naar verwachting maar zeer zelden
                    worden ingezet.</al>
        <tussenkop>Artikel 13 Loonkostensubsidies</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>Het instrument loonkostensubsidies is bekend van de WIW en het Besluit in-
                        en doorstroombanen, echter, onder de WWB zijn deze geheel vormvrij geworden.
                        Het gemeentelijk beleid komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie,
                        de termijn en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (bijv. bieden van
                        scholing en begeleiding). </al>
          <al/>
          <al>Het eerste lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij expliciet
                        wordt aangeven dat het primair gaat om een reïntegratievoorziening. Het
                        eerste lid geeft ook aan voor welke personen de subsidie niet verstrekt kan
                        worden.</al>
          <al/>
          <al>Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om op basis van maatwerk de
                        hoogte van de subsidie, de termijn, en de praktische uitvoering (aanvraag,
                        informatieverplichtingen, terugvordering, etc.) vast te stellen.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 14 Scholing</tussenkop>
        <al>Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument, waarbij het moeilijk is vooraf
                    algemene richtlijnen te geven. Uitgangspunt is wel dat uitstroom naar algemeen
                    geaccepteerde arbeid voorop staat. Daarom moet rekening gehouden worden met de
                    duur en kostprijs van de aan te bieden scholing. </al>
        <al/>
        <al>Een duaal traject is een combinatie van werken en leren waarbij cliënt vooral
                    leert op de werkplek. Opleiding is afgestemd op de behoefte van cliënt maar
                    altijd in combinatie met de eisen die de arbeidsmarkt stelt. </al>
        <tussenkop>Artikel 15 Sociale activering</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                        arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter
                        een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                        reïntegratie, maar participatie voorop.</al>
          <al/>
          <al>Gezien de beperkte middelen uit het werkdeel in relatie tot de omvang van de
                        doelgroep, kan het een overweging zijn onderscheid te maken tussen sociale
                        activering als onderdeel van een reïntegratietraject, als voorbereiding op
                        arbeidsinschakeling, en sociale activering gericht op het laten participeren
                        van de persoon in de maatschappij. </al>
          <al/>
          <al>Als onderdeel van sociale activering kan het college aan
                        uitkeringsgerechtigden vrijwilligerswerk of een beschermde werkplek
                        aanbieden.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 16 Premies</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>Met dit artikel wordt gebruik gemaakt van de in de WWB (artikel 31, lid 2
                        sub j.) bepaalde mogelijkheid om t.b.v. uitkeringsgerechtigden jaarlijks een
                        activeringspremie te verstrekken.</al>
          <al>De premie is onbelast en telt dus ook niet mee bij de toepassing van
                        inkomensafhankelijke regelingen. </al>
          <al/>
          <al>Er is uitdrukkelijk voor gekozen om niet de maximale premie toe te kennen.
                        Enerzijds druist een premietoekenning in tegen het principe van de WWB, die
                        als algemeen uitgangspunt werk verplicht stelt. Anderzijds kan deze premie,
                        door het te koppelen aan een uitkeringsduur van tenminste 12 maanden, gezien
                        worden als een stimulans respectievelijk een beloning vanwege de inspanning
                        om een afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen.</al>
          <al/>
          <al>De premie bij werkaanvaarding wordt niet ambtshalve toegekend. Dit betekent
                        dat degene die hiervoor in aanmerking komt hierom moet verzoeken nadat de
                        referteperiode voor een uitkering ingevolge de werkloosheidswet is
                        verstreken. </al>
          <al/>
          <al>De premie voor het verrichten van deeltijdwerk wordt eveneens per
                        kalenderjaar op aanvraag betaalbaar gesteld. De premie wordt achteraf
                        betaalbaar gesteld. De periode waarover op deze wijze met terugwerkende
                        kracht een premie wordt berekend, duurt maximaal een jaar. Deze periode
                        hoeft niet gelijk te zijn aan een kalenderjaar en kan dus bijvoorbeeld de
                        periode van 1 juli tot 1 juli zijn. Indien men in een volgend kalenderjaar
                        wederom op aanvraag voor een eenmalige premie in aanmerking komt, dan wordt
                        voor wat betreft de berekening van de periode waarover men hiervoor in
                        aanmerking komt, aansluiting gezocht bij de periode waarover men reeds een
                        premie heeft ontvangen. Er kan dus geen sprake zijn van overlapping van
                        periodes. De deeltijdpremie bedraagt 25% van de netto-inkomsten en is
                        gemaximeerd op 25% van het bedrag als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder j.
                        Hiermee wordt bereikt dat degene die blijvend op deeltijdwerk is aangewezen
                        niet wordt benadeeld vanwege het niet kunnen ontvangen van de
                        langdurigheidstoeslag.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 17 Overige vergoedingen</tussenkop>
        <al-groep>
          <al>Het is denkbaar dat het college ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                        besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. </al>
          <al>Het gaat hierbij in ieder geval om:</al>
          <lijst>
            <li nr="•"><al>Reiskosten;</al></li>
            <li nr="•"><al>Kosten voor tussenschoolse opvang/overblijfkosten; </al></li>
            <li nr="•"><al>Verwervingskosten</al></li>
            <li nr="•"><al>Schuldhulpverlening</al></li>
          </lijst>
          <al/>
          <al>Het college zal op basis van maatwerk en met toepassing van de huidige wet-
                        en regelgeving besluiten deze bepaling toe te passen.</al>
        </al-groep>
        <tussenkop>Artikel 18 Verzuimcontrole</tussenkop>
        <al>Behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 19 Hardheidsclausule</tussenkop>
        <al>Behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 20 Citeertitel</tussenkop>
        <al>Behoeft geen toelichting.</al>
        <tussenkop>Artikel 21 Inwerkingtreding</tussenkop>
        <al>Behoeft geen toelichting.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>