<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50907_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Baarn 13de wijziging</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Baarns Weekblad 24 mei 2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, artikel 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-04-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-06-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsbesluit 25 april 2007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening van Baarn, 13e wijziging</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>1 In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><cursief>asbest</cursief>: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                        letter a, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al><cursief>Besluit indieningsvereisten</cursief>: het Besluit
                        indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a,
                        eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet;</al><al><cursief>Besluit bouwwerken</cursief>: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste
                        lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet;</al><al><cursief>bouwbesluit:</cursief> de algemene maatregel van bestuur als
                        bedoeld in artikel 2 van de Woningwet;</al><al><cursief>bouwtoezicht:</cursief> degenen, die ingevolge artikel 100 van de
                        Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht;</al><al><cursief>bouwwerk</cursief>: elke constructie van enige omvang van hout,
                        steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij
                        direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                        steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al><cursief>deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8</cursief>: hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005;</al><al><cursief>gebruiksoppervlakte</cursief>: de gebruiksoppervlakte als bedoeld
                        in het Bouwbesluit;</al><al><cursief>hoogte van de weg</cursief>: de hoogte van de weg zoals die door of
                        namens burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        norm;</al><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven
                        voornorm;</al><al><cursief>straatpeil</cursief>:</al><al>a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de
                        hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;</al><al>b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst
                        de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing
                        van de bouw;</al><al><cursief>weg:</cursief> alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                        openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                        duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de
                        aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al><al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>bouwwerk</cursief>: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li><li nr="-"><al><cursief>gebouw</cursief>: een gedeelte van een gebouw.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                        gemeente:</al><al>a het gebied binnen de bebouwde kom;</al><al>b het gebied buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                        verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven</al><al/><al><vet>2 De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al/><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</cursief></vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
                        (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                        (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>het onderzoek betreffende bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8,
                                vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht
                                        volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een
                                        terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport
                                        daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                                        volgens het gecombineerde protocol <cursief>Bodemonderzoek
                                            milieuvergunningen en BSB </cursief>(SDU, uitgave
                                        oktober 1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens het
                                            <cursief>Protocol Nader Onderzoek deel 1 </cursief>(SDU,
                                        uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het
                                        verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                        bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van
                                        deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het
                                            <cursief>Protocol Nader Onderzoek deel 1 </cursief>(SDU,
                                        uitgave 1994) of de <cursief>Richtlijn Nader Onderzoek deel
                                            1 </cursief>(SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of-stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek plaats op de wijze als voorzien in NEN
                                        5707, uitgave 2003</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 1.2.6, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet voor
                                de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage bij het
                                Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel
                                2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten
                                beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen
                                van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                in artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage van het Besluit
                                indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte
                                instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de
                                Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde
                                vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 1999 niet rechtvaardigen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bouwen kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken
                                zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is
                                gesloopt en voordat met de bouw is begonnen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om
                                bouwvergunning</cursief></vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                            (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                            (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                        (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                        bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                        aangegeven:</al><al>a de naam van de aanvrager;</al><al>b de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al><al>c de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt;</al><al>d de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                            bodem</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;</al><al>b voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en</al><al>c 1 dat de grond raakt, of</al><al>2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                        gehandhaafd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van artikel
                        1.2.6 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en
                        wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op
                        grond van het in het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport
                        en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                        overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                        goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet
                        van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar
                        door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                            bereikbaarheidseisen.</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepalingen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet
                        worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning
                        voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1 Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                        bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                        verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                        geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s
                        en het overige te verwachten verkeer.</al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m;</al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                        massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                        en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw,
                        als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit
                        bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                        dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4 Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten
                        zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een
                        doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan
                        worden gelegd.</al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening.</al><lijst><li nr="6"><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging
                                en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li><li nr="7"><al>Indien de toegang van het bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd meer dan 40 meter is verwijderd van de openbare weg, moet
                                er een keermogelijkheid aanwezig zijn die voldoet aan de eisen zoals
                                gesteld in “De omgeving van een brandveilig gebouw, NBF, 1990”.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.3.A Brandweeringang</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een automatische doormelding van brand naar de alarmcentrale
                                van de brandweer plaatsvindt, wordt, indien het gebouw over meerdere
                                toegangen beschikt, in overleg met de brandweer ten minste één van
                                de toegangen als brandweeringang aangewezen</al></li><li nr="2."><al>Een brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding
                                of te openen met behulp van een systeem dat in overleg met de
                                brandweer is bepaald.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit;</al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk
                        aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een
                        zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de
                        richting van de weg geeft;</al><al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit
                        de as van de weg;</al><al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
                        as van de weg.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                        bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>b andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen
                        enrioolputten;</al><al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met
                        niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>1 Burgemeester en wethouders kunnen – met inachtneming van het bepaalde in
                        het tweede lid – ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:</al><al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en
                        bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                        zijn;</al><al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                        overschrijden;</al><al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                        voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                        schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al><al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.</al><al>g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend,
                        indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                        breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in
                        gevaar komt.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg
                        van:</al><al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder h, van het
                        Besluit bouwwerken;</al><al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder
                        a, b en e, van het Besluit bouwwerken;</al><al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al><al>e andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming
                        op de weg toelaatbaar zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                        voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing
                        genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de ontheffing
                        genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                        de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van
                        90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich
                        in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
                        minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken – over een
                        hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil –
                        worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid voor:</al><al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit
                        bouwwerken bedoelde gebouwen;</al><al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                        gebaat.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich:</al><al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                        regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
                        onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                        op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
                        tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                        gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                        grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                        bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                        zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                        meter;</al><al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
                        bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                        voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde
                        of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die
                        wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a
                        tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
                        scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing – in het belang
                        van de toetreding van daglicht – over een afstand van ten minste 5 meter ter
                        weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte
                        van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de
                        gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen;</al><al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt;</al><al>c onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                        uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>d onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>e andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al>2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van
                        het Besluit bouwwerken.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al><al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt;</al><al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                        grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                        spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                        die zijden mag worden bebouwd; </al><al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld
                        in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van
                        het Besluit bouwwerken;</al><al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend;</al><al>h bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al><al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het
                        terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel
                        2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een
                        strook grond omvat die:</al><al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al><al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen
                        het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                        meter.</al><al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
                        2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing blijven. </al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde
                        in:</al><al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                        gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                        voldaan:</al><al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                        een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits datterrein
                        slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen
                        woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                        toestand verbeterd.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                        dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn
                        ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel
                        van het gebouw en over de volle breedte daarvan.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid:</al><al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                        vormen;</al><al>b indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten
                        ontstaan die:</al><al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter
                        breed zijn;</al><al>b niet toegankelijk zijn.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                        onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e,
                        van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen </vet></al><al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen
                        bevinden van andere bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel
                        uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                        rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de
                        wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                        nominale elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden
                        gebouwd.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                        bezwaar oplevert;</al><al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                        leiding geen bezwaar bestaat.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                        voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs
                        de desbetreffende weg;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                        langs de desbetreffende weg.</al><al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan
                        wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt,
                        in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de
                        brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                        gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                        over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
                        ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
                        de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al><al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                        plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                        achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                        voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van
                        de gemiddelde afstand tussen de achtergevelrooilijnen.</al><al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten
                        tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                        voorgevelrooilijn.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
                        een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan
                        de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
                        aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere
                        weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –
                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de
                        zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
                        hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die
                        bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                        bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling
                        van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwvergunningplichtig
                        bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot
                        de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                        achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21
                        – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen
                        van:</al><al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                        gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                        bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                        door die zijgevel snijdt ter hoogte van de – krachtens artikel 2.5.22 –
                        maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1 De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen
                        dan 15 meter.</al><al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                        gelegen weg. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                        2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                        terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat –
                        uitgaande van een goothoogte van genoemde maat – daarboven een zadeldak met
                        hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing
                        hiervoor geen beletsel vormen.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak
                        van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. </al><al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
                        bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
                        verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28,
                        onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                        – buiten beschouwing worden gelaten. </al><al/><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><al>a onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                        artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                        geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                        plaatse;</al><al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel
                        2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van:</al><al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                        gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                        welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                        industrieterrein;</al><al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                        bouwwerken, en indien:</al><al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en
                        de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                        hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al><al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                        aard;</al><al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al><al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter,
                        de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3
                        meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt.
                        Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                        verschillende gebouwen behoren;</al><al>j draagconstructies voor een reclame;</al><al>k vrijstaande schoorstenen;</al><al>l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel
                        in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening – voor zover zulks
                        niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                            de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                            beleid</vet></al><al>1 In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28
                        kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot
                        bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van
                        het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en
                        wethouders worden verleend indien:</al><al>a de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro;</al><al>b de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de provincie
                        inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al><al>c het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding
                        zijnde toekomstig ruimtelijk beleid.</al><al>3 Op de voorbereiding van het besluit omtrent de ontheffing, als bedoeld in
                        het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
                        geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagelegging een ieder schriftelijk
                                zijn zienswijzen </al><al> omtrent de aanvraag kan inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de
                                beslissing over de aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten
                                hoogste zes weken kunnen verdagen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,
                        moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate
                        ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het
                        onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet
                        overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
                        waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per
                        openbaar vervoer.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto’s.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al><al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij
                        5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                        gehandicapte – voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
                        trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten
                        behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze
                        behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
                        wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste en het derde lid:</al><al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
                        wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 2.5.31 Hoeveelheid bluswater</vet></al><al>De minimale hoeveelheid openbaar bluswater dient te voldoen aan de gestelde
                        eisen in de publicatie Bulletin 2 “Primaire Bluswatervoorziening”(uitgave
                        CCRB, laatste uitgave)</al><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</vet></al><al>1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de ontdekking en
                        melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en
                        gemeld.</al><lijst><li nr="2"><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al></li><li nr="3"><al>Een gebouw waarin zich krachtens de artikelen 2.6.2 tot en met 2.6.4
                                en 2.6.5, eerste en tweede lid, een brandmeldinstallatie bevindt,
                                dient te zijn voorzien van een sleutelbuis, één en ander op
                                aanwijzing van de brandweer</al></li><li nr="4"><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, indien de aard en de
                                geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>1 Een gebruiksfunctie:</al><al>a waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een in
                        tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven waarde boven het
                        meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit; </al><al>b waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1
                        van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde; </al><al>c waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt
                        dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                        grenswaarde;</al><al>d die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de in
                        tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven,</al><al>is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave
                        1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al><al>2In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw waar
                        vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden
                        gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende vluchtroute bij brand
                        zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te zijn van een brandmeldinstallatie
                        met ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de volgende
                        situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>de loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt
                                vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer
                                dan 10 meter;</al></li><li nr="b."><al>het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts
                                in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte
                                aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m²;</al></li><li nr="c."><al>het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende
                                ruimte bedraagt meer dan 2.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                        brandmeldinstallaties</vet></al><al>1 De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN
                        2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als:</al><al>a niet-automatische bewaking; of</al><al>b gedeeltelijke bewaking; of</al><al>c volledige bewaking; </al><al>zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening, of</al><al>d ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en
                        risicoruimten.</al><al>2 Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie meld rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de
                        brandweer, voor zover dit voor een gebruiksfunctie staat aangegeven in tabel
                        2.6.1 van bijlage 10 van deze </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>1 Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en
                        NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al><al>2 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of
                        namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld
                        in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al><al>3 Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3., lid 2 rechtstreeks
                        is doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer, is voorzien van een
                        geldig certificaat als bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van
                        het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag,
                        dan wel een certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende,
                        ter zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke
                        verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is
                        aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling
                        Brandmeldinstallaties 2002.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</vet></al><al>1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat
                        gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen
                        vluchten.</al><al>2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11 van deze
                        verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie
                        aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                        voorschriften.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de
                        gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</vet></al><al>1 Een gebruiksfunctie:</al><al>a die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een
                        brandmeldinstallatie;</al><al>b waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.5
                        van bijlage 11 van deze verordening aangegeven grenswaarde;</al><al>c waarvan de totale gebruiksoppervlakte minder of gelijk is dan de onder b
                        van dit lid bedoelde grenswaarde en die is gelegen in een bouwwerk dat
                        bestaat uit twee of meer bouwlagen;</al><al>is voorzien van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                        uitgave 2004.</al><al>2 In een gebruiksfunctie waarin de beide vluchtroutes vanaf de toegang van
                        een verblijfsruimte gedeeltelijk samenvallen, is onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.6.2, tweede lid, voor de verblijfsruimten die zijn aangewezen
                        op de verkeersruimten waarin bedoelde vluchtroutes samenvallen, voorzien in
                        een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                        uitgave 2004.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>1 Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                        ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575, uitgave
                        2004.</al><al>2 Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                        ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een
                        door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen, als
                        bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>1 Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes dat
                        gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen vluchten.</al><al>2 Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                        verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie
                        aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                        voorschriften.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                                verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in
                                NEN 6088, uitgave 2002 </al></li><li nr="2"><al>vervalt</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>1 Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                        vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave
                        2002.</al><al>2 Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar
                        aangebracht.</al><al>3 De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat betreft
                        de zichtbaarheidsaspecten te voldoen aan artikel 52 tot en met 5.6 van
                        NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al><al>4 Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie geen
                        noodverlichting aanwezig is, is in geval van netspanningsonderbreking het
                        gestelde in lid 3 niet van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>1 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                        gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast, is
                        artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing.</al><al>2 Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                        gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is
                        artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing.</al><al>3Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                        gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is artikel
                        2.6.10 van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                            hulpverleningsdiensten</vet></al><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed
                        kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een calamiteit
                        in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het publiek toegankelijk
                        bouwwerk zijn voorzien van een installatie die mobiele radiocommunicatie
                        tussen hulpverleners binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>1 De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                        voor aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                        bejaarden.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid:</al><al>a voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>b voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al>c voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                        voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het bouwbesluit
                        (warmtedistributienet).</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1 De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten
                        aan een openbaar riool.</al><al>Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al><al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>b voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al>2 Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>a op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor het
                        maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen de gevel van het
                        gebouw dan wel de grens van het erf of terrein moet of moeten kruisen;</al><al>b of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                        faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                        natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al><al>3 Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet
                        worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                        aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                        werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van
                        hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de
                        hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                        geeft.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van
                        water, bodem of lucht mogelijk is:</al><al>a voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al>b voor agrarische bedrijven.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>1 De in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan
                        te brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten: </al><al>a zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem en lucht kan
                        optreden; en</al><al>b zijn aangesloten aan een in de grond aangebrachte opvang- en
                        bezinkingsvoorziening van voldoende capaciteit, welke voorziening in verband
                        met de grootte van de te ontwateren oppervlakken en de bodemgesteldheid ter
                        plaatse moet zijn gelegen op voldoende afstand van de perceelgrenzen en de
                        bebouwing op het perceel. </al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen:</al><al>van het bepaalde in het eerste lid, indien de bodemgesteldheid en de
                        grondwaterafvoer ter plaatse, dan wel de omvang van het perceel de
                        infiltratie van hemelwater niet toelaten en bovendien de afvoervoorziening
                        voor hemelwater niet wordt aangesloten aan een rottingput.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>1 Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                        plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.</al><al>2 De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen
                        van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                        gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de
                        buitenriolering.</al><al>3 In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan
                        een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.</al><al>4 Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                        vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop
                        hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
                        binnenwerkse middellijn.</al><al>Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt
                        voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al><al>5 Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de
                        afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens
                        van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
                        mm.</al><al>6 Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                        leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend
                        zijn.</al><al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan het
                        bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al><al/><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al/><al><vet>3 De Melding</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59
                        van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                        indien:</al><al>a binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen
                        begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al><al>b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al/><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><al>a de bouwvergunning;</al><al>b andere vergunningen en ontheffingen;</al><al>c het bouwveiligheidsplan;</al><al>d de aanschrijving ingevolge de Woningwet.</al><al/><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                        (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag –
                        onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde – niet
                        worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor
                        zover nodig:</al><al>a het straatpeil is aangegeven;</al><al>b de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                        uitgezet.</al><al/><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1 Het bouwtoezicht dient – voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                        bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden
                        van de bouwvergunning – ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der
                        hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                        gesteld:</al><al>a de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                        begrepen;</al><al>b de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                        proefpalen daaronder begrepen;</al><al>c de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al>2 Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden
                        gesteld van het storten van beton.</al><al>3 De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouw-besluit nodig acht.</al><al/><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt.</al><al/><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet
                        geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                        veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg
                        gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken,
                        open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al>2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                        wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd
                        niet inbegrepen:</al><al>a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van
                        het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld,
                        dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al>b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                        deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                        daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al>3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische
                        verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven
                        bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al><al>4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of
                        andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt
                        nodig zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>1 Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                        werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van
                        de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien
                        gevaar of hinder te duchten is. </al><al>2 De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en
                        ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de
                        toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen,
                        er niet door wordt belemmerd.</al><al>3 Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet
                        van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden,
                        moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht
                        dit niet nodig acht.</al><al/><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>1 Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en
                        ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen
                        aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                        verkeren.</al><al>2 Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig
                        of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving
                        optreedt.</al><al>3 Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade
                        of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                        verbieden.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk
                        te gebruiken krachtwerktuig:</al><al>a uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>b de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>c het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                        gebruikt.</al><al>5 Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                        indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de
                        Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing
                        is.</al><al/><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>1 Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                        volgende fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>c glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>d overig afval.</al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats
                        gescheiden worden gehouden.</al><al>3 Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject
                        minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn
                        bedrijf voor tijdelijke opslag.</al><al/><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1 Van het gereedkomen van putten en van grond- en huisaansluitingleidingen
                        van de riolering, en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en
                        vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die
                        voltooiing in kennis worden gesteld. </al><al>2 Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen
                        niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken
                        gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al><al>3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                        onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden
                        voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al><al>4 Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                        bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij
                        het bouwtoezicht gemeld.</al><al>5 De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht
                        dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al/><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>1 Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                        buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee
                        dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld
                        van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al>a het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>b het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>c de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                        vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                        beneden 2 graden Celsius is.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Na de bouw van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, is het
                        verboden dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de
                        volgende omstandigheden zich voordoet:</al><al>a het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;</al><al>b er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning.</al><al/><al><vet>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>1 Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,
                        voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al>2 Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                        veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers
                        of anderen, ten gevolge van:</al><al>a drassigheid;</al><al>b stank;</al><al>c verontreiniging;</al><al>d aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>e aanwezigheid van begroeiing.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1 Indien de toegang van een gebouw meer dan 15 meter is verwijderd van een
                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                        wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                        ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten verkeer, tenzij
                        de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>2 Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a een breedte hebben van ten minste 4,5 m en over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m;</al><al>b zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                        massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                        en</al><al>c op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw,
                        als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit
                        niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op
                        hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4 Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s
                        aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                        bluswatervoorziening kan worden gelegd, tenzij de aard, de ligging en het
                        gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>5 Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1 Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit; </al><al>b een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit;</al><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><al>2 Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>a ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>b geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                            gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                            logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                            kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m. </al><al/><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas:</al><al>a indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>a woningen voor bejaarden;</al><al>b woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>c woningen die niet worden verhuurd;</al><al>d woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1 De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, alsmede de
                        eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van
                        hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een
                        doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al><al>2 Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al>a in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>b op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al>c voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al>d op agrarische bedrijven waarin de faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden
                        gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><al>a voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar
                        die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al><al>b voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                        waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een
                        doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig
                        zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                        genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen
                        verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>c leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al/><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                        </cursief></al><al/><al><vet>Reinheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al/><al><vet>6 Brandveilig gebruik</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>1 Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van
                        burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden,
                        waarin:</al><al>a meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een
                        één- of meergezinshuis;</al><al>b aan meer dan vijf personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                        nachtverblijf zal worden verschaft;</al><al>c aan meer dan vijf kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan vijf
                        lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal worden
                        verschaft.</al><al>d een oplossing op basis van ‘gelijkwaardigheid’(artikelen 21 en 193 van het
                        Bouwbesluit 1992; artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003) met betrekking tot
                            <onderstreept>veiligheid </onderstreept>gekozen is</al><al>e brandcompartimenten zijn opgenomen waarvan de afmetingen zijn bepaald met
                        toepassing van het brandveiligheidsconcept; “Beheersbaarheid van brand”</al><al>f door meer dan twee personen prostitutie wordt uitgeoefend</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts
                        voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en
                        bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en
                        beperken van ongevallen bij brand. </al><al>3 Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond
                        van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden
                        gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning,
                        kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden
                        verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>1 Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als
                        genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al><al>2 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de
                        door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij
                        deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen
                        van de in het eerste lid genoemde bijlage.</al><al>3 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud worden
                        ingediend.</al><al>4 De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al>5 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking
                        heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende
                        terreinen.</al><al>6 De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door
                        de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden
                        gewaarmerkt.</al><al>7 Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande
                        situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                        bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.</al><al>8 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs
                        van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                        vermeld.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen,
                        alsmede aan de eisen die gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de
                        Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager
                        in de gelegenheid om binnen vier weken de door hen aan te geven ontbrekende
                        gegevens over te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>1 Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                        gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.</al><al>2 Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste zes
                        weken verdagen.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                        burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al><al>a voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die
                        vergunning nog niet hebben beslist;</al><al>b voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de
                        voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in een der artikelen 14, 17,
                        of 18 van de Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn
                        is verzonden, doch aan die aanschrijving nog niet is voldaan.</al><al>4 De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist
                        op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a van het derde
                        lid, dan wel nadat is voldaan aan de aanschrijving als bedoeld onder letter
                        b van het derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn
                        gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende
                        omstandigheden zich voordoet:</al><al>a de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in
                        relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig
                        gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende
                        brandveilig gebruik worden bereikt;</al><al>b de bouwvergunning is geweigerd.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>1 Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken
                        indien:</al><al>a blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige
                        gegevens hebben verleend;</al><al>b blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                        voorwaarde van de vergunning;</al><al>c van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het
                        onherroepelijk worden van de vergunning;</al><al>d van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen
                        gebruik is gemaakt;</al><al>e het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een
                        verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen
                        buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het
                        niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang
                        voldoende te beschermen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de
                        houder van de vergunning hebben gehoord.</al><al/><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </vet></al><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                        gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig zijn, en
                        moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van
                        dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>1 Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de gebruikseisen
                        zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze verordening.</al><al>2 Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk,
                        met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties, te
                        gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in
                        bijlage 4 bij deze verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><lijst><li nr=""><al>1. In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aangewezen
                                brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></li><li nr=""><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al></li><li nr=""><al> a. de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de
                                betreffende stoffen niet wordt overschreden, met dien verstande dat
                                de totale toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen honderd
                                kilogram of liter is,</al></li><li nr=""><al> b. de betreffende stof zodanig is verpakt</al></li><li nr=""><al> - dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is, en</al></li><li nr=""><al> - van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen,
                                en</al></li><li nr=""><al> c. de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de
                                verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen).</al></li><li nr=""><al>3. Het in het eerste lid gestelde is voorts niet van toepassing
                                op:</al></li><li nr=""><al> a. de brandstof in het reservoir bij een verbandingsmotor;</al></li><li nr=""><al> b. de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander
                                warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr=""><al> c. voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en</al></li><li nr=""><al> d. het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5
                                aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor zover
                                dat bij of krachtens de Wet Milieubeheer is toegestaan.</al></li><li nr=""><al>4. Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk
                                dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in bijlage 5 als
                                brandgevaarlijk is aangemerkt.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>Vervallen. </al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            ongevallen bij brand</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</vet></al><al>Vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te
                        hebben dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt
                        belemmerd van:</al><al>a middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding
                        van brand;</al><al>b middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en
                        dieren bij brand.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met
                        6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt </al><al> verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c."><al>het vluchten wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        hinder, terzake waarvan de Wet Milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                        wet van toepassing is.</al><al/><al><vet>7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking</cursief></al><al/><al/><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al/><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met
                        of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt
                        bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te
                        gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                        wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><al>a bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren – hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn – van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders
                        gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al/><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>Indien in een aanschrijving op grond van artikel 17 van de Woningwet is
                        bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats
                        moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste
                        van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen
                        burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken
                        gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.1 (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op, of aan een bouwwerk, of op een open erf of terrein,
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten, of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><al>a overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                        bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al>b op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht
                        of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door:
                        geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door
                        schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                        bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>c instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzt.</al><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>1 Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al>2 Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard
                        dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de
                        Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat
                        verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al/><al><vet>8 Slopen</vet></al><al/><al><cursief>Paragraaf 1 Sloopvergunning</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>1 Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder
                        begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van
                        burgemeester en wethouders (sloopvergunning).</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                        redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10
                        m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is
                        geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een aanschrijving op grond
                        van de Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen aan deze aanschrijving
                        voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al>3 Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts
                        voorschriften over:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>c het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                        sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een
                        fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al><al>d het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens
                        als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens
                        niet reeds zijn overgelegd.</al><al>4 De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder
                        letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties
                        waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in
                        fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                        Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                        tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                        afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                        plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>1 Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken van een
                        door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al><al>2 De aanvraag moet inhouden:</al><al>a correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al><al>b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al><al>c naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast;</al><al>d de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen
                        bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk. Indien de
                        sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk
                        in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde kadastrale
                        aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende bouwwerken bijgevoegd,
                        welke lijst ingevolge het negende lid is gewaarmerkt;</al><al>e een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de
                        sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                        gesloopt;</al><al>f het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                        bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al><al>g mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op
                        het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                        bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;</al><al>h een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden;</al><al>en voorts, indien van toepassing:</al><al>i het sloopveiligheidsplan.</al><al>3 In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk
                        asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de
                        aanvraag een van de volgende gegevens wordt overgelegd:</al><al>a een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een
                        deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in
                        het te slopen bouwwerk bevindt;</al><al>b een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór ... (= datum van verwerking in
                        de gemeentelijke bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan de eisen in BRL
                        5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                        bouwwerk bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                        vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager
                        te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk
                        hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                        toegepast;</al><al>c een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1
                        juli 1994;</al><al>d bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare,
                        niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                        verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen
                        asbest heeft toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van de
                        aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                        plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al><al>e bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de
                        fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat,
                        alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van
                        deze fabrikant of leverancier afkomstig is;</al><al>f vervallen. </al><al>Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd,
                        wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in
                        vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het
                        oordeel van burgemeester en wethouders voldoende weerleggen.</al><al>4 Indien –gelet op het derde lid- wordt vermoed dat het bouwwerk asbest
                        bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat zich in heet
                        bouwwerk asbest bevindt, wordt met een asbestinventarisatierapport van een
                        deskundig bedrijf aangetoond of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich
                        bevindt. Indien geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf
                        wordt overlegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overgelegd
                        waaruit blijkt of asbest aanwezig is en zoja waar dit asbest zich bevindt.
                        Aan deze eis wordt geachgt te zijn voldaan indien:</al><al>a de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het
                        verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen, of </al><al>b een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de aanvraag
                        is gevoegd.</al><al>In vergelijkbare situaties mogen, ter beoordeling van burgemeester en
                        wethouders, andere gegevens worden verstrekt waaruit blijkt of asbest
                        aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt.</al><al>5 Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                        slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is
                        verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                        van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient
                        een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en
                        moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                        sloopvergunning worden gevoegd.</al><al>6 De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud worden
                        ingediend.</al><al>7 De aanvraag en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al>8 De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking
                        heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende
                        terreinen dan wel indien zij betrekking heeft op asbestverwijdering van meer
                        dan één bouwwerk in het kader van hetzelfde project.</al><al>9 De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de
                        aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.</al><al>10 Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft,
                        moeten uit de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden de bestaande en de
                        nieuwe toestand duidelijk blijken.</al><al>11 De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs
                        van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                        vermeld. </al><al>12 Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                        voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.</al><al>13 Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                        sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op
                        asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>1 Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of krachtens
                        artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de
                        artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester
                        en wethouders de aanvrager in de gelegenheid binnen vier weken, nadat hem
                        dit is medegedeeld, de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                        leggen.</al><al>Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat over het
                        verwijderen van asbest en uit gegevens waarover de gemeente beschikt blijkt
                        dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zich in het te slopen bouwwerk
                        asbest bevindt.</al><al>2 Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als bedoeld in
                        artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>1 Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning
                        binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing
                        eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit
                        tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al><al>2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen burgemeester en
                        wethouders over een aanvraag om sloopvergunning binnen vier weken na de dag
                        waarop de aanvraag om een sloopvergunning is ingediend, indien het slopen
                        uitsluitend is bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een
                        bouwwerk te verwijderen.</al><al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                        burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens
                        artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een provinciale of een
                        gemeentelijke monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van
                        de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het
                        slopen is vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De
                        aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van
                        vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen
                        beslissing.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>1 Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van
                        het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor
                        tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om
                        sloopvergunning – voor zover voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en
                        gegevens worden verlangd – worden verwezen naar die bescheiden en gegevens
                        die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                        bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al><al>2 In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de
                        aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om
                        bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn
                        ingediend.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><al>a de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                        het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                        gewaarborgd;</al><al>b de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                        onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op
                        een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al>c een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                        gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                        verleend;</al><al>d een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op
                        de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;</al><al>e een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een
                        voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>1 Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien: </al><al>a de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave
                        van gegevens;</al><al>b binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen
                        begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>c tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al>2 Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de
                        houder van de vergunning hebben gehoord.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>1 In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning
                        vereist voor het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in
                        zijn geheel slopen van: </al><lijst><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is
                        gemeld is medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist.</al><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                        logiesverblijf.</al><al>2 Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld
                        met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders
                        vastgesteld formulier.</al><al>3 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in drievoud worden
                        ingediend.</al><al>4 De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al>5 In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het
                        gebruik van het bouwwerk.</al><al>6 Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en
                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                        datum van ontvangst is vermeld.</al><al>7 Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling
                        niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van
                        rechtswege gedaan.</al><al>8 Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                        eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering,
                        opslag en afvoer van asbest.</al><al>9 De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid
                        is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede de
                        voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te nemen. </al><al>10 Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                        vrijkomt is niet toegestaan.</al><al>11 Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met
                        het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en
                        wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen
                        één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning
                        vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                        uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen;</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen;</al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen;</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren;</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat lager is dan
                                2250 kilowatt.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de aanschrijving tot het
                        slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al>1 De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                        betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al><al>2 De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter
                        hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming
                        van werk zal uitvoeren.</al><al>3 De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week voorafgaande
                        aan de aanvang van het slopen, burgemeester en wethouders schriftelijk op de
                        hoogte van de data en tijdstippen waarop het slopen, voorzover dat
                        betrekking heeft op asbest, zal plaatsvinden.</al><al>4De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de uitvoering
                        van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een afschrift van de
                        resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 9, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>1 Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het
                        slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die
                        sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                        woningtoezicht. </al><al>2 Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang
                        van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de
                        beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                        Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk
                        geschieden. </al><al/><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><al>1 Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                        aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                        gesloopt.</al><al>2 Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken
                        worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te
                        voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet></al><al>vervallen</al><al/><al><cursief>Paragraaf 4 Vrij slopen</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>1 Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                        krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                        vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                        fracties:</al><al>a de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>c bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>d met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>e asfalt;</al><al>f dakgrind;</al><al>g overig afval.</al><al>2 Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het
                        sloopterrein gescheiden worden gehouden</al><al/><al><vet> 9 Welstand</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</vet></al><al>1 De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de PUWC,
                        hierna te noemen de welstandscommissie. </al><al>2 De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                        voor regulier vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                        eerste lid onder d van de Woningwet. De welstandscommissie baseert haar
                        advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al><al>3 Burgemeester en wethouders beoordelen zonder advies van de
                        welstandscommissie of licht-vergunningplichtige bouwwerken niet in strijd
                        zijn met redelijke eisen van welstand. Burgemeester en wethouders baseren
                        hun standpunt op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al><al/><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al>1 De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een
                        voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn
                        op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                        cultuurhistorie.</al><al>2 Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al>3 De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al>4 De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al><al>5 In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                        bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al/><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De gemeenteraad mandateert het Algemeen Bestuur van de
                                gemeenschappelijke regeling PUWC om de voorzitter en deskundige
                                leden van de rayoncommissie te benoemen en te ontslaan</al></li><li nr="2"><al>De voorzitter en de deskundige leden, zoals genoemd in artikel 9.3.1
                                en hun plaatsvervangers worden door het algemeen bestuur van de
                                Gemeenschappelijke Regeling benoemd en ontslagen</al></li></lijst><al>3 De voorzitter en de leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste
                        voor een termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                        herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al><al>4 de burgerleden en hun plaatsvervangers worden op voorstel van burgemeester
                        en wethouders benoemd en ontslagen door de gemeenteraad</al><al/><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet></al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                        welstandsnota;</al><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                        vergaderen;</al><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al><al>de bijzondere projecten.</al><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al/><al><vet>Artikel 9.5 Termijn van advisering</vet></al><al>1 De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en
                        wethouders daarom is verzocht.</al><al>2 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens burgemeester en
                        wethouders daarom is verzocht.</al><al>3 De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens
                        burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>4 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag om</al><al>a een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub
                        a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken;</al><al>b een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid,
                        sub van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken;</al><al>c een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid,
                        sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</al><al/><al><vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                        toelichting</vet></al><al>1 De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De
                        agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-
                        of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                        burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een
                        verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt
                        zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al><al>2 Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de
                        aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                        welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                        bouwplan.</al><al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al>4 Alternatief 1: </al><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement van
                        orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze verordening is
                        vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er een onderscheid
                        wordt aangebracht in de toelichtende fase en de beraadslagingen.</al><al/><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>1 De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                        mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden
                        (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen
                        het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al>2 In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor
                        aan de welstandscommissie.</al><al>3 Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester
                        en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doen
                        tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur ten grondslag te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>1 De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                        schriftelijk.</al><al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester
                        en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een bouwvergunning.</al><al/><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                            standplaatsen</vet></al><al>1 Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                        heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of
                        standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                        daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><al>a op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>b het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>2 De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                        voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                        verordening.</al><al/><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
                        moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel
                        waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al><al/><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet></al><al>Bij de aanvraag om de in artikel 61 van de Woningwet bedoelde vergunning
                        moet worden aangegeven voor welk doel de onbewoonbaar verklaarde woning of
                        woonwagen zal worden gebruikt.</al><al/><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                        woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de vergunning als
                        bedoeld in artikel 61 van de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in
                        artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op
                        aanvraag van degene op wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag
                        van zijn rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene
                        op wiens naam de vergunning is gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>1 Het kenteken met de woorden ‘onbewoonbaar verklaard’, bedoeld in artikel
                        31 van de Woningwet, bestaat uit een bord van ten minste 120 mm lang en 70
                        mm hoog, waarop de tekst met duidelijke letters, van ten minste 15 mm hoog,
                        is aangegeven.</al><al>2 Het kenteken wordt van gemeentewege aan de toegangsdeur van de
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen bevestigd.</al><al>3 Voor zover het in het tweede lid bedoelde kenteken niet tevens vanaf de
                        weg zichtbaar is, dient er een tweede kenteken met daarop de aanduiding van
                        de woning of woonwagen bevestigd dan wel geplaatst te worden op een van de
                        weg af in het oog vallende plaats.</al><al>4 Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige
                        toepassing op de onbruikbaar verklaarde standplaats.</al><al/><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                        herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen
                        en andere voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze
                        verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde
                        instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift
                        heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                        gepubliceerd.</al><al/><al><vet>11 Handhaving</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bouw stil te leggen indien er
                        wordt gebouwd:</al><al>a zonder bouwvergunning;</al><al>b in afwijking van de bouwvergunning;</al><al>c op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 43 of 44, tweede lid
                        van de Woningwet en er niettemin wordt geconstateerd dat er wordt gebouwd in
                        afwijking van het Bouwbesluit;</al><al>d in afwijking van de voorschriften van de bouwverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Indien het bouwtoezicht constateert, dat in afwijking van het bepaalde in
                        artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, kunnen burgemeester en
                        wethouders de eigenaar of degene, die het in zijn macht heeft aan de
                        verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot het staken van het
                        gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de
                        bouwvergunning.</al><al/><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd sloopwerkzaamheden stil te leggen,
                        indien er wordt gesloopt:</al><al>a zonder sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van deze
                        verordening;</al><al>b in afwijking van een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste
                        lid, van deze verordening;</al><al>c zonder melding van het sloopvoornemen, als bedoeld in artikel 8.2.1,
                        eerste lid, van deze verordening;</al><al>d in afwijking van de voorschriften die zijn gegeven in de mededeling, als
                        bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van deze verordening;</al><al>e in afwijking van de voorschriften inzake de plichten bij het slopen,
                        opgenomen in de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.5 van deze verordening;</al><al>f in afwijking van de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit,
                        zoals laatstelijk gewijzigd, zijnde de Algemene Maatregel van Bestuur,
                        bedoeld in de artikelen 24, 35, vierde lid, en 39, derde lid, van de Wet
                        milieugevaarlijke stoffen, alsmede in de artikelen 8, achtste lid, juncto 8,
                        tweede lid, onderdelen d en h, en 110, eerste lid, van de Woningwet; of</al><al>g in afwijking van artikel 8.4.1 van deze verordening, indien en voor zover
                        het vergunningsvrij slopen betreft.</al><al/><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen 4.2, 4.5,
                                4.7, 4.8, 4.9, 4.10, eerste tot en met vierde lid, 4.11, 4.12, 4.13,
                                4.14, 5.2.1, 5.4.1, 6.1.1, eerste lid, 6.1.7, 6.2.1, eerste en
                                tweede lid, 6.2.2, eerste lid, 6.3.1, 6.3.2, 6.4.1, 7.1.1, 7.1.2,
                                7.2.1, 7.2.2, 7.2.3, 7.3.2, 7.4.1, 7.5.1, 7.6.1, 8.1.1, eerste lid,
                                8.2.1, negende en tiende lid, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3, 8.3.4, 8.4.1,
                                geldt als strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten
                                hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie;</al></li><li nr="2"><al>Overtreding van de in het eerste lid genoemde artikelen 8.1.1,
                                eerste lid, 8.2.1, negende en tiende lid, 8.3.1, 8.3.2, 8.3.3,
                                8.3.4, 8.4.1, geldt een strafbaar feit als bedoeld in artikel 110,
                                tweede lid van de Woningwet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in
                        enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                        bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in
                        artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodem-onderzoek, tenzij burgemeester en
                        wethouders van mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als
                        een recent onderzoek kan worden gezien.</al><al/><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><al>1 Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1 van de
                        brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 april 1999
                        geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.</al><al>2 Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking – hoe ook genaamd –
                        verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                        raadsbesluit d.d.28 april 1999 blijft van kracht totdat de termijn waarvoor
                        zij is verleend, is verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>1 Deze verordening treedt in werking op de 8e dag na die waarop zij is
                        afgekondigd.</al><al>2 Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><al>a de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 29-11-2000 en alle
                        daarin aangebrachte wijzigingen;</al><al>b de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.28 april
                        1999 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                        brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van
                        bouwwerken stelt.</al><al>3 Deze verordening kan worden aangehaald als ‘bouwverordening’.</al><al/></tekst></regeling-tekst><bijlage><al><vet>Bijlage 1</vet></al><al/><al><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening
                        (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                        (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Bijlage 2</vet></al><al/><al><vet>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al/><al><cursief>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</cursief></al><al/><al>De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de
                    volgende gegevens bevatten.</al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>a de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;</al><al>b indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in
                    Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging;</al><al>c een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of
                    de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al>d de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                    energiebron;</al><al>e voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal
                    personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de
                    volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><al>a een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de
                    straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal
                    van 1:1000;</al><al>b een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een
                    schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de
                    verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop
                    voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens
                    de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;</al><al>c voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                    daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de
                    vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                    vrije vloeroppervlakte;</al><al>d voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor
                    zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden
                    opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste
                    1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en
                    looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije
                    vloeroppervlakte.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                    indieningsvereisten.</al><al/><al><vet>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al/><al><cursief>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1 , eerste lid</cursief></al><al/><al><vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><al>1 De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                    moeten voldoende worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat
                    hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al>2 De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en
                    5.1.2, eerste en tweede lid, en de bijbehorende opstelplaatsen voor
                    brandweervoertuigen moeten over de volle hoogte en ter breedte van de verharding
                    worden vrijgehouden. Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen
                    afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Verlichting/elektrische installatie</vet></al><al>1 Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel te
                    gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat
                    toestel gevaar oplevert voor het ontstaan van brand ;</al><al>2 Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op
                    zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik door de wijze waarop die
                    installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht, gevaar oplevert voor het
                    ontstaan van brand;</al><al>3 De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                    noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door een ter zake
                    kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige onderhoud wordt
                    verricht.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><al>1 In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld.
                    Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden
                    gehouden van brandbare goederen.</al><al>2 Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op grond van
                    enige regeling geëist, wordt niet afgesloten.</al><al>3 Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken,
                    indien dat gebruik door de eigenschappen van die installatie of dat toestel zelf
                    gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</al><al> Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet geacht aanwezig
                    te zijn bij het gebruik van:</al><lijst><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen voor
                            centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave
                            2004</al></li><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt
                            gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties
                            bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN
                            1078, uitgave 1999</al></li><li nr="-"><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor het
                            stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave
                            1999.</al></li></lijst><al>4 Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te gebruiken,
                    indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie of dat toestel is
                    opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. </al><al>5 Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te functioneren omet een
                    rookgasafvoer te gebruiken zonder een doeltreffende voorziening voor de afvoer
                    van rook. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rook</vet></al><al>1 Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken dat niet
                    doeltreffend is </al><al> gereinigd.</al><al>2 Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te branden.</al><al>3 Het is verboden een voorziening voor afvoer van gas te gebruiken, indien dit
                    gebruik door de toestand waarin de voorziening voor afvoer van rook zich bevindt
                    dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</al><al>4 Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat
                    het is gereinigd en zonodig hersteld.</al><al>5 vervalt</al><al/><al><vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben </al><lijst><li nr="-"><al>in een ruimte bestemd voor opslagplaats van een of meer der
                                    stoffen genoemd in de </al><al> Regeling bouwbesluit 2003;</al></li><li nr="-"><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                                    brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken;</al></li><li nr="-"><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare
                                    vloeistof of een </al><al> brandbaar gas.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig
                            verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare wijze is
                            aangegeven.</al></li></lijst><al>3 het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen duidelijk
                    zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift “ VERBODEN TE ROKEN” of “
                    VERBODEN VOOR OPEN VUUR”, dan wel door middel van een gestandaardiseerd symbool
                    overeenkomstig het gestelde in de norm NEN 3011, uitgave 2004.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Droge blusleiding</vet></al><al>1 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van lusleidingen en de eventueel bijbehorende
                    pompinstallaties.</al><al>2 Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar wordt de
                    droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave
                    1997;. </al><al>3 De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                    worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>4 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking
                    van de blusleiding en de bijbehorende pompinstallatie.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Brandweerlift</vet></al><al>1 vervalt</al><al>2 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid,
                    veiligheid en goede werking van brandweerliften;</al><al/><al><vet>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                    brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te allen
                    tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, als bedoeld in de
                    Regeling Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor Criminaliteitspreventie
                    en Veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een certificaat waarvan een door
                    burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                    onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit
                    certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                    vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</vet></al><al>1 De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik
                    beschikbaar zijn. </al><al> Het beheer, de controle en het onderhoud van de ontruimingsalarminstallatie
                    wordt geregeld conform NEN 2654-2, uitgave 2004.</al><al>2 De gebruiker van het bouwwerk waarin bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift een ontruimingsinstallatie is geëist, stelt een ontruimingsplan op
                    ten behoeve van de in het bouwwerk aanwezige personen. Het ontruimingsplan wordt
                    opgesteld volgens de relevante delen van de NTA 8112. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Automatische brandblusinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door
                    burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders aanvaarden
                    altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is van een
                    certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor Accreditatie. </al><al/><al><vet>Artikel 11 Brandslanghaspels en de bijbehorende pompinstallatie</vet></al><al>1 De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                    aanwezige brandslanghaspel moet ten minste eenmaal per maand worden
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd</al><al>2 Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij behorende pompinstallaties
                    conform NEN-EN 671-3, uitgave 2000.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting
                            niet belemmeren</al></li><li nr="2"><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen
                            getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt
                            gedaan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12 A Deuren van overdruktrappenhuizen</vet></al><al>De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                    overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op ooghoogte
                    zijn voorzien van een opschrift waaruit blijkt dat het een overdruktrappenhuis
                    is. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk
                            voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn</al></li><li nr="2."><al>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk voorschrift
                            is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar gecontroleerd en zo nodig
                            gerepareerd.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 14 Gasflessen</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                    door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Overdrukinstallatie</vet></al><al><vet>Vervallen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen en doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten minste
                            eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo nodig
                            gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede werking van de
                            voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                            rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 18 Brandweeringang</vet></al><al>Vervallen. De inhoud ervan is als aanwezigheidsvereiste opgenomen in artikel
                    2.5.3A.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Logboek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden en
                            het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze verordening
                            inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk aan de
                            met toezicht belaste personen getoond.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                        bedrijfsuitoefening</vet></al><al>Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden worden
                    uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbeluit 2003, of
                    gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of installatie van
                    een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk
                    belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar, wordt dit door de
                    rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en wethouders gemeld.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Rookmelders in woningen</vet></al><al>De op grond van artikel 2.146,lid 7 van het Bouwbesluit 2003 aanwezige
                    rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555, uitgave 2002.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Roltrap</vet></al><al>Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand vrijgehouden
                    van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig NEN-EN 13015, uitgave
                    2001, ten minste eenmaal per kwartaal onderhouden en gereinigd.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Garantiecertificaat</vet></al><al>Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                    benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                    certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.</al><al/><al><vet>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</vet></al><al>De opslag van goederen is niet toegestaan in:</al><lijst><li nr="a."><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie, logiesfunctie,
                            celfunctie, gezondheidszorgfunctie);</al></li><li nr="b."><al>brand- en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen
                            (bijeenkomstfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, onderwijsfunctie,
                            sportfunctie, winkelfunctie, overige gebruiksfunctie).</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</vet></al><al>De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                    aanwezig is,is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde
                    over voldoende bluswater kan worden beschikt.</al><al/><al><vet>Bijlage 4</vet></al><al/><al><vet>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                        niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen</vet></al><al>1.Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in het
                    bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit ten behoeve van
                    deze personen van binnen uit onmiddellijk over de minimaal vereiste breedte kan
                    worden geopend zonder dat hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of
                    een ander los voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een
                    woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als de
                    celfunctie.</al><al>2 Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, worden
                    niet langer in geopende stand gehouden dan voor het verkeer van personen of het
                    vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische
                    inrichtingen die de deuren, respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand
                    intreedt waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.</al><lijst><li nr="3."><al>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan 100
                            personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of uitgang
                            bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt niet anders
                            gesloten dan door middel van</al><lijst><li nr="a."><al>een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk
                                    tegen de deur, in de vluchtrichting gezien;</al></li><li nr="b."><al>een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op
                                    de deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening,
                                    waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen deze
                                    voorziening (panieksluiting).</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in een
                            uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht volgens
                            NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “NOODDEUR VRIJHOUDEN”.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere warm
                            wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de versiering is
                            niet hoger dan 90 °C.</al></li><li nr="2."><al>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering
                            blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</al></li><li nr="3."><al>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand niet
                            gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen druppelvorming
                            plaats.</al></li><li nr="4."><al>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                            aanwezig.</al></li><li nr="5."><al>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in
                            vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een
                            nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</al></li><li nr="6."><al>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste aan
                            de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld in
                            afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden
                            voor constructieonderdelen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 3 Elektrische verlichting</vet></al><al>Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                    aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er meer
                    dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting aanwezig
                    van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk is.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</vet></al><al>Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is, is
                    voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.</al><al>Artikel 5 Toepassen van vuurwerk binnen een gebouw</al><al>Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van tevoren
                    een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit blijkt dat die
                    activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Opstelling van inventaris</vet></al><al>1 Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte
                    aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de
                    elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.</al><al>Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde
                    vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes doorlopen.</al><al>2 Bij in rijen opgestelde zitplaatsen waarbij sprake is van</al><lijst><li nr="-"><al>meer dan 4 stoelen in een rij</al></li><li nr="-"><al>meer dan 4 rijen, en</al></li><li nr="-"><al>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn,</al></li></lijst><al>zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van
                    gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen. .</al><al>3 Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                    uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al><al>4 Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                    uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</al><lijst><li nr="-"><al>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is dan
                            0,45 meter;</al></li><li nr="-"><al>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan
                            0,45 meter;</al></li><li nr="-"><al>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan
                            0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen een
                            uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter aanwezig is.</al></li></lijst><al>5 De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette stoelen,
                    neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige oppervlakten in beslag
                    –gemeten in loodrechte projectie op de vloer- dat ten minste</al><al><vet>- </vet>0,25 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere
                    persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is, </al><lijst><li nr="-"><al>0,30 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere
                            persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is
                            aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of
                            omvallen,</al></li><li nr="-"><al>0,50 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere
                            persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is
                            aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of
                            omvallen.</al></li></lijst><al>6 Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien de vrije
                    vloeroppervlakte minder dan 0,5 m² per persoon bedraagt, zodanig aangebracht dat
                    zij ten gevolge van gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Afval</vet></al><al>Vervallen</al><al/><al><vet>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen</vet></al><al>1 Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden op de
                    reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien nodig worden
                    deze gerepareerd. </al><al/><al><vet>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal</vet></al><al>Hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in
                    buitenwanden, scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in
                    gebouwen zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat</al><lijst><li nr="a."><al>het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en</al></li><li nr="b."><al>het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN 6065,
                            uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 10 Glas</vet></al><al>Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in plafonds
                    van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en scheidingswanden tussen
                    stands podia, kramen etc.</al><al>wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als veiligheidsglas
                    wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een ingegoten kruiswapening met
                    een maximale maaswijdte van 16 mm.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing</vet></al><al>Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt
                    uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is met
                    metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat het
                    textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte
                    van ten hoogste 0,70 meter</al><al/><al><vet>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                        crêpepapier of fotopapier</vet></al><al>Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands,
                    podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal,
                    board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt volgens het
                    gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de bouwverordening.</al><al/><al><vet> Bijlage 5</vet></al><al/><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>Bijlage behorend bij artikel 6.2.2</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="38*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>ADR-klasse</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Omschrijving</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Verpakkinggroep</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al><al> UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein, gas</al></entry><entry colname="col2"><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                        kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                        aceton</al></entry><entry colname="col3"><al>II</al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al><al>excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                        vlampunt tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde
                                        inkten</al></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4.1, 4.2, 4.3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen
                                        en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand
                                        zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders</al><al>4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit
                                        of geel) en diethylzink</al><al>4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen
                                        ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en
                                        calciumcarbonaat</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5.1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5.2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en di-propionyl
                                        peroxide</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al><al>gasflessen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t</al></entry><entry colname="col4"><al>115 </al><al>liter waterinhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al><al>dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                        tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>1.000 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in bijlage 5
                    is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk. Hierop worden
                    echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het mogelijk om deze
                    stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan
                    ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn
                    afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld.</al><al/><al><vet>Bijlage 6</vet></al><al/><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al><vet>Vervallen</vet></al><al/><al><vet>Bijlage 7</vet></al><al/><al><vet>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op erven
                        en terreinen</vet></al><al/><al><cursief>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</cursief></al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><al>a NEN 7002, uitgave 1968, ‘Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>b NEN 7003, uitgave 1968, ‘Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen’ (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>c NEN 7013, uitgave 1980, ‘Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen’;</al><al>d NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, ‘Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering – Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem’ (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1,
                    uitgave 1998, Nederlandstalig);</al><al>e NEN-EN 295-1, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 – Deel 1. Eisen’ (Engelstalig);</al><al>f NEN-EN 295-2, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 – Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername’
                    (Engelstalig);</al><al>g NEN-EN 295-3, uitgave 1992, ‘Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval – Deel 3. Beproevingsmethoden’
                    (Engelstalig).</al><al/><al><vet> Bijlage 8</vet></al><al/><al><vet>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                        bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</vet></al><al><vet>Vervallen</vet></al><al/><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al/><al><vet>Reglement van orde van de welstandscommissie</vet></al><al>De tekst van het reglement van orde dient vanuit de specifiek lokale situatie te
                    worden opgesteld.</al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale)
                    welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel
                    toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al dan niet gebruiken van subcommissies en
                    het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten.</al><al/><al><vet>Bijlage 10</vet></al><al/><al><vet>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)</vet></al><table><tgroup cols="13"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="35*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="5*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="5*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="6*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="5*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="5*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="5*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Leden van</al><al> Toepassing</al></entry><entry colname="col6" nameend="col9" namest="col6"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col10" nameend="col13" namest="col10"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col5"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col6"><al>Hoogte hoogste vloer (m)</al></entry><entry colname="col7"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col8"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col9"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col10"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col11"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col12"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col13"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col10"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1a</al></entry><entry colname="col7"><al>1b</al></entry><entry colname="col8"><al>1c</al></entry><entry colname="col9"><al>1d</al></entry><entry colname="col10"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie niet van een woonwagen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al><vet>*</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in
                                        combinatie met permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen zonder
                                        permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4
                                        jaar.</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>200</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>2,4</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="7"><al>Overige bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5<onderstreept>&lt;</onderstreept>13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al>Overige gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al> *</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lichte industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Overige industriefunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al> *</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>Logiesgebouw </al></entry><entry colname="col3" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige logiesfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="17"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="0*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="6*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="6*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="0*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="0*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="7*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="7*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="6*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><colspec colname="col14" colnum="14" colwidth="6*"/><colspec colname="col15" colnum="15" colwidth="6*"/><colspec colname="col16" colnum="16" colwidth="6*"/><colspec colname="col17" colnum="17" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col8" namest="col3"><al>Leden van toepassing</al></entry><entry colname="col9" nameend="col13" namest="col9"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col14" nameend="col17" namest="col14"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>Hoogte hoogste vloer (m)</al></entry><entry colname="col11"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col12"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col13"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col14"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col15"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col16"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col17"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col14"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col15"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col16"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col17"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>1d</al></entry><entry colname="col14"><al>1a</al></entry><entry colname="col15"><al>1b</al></entry><entry colname="col16"><al>1c</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie </vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="4" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="4" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>250</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="4" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="4" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>20<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="8"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="8" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Winkelfunctie </vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="8" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="8" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="8" nameend="col9" namest="col8"><al> *</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col11"><al>5000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col11"><al>10000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>5000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13<onderstreept>&lt;</onderstreept>50</al></entry><entry colname="col11"><al>10000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50<onderstreept>&lt;</onderstreept>70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col4" morerows="2" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="2" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="2" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>* </al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>2500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>2500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al>13</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>F</al></entry><entry colname="col11"><al>F</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>F</al></entry><entry colname="col11"><al>F</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Bijlage 11</vet></al><al/><al><vet>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie) </vet></al><al>Voor de betekenis van de symbolen in de tabel zie de toelichting op artikel
                    2.6.5. Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7 .</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colwidth="0*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.6</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                        (vluchtrouteaanduiding</vet>)</al><al/><al>Voor de betekenis van de symbolen in de tabel zie de toelichting op artikel
                    2.6.8. Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                    toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10.</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.9</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woongebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Cellengebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry colname="col3"><al>F</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Overgangsbepalingen</vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of
                    toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                    wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog niet is
                    beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals deze
                    luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens te kennen
                    geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing op de artikelen 8.1.1, 8.1.2, 8.1.4,
                    8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.35 voorzover deze artikelen in overeenstemming zijn met
                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704).</al></bijlage></regeling></body></cvdr>