<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50814_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">IJsselstein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zenderstreeknieuws, 16-01-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-02-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/17734</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Inclusief wijzigingen (cesuurdatum 01-01-2011)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>BOUWVERORDENING</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al></li><li nr="2."><al>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning</al></li><li nr="3."><al>Gebruikseisen voor bouwwerken</al></li><li nr="4."><al>Gebruikseisen voor bouwwerken niet zijnde een- en meergezinshuizen
                                en woonwagens behalve voor een- en meergezinshuizen en woonwagens
                                waarin sprake is van een verminderde zelfredzaamheid van bewoners,
                                in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van de
                                bewoners</al></li><li nr="5."><al>Toegestane hoeveelheid brandgevaarlijke stoffen</al></li><li nr="6."><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen</al></li><li nr="7."><al>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                                erven en terreinen</al></li><li nr="8."><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee
                                vergelijkbare bouwwerken op de anwezigheid van asbest</al></li><li nr="9."><al>Reglement van orde van de welstandscommissie</al></li><li nr="10."><al>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1.
                                (Brandmeldinstallaties)</al></li><li nr="11."><al>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                                (Ontruimingsinstallaties)</al></li><li nr="12."><al>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8
                                (Vluchtrouteaanduidingen)</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende
                        bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> – asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a.,
                                van het Asbest-verwijderingsbesluit 2005;</al><lijst><li nr="-"><al>Besluit indieningsvereisten: het Besluit indieningsvereisten
                                        aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a, eerste
                                        lid en 57, tweede lid en derde lid van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>Besluit Bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in
                                        artikel 43, eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van
                                        de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al><al> – bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100a, eerste
                                        lid, Woningwet belast zijn met het bouw- en
                                        woningtoezicht;</al><al> – bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout,
                                        steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                        bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                        verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op
                                        de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al><al> – deskundig bedrijf als bedoeld in hoofdstuk 8: hetgeen
                                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid , van het
                                        Asbest-verwijderingsbesluit 2005;</al><lijst><li nr="–"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als
                                                bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="–"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die
                                                door of namens burgemeester en wethouders is
                                                vastgesteld;</al><al> – NEN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;</al><al> – NVN: een door de Stichting Nederlands
                                                Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm;</al><al> – straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                                  plaatse van die hoofdtoegang;</al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang
                                                  niet direct aan de weg grenst de hoogte van het
                                                  terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij
                                                  voltooiing van de bouw;</al><al> – weg: alle voor het openbaar rij- of ander
                                                  verkeer openstaande wegen of paden daaronder
                                                  begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                                  tot de wegen of paden behorende bermen en
                                                  zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als
                                                  zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al><al> – bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al><al> – gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag
                            bouwvergunning</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                            vergunningaanvragen (verva</vet><vet>l</vet><vet>len)</vet></al><al>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</al><lijst><li nr="1."><al>het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de </al><al> Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht
                                        volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een
                                        terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport
                                        daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                                        volgens het gecombineerde protocol
                                            <cursief>Bode</cursief><cursief>m</cursief><cursief>onderzoek
                                            milieuvergunningen</cursief> en BSB (SDU, uitgave
                                        oktober 1993);</al></li><li nr="b."><al>de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                            het<cursief> Protocol Nader Onderzoek deel 1</cursief>
                                        (SDU, uitgave 1995), in het geval dat de resultaten van het
                                        verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van
                                        bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van
                                        deze verontreiniging een nader onderzoek, als bedoeld in het
                                            <cursief>Pr</cursief><cursief>o</cursief><cursief>tocol
                                            Nader Onderzoek deel 1</cursief>(SDU,uitgave
                                        1994) of de <cursief>Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                            (</cursief>SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is. </al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 1.2.5, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekkingheeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit bouwwerken. Deze wijziging geldt niet voor de
                                hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken.</al><al>3.Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                als bedoeld in artikel 1.2.5, onderdeel e van de Bijlage bij het
                                indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel 2.4.1 bij
                                de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar
                                zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen
                                van de plicht tot het in</al></li></lijst><al>dienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.5, onderdeel e
                        van de Bijlage van het Besluit indieningsvereisten voor een bouwwerk met een
                        beperkte instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van
                        de Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde
                        vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid
                        blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een
                        volledig veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 1999 niet
                        rechtvaardigen.</al><al>5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn
                        gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                        voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om</vet><vet>bouwvergunning (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning</vet><vet>woonwagens en standplaatsen
                        (vervallen)</vet></al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al><vet>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                        bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                        aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk;</al></li><li nr="c."><al>de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></li></lijst><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet></al><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist;
                                en</al><al>a.1. dat de grond raakt, of</al><lijst><li nr="2."><al>waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet
                                        wordt gehandhaafd.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter e van artikel
                        1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage, kunnne burgemeester en
                        wethouders voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op
                        grond van het Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of
                        andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het
                        overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                        goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet
                        van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar
                        door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                            stedenbouwkundige bepali</vet><vet>n</vet><vet>gen
                        (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet
                        worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning
                        voor een ander bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al><al><vet> Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        </vet></al><al><vet>Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen
                                is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg,
                                moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet
                                aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                                ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te verwachten
                                verkeer.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte
                                        van ten minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven
                                        de kruin van de weg hebben van ten minste 4,2 m;</al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor
                                        motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                        zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd is,
                                maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd,
                                moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto’s aanwezig zijn,
                                dat een doeltreffende verbinding tussen die auto’s en de
                                bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li><li nr="6."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging
                                en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor lenen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.3A Brandweeringangen</vet></al><al>Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet
                        de brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is
                        vooral van belang als het gebouw is voorzien van een
                        brandbeveiligingsinstallatie die is voorzien van automatische doormelding
                        naar de alarmcentrale van de regionale brandweer. </al><al>Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de
                        brandweer de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire
                        toegankelijkheid van het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan
                        beschikken over sleutels van ruimten in het gebouw die normaal zijn
                        afgesloten. </al><al>De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
                        Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de
                        publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor
                        Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem,
                        telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al><lijst><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van
                                        het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                        toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                        Bouwbesluit;</al></li></lijst></li></lijst><al>en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare
                        weg of </al><al> begaanbaar pad aanwezig zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m,
                                        tenzij dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die
                                        voldoet aan het bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van
                                        het Bouwbesluit.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>De voorgevelrooilijn is:</al><lijst><li nr="a."><al>langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al><al> de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                                rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al></li><li nr="b."><al>langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al> bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                meter uit de as van de weg;</al><al> bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                        bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens
                                        van de weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen –met inachtneming van het bepaalde
                                in het tweede lid ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen
                                met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:</al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                        kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger
                                        gelegen is dan het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in
                                        artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van het
                                        Besluit bouwwerken, die naar hun aard en bestemming op een
                                        voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                        overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en
                                        galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                        overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten,
                                        hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere luifels,
                                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                        reclame-toestellen en draagconstructies voor reclames dan
                                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                        bouwwerken.</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument –als bedoeld in de
                                        Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of
                                        gemeentelijke monumentenverordening– voor zover zulks niet
                                        bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de
                                        bestaande omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden verleend,
                                indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><al> – 4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al><al> – 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                onder h, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit
                                bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en
                                bestemming op de weg toelaatbaar zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        ontheffing genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter de achtergevel-rooilijn is
                                        geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken –over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil– worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daar-door onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b., van het
                                        Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder be-grepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de
                                        ontheffing is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal
                                        van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                        doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                        meter. Indien meer dan één inge-schreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a.
                                        bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok tot een
                                        of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich
                                        zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest
                                        nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                        tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover
                                        elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan
                                        1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt be-paald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a. tot en met d. van
                                        dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing –in het belang van de toetreding van daglicht–
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het
                                gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                                uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit
                                bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in de artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;</al></li><li nr="e."><al>andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij
                                het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                        rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f,
                                van het Besluit bouwwerken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod tot
                        bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: </al><lijst><li nr="a."><al>buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, anders dan de gebouwen in artikel 2, onder b, van het
                                Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al></li><li nr="j."><al>erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen bedoeld in
                                artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="k."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken aan of bij een monument –als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening– voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in
                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing
                                blijven.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>Een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de bestaande toestand verbeterd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                                zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder
                                        dan 1 meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al><al> Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het
                                        aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                        gelaten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig
                                is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder
                                e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf
                                of terrein.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtran</vet><vet>s</vet><vet>portleidingen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwvergunningplichtige
                                bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij
                                het bepalen van deze afstand moet rekening worden gehouden met het
                                uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                                hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een
                                nominale elektrische spanning van 1000 volt of meer.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken
                                worden gebouwd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de leiding geen bezwaar
                                        bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                                voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtstbij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al></li></lijst><al> Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter
                        plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter
                        weerszijden van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevel-rooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                        tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                        bouwblok.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al><al> Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig
                                lopen, wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het
                                bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                achtergevelrooilijnen.</al><al> Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
                                gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn
                                gelegen voorgevelrooilijn.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></li><li nr="4."><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt –onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24– de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de
                                voorgevel.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de –krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21– maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek
                                vormen van:</al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft
                                die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de –krachtens artikel 2.5.22– maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                bedragen dan 15 meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagstgelegen weg.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat –uitgaande van een goothoogte van genoemde maat–
                                daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d.,
                                en artikel 2.5.28, onder h., i., j. en k., moeten –voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden– buiten beschouwing worden
                                gelaten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het
                                aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld
                                in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="b."><al>het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan
                                het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als
                                bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken;’</al></li><li nr="c."><al>topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of
                                de achtergevel-rooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al></li><li nr="d."><al>plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde lid, artikel
                        2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrie-terrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k van het Besluit
                                bouwwerken, en indien:</al><lijst><li nr="1."><al>De bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                        overschrijden en de welstand bij het verlenen van de
                                        ontheffing is gebaat.</al></li><li nr="2."><al>Bij het overschrijden van bestaande uitwendige
                                        hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner worden dan
                                        de bestaande.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid,
                                van het Besluit bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan
                                1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor
                                gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren;</al></li><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument –als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan
                                wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening– voor
                                zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                            de toegelaten bou</vet><vet>w</vet><vet>hoogte in geval van
                            voorbereiding van een nieuw ruimtelijk beleid.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de
                                verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met overschrijding
                                van de maximale bouwhoogte.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en
                                wethouders worden verleend indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20
                                        Bro;</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van
                                        de provincie inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al></li><li nr="c."><al>het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                        voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet
                                bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien verstande
                                dat:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de termijn van terinzagenlegging eenieder
                                        schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                        inbrengen;</al></li><li nr="b."><al>indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en
                                        wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                        bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen
                                        verdagen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding
                                geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in
                                voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                                dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw
                                behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik
                                of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden
                                met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto’s.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al></li><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m
                                bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte –voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst– ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste en het derde lid:</al></li><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden
                                op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte,
                                dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 6 Voorschriften inzake
                            brandveiligheidinstallaties</onderstreept></al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de
                                ontdekking en melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan
                                worden ontdekt en gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                                van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie waarvan:</al></li><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie:</al></li><li nr="a."><al>waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een
                                in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven waarde
                                boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel
                                2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven
                                grenswaarde;</al></li><li nr="c."><al>waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer
                                bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening
                                aangegeven grenswaarde;</al></li><li nr="d."><al>die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de
                                in tabel 2.6.1 van bijlage 10 zijn aangegeven, is voorzien van een
                                brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996, en NEN
                                2535/A1, uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw
                                waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één
                                richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te
                                worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de betreffende
                                vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, voorzien te
                                zijn van een brandmeldinstallatie met</al><al> ruimtebewaking, indien er sprake is van één of meer van de volgende
                                situaties:</al></li><li nr="a."><al>De loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt
                                vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer
                                dan 10 meter;</al></li><li nr="b."><al>Het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts
                                in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte
                                aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m<sup>2</sup>;</al></li><li nr="c."><al>Het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de betreffende
                                ruimte bedraagt meer dan 2.</al></li></lijst><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><lijst><li nr=""><al>1.<onderstreept>De omvang van de bewaking van de
                                    brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave 1996,en
                                    NEN 2535/A1, uitgave 2002, is
                                    ui</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept><onderstreept>gevoerd
                                    als:</onderstreept></al></li><li nr="a."><al><onderstreept>niet-automatische bewaking; of</onderstreept></al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al><onderstreept>gedeeltelijke bewaking; of</onderstreept></al></li><li nr="c."><al><onderstreept>volledige bewaking; </onderstreept></al></li></lijst><al><onderstreept>zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                            verordening, of</onderstreept></al><al>d.<onderstreept>ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes
                            en risicoruimten.</onderstreept></al><al>2.<onderstreept>Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a, b en c, in een
                            bouwwerk aanwezige brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de
                            alarmcentrale van de brandweer, voor zover dit voor een gebruiksfunctie
                            staat aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                            verordening.</onderstreept></al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave
                                1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een
                                door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van
                                eisen als bedoeld in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1
                                uitgave 2002.</al></li><li nr="3."><al>Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                                brandmeldinstallatie, welke op grond van artikel 2.6.3, lid 2
                                rechtstreeks is doorgemeld naar de alarmcentrale van de brandweer,
                                is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling
                                Brandmeldinstallaties 2002 van het Centrum voor
                                Criminaliteitspreventie en veiligheid (CCV) in Den Haag, dan wel een
                                certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende, ter
                                zake kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een
                                schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten
                                minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de
                                vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al></li></lijst><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering
                                dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk
                                kunnen vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11
                                van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerst en het tweede lid, indien de aard en de
                                geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding</al><al> geeft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksfunctie die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van
                                een brandmeldinstallatie, is voorzien van een
                                ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave
                                2004.</al></li><li nr="2."><al>In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in artikel 2.6.2, tweede
                                lid, van toepassing is, dienen de betreffende verblijfsruimten te
                                zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als
                                bedoeld in NEN 2575, uitgave 2004.</al></li></lijst><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575,
                                uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                                ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig
                                een door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van
                                eisen, als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2000<vet>.</vet></al></li></lijst><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige aanduiding van vluchtroutes
                                dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen
                                vluchten.</al></li><li nr="2."><al>Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12
                                van deze verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
                                gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
                                toepassing van die voorschriften.</al></li></lijst><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al> Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                        verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN
                        6088, uitgave 2002.</al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                                vluchtrouteaanduiding voldoet aan</al><al> het gestelde in NEN 6088, uitgave 2002.</al></li><li nr="2."><al>Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar
                                aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>De in artikel 2.6.9 vermelde vluchtrouteaanduiding dient voor wat
                                betreft de zichtbaarheidsas pecten te voldoen aan artikel 5.2 tot en
                                met 5.6 van NEN-EN 1838, uitgave 1999.</al></li><li nr="4."><al>Indien in een gebruiksfunctie of een deel van een gebruiksfunctie
                                geen noodverlichting aanwezig is, is in geval van
                                netspanningonderbreking het gestelde in lid 3 niet van toepas
                                sing.</al></li></lijst><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><lijst><li nr="1."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                                als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt
                                toegepast, is artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                                als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt
                                toegepast, is artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit
                                als gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, is
                                artikel 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al>Indien het naar het oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed
                        kunnen functioneren van publieke hulpverleningsdiensten bij een calamiteit
                        in dat bouwwerk noodzakelijk is, moet een voor het publiek toegankelijk
                        bouwwerk zijn voorzien van een installatie die mobiele radiocommunicatie
                        tussen hulpverleners binnen en buiten dat bouwwerk mogelijk maakt.</al><al><onderstreept>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de
                            nutsvoorzieningen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan het
                        distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                        openbaardistributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteits-distributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbaardistributienet voor aardgas:</al></li><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a. bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al><al> Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                                bejaarden.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid:</al></li><li nr="a."><al>voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="b."><al>voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al></li><li nr="c."><al>voor woningen met een aansluiting op een gemeenschappelijke of
                                publieke voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69
                                van het Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                            verwarming</vet></al><al>Indien in een deel van de gemeente een publieke voorziening voor verwarming
                        van bouwwerken,als bedoeld in artikel 2.69 van het Bouwbesluit
                        (warmtedistributienet), aanwezig is, moet een aldaar te bouwen bouwwerk zijn
                        aangesloten op die publieke voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de
                                dichtstbijzijnde leiding van die publieke voorziening is gelegen;
                                of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                de publieke voorziening dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Alternatief 1</al><lijst><li nr="1."><al>De in de artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                fecaliën, alsmede de in de artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de
                                afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een openbaar
                                riool.</al><al> Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:</al></li><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al></li><li nr="b."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al></li><li nr="2."><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al></li><li nr="a."><al>op welke plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijk de
                                voor het maken van de aansluiting noodzakelike leiding of leidingen
                                de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein
                                moest of moeten kruisen;</al></li><li nr="b."><al>of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                                tussen geschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van
                                afvalwater, fecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag
                                gelegen is om op natuurlijke wijze op het openbaar riool te
                                lozen.’</al></li><li nr="3."><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer
                                moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                                aansluitleiding moeten worden tussen geschakeld ter verzekering van
                                de goede werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel
                                ter voorkoming van hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar
                                riool, ingeval de hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen
                                daartoe aanleiding geeft.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder
                                verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is:</al></li><li nr="a."><al>voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                                riool zijn gelegen;</al></li><li nr="b."><al>voor agrarische bedrijven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Alternatief 1</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de in de artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                afvalwater en fecaliën, alsmede de in de artikel 3.41 van het
                                Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                                riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al></li><li nr="a."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                                moeten lozen op een rottingput met overstort;</al></li><li nr="b."><al>leidingen voor fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort, een
                                gierput of een rottingput met overstort;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere
                                wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk
                                is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en</vet><vet>terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                                plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                aangewerkt.</al></li><li nr="2."><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid
                                van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige zetting van het
                                bouwwerk of de buitenriolering.</al></li><li nr="3."><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                rottingputten voorkomen.</al></li><li nr="4."><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                                vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend
                                beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een
                                voldoende binnenwerkse middellijn.</al><al> Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al></li><li nr="5."><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor
                                de afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater ter plaatse waar
                                zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben
                                van ten minste 125 mm.</al></li><li nr="6."><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                                leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten
                                doeltreffend zijn.</al><al> Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
                                het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        te samen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet> (gereserveerd)</al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria</vet> (gereserveerd)</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de
                                bouw en bij ingebruikneming van een
                        bouwwerk</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse</vet><vet>staking van
                            bou</vet><vet>w</vet><vet>werkzaamheden</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59
                        van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                        indien:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning
                                geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="b."><al>andere vergunningen en ontheffingen;</al></li><li nr="c."><al>het bouwveiligheidsplan;</al></li><li nr="d."><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel een besluit tot
                                toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                                dwangsom.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie
                        (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                        –onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde– niet
                        worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders voor
                        zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>het straatpeil is aangegeven;</al></li><li nr="b."><al>de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                                uitgezet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de</vet><vet>bouwwer</vet><vet>k</vet><vet>zaamheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwtoezicht dient –voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning– ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld:</al></li><li nr="a."><al>de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                                begrepen;</al></li><li nr="b."><al>de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                                proefpalen daaronder begrepen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></li><li nr="2."><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                        ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                        bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                        verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                        ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                        wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                        grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                        naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de veiligheid
                        van die bouwwerken schaadt.</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></li><li nr="2."><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen:</al></li><li nr="a."><al>de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
                                van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
                                uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties
                                door anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk
                                is;</al></li><li nr="b."><al>machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige
                                toestand, dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer
                                door anderen dan de daartoe bevoegde personen in werking kunnen
                                worden gesteld;</al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtings-installatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulp-materiaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig:</al></li><li nr="a."><al>uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al></li><li nr="b."><al>de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al></li><li nr="c."><al>het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                                gebruikt.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties:</al></li><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz.
                                9);</al></li><li nr="b."><al>steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="c."><al>glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al></li><li nr="d."><al>overig afval.</al></li><li nr="2."><al>Overig afval, bedoeld in voorgaand lid onder d., en de fracties,
                                bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de
                                bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Van het gereedkomen:</al></li><li nr="a."><al>van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van de riolering,
                                alsmede van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren
                                beneden straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>van de thermische isolatie in de spouw van wanden, alsmede van de
                                thermische isolatie in andere besloten constructies</al><al> moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald.</al></li><li nr="4."><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></li><li nr="5."><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve
                                van:</al></li><li nr="a."><al>het niet verwerken van bevroren materialen;</al></li><li nr="b."><al>het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                                vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur
                                nog beneden 2 graden Celsius is.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen,
                                brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                                weren van schadelijk en hinderlijk
                        gedierte</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Paragraaf 1 Staat van open erven en
                        terreinen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                                veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de
                                gebruikers of anderen, ten gevolge van:</al></li><li nr="a."><al>drassigheid;</al></li><li nr="b."><al>stank;</al></li><li nr="c."><al>verontreiniging;</al></li><li nr="d."><al>aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al></li><li nr="e."><al>aanwezigheid van begroeiing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van
                                een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto’s,
                                vuilnisauto’s, ziekenauto’s, brandweerauto’s en het overige te
                                verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en het gebruik van
                                het gebouw zulks niet vereisen.</al></li><li nr="2."><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                bestemmingsplan of in een verordening of anderszins voorschriften
                                heeft vastgesteld:</al></li><li nr="a."><al>een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten
                                minste 3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de
                                weg hebben van ten minste 4,2 m; </al></li><li nr="b."><al>zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met
                                een massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige
                                kunstwerken; en</al></li><li nr="c."><al>op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel
                                tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                gelegen.</al></li><li nr="4."><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                brandweerauto’s aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                tussen die auto’s en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet
                                vereisen.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening
                                moet worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                                bluswatervoorziening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tussen de toegang van enerzijds:</al></li><li nr="a."><al>een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al></li><li nr="b."><al>een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                Bouwbesluit;</al><al> en anderzijds de openbare weg moet een mede voor gehandicapten
                                begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig zijn..</al></li><li nr="2."><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat
                                zij:</al></li><li nr="a."><al>ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al></li><li nr="b."><al>geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al></li><li nr="c."><al>ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij
                                dit plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Voor bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van
                        overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen
                            niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                            kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            logiesverblijven en logiesgebo</vet><vet>u</vet><vet>wen
                            (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                            kantoorgebouwen (vervallen)</vet></al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Aansluiting op de
                        nutsvoorzieningen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                        bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten
                        aan het distributienet van de openbare waterleiding:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst
                                bij zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten
                                van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                bij een afstand van 50 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De in artikel 5.3.2 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                        openbaardistributienet voor elektriciteit:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het elektriciteits-distributienet dan onder a bedoeld, maar de
                                kosten van aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger
                                zijn dan bij een afstand van 100 m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>De in de artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbaardistributienet voor
                        aardgas:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van dat distributienet is gelegen; of</al></li><li nr="b."><al>indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van
                                het aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 40 m.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><lijst><li nr="a."><al>woningen voor bejaarden;</al></li><li nr="b."><al>woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al></li><li nr="c."><al>woningen die niet worden verhuurd;</al></li><li nr="d."><al>woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare </vet></al><al><vet>riolering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën,
                                alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen
                                voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd het bepaalde in
                                artikel 5.3.6, op een doeltreffende wijze zijn aangesloten aan een
                                openbaar riool.</al></li><li nr="2."><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al></li><li nr="a."><al>in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                is;</al></li><li nr="b."><al>op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar
                                riool zijn gelegen;</al></li><li nr="c."><al>voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al></li><li nr="d."><al>op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor bedrijfsdoeleinden
                                worden gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput
                                aanwezig is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten met
                                waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
                                doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig zijn,
                                tenzij de fecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>voor de opvang van fecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput zonder overstort,
                                een doeltreffende gierput of een doeltreffende rottingput met
                                overstort aanwezig zijn, alsmede een doeltreffende aansluitleiding
                                tussen die toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
                                wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="c."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën, alsmede overstorten van rottingputten
                                moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of
                                lucht kan optreden;</al></li><li nr="d."><al>leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van
                                afvalwater zonder fecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet></al><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand moet worden
                        gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan
                        worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een
                        leiding van het distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich
                        tezamen op één erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden
                        beschouwd.</al><al><onderstreept>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5.4.1 Preventie</vet></al><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</onderstreept></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning
                                van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of
                                te houden, waarin:</al></li><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan
                                in een één- of meergezinshuis;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan vijf personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al> aan meer dan tien kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan
                                tien lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapten dagverblijf zal
                                worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>brandcompartimenten zijn opgenomen waarvan de afmetingen zijn
                                bepaald met topassing van het Brandveiligheidsconcept
                                Beheersbaarheid van brand en het daarop gebaseerde reken- en
                                beslismodel.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts
                                voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en
                                bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen
                                en beperken van ongevallen bij brand. Hieronder worden begrepen
                                voorwaarden met betrekking tot:</al><al> – stoffering en versiering;</al><al> – uitgangen en vluchtwegen;</al><al> – installaties;</al><al> – standbouw, podia, kramen e.d.;</al><al> – verbrandingsmotoren;</al><al> – verbod voor open vuur en vuurwerk;</al><al> – bewaking en controle;</al><al> – ventilatie en werkzaamheden;</al><al> – brandbare , brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                                stoffen;</al><al> – opstellingsplannen;</al><al> – afval;</al><al> – doorlopend toezicht;</al><al> – brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de
                                bestaande interne organisatie;</al><al> – het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                                gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid;</al><al> – de plaats van, alsmede het aantal en het type draagbare
                                blustoestellen en/of minihaspels.</al></li><li nr="3."><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en wethouders aan de
                                vergunning nieuwe voorwaarden verbinden en gestelde voorwaarden
                                wijzigen of intrekken.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd
                                als genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van
                                de door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde
                                formulieren. De bij deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden
                                moeten voldoen aan de eisen van de in lid eerste genoemde
                                bijlage.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 4 voud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen.</al></li><li nr="6."><al>De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten
                                door de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel
                                worden gewaarmerkt.</al></li><li nr="7."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een
                                bestaande situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                blijken.</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een
                                bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen,
                        alsmede aan de eisen die </al><al>gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                        stellen burgemeester </al><al>en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om de door hen aan te geven
                        ontbrekende gegevens </al><al>over te leggen. </al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                                gebruiksvergunning binnen 12 weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste 6
                                weken verdagen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al></li><li nr="a."><al>voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over
                                die vergunning nog niet hebben beslist;</al></li><li nr="b."><al>voor hetzelfde bouwwerk een besluit tot toepassing van bestuurdwang
                                of opleggen van een last onder dwangsom dan wel een besluit
                                ingevolge artikel 13 van de Woningwet is genomen wegens strijd met
                                de voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in artikel 1b van
                                de Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn
                                is verzonden, doch aan dit besluit nog niet is voldaan. </al></li><li nr="4."><al>De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is
                                beslist op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a
                                van het derde lid, dan wel nadat is voldaan aan het besluit als
                                bedoeld onder letter b. van het derde lid en burgemeester en
                                wethouders hiervan in kennis zijn gesteld.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>Een gebruiksvergunning moet worden geweigerd indien een van de volgende
                        omstandigheden zich voordoet:</al><lijst><li nr="a."><al>de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in
                                relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een
                                brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan
                                geen voldoende brandveilig gebruik worden bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de bouwvergunning is geweigerd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken
                                indien:</al></li><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                                voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het
                                onherroepelijk worden van de vergunning;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen
                                gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond
                                van een verandering van de inzichten en/of verandering van de
                                omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het
                                stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang voldoende te
                                beschermen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat
                                zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>In het bouwwerk waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                        gebruiksvergunning betrekking heeft moet deze vergunning aanwezig zijn, en
                        moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van
                        dit hoofdstuk, ter inzage worden gegeven.</al><al><onderstreept>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand
                            en brandgevaar</onderstreept></al><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de
                                gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze
                                verordening.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een
                                bouwwerk met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in
                                woonfuncties, in combinatie met permanente aanwezigheid van
                                personeel en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze
                                verordening.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>In, op of nabij een bouwwerk is geen in bijlage 5 aaangewezen
                                brandgevaarlijke stof aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien:</al></li><li nr="a."><al>de in bijlage 5 aangegeven maximum hoeveelheid van de betreffende
                                stoffen niet wordt overschreden, met dien verstande dat de totale
                                toegestane hoeveelheid van de eerste zes rijen honderd kilogram of
                                liter is;</al></li><li nr="c."><al>de betreffende stof zodanig is verpakt</al><lijst><li nr="-"><al>dat de verpakking tegen normale behandeling bestand is,
                                        en</al></li><li nr="-"><al>van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan
                                        ontsnappen, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de betreffende stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de
                                verpakking aangegeven gevaarsaanduiding (R- en S-zinnen)</al></li><li nr="3."><al>Het in de eerste lid gestelde is vorots niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>de brandstof in hest reservoir bij een verbrandingsmotor;</al></li><li nr="b."><al>de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander
                                warmteontwikkelend toestel;</al></li><li nr="c."><al>voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken, en</al></li><li nr="d."><al>het aanwezig hebben van een grotere dan de in bijlage 5 aangegeven
                                maximum hoeveelheid van de betreffende stof voor zover dat bij of
                                krachtens de Wet Milieubeheer is toegestaan.</al></li><li nr="4."><al>Bij het bepalen van de hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid
                                onder a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk
                                dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof die in bijlage 5 als
                                brandgevaarlijk is aangemerkt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>VERVALLEN</al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            ongevallen bij brand</onderstreept></al><al><vet>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet></al><al>Brandbeveiligingsvoorzieningen en vluchtroutes moeten altijd voor
                        onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn. </al><al>Het is verboden om het gebruik van deze brandbeveiligingsvoorzieningen te
                        belemmeren. </al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-1 ‘Vaste
                        brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 1: Brandslanghaspels met
                        vormvaste slang’ geeft richtlijnen zodat het efficiënt gebruik van
                        brandslangsystemen is gegarandeerd. </al><al>In hoofdstuk 8 van deze norm worden eisen gesteld aan de kasten waarin
                        brandslanghaspels opgehangen kunnen worden. Volgens NEN-EN 671-1 is het
                        toegestaan brandslanghaspelkasten te voorzien van een deur en een slot. Het
                        toepassen van een slot is uitsluitend toegestaan wanneer er op de kast een
                        breekruitje is aangebracht waarmee de kast kan worden geopend. Wanneer het
                        breekruitje wordt ingedrukt, mogen er geen scherpe randen aanwezig zijn
                        waardoor mensen zich kunnen bezeren. Om in geval van controle en onderhoud
                        de kast te kunnen openen, moet het slot met een sleutel geopend kunnen
                        worden, zodat het breekruitje niet steeds vervangen hoeft te worden.</al><al>Handbrandmelders en automatische brandmelders mogen niet zodanig afgeschermd
                        worden dat de goede werking wordt belemmerd. </al><al>Alle voorzieningen voor ontvluchting en redding van personen en dieren
                        moeten onmiddellijk beschikbaar zijn. </al><al>De opsomming van genoemde voorbeelden is oneindig.</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al><vet>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in of krachtens de artikelen 6.1.1 tot en met
                        6.3.2 is het verboden in, op, of aan een bouwwerk of op een open erf of
                        terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                        handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                        waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet,
                                walm of stof wordt verspreid;</al></li><li nr="b."><al>brandgevaar wordt veroorzaakt;</al></li><li nr="c."><al>het gebruik van vluchtmogelijkheden wordt belemmerd.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        hinder, terzake waarvan de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                        wet van toepassing is. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Paragraaf 1 Overbevolking </onderstreept></al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te bewonen met
                        of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt
                        bewoond door meer dan één persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.</al><al><onderstreept>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</onderstreept></al><al><vet>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet></al><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te
                        gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en
                        wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwvalligheid van het bouwwerk;</al></li><li nr="b."><al>bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan
                            veiligheid</vet><vet>en gebrek aan hygiëne</vet></al><al>Indien tengevolge van het niet functioneren hieronder begrepen het
                        afgesloten zijn van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht aanwezige
                        voorzieningen tot het kunnen afvoeren van fecaliën, het kunnen beschikken
                        over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd gas en het kunnen
                        beschikken over gedistribueerde elektriciteit een onvoldoende veiligheid of
                        een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders
                        gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.</al><al><vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet></al><al>Indien in een aanschrijving op grond van artikel 17 van de Woningwet is
                        bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats
                        moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste
                        van het bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen
                        burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken
                        gedurende de periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren.</al><al><onderstreept>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 7.3.1 (Vervallen)</vet></al><al>Zie toelichting.</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein
                        voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te
                        verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><lijst><li nr="a."><al>overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                                bouwwerk, het open erf of terrein;</al></li><li nr="b."><al>op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of
                                vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt
                                veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder
                                begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door
                                verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;</al></li><li nr="c."><al>instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.</al></li></lijst><al>Niet van toepassing is het vorenstaande, indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde wet van toepassing is. </al><al><onderstreept>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</onderstreept></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></li><li nr="2."><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt
                                aangetrokken.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 5 Watergebruik</onderstreept></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te
                        gebruiken.</al><al><onderstreept>Paragraaf 6 Installaties</onderstreept></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of de
                        Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een goede staat
                        verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Paragraaf 1 Sloopvergunning</onderstreept></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder
                                begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van
                                burgemeester en wethouders (sloopvergunning).</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                                redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen
                                dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van
                                asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge
                                een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet, dan wel een
                                besluit tot toepassing van bestuursdwng of oplegging van een last
                                onder dwangsom. Burgemeester en wethouders kunnen aan hun besluit
                                voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts
                                voorschriften over:</al></li><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                                sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie
                                asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig
                                afval;</al></li><li nr="d."><al>het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de
                                gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor
                                zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></li><li nr="4."><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid,
                                onder letter c., kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen,
                                de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het
                                sloopterrein en het in fracties gescheiden verpakken van het
                                sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester en wethouders verbinden
                                aan de sloopvergunning met betrekking tot asbest voorschriften over
                                het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de afvoer van het
                                sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="5."><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet indien
                                in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden bouwwerk
                                voorschriften zijn gesteld over het slopen van het tijdelijke
                                bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45 van de
                                Woningwet.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van
                                een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                formulier.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag moet inhouden:</al></li><li nr="a."><al>correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast;</al></li><li nr="d."><al>de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen
                                bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk. Indien de
                                sloopwerkzaamheden bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één
                                bouwwerk in het kader van hetzelfde project, wordt een lijst met
                                bedoelde kadastrale aanduidingen en huisnummers van de
                                desbetreffende bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het
                                negende lid is gewaarmerkt;</al></li><li nr="e."><al>een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de
                                sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele
                                bouwwerk wordt gesloopt;</al></li><li nr="f."><al>het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                                bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al></li><li nr="g."><al>mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor
                                een op het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen
                                gedeelte van het bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te
                                breiden bouwwerk;</al></li><li nr="h."><al>een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal
                                plaatsvinden;</al><al> en voorts, indien van toepassing: in het sloopveiligheidsplan.</al></li><li nr="3."><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn
                                indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                overgelegd:</al></li><li nr="a."><al>een afschrift van het asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door
                                een deskundig asbestonder-zoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich
                                geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt;</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 2 oktober 1998 (= datum
                                van verwerking in de gemeentelijke bouwverordening van de vierde
                                serie wijzigingen van de Modelbouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat
                                voldoet aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat
                                er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het
                                bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993,
                                dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te worden
                                overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk
                                hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                toegepast;</al></li><li nr="c."><al>een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na
                                1 januari 1994;</al></li><li nr="d."><al>bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing
                                vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen:
                                een schriftelijke verklaring van de bouwer van het te slopen
                                bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast, alsmede een
                                schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er sinds het tijdstip
                                van de bouw geen veranderingen hebben plaatsgevonden, waarbij
                                asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al></li><li nr="e."><al>bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van
                                de fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen
                                asbest bevat, alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager
                                dat het materiaal van deze fabrikant of leverancier afkomstig
                                is;</al><al> Indien geen van bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt
                                overgelegd, wordt vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de
                                aanvrager in vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die
                                dit vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                voldoende weerleggen.</al></li><li nr="4."><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten dat
                                zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond of
                                dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien geen
                                asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden overgelegd
                                waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich
                                bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien:</al></li><li nr="a."><al>de aanvraag sloopvergunning uitsluitend betrekking heeft op het
                                verwijderen van asbest op in de aanvraag aangeduide plaatsen,
                                of</al></li><li nr="b."><al>een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b bij de
                                aanvraag is gevoegd.</al></li><li nr="5."><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat
                                een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk
                                is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van
                                hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159,
                                blz. 9), dient een onderzoek te worden ingesteld naar de
                                vermoedelijke verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van
                                dit onderzoek bij de aanvraag om sloopvergunning worden
                                gevoegd..</al></li><li nr="6."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="7."><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="8."><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
                                samenhangende terreinen, dan wel indien zij betrekking heeft op
                                asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het kader van
                                hetzelfde project.</al></li><li nr="9."><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten
                                door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel
                                gewaarmerkt worden.</al></li><li nr="10."><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft,
                                moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                                bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.</al></li><li nr="11."><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een
                                bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van
                                ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="12."><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                asbest.</al></li><li nr="13."><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking
                                heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel
                                8.2.1.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden
                                ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                                stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid de
                                door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen binnen een
                                door hen te stellen termijn. </al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c. en m.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.
                                Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes weken
                                verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij zo
                                spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk te
                                verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een vergunning
                                krachtens artikel 11 of artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een
                                provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening, een
                                leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                                dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is vereist
                                en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding
                                eindigt zes weken na bedoelde beslissing.</al><al> Bij samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de
                                laatstgenomen beslissing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een
                                bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij
                                de aanvraag om sloopvergunning –voor zover voor beide aanvragen
                                dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd– worden verwezen
                                naar die bescheiden en gegevens die zijn ingediend bij de aanvraag
                                om bouwvergunning en behoeven dezelfde bescheiden niet nogmaals te
                                worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing
                                op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op
                                de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen
                                gelijktijdig zijn ingediend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook
                                door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan
                                worden gewaarborgd;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                                onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften
                                niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of
                                een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="d."><al>een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de
                                Wet op de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is
                                verleend;</al></li><li nr="e."><al>een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond
                                van een voor-bereidingsbesluit is vereist en deze niet is
                                verleend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                indien:</al></li><li nr="a."><al>de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige
                                opgave van gegevens;</al></li><li nr="b."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning
                                geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze
                                werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                stilliggen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat
                                zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van de
                            sloopvergunning</onderstreept></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Uitzonderingen op vereiste van sloopmelding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning
                                vereist voor het ander</al><al> dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel
                                slopen van: </al></li><li nr="a."><al>geschroefde , asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een
                                op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of
                                het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van een beroep of
                                bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en
                                de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>asbesthoudende vloertegels of niet-gelijmde, asbesthoudende
                                vloerbedekking uit een woning of uit een op het erf van die woning
                                staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw niet in het
                                kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden gebruikt
                                of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                                te verwijderen asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt;</al></li></lijst><al>mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders
                        en door burgemeester </al><al>en wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is
                        medegedeeld dat geen sloop</al><al>vergunning is vereist.</al><al>Met een woning wordt gelijk gesteld een woonkeet, woonwagen of
                        logiesverblijf.</al><lijst><li nr="2."><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden
                                gemeld met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en
                                wethouders vastgesteld formulier.</al></li><li nr="3."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in 4-voud
                                worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                Nederlands zijn gesteld.</al></li><li nr="5."><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en
                                het gebruik van het bouwwerk.</al></li><li nr="6."><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of
                                uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></li><li nr="7."><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is
                                de mededeling van rechtswege gedaan.</al></li><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in
                                het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></li><li nr="9."><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                zevende lid is verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste
                                lid alsmede de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en
                                8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                nemen.</al></li><li nr="10."><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                                vrijkomt is niet toegestaan.</al></li><li nr="11."><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en
                                met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen
                                burgemeester en wethouders degene die de melding heeft gedaan in de
                                gelegenheid om binnen één week de door hen aan te geven ontbrekende
                                gegevens over te leggen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </vet></al><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen sloopvergunning
                        vereist, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
                        uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van een beroep
                        of bedrijf geheel of gedeeltelijk verwijderen van:</al><lijst><li nr="a."><al>geklemde vloerplaten onder verwarmingstoestellen</al></li><li nr="b."><al>verwijderen van beglazingskit dat is verwerkt in de constructie van
                                kassen</al></li><li nr="c."><al>rem- frictiematerialen</al></li><li nr="d."><al>pakkingen uit verbrandingsmotoren</al></li><li nr="e."><al>pakkingen uit procesinstallaties onderscheidenlijk
                                verwarmingstoestellen met een nominaal vermogen dat later is dan
                                2250 kilowatt.</al></li></lijst><al><onderstreept>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het
                        slopen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van overeenkomstige
                        toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot toepassing
                        van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom tot het slopen
                        aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                        gegeven.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen
                                krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></li><li nr="3."><al>De houder van de sloopvergunning stelt tenminste één week
                                voorafgaand aan de aanvragn van het sopen, burgemeester en
                                wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="4."><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding te
                                doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></li><li nr="2."><al>Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de
                                aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op
                                de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van
                                die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten
                                genoemde meldingen schriftelijk geschieden</al></li></lijst><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                                aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                                gesloopt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met
                                asbest te voorkomen.</al></li></lijst><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>VERVALLEN </al><al><onderstreept>Paragraaf 4 Vrij slopen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                                krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                                vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                                fracties:</al></li><li nr="a."><al>de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                                afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                                afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz
                                9);</al></li><li nr="b."><al>steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al></li><li nr="c."><al>bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al></li><li nr="d."><al>met PAKS verontreinigde materialen;</al></li><li nr="e."><al>asfalt;</al></li><li nr="f."><al>dakgrind;</al></li><li nr="g."><al>overig afval.</al></li><li nr="2."><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten
                                op het sloopterrein gescheiden worden gehouden. of overslag dat
                                bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                WMMN, adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit, hierna te noemen:
                                de welstandscommissie.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto
                                eerste lid onder d van de Woningwet.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Alternatief 3(aangepast)</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie
                                stemgerechtigde leden, waaronder de secretaris, waarvan ten minste
                                drie leden deskundig zijn op het gebied van architectuur,
                                ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.</al></li><li nr="2."><al>Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></li><li nr="4."><al>De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                                gemeentebestuur.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad mandateerd het Algemeen Bestuur van de
                                Gemeenstappelijke Regeling WMMN on de voorzitter en deskundige leden
                                van de rayoncommissies te benoemen en te ontslaan. </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de deskundige leden, zoals genoemd in artikel
                                9.3.1. en hun plaatsvervangers worden door het algemeen bestuur van
                                de Gemeenschappelijke Regeling benoemd en ontslagen. </al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste
                                voor ene termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal
                                worden herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></li><li nr="4."><al>Het Reglement op de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze
                                verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de
                                voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></li></lijst><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verslaglegging</al><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden
                        voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota;</al></li><li nr="-"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="-"><al>de bijzondere projecten.</al></li></lijst><al>De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien
                        van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de
                        aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.</al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><lijst><li nr="1"><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                lichte bouwvergunning uit binnen twee weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="2"><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning uit binnen vier weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="3"><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></li><li nr="4"><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om</al><lijst><li nr="a."><al>een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                        eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                        weken;</al></li><li nr="b."><al>een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46,
                                        eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn van
                                        twaalf weken.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46,
                                eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                weken.</al></li></lijst><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><lijst><li nr="1."><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. Plaats en tijdstip van de vergadering van de
                                welstandscommissie worden tijdig bekendgemaakt in een van
                                overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of
                                huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Daarin
                                wordt ook gemeld dat de agenda van de vergadering minimaal een dag
                                van tevoren in te zien is op het stadhuis. Indien burgemeester en
                                wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek
                                doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                                wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de
                                Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De
                                openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als
                                de adviezen.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het
                                        indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht,
                                        wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat
                                        gesteld tot het geven van een toelichting op het
                                        bouwplan.</al></li><li nr="3."><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de
                                        commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van
                                        een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de
                                        bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt
                                        behandeld.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>In het Reglement op de wlesatndscommissie dat als bijlage
                                9 bij deze verordening is vastgesteld, wordt het spreekrecht nader
                                geregeld.</al></li></lijst><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het
                                oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                                verondersteld.</al></li><li nr="2."><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie.</al></li><li nr="3."><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders – al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                – een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></li></lijst><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></li><li nr="2."><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                bouwvergunning.</al></li></lijst><al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieen bouwwerken of
                        standplaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><lijst><li nr="a."><al>op het voornemen inspraak is verleend;</al></li><li nr="b."><al>het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel> Overige administratieve
                                bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</vet></al><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet
                        moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en het doel
                        waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al><al><vet>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van
                            een</vet><vet>ontruimde onbewoonbaar ve</vet><vet>r</vet><vet>klaarde
                            woning of woonwagen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet></al><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                        woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                        gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de sloopvergunning
                        als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op wiens naam de
                        vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende
                        overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning
                        is gesteld. </al><al>In het kader van de integriteitsbeoordeling –Wet BIBOB- wordt binnenkort een
                        nieuw artikel 59a van de Woningwet van kracht. Artikel 59a maakt het
                        mogelijk een integriteitsbeoordeling uit te voeren bij een verzoek om
                        wijziging van de tenaamstelling van de bouwvergunning.</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen
                            en</vet><vet>andere voorschriften</vet></al><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                        herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen
                        en andere voorschriften waarnaar in deze verordening -of in de bij deze
                        verordening behorende bijlagen- wordt verwezen, indien de bevoegde instantie
                        de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft
                        herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                        gepubliceerd.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw </vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar gebrek (vervallen) </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en
                                slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al>Vervallen.</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in
                        enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                        bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in
                        artikel 2.1.5 van de bijlage behorende bij het Besluit indieningsvereisten
                        bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van
                        mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent
                        onderzoek kan worden gezien.</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en</vet><vet>terreinen</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                        gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op
                        basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de
                        Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van
                        artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn
                        gesteld.</al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel.. van de
                                brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 21
                                december 1989 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel
                                6.1.1.</al></li><li nr="2."><al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking –hoe ook
                                genaamd– verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening,
                                vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 21 december 1989, blijft van
                                kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of
                                totdat zij is ingetrokken.</al></li></lijst><al><vet>Overgangsbepalingen</vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing, gebruiksvergunning of
                        toestemming anderszins, die is ingediend voor het tijdstip waarop deze
                        wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog
                        niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing,
                        zoals die luidden voor de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de wens
                        te kennen geeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast. Het
                        bovenstaande is slechts van toepassing voorzover deze bepalingen in
                        overeenstemming zijn met de Wet tot wijziging van de Woningwet en enkele
                        andere wetten (verbetering naleving, handhaafbaarheid en handhaving
                        bouwregelgeving) ( Wet van 21 december 2006, Stb. 2007, 27)</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die waarop zij
                                is afgekondigd, met uitzondering van de artikelen: 4.11, 8.1 t/m
                                8.10 en 12.5.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 4.11, 8.1 t/m 8.10 en 12.5 treden in werking op een
                                nader door burgemeester en wethouders te bepalen tijdstip, doch voor
                                1 oktober 1993.</al></li><li nr="3."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al></li><li nr="a."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d.
                                21 december 1989, voor zover deze brandbeveiligingsverordening eisen
                                aan het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt;</al></li><li nr="b."><al>de verordening op de seizoensverblijven, vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 25 januari 1970 en gewijzigd bij besluit van 6
                                maart 1974;</al></li><li nr="c."><al>de bouwverordening logiesgebouwen, vastgesteld bij raadsbesluit van
                                29 mei 1975 en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 31 maart
                                1983;</al></li><li nr="d."><al>de verordening op de verblijfsgebouwen, vastgesteld bij raadsbesluit
                                van 30 november 1972, laatstelijk gewijzigd op 29 mei 1975.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan aangehaald worden als bouwverordening.</al></li></lijst><al>II</al><al>Zijn besluit van 20 december 1990, nr. 3181 tot het instellen van een
                        deskundig college voor het uitbrengen van welstandsadvies voor het als
                        beschermt stadsgezicht aangewezen gebied van deze gemeente met ingang van 1
                        januari 1993 in te trekken.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        IJsselstein gehouden op 20 december 2007. In werking getreden op 16 januari
                        2008 (publicatiedatum).</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag
                        bouwvergunning</vet></al><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                        bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                        (vervallen)</al><al>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al><al><vet>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag
                            gebruiksvergunning</vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.1.2</al><al>De aanvraag voor een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de
                        volgende gegevens bevatten.</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><lijst><li nr="a."><al>De naam en het correspondentieadres in Nederland van de
                                aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                correspondentieadres in Nederland, en een door de aanvrager
                                ondertekende machtiging;</al></li><li nr="c."><al>een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het
                                bouwwerk of de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                                energiebron;</al></li><li nr="e."><al>voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum
                                aantal personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal
                                verblijven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De aanvraag om vergunning bedoelt in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van
                        de volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo
                                mogelijk de straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de
                                bouwwerken, op een schaal van 1:1000;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de
                                bouwwerken op een schaal van ten minste 1:100, aangevende de
                                indeling, de bestemming van de verschillende ruimten en de aan te
                                brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop voor de in artikel
                                6.1.1, eerste lid, onder c. en d., bedoelde bouwwerken tevens de
                                opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;</al></li><li nr="c."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder
                                a, daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100,
                                aangevende de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor
                                het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte;</al></li><li nr="d."><al>voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder
                                a, voor zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in
                                rijen worden opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een
                                schaal van tenminste 1:100, aangevende de opstelling van de
                                zitplaatsen, de vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor
                                het publiek beschikbare vrije vloeroppervlakte.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                        overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                        indieningsvereisten.</al><al><vet>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting bij bijlage 3 </cursief>Bijlage
                        behorende bij artikel 6.2.1 , eerste lid</al><al>De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te
                        realiseren. De voorschriften hebben een gebruikscomponent en een
                        beheercomponent. Onder de gebruikscomponent vallen de voorschriften die
                        gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze voorschriften hebben als doel
                        risico’s te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan
                        beperkt worden door preventieve maatregelen (veilig omgaan met mogelijk
                        gevaarlijke situaties) en het inperken van mogelijke gevolgen. Onder de
                        beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn op het
                        instandhouden van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                        brandveiligheid. </al><al>Deze gebruikseisen gelden voor alle bouwwerken met inbegrip van woonfuncties
                        en woonwagens.</al><al><vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere
                                bluswaterwinplaatsen moeten voldoende worden vrijgehouden voor
                                blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>De verbindingsweg, bedoeld in de <cursief>artikelen 2.5.3, eerste en
                                    tweede lid, en 5.1.2, eerste en tweede lid</cursief>, en de
                                bijbehorende opstelplaatsen voor brandweervoertuigen moeten over de
                                volle hoogte en ter breedte van de verharding worden vrijgehouden.
                                Hekwerken die deze verbindingswegen en opstelplaatsen afsluiten,
                                moeten snel en gemakkelijk kunnen worden geopend.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 1</cursief></al><al>Lid 1 </al><al>De term ‘voldoende vrij’ kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de
                        publicatie ‘Handleiding </al><al>Bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ of de publicatie
                        ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ uitgave Ne-</al><al>derlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus
                        7010, 6801 HA </al><al>ARNHEM, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl </al><al>Lid 2 </al><al>Het snel kunnen openen betekent dat de vertraging als gevolg van het moeten
                        openen van het </al><al>hekwerk maximaal 30 seconden bedraagt hekwerk maximaal 30 seconden
                        bedraagt.</al><al><vet>Artikel 2 Elektrische installatie en toestellen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een
                                verlichtingstoestel te gebruiken, indien dat gebruik door de
                                eigenschappen van die installatie of dat toestel gevaar oplevert
                                voor het ontstaan van brand.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een
                                verlichtingstoestel op zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik
                                door de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of
                                aangebracht, gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.</al></li><li nr="3."><al>De bij of krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste
                                noodverlichtingsinstallatie wordt ten minste eenmaal per jaar door
                                een ter zake kundige gecontroleerd op de goede werking. Het nodige
                                onderhoud wordt verricht.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 2</cursief> Lid 1 Geacht wordt te zijn
                        voldaan aan de eisen indien de eigenschappen van de verlichtingsinstallatie
                        in overeenstemming zijn met het bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003,
                        zoals laatstelijk herzien. Lid 2 Het is niet toegestaan een
                        verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel aan te brengen in de
                        omgeving van brandgevaarlijke materialen. De stoffering en versiering moet
                        vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de
                        oppervlaktetemperatuur meer dan 90 graden C bedraagt (zie ook Bijlage 4,
                        artikel 2). Lid 3 Er wordt geacht te zijn voldaan aan de eis wanneer de
                        inspectie en het onderhoud is verricht volgens de publicatie 79 ‘Inspectie
                        en onderhoud van noodverlichtingsinstallaties’ van ISSO/NFVN/Uneto-VNI, juni
                        2004. De resultaten van de inspectie en onderhoud dienen opgenomen te worden
                        in het logboek. De publicatie is verkrijgbaar bij Instituut voor Studie en
                        Stimulering van onderzoek op het gebied van gebouwinstallaties (ISSO),
                        Postbus 1819, 3000 BV ROTTERDAM, telefoon (010) 206 59 69, www.isso.nl.</al><al><vet>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden
                                opgeslagen/opgesteld. Stooktoestellen die buiten een stookruimte
                                zijn opgesteld, dienen vrij te worden gehouden van brandbare
                                goederen.</al></li><li nr="2."><al>Een opening ten behoeve van de toevoer van verbrandingslucht, op
                                grond van enige b regeling geëist, wordt niet
                                afgesloten.Werkzaamheden, waaronder die voor onderhoud, herstel en
                                sloop, dienen zodanig te worden uitgevoerd dat de goede werking van
                                de luchttoevoer daardoor niet wordt verstoord.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                                gebruiken, indien dat gebruik door de eigenschappen van die
                                installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan
                                van brand.</al><al> Het bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet
                                geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van:</al></li><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties die voldoen aan de veiligheidseisen
                                voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen in NEN 3028, uitgave
                                2004;</al></li><li nr="-"><al>centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt
                                gedistribueerd door middel van pijpleidingen welke installaties
                                bovendien voldoen aan de gasinstallatievoorschriften, opgenomen in
                                NEN 1078, uitgave 1999;</al></li><li nr="-"><al>niet op de centrale distributienetten aangesloten installaties voor
                                het stoken met vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078,
                                uitgave 1999.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel te
                                gebruiken, indien dat gebruik door de wijze waarop die installatie
                                of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar oplevert voor het
                                ontstaan van brand.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden een verwarmingstoestel dat bedoeld is te
                                functioneren met een rookgasafvoer te gebruiken zonder een
                                doeltreffende voorziening voor de afvoer van rook.</al></li></lijst><al><cursief>Artikel 3, zesde lid</cursief>, vervalt.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 3 </cursief>Lid 1 Met brandbare
                        goederen wordt bedoeld goederen die zijn opgenomen in de Regeling
                        Bouwbesluit 2003. In de stookruimte mogen dergelijke goederen niet worden
                        opgeslagen of opgesteld. De straling rondom een stooktoestel buiten een
                        stookruimte mag geen pyrofore verbranding veroorzaken. Dit betekent dat het
                        gebied rondom het stooktoestel waar een temperatuur van 90 graden Celsius
                        kan optreden, moet worden vrijgehouden van brandbare materialen. Dit artikel
                        ligt in de lijn van artikel 6.4.1 waarin onder andere wordt gesteld dat het
                        verboden is brand en/of brandgevaar te veroorzaken. Lid 2 Wanneer de toevoer
                        van een gesloten verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal het
                        verbrandingstoestel op den duur niet meer functioneren. Wanneer de toevoer
                        van een open verbrandingstoestel wordt dichtgezet, zal er in het
                        verbrandingstoestel een tekort aan zuurstof ontstaan. Als gevolg hiervan zal
                        er een onvolledige verbranding plaatsvinden. Bij een onvolledige verbranding
                        komt het zeer giftige koolmonoxide vrij. De koolmonoxide zal naar binnen
                        stromen en vormt hiermee een gevaar voor mensen. </al><al>Lid 3 De genoemde normbladen bevatten eisen die mede verband houden met de
                        brandveiligheid. Lid 4 Een installatie voor verwarming en kooldoeleinden in
                        de omgeving van brandgevaarlijke materialen is niet toegestaan. Er dienen
                        zodanige maatregelen getroffen te worden, bijvoorbeeld door het verplaatsen
                        van de verwarmingsinstallatie of het aanbrengen van een isolerende laag, dat
                        de brandbare materialen niet hun eigen ontbrandingstemperatuur zullen
                        bereiken. Wanneer de temperatuur van de materialen nabij een
                        rookafvoerkanaal hoger kan worden dan 90 graden C dienen deze materialen
                        onbrandbaar te zijn volgens NEN 6064, uitgave 1991 en NEN 6064/2, uitgave
                        2001 ‘Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen’. Lid 5 De
                        voorzieningen die op grond van enig voorschrift uit het Bouwbesluit zijn
                        vereist, dienen te voldoen aan de aansluitvoorwaarden.</al><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rookgassen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken
                                dat niet doeltreffend is gereinigd.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook uit te
                                branden.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook te gebruiken,
                                indien dit gebruik door de toestand waarin een voorziening voor
                                afvoer van rook zich bevindt dreigend gevaar oplevert voor de
                                veiligheid van personen.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een voorziening voor afvoer van rook waarin brand
                                heeft gewoed te gebruiken voordat het is gereinigd en zonodig
                                hersteld.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 4</cursief> Lid 1 Met een doeltreffende
                        reiniging wordt in geval van vaste en vloeibare brandstoffen bedoeld dat een
                        voorziening voor de afvoer van rook afhankelijk van het gebruik gemiddeld
                        eenmaal per jaar wordt gereinigd. Voor een afvoerkanaal voor gasvormige
                        brandstoffen is eenmaal per jaar een controle en indien noodzakelijk een
                        reiniging noodzakelijk. Lid 2 Het is niet toegestaan de omgeving overlast te
                        bezorgen door een voorziening voor de afvoer van rook uit te branden.
                        Daarnaast is er een aanzienlijk risico op het ontstaan van beschadigingen
                        aan de voorziening voor de afvoer van rook als gevolg van het uitbranden.
                        Lid 3 Het is niet toegestaan een voorziening voor de afvoer van rook te
                        gebruiken, die niet deugdelijk is geconstrueerd, of die scheurvorming
                        vertoont. De omgeving van een dergelijke voorziening voor de afvoer van rook
                        mag geen gevaar lopen. Lid 4 Het is niet toegestaan een voorziening voor de
                        afvoer van rook te gebruiken die niet is gereinigd en zonodig hersteld nadat
                        er een brand heeft gewoed. De voorziening voor de afvoer van rook kan dan
                        namelijk scheurvorming vertonen en daarmee loopt de omgeving gevaar.</al><al><vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben</al></li><li nr="-"><al>in een ruimte bestemd voor de opslag van een of meer der stoffen
                                genoemd in de Regeling Bouwbesluit 2003;</al></li><li nr="-"><al>bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                                brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken;</al></li><li nr="-"><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare
                                vloeistof of een brandbaar gas.</al></li><li nr="3."><al>Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een
                                zodanig verbod, ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens
                                wettelijk voorschrift is gesteld, op een voor een ieder kenbare
                                wijze is aangegeven.</al></li><li nr="3."><al>Het rookverbod c.q. open vuur verbod wordt op opvallende plaatsen
                                duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van het opschrift
                                ‘VERBODEN TE ROKEN’ of ‘VERBODEN VOOR OPEN VUUR’, dan wel door
                                middel van een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde
                                in de norm NEN 3011, uitgave 2004.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 5</cursief> Lid 1</al><al>Vanwege de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen mag in een opslagruimte
                        niet worden gerookt of open vuur aanwezig zijn. Niemand mag roken of vuur
                        bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijke verbod is afgekondigd. Er
                        dient in de desbetreffende ruimte duidelijk en zichtbaar een bord met het
                        opschrift ‘verboden te roken’ aangebracht te worden. Lid 2 Niemand mag roken
                        of vuur bij zich dragen op plaatsen waar een dergelijk verbod is
                        afgekondigd. Op de betreffende plaatsen dient duidelijk zichtbaar met
                        pictogrammen aangeduid te zijn dat roken en het bij zich dragen van vuur
                        verboden is. Het verbod kan zijn opgesteld in de Woningwet, de Wet
                        milieubeheer, de Brandweerwet of de Arbeidsomstandighedenwet of de bij deze
                        wetten behorende besluiten en maatregelen. Lid 3 In het derde lid van
                        artikel 5 wordt geregeld hoe aan de mensen kenbaar gemaakt moet worden dat
                        er sprake is van een rookverbod. </al><al><vet>Artikel 6 Blusleidingen en de bijbehorende pompinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het
                                nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
                                de reinheid en goede werking van blusleidingen en de eventueel
                                bijbehorende pompinstallaties.</al></li><li nr="2."><al> Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar
                                wordt de droge blusleiding getest conform NEN 1594, uitgave 1991 en
                                NEN 1594/A1, uitgave 1997. </al></li><li nr="3."><al>De pompinstallatie voor de blusleiding moet ten minste eenmaal per
                                maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                                gerepareerd.</al></li><li nr="4."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het
                                nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
                                de goede werking van de pompinstallatie voor de blusleiding en de
                                bijbehorende pompinstallatie.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 6</cursief> Lid 1 De blusleidingen en de
                        bijbehorende pompinstallaties dienen eenmaal per jaar visueel geïnspecteerd
                        te worden op gebreken door de gebouweigenaar. De resultaten van de inspectie
                        dienen te worden vastgelegd in het logboek. Indien gebreken zijn
                        geconstateerd, dienen deze verholpen te worden door een installateur. </al><al>Lid 2 De droge blusleiding dient eenmaal per vijf jaar gecontroleerd en
                        zonodig gerepareerd te worden door een installateur. De droge blusleiding
                        moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden onderworpen aan een druk
                        van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld. Deze druk moet zich
                        zonder bijpompen gedurende vijf minuten handhaven. Boven de zeventig meter
                        moet voor elke tien meter de druk met 100 kPa worden verhoogd. De resultaten
                        van deze test moeten, in de vorm van een testrapport, opgenomen worden in
                        het logboek. Lid 3 Het toepassingsgebied van de in artikel 6, tweede lid
                        genoemde norm NEN 1594, uitgave 1991 en NEN 1594/A1, uitgave 1997 ‘Droge
                        blusleidingen in en aan gebouwen’ beperkt zich tot gebouwen die niet hoger
                        zijn dan zeventig meter. Dit houdt verband met de beschikbare opvoerdruk van
                        een blusvoertuig van de brandweer die vanaf deze hoogte problematisch wordt.
                        Bij gebouwen hoger dan zeventig meter dient een zelfstandige pompinstallatie
                        te worden geïnstalleerd. De pompinstallatie dient minimaal eenmaal per
                        vierentwintig uur gedurende vijf minuten proef te draaien. Dit dient
                        automatisch te gebeuren. Bij brandmelding moet de testprocedure worden
                        overbrugd. Het functioneren hiervan moet buiten de pompruimte, bijvoorbeeld
                        in de portiersloge, receptie en/of een commandoruimte, optisch worden
                        gesignaleerd. (Ontleend aan de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’
                        van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR)
                        Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl) Ten
                        minste eenmaal per maand dienen de resultaten van het automatische
                        proefdraaien vastgelegd te worden in het logboek. Lid 4 De installatie dient
                        gecontroleerd te worden door een installateur die indien noodzakelijk
                        herstelwerkzaamheden uitvoert. De resultaten van de inspectie dienen
                        opgenomen te worden in het logboek.</al><al><vet>Artikel 7 Brandweerlift</vet></al><al> Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                        onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid,
                        veiligheid en goede werking van brandweerliften;</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 7</cursief> Wanneer een lift regelmatig
                        wordt getest volgens het Warenwetbesluit Liften wordt niet volledig voldaan
                        aan dit artikel. Bij een vervolgkeuring worden door het Liftinstituut de
                        volgende zaken gecontroleerd: </al><lijst><li nr="·"><al>Oproep hoofdstopplaats; </al></li><li nr="·"><al>Alle overige oproepen vervallen; </al></li><li nr="·"><al>Alleen kooiopdrachten; </al></li><li nr="·"><al>Parkeren met geopende deuren; </al></li><li nr="·"><al>Fotocellen uitgeschakeld. </al></li></lijst><al>Een lift dient ook getest te worden op de volgende onderdelen: </al><lijst><li nr="·"><al>De schachtventilatie; </al></li><li nr="·"><al>De plaatsing van de schakelaar voor de liftvoeding in de
                                laagspanningsruimte; </al></li><li nr="·"><al>De ligging van de voedingskabel naar de hoofdschakelaar van de lift
                                in de machinekamer. </al></li></lijst><al> Een vervolgkeuring vindt de eerste keer plaats na uiterlijk twaalf maanden
                        en vervolgens iedere keer na uiterlijk achttien maanden. De resultaten van
                        de test dienen opgenomen te worden in het logboek. Indien nodig, dienen
                        onmiddellijk herstelwerkzaamheden uitgevoerd te worden. Het onderhoud van
                        liften wordt geregeld in NEN-EN 13015, uitgave 2001 ‘Onderhoud van liften en
                        roltrappen – Regels voor onderhoudsinstructies’.</al><al><vet>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de bij of krachtens hoofdstuk 2 vereiste
                        brandmeldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer moet te
                        allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd,als bedoeld in
                        de Regeling Brandmeldingsinstallaties 2002 van het Centrum voor
                        Criminaliteitspreventie als Veiligheid (CCV) in Den Haag, den wel een
                        certificaat waarvan een door burgemeester en wethouders erkende , ter zake
                        kundige, onafhankelijke onderzoeksinstelling in een schriftelijke verklaring
                        heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een
                        certificaat als bedoeld in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallties
                        2002.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 8</cursief> Deze eis is bedoeld om
                        ongewenste en onechte meldingen op een adequate manier te voorkomen. </al><al>Om dit te bereiken is het onder andere noodzakelijk dat er een opgeleid
                        beheerder brandmeldinstallatie beschikbaar is, zoals bedoeld in NEN 2654-1,
                        uitgave 2002 ‘Beheer, controle en onderhoud van
                        brandbeveiligingsinstallaties’.</al><al>Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en wethouders
                        bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de
                        NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften waarnaar
                        in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt verwezen, indien
                        de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                        voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                        gepubliceerd.</al><al>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</al><lijst><li nr="1."><al>De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk
                                gebruik beschikbaar zijn. Het beheer, de controle en het onderhoud
                                van de ontruimingsalarminstallatie wordt geregeld conform NEN
                                2654-2, uitgave 2004.</al></li><li nr="2."><al>Het ontruimingsplan wordt opgenomen in het logboek. Daarnaast worden
                                de verslagen van de ontruimingsoefeningen bijgehouden in het
                                logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan wordt de
                                aanbeveling voor het opstellen van ontruimingsplannen gevolgd. Deze
                                NTA 8112 ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door
                                het Nederlands Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfuncties is
                                een apart deel beschikbaar.</al></li></lijst><al>De totale reeks ziet er als volgt uit. Op dit moment zijn nog niet alle
                        delen beschikbaar. De actuele stand van zaken vindt u op www.nen.nl. </al><al>Deel 1: Kantoorgebouwen</al><al>Deel 2: Onderwijsgebouwen</al><al>Deel 3: Kinderopvanggebouwen</al><al>Deel 4: Gebouwen met een publieksfunctie</al><al>Deel 5: Logiesgebouwen</al><al>Deel 6: Gezondheidszorggebouwen</al><al>Deel 7: Industriegebouwen</al><al>Deel 8: Cellen en celgebouwen</al><al>Deel 9: Ontruimingshandleiding en ontruimingskaart voor
                        niet-vergunningsplichtige bouwwerken </al><al>Wanneer het door u benodigde deel nog niet beschikbaar is, kunt u gebruik
                        maken van de publicatie ‘Ontruimingsplannen en –oefeningen’ van het
                        Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening. Deze publicatie is
                        verkrijgbaar via het Nederlands Instituut voor Bedrijfshulpverlening
                        (NIBHV), Postbus 8714, 3009 AS Rotterdam. www.nibhv.nl.</al><al>De aanwezigheid van een ontruimingsplan wordt eveneens vereist op grond van
                        artikel 6.1.1, tweede lid, MBV, artikel 9 van bijlage 3 MBV, artikel 15
                        Arbowet en afdeling 4 van het Arbobesluit.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 9 </cursief>Lid 1 Om in een
                        calamiteit alle aanwezigen te kunnen alarmeren, stelt hoofdstuk 2 eisen aan
                        de aanwezigheid van een ontruimingsalarminstallatie. Uiteraard moet de
                        werking van een aanwezige ontruimingsalarminstallatie (ook wanneer deze niet
                        geëist wordt in bedoeld hoofdstuk 2, maar wel in een gebouw aanwezig is)
                        gegarandeerd zijn. Gebruikers van een gebouw moeten namelijk kunnen
                        vertrouwen op de goede werking van de ontruimingsalarminstallatie. Lid 2 Een
                        ontruimingsplan dient ter goedkeuring aangeboden te worden aan de commandant
                        brandweer. Na goedkeuring dient het ontruimingsplan opgenomen te worden in
                        het logboek. Voor de opstelling van het ontruimingsplan dient de aanbeveling
                        voor het opstellen van ontruimingsplannen te worden gevolgd. Deze NTA 8112
                        ‘Leidraad voor een ontruimingsplan’ wordt uitgegeven door het Nederlands
                        Normalisatie Instituut. Voor veel gebruiksfunctie is een apart deel
                        beschikbaar.</al><al><vet>Artikel 10 Automatische brandblusinstallaties</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet
                        te allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat door
                        burgemeester en wethouders wordt aanvaard. Burgemeester en wethouders
                        aanvaarden altijd een geldig certificaat indien dit certificaat afkomstig is
                        van een certificeringsinstelling die terzake is erkend door de Raad voor
                        Accreditatie. </al><al><cursief>Toelichting bij artikel 10</cursief> Dit artikel heeft als doel dat
                        de werking van een automatische brandblusinstallatie in een gebouw altijd
                        gegarandeerd is. Een automatische brandblusinstallatie kan toegepast worden
                        in een gebouw in het kader van ‘gelijkwaardigheid’ of in het kader van
                        ‘gelijkwaardige veiligheid’. We spreken over ‘gelijkwaardigheid’ wanneer er
                        sprake is van een situatie die past binnen het toepassingsgebied van het
                        Bouwbesluit waarbij de eigenaar van het gebouw de automatische
                        brandblusinstallatie toepast als alternatief voor bouwkundige brandwerende
                        voorzieningen. We spreken over ‘gelijkwaardige veiligheid’ wanneer er sprake
                        is van een situatie die buiten het toepassingsgebied van het Bouwbesluit
                        valt. Een voorbeeld hiervan is een gebouw dat hoger is dan zeventig meter. </al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt bovendien met zich mee dat
                        certificaten van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie,
                        alsmede Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden
                        aanvaard, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de
                        gevestigde instituten in Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in
                        de bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake
                        het gebruik van de automatische brandblusinstallatie, dat wil zeggen een
                        –niet verlopen- kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring
                        van de staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking. De
                        automatische brandblusinstallatie is ontworpen, aangelegd, opgeleverd en
                        onderhouden overeenkomstig een programma van eisen. Het programma van eisen
                        is beoordeeld door een inspectie-instelling. Deze inspectie-instelling
                        voldoet voor wat betreft het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van
                        brandbeveiligingsinstallaties aan EN 45004 en is daarbij een type A
                        inspectie-instelling. De inspectie-instelling is geaccrediteerd door de
                        Stichting Raad voor Accreditatie. Het programma van eisen is goedgekeurd
                        door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg van de automatische
                        brandblusinstallatie wordt begonnen. Het programma van eisen, alsmede het
                        bewijs van beoordeling door de inspectie-instelling is binnen de inrichting
                        aanwezig. Een installatie is voorzien van een geldige kwaliteitsverklaring
                        (certificaat) die is afgegeven door een certificatie-instelling die
                        geaccrediteerd is door de Stichting Raad voor Accreditatie.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen beleid voeren op dit onderdeel en daarin
                        bepalen van welke certificeringsinstellingen die niet terzake erkend zijn
                        door de Raad voor Accreditatie geldige certificaten worden aanvaard.</al><al>Uiterlijk één maand na de aanleg van de installaties, en vervolgens iedere
                        twaalf maanden daarna, worden de installaties geïnspecteerd door een EN
                        45004, type A, inspectie-instelling die geaccrediteerd is door de Stichting
                        Raad voor Accreditatie. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting
                        aanwezig. </al><al><vet>Artikel 11 Branddlanghaspels en de bijbehorende
                        pompinstallaties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De pompinstallatie van een bij of krachtens enig wettelijk
                                voorschrift aanwezige brand slanghaspel moet ten minste eenmaal per
                                maand worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden
                                gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het
                                nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op
                                de reinheid en goede werking van de brandslanghaspel en de daarbij
                                behorende pompinstallaties conform NEN –EN 671-3, uitgave 2000.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 11</cursief> De resultaten van de controles
                        dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 671-3, uitgave 2000
                        ‘Vaste brandblusinstallaties – brandslangsystemen – deel 3: Onderhoud van
                        brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslanginstallaties met plat
                        opgerolde slang’ geeft eisen voor de inspectie en het onderhoud van
                        brandslanghaspels en brandslangsystemen, waardoor de werking van het product
                        in overeenstemming blijft met het doel waarvoor ze zijn geproduceerd,
                        geleverd of geïnstalleerd. Brandslanghaspels en brandslangsystemen zijn
                        bedoeld als eerste interventiemiddel bij het blussen van een brand totdat er
                        krachtiger blusacties door de brandweer worden ingezet.</al><al><vet>Artikel 12 Automatisch werkende deuren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Automatisch werkende deuren in een vluchtroute mogen de ontvluchting
                                niet belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Bij aanwezigheid van een sluisconstructie worden voorzieningen
                                getroffen, zodat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt
                                gedaan.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 12</cursief> Lid 1 Automatisch werkende
                        deuren in een vluchtroute moeten bij het wegvallen van de netspanning
                        automatisch opengaan of gemakkelijk met de hand kunnen worden geopend en
                        vervolgens in geopende stand blijven staan. Op handmatig te openen
                        schuifdeuren moet duidelijk kenbaar worden gemaakt hoe de deur moet worden
                        geopend. Dit artikel geldt niet voor automatisch werkende schuifdeuren
                        waarvoor een brandwerendheidseis of een rookwerendheidseis geldt op grond
                        van enig wettelijk voorschrift. De betreffende deuren moeten zelfsluitend
                        zijn en handmatig geopend kunnen worden. Lid 2 Bij aanwezigheid van een
                        sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn getroffen dat in geval van
                        brand de sluiswerking teniet wordt gedaan. De voorzieningen moeten voldoen
                        aan het gestelde in de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de
                        Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR),
                        Postbus 7010, 6801 HA Arnhem, telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.
                        Voorbeelden van sluisconstructies die in dit artikellid bedoeld worden, zijn
                        tochtsluizen en bewakingssluizen. Dit artikellid is niet van toepassing op
                        rooksluizen zoals bedoeld in artikel 2.135 van het Bouwbesluit.</al><al>Artikel 12A Deuren van overdruktrappenhuizen</al><al>De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                        overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, uitgave 1995, moeten op
                        ooghoogte zijn voorzien van een herkenbaar opschrift waaruit blijkt dat het
                        een overdruktrappenhuis is.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 12A</cursief> Wanneer een trappenhuis op
                        overdruk staat, kunnen vluchtende mensen denken dat de toegang tot het
                        trappenhuis op slot zit. De weerstand van een deur waarbij het trappenhuis
                        op overdruk staat, is groter dan de weerstand van een normale deur. Een
                        voorbeeld van een opschrift is: ‘HARD DUWEN, trappenhuis kan op overdruk
                        staan’.</al><al><vet>Artikel 13 Kwaliteit van vluchtrouteaanduiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vluchtrouteaanduiding, die bij of krachtens enig wettelijk
                                voorschrift is vereist, dient altijd goed zichtbaar te zijn.</al></li><li nr="2."><al>De vluchtrouteaanduiding die bij of krachtens enig wettelijk
                                voorschrift is vereist, wordt tenminste eenmaal per jaar
                                gecontroleerd en zo nodig gerepareerd.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 13</cursief> Lid 1 De vluchtrouteaanduiding
                        dient te voldoen aan het gestelde in artikel 2.6.8 tot en met 2.6.10 van de
                        bouwverordening. Vluchtrouteaanduidingen moeten te allen tijde zichtbaar
                        zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er geen gordijnen voor de
                        vluchtrouteaanduiding mogen hangen. Voor de staat van
                        vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en als grondslag voor een
                        besluit op grond van artikel 13 Woningwet, dan wel het toepassen van
                        bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom wordt het hiervoor
                        bedoelde voorschrift in artikel 2.6.9, eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van de bouwverordening. Lid 2 De
                        resultaten van de controle dienen opgenomen te worden in het logboek.</al><al><vet>Artikel 14 Gasflessen</vet></al><al>VERVALLEN</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 14</cursief></al><al>VERVALLEN </al><al><vet>Artikel 15 Rookbeheersingssystemen</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik, het onderhoud en de controle van het bij of
                        krachtens enig wettelijk voorschrift vereiste rookbeheersingssysteem moet te
                        allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                        door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 15</cursief> Er bestaan diverse
                        rookbeheersingssystemen. Voorbeelden zijn: rook- en
                        warmteafvoerinstallaties, overdrukinstallaties en stuwkrachtventilatie. Van
                        het gebruik, het onderhoud en de controle van rookbeheersingssystemen moet
                        te allen tijde een certificaat kunnen worden overlegd. De
                        rookbeheersinssystemen moeten voldoen aan het gestelde in de publicatie
                        ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                        Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem,
                        telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</al><al>Artikel 16 Vervallen</al><al><vet>Artikel 17 Onderhoud van rook- en brandscheidingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor een
                                rookwerendheidseis en/of brandwerendheidseis geldt, worden ten
                                minste eenmaal per maand gecontroleerd op een goede werking en zo
                                nodig gerepareerd.</al></li><li nr="2."><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het
                                nodige onderhoud verricht en een controle gehouden op de goede
                                werking van de voorzieningen in doorvoeren door een wand waarvoor
                                een rookwerendheidseis en/of een brandwerendheidseis geldt.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 17</cursief> Alle voorzieningen in
                        doorvoeren door een wand waarvoor een rookwerendheidseis en/of
                        brandwerendheidseis geldt, worden ten minste eenmaal per maand gecontroleerd
                        op een goede werking en zo nodig gerepareerd. Voorbeelden van de bedoelde
                        voorzieningen zijn brandkleppen en brandmanchetten. Deze voorzieningen
                        kunnen getroffen zijn in luchtbehandelingskanalen, maar ook kabelgoten,
                        transportsystemen en buizenpost zijn voorbeelden van doorvoeren die door
                        wanden kunnen lopen waarvoor een rookwerendheidseis en/of
                        brandwerendheidseis geldt. De resultaten van de controles dienen opgenomen
                        te worden in het logboek.</al><al><vet>Artikel 18 Vervallen</vet></al><al><vet>Artikel 19 Logboek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De historie van de brandbeveiligingsvoorzieningen, de werkzaamheden
                                en het onderhoud bij of krachtens enig voorschrift uit deze
                                verordening inclusief bijlagen vereist, worden in een logboek
                                vermeld.</al></li><li nr="2."><al>Het logboek ligt in het bouwwerk ter inzage en wordt onmiddellijk
                                aan de met toezicht belaste personen getoond.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 19</cursief> Met de historie van de
                        installatie wordt bedoeld: alle technisch relevante informatie voor een
                        correcte aanleg van de installatie, de werkzaamheden die verricht zijn aan
                        de installatie, de verslagen van de maandelijkse controles, de certificaten
                        etc. Eveneens dienen de resultaten van de ontruimingsoefeningen in het
                        logboek vastgelegd te worden. Het logboek moet onmiddellijk beschikbaar
                        zijn, zodat handhavers en toezichthouders het kunnen raadplegen.</al><al><vet>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                            bedrijfsuitoefening</vet></al><al>Voordat er onderhouds-, herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden
                        worden uitgevoerd, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit
                        2003, of gereedschappen worden gebruikt, in, op of aan een bouwwerk of
                        installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn kunstwaarde, wetenschappelijk
                        of maatschappelijk belang bijzondere bescherming behoeft tegen brandgevaar,
                        wordt dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan burgemeester en
                        wethouders gemeld.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 20</cursief> Burgemeester en wethouders
                        dienen op de hoogte te worden gesteld van werkzaamheden die worden verricht
                        aan bijzondere gebouwen. Het betreft hier onderhouds-, herstellings-,
                        wijzigings- of sloopwerkzaamheden waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling
                        Bouwbesluit 2003 of gereedschappen worden gebruikt. </al><al>Bijzondere gebouwen zijn gebouwen die kunstwaarde hebben of van
                        wetenschappelijk of maatschappelijk belang zijn. Per gemeente wordt bepaald
                        voor welke gebouwen deze eis van toepassing is. </al><al><vet>Artikel 21 </vet><vet>Rookmelders in woningen</vet></al><al>De op grond van <cursief>artikel 2.146, lid 7</cursief>, van het Bouwbesluit
                        2003 aanwezige rookmelders moeten adequaat functioneren volgens NEN 2555,
                        uitgave 2002.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 21</cursief> Met dit artikel wordt bedoeld
                        dat de rookmelders in woningen die op grond van artikel 2.146, lid 7 van het
                        Bouwbesluit vereist zijn, adequaat moeten functioneren volgens NEN 2555,
                        uitgave 2002, ‘Brandveiligheid van gebouwen – rookmelders voor
                        woonfuncties’. De op grond van enig ander wettelijk voorschrift
                        noodzakelijke rookmelders vallen buiten dit artikel. Rookmelders hebben een
                        beperkte levensduur. De werking van de rookmelder dient te allen tijde
                        gegarandeerd te zijn.</al><al><vet>Artikel 22 </vet><vet>Roltrap</vet></al><al>Een terugloopruimte van een roltrap wordt ter voorkoming van brand
                        vrijgehouden van vuil en stof. Deze ruimte wordt daartoe overeenkomstig
                        NEN-EN 13015, uitgave 2001, ten minste eenmaal per</al><al>kwartaal onderhouden en gereinigd.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 22</cursief> Wanneer de terugloopruimte van
                        een roltrap niet deugdelijk onderhouden en gereinigd is, bestaat er een
                        verhoogd risico op het ontstaan van brand.</al><al>Artikel 23 Garantiecertificaat</al><al>Constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                        benodigde prestaties kunnen garanderen, zijn voorzien van een geldig
                        certificaat. Het certificaat wordt opgenomen in het logboek.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 23</cursief> Voorbeelden van
                        constructie-onderdelen die uitsluitend met aanvullende behandelingen de
                        benodigde prestaties kunnen garanderen zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>Rieten daken; na behandeling kan een rieten dak niet-brandgevaarlijk
                                zijn. </al></li><li nr="·"><al>Stalen draagconstructies; na behandeling met een verfsysteem kan de
                                draagconstructie brandwerend zijn. </al></li><li nr="·"><al>Houten gevelbekleding; na behandeling met een impregneermiddel kan
                                de gevelbekleding voldoen aan de eisen die gelden ten aanzien van
                                brandvoortplanting. </al></li></lijst><al>Aangezien de benodigde behandeling van de constructie veroudert, bestaat er
                        een risico op een vermindering van de kwaliteit. Deze kwaliteit dient
                        gegarandeerd te worden doordat een geldig certificaat beschikbaar is. Er
                        wordt vanuit gegaan dat de benodigde voorzieningen in beginsel goed zijn
                        aangebracht en dat ze in stand worden gehouden.</al><al>Artikel 24 Opslag van goederen in rookvrije vluchtroutes</al><al>De opslag van goederen is niet toegestaan in:</al><lijst><li nr="a."><al>rookvrije vluchtroutes van slaapgebouwen (woonfunctie,
                                logiesfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie)</al></li><li nr="b."><al>brand en rookvrije vluchtroutes van niet-slaapgebouwen (bijeenkomst,
                                industrie-, kantoor-, onderwijs-, sport-, winkel, overige
                                gebruiks-functie)</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 24</cursief> In ruimten waardoor gevlucht
                        wordt, stelt het Bouwbesluit over het algemeen hogere eisen aan het
                        materiaalgedrag in relatie tot de ontwikkeling van brand en de beperking van
                        het ontstaan van rook. In deze ruimten is de opslag van goederen daarom niet
                        toegestaan. De opslag van bijvoorbeeld papier, stoelen, etc. heeft immers
                        niet dezelfde kwaliteit als de bouwconstructies waarvoor die hogere eisen
                        aan brandvoortplanting en rookdichtheid geldt.</al><al>De bedoelde vluchtroutes waarin opslag niet is toegestaan, zijn bijvoorbeeld
                        gangen en trappenhuizen in gebouwen met woonfuncties, logiesfuncties en
                        gezondheidszorgfuncties (slaapgebouwen) of de brand- en rookvrije
                        vluchtroutes (meestal trappenhuizen) in gebouwen met een kantoorfunctie,
                        onderwijsfunctie, bijeenkomstfunctie, winkelfunctie (niet-slaapgebouwen).
                        Wanneer volgens het Bouwbesluit in de vluchtroute verhoogde eisen gelden aan
                        de mate van brandvoortplanting en rookdichtheid (brandvoortplantingsklasse
                        3, 2 of 1 / T2 of T1 en/of rookdichtheid 5,4 of 2,2 m-1) is de opslag van
                        goederen in deze ruimten niet toegestaan.</al><al>Artikel 25 Bluswaterwinplaats op eigen terrein</al><al>De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats
                        aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen
                        tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 25</cursief> Een bluswaterwinplaats op
                        eigen terrein moet altijd beschikbaar zijn. De eigenaar van het bouwwerk ten
                        behoeve waarvan de bluswaterwinplaats aanwezig is, moet ervoor zorgen dat de
                        bluswaterwinplaats zodanig is onderhouden dat er altijd voldoende bluswater
                        beschikbaar is. Het bedoelde onderhoud omvat ten minste een periodieke test
                        op het leveren van voldoende capaciteit en een adequate bereikbaarheid. Deze
                        test dient in de frequentie te worden uitgevoerd die gebruikelijk is voor de
                        publieke brandkranen in de gemeente. Op verzoek van of namens burgemeester
                        en wethouders dient van de test een bewijs (testrapport) te worden
                        overlegd.</al><al><vet>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken, niet zijnde een- en
                            meergezinshuizen en woonw</vet><vet>a</vet><vet>gens, behalve voor een-
                            en meergezinshuizen en woonwagens waarin sprake is van een
                            vermi</vet><vet>n</vet><vet>derde zelfre</vet><vet>d</vet><vet>zaamheid
                            van bewoners in combinatie met permanent toezicht op en begeleiding van
                            bewoners”</vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede lid</al><al>De eisen worden gesteld met als doel een brandveilige situatie te
                        realiseren. De voorschriften </al><al>hebben een gebruikscomponent en een beheercomponent. Onder de
                        gebruikscomponent vallen de </al><al>voorschriften die gericht zijn op het brandveilig gebruik. Deze
                        voorschriften hebben als doel risico’s </al><al>te beperken. Het risico op een brandgevaarlijke situatie kan beperkt worden
                        door preventieve </al><al>maatregelen (veilig omgaan met mogelijk gevaarlijke situaties) en het
                        inperken van mogelijke </al><al>gevolgen. Onder de beheercomponent vallen de voorschriften die gericht zijn
                        op het instandhouden </al><al>van het voorgeschreven niveau van gebruiksveiligheid en
                        brandveiligheid.</al><al><vet>Artikel 1 Uitgangen en vluchtroutes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een deur in de vluchtroute wordt, bij aanwezigheid van personen in
                                het bouwwerk, zodanig gesloten, dat de deur in geval van calamiteit
                                ten behoeve van deze personen van binnen uit onmiddellijk over de
                                minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat hiertoe
                                gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los
                                voorwerp. Deze eis geldt niet voor de toegangsdeur van een
                                woonfunctie, een celfunctie of een vergelijkbare gebruiksfunctie als
                                de celfunctie.</al></li><li nr="2."><al>Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie
                                hebben, worden niet langer in geopende stand gehouden dan voor het
                                verkeer van personen of het vervoer van goederen noodzakelijk is,
                                tenzij door middel van automatische inrichtingen die de deuren,
                                respectievelijk luiken, loslaten zodra een toestand intreedt waarin
                                deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen.</al></li><li nr="3."><al>Een deur die in een vluchtroute ligt van een ruimte waarin meer dan
                                100 personen zullen verblijven en een deur in een doorgang of
                                uitgang bestemd voor ontvluchting van meer dan 100 personen wordt
                                niet anders gesloten dan door middel van</al></li><li nr="a."><al>een sluiting, waarbij de deur opengaat door een lichte druk tegen de
                                deur, in de vluchtrichting gezien,</al></li><li nr="b."><al>Een sluiting waarvan de bedieningsinrichting bestaat uit een op de
                                deur, in de vluchtrichting gezien, aangebrachte voorziening, waarbij
                                de deur opengaat door een lichte druk tegen deze voorziening
                                (panieksluiting).</al></li><li nr="4."><al>Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur in
                                een uitwendige scheidingsconstructie wordt een opschrift aangebracht
                                volgens NEN 3011, uitgave 2004. Het opschrift luidt: “ NOODDEUR
                                VRIJHOUDEN”.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 1</cursief> Lid 1</al><al>Deuren in een vluchtroute moeten bij de aanwezigheid van personen in een
                        bouwwerk onmiddellijk geopend kunnen worden, zonder dat hiervoor een sleutel
                        noodzakelijk is. De eis geldt niet voor de toegangsdeur van een woonfunctie
                        en een celfunctie. </al><al>Een woonfunctie moet namelijk in verband met inbraakwerendheid met een
                        sleutel afgesloten kunnen worden en een celfunctie moet vanwege de aard van
                        de functie met een sleutel afgesloten kunnen worden. </al><al>In het artikel is expliciet vermeld dat van deze eis de toegangsdeur van een
                        woonfunctie en een celfunctie zijn uitgesloten, omdat in gebouwen met
                        meerdere woonfuncties en celfuncties ook veelal deuren in rookvrije
                        vluchtroutes voorkomen. Om een veilige ontvluchting mogelijk te maken,
                        moeten deze deuren in rookvrije vluchtroutes wel zonder sleutel geopend
                        kunnen worden. </al><al>Bij een celfunctie worden in veel gevallen ten aanzien van deze eis
                        specifieke afspraken gemaakt met de gebouweigenaar. De interne organisatie
                        van gebouwen met een celfunctie kan bepaalde brandweertaken overnemen en de
                        coördinatie houden over de ontruiming.</al><al>In de portiersloge/centraalpost dient voor het geval het cellengedeelte
                        onder de rook staat en betreden ervan zonder gebruik van adembeschermende
                        apparatuur niet verantwoord is een speciale kast aanwezig te zijn, die
                        toegankelijk is voor de brandweer en waarin zich een voldoende aantal
                        moedersleutels bevindt waarmee alle deuren in het cellencomplex kunnen
                        worden geopend. Het aantal dient in overleg met de plaatselijke brandweer te
                        worden vastgesteld.</al><al>In het artikel wordt tevens bepaald dat deze eis niet geldt voor een
                        vergelijkbare functie als de celfunctie. Hiermee worden bijzondere situaties
                        bedoeld, zoals psychiatrische instellingen e.d. Bij dergelijke situaties
                        moeten specifieke afspraken gemaakt worden met de gebouweigenaar. In het
                        reguliere gebruik mogen deuren afgesloten zijn, mits de deuren automatisch
                        worden ontgrendeld in geval van een calamiteit. Projectspecifiek moeten hier
                        passende elektrotechnische oplossingen voor worden gezocht. </al><al> Lid 2 De automatische inrichtingen voor het loslaten van deuren,
                        respectievelijk luiken zodra een toestand intreedt waarin deze als
                        brandwering en/of rookwering dienen, voldoen aan het gestelde in hoofdstuk
                        10 van de publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse
                        Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding. Lid 3 De voorziening
                        moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                        ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                        Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6810 HA ARNHEM,
                        telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl. </al><al>Prestatie-eisen aan de bedieningsinrichting worden tevens gegeven in NEN-EN
                        1125, uitgave 2003 Ontw. En ‘Hang- en sluitwerk – panieksluitingen voor
                        vluchtdeuren met een horizontale bedieningsstang voor het gebruik van
                        vluchtroutes – Eisen en beproevingsmethoden’.</al><al>Belangrijk aandachtspunt voor de uitvoeringspraktijk is dat een in onderdeel
                        a en b bedoelde deursluiting in het concrete geval daadwerkelijk
                        overeenkomstig de instructies van de fabrikant/leverancier van de
                        betreffende sluiting wordt aangebracht. Verkeerd aanbrengen van de sluiting
                        kan de beoogde werking daarvan namelijk teniet doen of bemoeilijken, met
                        alle veiligheidsrisico’s van dien.</al><al>De bedieningsinrichting moet op een hoogte tussen 0,9 – 1,1 meter gemeten
                        vanaf de vloer worden aangebracht. Wanneer er aanwijsbare redenen zijn om
                        hiervan af te wijken (bijvoorbeeld in een kinderdagverblijf) kan dit
                        overlegd worden met de brandweer. Hierbij wordt aan de basiseis voldaan, dat
                        de deur opengaat door een lichte druk tegen de voorziening. Met andere
                        woorden: als je tegen de deur aanloopt, moet deze open gaan. </al><al>Lid 4</al><al>Nooddeuren zijn te allen tijde bruikbaar en ook de route achter de deur is
                        vrij. Dit geldt ook voor situaties waarbij de nooddeur uitkomt in de
                        buitenlucht. Op maaiveld worden geen auto’s, fietsen of andere obstakels
                        geplaatst die de vluchtroute belemmeren. </al><al>Het opschrift voldoet aan NEN 3011:2004 ‘Veiligheidskleuren en -tekens in de
                        werkomgeving en in de openbare ruimte’. </al><al>Een nooddeur is een deur die uitsluitend bestemd is om het bouwwerk te
                        ontvluchten. Bij de overige deuren van het gebouw is een dergelijk opschrift
                        niet noodzakelijk, omdat deze deuren ook als toegang gebruikt kunnen worden.
                        De beschikbaarheid en bereikbaarheid van toegangsdeuren is over het algemeen
                        goed. </al><al>Artikel 2 Bekleding, stoffering en versiering</al><lijst><li nr="1."><al>Stoffering en versiering worden vrijgehouden van spots en andere
                                warm wordende apparatuur. De temperatuur ter plaatse van de
                                versiering is niet hoger dan 90 °C.</al></li><li nr="2."><al>Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte
                                versiering blijft een vrije ruimte over van minimaal 2,5 meter.</al></li><li nr="3."><al>De versiering als bedoeld in het vorige lid is in geval van brand
                                niet gemakkelijk ontvlambaar, in geval van brand vindt geen
                                druppelvorming plaats.</al></li><li nr="4."><al>Met brandbaar gas gevulde ballonnen zijn binnen een bouwwerk niet
                                aanwezig.</al></li><li nr="5."><al>De toe te passen materialen en aankledingsproducten hebben in
                                vluchtroutes een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een
                                nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden.</al></li><li nr="6."><al>De toegepaste bekleding, stoffering en versiering voldoen ten minste
                                aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen zoals gesteld
                                in afdeling 2.12 en 2.15 van het Bouwbesluit 2003 die op die locatie
                                gelden voor constructieonderdelen.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 2</cursief> Lid 1 Bij stoffering en
                        versiering moet naast de inrichting van een gebouw ook gedacht worden aan
                        tijdelijke versiering. Lid 2 Een vrije hoogte van 2,5 meter is noodzakelijk
                        in verband met de menselijke maat. Lid 3 In Nederland zijn geen normen
                        beschikbaar voor de bepaling van de materiaaleigenschappen van versieringen
                        voor wat betreft ‘makkelijk ontvlambaar’ en ‘druppelvorming’. Daarom is op
                        www.brandweerkennisnet.nl , informatie beschikbaar waarin een handvat wordt
                        gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U vindt dit
                        document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te downloaden
                        pdf-bestand op genoemde internetsite.</al><al>Er is geen relatie tussen de mate van brandvoortplanting of rookdichtheid
                        van een materiaal en de mate van druppelvorming. Om druppelvorming te kunnen
                        bepalen is dus een vastgelegde testmethode noodzakelijk. Daarna kunnen
                        prestatie-eisen geformuleerd worden. Zolang er geen testmethode is, is het
                        stellen van prestatie-eisen niet mogelijk.</al><al>De voorwaarde dat versiering, bekleding en bijvoorbeeld tentzeilen bij brand
                        geen druppelvorming mogen vertonen, is dus niet terug te leiden naar enige
                        norm. De gemeenten die deze voorwaarden hanteren, doen dat op basis van de
                        gemeentelijke beleidsvrijheid. Dit neemt niet weg dat het stellen van een
                        dergelijke voorwaarde duidelijk gemotiveerd moet kunnen worden.</al><al>Op onderdelen zou gebruik gemaakt kunnen worden van de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                        versieringsmaterialen’. </al><al> Lid 4 Wanneer er in een bouwwerk met gas gevulde ballonnen aanwezig zijn,
                        is er een verhoogde kans op het ontstaan van een ontploffing en als gevolg
                        daarvan branduitbreiding. </al><al> Lid 5 Voor textielproducten dienen de navlamduur en de nagloeiduur bepaald
                        te zijn volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag –
                        bepaling van de ontvlambaarheid van verticaal geplaatste proefstukken’ en
                        NEN-EN-ISO 6941, uitgave 2004 ‘Textiel – brandgedrag – meting van de
                        vlamverspreidingseigenschappen van verticaal geplaatste proefstukken’. Voor
                        kunststofproducten zijn nog geen normen beschikbaar. Lid 6 In het
                        Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructie-onderdelen ten aanzien van
                        de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van het ontstaan
                        van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een beginnende brand
                        zich snel uitbreidt langs het oppervlak van een bouwwerk. Tevens dient
                        voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht
                        voor vluchtende mensen beperkt wordt. Aan bekleding, stoffering en
                        versiering in een bouwwerk worden dezelfde eisen gesteld als aan
                        constructieonderdelen zoals beschreven in afdeling 2.12 en 2.15 van het
                        Bouwbesluit.</al><al>In Nederland zijn geen normen beschikbaar voor de bepaling van de
                        materiaaleigenschappen van stoffering en bekleding voor wat betreft ‘brand-
                        en rookklassen’. Voor versiering is in Nederland de NTA 8007 ‘Brandgedrag
                        versieringsmaterialen’ opgesteld. Deze norm geeft geen classificatie van
                        brand- en rookklassen (of een vergelijkbaar systeem met een
                        transponeringstabel) zoals dat in het Bouwbesluit wordt gebruikt. </al><al>Daarom is op www.brandweerkennisnet.nl informatie beschikbaar waarin een
                        handvat wordt gegeven voor het brandveilig gebruiken van versieringen. U
                        vindt dit document ‘Feestversiering? Het kan en moet veilig’ als te
                        downloaden pdf-bestand op genoemde internetsite. </al><al><vet>Artikel 3 Elektrische verlichting</vet></al><al>Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                        aanwezigheid van personen wordt verduisterd, is in die ruimte, indien er
                        meer dan vijftig personen gelijktijdig verblijven, elektrische verlichting
                        aanwezig van zodanige sterkte dat een redelijke oriëntering mogelijk
                        is.</al><al>Toelichting bij artikel 3</al><al>Met dit artikel wordt gewaarborgd dat in ruimten die mogelijk verduisterd
                        zijn tijdens de aanwezigheid van personen altijd elektrische verlichting
                        aanwezig is. Er moet een elektrische verlichtingsinstallatie met een
                        dusdanige sterkte aanwezig zijn dat oriëntatie mogelijk is. Mensen moeten
                        daar altijd over kunnen beschikken.</al><al><vet>Artikel 4 Aanduiding van blusmiddelen</vet></al><al>Een blusmiddel dat bij of krachtens enig wettelijk voorschrift aanwezig is,
                        is voldoende herkenbaar of zichtbaar aangegeven.</al><al>Toelichting bij artikel 4</al><al>Wanneer er sprake is van een ingebouwd blusmiddel, is het blusmiddel
                        onvoldoende herkenbaar. Dit betekent dat in deze gevallen een pictogram
                        aangebracht moet worden, zodat aan de buitenzijde van de kast zichtbaar is,
                        dat er een blusmiddel in de kast aanwezig is. Wanneer er sprake is van een
                        blusmiddel in bijvoorbeeld een stellingenmagazijn of in een winkel met
                        schappen of andere belemmeringen, is het blusmiddel onvoldoende zichtbaar.
                        Een platte sticker op of boven het blusmiddel is in de omgeving onvoldoende
                        zichtbaar. In deze gevallen moet een pictogram aangebracht worden, zodat in
                        de omgeving zichtbaar wordt dat er een blusmiddel aanwezig is. De
                        voorziening moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                        ‘Brandbeveiligingsinstallaties’ van de Nederlandse Vereniging voor
                        Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), postbus 7010, 6801 HA ARNHEM,
                        telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl.</al><al><vet>Artikel 5 </vet><vet>Toepassen van vuurwerk binnen een
                        gebouw</vet></al><al>Voor het afsteken van vuurwerk in bouwwerken wordt veertien dagen van
                        tevoren een overzicht bij burgemeester en wethouders ingediend, waaruit
                        blijkt dat die activiteit op veilige wijze zal plaatsvinden.</al><al>Toelichting bij artikel 5</al><al>Om de veiligheid bij het ontsteken van vuurwerk in bouwwerken te waarborgen,
                        is het van belang</al><al>dat burgemeester en wethouders inzicht hebben in de wijze waarop de
                        activiteit wordt uitgevoerd.</al><al>Het aspect veiligheid verdient bijzondere aandacht. Degene die het vuurwerk
                        afsteekt in </al><al>bouwwerken moet veertien dagen van tevoren een overzicht bij burgemeester en
                        wethouders </al><al>indienen waaruit blijkt dat die activiteit op een veilige wijze plaatsvindt.
                        De beoordeling vindt </al><al>plaats op grond van artikel 6.4.1.</al><al>Artikel 6 Opstellingsplannen</al><lijst><li nr="1."><al>Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije
                                ruimte aanwezig zijn van ten minste 0.40 meter, gemeten tussen de
                                loodlijnen door de elkaar dichtst naderende gedeelten van de
                                rijen.</al><al> Indien in een rij tussen zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet
                                de genoemde vrije ruimte ter plaatse van de tafeltjes
                                doorlopen.</al></li><li nr="2."><al>In rijen opgestelde zitplaatsen, waarbij sprake is van</al></li><li nr="-"><al>meer dan 4 stoelen in een rij, en</al></li><li nr="-"><al>meer dan 4 rijen, en</al></li><li nr="-"><al>een ruimte waarin meer dan 100 stoelen aanwezig zullen zijn,</al></li></lijst><al>zijn zo gekoppeld dan wel aan de vloer bevestigd dat deze ten gevolge van
                        gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</al><lijst><li nr="3."><al>Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of
                                uitgang uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al></li><li nr="4."><al>Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een
                                uitgang uitkomt, mag ten hoogste bevatten:</al></li><li nr="-"><al>16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen kleiner is
                                dan 0,45 meter;</al></li><li nr="-"><al>32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan
                                0,45 meter;</al></li><li nr="-"><al>50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen de rijen groter is dan
                                0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de rijen per 4 rijen
                                een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter aanwezig
                                is.</al></li><li nr="5."><al>De inrichting van een ruimte, met inbegrip van door personen bezette
                                stoelen, neemt tot een hoogte van 2,5 meter slechts zodanige
                                oppervlakten in beslag –gemeten in loodrechte projectie op de vloer-
                                dat ten minste</al></li><li nr="-"><al>0,25 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere
                                persoon waarvoor geen zitplaats aanwezig is,</al></li><li nr="-"><al>0,30 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere
                                persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is
                                aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of
                                omvallen,</al></li><li nr="-"><al>0,50 m<sup>2</sup> vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere
                                persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die niet zodanig is of is
                                aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan verschuiven of
                                omvallen.</al></li><li nr="6."><al>Inrichtingen in een ruimte waarin personen verblijven, zijn, indien
                                de vrije vloeroppervlakte minder dan 0,5 m<sup>2 </sup>per persoon
                                bedraagt, zodanig aangebracht dat zij ten gevolge van gedrang niet
                                kunnen verschuiven of omvallen.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 6 </cursief>Lid 1 Hiermee wordt
                        een voldoende doorstroomcapaciteit tussen in rijen opgestelde stoelen
                        gewaarborgd. Lid 2 Het onderling koppelen van stoelen dient zodanig
                        gerealiseerd te worden dat deze als gevolg van gedrang niet ontkoppeld
                        kunnen worden. </al><al>Er wordt geacht voldaan te worden aan de gestelde eis wanneer de
                        stoelkoppelingen voldoen aan NEN-EN 14703:2005 Ontw. En ‘Meubelen –
                        verbindingen voor gekoppelde zitmeubelen – sterkte en veiligheidseisen en
                        beproevingsmethoden’.</al><al> Lid 3 Hiermee wordt gewaarborgd dat slechts een beperkt aantal mensen op
                        een ‘doodlopend eind’ zitten. Wanneer doodlopende rijen zitplaatsen te lang
                        worden, ontstaat het gevaar dat mensen over stoelen klauteren waardoor
                        paniek en chaos ontstaat. Dit gevaar moet worden voorkomen. Een voldoende
                        uitstroomcapaciteit van een doodlopende rij stoelen moet gegarandeerd zijn.
                        Lid 4 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende ontruiming
                        gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling van
                        stoelen verdient de doorstroomcapaciteit van de looppaden tussen de stoelen
                        bijzondere aandacht. Lid 5 Met deze eis wordt gewaarborgd dat een vloeiende
                        ontruiming gerealiseerd wordt. Wanneer er sprake is van een vaste opstelling
                        van meubelen en objecten in een ruimte verdient de doorstroomcapaciteit van
                        de verkeersgebieden nadere aandacht. Lid 6 Om een veilige ontvluchting te
                        kunnen garanderen in een ruimte waarin veel mensen samenkomen, moet de
                        inrichting hiervan niet kunnen verschuiven of omvallen. Wanneer de
                        inrichting omvalt of verschuift zal dit namelijk de ontvluchting belemmeren
                        en leiden tot ongewenste paniek.</al><al><vet>Artikel 7 Vervallen</vet></al><al><vet>Artikel 8 Periodieke controle van draagbare blustoestellen</vet></al><al>Ten minste eenmaal per jaar wordt door een ter zake kundige het nodige
                        onderhoud verricht conform NEN 2559, uitgave 2001 en een controle gehouden
                        op de reinheid en de goede werking van draagbare blustoestellen. Indien
                        nodig worden deze gerepareerd.</al><al>Toelichting bij artikel 8</al><al>De aanwezigheid van draagbare blustoestellen wordt bij of krachtens
                        wettelijke voorschriften gesteld. In sommige situaties zijn draagbare
                        blustoestellen in een gebouw aanwezig op vrijwillige basis of op verzoek van
                        verzekeraars. Aangezien het gebruik van draagbare blustoestellen eenvoudig
                        is, moeten gebruikers van het gebouw ervan uit kunnen gaan dat de werking
                        van de draagbare blustoestellen gegarandeerd is. Alle draagbare
                        blustoestellen, dus ook degene die op vrijwillige basis worden opgehangen,
                        moeten worden gecontroleerd op reinheid en een goede werking en indien nodig
                        gerepareerd. </al><al>Artikel 9 Brandvoortplantingsklasse van plaatmateriaal Hout, hardboard,
                        triplex, multiplex, spaanplaat en kunststof plaatmateriaal in buitenwanden,
                        scheidingswanden of plafonds van stands, podia, kramen etc. die in gebouwen
                        zijn gelegen, wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat</al><lijst><li nr="a."><al>het materiaal ten minste 3,5 mm dik is en</al></li><li nr="b."><al>het materiaal kan worden ingedeeld in klasse 4 als bedoeld in NEN
                                6065, uitgave 1991 en NEN 6065/A1, uitgave 1997.</al></li></lijst><al><cursief>Toelichting bij artikel 9</cursief></al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten
                        aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van
                        het ontstaan van rook. Met deze eisen dient voorkomen te worden dat een
                        beginnende brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens dient
                        voorkomen te worden dat als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht
                        voor vluchtende mensen beperkt wordt.</al><al>Met ingang van 13 mei 2003 is het gebruik van de Euroklassen voor het
                        brandgedrag van bouwmaterialen en -producten in het Bouwbesluit
                        geïntroduceerd. In de Ministeriële Regeling Bouwbesluit is een tabel
                        gepubliceerd waarmee de in het Bouwbesluit vereiste
                        brandvoortplantingsklasse en rookdichtheid (NEN 6065, NEN 1775 en NEN 6066)
                        kan worden vertaald naar een Europese brandklasse. De Ministeriële Regeling
                        kunt u vinden via www.vrom.nl. </al><al>Artikel 10 Glas</al><al>Glas als versiering en/of bekleding aan plafonds en wanden dan wel in
                        plafonds van stands podia, kramen etc. of in buitenwanden en
                        scheidingswanden tussen stands podia, kramen etc.</al><al>wordt uitsluitend toegepast onder de voorwaarde dat het glas als
                        veiligheidsglas wordt aangemerkt of dat het glas is voorzien van een
                        ingegoten kruiswapening met een maximale maaswijdte van 16 mm.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 10</cursief></al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van glas als versiering aan
                        plafonds een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. In geval
                        van brand moet voorkomen worden dat bij het bezwijken van glas grote stukken
                        naar beneden vallen en die stukken daarmee een gevaar vormen voor de
                        vluchtende mensen en/of hulpdiensten. In dit artikel wordt dit gevaar
                        gereduceerd.</al><al>Artikel 11 Textiel in horizontale toepassing</al><al>Textiel in horizontale toepassing bij stands, podia, kramen etc. wordt
                        uitsluitend toegepast onder de voorwaarden dat het textiel onderspannen is
                        met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 meter of dat
                        het textiel onderspannen is met metaaldraad in twee richtingen met een
                        maaswijdte van ten hoogste 0,70 meter.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 11</cursief></al><al>In de praktijk is gebleken dat het toepassen van textiel in horizontale
                        toepassing een veilige inzet van de hulpdiensten in gevaar brengt. Tevens
                        dient te worden voorkomen dat textiel dat in horizontale toepassing is
                        aangebracht, naar beneden valt en daarmee vluchtende personen hindert. Met
                        dit voorschrift wordt dit gevaar gereduceerd.</al><al>Artikel 12 Toepassing van kunststof foliemateriaal, behangpapier,
                        crêpepapier of fotopapier</al><al>Kunststof foliemateriaal, behangpapier, crêpepapier en fotopapier in stands,
                        podia, kramen etc. wordt geplakt op een ondergrond van onbrandbaar
                        materiaal, board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas en verwerkt
                        volgens het gestelde in artikel 9 en 10 van bijlage 4 van de
                        bouwverordening.</al><al><cursief>Toelichting bij artikel 12</cursief></al><al>In het Bouwbesluit worden eisen gesteld aan constructieonderdelen ten
                        aanzien van de beperking van de ontwikkeling van brand en de beperking van
                        het ontstaan van rook. Met deze eisen wordt voorkomen dat een beginnende
                        brand zich snel uitbreidt langs een oppervlak. Tevens wordt voorkomen dat
                        als gevolg van een hevige rookontwikkeling het zicht voor vluchtende mensen
                        beperkt wordt.</al><al><vet>Bijlage 5</vet></al><al><vet>Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al>Bijlage behorende bij artikel 6.2.2</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="38*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tabel 6.2.2 </al><al>Opslag brandgevaarlijke stoffen ADR-klasse</al></entry><entry colname="col2"><al>Omschrijving</al></entry><entry colname="col3"><al>Verpakkinggroep</al></entry><entry colname="col4"><al>Toegestane maximum hoeveelheid in kg of l</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al><al> UN 1950 Spuitbussen &amp; UN 2037 Houders, klein,
                                            gas</al></entry><entry colname="col2"><al>gassen zoals propaan, zuurstof, stikstof, argon,
                                            kooldioxide, acyteleen, aerosolen (spuitbussen)</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en
                                            aceton</al></entry><entry colname="col3"><al>II</al></entry><entry colname="col4"><al>25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al><al>excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een
                                            vlampunt tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbare vloeistoffen zoals terpetine en bepaalde
                                            inkten</al></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.1, 4.2, 4.3</al></entry><entry colname="col2"><al>4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste
                                            stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve
                                            toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en
                                            metaalpoeders</al><al>4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor
                                            (wit of geel) en diethylzink</al><al>4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen
                                            ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en
                                            calciumcarbonaat</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.1</al></entry><entry colname="col2"><al>brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide</al></entry><entry colname="col3"><al>II en III</al></entry><entry colname="col4"><al>50</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.2</al></entry><entry colname="col2"><al>organische peroxiden zoals dicymyl peroxide en
                                            di-propionyl peroxide</al></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t.</al></entry><entry colname="col4"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2</al><al>gasflessen</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>n.v.t</al></entry><entry colname="col4"><al>115 </al><al>liter waterinhoud</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3</al><al>dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt
                                            tussen 61°C en 100°C</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>III</al></entry><entry colname="col4"><al>1.000 liter</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Op grond van artikel 6.2.2 is het in beginsel verboden een stof die in
                        bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk.
                        Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De uitzonderingen maken het
                        mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad aanwezig te hebben. Hierbij
                        moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’. De grenzen die in bijlage 5
                        zijn aangegeven zijn afgestemd op de ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer
                        worden gesteld.</al><al><vet>Bijlage 6</vet><vet> Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet></al><al> VERVALLEN </al><al><vet>Bijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                            buitenriol</vet><vet>e</vet><vet>ring op erven en terreinen</vet></al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6</al><al>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren
                                afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="b."><al>NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen'
                                (met correctieblad d.d. december 1979);</al></li><li nr="c."><al>NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen-
                                en buitenrioleringen';</al></li><li nr="d."><al>NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, “Kunststofleidingsystemen voor vrij
                                verval buitenriolering</al></li><li nr="-"><al>Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) – deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken
                                en het</al></li></lijst><al>systeem” (Engelstalig;</al><al>met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998, Nederlandstalig;</al><lijst><li nr="e."><al>NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 1.
                                Eisen (Engelstalig)', met inbegrip van de aanvullingsbladen A1,
                                uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven 1993;</al></li><li nr="f."><al>NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 2.
                                Kwaliteitscontrole en monster name (Engelstalig), met inbegrip van
                                aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999;</al></li><li nr="g."><al>NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken,
                                alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3.
                                Beproevingsmethoden (Engelstalig).</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 8 van de bouwverordening</vet></al><al>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                        bouwwerken op de aanwezigheid van asbest</al><al>VERVALLEN</al><al><vet>Bijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie</vet></al><al>Inhoud</al><lijst><li nr="1."><al>Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie</al><al>1.1Benoemingsprocedure</al></li><li nr="1."><al>2 Samenstelling welstandscommissie</al></li><li nr="2."><al>Taakomschrijving</al></li><li nr="2."><al>1 Taakomschrijving welstandscommissie</al></li></lijst><al>2.1.1 Wettelijke taken</al><al>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</al><al>2.2 Taakomschrijving commissieleden</al><al>2.2.1 Taken van de rayonarchitect</al><al>2.2.2 Taken van de voorzitter</al><al>2.2.3 Taken van externe deskundigen</al><lijst><li nr="3."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al></li><li nr="4."><al>Werkwijze van de welstandscommissie</al></li><li nr="4."><al>1 Vooroverleg over bouwplannen</al></li><li nr="4."><al>2 Gamandateerde behandeling</al></li></lijst><al>4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’</al><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>4.2.3 Openbaarheid</al><al>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>4.3.1 Locatie vergadering4.3.2 Publicatie agenda4.3.3 Toelichting
                        opdrachtgever/ontwerper4.3.4 Spreekrecht4.4 Het welstandsadvies4.5 Afwijken
                        van het welstandsadvies4.5.1 Second opinion5. Aanvulling, evaluatie en
                        aanpassing van de welstandsnota5.1 Jaarverslag B&amp;W5.2 Jaarverslag
                        welstandscommissie <vet>1.</vet><vet> Benoeming en samenstelling van de
                            welstandscommissie</vet><vet>1.1</vet><vet>
                            Benoemingsprocedure</vet>De gemeente wijst op voordracht van het
                        college van B&amp;W de WMMN<cursief>, Adviescommissie voor
                            Ruimt</cursief><cursief>e</cursief><cursief>lijke Kwaliteit
                        </cursief>aan als de welstandscommissie. </al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                        (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om
                        een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in
                        de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het
                        al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van
                        subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie.
                        Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten
                        in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties
                        waarbij zij zijn aangesloten.</al><al>De gemeenteraad mandateert het Algemeen Bestuur van de Gemeenschappelijke
                        Regeling PUWC om de voorzitter en deskundige leden van de rayoncommissies en
                        hun plaatsvervangers te benoemen en te ontslaan. De WMMN legt de gemeente
                        een lijst voor met de beoogde commissieleden alvorens deze benoemd worden
                        door het Algemeen Bestuur. Voorzitters worden voorgedragen uit de kring van
                        leden van het Algemeen Bestuur en hun plaatsvervangers. </al><al>Indien gewenst, vindt overleg plaats tussen de WMMN en de gemeente.</al><al>Alle leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd
                        voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog
                        eens drie jaar. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de
                        commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De
                        rayonarchitect kan zich door een collega rayonarchitect of de directeur van
                        de WMMN laten vervangen. De voorzitter, de rayonarchitect, de externe
                        deskundigen en hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                        gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen
                        of relaties op basis waarvan het advies over de welstandsaspecten wordt
                        beïnvloed. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                        welstandsbeleid. De commissie streeft naar voortdurende afstemming met het
                        beleid inzake de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.</al><al><vet>1.2</vet><vet> Samenstelling van de commissie</vet></al><al>De welstandscommissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de
                        rayonarchitect van de WMMN en tenminste twee externe deskundigen van buiten
                        het bureau. De rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van
                        de commissie. Naast de rayonarchitect zijn tenminste twee commissieleden
                        deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante
                        vakgebieden. De welstandscommissie kan zich naar eigen inzicht laten
                        bijstaan door extra deskundigen van het bureau van de WMMN of daarbuiten.
                        Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en
                        landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden
                        beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben
                        geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd.</al><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie
                        leden aanwezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger). </al><al><vet>2.</vet><vet> Taakomschrijving </vet><vet>2.1</vet><vet>
                            Taakomschrijving welstandscommissie</vet>De welstandscommissie is
                        belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken.
                        De wettelijke taken van de welstandscommissies van de WMMN worden uitgevoerd
                        op grond van de Woningwet 2002. De commissie is beleidsmatig gebonden aan
                        het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de
                        gemeentelijke welstandsnota.</al><al><vet>2.1.1</vet><vet> Wettelijke taken</vet>1. Toetsing van
                        vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>De commissie is bevoegd om B&amp;W te adviseren over de welstandsaspecten
                        van reguliere en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in
                        artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002. Regulier vergunningplichtige
                        bouwaanvragen worden in de regel binnen twee weken na behandeling van een
                        welstandsadvies voorzien.</al><al> 2. Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken.De commissie is
                        bevoegd om B&amp;W te adviseren over de welstandsaspecten van aanvragen om
                        een lichte bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet
                        2002. De licht-vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen
                        één week na behandeling van een welstandsadvies voorzien. </al><al>3.Jaarverslag welstandscommissie.</al><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor
                        van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie
                        tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de
                        welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                        jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur en de welstandscommissie. </al><lijst><li nr=""><al>2.1.2<vet>Niet wettelijk verplichte taken</vet>De
                                welstandscommissie krijgt indien door de gemeente gewenst de
                                opdracht om naast de reguliere taken de volgende (niet wettelijk
                                verplichte) taken uit te voeren.</al></li><li nr="a."><al>Beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke
                                APV).</al></li><li nr="b."><al>Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                                gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                                betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen.</al></li><li nr="c."><al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de
                                welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen,
                                bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen
                                en andere relevante beleidsstukken.</al></li><li nr="d."><al>Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                                ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in
                                de gemeente.</al></li><li nr="e."><al>Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden
                                in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen
                                evident zijn.</al></li><li nr="f."><al>Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                                B&amp;W en burgers.</al><al>2.2<vet>Taakomschrijving commissieleden</vet></al></li></lijst><al><vet>2.2.1</vet><vet> Taken van de rayonarchitect</vet>De
                        rayonarchitect van de WMMN is secretaris-deskundige van de commissie.
                        Hij/zij voert als gemandateerd lid van de welstandscommissie de eerste
                        gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente, planindieners, ontwerpers en
                        andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en bereidt de
                        behandeling van bouwplannen in de welstandscommissie voor. De plannen
                        waarvoor de rayonarchitect een mandaat heeft, worden door hem/haar van een
                        advies voorzien (<cursief>Zie verder 4.2
                            Gemand</cursief><cursief>a</cursief><cursief>teerde
                            behandeling).</cursief>De rayonarchitect stelt de agenda voor
                        de commissievergadering op en geeft die door aan de behandelend ambtenaar
                        van Bouw- en Woningtoezicht. Tijdens de commissievergadering introduceert de
                        rayonarchitect de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante
                        welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied. Onder de
                        verantwoordelijkheid van de rayonarchitect wordt de beraadslaging en
                        conclusie over een bouwplan uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in
                        beginsel binnen één week na de commissievergadering verzonden wordt.</al><al><vet>2.2.2</vet><vet> Taken voorzitter</vet>De voorzitter van de
                        welstandscommissie wordt gekozen uit de kring van gemeentebestuurders.
                        Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de
                        kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie adviseert
                        binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de openbare
                        vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle
                        aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert
                        wie van de aanwezigen bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in
                        het vooroverleg is besproken, geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een
                        korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van het planproces besproken
                        is. De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de
                        gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt
                        ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor
                        alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter
                        bewaakt verder de voortgang van de agenda.Bij het overleg met de gemeente
                        (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens de
                        commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie een
                        jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de
                        evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de
                        welstandscommissie.</al><al>2.2.3<vet>Taken externe deskundigen</vet></al><al>In de commissies hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied van
                        de architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring en
                        inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op
                        het moment dat een extern commissielid op de een of andere wijze een
                        zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat hij/zij zich voor de
                        betreffende commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten
                        waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en waarbij de extern
                        deskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze in overleg met de
                        commissie en het bureau tijdelijk terug.Ook kan op verzoek van de gemeente
                        de advisering over een dergelijk plan in overleg met de commissie
                        plaatsvinden door een commissie uit een aangrenzend rayon.</al><al><vet>3.</vet><vet> Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet>De
                        welstandsprocedure begint met een selectie van bouwplannen bij de afdeling
                        Bouw- en Woningtoezicht in licht- en regulier-vergunningplichtige
                        aanvragen.</al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de
                        (provinciale) welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om
                        een universeel toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in
                        de modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het
                        al dan niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van
                        subcommissies en het al dan niet samenwerken met een monumentencommissie.
                        Een reglement van orde, afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten
                        in het algemeen op in samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties
                        waarbij zij zijn aangesloten</al><al>Bouw- en Woningtoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het
                        bestemmingsplan en de bouwverordening. Ten behoeve van de welstandstoets
                        beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan is voorzien van de benodigde
                        bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                        vastgelegd in de AMvB ‘Indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning’ en in de
                        gemeentelijke bouwverordening. <vet>4.</vet><vet> Werkwijze van de
                            welstandscommissie</vet><vet>4.1</vet><vet> Vooroverleg over
                            bouwplannen</vet>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid,
                        om een nog niet formeel aangevraagd bouwplan in een vooroverleg met de
                        welstandscommissie toe te lichten en te bespreken. De rayonarchitect maakt
                        altijd een verslag van het vooroverleg. Dit verslag wordt openbaar als het
                        bouwplan formeel aan de commissie wordt voorgelegd. Vooroverleg vindt in
                        principe in het openbaar plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg
                        tussen de gemeente, de aanvrager en de welstandscommissie. </al><al><vet>4.2</vet><vet> Gemandateerde behandeling</vet></al><al>De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                        bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig
                        bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat
                        de rayonarchitect alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe
                        ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare
                        gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld.
                        Bij twijfel legt de rayonarchitect het bouwplan voor aan de
                        welstandscommissie. De rayonarchitect heeft voor vergunningplichtige plannen
                        alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. Bij
                        licht-vergunningplichtige plannen mag de rayonarchitect ook negatief
                        adviseren. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het
                        welstandsadvies. Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats tussen de
                        rayonarchitect en de welstandscommissie over het mandaat.</al><al><vet>4.2.1</vet><vet> Mandaat ‘ kleine commissie’</vet></al><al>De gemandateerde rayonarchitect wordt – op verzoek van de
                        welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een
                        ander commissielid. Deze ‘<cursief>kleine commissie’</cursief> beschikt over
                        hetzelfde mandaat als de rayonarchitect.</al><al><vet>4.2.2</vet><vet> Het mandaatadvies</vet></al><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag of
                        'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op
                        zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                        daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van welstand’ (<cursief>art.
                            12 lid 1 Ww 2002</cursief>). Dit wordt beoordeeld aan de hand van de
                        criteria zoals opgenomen in de welstandsnota, dan wel zolang er nog geen
                        welstandsnota is vastgesteld aan de hand van het voordien geldende recht.
                        Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een stempel ‘het
                        plan voldoet aan redelijke eisen van welstand’ op het adviesformulier en de
                        bijbehorende plantekeningen te plaatsen. Een negatief mandaatadvies (alleen
                        bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt schriftelijk gemotiveerd met
                        een verwijzing naar de relevante criteria uit de welstandsnota.</al><al><vet>4.2.3</vet><vet> Openbaarheid gemandateerde behandeling</vet></al><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. </al><al>Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het
                        tijdstip en plaats van de gemandateerde behandeling. De agenda wordt op het
                        gemeentehuis ter inzage gelegd.</al><al><vet>4.2.4</vet><vet> Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                        gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten.
                        Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het
                        daarvoor bestemde formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De
                        gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al><al><vet>4.2.5</vet><vet> Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                        geboden aan opdrachtgevers en ontwerpers.</al><al><vet>4.3</vet><vet> Openbare commissievergadering</vet></al><al>De welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                        rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                        bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken rayonarchitect, voorzitter en
                        externe deskundigen tijdens de commissievergadering).</al><al><vet>4.3.1</vet><vet> Locatie vergadering</vet></al><al>De welstandscommissie vergadert op een vaste locatie in het rayon.</al><al>Bij de behandeling van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de
                        gemeente - worden besloten om in de eigen gemeente te vergaderen.</al><al><vet>4.3.2</vet><vet> Publicatie agenda</vet></al><al>De agenda voor de commissievergadering word op de volgende manier
                        gepubliceerd.Via het huis-aan-huis blad worden de burgers op de hoogte
                        gesteld van het tijdstip en plaats van de commissievergadering. De agenda
                        wordt op het gemeentehuis ter inzage gelegd.</al><al>De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de beoordeling
                        daarvan en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte daarvan
                        is niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet
                        Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid
                        niet opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde
                        belangen.</al><al><vet> 4.3.3</vet><vet> Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                        behandeling van hun plan bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de
                        behandeling aanwezig willen zijn, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde
                        formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt
                        voor de uitnodigingen.</al><al><vet>4.3.4</vet><vet> Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                        geboden aan opdrachtgevers en ontwerpers.</al><al><vet>4.4</vet><vet> Het welstandsadvies</vet></al><al>De welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit
                        aan B&amp;W over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk
                        of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de
                        te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen
                        van welstand’ (<cursief>art. 12 lid 1 Ww 2002</cursief>). Dit wordt
                        beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota,
                        dan wel zolang er nog geen welstandsnota is vastgesteld aan de hand van het
                        voordien geldende recht. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten
                        hebben:</al><al>Akkoord</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                        zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                        Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. </al><al>Akkoord mits</al><al>De welstandscommissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet
                        aan de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij wordt voldaan aan de
                        voorwaarden zoals de welstandscommissie die – verwijzend naar de
                        welstandscriteria - heeft geformuleerd. De commissie geeft nauwkeurig aan
                        welke onderdelen van het plan gewijzigd moeten worden. De aanvrager krijgt
                        vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen, voor zover de gemeente
                        van oordeel is dat dit nog binnen de resterende vergunningtermijn kan worden
                        gerealiseerd. B&amp;W kan ook besluiten om de voorwaarden van het
                        welstandsadvies op te nemen in de bouwvergunning.</al><al><vet>Niet akkoord</vet></al><al>De commissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke
                        eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een bouwplan
                        ingrijpend moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief, dan geeft
                        ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte
                        omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing
                        zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan
                        op die punten.</al><al>Aanhouden</al><al>De welstandscommissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw- en
                        Woningtoezicht aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                        vergunningtermijn - wanneer meer informatie of een toelichting van de
                        ontwerper noodzakelijk is. </al><al><vet>4.5</vet><vet> Afwijken van het welstandsadvies en/of
                        -criteria</vet></al><al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan
                        welstandsgronden, af te wijken van een welstandsadvies. De redenen voor
                        afwijking moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.</al><al>B&amp;W kunnen, eventueel op advies van de welstandscommissie, gemotiveerd
                        (op welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij
                        plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél aan redelijke
                        eisen van welstand. B&amp;W verwijzen in dat geval naar de algemene criteria
                        in de welstandsnota.</al><al><vet> 4.5.1</vet><vet> Second opinion</vet></al><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&amp;W eerst de vaste
                        welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder
                        uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt
                        dit gemeld aan de welstandscommissie. Bij een second opinion wordt de
                        bouwaanvraag voorgelegd aan de beroepscommissie van de PUWC danwel aan een
                        commissie buiten de PUWC. Hierover neemt de gemeente contact op met de
                        Federatie Welstand.</al><al><vet>5.</vet><vet> Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de
                            welstandsnota</vet></al><al><vet>5.1</vet><vet> Jaarverslag B&amp;W</vet></al><al>B&amp;W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor
                        waarin zij uiteenzetten:</al><lijst><li nr="-"><al>Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                                welstandscommissie;</al></li><li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte
                                bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd en
                                op welke wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven
                                aan de welstandscriteria.</al></li><li nr="-"><al>In welke categorieën van gevallen:</al></li></lijst><al>* zij tot aanschrijving op grond van <cursief>art. 19 Ww 2002</cursief> zijn
                        overgegaan en daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van
                        de aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen
                        de door hen te bepalen termijn, en</al><al>* zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Ww 2002 zijn
                        overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 Ww
                        2002.</al><al><vet>5.2</vet><vet> Jaarverslag welstandscommissie</vet></al><al>De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor
                        van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie
                        tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de
                        welstandscriteria. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                        jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van
                        het gemeentebestuur en de welstandscommissie (Zie ook onder punt
                        2.1.1).</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        IJsselstein gehouden op 20 december 2007. In werking getreden op 27 december
                        2007 (publicatiedatum).</al><al><vet>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1
                            (Brandmeldinstallaties)</vet></al><table><tgroup cols="13"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="6*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="7*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="5*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="6*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="6*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="6*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="5*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="5*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="5*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Leden van</al><al> Toepassing</al></entry><entry colname="col6" nameend="col9" namest="col6"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col10" nameend="col13" namest="col10"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4"><al>Omvang </al><al>van de bewaking</al></entry><entry colname="col5"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col6"><al>Hoogte hoogste </al><al>vloer (m)</al></entry><entry colname="col7"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col8"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col9"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col10"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col11"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col12"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col13"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col10"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al>1a</al></entry><entry colname="col7"><al>1b</al></entry><entry colname="col8"><al>1c</al></entry><entry colname="col9"><al>1d</al></entry><entry colname="col10"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie niet van een woonwagen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen in
                                            combinatie met permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woonfunctie bestemd voor minder zelfredzame personen
                                            zonder permanent toezicht</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig woonfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="1"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger
                                            dan 4 jaar.</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>200</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>2,4</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="7"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="7"><al>Overige bijeenkomstfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="7"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>5000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5&lt;13</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>1</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50&lt;70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten
                                        </al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al>Overige gezondheidszorgfunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20&lt;50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50&lt;70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lichte industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="3"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="3"><al>Overige industriefunctie</al></entry><entry colname="col3" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="3"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>1000</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="4"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>500</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>2</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>20&lt;50</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>50&lt;70</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>*</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2"><al>Logiesgebouw </al></entry><entry colname="col3" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col4" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col5" morerows="2"><al>*</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>1</al></entry><entry colname="col10"><al>*</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>5</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>250</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>*</al></entry><entry colname="col13"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overige logiesfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al>-</al></entry><entry colname="col8"><al>-</al></entry><entry colname="col9"><al>-</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="17"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="3*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="0*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="5*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="0*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="5*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="0*"/><colspec colname="col10" colnum="10" colwidth="7*"/><colspec colname="col11" colnum="11" colwidth="7*"/><colspec colname="col12" colnum="12" colwidth="6*"/><colspec colname="col13" colnum="13" colwidth="6*"/><colspec colname="col14" colnum="14" colwidth="6*"/><colspec colname="col15" colnum="15" colwidth="6*"/><colspec colname="col16" colnum="16" colwidth="6*"/><colspec colname="col17" colnum="17" colwidth="6*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col8" namest="col3"><al>Leden van </al><al>toepassing</al></entry><entry colname="col9" nameend="col13" namest="col9"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col14" nameend="col17" namest="col14"><al>Omvang van bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>Omvang </al><al>van de bewaking</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>Hoogte hoogste </al><al>vloer (m)</al></entry><entry colname="col11"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col12"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col13"><al>Aantal bouwlagen</al></entry><entry colname="col14"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col15"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col16"><al>Volledig</al></entry><entry colname="col17"><al>Doormelding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col11"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col12"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col13"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col14"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col15"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col16"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col17"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3" nameend="col4" namest="col3"><al/></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al/></entry><entry colname="col7" nameend="col8" namest="col7"><al/></entry><entry colname="col9" nameend="col10" namest="col9"><al>1a</al></entry><entry colname="col11"><al>1b</al></entry><entry colname="col12"><al>1c</al></entry><entry colname="col13"><al>1d</al></entry><entry colname="col14"><al>1a</al></entry><entry colname="col15"><al>1b</al></entry><entry colname="col16"><al>1c</al></entry><entry colname="col17"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie </vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="4" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="4" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>250</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>20&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50&lt;70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="4"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="4" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="4" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="4" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>20&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50&lt;70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="8"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2" morerows="8" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Winkelfunctie </vet></al></entry><entry colname="col4" morerows="8" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="8" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>2</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col11"><al>5000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>&lt;13</al></entry><entry colname="col11"><al>10000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>5000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>13&lt;50</al></entry><entry colname="col11"><al>10000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>50&lt;70</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Overige
                                            gebruiksfun</vet><vet>c</vet><vet>tie</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al/></entry><entry colname="col12"><al/></entry><entry colname="col13"><al/></entry><entry colname="col14"><al/></entry><entry colname="col15"><al/></entry><entry colname="col16"><al/></entry><entry colname="col17"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="2"><al/></entry><entry colname="col2" morerows="2" nameend="col3" namest="col2"><al>Besloten overige gebruiksfunctie voor het stallen van
                                            motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col4" morerows="2" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" morerows="2" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" morerows="2" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>2500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col10"><al>-</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>1000</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>1</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>-</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al/></entry><entry colname="col11"><al>2500</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al/></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al/></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al/></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al/></entry><entry colname="col10"><al>13</al></entry><entry colname="col11"><al>-</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>-</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>-</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>F</al></entry><entry colname="col11"><al>F</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col6" nameend="col7" namest="col6"><al>*</al></entry><entry colname="col8" nameend="col9" namest="col8"><al>*</al></entry><entry colname="col10"><al>F</al></entry><entry colname="col11"><al>F</al></entry><entry colname="col12"><al>-</al></entry><entry colname="col13"><al>-</al></entry><entry colname="col14"><al>*</al></entry><entry colname="col15"><al>*</al></entry><entry colname="col16"><al>*</al></entry><entry colname="col17"><al>*</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                        toelichting op de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4. Bij de toepassing van de
                        in de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.4 van dit hoofdstuk gegeven
                        voorschriften wordt in tabel 2.6.1 verstaan onder: - : dit lid is niet van
                        toepassing * : het hele artikel is van toepassing &gt; : alle waarden groter
                        dan de achter dit teken aangegeven waarde ≤ : alle waarden kleiner of gelijk
                        aan de achter dit teken aangegeven waarde F : in dit geval is volstaan met
                        het geven van de functionele eis in artikel 2.6.1, eerste lid, in afwachting
                        van mogelijk nog te ontwikkelen nadere criteria a : zonder doormelding naar
                        een brandweeralarmcentrale 1: indien in combinatie met een grenswaarde in
                        m2: deze voorziening dient altijd aanwezig te zijn, ongeacht de grootte van
                        het vloeroppervlak Wanneer in de tabel twee grenswaarden of prestatie-eisen
                        in dezelfde rij van de tabel worden gegeven, moet aan beide criteria worden
                        voldaan. Voorbeeld: Bij de winkelfunctie komt in tabel 2.6.1 van bijlage 10
                        het meest duidelijk tot uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria
                        moet worden voldaan voordat een brandmeldinstallatie nodig is.
                        Bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen
                        van sport – wanneer het gebruiksoppervlak groter is dan 1.000 m2 en er meer
                        dan 1 verblijfsruimte bestemd voor bezoekers is, dan is gedeeltelijke
                        bewaking en doormelding noodzakelijk. Wanneer in de tabel grenswaarden of
                        prestatie-eisen in verschillende regels van de tabel worden gegeven, moet
                        aan één van de criteria worden voldaan. Voorbeeld: Bijeenkomstfunctie voor
                        de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar – wanneer het gebruiksoppervlak
                        groter is dan 200 m2 of er een vloer op een hoogte ligt van meer dan 2,4
                        meter ten opzichte van het meetniveau, dan is volledige bewaking en
                        doormelding vereist. </al><al><vet>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5
                            (Ontruimingsinstall</vet><vet>a</vet><vet>ties)</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.6</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>woonfunctie niet van een woonwagen bestemd voor minder
                                            zelfredzame personen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                            industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overige besloten gebruiksfunctie voor het stallen van
                                            motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>andere overige gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                        toelichting op de artikelen 2.6.6 en 2.6.7. Voor de toepassing van de in de
                        artikelen 2.6.5 tot en met 2.6.7 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                        wordt in tabel 2.6.5 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><al><vet>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 </vet></al><al><vet>(Vluchtroute aanduiding)</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="16*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="0*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col4" nameend="col5" namest="col4"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.9</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Lid</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Woongebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Cellengebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                            industriefunctie</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Logiesgebouw</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer</al></entry><entry colname="col3"><al>F</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</al></entry><entry colname="col3"><al>-</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Voor een nadere verklaring van de desbetreffende voorschriften zie de
                        toelichting op de artikelen 2.6.9 en 2.6.10. Voor de toepassing van de in de
                        artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit hoofdstuk gegeven voorschriften
                        wordt in tabel 2.6.8 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><al>F: in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel
                        2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                        criteria.</al><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>1 Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al><vet>Asbest</vet></al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005(Stb. 2005, 704) verstaat onder asbest:
                        de vezelachtige silicaten actinoliet (Cas-nummer 77536-66-4), amosiet
                        (Cas-nummer 12172-73-5), anthofylliet (Cas-nummer 77536-67-5), chrysotiel
                        (Cas-nummer 12001-29-5), crocidoliet (Cas-nummer 12001-28-4) en tremoliet
                        (Cas-nummer 77536-68-6), alsmede producten waarin die vezelachtige silicaten
                        zijn verwerkt. Voor de overige begrippen wordt verwezen naar het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 en de daarbij behorende toelichting.</al><al>Besluit indieningsvereisten</al><al>In dit besluit worden uniforme voorschriften gegeven over de wijze van
                        inrichting en indiening van een aanvraag om bouwvergunning. Gemeenten mogen
                        zelf geen (aanvullende) eisen meer stellen aan een aanvraag om
                        bouwvergunning (Stb. 2002, 409 en gewijzigd bij Stb 2005, 368). In dit
                        besluit is voorts de opsomming van door burgemeester en wethouders in het
                        register aan te tekenen gegevens overgeheveld van de wettekst zelf naar dit
                        besluit.</al><al>Besluit bouwwerken</al><al>In dit besluit worden de vergunningvrije bouwwerken overgeheveld van de
                        wettekst zelf naar dit besluit. (Stb. 2002, 410 en gewijzigd bij Stb. 2003,
                        315 en Stb. 2004, 291). Het besluit houdt tevens een forse verruiming in van
                        de mogelijkheden tot vergunningvrij bouwen. Bovendien omvat dit besluit een
                        uitwerking van een nieuwe categorie bouwwerken die licht-vergunningplichtig
                        zijn.</al><al>Van de jaarlijks onder de Woningwet 1992 aan preventief toezicht onderworpen
                        bouwwerken zal naar verwachting ongeveer 25% vergunningvrij, 37,5%
                        licht-vergunningplichtig en 37,5% regulier vergunningplichtig worden onder
                        de Woningwet 2002 (TK 1998-1999, 26 734, nr. 3, p. 31).</al><al><vet>Bouwbesluit </vet></al><al>Het Bouwbesluit (Stb. 2001, 410). Correcties en aanvullingen van het
                        geconverteerde Bouwbesluit en tevens de aanpassing van andere besluiten aan
                        het Bouwbesluit zijn gepubliceerd in Stb. 2002, 203. In deze besluiten zijn
                        de technische bouwvoorschriften op grond van de Woningwet (Stb. 2001, 518)
                        opgenomen.</al><al><vet>Bouwtoezicht</vet></al><al>Vanaf 1 april 2007 geeft de Woningwet in artikel 100 expliciet de opdracht
                        aan burgemeester en wethouders om zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I tot en met IV van
                        de Woningwet. Dit sluit aan bij de op grond van artikel 100 (oud) Woningwet
                        bestaande centrale rol van de gemeente bij de vergunningverlening en
                        handhaving ten aanzien van het bouwen en de staat van bestaande bouwwerken
                        en brengt geen verandering in het uitgangspunt dat elke gemeente vrij is
                        naar eigen inzicht de gemeentelijke organisatie in te richten en eventuele
                        bestanddelen van het takenpakket van het bouwtoezicht uit te besteden. Op
                        grond van het nieuwe artikel 100a Woningwet wijzen burgemeester en
                        wethouders degenen aan die belast zijn met het bouw- en woningtoezicht. </al><al><vet>Gebruiksoppervlakte</vet></al><al>Het begrip gebruiksoppervlakte is ontleend aan het Bouwbesluit, artikel 1,
                        begripsbepalingen. Het Bouwbesluit verwijst voor de inhoud van het begrip
                        naar NEN 2580. Deze norm is ten aanzien van dit begrip geamendeerd bij
                        ministeriële regeling van 22 mei 1992 (Nr. HJZ21592009, Staatscourant 27 mei
                        1992).</al><al>De gebruiksoppervlakte is van belang bij de bepalingen omtrent
                        overbevolking, hoofdstuk 7, paragraaf 1, van de Modelbouwverordening.</al><al>Tevens zijn gebruiksoppervlakten bepalend voor de in het kader van het
                        Bouwbesluit te stellen eisen aan verschillende typen gebouwen. De aanvrager
                        om bouwvergunning moet daarom bij de aanvraag opgave doen van de
                        gebruiksoppervlakten.</al><al><vet>Bouwwerk en gebouw</vet></al><al>De definitie van bouwen in artikel 1 van de Woningwet maakt gebruik van de
                        als bekend veronderstelde term bouwwerk. De inhoud van de term bouwwerk
                        wordt momenteel bepaald door de begripsomschrijving in de MBV 1965 en de
                        jurisprudentie. Volledigheidshalve is de begripsomschrijving in de nieuwe
                        MBV gehandhaafd.</al><al>De Woningwet maakt op diverse plaatsen onderscheid tussen gebouwen en
                        bouwwerken, niet zijnde een gebouw. Het begrip gebouw is bepaald in artikel
                        1 van de Woningwet.</al><al>Zowel over het begrip bouwwerk als over het begrip gebouw is jurisprudentie
                        ontstaan. De inhoud van de begrippen bouwwerk en gebouw is met de komst van
                        de Woningwet van 1991 niet gewijzigd, waardoor de jurisprudentie op basis
                        van de Woningwet van 1962 en de bouwverordening (MBV 1965) geldig blijft.
                        Deze jurisprudentie is hierna vermeld.</al><al>Bij de interpretatie van de jurisprudentie op basis van de MBV 1965 moet
                        rekening worden gehouden met de driedeling bouwvergunningplichtig,
                        meldingplichtig en vrij bouwen. </al><al>Alle vormen van bouwen, die niet in artikel 43 van de Woningwet als vrij
                        bouwen of in het Besluit meldingplichtige bouwwerken als meldingplichtig
                        zijn benoemd, zijn bouwvergunningplichtig.</al><al><vet>Deskundig bedrijf</vet></al><al>Het begrip deskundig bedrijf is uitsluitend van belang voor de toepassing
                        van hoofdstuk 8 van deze verordening. Het begrip is gekoppeld aan hetgeen
                        daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. En dit is: een bedrijf dat in het bezit is
                        van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het
                        Arbeidsomstandighedenbesluit.’</al><al>Voor een uiteenzetting over de certificering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al><vet>Wat is vergunningvrij bouwen?</vet></al><al>Vanaf 2003 zijn de artikelen 43, eerste lid, onderdeel c, en 44, tweede lid,
                        van de Woningwet ingrijpend gewijzigd. Een andere uitwerking van die
                        wijziging is opgenomen in het Besluit bouwwerken. Het vroegere Besluit
                        meldingsplichtige bouwwerken is komen te vervallen.</al><al>De lijst van vergunningvrije bouwwerken uit het bedoelde eerste lid van
                        artikel 43 van de Woningwet is ingrijpend gewijzigd. Voor ene vrij
                        uitgebreid overzicht van voorbeelden van de opnieuw gedefinieerde
                        vergunningvrije bouwwerken, zie de met tekeningen geïlustreerde nota van
                        toelichting bij het Besluit bouwwerken.</al><al>Wat is licht-bouwvergunningplichtig bouwen?</al><al>De meldingsplicht voor bouwwerken is per 2003 opgeheven. De bouwwerken die
                        onder de meldingsplaicht vielen zijn grotendeels bouwvergunningvrij
                        geworden. Bovendien is een groot deel van de kleine vergunningplichtige
                        bouwwerken komen te vallen onder de categorie licht-bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken. Bouwplannen waarvoor de lichte bouwvergunningplicht geldt,
                        moeten van gemeentewege worden getoetst aan de voorschriften van het
                        bestemmingsplan, de welstandsregels en de eisen inzake de constructieve
                        veiligheid van het Bouwbesluit, alsmede voorzover van toepassing de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening.</al><al>Wat betreft voorbeelden van de categorie licht-bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken, kan de nota van toelichting bij het Besluit bouwwerken voor
                        zichzelf spreken.</al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen</vet></al><al>Artikel 145 Gemeentewet bepaalt dat op termijnen, gesteld in een
                        gemeentelijke verordening, de artikelen 1 t/m 4 van de Algemene termijnenwet
                        van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij in de verordening anders is
                        bepaald. Artikel 1.2 is nu overbodig geworden, daar dit artikel ook de
                        Algemene termijnenwet van toepassing verklaarde op de bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet></al><al>Dit artikel maakt de indeling van de gemeente in zones mogelijk. Deze
                        indeling heeft ten doel voor de verschillende zones (bij voorbeeld bebouwde
                        kom en landelijk gebied) al naar gelang hun karakter verschillende
                        bepalingen te doen gelden, bij voorbeeld wat de aard en de plaatsing der
                        gebouwen en de bouwhoogte betreft. De zone-indeling kan worden aangegeven op
                        een tot de bouwverordening behorende kaart. Het indelen in zones hoeft niet
                        alleen betrekking te hebben op het onderscheid tussen bebouwde kom en
                        buitengebied.</al><al>Indien een bebouwde kom wordt vastgesteld, verdient het aanbeveling de
                        grenzen daarvan zoveel mogelijk te doen samenvallen met het gebied waarop
                        zich de in het algemeen aaneensluitende bebouwing bevindt. Valt dit gebied
                        reeds gedeeltelijk in een bestemmingsplan dan verdient het aanbeveling de
                        grenzen te doen samenvallen met het desbetreffende gebied waarvoor nog geen
                        bestemmingsplan geldt.</al><al>Indien in het bestemmingsplan het gebied van de bebouwde kom is aangegeven,
                        kan ook, in plaats van de bepaling in artikel 1.3, dat de bebouwde kom op
                        een bij de verordening behorende kaart wordt aangegeven, worden bepaald dat
                        als bebouwde kom geldt het gebied dat als zodanig in het bestemmingsplan is
                        aangewezen. Een verwijzing naar de bebouwde kom als bedoeld in artikel 10
                        van de Wet op de ruimtelijke ordening lijkt niet gewenst, omdat hieruit geen
                        nauwkeurige begrenzing kan worden afgeleid.</al><al>Indien het gehele gebied van de gemeente in een bestemmingsplan is begrepen
                        behoeft in de bouwverordening geen onderscheid tussen het gebied binnen en
                        het gebied buiten de bebouwde kom te worden gemaakt, en behoeft derhalve in
                        de bouwverordening geen bebouwde kom te worden vastgesteld.</al><al><vet>Hoofdstuk 2 </vet><vet> De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>Paragraaf 1: Algemeen</al><al>In hoofstuk 2 van de MBV zijn alle artikelen verzameld die betrekking hebben
                        op de aanvraag om bouwvergunning. In de Woningwet is een nieuw artikel 40a
                        opgenomen, waarin wordt bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
                        voorschriften worden gesteld omtrent de wijze van inrichting en indiening
                        van een vergunningaanvraag, alsmede omtrent de daarbij over te leggen
                        bescheiden. Dit is het Besluit indieningsvereisten geworden. De
                        voorschriften van dit besluit zijn limitatief, waardoor de tot de achtste
                        serie wijzigingen van de Modelbouwverordening in paragraaf 1 en enkele in
                        paragraaf 2 opgenomen artikelen zijn komen te vervallen. Er is geen
                        materiële wijziging beoogd ten opzichte van deze vervallen artikelen. De
                        overige paragrafen van hoofdstuk 2 bevatten inhoudelijke criteria, waaraan
                        de aanvraag om bouwvergunning wordt getoetst c.q. moet voldoen.</al><al>De wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen Openbaar Bestuur (BIBOB), Stb.
                        2002, 347, en het daaraan gekoppelde Besluit BIBOB, Stb. 2003, 180 zijn per
                        1 juni 2003 in werking getreden (Stb. 2003, 216). Op 15 september 2004 is de
                        Aanpassingswet Bibob van 10 juni 2004 van kracht geworden, waarbij de
                        artikelen 44a en 59 van de Woningwet zijn gewijzigd. Zie Stb. 2004, 320 en
                        Stb. 2004, 452. Het bureau Bibob van het ministerie van Justitie verstrekt
                        informatie over de uitvoering van de Wet Bibob in relatie tot de Woningwet
                        (070-3704600 of www.justitie.nl/bibob).</al><al>Een negatief advies kan voor b&amp;w aanleiding zijn de bouwvergunning te
                        weigeren. Bijlage 1 bij het standaard formulier voor het aanvragen van een
                        bouwvergunning bevat een checklist. In deze checklist is vermeld dat
                        burgemeester en wethouders de aanvrager informeren of en zo ja, welke
                        gegevens en bescheiden de aanvrager dient in te dienen in verband met de Wet
                        BIBOB.</al><al>Het vragen van een advies door b&amp;w is facultatief. Indien een advies bij
                        het Bureau BIBOB wordt gevraagd, schort de termijn voor de behandeling van
                        de aanvraag om bouwvergunning met acht weken op.</al><al>De Woningwet is voorzien van een nieuw artikel 44a. In een zogenaamde
                        ‘Veegwet’ worden nog enkele artikelen van de Woningwet herzien, onder meer
                        die over het intrekken van een bouwvergunning en over de wijziging van de
                        tenaamstelling van een bouwvergunning. De veegwet zal niet eerder dan 1
                        januari 2004 van kracht worden.</al><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) is op 1 januari 1994 in werking getreden
                        (Stb. 1994, 1).</al><al>Deze wet geeft algemene regels voor het rechtsverkeer tussen burger en
                        overheid. Ook de rechtsbescherming tegen besluiten van de overheid is in de
                        Awb opgenomen. Hiermee is tevens de Wet arob komen te vervallen.</al><al>Een deel van de zaken die de bouwverordening regelde, wordt nu ook geregeld
                        door de Awb. Op grond van artikel 122 van de Gemeentewet houden bepalingen
                        van een gemeentelijke verordening, in wier onderwerp door een wet, een
                        algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt
                        voorzien, van rechtswege op te gelden.</al><al><vet>De gefaseerde behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</vet></al><al>De gefaseerde vergunningverlening wordt in artikel 56a van de herziene
                        Woningwet zelf uitdrukkelijk geregeld. Volgens de nieuwe regeling zijn
                        burgemeester en wethouders verplicht een aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning desgevraagd gefaseerd te behandelen. De aanvrager heeft
                        derhalve de keuze om wel of geen gefaseerde vergunningverlening aan te
                        vragen. </al><al>Daarnaast biedt artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten burgemeester
                        en wethouders de facultatieve mogelijkheid van fasering van de
                        bouwvergunningverlening (bouwvergunning op hoofdlijnen), zoals die tot de
                        achtste serie wijzigingen in de Modelbouwverordening was opgenomen. </al><al>Een belangrijk verschil tussen de gefaseerde bouwvergunning op grond van
                        artikel 56a van de Woningwet 2002 en de facultatieve mogelijkheid van
                        fasering van de bouwvergunningverlening op grond van artikel 56 van de
                        Woningwet (bouwvergunning onder voorwaarden) is dat in het eerste geval de
                        aanvrager bepaalt of de procedure van de gefaseerde vergunning wordt
                        gevolgd, waarbij burgemeester en wethouders
                            <onderstreept>verplicht</onderstreept> zijn een aanvraag om een
                        reguliere bouwvergunning gefaseerd te behandelen, terwijl in het laatste
                        geval burgemeester en wethouders <onderstreept>bevoegd</onderstreept> zijn
                        te in te stemmen met de verlening van een bouwvergunning op
                        hoofdlijnen.</al><al><vet>Voorwaarden voor bouwafval in de bouwvergunning</vet></al><al>Aan de bouwvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden over de wijze van
                        scheiden in fracties, over het tijdelijk op de bouwplaats opslaan en over
                        het afvoeren c.q. het zich ontdoen van het bouwafval. Deze voorwaarden
                        dienen ter uitvoering van hetgeen is bepaald in artikel 4.11. </al><al>Veelal is het nodig voor de fractie gevaarlijk afval aan te geven welke
                        (chemische) stoffen niet bij elkaar mogen. Een voorwaarde voor de opslag kan
                        betreffen het in een afgesloten ruimte bewaren van het afval. Voor de opslag
                        en de afvoer kan gedacht worden aan een voorwaarde voor de verpakking.</al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al><al>Voor een overzicht van de jurisprudentie met betrekking tot de
                        indieningsvereisten van een aanvraag om bouwvergunning zoals die tot de
                        achtste serie wijzigingen ook al was opgenomen in de Modelbouwverordening
                        1992, zie de losbladige uitgave ‘Standaardregelingen in de bouw’ van de VNG
                        Uitgeverij.</al><al><cursief>Paragraaf 2: Behandeling van de aanvraag om
                            bouwvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 2.1.5 het onderzoek naar bodemverontreiniging</vet></al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>De artikelen over het bodemonderzoek in de Model-bouwverordening hebben tot
                        doel te bevorderen dat niet wordt gebouwd op verontreinigde grond. Artikel
                        2.4.1 bevat het verbod tot bouwen op verontreinigde grond. Bij dit artikel
                        is een uitvoerige toelichting geplaatst waarin de hele route van een
                        bodemonderzoe</al><al>k wordt beschreven, de van toepassing zijnde normen en de relatie wordt
                        aangeduid met de voorschriften uit de Woningwet en het Besluit
                        indieningsvereisten.</al><al>Artikel 2.1.5 is met de achtste serie wijzigingen per 1 januari 2003
                        vervallen. Om die reden is toen in de toelichting bij artikel 2.4.1 alles
                        beschreven over het bodemonderzoek wat nodig is voor de uitvoering van de
                        bouwverordening. </al><al>In verband met de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1
                        januari 2003 is bij de e wijzigingen van de Bouwverordening een reeks
                        artikelen vervallen, onder andere die over het bodemonderzoek. Onder meer
                        uit vragen uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de afstemming tussen
                        de Bouwverordening en genoemd Besluit op dat punt nog niet optimaal was, met
                        name wat betreft de regeling inzake de wijze van onderzoeken en de daarop
                        van toepassing zijnde normen en protocollen. In feite ontbrak de materie die
                        voorheen was geregeld in het tweede tot en met het vierde lid van het
                        vervallen artikel 2.1.5. </al><al>In een overleg met het ministerie van VROM is uitgesproken dat op termijn de
                        hele materie van het bodemonderzoek in landelijke regelgeving wordt
                        neergelegd, doch dat dit nog enige tijd zal duren voordat het zover is. </al><al>Omdat het onverantwoord wordt geacht deze periode over een gebrekkige
                        regelgeving te beschikken, is tevens in dit overleg besloten dat als een
                        tijdelijke oplossing de Bouwverordening wordt aangevuld met een nieuw
                        herschreven artikel 2.1.5. Het blijkt dat een wijziging van de
                        bouwverordening sneller te realiseren is dan een wijziging van landelijke
                        regelgeving. Het deels doen herleven van het oude artikel 2.1.5 maakt het
                        tevens noodzakelijk de toelichting op artikel 2.4.1 te herzien.</al><al>Met betrekking tot de voornemens voor rijksregelgeving verwijzen wij naar de
                        MG circulaire van 15 juli2003, nr. MG 2003-18.</al><al>De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt. Een uitvoeriger
                        beschrijving van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel
                        2.4.1. Men gelieve beide toelichtingen in combinatie met elkaar te
                        lezen.</al><al><vet><cursief>Lid 1</cursief></vet></al><al>Uit de systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
                        onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt uitgevoerd – ook
                        wel historisch onderzoek genoemd - ten behoeve van het formuleren van de
                        onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. Indien
                        het vooronderzoek naar de historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de
                        locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders op basis van het
                        derde lid besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het
                        verkennend onderzoek.</al><al>In volgorde kunnen dus drie onderzoeken worden onderscheiden: vooronderzoek,
                        verkennend onderzoek en nader onderzoek. </al><al>Letter c richt zich specifiek op het onderzoek naar asbest in de grond. Het
                        bodemonderzoek volgens NEN 5740 is niet toereikend om asbest in grond te
                        onderzoeken. Daartoe is de NEN 5707, uitgave 2003 ontwikkeld.</al><al>Niet langer is in dit artikel geregeld bij welke instantie de burger een
                        beoordeling van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen. Thans
                        wordt dit beschouwd als een interne organisatorische kwestie van de
                        gemeente. De mogelijkheid om een dergelijke beoordeling te vragen kan nog
                        steeds als dienstverlening aan de burger worden aangeboden. De gemeente
                        maakt bekend, bij voorbeeld bij de afgifte van het formulier voor het
                        aanvragen van een reguliere bouwvergunning, dat en waar een dergelijke
                        beoordeling kan plaatsvinden. Meestal is dit een afdeling of dienst milieu
                        of een intergemeentelijke milieudienst dan wel een private
                        organisatie/adviesbureau waaraan de gemeente bepaalde werkzaamheden heeft
                        uitbesteed. </al><al><vet><cursief>Lid 2</cursief></vet></al><al>Tot de wijziging van de wettelijke categorie-indeling van bouwwerken, die op
                        1 januari 2003 in werking is getreden, gold de bodemonderzoeksverplichting
                        niet voor het bouwen dat, hoewel bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen was met meldingplichtig bouwen. In het tweede lid van
                        artikel 2.1.5 is thans een soortgelijke regeling opgenomen ten aanzien van
                        het bouwen dat, hoewel regulier-bouwvergunningplichtig, naar aard en omvang
                        gelijk te stellen is aan bouwvergunningsvrij c.q.
                        licht-bouwvergunningplichtig bouwen als genoemd in het Besluit bouwwerken.
                        Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het plaatsen van een
                        tuinschuurtje bij of een aanbouw aan een utiliteitsgebouw. Hoewel in deze
                        gevallen dus geen bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend, kan de
                        aanhoudingsregeling van artikel 52a van de Woningwet overigens wel van
                        toepassing zijn op aanvragen om een reguliere of lichte bouwvergunning,
                        namelijk in het geval dat bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde
                        een redelijk vermoeden bestaat dat overeenkomstig de Wet bodembescherming
                        sprake is van een geval van ernstige verontreiniging (zie de toelichting bij
                        genoemd artikel 52a, eerste lid Woningwet).</al><al>De hoogte van een bouwwerk behoort bij de beoordeling of een bodemonderzoek
                        is vereist geen rol te spelen.</al><al><vet><onderstreept>Lid 3</onderstreept></vet></al><al>Het begrip ‘bruikbare onderzoeksresultaten’ houdt in dat in ieder geval een
                        onderzoek heeft plaatsgevonden en dat dit recent is. </al><al><vet><cursief>Lid 4</cursief></vet></al><al>Bouwwerken met een beperkte instandhoudingstermijn kunnen velerlei zijn, van
                        klein tot groot en voor een zeer divers gebruik. Vermelding van deze
                        categorie betekent geenszins dat in alle gevallen ontheffing wordt verleend.
                        De gemeente kan hiervoor beleid ontwikkelen. </al><al><vet><cursief>Lid 5</cursief></vet></al><al>De strekking van dit lid is het tegengaan dat een bodemonderzoek plaatsvindt
                        voordat de bestaande bebouwing wordt gesloopt en eventueel ten gevolge van
                        deze werkzaamheden een bodemverontreiniging optreedt die dan niet wordt
                        gesignaleerd.</al><al>Dit betekent dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd kan worden
                        overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit onderzoek
                        tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend. Of zoals de
                        toelichting bij de bijlage van het Besluit indieningsvereisten vermeldt “Dit
                        tijdstip kan in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd op
                        basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet.” </al><al><vet>Artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 Procedurebepalingen</vet></al><al>De (vervallen) artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.3 waren tot 2003 in de MBV
                        opgenomen teneinde discussies over termijnen uit te sluiten. Er werd van
                        uitgegaan dat artikel 8, derde lid van de Woningwet (oud) ruimte liet voor
                        het in de bouwverordening opnemen van deze artikelen. Tot 1 januari 2003 was
                        in artikel 2.2.1 Bouwverordening opgenomen dat de aanvrager door of namens
                        burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst wordt uitgereikt, waarin
                        de datum van ontvangst is vermeld. In het Besluit indieningsvereisten
                        ontbrak sinds 1 januari 2003 een dergelijke bepaling, die in verband met de
                        fatale beslistermijnen in de bouwvergunningprocedure nodig is. Vanaf 1 april
                        2007 voorziet het nieuwe artikel 40b Woningwet in deze leemte, dat regelt
                        dat burgemeester en wethouders de ontvangstdatum op de bouwaanvraag
                        aantekenen en een ontvangstbevestiging van de bouwaanvraag verzenden. (Sinds
                        de inwerkingtreding van het Besluit indieningsvereisten op 1 januari 2003
                        mogen burgemeester en wethouders geen aanvullende indieningsvereisten meer
                        opnemen in hun bouwverordening. In verband met de fatale beslistermijn in de
                        bouwvergunningprocedure zal het Besluit indieningsvereisten op dit onderdeel
                        worden gewijzigd. Deze wijzigingsprocedure zal echter enige tijd in beslag
                        nemen. )</al><al>Gelet op het belang van deze gegevens voor de bouwvergunningprocedure
                        adviseren wij u te handelen overeenkomstig het vervallen artikel 2.2.1
                        Bouwverordening totdat een en ander in het Besluit indieningsvereisten is
                        opgenomen. Voor een regeling van samenloop (artikel 2.2.2) en bekendmaking
                        van afwijkende termijnen (artikel 2.2.3) is na 2002 geen wettelijke basis
                        meer in de Woningwet aanwezig. </al><al>Gelet op de sanctie van de fictieve bouwvergunningverlening die de Woningwet
                        op termijnoverschrijding stelt, is het uitsluiten van onduidelijkheid over
                        beslissingstermijnen nog steeds van belang. De beslistermijn voor de
                        lichte-bouwvergunning en de bouwvergunning eerste of tweede fase is zes
                        weken en twaalf weken voor een reguliere bouwvergunning. Er zijn echter
                        uitzonderingen.</al><al>Het is raadzaam om de aanvrager op de hoogte te stellen van het feit dat op
                        een aanvraag om bouwvergunning, waarvoor tevens een vrijstelling als bedoeld
                        in de artikelen 15, 17 of 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening nodig is,
                        de termijn van zes weken (lichte-bouwvergunning/bouwvergunning eerste of
                        tweede fase) of twaalf weken (reguliere bouwvergunning) niet van toepassing
                        is; zie artikel 46 en 49 van de Woningwet.</al><al>Andere uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken
                        betreffen het opschorten van de termijn op grond van artikel 4.5 van de
                        Algemene wet bestuursrecht, het aanhouden van de aanvraag op grond van het
                        bepaalde in de artikelen 50 tot en met 55 van de Woningwet, dan wel het
                        verdagen van de beslissing daarop. </al><al>Ook de positie van de derden-belanghebbenden is bij de beslistermijnen van
                        belang. Ter bescherming van de positie van derden-belanghebbenden regelt
                        artikel 41 van de Woningwet de openbare bekendmaking van de aanvraag om
                        bouwvergunning. Om te vermijden dat derden-belanghebbenden te snel uitgaan
                        van een fictief verleende bouwvergunning op basis waarvan zij bezwaar kunnen
                        maken ingevolge de Algemene wet bestuursrecht, is het wenselijk dat de
                        uitzonderingen op de termijn van zes respectievelijk twaalf weken voor hen
                        kenbaar zijn. </al><al>Vanaf 2003 is het niet meer mogelijk de uitzonderingen op de beslistermijn
                        van zes of twaalf weken te registreren in het openbaar bouwregister. Het is
                        echter nog wel raadzaam om tot publicatie over te gaan van de aanhouding van
                        een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verdaging van de
                        beslissing over een aanvraag om bouwvergunning.</al><al><vet>Artikel 2.2.6 Bekendmaking van rechtswege verleende
                            bouwvergunning</vet></al><al>Artikel 58 van de Woningwet regelt, dat de eigenaar of hoofdgebruiker van
                        een naburig ander gebouw schriftelijk in kennis wordt gesteld van een
                        fictief verleende bouwvergunning.</al><al>De termijn voor het geven van schriftelijk bericht is door de Woningwet
                        gesteld op twee weken. De bouwverordening dient alleen de inhoud van het
                        bericht te regelen. Zo nodig kan dit artikel worden aangepast aan
                        plaatselijke omstandigheden en gebruiken.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde
                            grond</cursief></al><al><vet>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het tweede lid, onder c, van artikel 8 van de Woningwet wordt aan de
                        gemeenteraden de opdracht gegeven om in de bouwverordening voorschriften op
                        te nemen omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. </al><al>In het derde lid van genoemd artikel 8 is uitgewerkt op welke bouwwerken
                        deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord ‘uitsluitend’ in
                        de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de
                        bouwverordening niet is toegestaan.</al><al>In artikel 2.1.5 staat vermeld aan welke eisen het onderzoek naar de
                        gesteldheid van de bodem moet voldoen. Ook is aangegeven dat geen
                        bodemonderzoeksrapport hoeft te worden ingediend bij
                        regulier-bouwvergunning-plichtig bouwen dat naar aard en omvang gelijk is
                        aan bouwvergunningsvrij of licht-bouwvergunningplichtig bouwen.Voorts worden
                        hieronder bij het vierde aandachtstreepje de omstandigheden omschreven
                        waaronder burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing
                        kunnen verlenen van de plicht tot het (doen) verrichten van
                        bodemonderzoek.</al><al>Artikel 8 derde lid van de Woningwet en het onderhavige artikel sluiten nauw
                        aan bij de vroegere redactie waardoor inhoudelijk geen grote verschillen
                        ontstaan. De verschillen die er zijn, betreffen de aanduiding van de
                        categorie waarvoor het bodemonderzoek geldt, de bouwwerken waarvoor een
                        reguliere bouwvergunning is vereist. De bouwwerken waarvoor een zogenoemde
                        lichte bouwvergunning volgens artikel 44, derde juncto eerst lid van de
                        Woningwet is vereist, vallen buiten deze onderzoeksplicht. </al><al>Dit volgt uit artikel 4, eerste lid, letter c, van het Besluit
                        indieningsvereisten, waarin staat dat bij een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning de gegevens en bescheiden bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4
                        van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit moeten worden ingediend. De
                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport staat in artikel 1.2.5,
                        letter e van hoofdstuk 1 van de bijlage bij genoemd besluit. Derhalve geldt
                        de plicht tot het indienen van een bodemonderzoeksrapport niet voor een
                        aanvraag om een lichte bouwvergunning. De laatstgenoemde categorie komt niet
                        geheel overeen met de categoriemeldingplichtige bouwwerken van
                        voor de wetswijziging van 2003. Indien burgemeester en wethouders op andere
                        wijze dan via bedoeld bodemonderzoek ermee bekend zijn dat de grond ernstig
                        verontreinigd is (bijvoorbeeld op basis van eerder verricht bodemonderzoek
                        of historisch onderzoek), kunnen zij ook in geval van een aanvraag om een
                        lichte bouwvergunning van de aanvrager een bodemonderzoeksrapport verlangen. </al><al>De indieningsvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om
                        bouwvergunning, waartoe het bodemonderzoek behoort, zijn vanaf 1 januari
                        2003 niet langer in de bouwverordening maar in het Besluit
                        indieningsvereisten geregeld.</al><al>De structuur is als volgt:</al><lijst><li nr="-"><al>De voorprocedure – voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om
                                bouwvergunning – waarbij een gemeentelijke dienst, meestal de
                                milieudienst, een oordeel geeft over de onderzoeksopzet van het
                                onderzoeksrapport is als verplicht onderdeel om te komen tot een
                                aanvraag om bouwvergunning overbodig geworden nu de NEN 5740 deze
                                materie nagenoeg geheel bestrijkt. Ingeval de aanvrager twijfel
                                heeft over de keuze van deonderzoeksopzet staat het hem
                                vrij hierover bij de desbetreffende dienst of afdeling van de
                                gemeente informatie te vragen en een vooroverleg te voeren. In dit
                                vooroverleg kan tevens aan de orde komen de vraag of en zo ja voor
                                welke gegevens ontheffing wordt verleend van het onderzoek naar de
                                bodemgesteldheid.</al></li><li nr="-"><al>Bij de aanvraag om een bouwvergunning voor een bouwwerk waarvoor een
                                reguliere bouwvergunning is vereist, moet een onderzoeksrapport
                                betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel
                                1.2.6, letter e van de bijlage behorende bij artikel 4 van het
                                Besluit indieningsvereisten.</al></li><li nr="-"><al>Het onderzoeksrapport bestaat volgens het eerste lid van artikel
                                2.1.5 uit de resultaten van een recent uitgevoerd verkennend
                                onderzoek volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, inclusief
                                correctieblad C1, uitgave 2000 en NEN 5707, uitgave 2003. Voordat
                                een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd moet een vooronderzoek
                                volgens NVN 5725, uitgave 1999, worden uitgevoerd ten behoeve van
                                het formuleren van de onderzoekshypothese en een eventuele
                                onderverdeling van het terrein. Indien het vooronderzoek naar de
                                historie en de bodemgesteldheid uitwijst dat de locatie onverdacht
                                is, verlenen burgemeester en wethouders op grond van het derde lid
                                van artikel 2.1.5 geheel of gedeeltelijk ontheffing van de plicht
                                tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel
                                1.2.6 als hiervoor genoemd.</al><al> Duidt het vooronderzoek op de aanwezigheid van diffuse of
                                puntbronnen, dan dient daarnaast onderzoek plaats te vinden volgens
                                het gecombineerde protocol uit de Sdu-uitgave Bodemonderzoek
                                milieuvergunningen en BSB (oktober 1993, ISBN 90-12-08118-1).
                                Hiermee wordt op een verantwoorde wijze inzicht verkregen in de
                                algemene bodemkwaliteit van het bouwkavel en de aanwezigheid van
                                puntbron(nen) gebonden verontreiniging(en).</al><al> Wanneer uit het verkennend onderzoek blijkt dat sprake is van
                                bodemverontreiniging, is een nader onderzoek vereist. Hiervoor geldt
                                het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave 1994, ISBN
                                90-12-09083) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (Sdu-uitgave
                                1995, ISBN 90-12-08232-3).</al></li></lijst><al>Het beoordelingskader waarmee kan worden voorkomen dat de aanwezigheid van
                        asbest in de bodem op een bouwlocatie over het hoofd wordt gezien is
                        aangevuld met de onderzoeksnorm NEN 5707 (Bodem – Inspectie, Monsterneming
                        en analyse van asbest in bodem). Indien voorafgaand aan een verkennend
                        bodemonderzoek conform NEN 5740 een vooronderzoek volgens NVN 5725 wordt
                        uitgevoerd, kan de aanwezigheid van asbest in de bodem worden onderzocht
                        door daaraan een onderzoek volgens NEN 5707 te koppelen. De norm is van
                        toepassing op asbest in bodem en grond met minder dan 20% puin. Op de
                        bepaling van asbest in bodem met meer dan 20% puin is NEN 5897, uitgave 2005
                        ‘Monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en
                        puingranulaat’ van toepassing . </al><lijst><li nr="-"><al>Het tijdstip waarop de ontheffing wordt verleend is niet vastgelegd.
                                Dit kan zijn voor de indiening van een verzoek om bouwvergunning of
                                nadat dit verzoek is ingediend.</al><al> De ontheffing van de onderzoeksplicht houdt niet in dat niet
                                getoetst wordt aan het verbod tot bouwen op verontreinigde bodem. In
                                het kader van de grondpolitiek, de planologie, het bodem- of
                                milieubeleid beschikt de gemeente in voorkomende gevallen al over
                                onderzoeksresultaten. Het criterium voor het verlenen van een
                                ontheffing is dus een eerder onderzoek, dat kwalitatief aan het
                                onderzoeksrapport gelijkwaardige informatie heeft opgeleverd. Is het
                                terrein niet eerder onderzocht, dan vormt het feit dat in de
                                gemeentelijke archieven bruikbare informatie voor een historisch
                                onderzoek te vinden is, uiteraard geen grond voor een ontheffing.
                                Het eerdere onderzoek kan door de gemeente in eigen beheer gebeurd
                                zijn. </al><al> De situatie waarin de gemeente een terrein bouwrijp heeft
                                opgeleverd en verkocht, leent zich bijvoorbeeld goed voor een
                                ontheffing. Verder kan de aanvrager of een eerdere rechthebbende in
                                een ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning
                                onderzoeksgegevens aan de gemeente hebben overgelegd. Voorwaarde bij
                                dit alles is wel dat de bij de gemeente bekende informatie actueel
                                genoeg is. De actualiteitswaarde van de onderzoeksresultaten
                                bedraagt maximaal twee tot vijf jaar, afhankelijk van de aard en
                                mate van de verontreiniging en het bodemgebruik na het uitvoeren van
                                het onderzoek. Overwogen zou kunnen worden om, in verband met de
                                krappe termijnen, deze ontheffingsbevoegdheid van burgemeester en
                                wethouders te mandateren.</al><al> De ontheffing dient in volgorde vooraf te gaan aan de beoordeling
                                van de compleetheid van de stukken in verband met toepassing van
                                artikel 4:5 juncto 4:15 Awb. In verband met de krappe termijn kan
                                het lastig en wellicht niet goed realiseerbaar zijn om binnen die
                                termijn ook de mogelijkheid van een ontheffing te beoordelen en bij
                                een gunstige uitkomst te verlenen. Daarom is de mogelijkheid en
                                wenselijkheid aangegeven in een vooroverleg de mogelijkheid van
                                ontheffing te bezien en deze zo mogelijk te verlenen voordat de
                                aanvraag wordt ingediend. Dit geeft de aanvrager de meeste zekerheid
                                en behoedt de gemeente voor problemen met de fatale termijnen.</al></li><li nr="-"><al>Indien met inachtneming van een verleende of nog te verlenen
                                ontheffing blijkt dat de ingediende bescheiden onvoldoende zijn en
                                dit gebrek niet kan worden opgelost door het stellen van een
                                voorwaarde bij de vergunningverlening, wordt de aanvrager
                                overeenkomstig artikel 47 van de Woningwet in de gelegenheid gesteld
                                de ontbrekende gegevens aan te vullen.</al></li><li nr="-"><al>Indien de aard van het bouwplan daartoe aanleiding geeft, kunnen
                                burgemeester en wethouders in een voorwaarde bij de bouwvergunning
                                bepalen dat de desbetreffende gegevens en bescheiden alsnog moeten
                                worden verstrekt voordat met de bouw mag worden begonnen. Tevens
                                wordt hierbij een termijn gesteld en een exacte aanduiding welke
                                gegevens en bescheiden worden verlangd, aldus het derde lid van
                                artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten.</al></li></lijst><al>Ten gevolge van een verandering in de structuur en de plaats waar de diverse
                        aspecten staan geregeld, treedt overigens geen inhoudelijke verandering op
                        in de uitleg van de vermelde NEN en NVN, wat wordt verstaan onder ‘recent’
                        onderzoek, waarop de verwachting mag worden gebaseerd dat ‘voortdurend of
                        nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven’ in een te bouwen
                        bouwwerk.</al><al>De gezondheidsrisico’s voor de mens bij het gebruik van het bouwwerk vormen
                        in deze benadering het onderscheidend criterium. Veiligheid en gezondheid
                        zijn immers sinds de invoering van de Woningwet in 1901 belangrijke
                        grondslagen van de wet. Nadrukkelijk wordt in de Memorie van toelichting bij
                        de wetswijziging wermeld dat de schade voor het milieu, gelet op de
                        uitgangspunten van de Woningwet, geen motief kan zijn voor de voorschriften
                        in de bouwverordening met betrekking tot het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond. Dit in tegenstelling tot de Wet bodembescherming
                        waarbij het herstel van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens,
                        plant en dier centraal staat.</al><al><cursief>Bouwwerken bestemd voor het verblijf van mensen</cursief></al><al>Wat verstaan moet worden onder ‘bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen zullen verblijven’ wordt in de Memorie van toelichting
                        bij de Wet tot wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond (TK 1995-1996, 24 809, nr. 3) nader omschreven. Het
                        betreft hier bouwwerken waarin dagelijks gedurende enige tijd dezelfde
                        mensen verblijven, bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te
                        genieten. Bij ‘enige tijd’ moet gedacht worden aan een verblijfsduur van
                        twee of meer uren per (werk)dag. Het gaat dus niet om een enkele keer twee
                        of meer uren, maar om een meer structureel (over een langere periode dan één
                        dag) twee of meer uren verblijven van dezelfde mensen in het gebouw.</al><al>Gebouwen voor het opslaan van materialen of goederen, voor het telen of
                        kweken van land- en tuinbouw producten alsmede gebouwen ten behoeve van
                        nutsvoorzieningen, zoals elektriciteitshuisjes en gebouwen voor de
                        waterhuishouding of -zuivering, worden in de Memorie van toelichting genoemd
                        als voorbeelden van bouwwerken waarin niet voortdurend of nagenoeg
                        voortdurend mensen verblijven. De omstandigheid dat in deze bouwwerken wel
                        eens mensen aanwezig zijn, bijvoorbeeld voor het verrichten van over het
                        algemeen kort durende werk-zaamheden, zoals onderhoudswerkzaamheden, maakt
                        die gebouwen nog niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het
                        verblijven van mensen. In de Nota naar aanleiding van het verslag (TK,
                        1997-1996, 24809, nr.5, p 6) wordt naar aanleiding van kamervragen verder
                        opgemerkt dat een recreatiewoning (in termen van het Bouwbesluit een
                        logiesverblijf) onder het begrip “voortdurend of nagenoeg voortdurend
                        verblijven van mensen” valt, terwijl dit niet geldt voor een schuur of
                        garage bij een woning. </al><al><vet>Bouwwerken die de grond niet raken</vet></al><al>Hierbij moet gedacht worden aan dakkapellen en het realiseren van een extra
                        verdieping op een gebouw. De Memorie van toelichting noemt in dit kader ook
                        vergunningplichtige inpandige verbouwingen, werkzaamheden aan een fundering
                        of het maken van een kelder als voorbeeld. Indien de bouwwerkzaamheden
                        gepaard gaan met een functiewijziging kan echter onverminderd bodemonderzoek
                        worden geëist.</al><al><vet>Bevoegd gezag bij ernstig en niet-ernstig geval van
                            bodemverontreiniging</vet></al><al>De systematiek van de Woningwet gaat er van uit dat burgemeester en
                        wethouders het bevoegde gezag zijn voor de vraag of bij niet-ernstige
                        gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd. Al dan niet onder de
                        voorwaarde dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.</al><al>Indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn
                        gedeputeerde staten of burgemeester en wethouders van de vier grote steden
                        volgens de Wet bodembescherming het bevoegde gezag ten aanzien van de te
                        nemen saneringsmaatregelen.</al><al><vet>Afstemming met Wet bodembescherming</vet></al><al>Met de wijziging van de Woningwet inzake het tegengaan van bouwen op
                        verontreinigde grond is voorzien in een afstemmingsregeling tussen de
                        bouwvergunningsprocedure en de saneringsprocedure uit de Wet
                        bodembescherming.</al><al>Op grond van artikel 52A van de Woningwet geldt er een
                        aanhoudingsverplichting voor aanvragen om bouwvergunning indien uit het
                        overgelegde bodemonderzoek blijkt dat de grond ter plaatse in zodanige mate
                        is verontreinigd dat overeenkomstig de Wet bodembescherming sprake is van
                        een geval van ernstige verontreiniging. Deze aanhoudingsplicht geldt ook als
                        bij burgemeester en wethouders uit anderen hoofde een redelijk vermoeden
                        bestaat dat de grond waarop gebouwd wordt in ernstige mate is verontreinigd.
                        In deze gevallen zal het gaan om bouwaanvragen waarbij geen bodemonderzoek
                        behoefde te worden overgelegd, bijvoorbeeld omdat het bouwwerk niet bestemd
                        is voor het verblijf van mensen.</al><al>Deze aanhoudingsplicht duurt ingevolge het derde lid van artikel 52A totdat
                        het krachtens de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan heeft
                        goedgekeurd. Ook eindigt de aanhoudingsplicht indien het bevoegde gezag
                        heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van
                        verontreiniging.</al><al><vet>Hoe werkt de verbodsbepaling in de praktijk</vet></al><al>Indien noch uit een bodemonderzoek noch op basis van een redelijk vermoeden
                        kan worden gesteld dat sprake is van een ernstig geval van verontreiniging
                        geldt er voor de bouwvergunning geen aanhoudingsverplichting en moeten
                        burgemeester en wethouders beslissen op de bouwaanvraag. Het feit dat geen
                        sprake is van een ernstig geval van verontreiniging neemt echter niet weg
                        dat toch sprake kan zijn van een verontreinigingsgraad waarbij gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk. Hoewel
                        burgemeester en wethouders de bouwvergunning in deze gevallen formeel kunnen
                        weigeren, zal echter veelal volstaan kunnen worden met het stellen van
                        aanvullende voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen. Zie
                        hiervoor de toelichting onder artikel 2.4.2 van de
                        Modelbouwverordening.</al><al>Voor gevallen met een ernstige bodemverontreiniging geldt een
                        aanhoudingsverplichting totdat het bevoegde gezag als bedoeld in de Wet
                        bodembescherming een saneringsplan heeft goedgekeurd. Zodra het
                        saneringsplan is goedgekeurd dient een beslissing te worden genomen op de
                        bouwaanvraag. Ook in deze gevallen zal de vergunning in de regel verleend
                        kunnen worden onder de voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de
                        bouwwerkzaamheden, de op grond van het goedgekeurde saneringsplan
                        noodzakelijke voorzieningen worden getroffen.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991,
                            vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet
                            inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb 1998, 132), en
                            de MBV 1992 bijgewerkt tot de zesde serie wijzigingen</cursief></al><al>– Gelet op de functie van het in het geding zijnde bouwwerk (parkeerdak) is
                        een toets aan de in artikel 2.4.1, eerste lid (Model-)bouwverordening
                        neergelegde verbodsbepaling niet redelijk. Gelet hierop bestond de
                        mogelijkheid om vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4.1, tweede lid,
                        (Model-)bouwverordening te verlenen. Nu in dit geval sprake is van een van
                        rechtswege verleende bouwvergunning, en de Woningwet niet voorziet in de
                        mogelijkheid dat een op grond van de (Model-)bouwverordening vereiste
                        vrijstelling van rechtswege wordt verleend, is deze bouwvergunning in strijd
                        met artikel 44, aanhef en onder b, van de Woningwet.</al><al> Vz. ARRS 25 november 1993, S03.93.4868.</al><al>– Artikel 2.4.1 van de (Model-)bouwverordening is niet in strijd met artikel
                        8 van de Woningwet. Bij een interne bouwvergunningplichtige verbouwing zijn
                        b. en w. gehouden, zonodig onder het stellen van voorwaarden, een
                        vrijstelling van het verbod tot bouwen op verontreinigde grond te
                        verlenen.</al><al> Pres. Rb. Zutphen 26 februari 1996, BR 1996, p. 499.</al><al>– Uit het verkennend bodemonderzoek, dat zich heeft beperkt tot enkele
                        parameters, blijkt dat het desbetreffende gebied dermate is verontreinigd,
                        dat de grond niet zonder meer geschikt is voor woningbouw. Met betrekking
                        tot de specifieke verontreinigingsgraad van het perceel is nog onvoldoende
                        bekend. B. en w. hebben op goede gronden geconcludeerd dat nader
                        bodemonderzoek noodzakelijk is, om deze specifieke verontreinigingsgraad te
                        bepalen. Wegens het ontbreken van bereidheid aan de zijde van eiser dit
                        onderzoek te laten verrichten, hebben b. en w. de bouwvergunning geweigerd.
                        ABRS 2 september 1996, H01.95.0572.</al><al>–Bij de bodemtoets gaat het in het bijzonder om de actuele risico’s voor de
                        mens bij het gebruik van een bouwwerk. Ook een niet-urgent geval van
                        ernstige bodemverontreiniging (volgens urgentiemethodiek Wet
                        bodembescherming) kan desondanks met zich meebrengen dat bij het gebruik van
                        het bouwwerk voor de mens een actueel risico bestaat, zodat de
                        bouwvergunning geweigerd dient te worden.</al><al>– Pres. Rb. Leeuwarden 21 augustus 1996, BR 1996, p. 1005.</al><al><vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning</vet></al><al>Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, waarin naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders toch nog sprake is van een onaanvaardbare
                        verontreinigingsgraad, zijn meestal overzichtelijke gevallen. Op korte
                        termijn en zonder de noodzaak van saneringsonderzoek is aan te geven op
                        welke wijze het verontreinigingsprobleem kan worden ondervangen. </al><al>In dit soort niet ernstige gevallen hoeft de conclusie, dat het terrein
                        verontreinigd is, niet te leiden tot weigering van de bouwvergunning.</al><al>In de voorwaarden van de bouwvergunning kan aangegeven worden op welke wijze
                        het terrein gesaneerd moet worden en –in relatie tot de bouw – op welk
                        tijdstip. Als saneringsvoorwaarden valt te denken aan:</al><al>– de voorwaarde, dat onder het bouwwerk een isolerende en dampremmende laag
                        wordt aangebracht;</al><al>– de voorwaarde, dat een bepaald deel van de bodem wordt afgegraven en
                        afgevoerd, alsmede het aanbrengen van een schone bodemlaag;</al><al>– de voorwaarde, dat een pompinstallatie ter zuivering van het grondwater
                        wordt aangebracht en gedurende een aantal jaren na de totstandkoming van het
                        bouwwerk in stand wordt gehouden.</al><al>Er wordt op gewezen, dat sanering in deze gevallen in principe een
                        verantwoordelijkheid van de aanvrager om bouwvergunning is. Het kan in het
                        belang van de aanvrager zijn, als deze bij het overleggen van de aanvraag om
                        bouwvergunning voor het bouwen op een verontreinigde bodem tevens aangeeft
                        hoe deze de sanering denkt te laten plaatsvinden. </al><al>Ook bouwaanvragen waarbij sprake is van een ernstig geval van
                        bodemverontreiniging kunnen op grond van dit artikel worden afgedaan. Nadat
                        het op grond van de Wet bodembescherming bevoegde gezag het saneringsplan
                        heeft goedgekeurd en de aanhoudingsplicht op grond van artikel 52A van de
                        Woningwet is beëindigd, kan de bouwvergunning worden verleend onder de
                        voorwaarde dat vooruitlopend op de aanvang van de bouwwerkzaamheden, de op
                        grond van het goedgekeurde saneringsplan noodzakelijke voorzieningen worden
                        getroffen.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991,
                            vóór de inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Woningwet
                            inzake tegengaan van bouwen op verontreinigde grond (Stb 1998, 132), en
                            de MBV 1992 bijgewerkt tot de zesde serie wijzigingen</cursief></al><al>– De bodembepalingen uit de (Model-)bouwverordening bieden de mogelijkheid
                        tot verlening van een bouwvergunning onder voorwaarde dat na afbraak van de
                        bestaande opstallen en verwijdering van de olietanks een nader
                        bodemonderzoek zal plaatsvinden, en dat niet met de beoogde bouw wordt
                        begonnen voordat is gebleken dat het desbetreffende terrein daarvoor
                        geschikt is.</al><al> ABRS 13 juni 1996, BR 1996, 820.</al><al><cursief>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard</cursief></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De voorschriften van stedenbouwkundige aard zijn afgeleid van de
                        stedenbouwkundige voorschriften van de oude MBV. Deze oude voorschriften
                        zijn geactualiseerd, op onderdelen worden gemeenten alternatieven
                        geboden.</al><al>Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het bestemmingsplan</al><al>Artikel 9 van de Woningwet is hier van groot belang. Dit betekent dat deze
                        paragraaf van de MBV alleen dan geldt indien er geen bestemmingsplan
                        voorhanden is, of indien het desbetreffende bestemmingsplan
                        niet-vergelijkbare voorschriften van stedenbouwkundige aard bevat. Gedacht
                        kan worden aan een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een globaal
                        eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met een aantal
                        gebreken. Soms is het moeilijk te bepalen of het desbetreffende
                        bestemmingsplan exclusief wil zijn ten opzichte van de Modelbouwverordening.
                        Sinds 1992 geeft de Woningwet wel enige duidelijkheid in art. 9, lid 2
                        (slot): ‘..., tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.’ Het
                        primaat ligt bij het bestemmingsplan. De Woningwet gaat er echter
                        eenvoudigweg van uit dat bestemmingsplannen voor wat dit onderwerp betreft
                        volstrekt duidelijk zijn. Dit is echter niet altijd het geval. Indien er
                        sprake is van onduidelijkheid zal een en ander van geval tot geval bekeken
                        moeten worden. Is een van deze gevallen aan de orde, dan vullen de
                        stedenbouwkundige bepalingen (inclusief de ontheffingen hiervan) uit de
                        bouwverordening het bestemmingsplan aan. </al><al>Alvorens in een concreet geval tot aanvullende werking van de
                        bouwverordening wordt geconcludeerd, dient een drieledige toets te worden
                        uitgevoerd:</al><lijst><li nr="a."><al>bevat het bestemmingsplan voorschriften met betrekking tot een
                                onderwerp dat tevens in de bouwverordening wordt gereguleerd? Luidt
                                het antwoord ontkennend, dan dient vervolgens de vraag te worden
                                gesteld of,</al></li><li nr="b."><al>het bestemmingsplan aanvullende werking van de bouwverordening ten
                                aanzien van het desbetreffende, niet in het bestemmingsplan
                                gereguleerde, onderwerp expliciet uitsluit. Luidt ook het antwoord
                                op deze vraag ontkennend, dan dient ten slotte te worden bezien
                                of,</al></li><li nr="c."><al>de voorschriften van de bouwverordening niet overeenstemmen met de
                                voorschriften van het bestemmingsplan, in die zin dat aanvullende
                                werking van de bouwverordening tot gevolg heeft dat de
                                gebruiksmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, geheel of
                                nagenoeg geheel teniet worden gedaan. Is dit het geval, dan dient
                                aanvullende werking van de bouwverordening alsnog op grond van
                                artikel 9, eerste lid van de Woningwet te worden afgewezen.</al></li></lijst><al>Het is niet mogelijk de eventuele strijdigheid met een bepaling uit een
                        bestemmingsplan op te heffen met een ontheffing uit de bouwverordening. Deze
                        laatste zien immers alleen op de stedenbouwkundige bepalingen uit de
                        MBV.</al><al>Bewust is gekozen niet de termijn van tien jaar ex artikel 33 WRO te
                        introduceren in de bouwverordening aangezien het hier slechts gaat om een
                        minimale planologische regeling die niet aan tijdsveranderende
                        beleidsinzichten onderhevig is. Tevens is het van belang dat er sprake
                        blijft van continuiteit van de stedenbouwkundige eisen in de
                        (model)bouwverordening sinds 1965.</al><al>Belangrijke aandachtspunten bij de stedenbouwkundige voorschriften
                        zijn:</al><al>– De voorrangsregel tussen bestemmingsplan en bouwverordening; zie artikel 9
                        van de Woningwet. Voor gebieden waarvoor een bestemmingsplan van kracht is,
                        moet worden aangenomen, dat de stedenbouwkundige voorschriften slechts
                        rechtskracht hebben, voor zover het bestemmingsplan daardoor niet geheel of
                        ten dele van zijn kracht beroofd wordt.</al><al> Het tweede lid van artikel 9 van de Woningwet heeft ten opzichte van het
                        oude artikel 2 van de Woningwet 1962 wel een verduidelijking ondergaan. De
                        voorschriften van de bouwverordening treden alleen terug, als het
                        bestemmingsplan over hetzelfde onderwerp uitdrukkelijk voorschriften bevat
                        of als het bestemmingsplan uitdrukkelijk bepaalt, dat de voorschriften van
                        de bouwverordening terugtreden.</al><al> Uit jurisprudentie blijkt dat onder bepaalde voorwaarden de conflictregel
                        uit artikel 9 van de Woningwet zodanig kan worden toegepast dat ook een
                        toekomstig bestemmingsplan de bepalingen van de bouwverordening opzij kan
                        zetten. Indien met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening geanticipeerd wordt op een nog niet van kracht geworden
                        bestemmingsplan, waardoor dit toekomstige plan in de plaats treedt van het
                        van kracht zijnde bestemmingsplan, dan kan in het verlengde daarvan het in
                        voorbereiding zijnde bestemmingsplan op de voorgrond treden bij de
                        toepassing van de conflictregel. In deze hoedanigheid kan het toekomstige
                        bestemmingsplan bepalingen uit de bouwverordening terzijde schuiven.</al><al> Een eerste vereiste hiervoor is dat er sprake is van een
                        ontwerpbestemmingsplan dat reeds een voldoende concreet toetsingskader biedt
                        en waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat het onherroepelijk zal
                        worden.</al><al> Een tweede vereiste is dat met de toepassing van artikel 19 van de Wet op
                        de Ruimtelijke Ordening op dit plan geanticipeerd wordt. Alvorens de
                        vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening te kunnen starten dient beoordeeld te worden of het
                        bouwplan past binnen het ontwerpbestemmingsplan. Bij die toets moet ook
                        bezien worden of het toekomstige bestemmingsplan strijdig is met de
                        bouwverordening, waarbij de conflictregel wederom aan de orde komt. Als
                        onder deze omstandigheden blijkt dat de bouwverordening voorschriften geeft
                        die niet overeenstemmen met het toekomstige bestemmingsplan, dan blijven
                        deze voorschriften bij de toetsing van het concrete bouwplan buiten
                        toepassing.</al><al> Voor gebieden waar geen bestemmingsplan geldt en waar dus een anticipatie
                        op voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet aan de
                        orde is, biedt artikel 2.5.29 van de MBV de mogelijkheid om vrijstelling te
                        verlenen van de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor en
                        achtergevelrooilijn en van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        maximale bouwhoogte, mits het bouwplan past in het toekomstige
                        bestemmingsplan. Ook hier geldt daarbij de eis dat dit bestemmingsplan het
                        stadium van ‘intern praatstuk’ is gepasseerd, hetgeen in het betreffende
                        artikel nader is geconcretiseerd.</al><al> (Zie ABRS, 11 mei 1995, BR 1995, blz 671, Gst. 7022, 9, m.nt. De Gier. Zie
                        tevens ARRS, 18 september 1986, AB 1987,135). </al><al>– De tweedeling in (licht-)bouwvergunningplichtig en vrij bouwen. De
                        stedenbouwkundige voorschriften zijn van toepassing op het
                        bouwvergunningplichtig bouwen. Hierbij mag echter niet over het hoofd worden
                        gezien dat bouwwerken aan, bij of op monumenten en in van rijkswege
                        beschermde stads- en dorpsgezichten altijd bouwvergunningplichtig zijn. De
                        stedenbouwkundige voorschriften zijn aangepast aan artikel 43 van de
                        Woningwet en het Besluit bouwwerken.</al><al>– Het parkeren. Aan het slot van de stedenbouwkundige eisen bevat de MBV
                        parkeerartikelen. Het in de bouwverordening opnemen van parkeerartikelen is
                        mede noodzakelijk omdat het Bouwbesluit vooralsnog geen regeling ter zake
                        zal bevatten.</al><al><vet>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van vrijstelling van de
                            stedenbouwkundige bepali</vet><vet>n</vet><vet>gen</vet></al><al>Van verschillende bepalingen uit de artikelenreeks 2.5.1 t/m 2.5.29 is
                        ontheffing mogelijk, ten gevolge waarvan de belangen van omwonenden
                        beïnvloed worden. </al><al>Tot en met de laatste serie wijzigingen in de Bouwverordening gaf artikel
                        2.5.1 een begrenzing van die ontheffingsbevoegdheden, ten einde het gevaar
                        voor een onredelijke benadeling van belangen van de omwonenden tegen te
                        gaan. </al><al>Deze bepaling hield in dat</al><al>a.een bouwwerk niet zodanige afmetingen of een zodanige ligging mocht
                        krijgen dat tot een </al><al>bestaand deel ervan of een ander bouwwerk niet meer voldoende licht en lucht
                        zou kunnen toetreden, dan wel dat de goede werking van schoorstenen en
                        ventilatiekanalen zou worden belemmerd.</al><al>b.bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning moest worden
                        aangenomen dat alle</al><al>om het bouwterrein liggende terreinen zijn bebouwd tot de hoogte en de
                        oppervlakte die ten hoogste zonder vrijstelling of ontheffing mogelijk zijn
                        krachtens bestemmingsplan, de bouwverordening of enige andere
                        verordening.</al><al>c.Bij overschrijding van een of meer van de onder b bedoelde maxima door een
                        bestaand bouw-</al><al>c. werk in afwijking van het gestelde onder b moest worden uitgegaan van de
                        werkelijke afmetingen van dat bouwwerk.</al><al>Dit hoefde er evenwel niet altijd toe te leiden dat nieuwbouw die de hier
                        bedoelde hinder voor een naburig bestaand gebouw zou veroorzaken, niet
                        gerealiseerd kon worden. De opdrachtgever van de nieuwbouw kan immers met de
                        eigenaar van het bestaande gebouw overeenkomen dat op kosten van
                        eerstgenoemde de nodige veranderingen aan het bestaande pand worden
                        aangebracht (bijvoorbeeld grotere of andere ramen, mechanische gasafvoer
                        e.d.). </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur
                        heeft de gemeenteraad sinds 7 maart 2002 niet meer de bevoegdheid om op
                        grond van artikel 148 Gemeentewet bij verordening beleidsregels (i.c.
                        richtlijnen) vast te stellen, waarmee andere bestuursorganen van de gemeente
                        (i.c. B&amp;W) rekening dienen te houden bij de uitoefening van bij of
                        krachtens de wet verleende bevoegdheden. </al><al>Het belang van begrenzing van ontheffingsbevoegdheden in de artikelenreeks
                        2.5.2 tot en met 2.5.29 Bouwverordening blijft echter ook na 7 maart 2002
                        onverkort aanwezig. Titel 4.3 Awb omvat een algemene bevoegdheid voor
                        bestuursorganen om voor eigen bevoegdheden beleidsregels vast te stellen. De
                        inhoud van het vervallen artikel 2.5.1 Bouwverordening kan aldus als
                        beleidsregel bij besluit van burgemeester en wethouders opnieuw worden
                        vastgesteld en bekendgemaakt. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de
                        gemeenteraad bijvoorbeeld in een beleidsnota de kaders aangeeft, waarbinnen
                        het college van b&amp;w zijn bevoegdheid dient uit te oefenen. Zo’n
                        beïnvloeding van het collegebeleid kan echter alleen in politieke zin
                        gehandhaafd worden!</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– De voorwaarde voor verlening van de bouwvergunning, inhoudende dat de
                        bouwer voorzieningen treft ter voorkoming/opheffing van strijdigheid met de
                        technische bepalingen van de Bouwverordening (nu Bouwbesluit) van de
                        belendende panden, is i.c. onvoldoende gezien de aard van de potentiële
                        strijdigheden en het moeizame verloop van de onderhandelingen tussen
                        appellanten en belanghebbenden over het opheffen van die strijdigheden.</al><al> ARRS 26 april 1993, R03.89.7556.</al><al>– Vergunning voor het plaatsen van een kap op een bungalow onder de
                        voorwaarde dat, in overleg met de buren, bepaalde voorzieningen worden
                        aangebracht aan woningen van die derden teneinde bestaande ventilatie- en
                        rookafvoeren te verhogen (artikel 32 (Model-)bouwverordening 1965). De
                        afdeling stelt vast dat B en W aan de ter zake relevante wetgeving niet de
                        bevoegdheid kunnen ontlenen om te bepalen dat deze aan woningen van derden
                        te treffen voorzieningen door appellant, ongeacht de bereidheid tot
                        medewerking van die derden, dienen te worden aangebracht. B en W waren ermee
                        bekend dat de buren dit niet toestaan. Nu vaststaat dat deze voorwaarde niet
                        kan worden vervuld, kan niet worden gezegd dat deze strekt ter bescherming
                        van de belangen van artikel 32 (Model)bouw-verordening 1965. Onder deze
                        omstandigheden had het in de rede gelegen de bouwver-gunning te
                        weigeren.</al><al> ABRS 21 juni 1994, AB 1995, p. 257.</al><al>– Bij de beslissing om al dan niet vrijstelling van de voorschriften van de
                        (Model) bouwverordening te verlenen dienen in beginsel alle daarbij
                        betrokken belangen van omwonenden in aanmerking te worden genomen. Dit neemt
                        echter niet weg dat het gewicht dat aan de belangen moet worden toegekend
                        van geval tot geval kan verschillen.</al><al> ABRS 1 april 1996, JB 1996, nr. 155; AB-kort 1996, nr. 234. Zie ook ABRS 14
                        maart 1996, H01.95.0183.</al><al>– Bouwvergunning met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en
                        2.5.15, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening en van art. 277, eerste
                        lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de erfgrens. Onder
                        omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat realisering van een bouwplan
                        strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet van toestemming van de naburig
                        eigenaar is gebleken, zal het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken
                        belangen niet in redelijkheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen
                        overgaan. Dit is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van
                        de in art. 5:50 BW vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de
                        civiele rechter het onderhavige dakterras, gelet op de aanzienlijke omvang
                        ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken.</al><al> Pres. Rb. Haarlem 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</al><al>– Vergunning voor het vergroten van een woning met een uitbouw met balkon is
                        verleend met vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn.
                        De uitbouw voldoet niet aan artikel 50, eerste lid van boek 5 van het
                        Burgerlijk Wetboek (venster en balkon gelegen binnen 2 m. vanaf erfgrens).
                        Bij afweging van betrokken belangen kon de vrijstelling in redelijkheid
                        worden geweigerd.</al><al> Vz. ARRS 21 februari 1992, S03.92.0167.</al><al><vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet></al><al>Deze bepaling dient om te voorkomen dat, indien in de bouwverordening dan
                        wel in een bestemmingsplan bij een bepaald gebouw een zeker open terrein is
                        geëist, dat terrein nog eens meetelt bij het beoordelen van een aanvraag
                        voor een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Deze
                        bepaling blijkt vooral in het buitengebied betekenis te hebben.</al><al><vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het onderhavige voorschrift spreekt over ‘een bouwwerk dat voor het verblijf
                        van mensen is bestemd’, omdat met name ziekenauto’s en brandweerauto’s niet
                        alleen gebouwen moeten kunnen bereiken, maar ook bepaalde bouwwerken, geen
                        gebouw zijnde, zoals de tribunes van sportvelden. </al><al>Indien de maat in het eerste lid door de gemeenteraad op 10 meter wordt
                        bepaald, dan correspondeert deze met de maat, bij overschrijding waarvan –
                        ingevolge het Postbesluit dat op de Postwet 1954 berust – een brievenbus aan
                        het tuinhek moet worden aangebracht in plaats van aan de voordeur, een zgn.
                        buitenbus. De maat van 10 meter verdient uit een oogpunt van
                        brandbestrijding eveneens de voorkeur, omdat anders de lengte van de
                        blusslangen te groot wordt.</al><al>Indien een bouwplan niet voorziet in de aanleg van een verbindingsweg in de
                        zin van het eerste lid, moet de bouwvergunning worden geweigerd. Eventueel
                        kan de bouwvergunning worden verleend met de voorwaarde dat met bouwen pas
                        mag worden begonnen, wanneer de totstandkoming van een weg die aan de eisen
                        voldoet, voldoende is gewaarborgd. Een en ander kan betekenen dat de
                        aanvrager van de bouwvergunning eerst moet zorgen dat hij beschikt over een
                        toestemming tot aanleg van de verbindingsweg en/of het aansluiten ervan op
                        het wegennet.</al><al>Een publiekrechtelijke regeling (met een vergunningplicht voor het aanleggen
                        van wegen door particulieren) is opgenomen in het VNG-model voor de algemene
                        plaatselijke verordening (APV). Eventueel kan ook een privaatrechtelijke
                        toestemming tot aansluiten vereist zijn; een dergelijke toestemming tot
                        uitwegen is – gelet op artikel 14 van de Wegenwet – niet nodig voor het
                        aansluiten, c.q. uitwegen op openbare wegen.</al><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en de bouwverordening
                            (MBV 1965)</cursief></al><al>– Er kan met voldoende zekerheid van worden uitgegaan dat het bouwplan
                        voldoet aan de betrokken bepaling van de bouwverordening, nu ter zake
                        schriftelijk is overeengekomen dat een erfdienstbaarheid zal worden
                        gevestigd, zodat de noodzakelijke uitweg tot stand zal komen.</al><al> Vz. ARRS 24 februari 1992, S03.91.4091.</al><al>– De beoordeling of een op te richten gebouw langs een ontsluitingsweg
                        bereikbaar is, moet geschieden aan de hand van de feitelijke situatie. I.c.
                        is de oplaag verhard met grint en is de weg breed genoeg voor een
                        brandweerauto en ander ontsluitingsverkeer. </al><al> ABRS 20 december 1996, Gst 7050/8, m.nt. JT.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Ten gevolge van de wijziging van het onderhavige lid die in het kader van de
                        achtste serie wijzigingen van de Modelbouwverordening 1992 (d.d. najaar
                        2002) is doorgevoerd, is de gepubliceerde jurisprudentie van voordien niet
                        meer toepasselijk (ABRS 25 januari 2001, Bouwrecht 2001, 508; verbindingsweg
                        Boxmeer). </al><al>De breedte van de verbindingsweg en zijn bermen is afgestemd op het gebruik
                        door gangbare vrachtauto’s, zoals verhuisauto’s, vuilnisauto’s,
                        brandweerauto’s e.d., zonder dat deze elkaar behoeven te kunnen passeren. De
                        eis voor het draagvermogen van de verharding en een eventuele brug over een
                        sloot of iets dergelijks is eveneens afgestemd op het gebruik door genoemde
                        gangbare vrachtauto’s.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Opstelplaatsen voor blusvoertuigen behoren in voldoende aantal te worden
                        aangebracht, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. </al><al>Zulke opstelplaatsen behoeven echter niet te worden verhard, indien de
                        plaatselijke brandweer over blusvoertuigen voor terreingebruik
                        beschikt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een:</al><al>a aansluiting op het distributienet van de drinkwaterleiding;</al><al>b aansluiting op een leidingnet voor water, geen drinkwater zijnde;</al><al>c speciaal gegraven blusvijver;</al><al>d ander oppervlaktewater;</al><al>e waterput of bron.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>De onderhavige ontheffing kan worden verleend voor gebouwen die door hun
                        aard, ligging of wijze van gebruik geen verbindingsweg en dus ook geen
                        opstelplaats voor blusvoertuigen behoeven te hebben. Voorbeelden: recreatie
                        woonverblijven die aan het water liggen en over een aanlegsteiger
                        beschikken, bergplaatsen voor materialen bij waterstaatwerken, vrijstaande
                        boerenschuren, schuilhutten e.d.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Voor het aannemen van een verbindingsweg in de zin van artikel 37, lid 1,
                        (Model-) bouwverordening 1965 is de feitelijke situatie beslissend. Geen
                        beroep op de wegenlegger. Met aantekening dat met dit artikel niet is beoogd
                        het voorkomen van verkeersgevaarlijke situaties.</al><al> Vz. ABRS 25 april 1994, R03.93.555346P90 en S03.94.0222.</al><al>Om een snelle inzet met een zo beperkt mogelijke schade te waarborgen, moet
                        de brandweer een gebouw op een eenvoudige wijze kunnen betreden. Dit is
                        vooral van belang als het gebouw is voorzien van een
                        brandbeveiligingsinstallatie die is voorzien van automatische doormelding
                        naar de alarmcentrale van de regionale brandweer. </al><al>Wanneer een gebouw meerdere toegangen heeft, dient in overleg met de
                        brandweer de brandweeringang aangewezen te worden. Naast de primaire
                        toegankelijkheid van het gebouw, is het noodzakelijk dat de brandweer kan
                        beschikken over sleutels van ruimten in het gebouw die normaal zijn
                        afgesloten. </al><al>De werking van de brandweeringang dient te allen tijde gegarandeerd te zijn.
                        Hiervoor dient de brandweeringang te voldoen aan het gestelde in de
                        publicatie ‘Brandbeveiligingsinstallaties’van de Nederlandse Vereniging voor
                        Brandweerzorg en Rampenbestrijding (NVBR), Postbus 7010, 6801 HA Arnhem,
                        telefoon (026) 355 24 55, www.nvbr.nl .</al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>Het onderhavige artikel is complementair aan de bepalingen van het
                        Bouwbesluit die betrekking hebben op de toegankelijkheid van gebouwen voor
                        al dan niet gehandicapte mensen. In genoemde bepalingen is tevens geregeld,
                        wanneer de eigenlijke toegang van een gebouw over een hellingbaan moet
                        beschikken.</al><al><vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet></al><al>Het bepaalde onder b kan desgewenst variëren naar gelang van de zone waarin
                        de weg is gelegen. Ook kan per zone een vaste maat worden genoemd. Indien in
                        gebieden van de gemeente waarvoor geen bestemmingsplan geldt, wegen zouden
                        voorkomen van meer dan 30 meter breed zonder bestaande bebouwing, dan
                        verdient het de voorkeur om het onder b bepaalde als volgt te redigeren: </al><al>b langs een wegbreedte waarlangs geen bebouwing, als onder a bedoeld,
                        aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al><al> – bij een wegbreedte van ten minste 30 meter de lijn gelegen op een afstand
                        van de halve wegbreedte, gemeten uit de as van de weg;</al><al> – bij een wegbreedte die minder dan 30 meter, maar ten minste 10 meter
                        bedraagt, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;</al><al> – bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit
                        de as van de weg.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– De in artikel 39, aanhef en onder b, MBV 1965 (nu artikel 2.5.5 aanhef en
                        onder b, MBV) neergelegde bepaling betreffende de ligging van de
                        voorgevelrooilijn langs wegen waarlangs gebouwd mag worden, ziet niet op het
                        geval waarin langs een weg slechts krachtens een vrijstelling als hier aan
                        de orde mag worden gebouwd. ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</al><al>– Een hoekwoning heeft twee voorgevelrooilijnen.</al><al> Wnd. Vz. ARRS 19 januari 1993, BR 1993, p. 377, Hoekwoning
                        Nieuw-Ginneken.</al><al>-In het bestemmingsplan zijn bebouwingsgrenzen aangegeven, zodat ervan moet
                        worden uitgegaan dat dit onderwerp uitputtend in het bestemmingsplan is
                        geregeld. Er is dan geen plaats meer voor aanvullend werkende
                        rooilijnvoorschriften van de bouwverordening, zie artikel 9, eerste lid,
                        Woningwet.</al><al>- Rb. Breda 27 september 1994, 94/711 GEMWT BR.</al><al>– Indien overeenkomstig het bepaalde in 2.5.5 (Model-)bouwverordening bij
                        een hoekwoning de twee rooilijnen worden doorgetrokken tot het punt waar zij
                        elkaar snijden, is de erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn gebouwd. In
                        een dergelijke situatie is er, mede gelet op doel en strekking van het
                        tweede zinsdeel van artikel 43, eerste lid, onder j van de Woningwet, in
                        beginsel geen aanleiding om te oordelen dat ook bij hoekwoningen slechts één
                        voorgevelrooilijn aanwezig is.</al><al> Rb. Zutphen 17 januari 1995, 94/2406 GEMWT02.</al><al>– Het huis is een hoekhuis en heeft ingevolge het bestemmingsplan twee
                        voorgevelrooilijnen. In het onderhavige geval kan, gelet op de feitelijke
                        situatie, niet worden gesproken van een voortuin of achtertuin. Omdat het
                        bestemmingsplan voor de onderhavige erfafscheiding geen regeling bevat, moet
                        aan de gemeentelijke bouwverordening worden getoetst.</al><al> ABRS 20 maart 1995, R03.92.1104.</al><al>– Door het aanleggen van een weg op een binnenterrein ten behoeve van
                        woningbouw ontstaat er op grond van art. 2.5.5 (Model-)bouwverordening een
                        voorgevelrooilijn.</al><al> Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al>– De bestaande bebouwing aan de wegzijde waar de bouw wordt beoogd bestaat
                        uit een dubbelwoonhuis met garage en een vrijstaande woning. De voorgevels
                        staan respectievelijk 12 en 3,5 m van de voorste perceelgrens. Geen sprake
                        van een situatie ex artikel 39 aanhef en onder a (Model-)bouwverordening
                        1965 (thans art. 2.5.5, aanhef en onder a MBV).</al><al> ABRS 29 januari 1996, R03.92.4918.</al><al>– Aangenomen moet worden dat de voorgevelrooilijn die ligt aan de met huizen
                        bebouwde zijde van de dijk slechts maatgevend is voor aan die zijde op te
                        richten bebouwing. Aangezien het bouwwerk aan de – onbebouwde – overzijde is
                        opgericht kan geen sprake zijn van overtreding van artikel 39, aanhef en
                        onder a j 40 (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en onder a
                        MBV). Ook kan niet worden volgehouden dat met toepassing van artikel 39,
                        aanhef en onder b van de (Model-)bouwverordening 1965 (art. 2.5.5, aanhef en
                        onder b MBV) aan de onbebouwde walkant een voorgevelrooilijn aanwezig geacht
                        moet worden nu deze rooilijn dan ongeveer 2 m vanaf de walkant in de rivier
                        zou liggen. </al><al>Derhalve kan in dit geval van een verbod tot bouwen met overschrijding van
                        de voorgevel-</al><al>rooilijn geen sprake zijn.</al><al> ABRS 14 maart 1996, R03.92.3457.</al><al>– Gelet op de functie die de uitweg ter plaatse heeft en de ligging van de
                        woningen ten opzichte van deze uitweg, is de afdeling van oordeel dat de
                        voorgevelrooilijn is gelegen langs de uitweg en niet aan de zijde van de
                        hoofdstraat, waar de uitweg op uitkomt.</al><al> ABRS 23 november 1995, R03.93.3280.</al><al><vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen gedefinieerd wordt als ‘de lijn die –
                        behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden’, is – om misverstand te
                        voorkomen – een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn opgenomen. Het onderhavige verbod geldt niet voor
                        bouwvergunningvrije bouwwerken. Het geldt dus wel voor
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans voorzover in het Besluit
                        bouwwerken niet anders is bepaald, en voor bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken.</al><al>Indien een bouwvergunningvrij bouwwerk wordt gebouwd in, op, aan of bij een
                        monument, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, of een monument, als bedoeld
                        in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, dan wel in een
                        beschermd stads- of dorpsgezicht, als bedoeld in de Monumentenwet 1988, dan
                        is een dergelijk bouwwerk bij wijze van uitzondering
                        licht-bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het
                        Besluit bouwwerken.</al><al>Zie tevens artikel 2.5.8, eerste lid, onder g.</al><al><vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.7 houdt rekening met artikel 3 van het Besluit bouwwerken. Door
                        de verruiming van de categorie vergunningvrije bouwwerken kan in toenemende
                        mate samenloop ontstaan tussen vergunningvrije en vergunningplichtige
                        werken. In onderdeel a komt de keuze tot uitdrukking voor de ‘totaal-
                        benadering’ zoals die ook uit de wetsgeschiedenis is af te leiden. Dit
                        betekentdat een vergunningvrij bouwwerk niet vergunningvrij is als
                        het onderdeel uitmaakt van een (meeromvattend) licht-, dan wel
                        regulier-vergunningplichtig bouwplan. Deze ‘totaal-benadering’ houdt echter
                        niet in dat de vergunning dan ook mag worden geweigerd louter op dat
                        onderdeel dat op zichzelf beschouwd vergunningvrij zou zijn. In geval van
                        samenloop gaat het zwaarste regime voor, maar zonder dat daarmee de essentie
                        van vergunningvrij bouwen wordt aangetast (TK, 1999-2000, 26 734, nr. 6, p.
                        18). De redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel
                        uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn. De voor dit artikel van belang zijnde beperking, die artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent betreft een uitbreiding van
                        het bebouwd oppervlak. Bij het aanbrengen van veranderingen van
                        niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van een uitbreiding van het
                        bebouwd oppervlak. Elke vergroting van een bouwwerk, waardoor een bestaande
                        afwijking van de rooilijnvoorschriften zou toenemen, blijft dus
                        bouwvergunningplichtig.</al><al>Zie de figuren 1 en 2 in de bijlage die bij deze Toelichting behoort. De
                        bedoelde figuren illustreren dat in het algemeen als veranderingen van
                        niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van
                        het Besluit bouwwerken kunnen worden beschouwd:</al><al>1 uittreksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil, mits
                        zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters en gevellijsten, plinten,
                        enigszins uitstekende schoorsteenwanden en hemelwaterafvoeren;</al><al>2 uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven straatpeil,
                        mits zij de voorgevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m overschrijden, bij
                        voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten, dakoverstekken, dakgoten,
                        uithangbordjes en kleine luifels.</al><al>Indien uitsteeksels aan gebouwen de voorgevelrooilijn verder overschrijden
                        dan hiervoor onder 1 en 2 aangegeven, zullen burgemeester en wethouders dus
                        in het algemeen overwegen daartegen repressief op te treden. Indien in een
                        bestemmingsplan geen eigen regeling op het gebied van rooilijnen,
                        toelaatbare bouwhoogte e.d. is opgenomen, maar ter zake de artikelen 2.5.1
                        t/m 2.5.30 van de bouwverordening van kracht zijn verklaard, dan verdient
                        het aanbeveling om onderdeel a van artikel 2.5.7 aan te vullen met de tekst
                        van de voorgaande punten 1 en 2 (minus de voorbeelden) onder tussenvoeging
                        van de woorden ‘, te weten:’.</al><al><vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>Naast de vrijstellingsmogelijkheden bedoeld in artikel 2.5.8 kent artikel
                        2.5.29 nog de moge-lijkheid van vrijstelling voor het geval, dat er een
                        bestemmingsplan in voorbereiding is.</al><al>Artikel 2.5.8 is afgestemd op artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken.
                        De vermelding van artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken in artikel
                        2.5.8 is vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook
                        betekenis zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in
                        artikelen 2 en 3 van het Besluit bouwwerken, uit te sluiten.</al><al><cursief>Lid 1, ad b</cursief></al><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om vrijstelling te verlenen voor op het
                        eigen voorterrein plaatsen van beeldhouwwerk, vitrines e.d.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– De vrijstelling van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn mag slechts worden verleend, indien er sprake is van een
                        voor alle belanghebbenden kenbaar toekomstig planologisch kader, waaraan het
                        bouwplan getoetst kan worden. Een dergelijk kader ontbreekt nu geen
                        bestemmingsplan van kracht is en geen sprake is van een
                        voorbereidingsbesluit of een in voorbereiding zijnd bestemmingsplan. </al><al> Vz. ARRS 30 december 1992, AB 1994, nr. 248.</al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet></al><al>Artikel 2.5.9 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                        vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.9 is
                        vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                        zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het
                        Besluit bouwwerken, uit te sluiten. Zie voor het bouwen over de weg
                        overigens artikel 2.5.8.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn.</vet><vet>Afschuining van straathoeken</vet></al><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Onder deze vrijstelling kunnen bij voorbeeld complexen van bij elkaar
                        behorende gebouwen, zoals kazernes, ziekenhuizen en gevangenissen
                        vallen.</al><al><cursief>Lid 4, onder f</cursief></al><al>Hieronder vallen bij voorbeeld aangebouwde garages, terug liggende
                        zolderverdiepingen e.d.</al><al><cursief>Lid 4, onder g</cursief></al><al>Deze vrijstelling kan in het algemeen worden verleend voor gebouwen, die een
                        ruim voorterrein vragen.</al><al><vet>Artikel 2.5.11 Ligging van de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie de fiuren 3 t/m 12, in de bij deze Toelichting behorende bijlage.</al><al><cursief>Lid 1, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling kan voor langgerekte, taps toelopende bouwblokken tot
                        achtergevelrooilijnen in het smalle deel van het bouwblok leiden die elkaar
                        dicht naderen. Dit behoeft echter geen bezwaar te vormen, omdat artikel
                        2.5.21 de bouwhoogte dan evenredig beperkt.</al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Hoewel het begrip ‘rooilijn’ algemeen wordt gedefinieerd als ‘de lijn die –
                        behoudens toegelaten afwijkingen – bij het bouwen aan de wegzijde
                        (voorgevelrooilijn) of aan de van de weg afgekeerde zijde
                        (achtergevelrooilijn) niet mag worden overschreden’, is – om misverstand te
                        voorkomen – een direct verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn opgenomen.</al><al>Het geheel achter de achtergevelrooilijn bouwen moet overigens opgevat
                        worden als een – verboden – overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Indien gebouwd wordt aan of bij een beschermd monument of in een van
                        rijkswege beschermd stads- of dorpsgezicht, zijn normaliter
                        bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering
                        bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit
                        bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.14, lid l.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Het bouwplan had geweigerd moeten worden wegens overschrijding van de
                        achter-gevelrooilijn. Bij een grond voor weigering is er géén ruimte voor
                        aanhouding en doorbreking op grond van artikel 50 Woningwet; omdat er geen
                        bestemmingsplan van kracht is dat de bepalingen van de bouwverordening opzij
                        zet, hoeft geen rekening te worden gehouden met het toekomstig
                        bestemmingsplan.</al><al> Vz. ABRS 10 juli 1994, JB 1994, p. 784; ABRS, 11 mei 1995,</al><al> H01.94.0014.</al><al>– Bouwvergunning met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en
                        2.5.15, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening en van art. 277, eerste
                        lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de erfgrens. Onder
                        omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat realisering van een bouwplan
                        strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet van toestemming van de naburig
                        eigenaar is gebleken, zal het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken
                        belangen niet in redelijkheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen
                        overgaan. </al><al>Dit is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in
                        art. 5:50 BW </al><al>vermelde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de civiele rechter het
                        onderhavige </al><al>dakterras, gelet op de aanzienlijke omvang ervan, als balkon of soortgelijk
                        werk zal </al><al>aanmerken.</al><al> Pres. Rb. Haarlem, 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</al><al><vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Artikel 2.5.13 is afgestemd op het Besluit bouwwerken.</al><al>De redenering is dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde
                        onderdelen aan een </al><al>bouwwerk aangebracht kunnen worden als bouwvergunningvrij met overschrijding
                        van de </al><al>achtergevelrooilijn. Ingeval deze onderdelen deel uitmaken van de aanvraag
                        om </al><al>bouwvergunning, is het niet logisch om het verbod tot overschrijding van de </al><al>achtergevelrooilijn hierop van toepassing te laten zijn. Twee punten zijn
                        van belang:</al><lijst><li nr="-"><al>De voor dit artikel van belang zijnde beperking die artikel 3,
                                eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken kent, betreft een
                                uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. Bij het aanbrengen van
                                veranderingen van niet-ingrijpende aard mag er geen sprake zijn van
                                een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte.</al></li><li nr="-"><al>Wat betreft de aan- en uitbouwen die bouwvergunningplichtig zijn, is
                                het wel mogelijk dat het bestemmingsplan een regulerende werking
                                heeft. In dat geval hebben de stedenbouwkundige voorschriften van de
                                bouwverordening geen betekenis. Voorzover het bestemmingsplan de
                                aan- en uitbouwen verbiedt, is vrijstelling mogelijk op grond van
                                artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al></li></lijst><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld
                        in artikel 3, </al><al>eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken. Als zodanig kunnen in het
                        algemeen worden beschouwd:</al><al>Onder d worden veranderingen van niet-ingrijpende aard genoemd, als bedoeld
                        in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet 1991. Als zodanig
                        kunnen in het algemeen worden beschouwd:</al><lijst><li nr="1."><al>uitsteeksels die lager aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,20 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen, waaronder pilasters
                                en gevellijsten, plinten, enigszins uitspringende schoorsteenwanden
                                en hemelwaterafvoeren;</al></li><li nr="2."><al>uitsteeksels die hoger aangebracht worden dan 2,20 m boven
                                straatpeil, mits zij de achtergevelrooilijn met niet meer dan 0,50 m
                                overschrijden, bij voorbeeld gevelversieringen zoals kroonlijsten,
                                dakoverstekken, dakgoten en kleine afdaken.</al><al> Zie tevens de twee laatste zinnen van de toelichting op artikel
                                2.5.7.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.5.14 Vrijstelling voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>Naast de ontheffingsmogelijkheden in het onderhavige artikel 2.5.14 kent
                        artikel 2.5.29 nog </al><al>de mogelijkheid van ontheffing ingeval van voorbereiding van nieuw
                        ruimtelijk beleid. </al><al>Artikel 2.5.14 is afgestemd op het Besluit bouwwerken. De vermelding hiervan
                        is vooral van belang om het misverstand dat de bouwverordening ook betekenis
                        zou hebben voor zaken die bouwvergunningvrij zijn, uit te sluiten. Zie de
                        term ‘bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde’ onder h.</al><al>Bij het verlenen van ontheffing ingevolge de bepalingen van dit artikel
                        dienen de richtlijnen van de artikelen 2.5.1 en 2.5.2 in het bijzonder in
                        acht te worden genomen, mede in het belang van omwonenden. Voorts ware er
                        aandacht aan te besteden, of een bouwwerk voor de brandweer bereikbaar moet
                        blijven. </al><al>Artikel 2.5.14 is overigens afgeleid van artikel 48, eerste lid, van de MBV
                        1965. Onder de hoofdlijnen van de jurisprudentie hierna staat een aantal
                        uitspraken over artikel 48, eerste lid, vermeld, waarvan verwacht wordt, dat
                        die bruikbaar blijven. </al><al><cursief>Ad a en g</cursief></al><al>Voor deze bedrijven kan tot op zekere hoogte tegemoet worden gekomen aan op
                        bedrijfstechnische gronden gebaseerde verlangens. Met de onder g bedoelde
                        bouwstrook (of bouwblok), geheel of overwegend handels- of industrieterrein
                        omvattend, wordt niet beoogd een bouwstrook (of bouwblok) met
                        winkelbebouwing. </al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de</cursief><cursief>bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– De in artikel 48, eerste lid, bedoelde vrijstelling is niet nader aan
                        regels gebonden. De gemeente mag daarom bij het beslissen op een verzoek om
                        vrijstelling alle belangen betrekken die door het verlenen van de
                        vrijstelling kunnen worden geschaad of gediend.</al><al> ARRS 21 oktober 1977; BR 1978, 118.</al><al>– Niet onredelijk is een beleid waarbij de vrijstellingsmogelijkheden voor
                        overschrijding van de rooilijnen gebruikt worden om binnentuinen in de stad
                        te beschermen.</al><al> ARRS 8 november 1985; AB 1986, 251.</al><al>– Bij het beslissen op een aanvraag om vrijstellingen mogen belangen van
                        marktordening (in beginsel) geen rol spelen. (I.c. was ten onrechte
                        vrijstelling geweigerd ter bescherming van plaatselijke detailhandel in
                        dezelfde branche, terwijl er uit stedenbouwkundig opzicht geen bezwaren
                        waren aangevoerd tegen een eventuele vrijstelling.)</al><al> ARRS 27 september 1984, RO 3.83.0432.</al><lijst><li nr="–"><al>Er kan geen vrijstelling worden verleend voor een bouwplan, dat
                                voorziet in de oprichting van een pand, waarvan het deel achter de
                                achtergevelrooilijn aanzienlijk langer is dan het deel tussen de
                                rooilijnen. Er is dan geen sprake meer van een uitbouw. (Het geval
                                betrof een pand, bestaande uit een hoger en een lager deel. Het
                                nieuwe pand zou ongeveer 27 meter breed en ongeveer 42 meter lang
                                worden. Het pand had tussen de voor- en achtergevelrooilijn een
                                lengte van 15 meter).</al><al> ARRS 23 augustus 1983, A-32.4367 (1982)/23.</al></li><li nr="–"><al>Een voor publiek toegankelijke weg, waarvan de eigendom bij de
                                gemeente berust, kan als een weg in de zin van artikel 48, eerste
                                lid, aanhef en onder e juncto artikel 1, tweede lid van de MBV 1965
                                (nu artikel 2.5.14, aanhef en onder d, MBV) worden aangemerkt. De
                                omstandigheid dat het voetpad niet openbaar is in de zin van de
                                Wegenwet en niet voorkomt op de wegenlegger van de gemeente, doet
                                daar niet aan af. De bouwverordening stelt dergelijke eisen immers
                                niet.</al><al> ARRS 12 augustus 1991, No. R03.89.0533.</al></li></lijst><al>– Omdat de gevraagde uitbreiding gedeeltelijk op de plaats komt van en
                        aansluit op het reeds bestaande gebouw, is appellant van oordeel dat geen
                        sprake is van een overschrijding van de achtergevelrooilijn. Vergunning voor
                        het bestaande gebouw is echter destijds verleend met vrijstelling voor het
                        overschrijden van de achtergevelrooilijn. Voor het nu ingediende bouwplan is
                        opnieuw vrijstelling noodzakelijk. Wegens strijd met het in voorbereiding
                        zijnde bestemmingsplan kon deze vrijstelling in redelijkheid geweigerd
                        worden. ARRS 13 september 1993, R03.90.0424/P01.</al><al>– Uitbreiding bestaat uit een bouwlaag met daarop een hekwerk ter
                        afscherming van het op de bouwlaag voorziene dakterras. Uit de stukken
                        blijkt dat de uitbreiding wordt gerealiseerd tot op 5 m. uit de erfgrens met
                        achtergelegen percelen. Voorts is gebleken dat de diepte van de
                        achtergelegen tuinen minimaal 10 m. is en dat deze door een houten schutting
                        van het bouwperceel zijn gescheiden. Onder deze omstandigheden kon bij
                        afweging van betrokken belangen de vrijstelling in redelijkheid worden
                        verleend.</al><al> Vz ARRS 7 januari 1993, S03.92.4141.</al><al>– Vergunning voor het vergroten van een woning met een uitbouw met balkon is
                        verleend met vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn.
                        De uitbouw voldoet niet aan artikel 50, eerste lid van boek 5 van het
                        Burgelijk Wetboek (venster en balkon gelegen binnen 2 m. vanaf erfgrens).
                        Bij afweging van betrokken belangen kon de vrijstelling in redelijkheid
                        worden geweigerd.</al><al> Vz. ARRS 21 februari 1992, S03.92.0167.</al><al>– Vergunning verleent voor de bouw van een garage/hobbyruimte met verlening
                        van vrijstelling voor het overschrijden van de achtergevelrooilijn. De
                        garage is ongeveer 5 m. hoog en ligt op een afstand van ongeveer 4 tot 5 m
                        van de woning van verzoeker. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de
                        bouw de door verzoeker geschetste nadelen (beperking uitzicht en privacy)
                        met zich brengt. Bouwplan is in strijd met het in voorbereiding zijnde
                        ontwerpbestemmingsplan. Nu vergunninghouder bovendien reeds beschikt over
                        een vanaf de openbare weg zeer wel bereikbare opstal die gebruikt kan worden
                        als garage, rijst ernstige twijfel of de vrijstelling in redelijkheid wel
                        kon worden verleend Vz ARRS 11 april 1989, R03.89.1768/S419.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en
                            de bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>– Weigering van de vrijstelling van overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn. Er is geen bestemmingsplan van kracht. B en W kunnen
                        alle belangen in hun overweging betrekken welke door het verlenen van
                        vrijstelling zouden worden geschaad. Daartoe hoort ook het belang dat ermee
                        is gediend dat geen bouwwerken worden opgericht die niet passen in de door
                        de gemeente meest wenselijk geachte planologische ontwikkeling van het
                        betrokken gebied.</al><al>Dit planologisch beleid dient echter wel voldoende duidelijk te zijn.</al><al> ABRS 15 augustus 1994, R03.92.2137. Zie in gelijke zin ABRS 14 maart 1996,
                        H01.95.0183.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet></al><al>Het erf, bedoeld in dit voorschrift, mag niet worden verward met de
                        ‘buitenruimte’ in de zin van het Bouwbesluit.</al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het ruimschoots
                        voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk
                        Wetboek, want in laatstgenoemde burenrecht bepaling wordt een maat van 2
                        meter voorgeschreven als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin
                        vrijelijk ramen mogen worden aangebracht.</al><al>Het vrijelijk ramen in de achtergevel kunnen aanbrengen is tevens het motief
                        voor het bepaalde in het eerste lid, onder b. Het (gedeeltelijk) samenvallen
                        van de achtergevel met de erfgrens vormt hiervoor immers een beletsel.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 1</cursief></al><al>Deze ontheffing is onder meer bedoeld voor patiowoningen.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 2</cursief></al><al>Indien één van de in dit lid genoemde situaties zich voordoet en er dus open
                        ruimte achter een gebouw is, zij het dat deze niet bij het gebouw behoort en
                        het gebouw overigens over voldoende ‘uitloop’ beschikt, zou ontheffing van
                        de voorgeschreven erfgrootte kunnen worden verleend.</al><al><cursief>Lid 3 b, onder 3</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een betering van de
                        bestaande toestand zal een verkleining van het erf tot geringere oppervlakte
                        dan volgens dit artikel is vereist slechts aanvaardbaar zijn ten behoeve van
                        het opheffen van onbevredigende situaties in het gebouw waarvoor binnen het
                        gebouw geen oplossing kan worden gevonden. In die gevallen zal een
                        verbetering van het gebouw tegen een verslechtering van het erf moeten
                        worden afgewogen. Hiertoe zal in het bijzonder aandacht moeten worden
                        geschonken aan de functie van het erf als onderdeel van de vluchtweg bij
                        brand en aan de bereikbaarheid van het pand door de brandweer.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Bouwvergunning met een vrijstelling van het bepaalde in de art 2.5.12 en
                        2.5.15, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening en van art. 277, eerste
                        lid, Bouwbesluit voor een dakterras binnen twee meter van de erfgrens. Onder
                        omstandigheden, wanneer het zonneklaar is dat realisering van een bouwplan
                        strijd oplevert met artikel 5:50 BW en niet van toestemming van de naburig
                        eigenaar is gebleken, zal het bestuursorgaan bij afweging van de betrokken
                        belangen niet in redelijkheid tot verlening van een bouwvergunning kunnen
                        overgaan. </al><al> Dit is i.c. niet het geval, omdat ten aanzien van de betekenis van de in
                        art. 5:50 BW ver-melde balkons of soortgelijke werken onzeker is of de
                        civiele rechter het onderhavige dak-terras, gelet op de aanzienlijke omvang
                        ervan, als balkon of soortgelijk werk zal aanmerken.</al><al> Pres. Rb. Haarlem 24 november 1995, BR 1996, 330; KG 1996, nr. 34.</al><al><vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet></al><al>Naleving van het onderhavige voorschrift houdt tevens in het voldoen aan het
                        bepaalde in artikel 5.4.12 (5:50) van het Burgerlijk Wetboek, want in
                        laatstgenoemde burenrecht bepaling wordt een maat van 2 meter voorgeschreven
                        als minimumafstand tussen de erfgrens en muren waarin vrijelijk ramen mogen
                        worden aangebracht.</al><al><cursief>Lid 2, onder a en b</cursief></al><al>Bij het verlenen van ontheffing zal onder meer rekening moeten worden
                        gehouden met de ligging in het gebouw van eventuele dienstwoningen. Bij het
                        hanteren van de ontheffing dient bovendien onderscheid te worden gemaakt
                        tussen de gevallen, waarin het gaat om een bouwblok of een bouwstrook waarin
                        geen woningen voorkomen en een bouwblok waarin bij voorbeeld naast
                        bedrijfsgebouwen ook woningen voorkomen. Indien de laatste omstandigheid
                        zich voordoet zal de ontheffing minder ver mogen gaan dan in het andere
                        geval.</al><al><vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet></al><al>Deze bepaling is bedoeld om het ontstaan van smalle ontoegankelijke open
                        ruimten tussen gebouwen op aangrenzende terreinen te voorkomen, omdat deze
                        aanleiding tot hinder door vervuiling kunnen geven. De bepaling kan zowel
                        worden nageleefd door gebouwen tegen elkaar aan te plaatsen als door een
                        tussenruimte van meer dan een meter breedte te realiseren. De ontheffing kan
                        worden verleend, indien de smalle open ruimte voldoende, bij voorbeeld door
                        een opening in de zijgevel van het gebouw, voor onderhoud bereikbaar is. Bij
                        het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid zal uiteraard
                        ook gelet moeten worden op het bepaalde in artikel 2.5.1.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Artikel 52 MBV 1965 (nu artikel 2.5.17 MBV). Verweerders hebben een
                        vrijstelling op grond van dit artikel verleend, daar de architect is
                        uitgegaan van bouwtekeningen die nu niet meer stroken met de werkelijkheid.
                        De ruimte tussen de woningen is nu niet meer 1,50 m maar 0,75 m.</al><al> ARRS: Hoewel de – doodlopende – ruimte tussen de woningen smaller is
                        geworden dan voorzien, kan niet worden gesteld dat deze tussenruimte – die
                        0,75 m bedraagt – onvoldoende bereikbaar is voor onderhoud.</al><al> ARRS 19 juli 1993, No. R03.91.2840.</al><al>– Vergunning verleent met toepassing van artikel 19 van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening voor een omkasting van een afzuiginstallatie, welke op
                        een afstand van circa 8 cm. is gelegen van een overkapping op het
                        naastgelegen perceel. Deze tussenliggende ruimte voldoet niet aan het
                        gestelde in artikel 2.5.17, eerste lid van de (Model-)bouwverordening.
                        Verweerders hebben geen aandacht geschonken aan het desbetreffende
                        voorschrift en er op grond van het tweede lid van genoemd artikel evenmin
                        vrijstelling van verleend. De afdeling is overigens niet gebleken dat
                        voldaan wordt aan de in het tweede lid vervatte voorwaarde dat voldoende
                        mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                        ruimte. </al><al> ABRS 9 augustus 1996, R03.93.6116.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet></al><al>Artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek geeft iedere terreineigenaar het
                        recht om zijn erf te omheinen. Uiteraard moet hij daarbij de eventuele
                        beperkingen in de gemeentelijke voorschriften in acht nemen. Laatstgenoemde
                        voorschriften spelen echter meestal slechts een bescheiden rol, want een
                        erfafscheiding is in principe een bouwvergunningvrij bouwwerk op grond van
                        artikel 2, onder e, van het Besluit bouwvergunningvrije en
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, althans indien de daarin vermelde
                        beperkingen ten aanzien van onder meer de hoogtematen in acht worden
                        genomen. Hogere erfafscheidingen vallen vanzelfsprekend onder de
                        bouwvergunningplicht en behoeven derhalve preventieve toetsing aan de
                        voorschriften van het bestemmingsplan of het onderhavige artikel van de
                        bouwverordening. Eventueel kunnen burgemeester en wethouders op grond van
                        het tweede lid van laatstgenoemd artikel ontheffing verlenen voor het bouwen
                        van bijvoorbeeld een gevangenismuur of een hek ter omheining van een terrein
                        dat geen erf, behorend bij een gebouw, is.</al><al>Zie artikel 2.76 van het Bouwbesluit voor de toelaatbare draairichting van
                        beweegbare delen van erf- en terreinafscheidingen.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtran</vet><vet>s</vet><vet>portleidingen</vet></al><al>Het eerste lid strekt tot bescherming van het bouwvergunningplichtige
                        bouwwerk en de veiligheid van de bewoners of gebruikers daarvan. Het tweede
                        lid ziet meer op de openbare veiligheid. De ondergrondse
                        hoofdtransportleiding kan zowel dienen voor elektriciteit als voor aardgas,
                        olie, chemische producten e.d.</al><al>Het gehele artikel heeft alleen betrekking op hoogspanningslijnen en
                        hoofdtransportleidingen die bij het aanvragen van een bouwvergunning
                        aanwezig zijn. Het geldt ook voor het bouwen in het gebied van een
                        bestemmingsplan, zolang de voorschriften van dat bestemmingsplan dit niet
                        uitsluiten of een andere regeling ter zake bevatten; zie artikel 9 van de
                        Woningwet 1991.</al><al>Omdat het wenselijk is om van geval tot geval te kunnen bepalen, in hoeverre
                        het bouwen nabij hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen
                        toelaatbaar is en zo ja, onder welke voorwaarden, is het artikel geredigeerd
                        als een verbod, waarvan eventueel ontheffing kan worden verleend. De aan een
                        ontheffing te verbinden voorwaarden zullen in het algemeen zijn gericht
                        zowel op de veiligheid van de gebruikers van het bouwwerk als op het
                        voorkomen van storingen in de goede werking van de lijnen en leidingen ten
                        gevolge van de bouw en de aanwezigheid van het bouwwerk.</al><al>Indien het onderhavige artikel moet worden toegepast, verdient het
                        aanbeveling om overleg te plegen met de beheerder van de hoogspanningslijn
                        of de hoofdtransportleiding. Krachtens overeenkomst met de NV Nederlandse
                        Gasunie zal de gemeente van derden in elk geval het plegen van dergelijk
                        overleg verlangen, indien bij een hoofdtransportleiding voor aardgas wordt
                        gebouwd. Voor hoogspanningsleidingen zal het onderhavige voorschrift geen
                        praktische betekenis hebben, indien op het betrokken perceel een recht van
                        opstal is gevestigd, als bedoeld in artikel 5, lid 3, sub b, van de
                        Belemmeringenwet Privaatrecht. In dat geval heeft het recht van opstal niet
                        alleen betrekking op bouwvergunningplichtige bouwwerken, maar ook op
                        bouwvergunningvrije. Meestal betreft het dan vrij te houden stroken van 2 x
                        30 meter, waarin echter onder voorwaarden wel de plaatsing van bepaalde
                        bouwwerken, machines e.d. is toegestaan.</al><al><vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. </al><al>Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste meter boven straatpeil
                        van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van aanvaardbare
                        belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing gelaten,
                        omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst leveren
                        en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte bevinden. (De
                        belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te definiëren als
                        de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw en de
                        bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Een voorgevelrooilijn kan ontbreken op de plaatsen, waar bij voorbeeld een
                        vaart, een gracht, een park of een plantsoen langs de weg ligt. Veelal zal
                        een tegenoverliggende rooilijn dan te ver weg liggen om een beperkende
                        invloed op de maximumhoogte van het bouwwerk te hebben. Langs een smalle
                        gracht is dit echter niet ondenkbaar (zie figuur 15). Een plaatselijke
                        onderbreking van een voorgevelrooilijn komt bij voorbeeld voor bij de
                        uitmonding van een dwarsweg (dwarsstraat) (zie figuur 16).</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>Dit en de volgende artikelen bevatten een samenhangend stelsel van
                        voorschriften voor de maximumhoogten van bouwwerken in relatie tot de
                        afstanden tot tegenoverliggende bouwwerken. Voor de duidelijkheid is
                        aangegeven, dat het stelsel alleen voor bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        is bedoeld.</al><al>Het stelsel is niet alleen gericht op stedenbouwkundige ordening, maar ook
                        op voldoende toetredingsmogelijkheden voor licht en lucht. Gezien de vaste
                        fysische gegevenheden op het gebied van met name de daglichttoetreding is
                        dan ook geen onderscheid gemaakt tussen de maximumhoogten in de voor- en in
                        de achtergevelrooilijn. Tevens wordt in het voorschriftenstelsel de onderste
                        meter boven straatpeil van eventuele raamoppervlakten bij de bepaling van
                        aanvaardbare belemmeringhoeken voor de daglichttoetreding buiten beschouwing
                        gelaten, omdat de desbetreffende glasgedeelten praktisch geen lichtopbrengst
                        leveren en zich grotendeels beneden de gebruikelijke vensterbankhoogte
                        bevinden. (De belemmeringhoek in een stedenbouwkundig (straat)profiel is te
                        definiëren als de hoek tussen de onderste glaslijn van het beschouwde gebouw
                        en de bovenkant van de tegenoverliggende bebouwing.)</al><al>Met het oog op de in het algemeen wenselijke stedenbouwkundige ordening is
                        wel gedifferentieerd naar bebouwingsdichtheden voor enerzijds de bebouwde
                        kom (belemmeringhoek: maximaal 45 graden) en anderzijds daarbuiten
                        (belemmeringhoek: maximaal 37 graden). Zie de figuren 12, 13 en 14 in de bij
                        deze Toelichting behorende bijlage.</al><al>Ten behoeve van een – soms gewenste – aanvullende werking van de onderhavige
                        bouwverordening-voorschriften ten opzichte van vooral globale
                        bestemmingsplannen zonder uitwerkingsverplichting is – in afwijking van de
                        Modelbouwverordening 1965 – in een verdere differentiatie voor de bebouwde
                        kom voorzien, zodat bij voorbeeld verschil kan worden gemaakt tussen
                        grootstedelijke binnenstadsgebieden (belemmeringhoek: 60 graden) en de
                        overige delen van de bebouwde kom. Zie figuur 14.</al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet></al><al>Zie ook de toelichting op artikel 2.5.20.</al><al><cursief>Alternatief 1 </cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij achterterreinen die - door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins - niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte- diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De wijze van vaststelling van de bouwhoogte in het verticale vlak door de
                        achtergevelrooilijn in een bouwblok, waarin de achtergevelrooilijnen niet
                        evenwijdig lopen, is in figuur 17 nader toegelicht, waarbij a, a1 enz. de
                        voor de bouwhoogte in rekening te brengen afstand van de
                        achtergevelrooilijnen is. Het komt voor, dat bij tussen twee wegen gelegen
                        terreinen, die te ondiep zijn voor twee tegenover elkaar gelegen
                        bouwstroken, de tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt.</al><al>De langs de andere weg liggende voorgevelrooilijn treedt dan in de plaats
                        van de ontbrekende tegenovergelegen achtergevelrooilijn (zie figuur
                        18).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij achterterreinen die – door de ligging in geaccidenteerd gebied of
                        anderszins – niet op straatpeil liggen, leidt bepaling van de bouwhoogte in
                        het verticale vlak door de achtergevelrooilijn op de in het eerste t/m derde
                        lid voorgeschreven wijze niet tot de juiste hoogte-diepteverhouding van het
                        binnenterrein van gesloten bouwblokken. Dit mede in verband met het feit dat
                        krachtens het bepaalde in artikel 2.5.26 bij het bouwen aan een weg ten
                        opzichte van het straatpeil moet worden gemeten. Ter ondervanging van het
                        genoemde bezwaar is het onderhavige vierde lid opgenomen.</al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn</vet></al><al>De voorschrifttekst van het eerste lid is verduidelijkt, vergeleken met die
                        van het eerste lid van artikel 55 van de MBV 1965, maar de strekking is
                        onveranderd gebleven. Zie figuur 19.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien uit het bepaalde in het eerste lid voor een zijgevel tegenover een
                        achtergevelrooilijn een lagere hoogte volgt dan voor de – op die zijgevel
                        aansluitende – voorgevel toelaatbaar is dan kan het in overigens
                        verlichtingstechnisch gunstige omstandigheden verantwoord zijn om ontheffing
                        te verlenen voor het laten optrekken van de zijgevel tot de hoogte van de
                        voorgevel.</al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De hier genoemde hoek van 56 graden correspondeert met de
                        hoogte-diepteverhouding uit het eerste lid van artikel 2.5.22.</al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 15 meter komt – bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte – overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al><cursief>Alternatief 2</cursief></al><al>De maximumbouwhoogte van 26 meter correspondeert met de belemmeringhoek van
                        60 graden, genoemd in artikel 2.5.23, en de hoogte-diepteverhouding van 1,7,
                        genoemd in de artikelen 2.5.20 en 2.5.21.</al><al>Bovendien komt de maximumbouwhoogte van 26 meter – bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte – overeen met 9 à 9,5 bouwlaag. De
                        maximumbouwhoogte van 15 meter komt – eveneens bij een in de woningbouw
                        gebruikelijke verdiepingshoogte – overeen met 5 à 5,5 bouwlaag.</al><al>Indien wordt gebouwd op, bij of aan een beschermd monument of een van
                        rijkswege beschermd stad- en dorpsgezicht, zijn normaliter
                        bouwvergunningvrije bouwwerken bij wijze van uitzondering wel
                        bouwvergunningplichtig op grond van de artikelen 4, 5 en 6 van het Besluit
                        bouwwerken. Zie tevens artikel 2.5.28, sub l.</al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>Het onderhavige artikel wordt vooral gehanteerd voor bouwwerken op
                        binnenterreinen van gesloten bouwblokken.</al><al>Een zadeldak is een dak, bestaande uit twee schuine vlakken die elkaar in
                        het hoogste punt snijden, de zgn. nok, en vandaar beide naar beneden lopen
                        tot hun goot.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Door de aanleg van de weg op een binnenterrein is er geen sprake meer van
                        een binnenterrein, artikel 2.5.25 (Model-) bouwverordening is niet van
                        toepassing.</al><al> Vz. ABRS 15 juni 1995, H01.95.0175/P90 en K01.95.0032.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>Zie artikel 1.1 voor de definitie van ‘straatpeil’.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Erfafscheiding hoger dan 2 m blijft vergunningplichtig ook al wordt langs
                        de erfafscheiding een strook grond gestort van ongeveer 40 cm breed en 30 cm
                        hoog. De Afdeling stelt voorop dat een restrictieve uitleg moet worden
                        gegeven aan de in de Woningwet opgesomde uitzonderingen van het vereiste van
                        een bouwvergunning. Bij de bepaling van de hoogte van een erfafscheiding
                        dienen plaatselijke niet bij het verdere verloop van de grond passende
                        ophogingen of verdiepingen aan de voet van de erfafscheiding, zoals de
                        kunstmatig aangebrachte strook, dan ook buiten beschouwing te worden
                        gelaten.</al><al> ABRS 3 maart 97, H01.96.0191.</al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>Artikel 2.5.27 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                        redenering is, dat bij een eenmaal gerealiseerd bouwwerk bepaalde onderdelen
                        aan een bouwwerk aangebracht kunnen worden als vrij bouwen met
                        overschrijding van de toegelaten hoogte. Ingeval deze onderdelen deel
                        uitmaken van de aanvraag om bouwvergunning is het niet logisch om het verbod
                        tot overschrijding van de voorgevelrooilijn hierop van toepassing te laten
                        zijn.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Deze niet van toepassing verklaring geldt uiteraard, mits de te vernieuwen
                        of te veranderen delen niet worden verhoogd. Dit zou namelijk de vergroting
                        van een bouwwerk betreffen. Voor de vergroting van een bouwwerk zijn de
                        artikelen 2.5.20 t/m 2.5.24 onverkort van toepassing, zij het behoudens
                        vrijstelling ingevolge artikel 2.5.28, onder e.2.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet></al><al>Artikel 2.5.28 is afgestemd op artikel 3 van het Besluit bouwwerken. De
                        vermelding van artikel 3 van het Besluit bouwwerken in artikel 2.5.28 is
                        vooral van belang om het misverstand, dat de bouwverordening ook betekenis
                        zou hebben voor zaken, die als vrij bouwen genoemd zijn in artikel 3 van het
                        Besluit bouwwerken, uit te sluiten.</al><al>Bij het verlenen van ontheffingen dient bijzondere aandacht te worden
                        besteed aan het bepaalde in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Ook kunnen
                        welstandsoverwegingen worden betrokken bij het beoordelen van verzoeken om
                        ontheffing.</al><al>Onder de hoofdlijnen van de jurisprudentie oud is een uitspraak van artikel
                        61 van de MBV 1965 opgenomen.</al><al><cursief>Ad e, onder 1</cursief></al><al>Deze ontheffing zou kunnen worden verleend, indien het een gebouw betreft,
                        dat aansluit bij bestaande bebouwing, die onder vigeur van vroegere
                        voorschriften hoger is dan thans is toegelaten. Door de ontheffing kan dan
                        een gaaf straatbeeld worden verkregen.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– Welstandsoverwegingen mogen worden betrokken bij het beslissen op
                        aanvragen op verzoeken om vrijstelling van de toegestane bouwhoogte. (I.c.
                        zou het gebouw te sterk domineren en niet aansluiten op de te verwachten
                        toekomstige ontwikkeling van de omgeving.)</al><al> ARRS 10 juni 1982; BR 1982, 847.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van
                            de toegelaten bou</vet><vet>w</vet><vet>hoogte in geval van
                            voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</vet></al><al>Artikel 2.5.29 MBV is, in zijn relatie met de overige stedenbouwkundige
                        ontheffingen uit de MBV, te vergelijken met de relatie tussen enerzijds de
                        buitenplanse vrijstellingsregelingen van artikel 17 en 19 WRO en anderzijds
                        de binnenplanse (d.w.z. opgenomen in het bestemmingsplan zelf)
                        vrijstellingen ex artikel 15 WRO.</al><al>Deze analogie doordenkend is paragraaf 2.5 MBV te beschouwen als een deel
                        van een pseudo-bestemmingsplan en zijn de artikelen 2.5.8, -14 en -28 te
                        beschouwen als drie ‘binnenplanse’ ontheffingen. Artikel 2.5.29 is dan te
                        beschouwen als de ‘buitenplanse’ ontheffing. Zie ook algemene toelichting
                        bij paragraaf 2.5.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe Uniforme Openbare
                        Voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb per 1 juli 2005 is het niet
                        meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de terinzagelegging en
                        het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te bekorten. Dit
                        betekende de invoering van een (deels) zelfstandige projectenprocedure
                        (artikel 19, lid 1 WRO), de aangewezen projectenprocedure (artikel 19, lid 2
                        WRO) en de algemene vrijstellingsregeling (artikel 19, lid 3 WRO
                        juncto<sup/>artikel 20 Bro). De laatste twee vrijstellingsregelingen kennen
                        in beginsel geen preventief provinciaal toezicht meer (verklaring van geen
                        bezwaar).</al><al>Deze relatie tussen 2.5.29 MBV en de nieuwe formulering (3/4/2000) van
                        artikel 17 en 19 WRO leidt tot een nieuwe opzet van artikel 2.5.29 MBV.</al><al>De regeling in de artikelen 17, 18, 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke
                        Ordening in combinatie met artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke
                        ordening hebben model gestaan voor de aanpassing van dit artikel.</al><al>Geconcludeerd werd dat de reikwijdte van artikel 2.5.29 MBV grote
                        overeenstemming vertoont met artikel 20 Bro. Laatstgenoemd artikel geeft aan
                        welke initiatieven (bouwen en gebruiken) in strijd met het bestemmingsplan
                        met een eenvoudige vrijstelling van burgemeester en wethouders afgedaan
                        kunnen worden. Dit betreft met name in de bebouwde kom substantiële
                        vergrotingen van de algemeen toegestane bouwvolumina, verdergaand dan
                        waarvoor op grond van onder meer de artikelen 2.5.14 MBV en 2.5.28 MBV
                        ontheffing kan worden verleend (het gaat meestal niet om uitbreidingen van
                        bestaande gebouwen, maar om nieuwe gebouwen die niet tussen de rooilijnen of
                        onder de maximumbouwhoogte passen).</al><al>Artikel 2.5.29 MBV maakt het mogelijk soortgelijke projecten te realiseren
                        in afwijking van de stedenbouwkundige bepalingen van de MBV.</al><al>Provinciaal toezicht is in beide situaties niet aan de orde. Het betreft
                        immers in vele gevallen de bebouwde kom of het aanvullen van door
                        Gedeputeerde Staten goedgekeurde bestemmingsplannen. Vandaar dat er ook geen
                        verplichte relatie wordt gelegd met het zogenaamde artikel 10
                        Bro-overleg.</al><al>Gegeven deze gelijkenis ligt het voor de hand de ontheffing van artikel
                        2.5.29 MBV een nagenoeg gelijke procedure toe te kennen als in artikel 19,
                        lid 3 WRO en in artikel 18 WRO.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De verordeningstekst van het eerste lid bleef bij de achtste serie
                        wijzigingen (d.d. per 1 januari 2003) grotendeels gelijkluidend aan de
                        desbetreffende tekst die van 1983 tot 2001 vigeerde.</al><al>De woorden ‘voor het bouwen in een gebied waarvoor geen bestemmingsplan
                        geldt’ zijn vervallen, omdat niet slechts in het geval dat er geen
                        bestemmingsplan geldt gebruik gemaakt kan worden van artikel 2.5.29 MBV,
                        doch ook indien er een slechts ten dele goedgekeurd bestemmingsplan, een
                        globaal eindplan, een heel oud bestemmingsplan of een bestemmingsplan met
                        een aantal gebreken is; zie ook de Algemene toelichting bij paragraaf 5 van
                        de MBV onder ‘Relatie stedenbouwkundige bepalingen en het
                        bestemmingsplan’.</al><al>Lid 2</al><al>De in lid 1, sub a en b van het voorheen geldende artikel 2.5.29 (tot 1
                        januari 2003) genoemde relatie met het voorbereidingsbesluit en
                        ontwerpbestemmingsplan zijn komen te vervallen nu per 3 april 2000 bij
                        ruimtelijke vrijstellingen de rechtstreekse relatie met een nieuw
                        bestemmingsplan is komen te vervallen. Het gaat nu over het ruimere begrip
                        en toetsingskader ‘kenbaar planologisch (nieuw) beleid’.</al><al>Sub a en b: doorverwijzing naar artikel 19, lid 2 WRO alsmede naar artikel
                        20 Bro.</al><al>Het gedachtegoed uit de algemene toelichting bij dit artikel komt hier in
                        wettekst tot uitdrukking.</al><al>Sub c: Welk toekomstig ruimtelijk beleid is zoal relevant?</al><al>Op grond van oude Arob-jurisprudentie, zoals ARRS 3 augustus 1982, Gst.
                        6740, BR 1982, p. 887; ARRS 15 oktober 1982, BR 1983, p. 135; Vz. ARRS 26
                        januari 1984, Gst. 6793.3; Vz ARRS 15 juni 1984, Gst. 6793.4 en Vz. ARRS 2
                        augustus 1985, BR 1985, p. 114 op basis van de Woningwet 1962, volgde dat
                        een in de bouwverordening opgenomen ontheffingsregeling<sup>)</sup> ‘een
                        objectief bepaald, althans bepaalbaar, criterium biedt (moet bieden) omtrent
                        datgene waartoe de ontheffing kan strekken. Dit betekent dat de mogelijkheid
                        tot verlening van ontheffing in relatie moet zijn gebracht met een redelijke
                        verwachting dat het bouwplan in overeenstemming zal zijn met ‘een voldoende
                        omlijnd, voor alle belanghebbenden kenbaar, toekomstig planologisch
                        kader.’</al><al>De ARRS heeft de eisen later wat afgezwakt, waarbij zij zo’n
                        ‘pseudo-anticipatieregeling’ in de bouwverordening niet als onverbindend
                        aanmerkte waarin voor het kunnen verlenen van ontheffingen slechts als eisen
                        waren opgenomen dat belanghebbenden vooraf waren gehoord en dat de GS een
                        verklaring van geen bezwaar hadden verleend. Zie ARRS 8 oktober 1985, AB
                        1986, 501 en ARRS 11 mei 1995, AB 1996.</al><al>De afdeling is er in ieder geval steeds van uitgegaan dat het materiële
                        toetsingskader vergelijkbaar moet zijn met het toetsingskader dat wordt
                        gehanteerd bij toepassing van artikel 19 WRO. Voor het nieuwe artikel 19 WRO
                        moet men bedenken dat de toepassing ervan zonder voorbereidingsbesluit
                        slechts mogelijk is indien er een geldend bestemmingsplan is dat jonger is
                        dan tien jaar en er bovendien een goede ruimtelijke onderbouwing is
                        gegeven.</al><al>In eerste instantie moet natuurlijk gedacht worden aan een ter inzage gelegd
                        ontwerpbestemmingsplan. Ook een goed gemotiveerd voorbereidingsbesluit voor
                        bijvoorbeeld een bouwlocatie kan een basis vormen.</al><al>Ook is ander ‘vastgesteld en bekendgemaakt ruimtelijk beleid’, evenals bij
                        de toepassing van artikel 19 WRO<sup>)</sup>, zonder meer mogelijk om de
                        ontheffing op de baseren. Denk bijvoorbeeld aan een structuurplan,
                        structuurvisie of -nota, beleidsnota, beleidsregels (een nota dakkapellen,
                        bijgebouwen e.d.) en een sectorale nota. </al><al>Nadrukkelijk wordt echter ook ander nieuw ruimtelijk beleid als
                        inspiratiebron genoemd. Immers enkel ‘vastgesteld en bekendgemaakt beleid’
                        zal verstarrend werken want het kan lang duren voordat zo’n beleid een feit
                        is. Zo kan overeenstemming met een voorontwerpbestemmingsplan waarmee de
                        Provinciale Planologische Commissie heeft ingestemd, al een voldoende basis
                        zijn. Dit laatste spoort immers met de jurisprudentie op artikel 19 WRO
                        (oud) en ook met de eerste uitspraken van lagere rechters inzake het nieuwe
                        artikel 19 WRO (2000).</al><al>Motivering</al><al>De eis van een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ geldt voor de vrijstelling
                        van het eerste en tweede lid van artikel 19 WRO. Voor de vrijstellingen van
                        het derde lid van artikel 19 WRO is deze eis niet gesteld. Uiteraard geldt
                        voor een dergelijk vrijstellingsbesluit zoals voor alle besluiten wel de eis
                        van een goede motivering (artikel 3:46 Awb). Deze motivering zal in het
                        onderhavige geval in ieder geval betrekking moeten hebben op toekomstig
                        planologisch beleid.</al><al>In het tweede lid van artikel 2.5.29 MBV is daarom expliciet de eis
                        opgenomen dat het bouwplan waarvoor ontheffing wordt verleend ‘in
                        overeenstemming is met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid’. Er is dus,
                        gezien ook de tekst van artikel 19, lid 3 WRO en artikel 17 WRO, niet
                        gekozen om een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ te eisen voor de artikel
                        2.5.29 MBV-ontheffing.</al><al>Wel geldt natuurlijk het algemene motiveringsbeginsel van artikel 3:46 Awb
                        en de relevante jurisprudentie daarover. Er is overigens weinig
                        jurisprudentie over artikel 2.5.29.’</al><al>Milieuzonering</al><al>Ook bij deze ontheffing moeten burgemeester en wethouders rekening houden
                        met alle belangen, dus ook de milieubelangen. Afstanden ten opzichte van
                        hinderveroorzakende activiteiten zijn dan van groot belang. De relevante
                        afstanden treft u aan in de reeds meerdere malen herziene VNG-publicatie
                        ‘Bedrijven en milieuzonering’.</al><al>Lid 3</al><al>Bekendmaking/openbare kennisgeving</al><al>Op grond van artikel 41 Woningwet moet de aanvraag om bouwvergunning binnen
                        twee weken na ontvangst worden bekendgemaakt. Uit het desbetreffende
                        bouwplan kan worden afgeleid dat het in strijd zal zijn met de eisen van de
                        MBV. Afzonderlijke bekendmaking van een (impliciet) verzoek om de
                        desbetreffende ontheffing van de MBV is derhalve niet noodzakelijk. </al><al>Afdeling 3.4 Awb </al><al>Dit betreft een paragraaf van regelend recht die niet van overeenkomstige
                        toepassing is verklaard in de MBV</al><al>Er geldt derhalve geen wettelijke verplichting om de procedure van afdeling
                        3.4 Awb te volgen bij de ontheffing ex artikel 2.5.29 Bouwverordening.</al><al>Titel 4.1 Awb</al><al>Deze paragraaf is in principe van toepassing voorzover de Woningwet (lex
                        specialis) hier niet van afwijkt.</al><al>Horen</al><al>Het is niet gebruikelijk dat de aanvrager om bouwvergunning gehoord moet
                        worden (art. 4:7 Awb) bij het voornemen van burgemeester en wethouders om de
                        aanvraag te weigeren aangezien het altijd een beschikking op aanvraag
                        betreft.</al><al>Voor wat betreft de derde belanghebbende ligt dit anders. Indien er voor de
                        aanvraag om bouwvergunning een weigeringsgrond bestaat, hoeft de
                        belanghebbende niet te worden gehoord. Indien de gemeenten door middel van
                        een ontheffing toch wil meewerken, dan is het voorstelbaar dat de belangen
                        van een of meer buren voor de beslissing relevant worden. In dat laatste
                        geval zullen zij gehoord moeten worden (MvT, PG Awb, p. 254).</al><al>Inspraak</al><al>Inspraak is niet aan de orde gezien de procedure analoog aan artikel 17/19,
                        lid 3 WRO.</al><al>Zienswijzen en fatale termijnen</al><al>Het afhandelen van zienswijzen kost tijd. De algemene termijnen van de Awb
                        zijn al aangepast aan de bijzondere termijnen van de Woningwet. Desondanks
                        is het inpassen van behandelingstermijn en van de zienswijzen onmogelijk in
                        het systeem van fatale termijnen van de Woningwet. Deze ontheffingsprocedure
                        moet immers worden doorlopen binnen de desbetreffende fatale termijnen van
                        de Woningwet. Zolang echter de aanvraag om een reguliere bouwvergunning kan
                        worden verdaagd, lijkt het mogelijk om beide procedures, inclusief het
                        afwikkelen van de ingebrachte zienswijzen, te volgen zonder dat er sprake
                        hoeft te zijn van fictieve bouwvergunningen. Op grond van jurisprudentie
                        (VzARRvS, 25 november 1993 (Delft), BR 1994, p. 497) geldt echter nog steeds
                        dat een fictieve bouwvergunning voor onrechtmatig moet worden gehouden als
                        er geen vrijstelling van de bouwverordening is verleend, omdat de Woningwet
                        niet voorziet in de mogelijkheid dat een op grond van de bouwverordening
                        vereiste vrijstelling van rechtswege wordt verleend.</al><al>Relatie met de lichte bouwvergunningprocedure</al><al>De lichte bouwvergunning moet worden verleend binnen zes weken na de
                        aanvraag. Deze termijn kan niet worden verdaagd. Gesteld moet worden dat het
                        bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken om geringe afwijkingen moet
                        gaan van de rooilijnen en van de maximum bouwhoogte en zij daarom kunnen
                        worden afgedaan met behulp van een ontheffing als bedoeld in de artikelen
                        2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28. </al><al>Deze kennen geen voorbereidingsprocedure zodat er geen knelpunten zijn met
                        de termijn van zes weken.</al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe uniforme
                        voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) in de Awb (voorzien medio 2004) is
                        het niet meer mogelijk om de minimale wettelijke termijn voor de ter
                        inzagenlegging en het naar voren brengen van zienswijzen van 6 weken te
                        bekorten. Dit betekent dat het wettelijk gezien niet meer mogelijk is om een
                        lichte-bouwvergunningprocedure te doorlopen in combinatie met een procedure
                        op grond van artikel 2.5.29 Bouwverordening. </al><al>Indien een procedure op grond van artikel 2.5.29 Bouwverordening wordt
                        doorlopen in combinatie met een aanvraag om een bouwvergunning eerste fase
                        is het van belang dat in een vroegtijdig stadium wordt onderkend dat als
                        gevolg van de nieuwe wettelijke termijn voor het indienen van zienswijzen
                        een beslissing op de bouwaanvraag binnen de wettelijke beslistermijn niet
                        mogelijk is. In een dergelijke situatie zullen burgemeester en wethouders
                        tijdig een verdagingsbesluit moeten nemen om te voorkomen dat er een
                        fictieve bouwvergunning eerste fase ontstaat.</al><al>Monumenten en stads- en dorpsgezichten</al><al>Monumenten en van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten worden in de
                        MBV analoog aan de categorisering in de Woningwet als een bijzondere
                        categorie aangemerkt.</al><al>Relatie met de gefaseerde bouwvergunning</al><al>De gefaseerde bouwvergunningprocedure mag worden verdaagd. Beide procedures,
                        de bouwvergunningprocedure en de ontheffingsprocedure, kunnen binnen de
                        termijnen worden doorlopen, mits, bij ingekomen zienswijzen, gebruik wordt
                        gemaakt van de verdagingsmogelijkheid.</al><al>Rechtsbescherming</al><al>Inzake deze ontheffing is geen afzonderlijke rechtsbescherming nodig. De
                        rechtsbescherming is geconcentreerd rond de desbetreffende bouwvergunning.
                        De beslissing omtrent deze ontheffing lost hier als het ware in op.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>-Een toetsing aan een ontwerpstructuurplan is niet voldoende. ARRS 16
                        december 1982; BR 1983, 275.</al><al>– De bescherming van de belangen van derden bij het verlenen van
                        vrijstellingen krachtens het tweede lid van de artikelen 42 en 48 vereist
                        een objectief bepaald – althans bepaalbaar – criterium omtrent de strekking
                        van de vrijstelling. Dit betekent dat de vrijstelling in relatie moet zijn
                        gebracht met een redelijke verwachting dat het bouwplan in overeenstemming
                        zal zijn met een voldoende omlijnd, voor alle belanghebbenden kenbaar,
                        toekomstig planologisch kader.</al><al> Als een dergelijk kader beschouwt de vz. ARRS een door de gemeenteraad
                        vastgesteld bestemmingsplan, omdat de gemeentelijke wetgever zich dan pas
                        concreet over het planologisch kader heeft uitgelaten. Wnd. vz. ARRS 15
                        februari 1984, RO 3.84.0066/S 24.</al><al> – Deze lijn is voortgezet in latere jurisprudentie. Pres. Rb Rotterdam, 18
                        juli 1997, BR 1998. </al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Ging het Tweede structuurschema verkeer en vervoer (SVV II) nog uit van het
                        A, B, C-locatiebeleid; de Nota Mobiliteit heeft dit beleid volledig
                        losgelaten. De Nota Mobiliteit gaat uit van het adagium ‘centraal wat moet,
                        decentraal wat kan’. Daarmee zijn de decentrale overheden verantwoordelijk
                        voor een voldoende en gevarieerd op de vraag afgestemd aanbod van locaties
                        voor bedrijven en voorzieningen en volgen hierbij de principes van het
                        integrale locatiebeleid zoals vastgelegd in de Nota Ruimte. Parkeerbeleid is
                        daarmee (nog meer dan in het verleden) een zaak van de decentrale
                        overheden.</al><al>Alternatief 2</al><al> lid 1</al><al>Het is zeer moeilijk aan te geven, wat in algemene zin een niet te
                        overvloedig minimum aantal parkeerplaatsen dient te zijn. De daarom per
                        bouwvergunning te bepalen normstelling hangt af vanonder meer de grootte van
                        het gebouw, de ligging in de gemeente, het te verwachten aantal bezoekers,
                        c.q. bewoners of gebruikers, de eventuele aanwezigheid van openbaar vervoer
                        en de frequentie daarvan, het tijdstip waarop de bezoekers gewoonlijk komen,
                        en de mogelijke uitwisselbaarheid van parkeerplaatsen. Tevens is aansluiting
                        wenselijk op het voorgestane verkeers- en vervoersbeleid, zoals dat is
                        neergelegd in het lokale verkeer- en vervoerplan.</al><al>Voor kencijfers betreffende in het algemeen aanbevelenswaardige minimum
                        aantallen parkeerplaatsen, uitgesplitst naar het soort voertuig en de
                        bestemming van het gebouw, zie de uitgave Aanbevelingen voor
                        verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom (ASVV 2004), paragraaf 6.3,
                        verkrijgbaar bij de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de
                        Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (Stichting CROW) te Ede
                        (tel. 0318-69 53 00 of www.crow.nl ). Overigens kan een verantwoorde
                        parkeernorm alleen per te verlenen bouwvergunning worden bepaald.</al><al>Aan de hand van de hiervoor genoemde publicaties kan, zoals gezegd, per te
                        verlenen bouwvergunning een verantwoorde parkeernorm worden bepaald. Bij de
                        toepassing van het onderhavige lid is – op grond van praktisch-bouwkundige
                        overwegingen – enige flexibiliteit in elke vastgestelde parkeernorm
                        onontbeerlijk. Dus verdient het aanbeveling om in een concrete
                        bouwvergunning bij voorbeeld een afwijking naar boven van 10% als
                        toelaatbaar te vermelden op locaties die per openbaar vervoer bereikbaar
                        zijn, en van 50% op locaties die dat niet zijn.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie (oud)</cursief></al><al>Diverse uitspraken over artikel 258, lid 1, van de (Model-)bouwverordening
                        1965 kunnen relevant worden geacht voor de toepassing zowel van het derde
                        lid van artikel 2.5.30 (alternatief 1) als van het eerste lid van artikel
                        2.5.30 (alternatief 2).</al><al><vet>1 Algemeen</vet></al><al>– Artikel 258 geldt uitsluitend bij het nemen van een beslissing op een
                        aanvraag om bouwvergunning. Het artikel is geen grondslag voor de toepassing
                        van de aanschrijvingsbevoegdheden krachtens de Woningwet.</al><al> ARRS 20 november 1981, BR 1982, 312; OB 1982, III.2.2.7, nr. 44033.</al><al>– Wanneer niet wordt en ook niet kan worden voldaan aan artikel 258, lid 1,
                        van de bouwverordening, dan voldoet het bouwwerk waarop de bouwaanvraag
                        betrekking heeft niet aan de bouwverordening en kan behoudens in het geval
                        van vrijstelling geen bouwvergunning worden verleend. Artikel 258 van de
                        bouwverordening strekt slechts ter bescherming van de belangen die worden
                        bedreigd door het ontbreken van voldoende parkeergelegenheid op een
                        bouwperceel zelf.</al><al> ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.</al><al>– De gemeente moet het stellen van parkeereisen motiveren.</al><al> ARRS 1 juli 1981, RO3.3219/S859.</al><al>– Bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan artikel 258, lid 1,
                        van de bouw-verordening, kunnen niet in aanmerking worden genomen eventuele
                        parkeermogelijkheden (i.c. een te bouwen parkeergarage) aan de overzijde van
                        de weg waaraan men een verkeersaantrekkend gebouw wil oprichten. Een
                        dergelijke parkeermogelijkheid kan wel een rol spelen bij het verlenen van
                        de vrijstelling krachtens lid 3 (= MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1),
                        lid 5, onder b, en artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4).</al><al> Vz. ARRS 30 juli 1985; RO3.85.4382/S1097.</al><al>– Een huurovereenkomst met kettingbeding (voor het gebruik van andermans
                        grond als parkeerterrein) acht de ARRS in beginsel geen voldoende
                        waarborg.</al><al> ARRS 23 augustus 1985; GS 6817.</al><al>– De uitbreiding van de werkplaats hangt samen met een wijziging van de
                        werkmethode. Vast staat dat er slechts één spuitcabine is en blijft; het
                        maximaal te behandelen aantal auto’s zal na de uitbreiding gelijk blijven
                        aan het huidige aantal. Er kan derhalve worden verwacht dat de parkeerdruk
                        niet of nauwelijks zal verhogen. Geen strijd met artikel 258
                        (Model-)bouwverordening 1965.</al><al> ABRS 3 juli 1995, R03.91.1240.</al><al><vet>2 Vrijstellingsbeleid en -criteria</vet></al><al>NB: MBV 1965, artikel 258, lid 3 = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 1),
                        lid 5, onder b, = MBV 1992, artikel 2.5.30 (alternatief 2), lid 4.</al><al>– Wil de gemeente vrijstelling verlenen krachtens artikel 258, lid 3, dan
                        moet zij aantonen dat het scheppen van voldoende parkeerruimte op het
                        terrein bij het betrokken verkeersaantrekkende gebouw zodanige bezwaren
                        oplevert, dat aan deze bezwaren doorslaggevende betekenis moet worden
                        gegeven ten opzichte van de belangen van derden. </al><al> ARRS 28 augustus 1981, BR 1982, 53.</al><al>– Het weigeren van een vrijstelling op grond van motieven die niet in
                        verband kunnen worden gebracht met genoemde belangen, is ongeoorloofd. Een
                        beslissing omtrent vrijstelling als bedoeld in artikel 258, lid 3, van de
                        bouwverordening moet zijn onderbouwd met onderzoek naar:</al><lijst><li nr="a."><al>de te verwachten parkeerdruk (aantallen en aard bezoekers,
                                piektijden, soorten middelen van vervoer);</al></li><li nr="b."><al>de aanwezige parkeermogelijkheden (ook in een wijdere omgeving dan
                                de straat waaraan het bouwperceel ligt).</al><al> ARRS 21 januari 1982, AB 1982, 164; GS 6717; BR 1982, 505.</al></li></lijst><al>– In het algemeen is het redelijk vrijstelling te verlenen krachtens artikel
                        258, lid 3, wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>een te bouwen gebouw zich niet leent voor het daarop of daaronder
                                aanleggen van parkeerplaatsen, terwijl van een daarbij behorend
                                terrein niet of nauwelijks sprake is;</al></li><li nr="b."><al>zonder vrijstelling het aan het gebouw geven van een functie die aan
                                het bestemmingsplan beantwoordt, moeilijk denkbaar is.</al><al> ARRS 9 oktober 1981, A-3.0132 (1980).</al></li></lijst><al>– Parkeerbehoeften kunnen niet op alle tijden en plaatsen onder alle
                        omstandigheden gelijkelijk worden beoordeeld. Daarom wordt van gemiddelden
                        uitgegaan. Aan de overheid is voor het vaststellen van deze gemiddelden
                        grote vrijheid gelaten. Afwijking van de gekozen gemiddelden is
                        redelijkerwijs alleen geboden, als de noodzaak daartoe uit de feiten blijkt.
                        De problematiek van het parkeren in stadscentra pleegt te worden aangepakt
                        in het geheel van voor stadscentra in te voeren verkeersreguleringen en
                        andere maatregelen. </al><al>Daarbij behoeft niet voorop te staan dat voor alle bezoekers van de
                        stadscentra op koopavonden en zaterdagen te allen tijde en zonder dat enige
                        wachttijd in acht genomen moet worden, parkeerplaatsen beschikbaar moeten
                        zijn.</al><al> ARRS 16 mei 1986, RO3.83.6416.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en
                            de</cursief><cursief>bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>– </al><al>De behoefte aan parkeergelegenheid vloeit voort uit de aard en oppervlakte
                        alsmede het aantal zitplaatsen van een inrichting. Pas bij de vrijstelling
                        speelt de reeds aanwezige parkeergelegenheid in de omgeving een rol.</al><al> ABRS 21 maart 1994, R03.90.6357.</al><al>-Het kan niet worden ontkend dat het regelen van parkeergelegenheid uit een
                        oogpunt van goede ruimtelijke ordening van belang is. Dit houdt echter niet
                        in dat het bestemmingsplan uit dien hoofde op gedetailleerde wijze de
                        parkeermogelijkheden zou dienen vast te leggen. De wegenverkeerswetgeving is
                        het meest geëigende instrument om het verkeer naar de minst bezwarende
                        parkeergelegenheid te verwijzen.</al><al>- Kroon 4 januari 1995, AB 1995, 337, m.nt. AWK.</al><al>– Voor een reeds bestaand bedrijf moet bij de uitbreiding aansluiting worden
                        gezocht bij de nieuwe parkeernormen, deze zijn niet zonder meer van
                        toepassing. Het tekort aan parkeerplaatsen in de oude situatie mag niet
                        meegerekend worden. Van de uitbreiding kan wel de extra verkoopruimte, maar
                        niet de magazijnruimte meegerekend worden.</al><al> ABRS 17 januari 1995, R03.91.1986.</al><al><vet>3 Financiële voorwaarden</vet></al><al>Een vrijstelling van de hoofdregel dat op eigen terrein in voldoende mate in
                        parkeergelegenheid wordt voorzien, leidt tot de vraag hoe de kosten van de
                        op openbaar terrein aangelegde parkeerplaatsen kunnen worden verhaald.</al><al>De ARRS stelt in een uitspraak van 30 augustus 1985 (AB 1986, nr. 243, BR
                        1985, p. 911) dat in het algemeen moet worden aangenomen dat een
                        bestuursorgaan de mogelijkheid heeft door middel van een financiële
                        voorwaarde tot betaling van een tegemoetkoming of compensatie te
                        verplichten, zij het onder een aantal voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarde dient een rechtstreekse bijdrage te leveren aan de
                                doelstelling van de wettelijke bepaling waarop de vergunning
                                berust;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning moet in het algemeen belang nopen tot het opleggen van
                                een geldbedrag;</al></li><li nr="c."><al>de stellige noodzaak om een financiële voorwaarde op te leggen, moet
                                ook hieruit blijken dat niet een andere, uit hoofde van
                                rechtsbeschermingmeer aanvaardbare mogelijkheid aanwezig is om een
                                tegemoetkoming of compensatie te verlangen.</al></li></lijst><al>De Afdeling overwoog voorts dat bij de besluitvorming omtrent de financiële
                        compensatie moet worden afgewogen of bestaande wettelijke voorzieningen de
                        gemeente ten dienste staan, die voor de betrokkene meer waarborgen bieden of
                        die anderszins gunstiger zijn dan de onderhavige financiële voorwaarde. In
                        verband met de onderhavige zaak wees de Afdeling op de
                        parkeermetervoorziening en de baatbelasting.</al><al>De Afdeling lijkt te twijfelen aan het recht van de gemeente op vergoeding
                        voor de aanleg van een parkeerplaats door middel van een financiële
                        voorwaarde aan de vrijstelling op grond van art. 2.5.30. Algemene (en ook
                        recentere) jurisprudentie ten aanzien van kostenverhaal van openbare
                        voorzieningen doet vermoeden dat de twijfels van de Afdeling niet snel
                        zullen verdwijnen (Zie ook: ‘Kostenverhaal bij particuliere
                        grondexploitatie; verhaal van kosten van voorzieningen van openbaar nut via
                        de exploitatieverordening en via de verordening baatbelasting’, VNG, 1994.
                        Overigens is deze publicatie mede verschenen naar aanleiding van de
                        wijziging van de baatbelasting per 1 januari 1995; deze wijziging houdt in
                        dat de bouw-grondbelasting opgaat in de baatbelasting-nieuwe-stijl, waarmee
                        100% van de kosten van openbare voorzieningen kunnen worden verhaald.)</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid geeft maatvoorschriften voor parkeervakken, omdat deze voorschriften
                        niet kunnen worden gemist bij het afdwingen van een correcte naleving van
                        lid 1. De verplichting in lid 1 om voldoende parkeerplaatsen op eigen
                        terrein aan te brengen zou immers gedeeltelijk kunnen worden ontdoken door
                        alleen parkeervakken met afmetingen voor het kleinste type personenauto te
                        maken. Ook het Bouwbesluit sprak in het – niet in werking getreden – artikel
                        218, lid 1, over ‘parkeerplaatsen van voldoende afmetingen. Het Bouwbesluit
                        2003 laat regeling van het onderhavige onderwerp geheel over aan
                        bestemmingsplan en/of bouwverordening’. Een bijkomende reden voor het
                        opnemen van maatvoorschriften voor parkeervakken is de wenselijkheid om de
                        afwijkende maatvoering vast te leggen van parkeerplaatsen voor
                        rolstoelgebruikers en stoklopers. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De onderhavige bepaling kan ertoe leiden dat een nieuw winkelcentrum wordt
                        voorzien van een zgn. expeditiehof, respectievelijk een nieuw fabrieksgebouw
                        van een laad- en losperron (met een op het fabrieksterrein gelegen,
                        bijbehorende opstelstrook voor vrachtauto’s).</al><al>Lid 4, ad a</al><al>De mogelijkheid tot ontheffing van de eis in het eerste lid om een
                        parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein of onder eigen dak
                        te maken is onder meer bedoeld voor bouwvergunningplichtige verbouwingen van
                        winkels e.d. in binnensteden. Eventueel kan laatstgenoemde ontheffing worden
                        verleend onder financiële voorwaarden. Zie hiervoor onder ‘Hoofdlijnen van
                        de jurisprudentie’, punt 3.</al><al><cursief>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al><cursief>Opbouw van de voorschriften</cursief></al><al>Vanaf het Bouwbesluit 1992 wordt het stellen van voorschriften inzake
                        brandveiligheidsinstallaties overgelaten aan de gemeentelijke wetgever.
                        Dergelijke voorschriften zijn dan ook sinds 1992 in paragraaf 6 van
                        hoofdstuk 2 van de Model-bouwverordening opgenomen en sinds het Bouwbesluit
                        2003 kennen de desbetreffende voorschriften een vergelijkbare opbouw als het
                        Bouwbesluit.Dit betekent dat er evenals in het Bouwbesluit functionele
                        eisen, prestatie-eisen en waar nodig aanwezigheidseisen worden gesteld.</al><al>In de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit lezen we:</al><al><cursief>“Het eerste artikel van elke paragraaf van een afdeling
                            (beoordelingsaspect) geeft het kader aan voor de andere voorschriften
                            van deze paragraaf. Het eerste lid bevat een functionele eis. In het
                            tweede lid staat dat aan het eerste lid (de functionele eis) is voldaan
                            indien er aan de (prestatie)eisen wordt voldaan die voor de betrokken
                            gebruiksfuncties zijn aa</cursief><cursief>n</cursief><cursief>gewezen
                            in de aansturingstabellen. In enkele gevallen is er een derde lid waarin
                            bepaald is dat de funct</cursief><cursief>i</cursief><cursief>onele eis
                            niet geldt voor die gebruiksfuncties waarvoor in de tabel geen
                            voorschrift is aangewezen. Ing</cursief><cursief>e</cursief><cursief>val
                            het eerste artikel geen derde lid heeft, geldt de functionele eis uit
                            het eerste lid dus wel voor die gebruiksfuncties waarvoor geen
                            voorschriften in de tabel zijn aangewezen. In dit laatste geval geldt
                            dat ten genoegen van burgemeester en
                            wetho</cursief><cursief>u</cursief><cursief>ders moet worden aangetoond,
                            dat voldaan is aan de functionele eis”.</cursief></al><al>Meer toelichting staat in de paragrafen 2.4 tot en met 2.6 van de Nota van
                        Toelichting bij het Bouwbesluit.</al><al><cursief>Meerdere functies is een gebouw</cursief></al><al>Indien een gebouw meerdere functies bevat is voor de beoordeling van de
                        grenswaarden van belang of de functies zowel functioneel als technisch
                        volledig gescheiden zijn dan wel met gemeenschappelijke voorzieningen
                        invloed op elkaar uitoefenen. In het laatste geval moet het totale gebouw
                        (alle functies te zamen) worden beschouwd om te bepalen of een grenswaarde
                        wordt overschreden. Indien in een functie een brandmeldinstallatie is
                        vereist, dient in de andere functie die invloed kan uitoefenen, een
                        beveiliging van hetzelfde niveau aanwezig te zijn. Is echter voor de ene
                        functie volledige bewaking vereist, kan in de andere functie, die invloed
                        kan uitoefenen, volstaan worden met gedeeltelijke bewaking als in die
                        functie geen eis tot een brandmeldinstallatie geldt. Indien functies geheel
                        met elkaar zijn verweven geldt het beveiligingsniveau voor het gehele
                        gebouw.</al><al><cursief>Ontheffing</cursief></al><al>Het Bouwbesluit bevat in artikel 1.11 een algemene bevoegdheid voor
                        burgemeester en wethouders om bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of
                        veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing te verlenen van een
                        bij of krachtens het Bouwbesluit vastgesteld voorschrift. Bij verschillende
                        voorschriften is in het Bouwbesluit expliciet vermeld dat de bevoegdheid tot
                        het verlenen van ontheffing tot een bepaalde grens is beperkt, of dat van
                        het desbetreffende voorschrift in het geheel geen ontheffing mag worden
                        verleend. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd zijn om van een
                        voorschrift van de bouwverordening ontheffing te verlenen, indien dat
                        expliciet bij dat voorschrift is vermeld. In de onderhavige paragraaf zijn
                        burgemeester en wethouders daartoe bevoegd op grond van artikel 2.6.1, derde
                        lid (brandmeldinstallaties) en artikel 2.6.5, derde lid
                        (ontruimingsalarminstallaties). Zie verder de toelichting op laatstgenoemd
                        voorschrift.</al><al><cursief>Aanroepen en doormelden</cursief> Een brandmeldinstallatie kan
                        onder andere benodigd zijn als door de grootte of complexiteit van het
                        bouwwerk, of de zelfredzaamheid van de gebruikers, de aanwezige personen
                        niet door aanroepen tijdig op de hoogte kunnen worden gesteld van een brand
                        in het bouwwerk. Zonder brandmeldinstallatie zouden zij te laat geïnformeerd
                        worden en niet snel genoeg een aanvang kunnen maken met de ontvluchting van
                        het bouwwerk. Een belangrijke doelstelling van een brandmeldinstallatie is
                        dan ook de aansturing van de ontruimingsalarminstallatie die zorg draagt
                        voor een ontruimingssignaal. De grenswaarden in bijlage 10 geven onder
                        andere aan wanneer geacht is dat het bouwwerk een zodanig omvang heeft dat
                        door middel van aanroepen de aanwezige personen niet tijdig gewaarschuwd
                        kunnen worden en er een brandmeldinstallatie noodzakelijk is. Daarnaast kan
                        de brandmeldinstallatie automatisch een brandmelding doorgeven naar een
                        externe alarmcentrale die voor alarmopvolging kan zorgdragen.
                        Brandmeldinstallaties die volgens artikel 2.6.3 lid 2 verplicht zijn door te
                        melden, doen dat naar de Regionale Alarm Centrale (RAC) van de Brandweer.
                        Door een dergelijke automatische alarmering wordt de brandweer sneller
                        gealarmeerd waardoor zij ook sneller ter plaatse kan zijn. Hierdoor wordt de
                        brandweer in staat gesteld om vroegtijdig repressief op te treden en
                        eventueel te assisteren bij de ontruiming van het bouwwerk. De noodzaak van
                        die snelle alarmering is afhankelijk van de grootte of complexiteit van het
                        bouwwerk en de mate waarin de aanwezigen op eigen gelegenheid in staat zijn
                        het bouwwerk te verlaten. </al><al><cursief>Tabel 2.6.1 (bijlage 10 bij de verordening)Vervallen</cursief></al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>Lid 1</al><al>Het in lid 1d genoemde aantal bouwlagen is bepalend voor de noodzaak van een
                        brandmeldinstallatie. Deze installatie, waarvan de omvang in artikel 2.6.3,
                        lid 1a wordt aangegeven, is met name noodzakelijk om een
                        ontruimingsalarminstallatie in werking te stellen, in overeenstemming met
                        het gestelde in artikel 2.6.6 lid 1. Gezien het gegeven van meerdere
                        bouwlagen wordt geacht dat het ontruimingsgebied niet door middel van het
                        aanroepen van personen gewaarschuwd kan worden. </al><al>Onder het in lid 1, onder a, genoemde meetniveau als bedoeld in het
                        Bouwbesluit wordt verstaan de hoogte van het aansluitende terrein, gemeten
                        ter plaatse van de toegang van een gebouw of bouwwerk.</al><al>Onder de in lid 1, onder c, genoemde verblijfsruimten voor bezoekers worden
                        verstaan zalen e.d. in een bijeenkomstfunctie <cursief>(In de
                            verordeningtekst wordt zoveel mogelijk aangesloten op het
                            woordg</cursief><cursief>e</cursief><cursief>bruik van het
                            Bouwbesluit.).</cursief></al><al>In artikel 2.6.2, eerste lid, worden vier criteria genoemd voor de
                        aanwezigheid van een brandmeldinstallatie, namelijk de hoogte van de vloer
                        van een verblijfsruimte ten opzichte van het meetniveau, de totale
                        gebruiksoppervlakte en het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers
                        (zalen) en het aantal bouwlagen. Uit tabel 2.6.1 blijkt dat indien bij
                        sommige gebruiksfuncties wordt voldaan aan één criterium, er reeds de
                        aanwezigheid van een brandmeldinstallatie is voorgeschreven. Indien bij
                        andere gebruiksfuncties wordt voldaan aan twee criteria, is pas de
                        aanwezigheid van een brandmeldinstallatie vereist. Soms is geen van de drie
                        criteria van toepassing. Immers wanneer er in de tabel een plat streepje
                        staat is dat desbetreffende onderdeel niet van toepassing en is een
                        brandmeldinstallatie dus niet verplicht.</al><al>Indien in de tabel grenswaarden of prestatie-eisen in verschillende regels
                        worden gegeven, moet een installatie worden aangebracht, dien slechts aan
                        één van de criteria is voldaan. Indien in de tabel grenswaarden of
                        prestatie-eisen in dezelfde regel worden gegeven, moet een installatie
                        worden aangebracht, indien aan al deze criteria is voldaan.</al><al>De bezettingsgraden uit het Bouwbesluit zijn thans niet verwerkt in de
                        tabellen. Dit vindt zijn grondslag in de filosofie dat een
                        brandmeldinstallatie niet alleen bedoeld is voor de veiligheid van de
                        aanwezigen, maar ook voor beheersbaarheid van een brand en daarmee een
                        snelle inzet van de brandweer. Bij de in de tabellen genoemde grenswaarden
                        voor gebruiksoppervlakte is uitgegaan van de volgens het Bouwbesluit
                        minimaal vereiste bezettingsgraadklasse. </al><al><cursief>Woonfunctie</cursief></al><al>Uit tabel 2.6.1 blijkt dat een woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en
                        niet van een woonwagen, met een gebruiksoppervlakte groter dan 500 m2, moet
                        zijn voorzien van een brandmeldinstallatie. Een woonfunctie met een
                        gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m2, werd in het Bouwbesluit 1992
                        megawoning genoemd. De benaming megawoning komt in het Bouwbesluit 2003 niet
                        meer voor, maar het criterium ”groter dan 500 m2 gebruiksoppervlakte” speelt
                        bij verschillende voorschriften wel een rol. Het gaat hierbij derhalve om de
                        woonfunctie waarin niet in gezinsverband wordt geleefd. Nadrukkelijk wordt
                        de eengezinswoning met een gebruiksoppervlakte, groter dan 500 m², niet
                        onder deze omschrijving bedoeld.</al><al><cursief>Bijeenkomstfunctie</cursief></al><al>Uit tabel 2.6.1 blijkt dat onder meer een bijeenkomstfunctie, niet zijnde
                        een bijeenkomstfunctie voor het aanschouwen van sport, met een
                        gebruiksoppervlakte groter dan 1000m2 met meer dan 1 zaal, moet zijn
                        voorzien van een brandmeldinstallatie. De achterliggende motivering is dat
                        bij meer dan één zaal er één niet in gebruik kan zijn, waarin een beginnende
                        brand kan ontstaan. Als dat niet tijdig wordt opgemerkt en rook en warmte
                        invloed hebben op de vluchtroutes van de in gebruik zijnde zaal, is detectie
                        nodig voor de veiligheid van de aanwezige personen. In een
                        bijeenkomstfunctie voor de opvang van kinderen jonger dan 4 jaar is een
                        automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk vanwege de verminderde
                        zelfredzaamheid van kinderen. Hierbij kan een vergelijk met bijvoorbeeld
                        gezondheidszorgfuncties worden gemaakt.</al><al>Er wordt een grenswaarde aan het gebruiksoppervlak gesteld van 200
                        m<sup>2</sup>. Ook wanneer de gebruiksoppervlakte kleiner is dan 200
                        m<sup>2</sup>, maar de vloer van de bijeenkomstfunctie voor de opvang van
                        kinderen jonger dan 4 jaar is gelegen op een hoogte van meer dan 2,4 meter
                        boven meetniveau, dan is een automatische brandmeldinstallatie noodzakelijk. </al><al>Wanneer de bijeenkomstfunctie in overeenstemming met het Bouwbesluit
                        voldoende brandwerend is gescheiden van de overige functies in het gebouw,
                        kunnen de installatietechnische voorzieningen beperkt blijven tot de
                        bijeenkomstfunctie. Wanneer dit niet mogelijk is, dient de voorziening voor
                        het totale brandcompartiment waarin de bijeenkomstfunctie gelegen is, te
                        worden doorgevoerd.</al><al>Voor tribunes voor het aanschouwen van sport wordt een brandmeldinstallatie
                        niet voorgeschreven. </al><al>Dit vanuit de gedachte dat het risico van het ontstaan van brand in zo’n
                        ruimte uiterst klein is en bovendien direct zou worden opgemerkt.</al><al>Overigens wordt onderkend dat het risicobeeld bij de verschillende
                        verschijningsvormen van de bijeenkomstfunctie zeer divers is. Het is te
                        verwachten dat na praktische ervaring met de prestatieeisen een verdere
                        onderverdeling in subfuncties nodig kan zijn. </al><al><cursief>Gezondheidszorgfunctie</cursief></al><al>In de tabel worden aan de subgebruiksfuncties "gezondheidszorgfunctie voor
                        aan bed gebonden patiënten" en een "andere gezondheidszorgfunctie voor niet
                        aan bed gebonden patiënten" eisen gesteld. Met deze subgebruiksfuncties
                        worden tevens bedoeld de ruimten voor dagbehandeling, dialyse,
                        operatiekamers, enz.</al><al>Industriefunctie</al><al>Tot en met de 9<sup>e</sup> serie wijzigingen waren in tabel 2.6.1 geen
                        grenswaarden gegeven met betrekking tot de brandmeldinstallatie voor de
                        industriefunctie. In de praktijk is gebleken dat dergelijke grenswaarden
                        noodzakelijk zijn. Ter bevordering van duidelijkheid op landelijke schaal
                        zijn nu de grenswaarden in de tabel vermeld. </al><al>Tabel 10 is sinds de invoering van de 10<sup>e</sup> serie wijzigingen
                        (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder
                        doormelding. Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type
                        C. </al><al>Met de nieuwe NEN 2575, uitgave 2004 is de type C installatie vervallen.
                        Naar analogie van de grenswaarden van vergelijkbare gebruiksfuncties is
                        gesteld dat wanneer er een vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een
                        hoogte van meer dan 20 meter, een niet-automatische brandmeldinstallatie met
                        doormelding noodzakelijk is. </al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m<sup>2</sup>
                        gebruiksoppervlakte zijn geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig
                        zomerhuisje op een bungalowpark geen automatische brandmeldinstallatie
                        noodzakelijk is.</al><al><cursief>Winkelfunctie</cursief></al><al>Bij deze gebruiksfunctie komt in tabel 2.6.1 het meest duidelijk tot
                        uitdrukking dat aan het vereiste van twee criteria moet worden voldaan
                        voordat een brandmeldinstallatie nodig is.</al><al>Tabel 10 is sinds de invoering van de 10<sup>e</sup> serie wijzigingen
                        (december 2004) uitgebreid met een handbrandmeldinstallatie zonder
                        doormelding. Deze was voorheen bekend als ontruimingsalarminstallatie type
                        C. Met de nieuwe NEN 2575,uitgave 2004 is de type C installatie vervallen. </al><al><cursief>Overige gebruiksfunctie</cursief></al><al>De eisen in tabel 10 voor de overige besloten gebruiksfunctie voor het
                        stallen van motorvoertuigen zijn in overeenstemming gebracht met de meest
                        recente ontwikkelingen ter zake. In besloten parkeergarages groter dan 1000
                        m<sup>2</sup> en kleiner dan 2500 m<sup>2 </sup>is een brandmeldinstallatie
                        zonder doormelding aanwezig om de brandweer te ondersteunen bij de
                        repressieve inzet. Het gaat daarbij om een juiste plaatsbepaling van de
                        brand en de daarbij behorende aanvalsroute. Dit geld met name voor
                        parkeergarages met meerdere bouwlagen. Bij een oppervlakte groter dan 2500
                        m<sup>2</sup> is doormelding naar de brandweer vereist om tijdige inzet ten
                        opzichte van de zich voortschrijdende brand te garanderen.</al><al>Lid 2</al><al><cursief>Doodlopende gangen</cursief></al><al>In artikel 2.6.2, tweede lid, is - kort samengevat - geregeld dat bij
                        doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet
                        zijn. Ook indien het rookcompartiment beschikt over twee toegangen, kan
                        binnen het rookcompartiment sprake zijn van doodlopende gangen. Om te
                        voorkomen dat in een kort doodlopend eind of in een doodlopend eind waarop
                        weinig of kleine ruimten uitkomen een brandmeldinstallatie met
                        ruimtebewaking noodzakelijk zou zijn, zijn er beperkende grenswaarden
                        beschreven. Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een
                        brandmeldinstallatie verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel
                        2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de alarmering van de gebruikers van de
                        verblijfsruimten die op de bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen. Het
                        artikel is eveneens van toepassing indien een verblijfsruimte via een andere
                        verblijfsruimte moet worden verlaten.</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>Omvang van de bewaking</al><al>In de regel gaat het bij niet-automatische bewaking om handbrandmelders; bij
                        gedeeltelijke bewaking om automatische brandmelders alleen in
                        verkeersruimten en risicoruimten; bij volledige bewaking om automatische
                        brandmelders in alle ruimten, met uitzondering van ruimten waarin geen brand
                        kan ontstaan zoals toiletruimten en badruimten; bij ruimtebewaking gaat het
                        om automatische brandmelders in specifieke ruimten in een gebouw zoals in
                        geval van doodlopende einden.</al><al><cursief>Woonfunctiein een woongebouw bestemd voor minder zelfredzame
                            personen</cursief></al><al>Het lijkt een tegenstelling dat de woonfunctie, gelegen in een woongebouw
                        bestemd voor minder zelfredzame personen in combinatie met permanent
                        toezicht, een volledige bewaking nodig maakt en dat bij dezelfde categorie,
                        maar dan zonder permanent toezicht, kan worden volstaan met gedeeltelijke
                        bewaking. </al><al>In het laatstgenoemde geval gaat het om een categorie bewoners die zonder
                        permanent toezicht kunnen wonen, zoals bijvoorbeeld het geval is in een
                        gezinsvervangend tehuis, een sociowoning of bij begeleid groepswonen.</al><al>Aan het eind van deze alinea wordt een tekst toegevoegd: Het doormelden van
                        een brandmelding rechtstreeks naar de alarmcentrale van de brandweer is
                        noodzakelijk omdat vanuit deze organisatie op ieder moment de noodzakelijke
                        brandbestrijdings- en beveiligingsmaatregelen in gang kunnen worden gezet.
                        Een tussenkomst van een particuliere alarmcentrale is hierbij
                        ongewenst.</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van
                        toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het
                        Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt
                        toegepast. Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn burgemeester en
                        wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van
                        de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften
                        waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt
                        verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                        praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                        herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al>Lid 2</al><al>Het programma van eisen legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging met
                        behulp van een brandmeldinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van het
                        systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de
                        instandhouding van de kwaliteit van het systeem. </al><al>De Regeling Brandmeldinstallaties 2002 is een kwaliteitszorg- en
                        certificatiesysteem, opgesteld door de bij de brandbeveiliging betrokken
                        gezaghebbende partijen, zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en
                        Koninkrijkrelaties, deskundigen van de brandweer en van de
                        brancheorganisaties van brandbeveiligingsbedrijven. De regeling geeft aan
                        wat van de brandmeldinstallatie en van de diverse (markt-)partijen wordt
                        verwacht en hoe handhaving en controle plaatsvindt. Het beheer van de
                        regeling en de met name genoemde kwaliteitszorg is opgedragen aan het
                        Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in Den Haag. </al><al>Het Europese non-discriminatiebeginsel brengt met zich mee dat certificaten
                        van instellingen uit andere lidstaten van de Europese Unie, alsmede uit
                        Noorwegen, IJsland en Liechtenstein, eveneens moeten worden aanvaard, mits
                        zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door de gevestigde
                        instituten in Nederland worden afgegeven.</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                        Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit. Indien een gebruiksfunctie weinig
                        bouwlagen bevat en de personen in het ontruimingsgebied dus gemakkelijk door
                        middel van aanroepen kunnen worden gewaarschuwd, kan ontheffing worden
                        verleend van de eis tot het aanbrengen van een ontruimingsalarminstallatie
                        en –gezien de samenhang- dan tevens van de eis tot het aanbrengen van een
                        brandmeldinstallatie.</al><al>Zie voor een toelichting op het begrip “aanroepen” de toelichting op artikel
                        2.6.1.</al><al><cursief>Tabel 2.6.5 Vervallen</cursief></al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Lid 1</al><al><cursief>Aanwezigheid</cursief></al><al>Wanneer de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie op grond van artikel
                        2.6.2 vereist is, is altijd een ontruimingsalarminstallatie
                        voorgeschreven.</al><al>NEN 2575 is verbeterd ten aanzien van het volgende:</al><al>Bij ontruimingsalarminstallaties kennen we tot voor kort 3 typen,
                        namelijk:</al><al>A-installatie</al><al>Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem, waarbij sprake is van een
                        eigen centrale waarop luidsprekers zijn aangesloten. Hierdoor is het
                        mogelijk een ontruiming plaats te laten vinden met behulp van een gesproken
                        mededeling. De installatie wordt hierbij aangestuurd door een
                        brandmeldcentrale. De A-installatie beschikt dus over een eigen centrale met
                        eigen energievoorziening.</al><lijst><li nr="B-"><al>installatie Bij dit type zijn er ontruimingssignaalgevers (slow
                                whoop) direct aangesloten op de brandmeldcentrale en beschikt dus
                                niet zoals bij een A-installatie over een eigen centrale. De
                                energievoorziening voor de ontruimingsignaalgevers wordt dus ook
                                door de brandmeldcentrale verzorgd.</al></li><li nr="C-"><al>installatie</al></li></lijst><al>Tot voor kort was het een eis om een brandmeldinstallatie door te melden
                        naar de alarmcentrale van de brandweer. Voor kleinere objecten was deze eis
                        te zwaar. In die gevallen waarbij het object niet “beroepbaar” was, bleek
                        toch een vorm van een installatie noodzakelijk. Omdat doormelding naar de
                        brandweer niet noodzakelijk was, werd deze installatie geen
                        brandmeldinstallatie genoemd maar een C-ontruimingsalarminstallatie.</al><al>De verschillen tussen een B en een C-installatie waren:</al><lijst><li nr="a."><al>Geen doormelding naar de brandweer</al></li><li nr="b."><al>Blauwe i.p.v. rode handbrandmelders</al></li><li nr="c."><al>Minder eisen aan de uitvoering van de centrale</al></li></lijst><al>Met de komst van NEN 2575 zijn de verschillen genoemd bij b en c verdwenen.
                        Bleef dus alleen over de doormelding. Intussen zijn er ook andere vormen van
                        brandmeldinstallaties ontstaan waarbij er geen eis met betrekking tot
                        doormelding naar de brandweer werd gesteld. </al><al>Deze zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Automatische brandmeldinstallaties in parkeergarages tot 2500
                                m<sup>2</sup>.</al></li><li nr="·"><al>Handbandmeldinstallaties bij opslag vuurwerk tot 10 000 kg</al></li><li nr="·"><al>Automatische brandmeldinstallaties in geval van samenvallende
                                vluchtroutes.</al></li></lijst><al>Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansturing van
                        de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een
                        automatische brandmelder.</al><al>Het niet doormelden van brand kan geen criterium zijn om de installatie wel
                        of geen brandmeldinstallatie te noemen. Daarom is besloten de oude
                        “C-ontruimingsalarminstallatie” een “handbrandmeldinstallatie” zonder
                        doormelding te noemen.</al><al>Dit heeft diverse voordelen, te weten:</al><lijst><li nr="·"><al>Het schept voor een ieder een grotere duidelijkheid</al></li><li nr="·"><al>De betreffende normen kunnen worden vereenvoudigd</al></li><li nr="·"><al>Het betreffende deel van de bouwverordening wordt duidelijker</al></li><li nr="·"><al>De toekomstige certificeringregeling voor
                                ontruimingsalarminstallaties wordt </al></li></lijst><al>overzichtelijker.</al><al><cursief>Logiesfunctie</cursief></al><al>De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m<sup>2</sup>
                        gebruiksoppervlakte zijn geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig
                        zomerhuisje op een bungalowpark geen ontruimingsalarminstallatie
                        noodzakelijk is.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al><cursief>Doodlopende gangen</cursief></al><al>In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een
                        brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het
                        onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht
                        is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien
                        in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de
                        bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen.</al><al>Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van
                        de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een
                        automatische brandmelder.</al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van
                        toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het
                        Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie
                        wordt toegepast. Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn
                        burgemeester en wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening
                        en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere
                        voorschriften waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening
                        wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                        praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                        herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al>Lid 2</al><al>Het programma van eisen als bedoeld in NEN 2575 “Brandveiligheid van
                        gebouwen - Ontruimingsinstallaties – Systeem- en kwaliteitseisen en
                        projecteringsrichtlijnen” legt de uitgangspunten vast van brandbeveiliging
                        met behulp van een ontruimingsinstallatie. Tevens worden stuurfuncties van
                        het systeem beschreven. Het document is bovendien een referentie bij de
                        instandhouding van de kwaliteit van het systeem. </al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>Zie voor de toelichting op de opbouw van de voorschriften, de relatie met de
                        Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit en de bevoegdheid voor burgemeester
                        en wethouders tot het verlenen van ontheffing, de toelichting op artikel
                        2.6.1.</al><al><cursief>Tabel 2.6.8 (bijlage 12 bij de verordening)</cursief></al><al>Voor de toepassing van de in de artikelen 2.6.8 tot en met 2.6.10 van dit
                        hoofdstuk gegeven voorschriften wordt in tabel 2.6.8 verstaan onder:</al><al>-: dit lid is niet van toepassing;</al><al>*: het hele artikel is van toepassing;</al><al>F: in dit geval is volstaan met het geven van de functionele eis in artikel
                        2.6.8, eerste lid, in afwachting van mogelijk nog te ontwikkelen nadere
                        criteria.</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</al><al>Teneinde te bewerkstelligen dat personen die in een bouwwerk verblijven en
                        die niet bekend zijn met de inrichting van het bouwwerk, dan wel in geval
                        van brand een ongebruikelijke vluchtroute moeten kiezen, op eenvoudige wijze
                        het aansluitende terrein kunnen vinden, bepaalt artikel 2.6.9 wanneer
                        vluchtrouteaanduidingen aanwezig moeten zijn. Omdat de herkenbaarheid van
                        vluchtroutes voor iedere persoon in gelijke mate van belang is, is de
                        aanwezigheid niet gekoppeld aan een grenswaarde voor gebruiksoppervlakte of
                        hoogte van een gebouw. De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen geldt in
                        principe voor verkeersruimten. </al><al>Tevens dienen in alle ruimten waarin op grond van het Bouwbesluit een tweede
                        of meerdere uitgangen nodig zijn, deze uitgangen te worden voorzien van
                        vluchtrouteaanduidingen. </al><al>De aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen wordt in tabel 12 voorgeschreven
                        voor een woongebouw, celgebouw en een logiesgebouw. Het gaat om
                        vluchtrouteaanduiding in gemeenschappelijke verkeersroutes als de woning, de
                        cel of het logiesverblijf al verlaten is. Dan is de term ‘woonfunctie enz.’
                        niet bruikbaar, want dat zou betekenen dat men signalering in de woning, de
                        cel of het logiesverblijf moet aanbrengen. Dat is niet de bedoeling.</al><al>Logiesfunctie</al><al>De term logiesgebouw is geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig
                        zomerhuisje op een bungalowpark geen vluchtrouteaanduiding noodzakelijk
                        is.</al><al>Voor de aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen kunnen
                        brandveiligheidseisen krachtens de Arbo- en de milieuwetgeving eveneens van
                        belang zijn.</al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Op grond van artikel 2.6.11 van de verordening is dit artikel ook van
                        toepassing voor bouwwerken waarop op grond van artikel 1.5 van het
                        Bouwbesluit als gelijkwaardige oplossing een vluchtrouteaanduiding wordt
                        toegepast. Op grond van artikel 10.6 van de verordening zijn Burgemeester en
                        Wethouders bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van
                        de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen of andere voorschriften
                        waarnaar in de verordening of in de bijlage bij de verordening wordt
                        verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                        praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                        herziening of vervanging heeft gepubliceerd. </al><al>Lid 1</al><al>De norm NEN 6088 <cursief>Brandveiligheid van gebouwen – Vluchtwegaanduiding
                            – Eigenschappen en
                            bep</cursief><cursief>a</cursief><cursief>lingsmethoden,
                        </cursief>uitgave 2002, geeft aan dat de vluchtrouteaanduiding gekenmerkt
                        moet zijn door bepaalde symbolen en kleuren. </al><al>Lid 2</al><al>De vluchtrouteaanduiding moet herkenbaar zijn en goed zichtbaar zijn
                        aangebracht. Dit betekent dat de vluchtrouteaanduiding zodanig moet zijn
                        opgehangen dat je het goed ziet. Vluchtrouteaanduiding mag dus niet achter
                        een gordijn hangen of in een hoge ruimte nabij het plafond aangebracht zijn. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De als Nederlandse norm aanvaarde Europese norm NEN-EN 1838 ‘Toegepaste
                        verlichtingskunde – Noodverlichting’ is opgesteld met als doel
                        internationaal eenheid binnen gebouwen te creëren ten aanzien van
                        vluchtrouteaanduiding. In de richtlijn wordt een voorkeur uitgesproken over
                        de te hanteren pictogrammen. De getoonde pictogrammen zijn voorbeelden. In
                        de tekst wordt niet expliciet gesteld dat uitsluitend de getoonde
                        pictogrammen toegestaan zijn. Er is dus enige vrijheid. </al><al>Het belangrijkste is dat er sprake is van eenduidigheid en duidelijkheid
                        binnen gebouwen. </al><al>Voor de kleuren, luminantie, de luminantieverhoudingen en de maximale
                        kijkafstand gelden de eisen uit NEN-EN 1838.</al><al>De luminantie van elk deel van de veiligheidskleur van de
                        vluchtrouteaanduiding moet minimaal 2 cd/m<sup>2</sup> bedragen in alle
                        relevante kijkrichtingen. Dit dient te geschieden door in- of externe
                        verlichting en / of noodverlichting. Dit kan dus gevolgen hebben voor de
                        locatie van normale en / of noodverlichtingsarmaturen indien er geen intern
                        verlichte vluchtrouteaanduiding wordt toegepast.</al><al>In geval van een energiestoring is het acceptabel dat niet meer aan de
                        luminantie-eis wordt voldaan, indien er geen eisen ten aanzien van
                        noodverlichting zijn gesteld.</al><al>Er wordt op deze wijze uitgegaan van een prestatie-eis in de vorm van een
                        luminantie-eis in NEN-EN 1838. Op welke wijze wordt voldaan kan men zelf
                        invullen en zal leiden tot verschillende oplossingen, bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>Bouwkundige aanduidingen die door de normale en / of noodverlichting
                                worden aangelicht.</al></li><li nr="·"><al>Inwendig verlichte vluchtrouteaanduidingen, die op de normale en /
                                of noodverlichting zijn aangesloten.</al></li><li nr="·"><al>Foto-luminiserende vluchtrouteaanduiding.</al></li></lijst><al>De luminantie-eis in NEN-EN 1838, waarnaar in dit lid wordt verwezen, dient
                        dan ook goed te worden onderscheiden van eisen aan de verlichtingssterkte
                        van de vluchtrouteaanduiding zelf. Artikel 2.6.10 bevat geen eisen over de
                        verlichtingssterkte van de vluchtrouteaanduiding zelf.
                        Vluchtrouteaanduidingen hoeven dan ook niet per sé inwendig verlichte
                        armaturen te zijn. Veelal kan worden volstaan met het aanbrengen van
                        pictogramstickers die zo nodig door externe verlichting moeten worden
                        aangelicht om aan de luminantie-eis te kunnen voldoen. In ruimten waarin op
                        grond van het Bouwbesluit een eis voor noodverlichting geldt en waarin het
                        gebruikelijk is de normale verlichting te reduceren of uit te schakelen
                        (theaters, bioscopen e.d.) zal het, vanwege de gestelde eisen, wel
                        noodzakelijk zijn om de vluchtrouteaanduidingen als intern verlichte
                        aanduidingen uit te voeren. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In delen van een gebouw waar op grond van het Bouwbesluit geen
                        noodverlichting vereist is, is het gestelde in lid 3 niet van toepassing
                        aangezien in die gebouwdelen bij spanningsonderbreking immers nimmer aan de
                        luminantie-eisen van het derde lid kan worden voldaan. </al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>Met deze voorschriften wordt beoogd dat ook bij toepassing van de
                        gelijkwaardigheid ingevolge het Bouwbesluit aangebrachte
                        brandmeldinstallaties, ontruimingsalarminstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen dezelfde duurzame kwaliteit en dus veiligheid
                        bezitten als die welke in de bouwverordening zijn voorgeschreven.</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al><vet>Artikel 2.6.12 "Communicatiesysteem voor publieke
                            hulpverl</vet><vet>e</vet><vet>ningsdiensten”</vet></al><al>C-2000 is het landelijk dekkend digitale radionetwerk ten behoeve van de
                        mobiele communicatie voor de Nederlandse hulpverleningsdiensten. Adequate
                        communicatie tussen hulpverleners is essentieel voor het goed kunnen
                        functioneren van hen bij een calamiteit in een bouwwerk. C2000 garandeert
                        buitenshuis een dekking van 95%, naar tijd en plaats gemeten vanaf een op de
                        heup gedragen portofoon. In de praktijk betekent dit dat de hulpverlener in
                        Nederland altijd en overal buitenshuis een verbinding tot stand kan brengen
                        met collega’s of met de meldkamer of alarmcentrale. Door de wijze waarop het
                        C2000-radionetwerk is ontworpen en gebouwd, zal in veel gevallen ook sprake
                        zijn van binnenhuisdekking. Dit is echter sterk afhankelijk van de aard en
                        ligging van het bouwwerk en de situatie ter plaatse. </al><al>In overleg met het ministerie van BZK en VROM wordt een nieuw artikel in de
                        MBV opgenomen dat de mogelijkheid biedt om voorzieningen te eisen ten
                        behoeve van binnenhuisdekking van het C2000-communicatiesysteem. Dit ten
                        behoeve van het goed kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij
                        een calamiteit in een voor publiek toegankelijke bouwwerk.</al><al>In de dagelijkse praktijk kan het ontbreken van binnenhuisdekking soms
                        leiden tot bezwaarlijke situaties vanuit openbare orde en veiligheid. Dit is
                        met name het geval in voor het grote publiek toegankelijke bouwwerken, zoals
                        voetbalstadions, grote overdekte winkelcentra, luchthavengebouwen, stations
                        en ondergrondse bouwwerken zoals auto-, trein- of metrotunnels.Dit soort
                        locaties wordt in C2000-jargon aangeduid als Special Coverage Locations
                        (SCL’s). In dat geval kan soms vanuit de operationele werkwijze van de
                        diensten volstaan worden met plaatselijke en tijdelijke dekkingsmaatregelen
                        zoals Direct Mode of Operation (DMO) of met een zogenoemde DMO-TMO-gateway.
                        Mochten deze maatregelen voor de betreffende locatie niet voldoen, moet
                        worden gezocht naar een meer structurele oplossing voor adequate
                        binnenhuisdekking. Uitgangspunt daarbij is dat de eigenaar van de SCL voor
                        die structurele oplossing zorgdraagt en dat de kosten van aanschaf en bouw
                        van de technische installatie en van het testen, aansluiten en beheer ervan
                        voor zijn rekening komen. Artikel 2.6.12 verplicht de SCL-eigenaar tot het
                        aanbrengen van de betreffende technische voorziening indien dat naar het
                        oordeel van burgemeester en wethouders voor het goed kunnen functioneren van
                        hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat bouwwerk noodzakelijk is.
                        Of die voorziening in een concreet geval noodzakelijk is, is van meerdere
                        factoren afhankelijk. In de eerste plaats dient de vraag beantwoord te
                        worden of er binnenhuisdekking moet zijn. Dit zal het geval zijn indien het
                        bouwwerk voor het grote publiek toegankelijk is en binnenhuisdekking vanuit
                        het oogpunt van openbare orde en veiligheid noodzakelijk is voor het goed
                        kunnen functioneren van de hulpverleningsdiensten bij een calamiteit in dat
                        bouwwerk. Vervolgens dient vastgesteld te worden of er automatisch al
                        binnenhuisdekking is. Is die dekking er niet (of niet in het gehele
                        bouwwerk), dient te worden bepaald of DMO of DMO-TMO een voldoende oplossing
                        biedt. Pas wanneer dat laatste niet het geval is, kan toepassing van artikel
                        2.6.12 aan de orde zijn.</al><al><vet>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het distributienet van de waterleiding houdt
                        niet in dat het water-leidingbedrijf tot de levering van drinkwater
                        verplicht is en evenmin voor de aangeslotene de plicht tot het betrekken van
                        drinkwater. De plicht tot aansluiting aan het waterleidingnet houdt slechts
                        de verplichting in tot het doen treffen van de technische voorzieningen die
                        het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of water wordt geleverd, is
                        afhankelijk van een met het waterleidingbedrijf te sluiten contract. De
                        voorwaarden waaronder dit contract wordt gesloten, zijn veelal vervat in een
                        afzonderlijke verordening op de levering van drinkwater. In feite zal de
                        aansluiting ook veelal door het waterleidingbedrijf plaatsvinden en zullen
                        de aansluiting van de binnenhuisinstallatie aan het distributienet en de
                        levering van drinkwater vaak in hetzelfde contract zijn geregeld.</al><al>Overigens moet men zich realiseren dat het onderhavige voorschrift geen
                        aansluiting op het waterleidingnet verplicht stelt in geval een
                        binnenhuisinstallatie voor drinkwater – als bedoeld in het genoemde
                        artikelnummer van het Bouwbesluit – ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer
                        toepassing van de gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe
                        leidt dat het aanbrengen van een alternatieve voorziening voor het betrekken
                        van drinkwater wordt toegestaan.</al><al>Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst bij zijnde leiding van
                        het openbare-distributienet, zie artikel 2.7.7.</al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>De plicht tot aansluiting aan het elektriciteitsnet betreft niet alleen een
                        kwestie van comfort, maar ook één van veiligheid, met name brandveiligheid.
                        Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De niet-vantoepassingverklaring voor bejaardenwoningen houdt verband met de
                        kans op ongevallen.</al><al><cursief>Lid 2, onder b</cursief></al><al>Het verlenen van ontheffing is denkbaar voor koopwoningen, indien de
                        eigenaarbewoner geen aardgas wenst te gebruiken. Dit in tegenstelling tot
                        hetgeen het geval kan zijn voor huurwoningen, indien de gemeenteraad
                        geschiktheid van de woning voor het stoken en koken op de meest economische
                        brandstof noodzakelijk acht.</al><al><cursief>Lid 2, onder c</cursief></al><al>Een ontheffing voor woningen die worden aangesloten op de stads-, wijk, of
                        blokverwarming, kan door burgemeester en wethouders worden geweigerd, indien
                        een gasaansluiting gewenst en mogelijk is in verband met het koken op
                        aardgas.</al><al>Zie voorts de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al><vet>Artikel 2.7.3A (facultatief) Eis tot aansluiting aan de
                            publi</vet><vet>e</vet><vet>ke voorziening voor verwarming</vet>
                        Kostenoverwegingen van de initiatiefnemer van een bouwproject kunnen botsen
                        met de milieu-overwegingen van de gemeenteraad. In dat geval is een titel
                        gewenst om de aansluiting op een stads- of wijkverwarmingsnet te kunnen
                        afdwingen, ook al is er reeds voorzien in een aansluiting op het aardgasnet. </al><al><vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>Alternatief 1</al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De gemeentelijke zorgplicht voor de doelmatige inzameling en het doelmatig
                        transport van het afvalwater dat vrijkomt binnen de gemeentegrenzen, is
                        neergelegd in artikel 10.15 van de Wet milieubeheer. De Bouwverordening, het
                        Lozingenbesluit bodembescherming en de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren richten zich op de lozers van afvalwater. Hieronder volgt
                        een beknopte beschrijving van deze regelgeving. Voor een uitgebreidere
                        uiteenzetting verwijzen wij naar de Leidraad riolering, module aanpak
                        verspreide afvalwaterlozingen, Samson H.D. Tjeenk Willink, Alphen aan den
                        Rijn (losbladig).</al><al>Voor nieuwbouw is de aansluitplicht op de riolering geregeld in artikel
                        2.7.4 van de MBV. Voor bestaande bouw is deze aansluitplicht geregeld in
                        artikel 5.3.4. Genoemde artikelen bieden, in samenhang met de in artikel 40
                        van de Woningwet gegeven bouwvergunningplicht en het herziene artikel 13 van
                        de Woningwet, de mogelijkheid om de eigenaar van een bouwwerk te verplichten
                        om aan te sluiten op de riolering indien de afstand tussen de openbare
                        riolering en het dichtstbijzijnde deel van het bouwwerk 40 meter of minder
                        bedraagt.</al><al>Het Lozingenbesluit bodembescherming stelt regels voor het lozen van
                        afvalwater in de bodem. Buiten bepaalde afstanden tot de riolering
                        (afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater) staat het Lozingenbesluit
                        bodembescherming een individueel zuiveringssysteem toe. De eisen voor het
                        lozen vanuit individuele zuiveringssystemen in de bodem staan vermeld in de
                        Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Deze eisen zijn nader
                        uitgewerkt in de publicatie van het Ministerie van VROM: Individuele
                        behandeling van afvalwater bij verspreide bebouwing; onderzoeksfase 4B:
                        IBArichtlijn (november 1991).</al><al>Het lozen op oppervlaktewater wordt door de waterkwaliteitsbeheerder
                        gereguleerd op basis van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Voor het
                        lozen van huishoudelijk afvalwater is op 1 maart 1997 het WVOLozingenbesluit
                        huishoudelijk afvalwater inwerking getreden (Stb. 1997, 27). De systematiek
                        van dit lozingenbesluit is vergelijkbaar met het Lozingenbesluit
                        bodembescherming.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In gemeenten met een zgn. gescheiden rioolstelsel dienen de afvoerleidingen
                        voor hemelwater op het desbetreffende, afzonderlijke riool te worden
                        aangesloten. Het is ook zeer wel denkbaar om het hemelwater, afkomstig van
                        de daken van zeer grote gebouwen en/of afkomstig van zeer grote terreinen,
                        niet op het openbare riool te lozen, maar op oppervlaktewater e.d. Voor
                        lozing op oppervlaktewater is echter een vergunning vereist op grond van
                        artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>De aanvrager van de bouwvergunning kan de onder b genoemde uitzondering op
                        de aansluitplicht aan het gemeenteriool bovendien (laten) gebruiken om het
                        hemelwater op te slaan en in het kader van het <cursief>duurzaam bouwen
                        </cursief>teconsumeren, waar drinkwater niet noodzakelijk is,
                        zoals voor de toiletspoeling, de wasmachine en het sproeien van de tuin. Zie
                        bijvoorbeeld in de losbladige uitgaven van het <cursief>Nationaal pakket
                            Duurzaam bouwen, </cursief>uitgegeven en regelmatig herzien door de
                        Stichting Bouwresearch (SBR) te Rotterdam, specificatieblad S 445.</al><al><cursief>Lid 2, onder a </cursief> Naast het geven van
                        aanwijzigingen over plaats, hoogte en binnenmiddellijn van de te realiseren
                        aansluitleiding of aansluitleidingen is het gemeentelijk bouwtoezicht op
                        grond van het onderhavige voorschrift bevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al>om te verbieden dat een hemelwaterafvoer op een druk- of
                                vacuümriolering wordt aangesloten; </al></li><li nr="b."><al>om te verplichten dat afzonderlijke aansluitingen worden
                                gerealiseerd voor enerzijds de hemelwaterafvoer en anderzijds de
                                vuil-waterafvoer, indien in het desbetreffende deel van de gemeente
                                een gescheiden gemeentelijk rioolstelsel aanwezig is. </al></li></lijst><al><cursief>Lid 2, onder b</cursief></al><al>Voor gebouwen met souterrains of kelders waarin zich sanitaire toestellen
                        bevinden, is het noodzakelijk dat het afvalwater door middel van een
                        rioolwaterpomp op het riool wordt geloosd. In sommige gevallen dienen dan
                        tevens voorzieningen tegen het terugvloeien van afvalwater te worden
                        getroffen, waarbij moet worden bedacht dat een terugslagklep wegens de
                        mogelijkheid van aangroeiing meestal een onvoldoende voorziening is.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Ingevolge de Wet milieubeheer, laatst gewijzigd per 1 maart 1996, geldt als
                        hoofdregel dat het verboden is om afvalwater op een openbaar riool te lozen.
                        Uitzonderingen gelden voor:</al><lijst><li nr="a."><al>afvloeiend hemelwater;</al></li><li nr="b."><al>huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                                gebruik;</al></li><li nr="c."><al>bedrijfsafvalwater dat naar zijn aard overeenkomt met huishoudelijk
                                afvalwater en dat afkomstig is van normaal huishoudelijk
                                gebruik.</al></li></lijst><al>Voor lozingen die niet onder deze uitzonderingen vallen, gelden
                        standaardvoorschriften krachtens de Wet milieubeheer of een
                        vergunningsvereiste op grond van die wet.</al><al>Indien zelfs afscheiding, verdunning, voorzuivering, koeling of dergelijke
                        niet tot het gewenste resultaat leiden, of de af te voeren hoeveelheden zo
                        groot zijn dat verstoring van de goede werking van de openbare riolering of
                        de zuiveringsinstallatie te verwachten is, kan worden geëist dat op andere
                        wijze wordt geloosd dan op het openbaar riool. </al><al>In het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer is bepaald wat het
                        bevoegd gezag is ten aanzien van de geldende of te stellen
                        lozingsvoorschriften. In het algemeen zijn dit voor de complexe categorieën
                        bedrijven niet langer burgemeester en wethouders, zoals tot 1 maart 1996 het
                        geval was onder de werking van de toenmalige gemeentelijke
                        lozingsverordeningen riolering.</al><al><cursief>Lid 4, onder a</cursief></al><al>Voor lozing op oppervlaktewater is een vergunning of melding vereist op
                        grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al><cursief>Lid 4, onder b</cursief></al><al>Indien bij een agrarisch bedrijf waar men de afvalstoffen voor
                        bedrijfsdoeleinden kan gebruiken, een voldoende ruime gier- of beerput wordt
                        gemaakt, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing van de verplichting
                        tot aansluiting aan het openbare riool verlenen.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– Een eventuele verplichting voor de gemeente op grond van artikel 240,
                        eerste lid, van de bouwverordening (= artikel 2.7.4 in de MBV 1992) laat
                        onverlet dat de wetgever – blijkens artikel 274 van de gemeentewet en
                        artikel 42, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening – in beginsel
                        aanvaardbaar heeft geacht dat een gemeente privaatrechtelijke middelen
                        hanteert ter verkrijging van een bijdrage in de kosten van voorzieningen van
                        openbaar nut, zoals de aanleg van riolering. Pres. Rb. Utrecht 13 augustus
                        1985.</al><al>– Beslissingen ten aanzien van het beheer en onderhoud van openbare
                        riolering hebben een publiekrechtelijk karakter en worden derhalve door de
                        Afdeling rechtspraak als beschikkingen getoetst. De gemeente is niet
                        verplicht om in geval van wateroverlast voorzieningen te treffen die het
                        terugstromen van rioolwater in lager gelegen woningen voorkomen, nu die
                        woningen van latere datum zijn dan het riool.</al><al> ARRS 2 maart 1988, RO3.86.2877.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en
                            de bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>– Het standpunt dat de historische lozingsvergunning krachtens artikel 31
                        WVO een aan het gestelde in artikel 91 Bouwbesluit gelijkwaardige
                        voorziening is als bedoeld in artikel 99 van dit besluit, kan niet anders
                        worden begrepen dan dat de aanwezigheid van een rioleringsstelsel dat op het
                        openbaar riool moet worden aangesloten voor dit pand niet is vereist zolang
                        door het Hoogheemraadschap die lozingsvergunning niet is ingetrokken. Nu
                        voor dit pand de aansluiting aan de gemeentelijke riolering niet is vereist,
                        is het bepaalde in artikel 5.3.4, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening
                        voor eisers niet van betekenis en heeft verweerder ten onrechte de
                        bestuursdwangaanschrijving doen gronden op laatstgenoemde bepaling.</al><al> Rb. Den Haag 1 november 1995, 94/12569 GEMWT.</al><al><vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>Alternatief 1</al><al><cursief>Lid 1, onder c</cursief></al><al>Het verdient aanbeveling om de aanvrager van de bouwvergunning erop te
                        wijzen dat voor lozing op oppervlaktewater een vergunning vereist is
                        ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren. </al><al><cursief>Lid 1, onder d</cursief></al><al>In het belang van de goede werking van een rottingput (septic tank) dienen
                        daarop geen afvoerleidingen voor afvalwater zonder fecaliën, respectievelijk
                        hemelwater te worden aangesloten. Indien geen lozing op een waterloop met
                        behoorlijke doorstroming kan worden gerealiseerd, zal een zo goed mogelijke
                        andere oplossing moeten worden gezocht. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Advies over de mogelijkheid van ontheffing kan worden gevraagd aan de
                        inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid voor de hygiëne van
                        het milieu.</al><al>Zie voorts de toelichting op lid 1, onder c.</al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en</vet><vet>terreinen</vet></al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In (delen van) gemeenten waar het afvalwater door middel van een
                        gemeentelijk rioolstelsel naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt
                        afgevoerd, moet er – met het oog op het in goede staat houden van dat
                        rioolstelsel en de goede werking van de zuiveringsinstallatie – op worden
                        toegezien dat er in de huisaansluitleidingen geen beerputten, rottingputten
                        e.d. voorkomen. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Zie voor een concretisering van de onderhavige eisen de Nederlandse
                        praktijkrichtlijn NPR 3218 ‘Buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en
                        onderhoud’ die in 1984 bij het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) is
                        verschenen.</al><al>Hoewel de Nederlandse norm NEN 3215, uitgave 1991, ‘Binnenriolering in
                        woningen en woongebouwen – Eisen en bepalingsmethoden’ formeel slechts
                        toepasbaar is op binnenshuis gelegen afvoerleidingen, zal het duidelijk zijn
                        dat de dimensionering van enerzijds de grondleiding binnenshuis en
                        anderzijds de daarop aansluitende huisaansluitleiding op het eigen erf
                        buitenshuis gelijk moet zijn. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de
                        ‘huis’-aansluitleidingen van niet tot bewoning bestemde gebouwen.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De dimensionering volgens lid 4 kan tot een grotere diameter van de
                        huisaansluitleiding ter plaatse van de aansluiting op het gemeentelijk
                        rioolstelsel leiden dan het minimum van 125 mm dat in het onderhavige lid is
                        voorgeschreven.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Of de rioleringsmaterialen voldoen aan de kwaliteitseisen uit de genoemde
                        NEN-normen, blijkt in het algemeen uit de levering onder KOMO-keurmerk met
                        overlegging van een KOMO-certificaat. Uiteraard zijn in Europees verband
                        daarmee vergelijkbare keurmerken en certificaten ook acceptabel.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 De Melding</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 3.1 De wijze van melden</vet></al><al><vet>Artikel 3.2 Welstandscriteria </vet></al><al><vet>Hoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                            ingebruikneming van een bouwwerk</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevat een serie uiteenlopende plichten die in tegenstelling
                        tot de voorgaande hoofdstukken geen betrekking hebben op de
                        vergunning(procedure), maar uitsluitend op de fasen van bouwen, voltooien en
                        in gebruik nemen van een bouwwerk. De artikelen 4.6 tot en met 4.11 en 4.13
                        en 4.15 hebben betrekking op alle bouwactiviteiten, dus zowel vergunningvrij
                        als vergunningplichtig. Vanaf 1 april 2007 is artikel 7b Woningwet van
                        kracht, waarin verplichtingen in de vorm van algemene verbodsbepalingen zijn
                        opgenomen met betrekking tot de voorschriften uit de bouwverordening die van
                        toepassing zijn op onder meer het bouwen en het gebruik van een bouwwerk,
                        standplaats of een open erf of terrein. Bovendien verbiedt het herziene
                        artikel 40, eerste lid Woningwet zowel het bouwen zonder of in afwijking van
                        een verleende bouwvergunning (sub a), als het in stand laten van een
                        bouwwerk of deel daarvan dat gebouwd is zonder of in afwijking van een
                        verleende bouwvergunning (sub b). Als gevolg van de gewijzigde systematiek
                        van de Woningwet is een verbod tot ingebruikneming zoals tot en met de 11e
                        serie wijzigingen opgenomen was in artikel 4.14 van de Model-bouwverordening
                        niet langer noodzakelijk. Op grond van artikel 7b juncto artikel 40, eerste
                        lid Woningwet kunnen burgemeester en wethouders indien nodig het gebruik van
                        het voltooide bouwwerk beletten. Het verbod leidt in geval van niet-naleving
                        van de voorschriften van de bouwverordening tot een overtreding waartegen
                        direct handhavend kan worden opgetreden. Overtreding van een verbod van
                        artikel 7b Woningwet is per 1 april 2007 strafbaar gesteld in artikel 1a,
                        onder 2, van de Wet op de economische delicten (WED). </al><al><vet>Structuur van de voorschriften</vet></al><al>Het merendeel van de voorschriften in dit hoofdstuk betreft preventieve
                        handelingen of het nalaten van handelingen teneinde (tijdige) controle door
                        het bouwtoezicht of anderen mogelijk te maken. Dit betreft de artikelen 4.1
                        tot en met 4.6 en 4.13.</al><al>Andere bepalingen van dit hoofdstuk zijn gericht op het voorkomen van
                        nadelige effecten van het bouwen op de omgeving (bijv. veiligheid,
                        grondwaterstand, hinder, afscheiding bouwterrein) in casu de artikelen 4.7
                        tot en met 4.10. Artikel 4.11 tenslotte is specifiek gericht op het
                        bouwafval.</al><al>Een goede afronding van de bouwfase wordt beoogd met artikel 4.12 over de
                        gereedmelding van een bouwwerk. De ingebruikneming van een bouwwerk wordt
                        sinds 1 april 2007 geregeld in artikel 7b Woningwet. De
                        veiligheidsvoorschriften - de artikelen 4.8 tot en met 4.10 - gelden
                        ingevolge artikel 8.3.1 eveneens voor het slopen en het sloopterrein. </al><al><vet>Handhaving van de voorschriften</vet></al><al>De voorschriften uit dit hoofdstuk zijn per 1 april 2007 op grond van
                        artikel 7b van de Woningwet rechtstreeks werkende bepalingen. Zie ook de
                        algemene toelichting bij Hoofdstuk 11. Het niet verrichten van opmetingen,
                        ontgravingen enz. als bedoeld in artikel 4.6 kan grond zijn voor het
                        toepassen van bestuursdwang. Criteria voor veiligheid en hinder gelden
                        steeds voor de omgeving. Deze bepalingen hebben geen betrekking op de
                        arbeidsomstandigheden. Daarvoor gelden andere regels en met de handhaving
                        daarvan is de Arbeidsinspectie belast. </al><al><vet>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van
                        bou</vet><vet>w</vet><vet>werkzaamheden</vet></al><al>De gronden waarop een bouwvergunning kan worden ingetrokken staan limitatief
                        in artikel 59 van de Woningwet. Deze gronden komen overeen met hetgeen onder
                        de Woningwet 1962 gold. Artikel 4.1 is een uitwerking van de letters c en d
                        van het eerste lid van genoemd wetsartikel. De intrekkingsgronden zijn vanaf
                        1 januari 2003 in de Woningwet uitgebreid. In verband met het Besluit
                        indieningsvereisten en het gewijzigde artikel 56 Woningwet kan een
                        bouwvergunning tevens worden ingetrokken indien voorgeschreven gegevens niet
                        tijdig zijn overgelegd nadat de bouwvergunning is verleend. Voorts kan een
                        bouwvergunning gedeeltelijk worden ingetrokken. Indien bijvoorbeeld
                        onvolledige gegevens zijn verstrekt, kan het zo zijn dat slechts een
                        gedeeltelijke intrekking van de bouwvergunning op haar plaats is. Bovendien
                        is toegevoegd dat de bouwvergunning kan worden ingetrokken op verzoek van de
                        vergunninghouder; iets wat trouwens in de praktijk al gebruikelijk was
                        (bijvoorbeeld ten behoeve van eventuele gedeeltelijke restitutie van
                        leges).</al><al>Van belang is voorts dat in het zesde lid onder b van het nieuwe artikel 56a
                        van de Woningwet een aanvullende intrekkingsgrond is opgenomen.De uit
                        jurisprudentie voortkomende plicht om de vergunninghouder te horen alvorens
                        wordt besloten tot intrekking van een vergunning is nu als voorschrift
                        vastgelegd in artikel 4:8 Awb. Het intrekken van een begunstigende
                        beschikking zoals een bouwvergunning dient omgeven te zijn met de nodige
                        waarborgen ter bescherming van de rechtszekerheid van de houder der
                        vergunning.</al><al>Binnen afzienbare tijd wordt artikel 59 van de Woningwet gewijzigd teneinde
                        het mogelijk te maken de bouwvergunning in te trekken naar aanleiding van
                        een integriteitsbeoordeling Wet BIBOB.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Intrekking van een niet gebruikte bouwvergunning na 14 jaar. Ten tijde van
                        de intrekking zou de bouwvergunning niet meer kunnen worden verleend.
                        Voldoende grond voor intrekking nu geen sprake meer is van verbouw maar
                        algehele nieuwbouw van een ingestorte woning.</al><al> ABRS 26 mei 1994, R03.92.4852.</al><al>– B en W hebben de bouwvergunning ingetrokken omdat niet binnen de
                        aangegeven termijn met de bouwwerkzaamheden was begonnen. Ten tijde van de
                        verlening van de bouwvergunning was voor het desbetreffende gebied een
                        bestemmingsplan in voorbereiding. Daarmee was het bouwplan in strijd. B en W
                        konden de gevraagde bouwvergunning destijds evenwel niet weigeren. Aan het
                        besluit tot intrekking van de bouwvergunning kan thans een redelijk motief
                        niet worden ontzegd. Er kan voorts niet aan worden voorbij gegaan, gezien
                        het feit dat belanghebbende noch op de gehouden hoorzitting, noch daarna, B
                        en W definitief uitsluitsel heeft kunnen geven of het bouwplan daadwerkelijk
                        gerealiseerd zou worden.</al><al> ABRS 28 november 1994, R03.92.0637.</al><al>– Een bouwwerk met bouwstop ligt zes maanden stil. B en W trekken de
                        bouwvergun-ning in op grond van artikel 52, lid 1, onder c, van de Woningwet
                        1962 en artikel 30 (Model-) bouwverordening 1965. Een overschrijding van de
                        termijn van zes maanden die uitsluitend vanwege deze bouwstop heeft
                        plaatsgevonden, kan aan appellant in redelijkheid niet worden tegengeworpen.
                        De stelling dat appellant het aan zichzelf te wijten heeft dat de bouwstop
                        niet is opgeheven door de geconstateerde afwijkingen en tekortkomingen niet
                        te herstellen, doet daaraan niet af. B en W hadden met het oog op hetgeen in
                        afwijking van de bouwvergunning reeds was gebouwd een aanschrijving op grond
                        van artikel 25 Woningwet 1962 uit kunnen doen gaan. ABRS 30 december 1994,
                        R03.91.1120.</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Hoewel de instantie die toeziet op de naleving van verleende vergunningen en
                        ontheffingen, op de hoogte kan zijn van de inhoud van deze bescheiden is
                        toch de plicht opgenomen om op het bouwterrein deze bescheiden aanwezig te
                        hebben en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage te geven. Het verplicht
                        aanwezig zijn van deze bescheiden voorkomt discussie over wat in die
                        bescheiden is voorgeschreven de tekst is immers voorhanden en voorkomt dat
                        de uitvoerder op het bouwterrein zegt de inhoud van de bescheiden niet te
                        kennen.</al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Onder het begrip ‘bouwvergunning’ in de zin van dit artikel vallen tevens de
                        bij de verlening teruggegeven bouwtekeningen, berekeningen e.d., die niet
                        strijdig zijn bevonden met de voorschriften en dus moeten worden gehanteerd
                        bij de bouwwerkzaamheden.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Deze vergunningen en ontheffingen zijn hier slechts bedoeld voor zover deze
                        bouwkundige consequenties hebben. Deze vergunningen en ontheffingen kunnen
                        betrekking hebben op bij voorbeeld een aanlegvergunning of op beschikkingen
                        van de rijks- of provinciale overheid.</al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Het aanwezig hebben van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet, dan wel
                        een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom is nodig, omdat voor bouwen op grond van voornoemde besluiten geen
                        bouwvergunning is vereist krachtens artikel 43, eerste lid, letter a van de
                        Woningwet. Wanneer bouwen en (gedeeltelijk) slopen samengaan moet ingevolge
                        artikel 8.3.2 ook de sloopvergunning op het bouw- en sloopterrein aanwezig
                        zijn. </al><al><vet>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</vet></al><al>De woorden ‘voor zover nodig’ zijn opgenomen, omdat er ook gevallen
                        voorkomen, waarin geen behoefte bestaat aan het aangeven van de rooilijnen,
                        bij voorbeeld bij een verbouwing.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– Bouw- en woningtoezicht heeft ingestemd met een onjuist uitgezet bouwpeil.
                        Gemeente aansprakelijk voor de vertragingsschade en de schade als gevolg van
                        een gewijzigde opzet van de bouw.</al><al> Rb Roermond, 23 december 1982, BR 1983, 533.</al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwer</vet><vet>k</vet><vet>zaamheden</vet></al><al>De strekking van dit artikel is het bouwtoezicht gelegenheid te geven tot
                        tijdige controle.</al><al><cursief>Lid 1, sub a</cursief></al><al>Indien ontgravingwerkzaamheden worden aangekondigd verdient het aanbeveling
                        het regionale Kabels- en leidingeninformatiecentrum (KLIC) in te lichten ter
                        voorkoming van schade aan leidingen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief> In het kader van de terugdringing van
                        administratieve lasten wordt geadviseerd terughoudend gebruik te maken van
                        de schriftelijke melding door vergunninghouder en deze melding telefonisch
                        of digitaal (e-mail) te verlangen. </al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet></al><al>Dit artikel heeft voornamelijk betrekking op gevallen waarin het
                        bouwtoezicht vermoedt, dat ondeugdelijke constructies of materialen aan het
                        oog zijn onttrokken of ondeugdelijk zijn verwerkt. In het algemeen zullen de
                        kosten van de hier bedoelde werkzaamheden, die de bouwer verplicht is te
                        verrichten of te doen verrichten, voor diens rekening komen. Degene die
                        bouwt heeft het immers zelf in de hand om voor de aanvang van bepaalde
                        werkzaamheden tijdig het bouwtoezicht te informeren en overigens conform de
                        vergunning, het Bouwbesluit en de bouwverordening te werken. Specifieke
                        controlewerkzaamheden buiten dit artikel om komen voor rekening van de
                        controlerende instantie, c.q. de gemeente.</al><al>Dit artikel geldt als aanvulling op de algemene bevoegdheid tot het
                        verrichten van onderzoek, opneming en monsterneming van artikel 5:18 van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb). Pas wanneer de Awb onvoldoende houvast
                        biedt om bijvoorbeeld bouwkundige constructies op of open te breken, wordt
                        dit artikel van de bouwverordening toegepast.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Artikel 375 MBV 1965 (nu artikel 4.6 MBV) ziet op een correcte uitvoering
                        van de bouwvergunning, de door appellant gewenste (controle op de aanleg
                        van) groenvoorzieningen maken hier nu juist geen deel van uit.</al><al> ARRS 26 juli 1993, No. R03.91.0376.</al><al><vet>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</vet></al><al>Het belang dat hier wordt gediend is de veiligheid van bouwwerken. Dit is
                        een publiekrechtelijk belang. Dit artikel ziet niet op eventuele schade in
                        privaatrechtelijke zin. De redactie van dit artikel is in vergelijking met
                        de MBV 1965 enigszins aangepast, doch dit betreft geen verandering in de
                        bedoeling van dit artikel, noch een trendbreuk in het beleid.</al><al>De hoeveelheid aan de bodem te onttrekken water is hier doorslaggevend.
                        Indien de onttrekking zodanige vormen aanneemt, dat ook andere belangen dan
                        de in dit artikel genoemde kunnen worden geschaad, zal daarop met behulp van
                        andere, niet in deze verordening neergelegde bepalingen moeten worden
                        toegezien. Gedacht kan worden aan een waterwingebied.</al><al>Onder de hierboven bedoelde andere bepalingen kan met name worden verstaan:
                        zowel voor het mogen bemalen van een bouwput als voor het mogen lozen van
                        het aldus opgepompte grondwater is een vergunning vereist. De grondslag voor
                        de vergunning voor het bemalen van een bouwput c.q. het onttrekken van
                        grondwater staat in de Grondwaterwet en de provinciale
                        grondwaterverordeningen. Laatstgenoemde verordeningen bevatten overigens in
                        het algemeen een uitzondering op het vergunningvereiste voor het kortstondig
                        droog houden van een bouwput, mits nader in die verordeningen omschreven
                        beperkte hoeveelheden grondwater worden onttrokken. De lozing van het
                        opgepompte water kan aan een vergunningsvereiste of standaardvoorschriften
                        zijn gebonden ingevolge de Wet milieubeheer of de Wet veront-reiniging
                        oppervlaktewateren</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Legalisering van een illegaal gebouwde verblijfsruimte. Schade aan
                        naastgelegen woning als gevolg van bronbemaling. Artikel 383, lid 3,
                        (Model-)bouwverordening 1965 ziet slechts op het bouwproces en bevat geen
                        eis waaraan het op te richten bouwwerk zelf dient te voldoen. De gemeente
                        heeft niet onzorgvuldig gehandeld, nu zij direct na het ontstaan van de
                        schade alle noodzakelijk te nemen maatregelen (retour-bemaling) hebben doen
                        toepassen. </al><al>Naar algemene ervaringsregels was niet te verwachten dat de bronbemaling
                        nadelige gevolgen zou hebben.</al><al> ABRS 25 juli 1994, R03.92.2217.</al><al><vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>Het onderhavige voorschrift betreft niet de veiligheid van de werknemers op
                        de bouwplaats, want deze valt onder de Arbowet (Arbeidsinspectie), maar de
                        veiligheid van voorbijgangers en belendingen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De in dit lid bedoelde veiligheidsmaatregelen omvatten mede de maatregelen,
                        die bij voorbeeld moeten worden genomen bij het oprichten en strijken van
                        een heistelling, het transport van bouwmaterialen boven de weg, de afdamming
                        van bouwputten, het zandstralen en het uitvoeren van stutwerk. Wat betreft
                        de veiligheid van elektrische installaties op bouwwerken, zie NEN 1010. De
                        controle op de naleving van laatstgenoemde eisen berust bij de
                        Arbeids-inspectie en bij het elektriciteitsbedrijf.</al><al>Tot de achtste serie wijzigingen waren de indieningsvereisten behorende bij
                        een aanvraag om bouwvergunning, waaronder een bouwveiligheidsplan, opgenomen
                        in artikel 2.1.6, eerste lid, MBV. </al><al>Sinds 1 januari 2003 bevat artikel 1.2.5 van de bijlage bij het Besluit
                        indieningsvereisten regels over het indienen van een bouwveiligheidsplan. Of
                        er bij een bouwvergunning een bouwveiligheidsplan moet zijn en aan welke
                        eisen dat plan moet voldoen, is geregeld in het onderhavige artikel van de
                        MBV. Voorzover de te nemen maatregelen in het bouwveiligheidsplan afwijken
                        van de voorschriften in dit artikel, gaan de bepalingen van het
                        bouwveiligheidsplan voor.</al><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>Aan deze bepaling kan worden geacht te zijn voldaan wanneer de
                        schakelapparatuur zich bevindt in een kastje of een andere ruimte dat (die)
                        gedurende de bedoelde tijdsperioden op deugdelijke wijze is afgesloten.</al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>Het afscheiden van een bouwterrein dient ertoe onbevoegden van het terrein
                        te weren en te voorkomen dat mensen – en vooral spelende kinderen – op een
                        bouwterrein een ongeval overkomt. Dit motief geldt ook voor de eis in het
                        derde lid, dat een niet afgescheiden bouwterrein moet worden bewaakt, tenzij
                        het bouwtoezicht dit niet nodig oordeelt. Ook over de vorm van de bewaking:
                        permanent aanwezig zijn of surveillance door een bewakingsdienst, beslist
                        het bouwtoezicht. In de regel vindt overleg plaats met de bouwer.</al><al>De verkeersveiligheid dient krachtens het tweede lid voldoende te zijn
                        gewaarborgd.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>De bepaling beoogt de veiligheid te verhogen en schade en ernstige hinder
                        voor de omgeving te voorkomen. Zie onder ‘handhaving van de voorschriften’,
                        in het algemene gedeelte van de toelichting op dit hoofdstuk, hetgeen is
                        gesteld ten aanzien van de arbeidsomstandigheden.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– Een bouwaanvraag kan niet worden getoetst aan de artikelen 382 en 383 van
                        de bouwverordening: deze bepalingen bevatten namelijk geen eisen waaraan een
                        bouwwerk moet voldoen, maar betreffen de uitvoering van de
                        bouwwerkzaamheden.</al><al> ARRS 18 augustus 1978, BR 1978, 837; ARRS 29 januari 1982, BR 1982, 506;
                        ARRS 10 december 1981, BR 1982, 313.</al><al>– Het veroorzaken van ernstige geluidsoverlast bij bouw- en
                        sloopwerkzaamheden hoeft niet altijd onrechtmatig te zijn.</al><al> Rb ’s-Gravenhage, 1 november 1985, rolnr. 85/923.</al><al> Vergelijk Hof Leeuwarden 29 januari 1986, BR 1986, 443.</al><al>– Ten aanzien van de klachten van appellanten over het heien kan aansluiting
                        worden gevonden bij art. 382, tweede en derde lid, van de
                        (Model-)bouwverordening. Dit artikel is evenwel opgenomen, in de paragraaf
                        welke bepalingen bevat omtrent de wijze van bouwen en bevat geen eisen
                        waaraan het op te richten bouwwerk zelve dient te beantwoorden. Het behoort
                        derhalve niet tot de voorschriften waaraan, gelet op art. 48 Woningwet, een
                        aanvraag om bouwvergunning moet worden getoetst. Voor zover ondanks de
                        getroffen voorzieningen toch nog schade zou ontstaan zullen appellanten zich
                        bij de civiele rechter kunnen vervoegen (zie bijvoorbeeld KG 1985, nr. 375
                        en BR 1993, p. 549).</al><al> ARRS 29 januari 1982, BR 1982, p. 506. Zie ook ARRS 18 augustus 1978, BR
                        1978, p. 837 en Vz. ARRS 3 maart 1977, BR 1977, p. 411.</al><al>– Het bezwaar, vrees voor schade aan woning als gevolg van heiwerkzaamheden,
                        ziet op de uitvoering van bouwwerkzaamheden en niet op de eisen waaraan het
                        bouwwerk zelf heeft te voldoen. Gelet op het bepaalde in art. 48, lid 2,
                        Woningwet 1962 kan een voorwaarde met betrekking tot de te gebruiken
                        heimethode op basis van art. 161, lid 2 (Model)bouwver-ordening 1965 dan ook
                        niet ter voorkoming van heischade aan omringende panden worden verbonden aan
                        de bouwvergunning.</al><al> ARRS 8 augustus 1991, BR 1992, p. 46.</al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit artikel regelt hoe moet worden omgegaan met bouwafval. De Woningwet eist
                        geen regeling omtrent het bouwafval, maar laat wel toe dat de
                        bouwverordening dit regelt. Hoofdstuk 8 gaat over het sloopafval.</al><al>Uitgangspunt voor het verplicht stellen van het op de bouwplaats scheiden
                        van afvalstoffen in fracties is dat een afvalstof in hogere regelgeving als
                        gevaarlijk is gekwalificeerd en uit hoofde van een doelmatige verwijdering
                        bij de bron moet worden gescheiden, dan wel dat een afval-stof slechts voor
                        hergebruik geschikt is, indien deze schoon blijft en niet vermengd wordt met
                        ander afval. </al><al>a Gevaarlijke afvalstoffen</al><al>Gevaarlijke afvalstoffen moeten krachtens wettelijk voorschrift apart worden
                        gehouden. Een anti-mengclausule in in het derde lid van artikel 4 van de
                        Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                        blz. 9), verbiedt het mengen van gevaarlijk afval met ander afval (zgn.
                        verdunnen). Eenmaal gescheiden afvalstoffen dienen ook daarna gescheiden te
                        blijven. Daartoe verplicht de Regeling scheiden en gescheiden houden die is
                        gebaseerd op de Wet milieubeheer. De doe-het-zelver kan geringe hoeveelheden
                        gevaarlijk (chemisch) afval thuis in de chemobox doen en op deze wijze
                        gescheiden afvoeren via de van gemeentewege georganiseerde inzameling van
                        klein chemisch afval van huishoudens.</al><al>b en c Glaswol en steenwol</al><al>Glaswol en steenwol (minerale wol) worden door of vanwege de leverancier
                        ingezameld. Steenwolresten worden verzameld in een zogeheten “bigbag” (een
                        stevige zak met een inhoud van 1 m3) of een zak van 200 liter. </al><al>De ondergrens van 1 m3 per bouwproject is ingesteld om geen onevenredige
                        kosten te veroorzaken. Onder het begrip “bouwproject” wordt verstaan het
                        geheel van bouwwerk-zaamheden waarvoor een en dezelfde bouwvergunning is
                        verleend.</al><al>Glaswol komt niet in grote hoeveelheden vrij bij de bouw, zodat de plicht
                        tot scheiden slechts bij grotere isolatiewerkzaamheden effectief zal
                        zijn.</al><al>d Overig afval</al><al>Voor het overige bouwafval blijkt er een financiële impuls aanwezig die
                        bewerkstelligt dat een scheiding in afzonderlijke fracties plaatsvindt. De
                        onderhavige overige afvalstoffen moeten worden afgevoerd naar een inrichting
                        die op grond van de milieuwetgeving bevoegd is om deze stoffen in ontvangst
                        te nemen. </al><al><vet>Wanneer is iets afval?</vet></al><al>Zodra op een bouwplaats materialen of stoffen worden gedeponeerd in een
                        afvalbak is er sprake van bouwafval. Restanten van materialen en stoffen die
                        apart worden gelegd om later nog te kunnen gebruiken zijn dus (nog) geen
                        afval.</al><al><vet>Acceptatievoorwaarden en marktwerking</vet></al><al>De verplicht uit het bouwafval op de bouwplaats te scheiden fracties gelden
                        als ondergrens. Het staat degene die bouwt dus vrij een verdergaande
                        scheiding toe te passen. De marktpartijen opdrachtgever en aannemer zullen
                        veelal op basis van economische motieven besluiten tot een verdergaande
                        scheiding. Hierbij zullen prijzen worden vergeleken en zal bij een
                        verdergaande scheiding dikwijls een gunstiger prijs- en kostenverhouding
                        gelden. Indien een verdergaande scheiding plaatsvindt, geldt onverkort het
                        voorschrift dat moet worden afgevoerd naar een bewerkingsinrichting die
                        bevoegd is deze afvalstoffen te ontvangen. De fractie overig afval moet in
                        het algemeen worden afgevoerd naar een sorteerinrichting. Als
                        sorteerinrichting worden ter zake ook verstaan inrichtingen onder de naam
                        overslagbedrijf of gemeentelijke milieustraat. Voorwaarde is dat het
                        overslagbedrijf c.q. de milieustraat op grond van zijn vergunning bevoegd is
                        tot ontvangst van de afvalstoffen. Niet alle overslagbedrijven c.q.
                        milieustraten zijn bevoegd tot ontvangst van bedrijfsafvalstoffen.</al><al>Om de marktpartijen niet voor de voeten te lopen is afgezien van een zeer
                        gedetailleerde regelgeving. Tevens zou de effectiviteit van de regeling in
                        het gedrang komen, wanneer in de voorschriften andere verplichtingen zouden
                        worden opgelegd dan die voortvloeien uit de acceptatievoorwaarden van de
                        ontvanger (bewerker, sorteerder, inzamelaar enz.). </al><al><vet>Afvoeren en overdragen van bouwafval</vet></al><al>Het telkens genoemde ‘afvoeren naar’ betekent niet dat degene die bouwt ook
                        zelf moet vervoeren. Hij heeft de plicht ervoor te zorgen dat overeenkomstig
                        deze voorschriften wordt gescheiden en wordt afgevoerd naar de inrichting.
                        Aan het voorschrift wordt ook voldaan indien het afval wordt meegegeven met
                        een voor het desbetreffende afval bevoegde inzamelaar.</al><al>De afvoer naar een stortplaats gebeurt doorgaans niet rechtstreeks vanaf de
                        bouwplaats. </al><al>Het Besluit stortverbod afvalstoffen bevat namelijk sinds 1 april 1997 een
                        stortverbod voor herbruikbaar bouw en sloopafval. Particulieren die geringe
                        hoeveelheden bouw en sloopafval zelf wegbrengen, kunnen terecht bij
                        sorteerbedrijven en gemeentelijke milieustraten, veelal ook op
                        zaterdagmorgen. </al><al>Volledigheidshalve zij opgemerkt dat het stortverbod niet geldt voor asbest,
                        waarvoor juist een stortplicht geldt. Asbest is in het onderhavige artikel
                        over bouwafval niet genoemd, omdat het als bouwmateriaal niet meer is
                        toegelaten.</al><al><vet>Terugleveren aan de leverancier of fabrikant</vet></al><al>Er zijn enkele bouwstoffen waarvan het restant/afval wordt teruggeleverd aan
                        de fabrikant c.q. de leverancier. Voor deze situatie geldt een uitzondering
                        op de regel dat op de bouwplaats gescheiden fracties naar een
                        bewerkingsinrichting of anders naar een sorteerinrichting moeten worden
                        afgevoerd. Rechtstreekse retourlevering waarbij het product dient als
                        grondstof voor nieuwe producten wordt zinvol geacht. </al><al><vet>Sorteerinrichting</vet></al><al>Afvoeren van ongesorteerd bouwafval, de zogeheten fractie overig afval, is –
                        voor zover het uit meer dan één afvalstof bestaat – alleen toegestaan naar
                        een sorteerinrichting, die bevoegd is de desbetreffende afvalstoffen
                        ongesorteerd te ontvangen.</al><al>Een sorteerbedrijf dient zich in het algemeen naast de beoordelingsrichtlijn
                        voor de certificering van sorteerbedrijven te houden aan de Regeling niet
                        herbruikbaar bouw en sloopafval (Stcrt. 31, 13 februari 1996). Hierin worden
                        de volgende afvalstromen aangeduid als herbruikbaar: harde steenachtige
                        materialen, ferro en nonferro metalen, massief niet verduurzaamd hout,
                        papier/karton, LDPEfolie, kunststof gevelelementen of delen daarvan en
                        kunststofleidingbuizen. Voor deze stromen ligt uitsortering voor de hand,
                        hetzij aan de bron, hetzij achteraf in een sorteerinrichting. </al><al>Voor papier/karton en kunststoffen is de mogelijkheid van uitsorteren bij
                        een sorteerbedrijf volledig operationeel. Voor steenwol is deze mogelijkheid
                        enigszins operationeel en voor EPS (“piepschuim”) en gipsblokken nog niet,
                        vanwege het niet operationeel zijn van een retoursysteem (stand van zaken
                        medio 1997). Overigens geldt voor zowel steenwol als EPS dat zij meestal
                        slechts in geringe mate in bouwafval voorkomen. </al><al>Voor diverse specifieke kunststofafvalstromen zijn bewerkingssystemen
                        ontwikkeld. Bij de aflevering aan bouwbedrijven kunnen transporteurs van
                        aangeschafte bouwmaterialen de inname aanbieden van LDPE en LDPEfolie. Via
                        de Stichting KNAPZAK nemen enkele kunststofverwerkers deze kunststoffen
                        zowel van transporteurs als van sorteerbedrijven in voor recycling. </al><al>De thermoplasten PVC, PE en PP (buismaterialen) kunnen door sorteerbedrijven
                        voor verwerking worden aangeboden aan twee leden van de Vereniging van
                        Kunststofleiding-systemen (FKS) te Amsterdam. Voor kunststof gevelelementen
                        kunnen sorteerbedrijven gebruik maken van het recyclingsysteem van de
                        Stichting Recycling VKG te Zoetermeer. Een verwerkingssysteem voor
                        kitkokers, verfverpakking en snoerband (PPmaterialen) is operationeel bij B
                        &amp; R Recycling BV te Middelharnis. </al><al><vet>Mee terugnemen naar de werf</vet></al><al>Uitdrukkelijk is bepaald dat degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden
                        verricht, de aannemer, een geringe hoeveelheid bouwafval mee terug mag nemen
                        naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag. Deze bevoegdheid sluit aan op de
                        bestaande praktijk. Het formaliseren ervan wordt gezien als van groot
                        praktisch nut. Overigens kan het zijn dat voor deze opslag een vergunning is
                        vereist op grond van de Wet milieubeheer. De term tijdelijke opslag duidt
                        erop dat dit afval vervolgens in het algemeen wel moet worden afgevoerd naar
                        een sorteerbedrijf. De plicht om zgn. EURAL-stoffen gescheiden te houden van
                        andere stoffen, de antimeng-clausule, blijft onverkort van kracht, evenals
                        de plicht tot het afvoeren van deze stoffen naar een depot of ze overdragen
                        aan een inzamelaar die voor de inname van deze stoffen bevoegd is.</al><al><vet>Enkele specifieke begrippen</vet></al><al>Met de term ‘bevoegd is ...... te ontvangen’ wordt gedoeld op de
                        aanwezigheid van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer, voorzover een
                        milieuvergunning bij die wet verplicht is gesteld.</al><al>Onder ‘inzamelaar’ wordt verstaan degene die bevoegd is een afvalproduct in
                        te zamelen met het oog op hergebruik of teruglevering naar de producent. </al><al>Voor enkele deelstromen kunststoffen bestaat een dergelijk inzamelsysteem.
                        Zie de toelichting van artikel 8.1.1 Ad c onder het kopje Inzamel- en
                        recyclingsystemen voor kunststoffen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De gevaarlijke fractie uit het bouwafval moet bij de bron – dit is op het
                        terrein – worden gescheiden van het overige bouwafval. In een later stadium
                        scheiden levert veel moeilijkheden op en lukt maar ten dele. Voor de
                        verwijdering van het gevaarlijk afval gelden de regels van de Wet
                        milieubeheer. De strekking van dit lid is mede dat de inrichting waarheen
                        het gevaarlijk afval gaat moet beschikken over een adequate vergunning op
                        grond van de Wet milieubeheer. Er bestaat keuzevrijheid naar welk bedrijf
                        wordt afgevoerd. In de praktijk komt het bepaalde in dit lid erop neer dat
                        gevaarlijk bouwafval niet naar een stortplaats gaat. Stortplaatsen zijn
                        vrijwel nooit bevoegd de hier bedoelde stoffen in ontvangst te nemen. Voor
                        sommige gevaarlijke afvalstoffen is verbranden de beste oplossing.</al><al>Voor de handhaving is het van belang dat het begrip ‘gevaarlijk’ uniform
                        wordt uitgelegd. De verwijzing naar de als gevaarlijk aangeduide
                        afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9) – in werking getreden op 1
                        mei 2002 – voorziet hierin. In artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt
                        verwezen naar dit besluit.</al><al>De EURAL vervangt het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (BAGA)
                        (Stb. 1993, 617) dat van 1 januari 1994 tot 1 mei 2002 gold. De EURAL wijkt
                        inhoudelijk voor wat betreft de lijst gevaarlijke afvalstoffen nauwelijks af
                        van het BAGA. Hoofdstuk 17 van de lijst gaat over het bouw- en sloopafval.
                        De Nederlandstalige versie van de lijst is als bijlage 5 opgenomen in de
                        publicatie ‘Handreiking Eural; Europese afvalstoffenlijst’ van het
                        ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van
                        september 2001. De in deze lijst met een asterisk (*) aangeduide nummers
                        zijn gevaarlijke afvalstoffen. Voor het verwijderen (slopen) van asbest en
                        asbesthoudende materialen geldt het Asbestverwijderingsbesluit.</al><al><vet>Vergunningvoorwaarden</vet></al><al>Het is toegestaan over de exacte wijze van scheiden, opslaan en afvoeren,
                        uitsluitend wanneer dit is bedoeld ter uitvoering van de in het eerste lid
                        genoemde fracties, voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden. Deze
                        voorwaarden betreffen aspecten die niet in een algemene regeling als de
                        verordening thuis horen maar zijn toegesneden op de concrete situatie. Dit
                        kan bijvoorbeeld betreffen het niet bij elkaar brengen van bepaalde soorten
                        gevaarlijk (chemisch) afval. Niet al het gevaarlijk afval kan door elkaar in
                        één bak worden gedeponeerd. Het is zinvol aan te geven welke stoffen niet
                        bij elkaar mogen en op welke wijze c.q. onder welke condities de
                        (tijdelijke) opslag op de bouwplaats moet geschieden. In de regel eist de
                        inzamelaar c.q. vervoerder al de wijze van scheiden en verpakken van de
                        risicodragende stoffen. De bakken – sommige typen onderverdeeld in
                        compartimenten – zijn vaak eigendom van de inzamelaar/ vervoerder. De
                        overheid kan de eventuele vergunningvoorwaarden hierop afstemmen.</al><al>Het is niet toegestaan voorwaarden aan de bouwvergunning te verbinden die
                        ertoe strekken nog andere fracties verplicht op de bouwplaats te scheiden
                        dan die vermeld staan in het eerste lid. In het algemeen komt men dan in
                        strijd met het derde lid van artikel 56 van de Woningwet. Zie onder
                        ‘Hoofdlijnen van de jurisprudentie’ bij artikel 56 van de Woningwet de
                        uitspraak Rb. Utrecht, 12 april 1996, BR 1996, p. 717; JB 1996, nr.
                        150.</al><al>Om redenen van veiligheid en verwerking mogen bepaalde stoffen niet bij
                        elkaar. Dit zijn globaal aangeduid: een ontstekingsbron (batterijen) niet
                        combineren met een brand- of explosiebron (houtverduurzamingsmiddelen,
                        lijmen, verven, verdunningsmiddelen, harders, versnellers, vertragers enz.),
                        logen, basen en zuren (zoutzuur komt vrij bij de afbouw) niet combineren met
                        een ontstekingsbron noch met een brand- of explosiebron.</al><al>Omdat bouw- en sloopafval veel samenhang vertoont, verdient het aanbeveling
                        bij het lezen van deze toelichting ook (delen van) de toelichting op
                        hoofdstuk 8, het slopen, te betrekken.</al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>De gereedmelding is nodig om het bouwtoezicht in de gelegenheid te stellen
                        spoedig daarna controles uit te voeren. Voorts is de gereedmelding een
                        voorwaarde voor het in gebruik mogen nemen of geven van het bouwwerk
                        ingevolge artikel 7b Woningwet.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het controleren van leidingdoorvoeren en aansluitpunten is veelal in een
                        latere fase van de bouw niet effectief of althans niet zonder extra
                        graafwerkzaamheden mogelijk. Daarom geldt de eis van onmiddellijke melding.
                        Het controleren van de thermische isolatie op kwaliteit en dikte
                        overeenkomstig de uitkomst van de berekening van de
                        energieprestatiecoëfficiënt, zoals voor de desbetreffende categorie gebouwen
                        voorgeschreven in het Bouwbesluit 2003, is eveneens slechts effectief
                        mogelijk, voordat deze isolatie aan het oog is onttrokken door het
                        opmetselen van het buitenspouwblad van een wand, door het afpleisteren van
                        de isolatie of het aanbrengen van een andere afwerkconstructie. Overigens
                        stelde SenterNovem in opdracht van het ministerie van VROM in februari 2007
                        een gratis informatiemap met onder meer een checklist en een rekenlineaal
                        samen om de buitendienstinspecteur van het gemeentelijk bouwtoezicht bij
                        zijn bouwplaatscontroles op de energieprestatienormering te ondersteunen.
                        Raadpleeg, voor zover in de eigen gemeente in het ongerede geraakt of in
                        onvoldoende exemplaren aanwezig, daarvoor www.senternovem.nl/epn/handhaving
                        of neem contact op met de Helpdesk Gemeenten van SenterNovem,
                        gemeenten@senternovem.nl of 030 239 35 33. <cursief>Lid 2</cursief></al><al>Teneinde de voortgang van de bouw niet te lang op te houden is een termijn
                        van twee dagen vermeld, waarbinnen het mogelijk is dat het bouwtoezicht de
                        noodzakelijke of gewenste controles uitvoert.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor zover in de voorwaarden van de bouwvergunning niet anders is gesteld,
                        geldt ook hier de termijn van twee dagen.</al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>Voor de toepassing van dit artikel kan NEN 6722, uitgave 1989,
                        (Voorschriften Betonuitvoering (VBU)) een goed hulpmiddel zijn.</al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Hoofdstuk 5</vet><vet> Staat van open erven en terreinen,
                            brandveiligheidsinstallaties, aansluiting op de
                            nutsvoo</vet><vet>r</vet><vet>zieningen en het weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</cursief></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In deze verordening is in aansluiting op het Bouwbesluit een onderscheid
                        gemaakt in de eisen die gelden voor het bouwen en de eisen die gelden voor
                        bestaande bouwwerken, zo ook de staat waarin open erven en terreinen behoren
                        te verkeren. Overtreding van de bepalingen van dit hoofdstuk is een reden
                        voor het opleggen van een plicht tot het treffen van voorzieningen op grond
                        van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom. Voor de situaties die al bestonden
                        voor het in werking treden van de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 moet worden
                        afgewogen of de verlangde voorzieningen ter plekke mogelijk zijn en of het
                        alsnog opleggen van een plicht tot het treffen van die voorzieningen
                        redelijk is. De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 zijn nagenoeg gelijk aan de
                        artikelen 2.5.3 en 2.5.4 van hoofdstuk 2, de aanvraag om bouwvergunning. Op
                        die plek fungeren de eisen als een toets voor aanvraag om bouwvergunning. De
                        bepalingen van dit hoofdstuk richten zich op de staat of toestand van een
                        open erf of terrein en niet op het gebruik daarvan. Het gebruik van open
                        erven en terreinen wordt geregeld in hoofdstuk 7. Zo sluit artikel 5.1.1
                        nauw aan bij artikel 7.3.2. </al><al><vet>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                        terreinen</vet></al><al>De tekst van dit artikel is overgenomen uit artikel 299 MBV 1965.</al><al>Van een onvoldoende staat van een open erf of terrein is bij voorbeeld
                        sprake, indien een open erf of terrein verontreinigd is. Deze
                        verontreiniging kan een gevolg zijn van het gebruik van een ander terrein of
                        van een gebrek aan een bouwwerk. De onvoldoende staat van een terrein kan
                        ook worden veroorzaakt door overvloedige begroeiing, waardoor de
                        lichttoetreding tot een gebouw wordt belemmerd of de veiligheid van het
                        verkeer (gebrek aan uitzicht) in gevaar komt. Over de mogelijkheid van
                        aanschrijving op grond van dit artikel in de MBV 1965 gaat de uitspraak van
                        ARRS 21 april 1987, W/RvS/03.85.6262.</al><al>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</al><al>– Op het woonwagenkamp bevinden zich enige autowrakken, sloopcaravans en een
                        hoeveelheid afval. Verweerders hebben zich terecht op het standpunt gesteld
                        dat zich een situatie voordeed die op grond van artikel 298 en 299
                        (Model-)bouwverordening 1965 kan worden gekwalificeerd als onvoldoende staat
                        van onderhoud en gevaar voor de veiligheid.</al><al> ABRS 23 september 1994, R03.90.6067.</al><al>– Aanschrijving tot het kappen van een kastanjeboom op grond van art. 20 Ww
                        wegens strijd met artikel 5.1.1., tweede lid aanhef en onder e van de
                        (Model-)bouwverordening. Op grond van adviezen konden B en W ervan uitgaan
                        dat alleen het kappen van de boom een afdoende oplossing was. Geen beroep op
                        de drie-jaren-termijn uit artikel 25 Ww, omdat dit verbod zich niet mede
                        uitstrekt tot aanschrijvingen van een open erf of terrein als bedoelt in
                        artikel 20 Ww.</al><al> ABRS 16 januari 1997, R03.94.0371.</al><al><vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor </vet></al><al><vet>wegverkeer</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.3.</al><al>Bij het toepassen van bestuurdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom wegens strijd</al><al>met artikel 7b, eerste lid, onder d, van de Woningwet, juncto het
                        onderhavige artikel 5.1.2, eerste</al><al>en tweede lid, ware rekening te houden met het bepaalde in artikel 12.3 van
                        deze bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor </vet></al><al><vet>gehandicapten</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.5.4.</al><al><cursief>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</cursief></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Indien eisen worden gesteld aan te bouwen gebouwen, is het eveneens
                        noodzakelijk eisen te stellen over de staat waarin bestaande bouwwerken zich
                        moeten bevinden. Deze indeling sluit aan bij die van het bouwbesluit. De
                        voorschriften van dit hoofdstuk vormen de grond voor een aanschrijving
                        indien een brandveiligheidsvoorziening in een gebouw zich bevindt in een
                        staat die niet in over-eenstemming is met de voorschriften van dit
                        hoofdstuk.</al><al><vet>Aanschrijven op grond van de Woningwet kan:</vet></al><al>– wegens strijd met de voorschriften van het Bouwbesluit;</al><al>– wegens gebruik op een wijze die niet in overeenstemming is met de
                        desbetreffende voor-schriften van de Bouwverordening;</al><al>– wegens het uit anderen hoofde noodzakelijk voorziening behoeven.</al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn geen gebruiksvoorschriften.
                        Aanschrijven moet derhalve plaatsvinden ‘uit anderen hoofde’. Voor een
                        overzicht van de soorten aanschrijvingen zij verwezen naar beleidshoofdstuk
                        9: handhaving.</al><al><vet>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>Overeenkomstig de systematiek van de Woningwet is het noodzakelijk om eisen
                        te stellen omtrent de staat van bestaande gebouwen, indien eisen worden
                        gesteld aan te bouwen gebouwen. Ten aanzien van de brandmeldinstallaties, de
                        ontruimingsalarminstallaties en de vluchtrouteaanduidingen gelden voor de
                        bestaande bouw dezelfde eisen als voor nieuwbouw.</al><al>De voorschriften van deze paragraaf vormen de grondslag voor een besluit op
                        grond van artikel 13 Woningwet dan wel het toepassen van bestuursdwang of
                        het opleggen van een last onder dwangsom indien een
                        brandveiligheidsvoorziening in een gebouw ontbreekt of zich bevindt in een
                        staat die niet in overeenstemming is met de voorschriften van deze
                        paragraaf. In geval van dreigend gevaar voor de gezondheid of veiligheid
                        kunnen burgemeester en wethouders vanaf 1 april 2007 op basis van artikel 1a
                        van de Woningwet optreden tegen een overtreding van de voorschriften in deze
                        paragraaf door toepassing van bestuursdwang of door de oplegging van een
                        last onder dwangsom. </al><al><cursief>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</cursief></al><al><vet>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</vet></al><al>Zie de toelichting op artikel 2.7.1.</al><al>Het onderhavige voorschrift kan geen grondslag voor een besluit ingevolge
                        artikel 13 Woningwet dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het
                        opleggen van een last onder dwangsom vormen waarin het college van
                        burgemeester en wethouders het maken van een aansluiting op het
                        waterleidingnet verplicht stelt vanuit een pand waarin een
                        binnenhuisinstallatie - als bedoeld in de opgesomde artikelnummers van het
                        Bouwbesluit - ontbreekt. Dit kan zich voordoen wanneer toepassing van de
                        gelijkwaardigheidbepalingen van het Bouwbesluit ertoe leidt dat het college
                        de aanwezigheid van een alternatieve voorziening voor het betrekken van
                        drinkwater voldoende acht, bijv. in de vorm van een doeltreffende welput,
                        regenbak of watertank. Voor de wijze van meten van de afstand tot de dichtst
                        bij zijnde leiding van het openbare distributienet, zie artikel 5.3.7. </al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.2 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.3 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare </vet></al><al><vet>riolering</vet></al><al>Zie de toelichting op de artikelen 2.7.4 en mutatis mutandis 5.3.1.</al><al>Het is zinloos om door middel van een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet
                        dan wel tot toepassing van bestuursdwang of het opleggen van een last onder
                        dwangsom te verplichten tot het aansluiten op het openbaar riool, zolang –
                        op grond van het Lozingsbesluit bodembescherming – het afvalwater in de
                        bodem mag worden geloosd met behulp van in dat besluit voorgeschreven
                        voorzieningen (zuiveringssysteem en infiltratievoorziening) en de genoemde
                        voorzieningen – in financiële zin – nog niet afgeschreven zijn. Immers, een
                        regeling van de rijksoverheid zoals het Lozings-besluit bodembescherming
                        prevaleert ten opzichte van een gemeentelijke verordening, in casu de
                        bouwverordening.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al><vet>Opmerkingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Artikel 5.3.4 van de MBV 1992 komt materieel overeen met artikel 322
                                van de MBV 1965.</al></li><li nr="2."><al>De hierna volgende uitspraken hebben betrekking op de tekst van
                                artikel 322, zoals deze luidde vóór de invoering van de 22e serie
                                wijzingen van de MBV 1965 (d.d. 18 december 1986). Bij genoemde
                                wijziging is het derde lid betreffende de nadere eis vervallen.
                                Derhalve ware thans waar in de uitspraken ‘nadere eis’ staat, te
                                lezen ‘aanschrijving’.</al><al> – Artikel 322, derde lid, van de bouwverordening kan slechts
                                toepassing vinden in het kader van de toepassing van artikel 25
                                Woningwet. In verband daarmee zal voor elke aanschrijving moeten
                                kunnen worden aangetoond dat het om een noodzakelijke aansluiting
                                gaat. Voor het opleggen van een verplichting tot aansluiting aan de
                                openbare riolering worden in de regel milieuhygiënische motieven
                                voldoende geacht. De aanschrijving wordt door de afdeling getoetst
                                aan de beginselen van behoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 8
                                van de Wet arob. </al><al> Daarbij komt vooral naar voren toetsing aan het beginsel van de
                                redelijkheid en aan het beginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten
                                worden behandeld. Bij de toetsing aan de redelijkheid vindt een
                                afweging plaats van enerzijds het belang van de aangeschrevene
                                (bijv. de kosten van de aansluiting) en anderzijds het
                                milieuhygiënische belang van aansluiting aan de openbare riolering.
                                Zie onder meer:</al><al> ARRS 11 november 1977; AB 1978, nr. 246; BR 1978, blz. 430;</al><al> ARRS 26 september 1978; BR 1979, blz. 138;</al><al> ARRS 10 januari 1987; nr. RO 3.85.3224.</al><al> – Een goed functionerende eigen voorziening (bijv. een septic tank)
                                staat niet in de weg aan het stellen van een nadere eis tot
                                aansluiting op de openbare riolering. Een nadere eis is in beginsel
                                niet mogelijk als er sprake is van een pas korte tijd geleden, met
                                aanzienlijke investeringen opgezet eigen reinigings-systeem. </al><al> ARRS 11 november 1977; AB 1978, 246; BR 1978, blz. 430; ARRS 15
                                november 1983, nr. A-31.5496 (1982). Zie ook ARRS 19 januari 1989,
                                nr. RO 3.87.0318: </al></li></lijst><al>De Afdeling rechtspraak acht een nadere eis acceptabel bij een circa twee
                        jaar</al><al>oude septic tank. In casu voerde de gemeente een nieuw en versneld
                        aansluitings-</al><al>beleid voor gebouwen in het buitengebied, nieuw gelet op de mogelijkheden
                        van </al><al>drukriolering en versneld vanwege de op handen zijnde afbouw van de
                        verfijning-</al><al>uitkering van de rijksoverheid. Voor een financiële tegemoetkoming is geen
                        grond.</al><al> – Wanneer op grond van milieuhygiënische overwegingen voor een bepaald
                        gebied de eis van aansluiting op het openbaar riool wordt gesteld, behoeft
                        zulks niet in te houden dat zonder deze aansluiting ten aanzien van iedere
                        woning afzonderlijk sprake zou zijn van ontoelaatbare bodemverontreiniging.
                        Voldoende is dat in algemene zin sprake is van ontoelaatbare
                        bodemverontreiniging door het niet aangesloten zijn op de openbare riolering
                        van woningen in het betrokken gebied.</al><al> ARRS 26 september 1978; BR 1979, blz. 138; ARRS 3 april 1987; GS 6849.</al><al> – Niet onredelijk achtte de Afdeling rechtspraak onderstaande toepassing
                        van artikel 322 MBV 1965 van de bouwverordening:</al><lijst><li nr="a."><al>In beginsel wordt niet tot aansluiting overgegaan, wanneer er sprake
                                is van zo’n gering verval dat bijzondere, vaak ook kostbare,
                                voorzieningen nodig zijn om de aansluiting te verwezenlijken. Bij
                                een verval van 1 cm per 2 meter is er volgens de gemeente in het
                                algemeen geen sprake van technische moeilijkheden om aan te
                                sluiten.</al></li><li nr="b."><al>Doel van de aanleg van het gemeentelijk riool (en van de
                                verplichting om daarop aan te sluiten) is te voorkomen dat door
                                afvoer van verontreinigd water e.d. schade aan het milieu wordt
                                toegebracht.</al></li><li nr="c."><al>Deze zorg voor het milieu dient zoveel mogelijk onder de taak en
                                verantwoordelijkheid van de gemeente te worden gebracht. Appellant
                                verwerkt het afvalwater en de faeces op zijn terrein wellicht op de
                                juiste wijze, maar minder zeker is of zijn rechtsopvolger op
                                dezelfde wijze te werk zal gaan.</al><al> ARRS 15 november 1983, nr. A-31.5496 (1982).</al><al> – Het milieubeschermingbelang dient te worden afgewogen tegen het
                                financiële nadeel voor betrokkene. </al><al> ARRS 12 november 1985, nr. RO 3.84.2154.</al><al> – Bij de interpretatie van het afstandscriterium van 40 meter bij
                                bestaande bouw kan niet voorbijgegaan worden aan bijv. de bezwaren
                                die hun grond vinden in de bestaande rioleringssituatie. Anders dan
                                bij nieuwbouw heeft de eigenaar immers geen rekening kunnen houden
                                met een eventuele aansluitplicht door de afvoerleidingen zodanig aan
                                te leggen, dat het punt van aansluiting bij het gebouw zo dicht
                                mogelijk komt te liggen bij het aansluitpunt aan het openbaar
                                riool.</al><al> ARRS 6 mei 1986, nr. RO 3.84.5854; ARRS 22 februari 1988, nr. RO
                                3.86.4365; ARRS 28 december 1988, nr. RO 3.86.6568.</al></li></lijst><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en
                            de bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>–Het standpunt dat de historische lozingsvergunning krachtens artikel 31 WVO
                        een aan het gestelde in artikel 91 Bouwbesluit gelijkwaardige voorziening is
                        als bedoeld in artikel 99 van dit besluit, kan niet anders worden begrepen
                        dan dat de aanwezigheid van een rioleringsstelsel dat op het openbaar riool
                        moet worden aangesloten voor dit pand niet is vereist zolang door het
                        Hoogheemraadschap die lozingsvergunning niet is ingetrokken. </al><al>– Nu voor dit pand de aansluiting aan de gemeentelijke riolering niet is
                        vereist, is het </al><al>– Bepaalde in artikel 5.3.4, eerste lid, van de (Model-)bouwverordening voor
                        eisers niet van </al><al>– betekenis en heeft verweerder ten onrechte de bestuursdwangaanschrijving
                        doen gronden op laatstgenoemde bepaling.</al><al>– Rb. Den Haag 1 november 1995, 94/12569 GEMWT.</al><al><vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al><vet>Zie de toelichting op artikel 2.7.5.</vet></al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 5.4.1</vet><vet> Preventie</vet></al><al>Onreinheid die verband houdt met de wijze van gebruiken van een bouwwerk is
                        geregeld in artikel 7.4.1. Artikel 5.4.1 betreft de staat waarin een
                        bouwwerk zich moet bevinden. Dit artikel heeft sinds 1 april 2007
                        rechtstreekse werking en leidt in geval van geconstateerde gebreken tot een
                        besluit ingevolge artikel 13 Woningwet dan wel een besluit tot toepassing
                        van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom gericht aan de
                        eigenaar die kennelijk het bouwwerk onvoldoende onderhoudt. Het artikel is
                        bedoeld om excessen tegen te gaan. </al><al><vet>Hoofdstuk 6 Brandveilig gebruik</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Woningwet schrijft voor dat de bouwverordening voorwaarden moet bevatten
                        die het brandveilig gebruik van bouwwerken regelen. In dit hoofdstuk wordt
                        het mogelijk gemaakt het brandveilig gebruik te regelen met een zogenoemde
                        gebruiksvergunning. Daarnaast bevat dit hoofdstuk gebruiksbepalingen,
                        waaraan alle bouwwerken moeten voldoen.</al><al>Het merendeel van de voorschriften van dit hoofdstuk en de bijlagen 2 t/m 6
                        behorende bij de verordening, alsmede de bijlagen 2 t/m 4 behorende bij deze
                        toelichting komen uit de Model-brand-beveiligingsverordening 1972. De
                        terminologie en de systematiek zijn slechts aangepast voor zover de
                        Woningwet en de Modelbouwverordening dit vereisen. Materieel is in de
                        voorschriften niet veel veranderd zodat een trendbreuk in het beleid over
                        het brandveilig gebruik is voorkomen. Een belangrijke verandering is wel dat
                        alle voorschriften van bouw-kundige aard nu in het Bouwbesluit zijn
                        opgenomen.</al><al>Het brandveilig gebruik regelen is een nieuw onderwerp voor de
                        bouwverordening. Een gebruiksvergunning verschilt in menig opzicht van een
                        bouwvergunning. Nadat het bouwen is beëindigd, zal men een bouwwerk in
                        gebruik nemen. In beginsel zal dat gebruik langdurig zijn. Een
                        gebruiksvergunning zal na verloop van tijd aanpassing behoeven, aangezien
                        omstandigheden en inzichten over brandveiligheid in de loop van de tijd
                        wijzigen. Artikel 6.1.1, derde lid, gaat daar nader op in.</al><al>Het regelen van een vergunningplicht is niet in alle gevallen nodig. Alleen
                        voor die situaties die gevaar op kunnen leveren door een verhoogde kans op
                        brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal
                        uitgebroken brand, wordt een gebruiksvergunning geëist.</al><al>Vooruitlopend op de artikelsgewijze toelichting wordt hier reeds opgemerkt
                        dat het opleggen van een verplichting tot het treffen van aanvullende
                        voorzieningen op grond van artikel 13 van de Woningwet niet afhangt van de
                        vraag of een gebruiksvergunning verplicht is. Ook de gebruiksvoorwaarden die
                        in de (Model-)bouwverordening zijn opgenomen zijn daarvan niet afhankelijk.
                        Anders gezegd: de aanvraag om gebruiksvergunning kan een aanleiding zijn om
                        betrokkenen te verplichten tot het treffen van aanvullende voorzieningen.
                        Per 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de Woningwet
                        vervallen en is een verbod opgenomen om te bouwen, een bouwwerk te
                        gebruiken, een open erf of terrein te gebruiken, in een staat te brengen of
                        te houden, te slopen, anders dan overeenkomstig de daarvoor geldende
                        voorschriften van het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening. Het niet
                        voldoen aan de voorschriften van Bouwbesluit en bouwverordening vormt een
                        overtreding waartegen burgemeester en wethouders direct handhavend kunnen
                        optreden. </al><al><cursief>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>In dit artikel wordt het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde
                        kans op brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een
                        eenmaal uitgebroken brand aanwezig is, gebonden aan een vergunning van
                        burgemeester en wethouders, een zogenoemde gebruiksvergunning.</al><al><vet>Criteria voor vergunningplicht</vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Onder de voorwaarden als genoemd in het tweede lid van artikel 6.1.1 worden
                        onder meer begrepen voorwaarden met betrekking tot: stoffering en
                        versiering; uitgangen en vluchtwegen; installaties; standbouw, podia, kramen
                        e.d.; verbrandingsmotoren; toepassen van vuurwerk binnen een gebouw;
                        bewaking en controle; ventilatie en werkzaamheden; brandbare,
                        brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;
                        opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht; brandveiligheidsinstructie
                        en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne organisatie; het
                        maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een gebouw of in een
                        gebouw met het oog op de brandveiligheid; de plaats van, alsmede het aantal
                        en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels.</al><al>Als criteria voor de gebruiksvergunning zijn aantallen personen vermeld.
                        Bewust is hier gekozen voor zgn. objectieve criteria, die op grond van de
                        feitelijke situatie zijn te bepalen. Zo geldt voor een aantal categorieën
                        van bouwwerken het aantal personen dat in dat bouw-werk of een gedeelte
                        daarvan kan verblijven als criterium. Hoewel ook te verdedigen zou zijn
                        ge-weest het aantal vierkante meters van een bouwwerk of een daarin gelegen
                        verblijfsruimte als objectief criterium te nemen, is toch gekozen voor het
                        aantal personen. Immers, niet het aantal vierkante meters, maar het aantal
                        aanwezigen moet in geval van een calamiteit het gebouw tijdig kunnen
                        verlaten. Natuurlijk kan voor gebouwen waar het aantal personen niet uit het
                        aantal stoelen of bedden kan worden afgeleid, bij voorbeeld een discotheek,
                        een op ervaring berustende berekening worden gemaakt van het te verwachten
                        aantal mensen op basis van het gegeven aantal vierkante meters.</al><al>De eisen die aan een gebruiksvergunning moeten worden gesteld, zijn primair
                        gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het bouwwerk, zoals
                        voorzieningen voor vluchtwegen, alarminstallaties en dergelijke. </al><al>Bij de beoordeling van de brandveiligheid is het van belang te weten hoe
                        veel personen in het bouwwerk zullen verblijven. Immers, het doel van dit
                        hoofdstuk is de feitelijke – niet de theoretische – situatie te beoordelen.
                        Voor het beoordelen van een aanvraag om een gebruiksvergunning kan daarom
                        alleen het feitelijke gebruik als criterium worden aangehouden. Hierdoor
                        wordt vermeden, dat in concrete situaties te zware of te lichte eisen worden
                        gesteld.</al><al>De getalscriteria in dit artikel zijn op basis van overeenstemming van
                        meningen van deskundigen gekozen. Elk getal is arbitrair. </al><al>In enkele gemeenten wordt voor pensionbedrijven e.d. een getal van vijf
                        personen gehanteerd. Het staat de raad van een gemeente vrij een ander getal
                        dan door ons aanbevolen in de verordening vast te stellen. Van primair
                        belang is dat eventueel brandgevaarlijke situaties zo snel mogelijk worden
                        verbeterd.</al><al><vet>Aantal toe te laten personen</vet></al><al>De bepaling genoemd in het tweede lid, voorlaatste gedachtenstreepje, gaat
                        over het aantal toe te laten personen. De hierboven genoemde voorwaarde met
                        betrekking tot het aantal toe te laten personen, is noodzakelijk omdat in de
                        gebruiksvergunning geen bouwkundige eisen mogen worden gesteld. Die staan in
                        het Bouwbesluit. Wanneer gelet op het aantal aanwezige personen en de aard
                        van de activiteiten een extra (nood)uitgang en/of een bredere vluchtroute
                        noodzakelijk is, kan dit niet worden geëist in de gebruiksvergunning. </al><al>De vergunning weigeren is wellicht een te zwaar middel. Beter is het aantal
                        personen te limiteren. </al><al>Hierbij kan als vuistregel de bij deze toelichting behorende tabel worden
                        gebruikt (bijlage 3 bij de toelichting, tabel maximaal toelaatbaar aantal
                        personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de
                        brandveiligheid).</al><al><vet>Draagbare blustoestellen </vet>De hierboven genoemde voorwaarde
                        met betrekking tot het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of
                        minihaspels omvat ook de plaats van deze blustoestellen. Dit is nodig, omdat
                        sommige stoffen, indien zij in brand staan, alleen geblust kunnen worden met
                        een andere blusstof dan water. Die andere blusstof, die uit poeder, schuim
                        of gassen kan bestaan, bevindt zich in het algemeen in draagbare
                        blustoestellen.</al><al><vet>Overdraagbare gebruiksvergunning</vet></al><al>De vergunning is niet persoonsgebonden. Dit betekent dat de vergunning ook
                        op naam van een rechtspersoon kan staan. Het is vaak gewenst voor elk
                        bouwwerk (of combinatie van bouwwerken) een persoon te kennen die
                        verantwoordelijk is voor de brandveiligheid en die daarop aanspreekbaar is.
                        Dit kan worden bereikt door in de vergunningsvoorwaarden een bepaling op te
                        nemen dat de houder van de vergunning (bij voorbeeld aan de brandweer,
                        afdeling preventie) moet opgeven wie (naam en functie) belast is met de zorg
                        voor de brandveiligheid en dat voorts elke mutatie wordt gemeld. De
                        vergunning is overdraagbaar. Bij een vergunning die niet persoonsgebonden is
                        en voor lange duur geldigheid bezit, is overdraagbaarheid wenselijk.</al><al><vet>Werkingssfeer</vet></al><al>Artikel 6.1.1 is zo geredigeerd dat niet voor alle bouwwerken een
                        gebruiksvergunning is vereist. Vergunningplicht is bepaald aan de hand van
                        risico bij brand, met name de mogelijkheid tot ontruiming en de
                        zelfredzaamheid van mensen. Dit resulteert in extra aandacht voor bouwwerken
                        waar een clustering van mensen (meer dan 50) plaatsvindt, waar kinderen,
                        bejaarden, en/of gehandicapten verblijven, waar nachtverblijf wordt geboden
                        (hotels, pensions). Kamerverhuurbedrijven vallen onder de categorie
                        inrichtingen waarin bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft. Er is geen
                        jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat kamerverhuurbedrijven buiten de
                        gebruiksvergunningplicht zouden vallen. Zo vallen alle categorieën gebouwen
                        waarin kinderopvang in de zin van de Welzijnswet 1994 en de
                        (Model)verordening kinderopvang plaatsvindt, onder het vereiste van een
                        vergunning brandveilig gebruik. </al><al><vet>Bouwwerk in plaats van inrichting</vet></al><al>De term ‘inrichting’ uit de (model-)Brandbeveiligingsverordening is bij de
                        gebruiksbepalingen in de (model-)Bouwverordening vervangen door ‘bouwwerk’.
                        Dit past beter in de terminologie van de Woningwet. Het begrip ‘bouwwerk’ is
                        ruimer dan ‘gebouw’ (zie begripsomschrijving in artikel 1.1 van de
                        (model-)Bouwverordening.</al><al>De vergunningplichtige situaties zullen zich veelal afspelen in een
                        gebouw.</al><al>Maar er zijn activiteiten waar meer dan vijftig mensen bijeen zijn en waar
                        de activiteit niet onder één dak plaatsvindt. Bij voorbeeld een
                        openluchtzwembad met tribunes, voetbalveld met tribunes. Dit zijn geen
                        gebouwen, maar wel bouwwerken.</al><al>Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat activiteiten die niet
                        plaatsvinden in een bouwwerk, vallen onder de bepalingen van de
                        (model-)Brandbeveiligingsverordening.</al><al><vet>Voorwaarden</vet></al><al>De in artikel 6.1.1 bedoelde vergunningplicht heeft tot doel in die
                        situaties waar dat nodig is, het toekomstige gebruik van een bouwwerk te
                        beoordelen op brandveiligheid en zo nodig voorwaarden te verbinden aan het
                        verlenen van een gebruiksvergunning. Ingevolge de Awb moet een dergelijke
                        vergunning op schrift zijn gesteld. De onderwerpen waarop deze voorwaarden
                        betrekking kunnen hebben staan limitatief in het tweede lid van dit artikel.
                        Het artikel is van toepassing in die situatie waarbij er sprake is van een
                        bestaand of nog op te richten bouwwerk, waarin een van de onder a tot en met
                        c genoemde activiteiten plaatsvindt. </al><al><vet>Systematisch kunnen de volgende vier situaties worden onderscheiden,
                            waarin een</vet><vet>gebruik</vet><vet>s</vet><vet>vergunning verplicht
                            is</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Nieuw bouwwerk</al><al> Een bouwwerk wordt nieuw gebouwd, waarna de vergunningplichtige
                                activiteit aanvangt.</al><al> De bouwtechnische eisen gelden volgens het gestelde in het
                                Bouwbesluit en de plano-logische eisen en de eisen voor de
                                aanwezigheid van brandbeveiligingsinstallaties uit hoofdstuk 2 van
                                de (model-)Bouwverordening 1992 moeten worden nageleefd voor het
                                verkrijgen van de bouwvergunning. De algemene gebruikseisen staan in
                                bijlage 3 en 4 bij de (model-) Bouwverordening 1992 en specifieke
                                gebruikseisen kunnen van geval tot geval worden gesteld opgenomen
                                als voorwaarden in de gebruiksvergunning.</al></li><li nr="2."><al>Veranderend bouwwerk</al><al> Een bestaand bouwwerk wordt verbouwd, waarna de vergunningplichtige
                                activiteit aanvangt, wijzigt c.q. uitbreidt.</al><al> Hiervoor geldt de procedure voor nieuwbouw. </al></li><li nr="3."><al>Bestaand bouwwerk, nieuw gebruik</al><al> In een bestaand bouwwerk vangt een vergunningplichtige activiteit
                                voor het eerst aan.</al><al> Eerst moet worden gecontroleerd of de bouwkundige toestand van het
                                bouwwerk uit een oogpunt van brandveiligheid verbetering behoeft
                                volgens de voorschriften van het Bouwbesluit, de delen over
                                bestaande bouwwerken. De aanvraag om gebruiksvergunning moet nu
                                worden aangehouden, totdat aan het besluit ingevolge artikel 13 van
                                de Woningwet is voldaan (artikel 6.1.4, lid 3). Toetsingsgronden
                                voor dit besluit kunnen zijn de delen over bestaande en nieuwe
                                bouwwerken en hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de
                                (model-)Bouwverordening. Als dit geregeld is kan de
                                gebruiksvergunning worden verleend, anders mag het nieuwe gebruik
                                niet beginnen. De algemene gebruikseisen staan in de bijlagen 3 en 4
                                bij de (model-)Bouwverordening 1992 en behoeven dus niet apart te
                                worden opgenomen in de hier bedoelde gebruiksvergunning. Als een
                                bouwwerk wel voldoet aan het Bouwbesluit, de delen over bestaande
                                bouwwerken, kan de aanvraag om gebruiksvergunning niet worden
                                aangehouden. Een besluit als bovenbedoeld kan echter wel worden
                                gedaan. Als hieraan nog niet zou zijn voldaan, voordat de
                                beslistermijn voor de aanvraag om gebruiksvergunning is verlopen,
                                moet de gebruiksvergunning worden verleend met beperkende
                                voorwaarden of worden geweigerd.</al></li><li nr="4."><al>Bestaand bouwwerk, bestaand gebruik</al><al> In een bestaand bouwwerk vindt een vergunningplichtige activiteit
                                plaats waarvoor nog geen vergunning is verleend.</al><al> De hierboven onder punt 3 beschreven procedure moet ook hier worden
                                gevolgd.</al></li></lijst><al><vet>Bedrijfsverzamelgebouw</vet></al><al>Speciale aandacht verdient een bedrijfsverzamelgebouw. In een
                        bedrijfsverzamelgebouw valt te onderscheiden een voor algemeen gebruik
                        bedoeld gedeelte en diverse gebouwonderdelen die zijn toe te delen aan
                        afzonderlijke ondernemers of gebruikers. Elk der afzonderlijke onderdelen
                        wordt getoetst aan de (model-) Bouwverordening. Dit betekent dat sommige
                        onderdelen een gebruiks-vergunning nodig zullen hebben en andere onderdelen
                        vallen onder de algemene gebruikseisen van artikel 6.2.1. Het voor algemeen
                        gebruik bedoelde gedeelte van het ver-zamelgebouw zal veelal worden beheerd
                        door een daartoe in het leven geroepen rechts-persoon. Voor zover in dit
                        algemene gedeelte meer dan 50 personen aanwezig zullen zijn, is daarvoor ook
                        een gebruiksvergunning vereist.</al><al><vet>Wijziging gebruiksvergunning</vet></al><al>Er kan reden zijn de voorwaarden van een gebruiksvergunning te wijzigen of
                        aan te vullen, ook zonder dat het bouwwerk of het gebruik ervan wijzigt. De
                        reden ligt dan in gewijzigde inzichten omtrent de risico’s en/of gewijzigde
                        omstandigheden buiten het bouwwerk waarin de vergunningplichtige
                        activiteiten plaatsvinden.</al><al>Een wijziging van de vergunning wordt afzonderlijk in artikel 6.1.1, lid 3,
                        geregeld. Een gebruiksvergunning heeft een veel langere werkingsduur dan een
                        bouwvergunning. Daarom is de kans dat behoefte bestaat aan wijzigingen veel
                        groter. De behoefte aan wijziging of aanvulling van een vergunning kan van
                        twee kanten komen. Van de vergunninghouder en van de overheid. De
                        vergunninghouder kan een nieuwe gebruiksvergunning aanvragen. De overheid
                        kan dit niet. De stand van de techniek, de inzichten en kennis omtrent
                        brandveilig gebruik kunnen wijzigen. Dan is het goed dat de overheid de
                        bevoegdheid heeft een vergunning te wijzigen of aan te vullen. </al><al>Uit praktische overwegingen is gekozen voor een systeem, waarbij niet
                        telkens bij wijziging van het gebruik of wijziging van het bouwwerk een zgn.
                        wijzigingsvergunning nodig is. </al><al>In geval van een dergelijke verandering moet een nieuwe vergunning worden
                        aangevraagd en wordt de hele situatie beoordeeld. Het werk dat is verbonden
                        aan een wijzigingsvergunning is vrijwel gelijk aan het afgeven van een
                        nieuwe vergunning.</al><al>Het onderhavige vergunningstelsel in de Modelbouwverordening impliceert het
                        onbeperkt geldig zijn van een gebruiksvergunning, zolang althans het
                        gemeentelijk preventiebeleid en de wijze van gebruik van een bouwwerk niet
                        veranderen. </al><al>Tevens past het in de systematiek van de Modelbouwverordening dat de
                        tenaamstelling van een gebruiksvergunning desgevraagd zonder meer wordt
                        gewijzigd, indien de nieuwe vergunninghouder de wijze van gebruik van het
                        bouwwerk niet verandert. Er bestaan echter gemeentelijke bouwverordeningen
                        waarin de gebruiksvergunning een beperkte geldigheidsduur heeft en/of
                        persoonsgebonden is. In een dergelijke bouwverordening is de beperkte
                        geldigheidsduur in hoofdzaak bedoeld om in te kunnen spelen op het vaak
                        ongemeld, wijzigend gebruik ten gevolge van veranderingen in de
                        bedrijfsvoering. Aldus ontstaat er een redelijk evenwicht tussen de
                        opbrengst van de legesheffing bij een te hernieuwen aanvraag en de kosten
                        voor handhaving, indien wordt afgeweken van de voorwaarden in de eerder
                        verleende gebruiksvergunning. De persoonsgebondenheid van genoemde
                        gebruiksvergunningen is in hoofdzaak bedoeld om van gemeentewege de dynamiek
                        van de wisselingen in de bedrijfsvoering door nieuwe exploitanten in het
                        desbetreffende bouwwerk onmiddellijk te kunnen volgen. In het rapport-Alders
                        (cafébrand Volendam, Nieuwjaar 2001) is een aanbeveling opgenomen om te
                        onderzoeken of het de voorkeur zou verdienen om landelijk op
                        persoonsgebonden gebruiksvergunningen met een beperkte geldigheidsduur over
                        te stappen.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie</cursief></al><al>– Niet voldoen aan de voorwaarden van de gebruiksvergunning. Hiervoor zijn
                        aanzienlijke investeringen vereist. Gemeente voert een stringent beleid.
                        Geen onderscheid naar bescheiden vestigingen en omvangrijke ondernemingen
                        gezien de grote belangen van veiligheid voor personen.</al><al> Vz ABRS 15 maart 1994, S03.94.0002.</al><al>– De eis van een gebruiksvergunning zoals dat in artikel 6.1.1 MBV is
                        bepaald, geldt ten aanzien van een geheel bouwwerk. Nu de noodopvang voor
                        drugverslaafden wordt gevestigd in een bestaand gebouw waarvoor reeds een
                        vergunning ex artikel 6.1.1 MBV is verleend, geldt derhalve voor het
                        gedeelte waarin de noodopvang wordt gevestigd geen aparte
                        vergunningplicht.</al><al> Pres. Rb. Maastricht 21 oktober 1994, JB 1994, nr. 303.</al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>Dit artikel is zoveel mogelijk afgestemd op de aanvraag bouwvergunning; zie
                        het Besluit indieningsvereisten. Het al dan niet afgeven van een
                        gebruiksvergunning is een beschikking. Dat betekent dat er ingevolge artikel
                        4:1 van de Awb een schriftelijke aanvraag moet worden ingediend bij
                        burgemeester en wethouders. Dat is immers ingevolge het eerste lid van
                        artikel 6.1.1 het bevoegde bestuursorgaan. </al><al>Daarnaast stelt de Awb de eis dat de aanvraag moet worden ondertekend
                        (artikel 4:2 Awb). Dit moet gebeuren door de aanvrager of diens gemachtigde
                        (op grond van artikel 2:1 Awb is dit mogelijk). De bij de aanvraag behorende
                        bescheiden moeten ingevolge het zesde lid van artikel 6.1.2 tevens worden
                        ondertekend of gewaarmerkt.</al><al>Met betrekking tot het vierde lid, waarin het gebruik van de Nederlandse
                        taal verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene
                        wet bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een
                        bestuursorgaan van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de
                        Friese taal te doen. Het vijfde lid is nodig om voor bij elkaar behorende
                        bouwwerken een vergunning te kunnen aanvragen. Er bestaat dan ook
                        aansluiting met de (Model-)Brandbeveiligingsverordening. Meerdere bouwwerken
                        op één terrein kunnen samen één vergunningplichtig object vormen. Bij
                        voorbeeld een gezinsvervangend tehuis bestaande uit meerdere paviljoens. Een
                        inrichting als daar bedoeld kan bestaan uit meerdere bouwwerken op één
                        terrein.</al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al><vet>Incomplete aanvraag</vet></al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                        ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet in behandeling
                        te nemen. Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de
                        eis dat de aanvrager eerst in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door
                        het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Per 1 april
                        2007 is artikel 47 van de Woningwet vervallen, waardoor de
                        gebruiksvergunningsprocedure evenals de bouwvergunningprocedure op het punt
                        van het niet in behandeling nemen van een onvolledige aanvraag om
                        gebruiksvergunning geheel Awb-conform is gemaakt. De door het bestuursorgaan
                        te stellen termijn begint te lopen op het moment dat het bestuursorgaan de
                        uitnodiging om de aanvraag aan te vullen verzendt. Een dergelijke mededeling
                        is een beschikking in de zin van de Awb. Aangenomen moet worden dat de
                        aanvrager de door het bestuursorgaan gestelde termijn volledig kan benutten.
                        Dit houdt in dat de aanvrager ook zijn aanvulling in delen kan indienen. Van
                        de aanvrager mag in geval van aanvulling in delen worden verlangd dat hij
                        aangeeft of en zo ja welke aanvullingen nog binnen de gestelde termijn
                        zullen volgen. Dit laat onverlet dat burgemeester en wethouders de aanvrager
                        er op kunnen wijzen dat de aanvulling niet voldoende is. Aan het eind van de
                        gestelde termijn moet echter de aanvraag volledig zijn aangevuld. Wordt de
                        aanvraag niet of onvoldoende aangevuld, dan kunnen burgemeester en
                        wethouders besluiten de aanvraag niet te behandelen. Een dergelijk besluit
                        moet ingevolge het vierde lid van artikel 4:5 Awb worden genomen binnen vier
                        weken nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken, dan wel
                        de gemeente aan het eind van de gestelde termijn concludeert dat de
                        aanvrager onvoldoende gegevens heeft ingediend. </al><al><vet>Beslistermijn gebruiksvergunning</vet></al><al>Op grond van artikel 6.1.4, lid 1 (Model-)bouwverordening dient op een
                        aanvraag om gebruiksvergunning, binnen twaalf weken na ontvangst van de
                        aanvraag, te worden beslist (een en ander in overeenstemming met de
                        hoofdregel van artikel 4:13 Awb).</al><al>Indien burgemeester en wethouders verzoeken om aanvulling wordt ingevolge de
                        regeling van artikel 4:15 Awb de beslistermijn voor de aanvraag om
                        gebruiksvergunning opgeschort. De opschorting van de termijn gaat in op de
                        dag waarop het bestuursorgaan de uitnodiging om de aanvraag aan te vullen
                        verzendt en eindigt op de dag waarop de aanvraag volledig is aangevuld of de
                        daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Hierdoor wordt de
                        beslistermijn op de aanvraag dus verlengd.</al><al>Als ezelsbruggetje kan dienen, dat de periode gedurende welke de termijn is
                        opgeschort, opgeteld moet worden bij de beslistermijn op de aanvraag. Wordt
                        een aanvraag om gebruiksvergunning (beslistermijn: twaalf weken) opgeschort
                        voor een periode van bijvoorbeeld acht dagen (de tijd die loopt vanaf de
                        verzending van de uitnodiging door burgemeester en wethouders om nadere
                        gegevens in te dienen tot aan de dag van het daadwerkelijk indienen van die
                        gegevens door de aanvrager), dan wordt de beslistermijn twaalf weken plus
                        acht dagen. </al><al>Opvallend is dat artikel 4:5, lid 4 Awb spreekt van ‘nadat’ en 4:15 spreekt
                        van ‘tot’. Dit betekent dat de beslistermijn op de aanvraag gaat lopen op de
                        laatste dag van de gestelde termijn of op de dag dat voldoende gegevens zijn
                        ingediend, terwijl de beslistermijn om de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen gaat lopen op de dag na het verstrijken van de gestelde termijn.</al><al>Op grond van artikel 3:40 j 3:41 Awb moet de beslissing op de aanvraag op de
                        laatste dag van de termijn worden verzonden of uitgereikt. Zie ook de
                        uitspraak van de Vz. ARRS van 3 juni 1993, AB 1993, 538, m.nt. PvB, BR 1993,
                        p. 604, m.nt. Weerkamp.</al><al>Voor de berekening van de termijnen is artikel 145 Gemeentewet j de Algemene
                        termijnenwet (wet van 25 juli 1964, S. 314) van belang. Op grond van artikel
                        4, sub a geldt deze wet niet voor termijnen van meer dan 12 weken.</al><al><vet>Voorbeelden</vet></al><al>Om deze ingewikkelde materie te verduidelijken, volgt hieronder een aantal
                        voorbeelden, waarbij is uitgegaan van een niet-schrikkeljaar:</al><al>Voorbeeld 1:</al><al>De aanvraag om gebruiksvergunning wordt ingediend op 3 januari. De termijn
                        begint te lopen op de dag van ontvangst van de aanvraag 3 januari en eindigt
                        op 28 maart, waarbij de laatste dag dat de beslissing ter kennis kan worden
                        gebracht van de aanvrager 27 maart is. Op 10 januari constateren
                        burgemeester en wethouders dat de aanvraag niet compleet is. Nog diezelfde
                        dag wordt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, en wordt
                        hij in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens in te dienen. De
                        beslistermijn van de gebruiksvergunning van twaalf weken (artikel 6.1.4, lid
                        1) wordt opgeschort ingevolge artikel 4:15 van de Awb. Stel voor het
                        indienen van de ontbrekende gegevens heeft de aanvrager ingevolge artikel
                        6.1.3 vier weken. De laatste dag dat de aanvrager de ontbrekende gegevens
                        kan indienen is op 6 februari. Op 20 januari worden alle ontbrekende
                        gegevens ingediend. De termijn is dus 10 dagen opgeschort geweest, te weten
                        van 10 januari tot en met 19 januari. De beslistermijn begint op 20 januari
                        weer te lopen. Bij de termijn van twaalf weken worden dus tien dagen
                        opgeteld. De beslissing moet derhalve uiterlijk op 6 april worden verzonden
                        of uitgereikt.</al><al>Voorbeeld 2:</al><al>Ook hier wordt op 3 januari een aanvraag ingediend, waarvan op 10 januari
                        wordt geconstateerd dat deze niet compleet is. Wederom wordt op dezelfde dag
                        de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht, met het verzoek de
                        aanvraag aan te vullen. De beslistermijn van de gebruiksvergunning van
                        twaalf weken (artikel 6.1.4, lid 1 (Model)bouwverordening) wordt opgeschort
                        ingevolge artikel 4:15 van de Awb. De gestelde termijn als bedoeld in
                        artikel 6.1.3 verstrijkt echter zonder dat er nadere gegevens worden
                        overgelegd. Na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 6.1.3
                        begint de beslistermijn op de aanvraag om gebruiksvergunning weer te lopen.
                        De termijn is dus 27 dagen opgeschort geweest, te weten van 10 januari tot
                        en met 6 februari. De beslistermijn begint dus weer te lopen op 7
                        februari.</al><al>Burgemeester en wethouders hebben nu de bevoegdheid om te besluiten de
                        aanvraag niet in behandeling te nemen. Deze bevoegdheid kan worden ontleend
                        aan artikel 4:5, lid 1, van de Awb. Het vierde lid van dit artikel eist wel
                        dat burgemeester en wethouders dit besluit aan de aanvrager bekendmaken
                        binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor
                        gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In casu begint deze termijn te
                        lopen op 7 februari en moet het besluit tot het niet in behandeling nemen
                        dus uiterlijk op 6 maart worden verzonden of uitgereikt. Gebeurt dat niet,
                        dan moet uiterlijk op 24 april de beslissing op de aanvraag worden verzonden
                        of uitgereikt. Dit is de termijn van twaalf weken, verlengd met 27
                        dagen.</al><al><vet>De gebruiksvergunning kan niet eerder worden verleend dan de
                            bouwvergunning</vet></al><al>De verschillen in procedure van de behandeling van een aanvraag om
                        bouwvergunning en van een aanvraag om een gebruiksvergunning zouden ertoe
                        kunnen leiden dat de gebruiksvergunning eerder wordt verleend dan de
                        bouwvergunning. Omdat dit ongewenst wordt geacht is in de volgende artikelen
                        een regeling opgenomen die verhindert dat de gebruiksvergunning eerder wordt
                        verleend dan de bouwvergunning, uiteraard voor zover beide vergunningen zijn
                        vereist. Artikel 6.1.4, derde lid, bepaalt dat de beslissing over de
                        gebruiksvergunning wordt aange-houden zolang niet is beslist over de
                        bouwvergunning. En artikel 6.1.5 noemt onder letter b als weigeringsgrond
                        voor de gebruiksvergunning de omstandigheid dat de bouwvergunning is
                        geweigerd.</al><al><vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf
                        weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag.
                        Indien toepassing is gegeven aan artikel 6.1.3 betekent dat, dat de termijn
                        wordt opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 6.1.3.</al><al>Het derde lid is gewenst ten einde te voorkomen dat voor een te bouwen
                        bouwwerk eerst een gebruiksvergunning wordt afgegeven en vervolgens de
                        bouwvergunning wordt geweigerd, dan wel dat een gebruiksvergunning wordt
                        afgegeven als nog niet aan een besluit tot toepassing van bestuursdwang of
                        opleggen van een dwangsom dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de
                        Woningwet is voldaan. </al><al>Het spreekt vanzelf dat het hier gaat om een handhavingsbesluit dan wel een
                        besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet met betrekking tot de
                        brandveiligheid. Voor de overzichtelijkheid is een splitsing gemaakt in a en
                        b. De duur van de aanhouding is niet aan een maximum gebonden. Met
                        betrekking tot de bouwvergunning kan worden gesteld dat de aanvrager het in
                        zijn eigen macht heeft tijdig een bouwvergunning aan te vragen. Een
                        handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                        komt evenwel van de zijde van de gemeente. De aanvrager heeft geen invloed
                        op het tijdstip wanneer hij de handhavingsbesluit dan wel een besluit
                        ingevolge artikel 13 van de Woningwet krijgt. Daarom is bepaald dat binnen
                        twaalf weken – de termijn vermeldt in het eerste lid – een
                        handhavingsbesluit dan wel een besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet
                        door burgemeester en wethouders moet zijn verzonden.</al><al>Voor zover dit lid kan worden aangemerkt als een coördinatiebepaling, geldt
                        dit alleen voor de termijn van beslissing en niet voor de inhoud van de
                        beide vergunningen. Inhoudelijke afstemming van vergunningen kan wenselijk
                        zijn, doch dient per gemeente te worden geregeld. Het gaat dan om een
                        intern-organisatorische afspraak.</al><al>De termijn van zes weken uit het vierde lid is opgenomen in verband met
                        mogelijke bezwaar-schriften die kunnen worden ingediend tegen de verleende
                        vergunning. De Awb stelt in artikel 6:7 de termijn voor het indienen van een
                        bezwaarschrift op zes weken.</al><al>Vanaf 1 april 2007 zijn de specifieke aanschrijfbevoegdheden van de
                        Woningwet vervallen. Het gevolg daarvan is dat het niet naleven van de
                        voorschriften van het Bouwbesluit 2003 en de bouwverordening een overtreding
                        vormt waartegen direct met toepassing van bestuursdwang of oplegging van een
                        last onder dwangsom kan worden opgetreden, zonder dat daartoe nog een
                        specifieke aanschrijving vereist is. Voor wat betreft de voorschriften van
                        het Bouwbesluit 2003 gaat deze systematiek vanaf genoemde datum voor alle
                        gevallen gelden (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening wordt
                        dezelfde systematiek geïntroduceerd in de vorm van artikel 7b Woningwet.
                        Deze vereenvoudiging houdt in dat burgemeester en wethouders, om de naleving
                        van genoemde regelgeving af te dwingen, niet langer gebruik hoeven te maken
                        van een bijzondere aanschrijfbevoegdheid alvorens tot de toepassing van
                        bestuursdwang of de oplegging van een last onder dwangsom over te kunnen
                        gaan. In de nieuwe systematiek zal bij het niet voldoen aan genoemde
                        regelgeving sprake zijn van een overtreding waartegen direct met de
                        generieke handhavingsbevoegdheid van artikel 125 van de Gemeentewet in
                        samenhang met de artikelen 5:21 en volgende of de artikelen 5:32 en volgende
                        van de Awb kan worden opgetreden. Met deze bevoegdheid kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                        standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een
                        open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening. Tenzij
                        sprake is van spoedeisende omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met
                        zich mee dat een belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben
                        tegen een voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt
                        gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit
                        dient vervolgens zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van
                        het Bouwbesluit 2003 dan wel de bouwverordening, het bouwen of de staat van
                        een gebouw, ander bouwwerk of standplaats in strijd is en met welke
                        voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw, ander bouwwerk of die
                        standplaats weer in overeenstemming met die voorschriften kan worden
                        gebracht. Door zelf binnen de gestelde termijn maatregelen te nemen kunnen
                        belanghebbenden dan overeenkomstig artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de
                        toepassing van bestuursdwang voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32,
                        vijfde lid van de Awb het verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een
                        handhavingsbesluit staan de normale rechtsmiddelen open die de Awb in
                        samenhang met de Wet op de Raad van State biedt (bezwaar, beroep, hoger
                        beroep en daarnaast de mogelijkheid om een voorlopige voorziening te vragen.
                        In artikel 14a van de Woningwet wordt –evenals dat het geval was in het
                        vervallen artikel 21 Woningwet (oud)- bepaald dat degene tot wie een
                        handhavingsbesluit is gericht of zijn rechtsopvolger en iedere verdere
                        rechtsopvolger, verplicht is daaraan te voldoen. Artikel 5:24 Awb bepaalt
                        dat in spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij brandgevaar, de uitvoering
                        van het besluit tot toepassing van bestuursdwang direct ter hand kan worden
                        genomen. Toch kan voor het realiseren van de in het handhavingsbesluit
                        verlangde bouwkundige voorzieningen enige tijd nodig zijn. In het
                        handhavingsbesluit wordt daartoe een termijn gesteld waarbinnen de
                        belanghebbende zelf in staat wordt gesteld de overtreding te beëindigen.
                        Indien het handhavingsbesluit betrekking heeft op een bouwwerk dat reeds in
                        gebruik is, kan het nodig zijn –wegens genoemd gevaar- tijdelijk het gebruik
                        te beëindigen. In artikel 100d van de Woningwet wordt daarin vanaf 1 april
                        2007 voorzien. Artikel 15 van de Woningwet bepaalt dat een besluit als
                        bedoeld in artikel 13 van de Woningwet gelijktijdig kan worden genomen met
                        een besluit tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder
                        dwangsom, gericht op naleving van het eerstgenoemde besluit. </al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet></al><al>Er wordt op gewezen dat de weigeringsgronden limitatief en dwingend
                        (‘moeten’) zijn geformuleerd.</al><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>Dit artikel is in overeenstemming gebracht met artikel 59 Woningwet. Niet
                        genoemd is in dit artikel het intrekken van een vergunning op verzoek van
                        degene op wiens naam de vergunning is gesteld. Een dergelijke bepaling is
                        overbodig, omdat op verzoek van de houder een vergunning altijd kan worden
                        ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</vet></al><al>De personen belast met de naleving van dit hoofdstuk zijn alle ambtenaren
                        belast met een algemene opsporingsbevoegdheid (politie), personen belast met
                        het toezicht op de hele bouwverordening (zie Woningwet), en personen die
                        speciaal zijn belast met het toezicht op dit hoofdstuk. Deze laatsten zullen
                        veelal brandweermensen zijn. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</cursief></al><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>De hier bedoelde gebruikseisen hebben niet het karakter van
                        vergunningvoorschriften. De gebruikseisen hebben een directe werking,
                        zogenoemde directe normstelling. In de bijlage vindt een nadere clausulering
                        plaats naar omstandigheden. Bepaalde eisen gelden derhalve slechts in
                        bepaalde omstandigheden. De voorkeur voor bijlagen in plaats van vermelding
                        direct in de ver-ordening berust hierop dat een bijlage in kopie kan worden
                        verstrekt aan iemand die een bouwwerk exploiteert en daarmee nog eens kan
                        worden gewezen op de voor hem of haar geldende eisen.</al><al><vet>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</vet>In beginsel is
                        het verboden een stof die in bijlage 5 is aangemerkt, aanwezig te hebben in,
                        op of nabij een bouwwerk. Hierop worden echter uitzonderingen gemaakt. De
                        uitzonderingen maken het mogelijk om deze stoffen in beperkte voorraad
                        aanwezig te hebben. Hierbij moet gedacht worden aan ‘huishoudelijk gebruik’.
                        De grenzen die in bijlage 5 zijn aangegeven zijn afgestemd op de
                        ondergrenzen die in de Wet Milieubeheer worden gesteld. De aanwezige stoffen
                        moeten volgens de aanwijzingen op de verpakking worden gebruikt en mogen
                        uitsluitend op de in bijlage 5 aangegeven wijze worden opgeslagen.
                            <vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet></al><al>Vervallen.</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 geeft aan dat de volgende situaties verboden zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>Het plaatsen van voorwerpen of voertuigen in de gemeenschappelijke
                                trappenhuizen van tot bewoning bestemde gebouwen; </al></li><li nr="·"><al>Veroorzaken van brandgevaar door het opslaan van brandbaar
                                materiaal;</al></li><li nr="·"><al>Veroorzaken van brandgevaar door het toepassen van bekleding,
                                stoffering en versiering. In de toelichting bij artikel 2 van
                                bijlage 4 wordt een handvat gegeven ten aanzien van brandveilig
                                gebruik van bekleding, stoffering en versiering. Deze moet ten
                                minste voldoen aan de eisen ten aanzien van de brand- en rookklassen
                                zoals gesteld in het Bouwbesluit 2003 die op die locatie gelden voor
                                constructieonderdelen. Afhankelijk van de aard en de situatie kunnen
                                aan de bekleding, stoffering en versiering hogere eisen worden
                                gesteld door burgemeester en wethouders.</al></li><li nr="·"><al>Het op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze verspreiden
                                van vonken en roet ten gevolge van zogenaamde allesbranders, open
                                haarden en barbecues;</al></li><li nr="·"><al>Het zodanig verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen
                                als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003, of gereedschappen
                                worden gebruikt, dat het gebruik aanleiding kan geven tot het
                                ontstaan van brand.</al></li><li nr="·"><al>Het belemmeren van het gebruik van vluchtmogelijkheden. Dit betekent
                                dat de volgende voorzieningen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="o"><al>wanneer gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang
                                        en nooduitgang e.d. zodanig zijn aangebracht, moeten deze
                                        met de deuren meedraaien en nooit het openen van de deuren
                                        belemmeren en/of verhinderen;</al></li><li nr="o"><al>kabels en snoeren die over de vloer lopen, worden met goede
                                        plakstrips vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of
                                        vallen wordt voorkomen; </al></li><li nr="o"><al>indien er sprake is van rookvorming, veroorzaakt door
                                        bijvoorbeeld een rookapparaat of koudijs of op andere wijze
                                        gemaakt, verhindert dit nooit een snelle ontruiming;</al></li><li nr="o"><al>vloer- en trapbedekkingen worden zodanig aangebracht dat zij
                                        niet kunnen verschuiven, omkrullen of oprollen. Vloer- en
                                        trapbedekkingen veroorzaken nooit gevaar voor uitglijden,
                                        struikelen of vallen;</al></li><li nr="o"><al>obstakels in een vluchtroute zijn niet toegestaan; </al></li><li nr="o"><al>vluchtroutes moeten voldoende stroef zijn. Dit wil zeggen
                                        dat er geen kans bestaat dat mensen uitglijden. Gladheid als
                                        gevolg van regenval moet voorkomen worden en de vluchtroute
                                        moet vrijgehouden worden van sneeuw en ijs.</al></li></lijst></li></lijst><al>Daarnaast moet de volgende maatregelen genomen worden om brandgevaar te
                        voorkomen:</al><lijst><li nr="·"><al>In het bouwwerk mogen geen verwarmingstoestellen met
                                afvoergelegenheid voor rookgassen aanwezig zijn zonder dat deze op
                                een rookkanaal zijn aangesloten;</al></li><li nr="·"><al>Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet
                                vast opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de
                                verbinding door middel van een slang plaatsvindt, dan moet dit een
                                KIWA goedgekeurde slang zijn. De slang moet met deugdelijke
                                slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn;</al></li><li nr="·"><al>De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn;</al></li><li nr="·"><al>Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk
                                ontvlambare, standaards zijn vastgezet;</al></li><li nr="·"><al>Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af
                                te sluiten containers van moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de
                                containers binnen het bouwwerk zijn opgesteld;</al></li><li nr="·"><al>Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden
                                geleegd in afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De
                                inhoud van deze asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die
                                van een deksel zijn voorzien, worden gedeponeerd.</al></li><li nr="·"><al>Voor iedere voorstelling moet de ruimt e onde rde tribunes van
                                papier en ander afval zijn ontdaan;</al></li><li nr="·"><al>Decorstukken mogen niet onder het brandscherm doorgebouwd
                                worden;</al></li><li nr="·"><al>Het brandscherm mag tijdens de aanwezigheid van publiek in de zaal
                                alléén geopend zijn, indien er door de commandant van de brandweer
                                erkende theaterwacht bij het bedieningsmechanisme aanwezig is;</al></li><li nr="·"><al>Het gebruik van vuurwerk in een gebouw is verboden;</al></li><li nr="·"><al>Het gebruik van open vuur in een gebouw is verboden.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 7 Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De Woningwet (artikel 8, tweede lid) eist dat de bouwverordening
                        voorschriften bevat over het gebruik van woningen, woonketen, woonwagens,
                        andere gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde, en standplaatsen. De wet
                        noemt onderwerpen die in elk geval moeten worden geregeld. Daarnaast mogen
                        dus ook andere onderwerpen in de bouwverordening worden geregeld over het
                        gebruik. Het brandveilig gebruik, genoemd in de opsomming van artikel 8
                        Woningwet, is opgenomen als hoofdstuk 6 van deze verordening. De overige
                        gebruiksbe-palingen staan in dit hoofdstuk.</al><al><cursief>Paragraaf 1 Overbevolking en slaapplaatsen</cursief></al><al><vet>Artikelen 7.1.1 en 7.1.2 Overbevolking van woningen, woonwagens,
                            woonketen, logiesgebo</vet><vet>u</vet><vet>wen en
                            logiesverblijven</vet></al><al>Deze artikelen berusten op artikel 8, tweede lid, sub a5, van de Woningwet.
                        Zij zijn bedoeld om in uitzonderlijke gevallen waarin vooral de hygiëne dit
                        vereist, van gemeentewege een handhavingsbesluit te kunnen nemen tot een
                        gedwongen beëindiging van de geconstateerde overbevolking van een gebouw, te
                        realiseren binnen een in het besluit aangegeven termijn.</al><al>Het genoemde doel van het kunnen optreden tegen excessen brengt met zich mee
                        dat de normstelling uit het onderhavige voorschrift principieel ongeschikt
                        is om te beoordelen, of een woning in normale omstandigheden groot genoeg is
                        voor een bepaald aantal bewoners. Indien men toch inspiratie wenst te
                        ontlenen aan het onderhavige voorschrift voor het opstellen van een regeling
                        op het gebied van de woonruimteverdeling, het beoordelen van de passendheid
                        van huisvesting ten behoeve van gezins-/relatiehereniging e.d., ware de
                        normstelling 1,5 à 2 maal zo zwaar te kiezen, teneinde niet op de grens van
                        de overbevolking te balanceren.</al><al>Overigens kunnen lokale omstandigheden voor een gemeenteraad aanleiding
                        vormen tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn
                        bouwverordening. Artikel 7.1.1 zou bij voorbeeld ook als volgt kunnen
                        luiden:</al><al>‘Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een woning
                        wordt bewoond door meer dan één persoon per 9 m2 gebruiksoppervlakte, met
                        dien verstande dat voor de eerste persoon van het totale aantal bewoners ten
                        minste 12 m2 gebruiksoppervlakte aanwezig dient te zijn.’</al><al>Vanwege de beperkende wettelijke bepalingen betreffende het binnentreden van
                        woningen door toe-zichthoudende ambtenaren zal de handhaving van deze
                        artikelen in het algemeen geschieden naar aanleiding van ontvangen klachten
                        of anderszins gerezen vermoedens van overtreding. Voor
                        kamer-verhuurbedrijven, tehuizen voor daklozen en gastarbeiders,
                        asielzoekerspensions e.d. (‘logiesge-bouwen’) is een regelmatiger toezicht
                        wenselijk en mogelijk. </al><al>Afhankelijk van het aantal aanwezige personen moet overigens voor diverse
                        soorten logiesgebouwen in verband met een brandveilige wijze van gebruik
                        worden beschikt over een gebruiksvergunning op grond van artikel 6.1.1 van
                        deze bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van gewone bedden, dus geen stapel- of opklapbedden.
                        Het niet baseren van de normstelling op het gebruik van stapelbedden is mede
                        ingegeven door de soepele voorschriften van het Bouwbesluit over de
                        minimumhoogte van verblijfsruimten in woningen. Voor het gebruik van een
                        eenpersoonsbed in de kleinst mogelijke verblijfsruimte volgens het
                        Bouwbesluit blijkt 5 m2 netto vloeroppervlakte per bed noodzakelijk; in
                        grotere verblijfsruimten circa 4,5 m2. Bovendien is de normstelling zo
                        gekozen, dat in principe niet geslapen behoeft te worden in andere dan
                        verblijfsruimten, respectievelijk in gemeenschappelijke ruimten. Zie voor
                        het begrip ‘gebruiksoppervlakte’ artikel 1.1.</al><al><vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens en woonketen</vet></al><al>De normstelling in dit artikel is gebaseerd op de maximale plaatsings- en
                        gebruiksmogelijkheden van stapelbedden. Overigens is de lagere getalwaarde
                        in dit artikel ten opzichte van het vorige artikel vergelijkbaar met het
                        verschil in getalwaarde tussen artikel 4.25 en artikel 4.30 van het
                        Bouwbesluit. </al><al><cursief>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</cursief></al><al><vet>Artikelen 7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 Verbod tot gebruik en staken van
                            gebruik</vet></al><al>Aanvullend op de voorschriften van het Bouwbesluit en de bepalingen van de
                        Woningwet 1991 is het voor een aantal situaties nodig een verbod te stellen
                        tot het gebruik of een plicht in het leven te roepen tot het staken van het
                        gebruik. Artikel 7.2.1 biedt de mogelijkheid een verbod te stellen tot het
                        gebruik van een bouwvallig bouwwerk. Tevens kan op grond van dit artikel een
                        verbod gesteld worden tot het gebruik van een bouwwerk wat nabij een
                        bouwvallig bouwwerk is gelegen.</al><al>Het staken van het gebruik c.q. het verbod tot gebruik als bedoeld in de
                        artikelen 7.2.2 en 7.2.3 is afhankelijk gesteld van een beschikking van
                        burgemeester en wethouders. De mededeling als bedoeld in artikel 7.2.1 is te
                        beschouwen als een mededeling van feitelijke aard.</al><al><cursief>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen</cursief></al><al><vet>Artikel 7.3.1 Verbod tot het gebruik van bouwwerken, open erven en
                            terreinen in afwijking van de bestemming</vet></al><al><vet>Reden tot vervallen van artikel 7.3.1</vet></al><al>Op 11 februari 1993 heeft de voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de
                        Raad van State een waarschuwing tot het toepassen van bestuursdwang wegens
                        overtreding van artikel 7.3.1 geschorst, omdat naar het oordeel van de
                        voorzitter artikel 8 van de Woningwet geen grond biedt voor een dergelijke
                        bepaling.</al><al>De tekst van artikel 7.3.1 was gelijk aan de tekst van artikel 352 MBV.</al><al>Artikel 352 was gebaseerd op artikel 168 van de gemeentewet. De Woningwet
                        van 1991 geeft in artikel 8 een limitatieve opsomming van in de
                        bouwverordening te regelen onderwerpen. Dit betekent dat er in de
                        bouwverordening geen plaats meer is voor een op artikel 168 gemeentewet
                        gebaseerde bepaling. De opvolger van artikel 352 MBV moest dus worden
                        ondergebracht bij de opsomming van artikel 8 van de Woningwet.</al><al>De Voorzitter van de Afdeling rechtspraak kwam in vorengenoemde uitspraak
                        tot het oordeel dat de Woningwet van 1991 geen grondslag biedt voor een
                        gebruiksvoorschrift als opgenomen in artikel 7.3.1. Hierdoor mist artikel
                        7.3.1 verbindende kracht. De mogelijkheid om de ondeugdelijke grondslag te
                        repareren sluit de voorzitter in de uitspraak nadrukkelijk uit. </al><al>Overeenkomstig eerdere jurisprudentie wordt uitgesloten dat een eenmaal
                        ingetrokken artikel 352 MBV opnieuw wordt vastgesteld. In de onderhavige
                        casus had de gemeente bij invoering van de nieuwe bouwverordening de oude
                        bouwverordening en dus ook artikel 352 ingetrokken.</al><al>Hoewel de uitspraak op één gemeente betrekking heeft, strekt de betekenis
                        van een onverbindend verklaring zich uit over alle gemeenten met een
                        identieke bepaling. Nu gebleken is dat er geen bodemprocedure loopt en
                        derhalve in deze kwestie geen uitspraak van de Afdeling rechtspraak volgt,
                        heeft het materieel geen waarde artikel 7.3.1 te handhaven. Bij een formele
                        benadering kan als nadeel worden genoemd dat door te schrappen een andere
                        mogelijk andersluidende uitspraak wordt voorkomen. Er bestaan geen
                        aanwijzingen dat in de toekomst een ander oordeel is te verwachten. Derhalve
                        is artikel 7.3.1 geschrapt.</al><al>Vooralsnog mag worden aangenomen dat in de gemeenten waar artikel 352 MBV
                        niet is ingetrokken, dit artikel de rechtskracht heeft behouden en herleeft
                        op het moment dat artikel 7.3.1 onverbindend moet worden geacht of is
                        ingetrokken.</al><al>Omdat in een aantal gemeenten artikel 352 MBV nog bestaat volgt hierna de
                        toelichting en jurisprudentie die daarop betrekking heeft.</al><al><vet>Artikel 352 MBV 1965</vet></al><al>Dit artikel vormt gedurende de tijd dat de bedoelde bestemmingsplannen nog
                        niet zijn aangepast aan de Wet op de Ruimtelijke Ordening, een noodzakelijk
                        complement op de artikelen 10 en 12 van die wet.</al><al>Deze artikelen bepalen namelijk, dat bij een bestemmingsplan regelingen,
                        c.q. voorlopige regelingen, mogen worden gegeven omtrent het gebruik van de
                        in het plan begrepen grond en de zich daarop bevindende opstallen. In de
                        toekomst kan het gebruik van gronden en opstallen zo nodig in een
                        bestemmingsplan worden geregeld. De bouwverordening geeft dus als het ware
                        een overgangsregeling. Indien een plan of voorschriften, als in de aanhef
                        van het eerste lid bedoeld, in overeenstemming worden gebracht met de Wet op
                        de Ruimtelijke Ordening, treedt voor het gebied, dat in dat plan is
                        begrepen, artikel 352 buiten werking. De aanpassing van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening moet ingevolge de Overgangswet binnen vijf jaar na de
                        inwerkingtreding van laatstbedoelde wet geschieden. </al><al>Nog steeds zijn niet alle bestemmingsplannen aangepast, zodat deze
                        overgangsregeling vooralsnog nodig blijft.</al><al>Dit artikel houdt uitsluitend voorschriften in over ander gebruik dan bouwen
                        en kan daarom geen grond zijn voor het weigeren van een bouwvergunning.</al><al>“”De jurisprudentie die is ontstaan op basis van het artikel 352 MBV 1965
                        is, voor zover nog relevant, hierna opgenomen. </al><al>z.o.z.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al><vet>Lid 1 (Terreinen en bouwwerken die onder een bestemmingsplan
                            vallen)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder gebruik in de zin van deze bepaling valt ook het aanleggen van
                                werken, dat erop is gericht de grond niet meer in overeenstemming
                                met de daaraan bij het bestemmingsplan gegeven bestemming te
                                gebruiken. Ook de uitvoering van werken, geen bouwwerken zijnde, en
                                van werkzaamheden die tot gevolg hebben dat de desbetreffende grond
                                niet (langer) in overeenstemming met de verwezenlijkte bestemming
                                zal worden gebruikt, dient te worden aangemerkt als gebruik van
                                grond, dat krachtens artikel 352, eerste lid, verboden is. (Bij
                                voorbeeld het aanbrengen van een oppervlakteverharding of gebruik
                                van grond voor parkeerdoeleinden.)</al><al> ARRS 6 augustus 1982, NG 1982, S201; OB 1983, III.2.2.7, nr. 44824;
                                ARRS 2 juni 1983, A-31.3231 (1982).</al><al> – Incidentele of kortdurende activiteiten behoeven aan de
                                bestemming niet altijd afbreuk te doen. In casu betrof het het
                                gebruik van een agrarisch gebied als crossterrein voor een
                                week.</al><al> Vz. ARRS 30 oktober 1980, A-3.4726 (1980).</al><al> – Wanneer uit de voorschriften van een bestemmingsplan voortvloeit
                                dat op gronden met de bestemming ‘landelijk gebied’ slechts woningen
                                en andere gebouwen uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf
                                mogen worden opgericht, betekent dat niet dat iedere agrarische
                                activiteit die niet strekt ten behoeve van een agrarisch bedrijf,
                                strijd oplevert met de bestemming ‘landelijk gebied’.</al><al> Van strijd is pas sprake bij agrarische activiteiten die een
                                zodanige omvang en karakter hebben – zoals bij voorbeeld bij een
                                volkstuin het geval kan zijn – dat het recreatieve element daarbij
                                kennelijk op de voorgrond staat.</al><al> Ook valt te denken aan activiteiten die wel worden verricht in
                                verband met het agrarische gebruik, maar anderszins onverenigbaar
                                zijn met het specifieke landelijke karakter van het betrokken
                                gebied.</al><al> ARRS 23 augustus 1983; GS 6768.</al><al> – In stalruimten binnenmuren aangebracht teneinde deze ruimten voor
                                bewoning te gaan gebruiken. De gebruiksbepaling van artikel 352, lid
                                1, kan niet als grondslag dienen voor een aanschrijving de
                                stalruimten uit te breken zodanig dat deze ongeschikt zijn voor
                                bewoning. Een aanschrijving baseren op overtreding van de Woningwet
                                wegens illegaal aangebrachte voorzieningen is wel mogelijk.</al><al> ARRS 7 november 1986; RO 3.85.3838.</al></li><li nr="2."><al>Van een verwezenlijkte bestemming is (in beginsel) sprake:</al><al> – ook wanneer die bestemming is verwezenlijkt na het van kracht
                                worden van artikel 352.</al><al> ARRS 7 maart 1979, A-3.2098 (1979); ARRS 25 april 1980; AB 1980,
                                490; GS 6629.</al><al> – wanneer een perceel zodanig is ingericht en daarop zodanig is
                                gebouwd dat het overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming kan
                                worden gebruikt. Voor het aannemen van bedoelde verwezenlijking is
                                niet vereist dat een gebruik overeenkomstig de bestemming ook
                                inderdaad heeft plaatsgevonden.</al><al> HR 8 februari 1974; NJ 1974, 151; ARRS 2 oktober 1981; AB 1982,
                                42.</al><al> – ook als op een perceel een aanmerkelijk deel van een bedrijfshal
                                is gebouwd, die overigens is opgericht op een stuk grond met een
                                andere bestemming.</al><al> HR 1 maart 1973; BR 1974, 527; NJ 1974, 234.</al><al> – ook als een gebouw in strijd met de aan de grond gegeven
                                bestemming is opgericht, maar het perceel voor die tijd
                                overeenkomstig de bestemming in gebruik was.</al><al> Hof Amsterdam 30 oktober 1975; BR 1976, 317.</al><al> – wanneer een bouwwerk – hoewel voor een ander doel in gebruik –
                                zonder dat daarvoor ingrijpende voorzieningen moeten worden
                                getroffen, de geschiktheid heeft om overeenkomstig de bestemming te
                                worden gebruikt. Het feit dat na het afbranden van het gebouw op het
                                perceel een gebouw is opgericht, dat mogelijk niet met de bestemming
                                in overeenstemming is, doet er niet aan af dat met betrekking tot
                                het perceel van een verwezenlijkte bestemming moet worden
                                gesproken.</al><al> ARRS 9 september 1983; AB 1984, 87.</al><al> – als een pand (of de grond) zonder het treffen van ingrijpende
                                voorzieningen overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, ook
                                al zou moeten worden aangenomen dat op of na het tijdstip van
                                inwerkingtreding van artikel 352 bouwverordening het pand (of de
                                grond) voor een ander doel werd gebruikt (i.c. bewoning).</al><al> ARRS 28 november 1985, RO 3.84.305; ARRS 23 mei 1986; BR 1986,
                                839.</al><al> – bij gronden met een bebouwingsbestemming is de bestemming pas
                                verwezenlijkt, wanneer de grond zodanig is bebouwd dat een gebruik
                                van de zich daarop bevindende opstallen en bijbehorende grond
                                overeenkomstig de bestemming mogelijk is.</al><al> ARRS 10 augustus 1982; BR 1982, 891; ARRS 18 mei 1988; RO
                                3.86.3865.</al><al> – het gebruik van de keuken (of een ander deel) van een woning als
                                afhaalcentrum verdraagt zich niet met de – verwezenlijkte –
                                woonbestemming.</al><al> Wanneer door het gebruik als afhaalcentrum geen ingrijpende en
                                onomkeerbare inbreuk op de bestemming plaatsvindt, is vrijstelling
                                mogelijk.</al><al> Vz. ARRS 30 mei 1983, RO 3.83.2703/S737.</al><al> Van een verwezenlijkte bestemming is (in beginsel) geen
                                sprake:</al><al> – Wanneer een gebouw op zich wel geschikt is voor de bestemming,
                                maar blijkens de bouwvergunning niet daarvoor bedoeld was en er ook
                                nooit voor is gebruikt. (I.c. betrof het een gebouw voor
                                detailhandel in een gebied met een industriebestemming.)</al><al> ARRS 5 februari 1982, A-3.2100 (1980).</al></li><li nr="3."><al>Is een gebouw tot stand gekomen met toepassing van artikel 19 van de
                                Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, lid 8, van de
                                Woningwet, dan is het gebruik van dat gebouw in strijd met artikel
                                352, lid 1, wanneer dit plaatsvindt buiten de grenzen aangegeven of
                                geïmpliceerd in de vrijstellingen krachtens artikel 19 van de Wet op
                                de Ruimtelijke Ordening en artikel 50, lid 8, van de Woningwet.</al><al> HR 10 oktober 1975; BR 1975, 809; NJ 1976, 107; OB 1976, XI.7.8.1,
                                nr. 37099, NG 1976, S111.</al><al> Arob-jurisprudentie bevestigt het standpunt van de HR:</al><al> – ten aanzien van het gebruik van gebouwen; zie vz. ARRS 15 oktober
                                1980; BR 1981, blz. 238;</al><al> – ten aanzien van het gebruik van gronden; zie vz. ARRS 8 maart
                                1985; BR 1985, blz. 649.</al></li><li nr="4."><al>Artikel 352, eerste lid, van de bouwverordening is onverbindend als
                                daarin ontbreken de woorden ‘nadat de bij het bestemmingsplan
                                aangegeven bestemming is verwezenlijkt’.</al><al> ARRS 31 juli 1984; BR 1985, 28.</al><al> – Het verbod in artikel 352, lid 1, geldt niet, voor zover het
                                gebruik van een gebouw rechtstreeks voortvloeit uit een
                                bouwvergunning die is verleend vóór het in werking treden van
                                artikel 352, lid 1.</al><al> ARRS 20 maart 1984, RvS/R.3.159/84.</al><al> – Het na 1 augustus 1970 opnieuw vaststellen van een
                                bouwverordening – met inbegrip van artikel 352 – die reeds eerder
                                voor die datum werd vastgesteld, doet geen afbreuk aan de
                                verbindendheid van artikel 352.</al><al> Wnd. vz. ARRS 20 juni 1985, RO 3.85.3265/S5852.</al><al> – Ook een redactionele (niet-ingrijpende) wijziging van artikel
                                352, aangebracht na 1970, werd nog toegestaan.</al><al> ARRS 15 april 1986; BR 1986, 682.</al><al> – In een geval waarin een bestemmingsplan (oude stijl) 35 keer was
                                gewijzigd, waaronder twee keer ingrijpend, nagenoeg steeds volgens
                                de moderne bestemmingsplanprocedure, vond de ARRS dat artikel 352,
                                lid 1, niet meer van toepassing was: het plan moest geacht worden
                                (geheel) te zijn aangepast aan de WRO.</al><al> ARRS 5 december 1985; AB 1986, 492.</al><al> – Artikel 352, eerste lid, kan niet worden toegepast als er sprake
                                is van een bestemmingsplan nieuwe stijl, waarvan (de)
                                gebruiksvoorschriften niet zijn goedgekeurd.</al><al> ARRS 9 mei 1980; GS 6650.</al><al> – Een besluit tot ingrijpende wijziging van artikel 352,
                                aangebracht na 1970, wordt beschouwd als vaststelling van een nieuw
                                artikel 352. Vaststelling van een nieuw artikel was na 1 augustus
                                1970 niet toegestaan, derhalve is dit nieuwe artikel onverbindend.
                                Door vaststelling van een latere tekst wordt de eerdere geacht te
                                zijn vervallen.</al><al> ARRS 23 juni 1986; BR 1987, 40; AB 1987, 206.</al><al> Opmerking. Een ingrijpend gevolg van deze uitspraak is dat in de
                                desbetreffende bouw-verordening artikel 352 niet meer bestaat.
                                Aangenomen moet worden dat het oude artikel niet automatisch
                                herleeft. In hoeverre het opnieuw vaststellen van de oude tekst nu
                                nog tot het gewenste resultaat – een verbindend artikel 352 – zal
                                leiden is onduidelijk.</al><al> Wanneer sprake is van een niet-ingrijpende wijziging en wanneer van
                                een ingrijpende wijziging van artikel 352, is op basis van de twee
                                vorenstaande uitspraken niet in algemene zin aan te geven. Wel past
                                hier een waarschuwing: tornen aan de tekst van artikel 352 blijkt
                                riskant te zijn en dient dan ook ontraden te worden.</al></li><li nr="5."><al>De gebruiksbepaling in het bestemmingsplan waarmee het gebruik van
                                een gebouw als moskee strijdt, mag, gelet op artikel 6 van de
                                Grondwet, het gebruik van dat gebouw voor gebedsdienst niet
                                onmogelijk maken. Pres. Rb. Den Bosch 25 juni 1985; KG 1985,
                                446.</al></li><li nr="6."><al>Een terrein dat werd doorsneden (i.c. door een sloot), werd geacht
                                te bestaan uit twee afzonderlijke gedeelten met een verschillende
                                bestemming.</al><al> ARRS 25 maart 1982; AB 1982, 446.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2 (Niet onder een bestemmingsplan begrepen terreinen en
                            bouwwerken)</vet></al><al>– Artikel 352, lid 2, kan geen grond zijn voor weigering van een
                        bouwvergunning.</al><al> Vz. ARRS 3 december 1985, RO 3.85.7089/S1763.</al><al>– Artikel 352, lid 2, heeft geen planologische, maar alleen een bouwkundige
                        betekenis. Wanneer constructie en inrichting van een gebouw toelaten dat dit
                        gebouw voor verschillende bestemmingen wordt gebruikt, dan verbiedt artikel
                        352, lid 2, een dergelijk gebruik niet.</al><al> HR 28 juni 1974; BR 1974, 666; NJ 1974, 401; AB 1974, 280; GS 6309, 6310 en
                        6311.</al><al>– Een aanschrijving tot het staken van het gebruik van een fabriekspand als
                        supermarkt werd echter niet geschorst. De vz. ARRS was van oordeel dat het
                        begrip ‘bestemming’ in lid 2 van artikel 352 mede strekt ter bescherming van
                        de omgeving. Bij het verlenen van vrijstelling krachtens lid 4 mogen
                        planologische belangen worden meegenomen.</al><al> Wnd. vz. ARRS 18 juli 1983, RO 3.83.3885/S1024.</al><al>– Een garage waarvan de oorspronkelijke garage-inrichting op legale wijze
                        ongedaan is gemaakt, mocht worden gebruikt als supermarkt: de huidige
                        constructie en inrichting van het gebouw waren niet vreemd aan het gebruik
                        als supermarkt.</al><al> Wnd. vz. ARRS 6 augustus 1984, RO 3.84.4144/S1049.</al><al><vet>Lid 3 (Overgangsbepaling)</vet></al><al>Op de overgangsregeling van artikel 352, lid 3, kan alleen beroep worden
                        gedaan, wanneer het ge-bruik dat van voor de inwerkingtreding van artikel
                        352 dateert, wordt voortgezet zonder dat zich daarin wijzigingen in
                        planologisch relevante zin hebben voorgedaan.</al><al>ARRS 8 juli 1983; AB 1983, 586; ARRS 14 maart 1983; AB 1983, 345; ARRS 9
                        februari 1984; AB 1984, 272.</al><al><vet>Lid 4 (Vrijstelling)</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4, mag niet worden
                                gebruikt om voor een omvang-rijk gebied een einde te maken aan de
                                mogelijkheid dat gebied te gebruiken overeenkom-stig de bestemming.
                                Op die manier zou men immers vooruitlopen op een
                                bestemmingswijzi-ging, die volgens de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                                alleen op de in deze wet aangegeven wijze kan worden bewerkstelligd.
                                Dit geldt te meer nu de anticipatiebevoegdheid van bur-gemeester en
                                wethouders ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening juist
                                is ge-bonden aan een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde
                                staten.</al><al> HR 29 maart 1974, 607; NJ 1974, 344; ARRS 20 maart 1981; AB 1981,
                                430; ARRS 12 januari 1982; GS 6743; AB 1982, 363; BR 1986, 441
                                (motorcross-terrein).</al><al> – Bij de toepassing van artikel 352, lid 4, behoort (dan ook)
                                richtinggevend te zijn dat de vrijstelling de verwezenlijking van de
                                doeleinden van een toekomstig bestemmingsplan niet in de weg zal
                                staan.</al><al> Wnd. vz. ARRS 1 maart 1985, 758.</al><al> – Ook de in de Wet geluidhinder voorziene met waarborgen omklede
                                procedure (zone-vaststelling) of het vereiste van vergunning
                                krachtens artikel 17 van die wet en de procedure vastgelegd in de
                                artikelen 41 e.v. van die wet mag niet worden omzeild door
                                toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid krachtens artikel 352,
                                lid 4.</al><al> ARRS 17 januari 1986; AB 1986, 318, en AB 1987, 109. Vergelijk GS
                                6808 en wnd. vz. ARRS 9 april 1984; milieu en recht 1984/7.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente is (in beginsel) verplicht vrijstelling te geven wanneer
                                strikte toepassing van artikel 352, lid 1, er op zou neerkomen, dat
                                het meest doelmatige gebruik van grond en opstallen wordt beperkt,
                                zonder dat deze beperking door dringende redenen is
                                gerechtvaar-digd.</al><al> Zie bij voorbeeld KB 1 maart 1974; BR 1974, 534 (inzake het
                                bestemmingsplan); KB 10 juni 1977; BR 1977, 744; vz. ARRS 20 mei
                                1977; BR 1977, 742.</al><al> – Vrijstelling van een verbod tot gebruik in strijd met de
                                bestemming is (in beginsel) alleen mogelijk als het perceel
                                objectief bezien niet meer zinvol overeenkomstig de bestemming kan
                                worden gebruikt.</al><al> Vz. ARRS 24 juli 1985, RO 3.85.3950/S992; ARRS 10 juni 1987;
                                W/RvS/R.3.328/87.</al><al> – Daar de bevoegdheid tot het geven van vrijstelling niet aan
                                voorwaarden is gebon-den, kan hiervan ook gebruik worden gemaakt in
                                andere gevallen dan waarin van een beperking van het meest
                                doelmatige gebruik sprake is.</al><al> ARRS 13 maart 1986; BR, 663; GS 6826.</al><al> – Burgemeester en wethouders mogen (ook) vrijstelling krachtens
                                artikel 352, lid 4, verlenen, ook al is een zinvol gebruik
                                overeenkomstig de bestemming nog mogelijk, mits een redelijke
                                belangenafweging daartoe aanleiding geeft en vrijstelling niet leidt
                                tot een ingrijpende en onomkeerbare inbreuk op de bestemming.</al><al> ARRS 18 oktober 1985; BR 1986, 512; GS 6826.</al><al> – Als een feitelijk onomkeerbare situatie werd (bij voorbeeld)
                                aangemerkt het (permanent) gebruik van een terrein met agrarische
                                bestemming voor de opslag van te breken en gebroken puin. ARRS 8
                                december 1983; AB 1984, 167.</al></li><li nr="3."><al>De vrijstelling kan aan een termijn worden gebonden.</al><al> ARRS 2 februari 1982; GS 6743; AB 1982, 243.</al></li><li nr="4."><al>Aanvaard werden onder meer vrijstellingen</al><al> – ter voorkoming van langdurige leegstand van industriepanden (de
                                gemeente werd daarbij niet verplicht tot uitputtend onderzoek naar
                                de financieel-economische ge-volgen van toe te laten vestigingen).
                                Vz. ARRS 7 maart 1985, RO 3.84.6853/S5206.</al><al> – voor het gebruik van een landbouwschuur ten behoeve van een
                                autoherstelbedrijf, nu dit gebruik niet zo ingrijpend behoefde te
                                zijn dat deze schuur ongeschikt zou worden om overeenkomstig de
                                agrarische bestemming te worden gebruikt.</al><al> ARRS 31 januari 1985; BR 1985, 754.</al><al> – voor tijdelijke opslag van heipalen en betonplaten op een
                                terrein.</al><al> Wnd. vz. ARRS 14 mei 1985, RO 3.85.2555/S5719 en
                                3.85.2633/S5720.</al><al> – twee panden met de bestemming ‘eengezinsmiddenstandshuizen’
                                worden aan een stichting in gebruik gegeven voor huisvesting en
                                begeleiding van ex-drugsver-slaafden.</al><al> ARRS 3 juli 1981; A-3.0220.</al></li><li nr="5."><al>Een vrijstelling om een woning te gebruiken als kantoor of
                                praktijkruimte mocht worden geweigerd. Overwogen werd onder meer het
                                volgende.</al><al> Een groot aantal panden aan de betrokken straat wordt voor
                                woondoeleinden gebruikt. De gemeente streeft ernaar dit woonkarakter
                                van de straat te behouden. In dit beleid past niet dat woonhuizen
                                (nagenoeg) geheel als kantoor of praktijkruimte worden
                                gebruikt.</al><al> Ook al zou dit gebruik in de onderhavige gevallen naar buiten toe
                                niet storend zijn, dan nog wijkt het wezenlijk af van gebruik voor
                                woondoeleinden. Zo zullen de panden tijdens de werkuren belangrijk
                                vaker, door telkens wisselende personen, worden bezocht, terwijl de
                                panden buiten deze uren een doods element vormen.</al><al> ARRS 17 februari 1984, A-31.1330 (1982).</al><al> – Een – terughoudend – vrijstellingsbeleid ter bevordering van
                                concentratie van detailhandelsvoorzieningen werd niet onredelijk
                                geacht.</al><al> ARRS 5 november 1981, A-3.2139.</al><al> – Voor het gebruik als (bij voorbeeld) supermarkt is een
                                vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4, vereist, ook als eerder
                                zo’n vrijstelling werd verleend om de voor een
                                houtverwerkingsbedrijf opgerichte bedrijfshal te gebruiken als
                                bouwmarkt.</al><al> ARRS 16 augustus 1985, RO 3.83.6146.</al><al> – Een vrijstelling mag niet worden geweigerd, omdat het gaat om
                                activiteiten die ‘niet gebruikelijk’ zijn. (I.c. betrof het het
                                gebruik als manege van opstallen en gronden met een
                                industriebestemming.)</al><al> ARRS 15 februari 1983; BR 1983, 471.</al><al> – Een voorwaarde, verbonden aan een vrijstelling krachtens artikel
                                352, mag geen verbod bevatten om bepaalde bouwwerken op te
                                richten.</al><al> ARRS 5 juli 1983; AB 1983, 488.</al></li><li nr="6."><al>De belangenafweging bij het uitoefenen van bestuursdwang valt niet
                                geheel samen met de afweging van belangen in het kader van de
                                verlening van vrijstelling krachtens artikel 352, lid 4. (Onder
                                andere zal bij bestuursdwang rekening moeten worden gehouden met het
                                langdurig gedogen van een illegale situatie.)</al><al> ARRS 17 februari 1984; GS 6772.</al></li><li nr="7."><al>De vraag of het gebruik strijdig is met de woonbestemming dient
                                beantwoord te worden aan de hand van de ruimtelijke uitwerking die
                                dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bezien
                                moet worden of deze uitstraling van dien aard is, dat deze niet meer
                                te rijmen valt met de woonfunctie van het betrokken pand of perceel.
                                (In casu ging het om naaicursussen die in een woonkamer werden
                                gegeven, ter zake waarvan B en W vrijstelling ex artikel 352, lid 4,
                                hadden geweigerd). Volgt vernietiging wegens strijd met
                                motiveringsbeginsel.</al><al> ARRS 18 februari 1992, R03.89.1986; AB 1992, nr.163.</al></li></lijst><al><cursief>Jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en de bouwverordening
                            1992 (MBV 1992)</cursief></al><al>– Artikel 7.3.1 MBV 1992, de opvolger van artikel 352 MBV 1965, mist
                        verbindende kracht, nu deze bepaling geen grondslag vindt in de limitatieve
                        opsomming van artikel 8 van de Woningwet.</al><al> Vz. ARRS 11 februari 1993; S03.92.4484 en S03.93.0088; AB 1993, nr.
                        247.</al><al> Zie ook Vz. ARRS 3 juni 1993; S03.93.1085.</al><al>– Niet valt in te zien dat artikel 352 (Model-)bouwverordening 1965 zou zijn
                        vervallen bij het vaststellen door de gemeenteraad van een nieuwe
                        bouwverordening, nu in de in artikel 12.6 van de nieuwe bouwverordening
                        opgenomen slotbepaling nadrukkelijk is bepaald dat artikel 352 van de oude
                        bouwverordening bij de inwerkingtreding van de nieuwe bouwverordening niet
                        vervalt. Ook de stelling dat uit de in artikel 126, eerste lid, van de
                        Woningwet opge-nomen overgangsbepaling ten aanzien van de geldigheids-duur
                        van de – oude – gemeente-lijke bouwverordening volgt dat artikel 352 van
                        deze verordening per 1 oktober 1993 zal komen te vervallen, wordt onjuist
                        geacht aangezien dit artikel zijn grondslag niet in de Woningwet 1962, maar
                        in artikel 168 van de gemeentewet vindt.</al><al> Vz. ARRS 16 september 1993, BR 1994, p. 214.</al><al>– De gemeenteraad heeft een (nieuwe) bouwverordening vastgesteld waarin de
                        oude gebruiksbepaling 352 niet is ingetrokken doch slechts is vernummerd tot
                        artikel 7.3.1. Overeenkomstig hetgeen is overwogen in de uitspraak van de
                        Vz. ARRS d.d. 16-9-1993 (BR 1994, p. 214) moet dan ook geoordeeld worden dat
                        B en W met artikel 7.3.1 van de bouwverordening nog steeds beschikken over
                        een verbindend gebruiksvoorschrift.</al><al> Pres. Rb. Assen 4 mei 1994, BR 1994, p. 591.</al><al>– De gemeenteraad heeft de gehele bouwverordening ingetrokken en, met
                        inbegrip van de gewijzigde artikelen, opnieuw vastgesteld. Artikel 352 is
                        hierbij ongewijzigd overgenomen. De afdeling overweegt dat bij art. 352
                        sprake is van een hernieuwde vaststelling van louter technische aard, zodat
                        dit artikel niet onverbindend is. </al><al>Vrijstelling voor gebruik van voormalig kamp voor sociale jeugdzorg als </al><al>Asielopvangcentrum staat niet in de weg aan een doelmatig gebruik van de
                        gebouwen </al><al>conform de bestemming in de toekomst, omdat er geen ingrijpende wijzigingen
                        van de </al><al>gebouwen heeft plaatsgevonden. De vergunde verbouw en uitbreiding doet
                        daaraan </al><al>niet af.</al><al> ABRS 24 juli 1996, R03.92.2979/R03.92.4959/R03.93.6046.””</al><al><vet>Artikel 7.3.2 Hinder</vet></al><al>De strekking van dit artikel is gelijk aan artikel 367 MBV 1965.</al><al>Het oude artikel was gebaseerd op de gemeentewet, terwijl artikel 7.3.2 is
                        gebaseerd op de Woningwet en per 1 april 2007 rechtstreeks handhaafbaar op
                        grond van de Woningwet op grond van de Woningwet dus mogelijk maakt.</al><al>Dit artikel betreft, voor zover het een regeling bevat ter voorkoming van
                        schade, hinder of overlast, een materie die eventueel ook in een algemene
                        plaatselijke verordening (APV) kan worden geregeld. Voor zover zij in een
                        APV is geregeld, dient dezelfde bepaling uiteraard niet in de
                        bouwverordening te worden opgenomen. Bijna onvermijdelijk blijkt een zekere
                        overlapping van het onderhavige artikel en een enigszins vergelijkbaar
                        artikel in de Model-APV (art. 4.4.1). Gelet op doel en strekking van de
                        bouwverordening zal artikel 7.3.2 voornamelijk toepassing kunnen vinden als
                        er een relatie kan worden gelegd met bouwen of bouwwerken. Voor open erven
                        en terreinen niet direct behorende tot een bouwwerk zal eerder de APV van
                        toepassing zijn. Daar bepaalde voor de omgeving hinder veroorzakende
                        activiteiten direct zijn verbonden met hetgeen in, op, aan of nabij een
                        bouwwerk gebeurt is dit artikel in de bouwverordening nodig.</al><al>Voor zover het hinder in verband met de brandveiligheid betreft, ware in
                        plaats van artikel 7.3.2 toe te passen artikel 6.4.1. Artikel 7.3.2 kan
                        onder meer worden toegepast in de volgende gevallen: het plaatsen van
                        voorwerpen of voertuigen in gemeenschappelijke trappenhuizen van tot
                        bewoning bestemde gebouwen, lawaaihinder (bij voorbeeld door radio- en
                        televisietoestellen), het veroorzaken van radio- en televisiestoringen, voor
                        zover niet geregeld in andere wettelijke voorschriften, het opslaan van
                        stankverwekkende stoffen, het op gevaarlijke wijze stapelen van materiaal
                        (bij voorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen), het
                        verwijderen van asbest bevattende materialen of restanten hiervan die zich
                        in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van
                        asbestvezels of –stof te vrezen valt. </al><al>Door weersinvloeden en door slecht onderhoud kunnen asbestbevattende
                        materialen die zich aan de buitenzijde van een bouwwerk bevinden of op een
                        erf of terrein zijn opgeslagen zodanige verwering of slijtage vertonen dat
                        de vezels gemakkelijk losraken en door de wind worden verspreid. Deze
                        asbestvezels vormen een risico voor de gebruikers van het bouwwerk en het
                        erf of terrein en de aangrenzende percelen. Het Asbestverwijderingsbesluit
                        ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van
                        verweren of slijtage. Een overtreding van het bouwbesluit is niet aanwezig
                        of is onvoldoende aantoonbaar. </al><al>In een dergelijke situatie kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                        of oplegging van een last onder dwangsom worden gebaseerd op overtreding van
                        artikel 7.3.2 MBV juncto artikel 13 van de Woningwet. </al><al>Voldaan dient te zijn aan het gestelde in het eerste en derde lid van dit
                        artikel. Het gevaar van asbest is in algemene zin voldoende aangetoond om
                        maatregelen ter voorkoming van het verspreiden van asbestvezels en -stof te
                        rechtvaardigen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast is ingevolge het Inrichtingen- en
                        vergunningenbesluit milieubeheer voor diverse inrichtingen die geluid
                        produceren een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer vereist.</al><al>Gelet op het gestelde onder de letter c geldt artikel 7.3.2 niet voor deze
                        vergunningplichtige inrichtingen.</al><al>Voor het bestrijden van geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen
                        geldt het Besluit horeca-bedrijven milieubeheer. Voorschrift 2.12 van dit
                        besluit stelt dat de gemeenteraad bij verordening twaalf dagen (of dagdelen)
                        aanwijst waarop de voorschriften 2.1 tot en met 2.6 van het Besluit niet van
                        toepassing zijn. Ter uitvoering van deze plicht en in verband met de
                        inwerkingtreding van de Wet milieubeheer is de Model-APV herzien waarbij de
                        burgemeester bevoegd is om voor het houden van festiviteiten dagen of
                        dagdelen aan te wijzen waarop horeca-inrichtingen de voorschriften met
                        betrekking tot geluid- en trillinghinder niet hoeven na te leven. (Model-APV
                        artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.4). Het lijkt alleszins redelijk in de
                        periode dat deze zogenaamde twaalfdagenregeling geldt voor de
                        geluidsoverlast afkomstig van horeca-inrichtingen geen toepassing te geven
                        aan artikel 7.3.2 van de (Model-)bouwverordening.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 en
                            de bouwverordening (MBV 1965)</cursief></al><al>– Een aanschrijving tot beëindiging van de overlast die wordt ondervonden
                        van een afzuigkap in een pas gebouwde woning, kan niet worden gebaseerd op
                        overtreding van artikel 367 van de bouwverordening, als alleen bezwaar
                        bestaat tegen de plaats, waar de aan de afzuigkap bevestigde
                        ventilatieleiding uitmondt.</al><al> De aanschrijving moet dan worden gebaseerd op overtreding van de
                        nieuwbouweisen.</al><al> ARRS 27 maart 1984, nr. A-31.2758 (1982).</al><al>– Beslissing weigering van aanschrijving bestuursdwang op verzoek omwonenden
                        inzake overlast door rookontwikkeling is gebaseerd op waarnemingen van
                        ambtenaren bouw- en woningtoezicht. Nu deze waarnemingen niet schriftelijk
                        zijn vastgelegd en derhalve oncontroleerbaar is geworden of het onderzoek
                        juist en volledig is geweest, mist de beslissing voldoende grond.</al><al> ARRS 3 februari 1986; AB 1987, 258.</al><al>– Door de woning te gebruiken op een voor de omgeving hinderlijke wijze –
                        stankver-spreiding ten gevolge van een groot aantal dieren en uitwerpselen
                        hiervan alsmede een algehele onreinheid – ontstaat een situatie als bedoeld
                        in dit artikel.</al><al> Vz. ARRS, 18 augustus 1986, R03.86.4703/S6037. Zie ook ARRS, 3 september
                        1985, R03.84.2414.</al><al>– Een houtkachel veroorzaakt hinder door rook, roet en walm. Verweerders
                        zijn van mening dat artikel 367 (Model-)bouwverordening 1965 in te algemene
                        bewoordingen is gesteld om een bestuursdwangaanschrijving op te baseren. De
                        voorzitter deelt dit standpunt niet.</al><al> Vz. ARRS, 13 oktober 1992, M en R 1994, nr. 83.</al><al>– Verzoek om bestuursdwang tegen hinder open haard op grond van artikel 367,
                        lid 1, (Model) bouwverordening 1965. Het Bureau milieutechnisch onderzoek
                        van de provincie stelt in haar onderzoek dat met een grote mate van
                        waarschijnlijkheid de concentratie zwarte rook de grenswaarden niet zal
                        overschrijden. De afdeling heeft, gezien de kritiek van appellant, gerede
                        twijfel over de gehanteerde onderzoeksmethoden. Uit het rapport blijkt niet
                        duidelijk dat de open haard geen hinder of schade veroorzaakt. Onzorgvuldig
                        besluit.</al><al> ARRS, 21 december 1994, AB 1995, 198.</al><al>– Aanschrijving om ramen en deuren dicht te metselen van een leegstand pand
                        na diverse brandstichtingen. Overlast in de vorm van aanwezigheid van
                        onbevoegden, zgn. sociale overlast, kan niet gelijk worden gesteld met de
                        overlast als bedoeld in artikel 367 aanhef en onder a van de
                        (Model-)bouwverordening.</al><al> ABRS 16 januari 1997, R03.94.038.</al><al><cursief>Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991 en
                            de bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>– Hinder door houtkachels van patiowoningen, B en W weigeren aan te
                        schrijven. De ARRS oordeelt dat, nu de woningen door hun constructie niet
                        geschikt zijn voor het gebruik van open haarden en allesbranders, en gegeven
                        de door appellant ondervonden overlast, onvoldoende is gemotiveerd waarom de
                        belangen van de bezitters van de haardkachels zwaarder wegen dan het belang
                        van appellant.</al><al> ARRS, 30 december 1993, M en R 1994, nr. 84.</al><al>– Door onderzoek van de gemeentelijke milieudienst en de GGD is aannemelijk
                        geworden dat de rookoverlast veroorzaakt wordt door de bewoners van één
                        bepaalde woning. B en W weigerden echter op grond van artikel 7.3.2
                        (Model-)bouwverordening op te treden door middel van bestuursdwang daar zij
                        met de eigenaar van de houtkachel afspraken hadden gemaakt aangaande het
                        stookgedrag. De Voorzitter constateert dat B en W hun stelling niet hebben
                        onderbouwd met een rapportage van bijvoorbeeld de milieudienst, een
                        motiveringsgebrek.</al><al> Vz. ARRS, 7 januari 1994, R03.93.4442 en S03.93.4641.</al><al><cursief>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            Reinheid</cursief></al><al><vet>Artikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op preventieve maatregelen voor het weren van
                        schadelijk of hinderlijk gedierte en het in acht nemen van de algemene
                        reinheid. Ook dit artikel kan alleen maar worden toegepast in geval van
                        excessen. Voor de duidelijke en extreme gevallen van onreinheid is deze
                        bepaling onmisbaar.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 5.4.1.</al><al><cursief>Paragraaf 5 Watergebruik</cursief></al><al><vet>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet></al><al>Het hier bedoelde verbod treedt pas in werking nadat burgemeester en
                        wethouders de beschikking hebben genomen. Zie de toelichting bij de
                        artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.3.</al><al><cursief>Paragraaf 6 Installaties</cursief></al><al><vet>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</vet></al><al>In het algemeen genomen kan worden gesteld dat het de plicht van de eigenaar
                        of de gebruiker van een bouwwerk is de vereiste installaties te onderhouden
                        en gebruiksgereed te houden. Een gebruiker, bij voorbeeld een huurder, kan
                        over nalatigheid klagen bij de verhuurder en dit kan worden aangemerkt als
                        een privaatrechtelijke kwestie. Wanneer evenwel groot veiligheids- en
                        gezondheidsrisico of groot ongemak voor derden-bezoekers aan de orde is,
                        ligt dit anders. Daarom is in dit hoofdstuk een bepaling opgenomen over het
                        onderhoud en gebruiksgereed houden van liftinstallaties, collectieve
                        installaties voor portiekverlichting, centrale verwarming, mechanische
                        ventilatie, drukverhoging in de waterleiding (hydrofoor) e.d.</al><al>Tevens is deze bepaling toepasbaar op het te verrichten onderhoud aan
                        terreinrioleringen,inclusief pompen en putten, en op in de grond
                        aangebrachte opvang- en bezinkingsvoorzieningen voor hemelwater.</al><al>N.B. Het onderhoud van liftinstallaties is, voor wat betreft de
                        veiligheidsaspecten van gewone personenliften, in principe geregeld in het
                        Besluit liften, dat op de Wet op de gevaarlijke werktuigen berust.</al><al><vet> Hoofdstuk 8 Slopen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het hoofdstuk slopen dient ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8,
                        tweede lid, letter d, van de Woningwet, en van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit hoofdstuk is een vergunningstelsel
                        opgenomen voor het slopen. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden
                        verbonden gericht op het specifieke sloopproject. Het voornaamste motief
                        voor een uitgebreide sloopregeling in de bouw-verordening is gelegen in een
                        bewuster omgaan met afvalstoffen en het zoveel mogelijk herge-bruiken van
                        deze stoffen. Een regeling met hetzelfde motief gericht op het bouwafval
                        staat in artikel 4.11. Naar de artikelsgewijze toelichting daarop verwijzen
                        wij hier. Voordat werd gekozen voor het invoeren van een nieuwe beschikking,
                        de sloopvergunning, is overwogen of het mogelijk is in de bouwverordening
                        het selectief slopen, het scheiden en gescheiden afvoeren afdoende te
                        regelen in algemeen geldende eisen. Gelet op de huidige stand van zaken en
                        de toch zeer uiteenlopende sloop-projecten en locaties bleek dit niet
                        haalbaar. Bovendien is een sloopvergunning voor het verwijderen van asbest –
                        voor zover niet kan worden volstaan met een melding – in het
                        Asbest-verwijderingsbesluit 2005 voorgeschreven.</al><al><vet>Asbest</vet></al><al>In het Staatsblad van 17 juni 1993, nr. 290 is het
                        Asbest-verwijderingsbesluit gepubliceerd. Het Asbest-verwijderingsbesluit is
                        gebaseerd op de Wet milieugevaarlijke stoffen en op de Woningwet. Dit
                        besluit is opgevolgd door het Asbestverwijderingsbesluit 2005, Stb. 2005,
                        704 van 27 december 2005 en bevat regels voor de verwijdering van asbest bij
                        het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten. Het besluit
                        heeft voor zover het betreft het slopen van bouwwerken geen directe werking
                        voor de burger. Het besluit bevat een opdracht aan de gemeenteraad tot
                        regelgeving in de plaatselijke bouwverordening. De voorschriften van de
                        bouwverordening zijn bindend voor de burger.</al><al>Het laatstgenoemde besluit is in werking getreden op 1 maart 2006. Artikel
                        8, negende lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad een jaar de
                        tijd heeft om dit deel van het besluit - in casu de artikelen 10 en 11 - in
                        de bouwverordening op te nemen en dus uiterlijk op 18 juni 1994 van kracht
                        te doen zijn.</al><al>Het asbestverwijderingsbesluit 2005 gaat vergezeld van een uitvoerige Nota
                        van toelichting (Stb. 2005, 704, vanaf blz. 15). Het is niet zinvol een
                        selectie uit deze Nota over te nemen in de toelichting bij hoofdstuk 8 van
                        de bouwverordening. Aanbevolen wordt daarom de Nota van toelichting te
                        raadplegen, in het bijzonder het deel Algemeen (blz. 15 t/m 32).</al><al>Incident</al><al>Het optreden in geval van een incidentr (ook wel aangeduid als calamiteit),
                        zoals een brand waarbij asbest vrij komt, staat thans in artikel 3, derde
                        lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor een juist optreden in
                        geval van een calamiteit is van veel belang de handreiking “Plan van aanpak
                        asbestbranden” .</al><al>Voor andere oorzaken dan brand bestaat nog geen plan van aanpak.</al><al>Ingevolge genoemd derde lid dient het opruimen van materialen en producten
                        die tengevolge van een incident zijn vrijgekomen eerst een
                        asbestinventarisatierapport te worden opgesteld. Dit dient bij voorkeur met
                        de bij het incident passende spoed te gebeuren.</al><al>Certificering</al><al>Voor een uiteenzetting over de cerfiticering van bedrijven wordt verwezen
                        naar de algemene toelichting op het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al>De instantie die zich bezig houdt met de certificering is : Stichting
                        Cerficatie Asbest, Postbus 22, 6720 AA Bennekom e-mail: info@ascert.nl, fax:
                        0317-425725, website: www.ascert.nl<onderstreept>.</onderstreept></al><al>Risocoklasse</al><al>Bij besluit van 7 juni 2006 (Stb. 2006, 348) is in de
                        arbeidsomstandighedenregelgeving over het asbest een indeling in
                        risicoklassen ingevoerd. Deze indeling is van belang voor de toepassing van
                        de arbo-regels. Zij is niet aan de orde bij de sloopvergunning.</al><al>De verplichte meldingen van de aannemer en vergunninghouder aan de
                        arbeidsinspectie blijven bestaan. Voor zover de gemeente gewend was
                        meldingen te doen aan de arbeidsinspectie blijft dit ongewijzigd.</al><al><vet>Intensivering van de handhaving</vet>Langs verschillende kanalen
                        wordt aangedrongen op een intensivering van de handhaving van de
                        sloopvoorschriften. De VNG heeft in de ledenbrief over Ketenhandhaving
                        asbest van 12 februari 2007, Lbr. 07/07 aandacht gevraagd voor de handhaving
                        van de voorschriften over asbestverwijdering en de LOMprojecten over
                        ketenhandhaving asbest. De Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland
                        publiceert in de eerste helft van 2007 de “Handreiking slopen.
                        Vergunningverlening, controle en handhaving”. Deze handreiking staat ook op
                        de site van deze vereniging: www.vereniging-bwt.nl Medio 2007 verschijnt
                        over de uitvoering van de voorschriften over asbestverwijdering de VROM
                        publicatie Uitvoeringsmethodiek Asbestverwijderingsbesluit 2005 (UM Asbest).
                        Hieraan werken mee het ministerie van VROM, de VROM-Inspectie, het
                        ministerie van SZW / Arbeidsinspectie, Infomil, de vereniging BWT Nederland,
                        de VNG en het LOM. </al><al><cursief>§ 1 Sloopvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>De sloopvergunning is een beschikking. Ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. </al><al>De Woningwet en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 vormen de juridische
                        basis voor de sloopvergun-ning. Tegen de beslissing tot het al dan niet
                        verlenen van de sloopvergunning is bezwaar en beroep mogelijk op grond van
                        de Awb.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eisen van een vergunning heeft alleen zin wanneer deze controleerbaar en
                        handhaafbaar is. Voorts is het niet de bedoeling alle andere belangen,
                        zonder afwegingsmogelijkheid, ondergeschikt te maken aan het milieubelang.
                        Veel van wat behoort tot het normale onderhoud en het aanbrengen van
                        veranderingen van ondergeschikte betekenis behoeft niet te worden
                        onderworpen aan een sloopvergunning. Ook bij deze activiteiten ontstaat
                        sloopafval.</al><al>Het is wenselijk dat alle sloopafval wordt gescheiden en gescheiden wordt
                        afgevoerd. Daarom is voor de kleine hoeveelheden sloopafval voor zover geen
                        asbest bevattend – minder dan 10 m<sup>3</sup> – een algemene eis
                        geformuleerd in artikel 8.4.1. Gedacht kan worden aan het slopen ten behoeve
                        van niet-ingrijpende interne verbouwingen.</al><al>Het verwijderen van asbest is of vergunningplichtig op grond van dit artikel
                        of meldingplichtig op grond van artikel 8.2.1, en valt daarom nooit onder de
                        vergunningvrije restcategorie van artikel 8.4.1.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een ondergrens van 10 m<sup>3</sup> voor de vergunningplicht lijkt reëel,
                        voor zover het te slopen bouwwerk geen asbest bevat. Deze inhoudsmaat stemt
                        overeen met een gangbare containermaat. Gekozen is voor een inhoudsmaat,
                        omdat deze op de sloopplaats kan worden gecontroleerd. Een gewicht is ter
                        plekke niet te controleren.</al><al>Het splitsen van een sloopwerk in kleinere sloopwerken die elk net onder de
                        10 m3 komen is een te opvallende methode van ontduiking van de
                        vergunningplicht om kans van slagen te hebben. Mocht dit voorkomen dan is
                        dit een overtreding wegens het ontbreken van een sloopvergunning. Overigens
                        verwachten wij deze ontduiking niet, omdat puin afvoeren naar een puinbreker
                        aanzienlijk minder kost dan storten op een stortplaats.</al><al>Onder 10 m<sup>3</sup> sloopafval wordt verstaan los gestort
                        sloopafval.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Uit dit lid blijkt dat aan de sloopvergunning voorschriften kunnen worden
                        verbonden. Tevens beperkt dit lid de mogelijkheid voorschriften aan de
                        vergunning te verbinden tot de in dit lid vermelde onderwerpen a tot en met
                        d. Het vierde lid geeft ten aanzien van de mogelijke voorschriften over het
                        scheiden en gescheiden afvoeren van het sloopafval een nadere detaillering
                        en het bepaalde in artikel 5 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Hierna wordt ingegaan op de te stellen voorschriften over de onderwerpen
                        genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel.</al><al><vet>Ad a en b De veiligheid tijdens het slopen en de bescherming van
                            nabijgelegen bouwwerken</vet></al><al>Hier ligt een relatie met artikel 8.3.1, waarin is bepaald dat de artikelen
                        4.8 tot en met 4.10 van het hoofdstuk Plichten tijdens de bouw van
                        overeenkomstige toepassing zijn op het slopen. Daar waar bouwen, bouwterrein
                        enz. staat wordt uiteraard gelezen slopen, sloopterrein enz. De onderwerpen
                        veiligheid op het bouwterrein, afscheiding van het bouwterrein en veiligheid
                        van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder zijn als directe norm
                        geformuleerd. Dit betekent dat deze eisen ook gelden indien het
                        vergunningvereiste niet geldt. Uiteraard behoeft datgene wat via deze van
                        toepassingverklaring al van toepassing is, niet nogmaals als voor-waarde te
                        worden opgenomen in een sloopvergunning. Mede afhankelijk van de
                        sloopmethode en de bebouwing en aanwezigheid van mensen in de directe
                        omgeving van het te slopen bouwwerk, kunnen voorwaarden worden gesteld. Van
                        veel belang is te bedenken dat het hier gaat om de externe veiligheid. De
                        veiligheid voor degenen die met de sloopwerkzaamheden zijn belast behoort
                        tot de sfeer van de arbeidsomstandigheden en wordt beoordeeld door de
                        Arbeidsinspectie. Een sloopveiligheidsplan wordt, voor zover nodig, verlangd
                        en ingediend bij de aanvraag om een sloopvergunning. De regeling daarvoor
                        staat in artikel 8.1.2, tweede lid.</al><al>Het is de aanvrager van de vergunning die de sloopmethode kiest. Pas wanneer
                        de gekozen methode leidt tot strijd met de bepalingen van dit hoofdstuk, bij
                        voorbeeld over het selectief slopen, de veiligheid of het uitvoeren van
                        bodemonderzoek, worden aan de sloopvergunning voorschriften verbonden ter
                        voorkoming van deze strijdigheid.</al><al><vet>Ad c Het scheiden en gescheiden afvoeren</vet></al><al>Het is de houder van de vergunning die kiest naar welke bewerkings- of
                        verwerkingsinrichting wordt afgevoerd, c.q. aan welke inzamelaar of
                        transporteur het afval wordt meegegeven. Uiteraard dienen hierbij de
                        voorschriften van de sloopvergunning en andere regels, bij voorbeeld die
                        over het vervoer van gevaarlijk afval, in acht te worden genomen. In de
                        praktijk komt dit erop neer dat alleen mag worden samengewerkt met
                        vergunninghoudende inzamelaars en transporteurs voor het gevaarlijk afval en
                        alleen mag worden toegeleverd aan bewerkings- en verwerkingsinrichtingen die
                        beschikken over een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. De
                        voorschriften in de sloopvergunning mogen geen ‘gedwongen winkelnering’
                        inhouden, dus niet verplichten tot het afvoeren naar bedrijf X, terwijl voor
                        dat afval de bedrijven Y en Z ook vergunninghouder zijn.</al><al>De fracties waarin moet worden gescheiden worden vermeld in de
                        vergunningvoorschriften. De keuze van de fracties hangt af van de
                        hoeveelheid en samenstelling van het te verwachten afval en van de
                        acceptatievoorwaarden van in de regio aanwezige bewerkings- en
                        verwerkingsinrichtingen. Onder c is de meest minimale scheiding vastgelegd
                        die voortvloeit uit landelijke regelgeving.</al><al>Naast deze drie ‘onvermijdelijke’ fracties – gevaarlijke afvalstoffen,
                        asbest en overig afval – verdient het aanbeveling om ten minste de volgende
                        fracties als voorwaarde in de sloopvergunning op te nemen:</al><al>– steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>– bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>– met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>– asfalt;</al><al>– dakgrind;</al><al>– glas (vlakglas) voor zover een inzamelstructuur beschikbaar is.</al><al>De opdrachtgever is in beginsel vrij in de keuze van een aannemer.</al><al>Wanneer de sloopopdracht mede betreft het verwijderen van asbest geldt het
                        bepaalde in artikel 8.3.3 over een deskundig bedrijf.</al><al>Een opdrachtgever doet er verstandig aan een sloopaannemer te kiezen die is
                        gekwalificeerd voor het soort sloopwerk dat wordt aanbesteed. Voor grotere
                        sloopwerken is dit vrijwel steeds een gespecialiseerd bedrijf. Wij wijzen
                        hier op het gestelde in het beleidshoofdstuk ‘Selectief slopen en
                        afvalbeleid’.</al><al><vet>Welke voorschriften, wanneer en waarvoor</vet></al><al>Welke voorschriften over het scheiden in fracties uiteindelijk in een
                        vergunning worden opgenomen is afhankelijk van de gegevens over het te
                        slopen bouwwerk en de slooplocatie (welke soorten afval komen vrij en in
                        welke hoeveelheden en welke mogelijkheden zijn er voor het plaatsen van
                        containers) en voorts van de in de regio beschikbare verwijderingstructuren,
                        waaronder bewerkings- en verwerkingscapaciteit.</al><al>Er is voor gekozen geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze sterk
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig zijn.
                        Het is daarom noodzakelijk dat de ambtenaar, belast met de beoordeling van
                        de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en regionale
                        verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende afvalstromen.</al><al>Het is van belang dat voordat een aanvraag om sloopvergunning wordt getoetst
                        de hergebruik-mogelijkheden bij de beoordelende gemeente bekend zijn.
                        Hierbij moeten de volgende aspecten worden nagegaan:</al><al>– wat kan worden hergebruikt;</al><al>– wat zijn de minimale hoeveelheden per fractie;</al><al>– kan het herbruikbaar materiaal worden afgezet;</al><al>– aan welke kwaliteit dient het herbruikbaar materiaal te voldoen;</al><al>– wat zijn de acceptatievoorwaarden van bewerkers, verwerkers, sorteerders
                        en inzamelaars.</al><al><vet>Onderzoek</vet></al><al>Voordat de aanvraag om sloopvergunning kan worden ingediend moeten de
                        volgende onderzoeken plaatsvinden:</al><al>– Onderzoek naar het doel, waarvoor het bouwwerk of het te slopen gedeelte
                        daarvan laatstelijk is gebruikt (MBV artikel 8.1.2, tweede lid, letter
                        f);</al><al>– Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                        slopen bouwwerk of een te slopen gedeelte daarvan is verontreinigd met
                        gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische afvalstoffen) als bedoelt in
                        het BAGA, dient een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke
                        verontreiniging en moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de
                        aanvraag om sloopvergunning worden gevoegd (MBV artikel 8.1.2, derde
                        lid);</al><al>– Indien moet worden aangenomen dat in het te slopen bouwwerk asbest
                        aanwezig is, moeten overeenkomstig het gestelde in artikel 8.1.2, daarover
                        bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning gegevens worden
                        ingediend. Op grond van artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                        geldt in het algemeen een onderzoeksplicht naar de aanwezigheid van asbest
                        door een deskundig, dat wil zeggen daartoe gecertificeerd bedrijf.</al><al>Achter in deze toelichting is als bijlage 8 opgenomen een Keuzetabel voor de
                        vaststelling van deelstromen bij sloop. Deze keuzetabel biedt de houder van
                        de sloopvergunning een handreiking voor een verdergaande scheiding dan
                        normaliter in de voorwaarden van de sloopvergunning verplicht is gesteld om
                        op de slooplocatie uit te voeren. Uiteraard kan genoemde houder voor een
                        verdergaande scheiding zowel financiële als milieuhygiënische overwegingen
                        in zijn beschouwing betrekken. </al><al><vet>Inzamel- en recyclingsystemen voor kunststoffen</vet></al><al>Kunststoffen is een verzamelnaam voor uiteenlopende stoffen. Door de
                        producenten van kunststof gevelelementen (verenigd in de VKG) en de
                        producenten van kunststofleidingsystemen (verenigd in de FKS) zijn voor deze
                        twee deelstromen inzamel- en recyclingsystemen ontwikkeld.</al><al>De VKG heeft met het Ministerie van VROM op 19 januari 1993 een overeenkomst
                        gesloten over de inzameling en herverwerking van kunststof kozijnen, ramen
                        en deuren. Daartoe zal een stichting worden belast met het (doen) inzamelen
                        en herverwerken van alle aangeboden oude kunststof kozijnen, ramen en
                        deuren.</al><al>De FKS heeft met het Ministerie van VROM een overeenkomst gesloten over de
                        volledige inzameling en het hergebruik van bij bouw en sloop vrijkomende
                        kunststofleidingen (PVC, PE en PP). Het systeem komt erop neer dat degene
                        die sloopt een container kan huren waarin de afval geworden
                        kunststofleidingen worden verzameld. Gestreefd wordt naar een gesloten
                        ketenbeheer, functionerend voor het gehele land. Andere kunststoffen dan
                        hier genoemd kunnen niet worden afgevoerd via met dit inzamelsysteem.</al><al><vet>Andere inzamelsystemen</vet></al><al>Andere inzamelsystemen die zijn opgezet door de leverancier van het product
                        en die erop zijn gericht de desbetreffende afvalstoffen weer geschikt te
                        maken voor hergebruik zijn die voor steenwol en glaswol (minerale wol) en
                        voor aluminium. De informatie over deze inzamelsystemen is te verkrijgen bij
                        de leverancier en bij de brancheorganisatie.</al><al><vet>Ad d Gegevens die na de vergunningverlening worden ingediend</vet></al><al>De gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van het in behandeling nemen
                        van een aanvraag om sloopvergunning behoren te worden ingediend bij de
                        aanvraag. De artikelen 8.1.2 en 8.1.3 regelen dit. De naam en het adres van
                        degene die met het slopen zal worden belast – gewoonlijk de aannemer – zijn
                        dikwijls nog niet bekend ten tijde van het indienen van de aanvraag om
                        sloopvergunning. Deze gegevens spelen bovendien geen rol bij de beoordeling
                        van het in behandeling nemen.</al><al>In de sloopvergunning kan een voorwaarde worden opgenomen inhoudende dat
                        uiterlijk ... (bij voorbeeld twee) dagen voor de aanvang van de
                        sloopwerkzaamheden de naam en het adres van degene die met de
                        sloopwerkzaamheden is belast worden overgelegd aan burgemeester en
                        wethouders of de directeur van het (gemeentelijk) bouwtoezicht.</al><al><vet>Het gebruik van een mobiele puinbreker</vet></al><al>In de meeste provincies bevat de provinciale milieuverordening sinds
                        omstreeks 1996 een regeling voor de toelaatbaarheid van mobiele puinbrekers
                        op slooplocaties. Een dergelijke regeling maakt voorschriften ter zake in de
                        gemeentelijke bouwverordening overbodig. In een concreet geval raadplege men
                        de desbetreffende provinciale griffie over de vraag of, en zo ja welke,
                        provinciale voorschriften ter zake gelden. </al><al>In de bouwverordening van de gemeenten die in de overige provincies liggen,
                        blijven de voorschriften voor het gebruik van een mobiele puinbreker echter
                        zinvol. Zulke voorschriften stonden tot en met de derde serie wijzigingen
                        ook in de Modelbouwverordening 1992. Zij bestonden uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een extra tekstelement in de opsomming van het derde lid,
                                luidende:</al></li><li nr="x."><al>het gebruik van een mobiele puinbreekinstallatie die is opgesteld op
                                de sloopplaats, voor zover de toestemming, als bedoeld in het vijfde
                                lid, van toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>een vijfde lid, luidende:</al></li><li nr="5."><al>Het bewerken van het sloopafval op de plaats waar dit afval
                                vrijkomt, is niet toegestaan.</al></li></lijst><al>Op verzoek van de aanvrager van de sloopvergunning kan, onder in de
                        vergunning te stellen voorschriften, worden toegestaan dat op de sloopplaats
                        het beton en metselwerkpuin wordt verwerkt in een aldaar opgestelde mobiele
                        puinbreekinrichting. Het ‘Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval’ van 15
                        januari 2004, Stb. 2004, 25 bevat alle voorschriften ten aanzien van mobiele
                        brekers en is in werking getreden op 1 maart 2004. Vanaf deze datum zijn de
                        in enkele gemeentelijke bouwverordeningen nog bestaande voorschriften over
                        mobiele brekers van rechtswege vervallen. De hogere regeling treedt in de
                        plaats van de lagere regeling. Onder bepaalde condities zoals voorgeschreven
                        in genoemd besluit is het toelaatbaar op de bouw- of slooplocatie dan wel in
                        de directe nabijheid daarvan een mobiele puinbreker op te stellen waar het
                        steenachtige bouw- en sloopafval wordt bewerkt, gedurende een aaneengesloten
                        periode van ten hoogste drie maanden. Het is verboden om met een mobiele
                        puinbreker bouw- en sloopafval te bewerken dat afkomstig is van andere bouw-
                        of slooplocaties dan die waarbij de breker is opgesteld. Interessant is de
                        uitspraak ABRS 24 maart 2004, Gst. 7208, 90 m.nt. Nijmeijer en Teunissen.
                        Een (mobiele) puinbreekinstallatie is een bouwvergunningplichtig bouwwerk.
                        De binnenplanse vrijstelling afvalverwerking is hierop van toepassing.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid geeft een nadere invulling van de onderwerpen genoemd in het
                        derde lid waarover in de sloopvergunning voorschriften worden gesteld.
                        Afhankelijk van de specifieke kenmerken die gelden voor bepaalde fracties of
                        bepaalde handelingen worden de eisen ingevuld. Zo gelden voor gevaarlijk
                        afval zware eisen voor de verpakking van dit afval en de tijdelijke opslag
                        ervan. De tweede zin verplicht burgemeester en wethouders over het afvoeren
                        van asbest en de termijn waarbinnen dit moet gebeuren een voorschrift in de
                        vergunning op te nemen. Deze verplichting staat in artikel 10, letter e, van
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005.</al><al><cursief>Lid 5</cursief> Indien op grond van het zesde lid van artikel 45
                        van de Woningwet een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                        bouwwerk, is verleend en daarin voorschriften zijn opgenomen over het slopen
                        van het tijdelijke bouwwerk – meestal in de zin van het uit elkaar nemen en
                        opslaan van de onderdelen van het bouwwerk totdat het bouwwerk opnieuw wordt
                        opgebouwd - is daarvoor geen afzonderlijke sloopvergunning nodig. De
                        tijdelijke bouwvergunning dient de nodige voorschriften te bevatten voor het
                        slopen van het bouwwerk. Uit de Memorie van Toelichting bij de Woningwet
                        blijkt dat met name gedacht wordt aan strandpaviljoens, bouwwerken voor
                        jaarlijks terugkerende evenementen e.d. </al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>Het verlenen en het weigeren van een sloopvergunning is een besluit in de
                        zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Afdeling 3:4 van de Awb – de
                        zogeheten Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV) - is niet van
                        toepassing op de behandeling van een verzoek om sloopvergunning. Het lijkt
                        niet zinvol, deze UOV van toepassing te verklaren op de sloopvergunning.
                        Aanvullend op de eisen die in dit artikel zijn gesteld gelden de
                        voorschriften van de Awb over het indienen van verzoeken om besluiten,
                        indienen door een gemachtigde enz. </al><al><cursief>Leden 1 en 2</cursief></al><al>Bepaald is wat moet worden ingediend om een sloopvergunning te kunnen
                        verkrijgen. Het bepaalde onder letter g is ingevoerd om coördinatie tussen
                        bouwvergunning en sloopvergunning mogelijk te maken. Zie voorts artikel
                        8.1.5, tweede lid. Ook wanneer een bouwvergunning is vereist en het bouwen
                        tevens (gedeeltelijk) slopen inhoudt is een sloopvergunning vereist. De
                        bouwvergunning houdt derhalve niet in dat mag worden gesloopt. Voor deze
                        situatie van samenloop van twee vergunningen is artikel 8.1.5, eerste lid,
                        bedoeld. De aanvrager is niet verplicht beide vergunningen gelijktijdig aan
                        te vragen. Doet hij dit wel, dan heeft dit voor hem (en overigens ook voor
                        de gemeente) enige procedurele voordelen.</al><al>De in te dienen gegevens over de aanwezigheid van asbest in een te slopen
                        bouwwerk en de plaatsen waar dit asbest zich bevindt dienen om een juist
                        beeld te krijgen van de verwijdering van asbest en om vast te stellen welke
                        overige bepalingen van de bouwverordening hierop van toepassing zijn. </al><al>Een asbestinventarisatierapport, waaruit blijkt waar het asbest zich
                        bevindt, opgesteld door een deskundig bedrijf, is verplicht. Een dergelijk
                        rapport behoeft niet te worden overgelegd indien een van de gevallen zich
                        voordoet als bedoeld in het derde of vierde lid.</al><al>Voor agrarische bedrijfsgebouwen zijn in het verleden op grote schaal
                        asbesthoudende bouwmaterialen toegepast, onder meer asbestcementgolfplaten
                        als dakbedekking. Tegenwoordig ontstaan er in de agrarische sector in
                        verscheidene streken van Nederland initiatieven tot projectmatige
                        asbestverwijdering vanaf een reeks agrarische bedrijfsgebouwen in de
                        gemeente. Het verlenen van één enkele zogenaamde paraplusloopvergunning voor
                        het gehele asbestverwijderingsproject is in dat geval minder omslachtig dan
                        het verlenen van individuele sloopvergunningen voor de
                        verwijderingswerkzaamheden aan ieder agrarisch bedrijfsgebouw afzonderlijk.
                        Een dergelijke paraplusloopvergunning behoeft niet op juridische bezwaren te
                        stuiten, indien een nauwkeurige plaatsaanduiding van alle agrarische
                        bedrijfsgebouwen die in het kader van dat asbestverwijderingsproject zullen
                        worden aangepakt, wordt opgenomen in de vergunningaanvraag. Aldus komen ook
                        voor paraplusloopvergunningen tijdig en volledig de gegevens beschikbaar die
                        noodzakelijk zijn, omdat vergunningen ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht vatbaar zijn voor bezwaar en beroep. Zie voor een verdere
                        toelichting op de consequenties van laatstgenoemde wet voor
                        sloopvergunningen de aanhef van de toelichting op het onderhavige
                        artikel.</al><al>Een sloopveiligheidsplan als bedoeld onder letter i van het tweede lid is te
                        vergelijken met een bouwveiligheidsplan als bedoeld in artikel 1.2.5 onder a
                        van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten en is slechts nodig in
                        enkele risicovolle sloopprojecten. Een dergelijk plan behoort zeker niet tot
                        de standaardbescheiden bij een aanvraag om sloopvergunning. In een overleg
                        voorafgaande aan het indienen van een aanvraag kan blijken of een dergelijk
                        plan nodig is. </al><al>De zinsnede ‘en voorts, indien van toepassing’ duidt erop dat slechts indien
                        door of namens burgemeester en wethouders het opstellen van een
                        sloopveiligheidsplan van toepassing is verklaard, aan deze plicht behoeft te
                        worden voldaan. Over het tijdstip waarop het plan wordt ingediend wordt
                        verwezen naar het eerste lid van artikel 8.1.3 en de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De aanvrager dient op het aanvraagformulier aan te geven dat hij vermoedt
                        dat het bouwwerk geen asbest bevat. Op grond van artikel 8.1.2, lid 3, wordt
                        aan hem de verplichting opgelegd om aan te tonen waarop deze verwachting is
                        gebaseerd. Op grond van diverse feiten of omstandigheden kan aannemelijk
                        zijn dat er geen asbest in het bouwwerk aanwezig is. Door het Ministerie van
                        VROM, de bouwpraktijk en de VNG zijn gevallen geïnventariseerd waarin de
                        aanvrager van een sloopvergunning kan aangeven dat hij vermoedt dat er geen
                        sprake is van verwijdering van asbest en op welke wijze dit ten genoegen van
                        burgemeester en wethouders moet worden aangetoond. Deze gevallen zijn
                        opgesomd in het onderhavige lid 3. Dit lid is een direct werkend
                        voorschrift, waarop de indiener van een verzoek om sloopvergunning zich kan
                        beroepen door op het aanvraagformulier aan te geven dat en waarom geen
                        onderzoeksrapport is bijgevoegd.</al><al>De gedachte achter deze inventarisatie is dat wordt voorkomen dat de plicht
                        tot het doen van een onderzoek naar asbest onevenredig hoge maatschappelijke
                        kosten met zich brengt, omdat de kans op de aanwezigheid van asbest niet in
                        verhouding tot die kosten staat. In sommige gevallen is het evident dat het
                        te slopen bouwwerk geen asbest bevat. In andere gevallen kan de aanvrager
                        zelf constateren dat er vermoedelijk geen asbest aanwezig is. Bij de
                        inventarisatie van de gevallen waarin de aanvrager van een sloopvergunning
                        kan aangeven dat er geen sprake is van verwijdering van asbest, is als
                        richtlijn genomen dat het bouwwerk, gelet op bouwconstructie en gebruikte
                        materialen, betrekkelijk eenvoudig moet zijn. Niet valt uit te sluiten dat
                        zich in de praktijk vergelijkbare gevallen zullen aandienen, waarin gemeente
                        en aanvrager het erover eens zijn dat aannemelijk is dat er geen asbest in
                        het bouwwerk aanwezig is. </al><al>Het voorstel biedt de mogelijkheid aan de aanvrager om ten genoegen van
                        burgemeester en wethouders in andere, vergelijkbare gevallen of op andere,
                        vergelijkbare wijze aan te tonen dat de verplichting om een onderzoek door
                        een deskundig bedrijf te overleggen niet van toepassing is. </al><al><cursief>Onder b</cursief></al><al>Voor medio 1997 was het reeds praktijk dat – voorafgaand aan met name grote
                        sloopprojecten – een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest plaatsvond. </al><al>Deze onderzoeksrapporten zijn alleen aanvaardbaar als alternatief indien
                        daarin aandacht wordt besteed aan alle aspecten waaraan in BRL 5052 eisen
                        worden gesteld. Burgemeester en wethouders bepalen, zo nodig met externe
                        ondersteuning, of het onderzoek aan deze criteria voldoet. Indien het
                        onderzoeksrapport niet aan deze eisen voldoet, dient alsnog een onderzoek
                        door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf plaats te vinden. </al><al>Een dergelijk onderzoek kan als voldoende deskundig uitgevoerd worden
                        beschouwd, indien het aan de volgende criteria voldoet:</al><al>– De gebruikte onderzoeksmethode is goed beschreven en levert in principe
                        dezelfde basisgegevens op als zijn vastgelegd in beoordelingsrichtlijn BRL
                        5052, uitgave 1998.</al><al>– De opdracht tot het uitvoeren van een volledig asbestonderzoek moet
                        duidelijk omschreven zijn.</al><al>–Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een bedrijf en/of personen met een
                        aantoonbare expertise in onderzoeken naar asbesthoudende materialen.</al><al>Personen met een dergelijke expertise zijn bijvoorbeeld medewerkers van
                        woningcorporaties met een toereikende opleiding, in het algemeen blijkend
                        uit het bezit van een diploma deskundig toezichthouder asbestsloop (DTA). </al><al>Samenvattend kan worden gesteld dat, op grond van BRL 5052, een
                        onderzoeksrapport ten minste de volgende onderwerpen dient te bevatten:</al><al>– een samenvatting;</al><al>– de resultaten van een visuele inspectie, zo nodig aangevuld met informatie
                        uit desk research;</al><al>– de bemonstering;</al><al>– de laboratoriumanalyses;</al><al>– een overzicht van de hoeveelheden, exacte plaatsen en wijze van
                        bevestiging van het asbestbevattende materiaal;</al><al>– een overzicht van de plaatsen waar niet is geïnventariseerd, maar waar
                        mogelijk nog asbestbevattend materiaal aanwezig is.</al><al>De toepassing en verkoop van asbesthoudende materialen is sinds 1 juli 1993
                        verboden. Dit betekent dat wanneer een dergelijk onderzoek na 1 juli 1993
                        heeft plaatsgevonden, dit nog steeds een betrouwbaar beeld van de
                        aanwezigheid van asbest zal geven. Ook onderzoeken van eerdere datum kunnen
                        bij de beoordeling worden betrokken indien uit de schriftelijke verklaring
                        blijkt dat de onderzochte situatie later niet meer gewijzigd is. Hiervoor
                        kan onder andere informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de beheerder
                        of de huurder.</al><al><cursief>Onder c</cursief></al><al>De situatie dat het te slopen bouwwerk na 1 januari 1994 is gebouwd, is
                        opgenomen omdat de verkoop en verwerking van asbest door bedrijven sinds 1
                        januari 1994 verboden is. Het heeft derhalve vrijwel geen zin om bouwwerken
                        die na 1 januari 1994 zijn gebouwd, te onderzoeken op de aanwezigheid van
                        asbest. Als bewijs voor deze motivering moet de aanvrager een schriftelijk
                        stuk overleggen, waaruit blijkt dat het bouwwerk, dan wel het te slopen deel
                        van het bouwwerk, na 1 januari 1994 is gebouwd.</al><al><cursief>Onder d </cursief></al><al>Vooral bij bouwwerken van recente datum zal de bouwer bij de aanvrager
                        bekend zijn. De verklaring van de aanvrager omtrent later uitgevoerde
                        verbouwingen kan worden ondersteund door verklaringen van de bouwer en/of de
                        fabrikant dat het hierbij toegepaste materiaal geen asbest bevat. Deze
                        situatie is echter niet beperkt tot later uitgevoerde verbouwingen. Ook van
                        tussentijds aangebrachte voorzieningen, bijvoorbeeld brandwerende
                        voorzieningen, dient te worden aangetoond dat deze geen asbest bevatten.
                        Hiervoor kan onder andere informatie ingewonnen worden bij de eigenaar, de
                        beheerder of de huurder.</al><al><cursief>Onder e </cursief></al><al>Sinds de risico’s van asbest bij de consument bekend zijn geworden, zijn
                        fabrikanten overgegaan tot het (op verzoek) verklaren dat hun product vrij
                        is van asbest. In de corporatiepraktijk is het gebruikelijk dat aannemers
                        bij gebruik van asbestverdachte materialen, zoals golfplaten, verklaringen
                        van de fabrikant overleggen, waaruit blijkt dat daarin geen asbest is
                        gebruikt. Onderzoek door een deskundig bedrijf is in deze eenvoudige
                        situatie onnodig; voor de sloop van bepaalde materialen kan met deze
                        verklaringen worden volstaan. Onder verwijdering van bepaalde materialen
                        wordt bijvoorbeeld verstaan verwijdering van vinylvloerbedekking of
                        standleidingen uit een serie woningen. Zie ook de toelichting onder f.</al><al><cursief>Onder f</cursief></al><al>Visuele inspectie De voorheen bestaande mogelijkheid om aan de hand van een
                        visuele inspectie de aanwezigheid van asbest te bepalen is met de 11e serie
                        van wijzigingen vervallen. De visuele inspectie aan de hand van de checklist
                        van bijlage 8 van de bouwverordening leidde nogal eens tot een discussie
                        tussen de gemeente en de aanvrager, waarbij de eerste meent dat wel moet
                        worden uitgegaan van asbestverdachte materialen en de tweede meent dat de
                        visuele inspectie voldoende houvast biedt om aan te nemen dat geen asbest
                        aanwezig is. Mede gelet op de strekking van het nieuwe
                        Asbestverwijderingsbesluit om minder uitzonderingen toe te laten op de
                        asbestinventarisatieplicht dan voorheen het geval was, is de visuele
                        inspectie aan de hand van de toen bestaande checklist bijlage 8 vervallen.
                        De genoemde checklist gaat naar de toelichting en vormt als bijlage bij de
                        toelichting een nuttige handreiking bij de uitvoering. Het vierde lid dat
                        handelt over de verplichte asbestinventarisatie is aangescherpt in die zin
                        dat de gevallen waarin een dergelijk inventarisatierapport niet behoeft te
                        worden overgelegd bij de aanvraag om sloopvergunning is beperkt. Hiermee
                        wordt aansluiting gezocht bij de tekst van artikel 3 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 met het tekstgedeelte “… beschikt … over een
                        asbestinventarisatierapport indien hij weet of redelijkerwijs kan weten dat
                        zich in het bouwwerk…. asbest … bevindt.” De combinatie van de herziene
                        leden 3 en 4 van artikel beoogt hier invulling aan te geven. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij het verzoek om een sloopvergunning moet worden vermeld of zich in het te
                        slopen (deel van een) bouwwerk asbest bevindt. Aan de hand van een aantal
                        criteria kan de mate van waarschijnlijkheid en daarmee de noodzaak om een
                        asbestinventarisatie te doen plaatsvinden worden vastgesteld. Deze criteria
                        zijn ontleend aan het Asbestverwijderingsbesluit 2005. In dit besluit wordt
                        in artikel 3, eerste lid, de formulering gebruikt ‘indien hij weet of
                        redelijkerwijs kan weten’. Dit voorschrift richt zich tot degene die
                        voornemens is te slopen. In dit vierde lid van artikel 8.1.2 worden twee
                        situaties genoemd waarin het niet nodig is een asbestinventarisatierapport
                        te doen opstellen. Indien zich geen der situaties als bedoeld in het derde
                        lid en het vierde lid voordoet is altijd een asbestinventarisatierapport van
                        een deskundig bedrijf vereist. </al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Degene die voornemens is een sloopvergunning aan te vragen kan indien het
                        historisch gebruik hem onbekend is bij de gemeente navraag doen naar het
                        historisch gebruik van het gebouw. Over de verwachting verontreiniging aan
                        te treffen en de daaraan te verbinden conclusie – wel of geen onderzoek
                        instellen – is vooroverleg met de gemeente verstandig.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Het aantalvoud waarin de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten
                        worden ingediend kan per gemeente verschillen, mede afhankelijk van de
                        plaatselijke organisatie.</al><al><vet>Het opstellen van een sloopveiligheidsplan</vet></al><al>Analoog aan het bouwveiligheidsplan kan, bij complexe sloopprojecten en/of
                        een omgeving met een hoge bebouwingsdichtheid of een hoge
                        verkeersintensiteit, de externe veiligheid bijzondere aandacht vergen. </al><al>De maatregelen die de aanvrager om sloopvergunning denkt te nemen, moeten
                        voorafgaand aan de sloop aan de hand van een sloopveiligheidsplan kunnen
                        worden getoetst. Er wordt met nadruk op gewezen dat het sloopveiligheidsplan
                        als bedoeld in dit artikel alleen betrekking heeft op de weg, de in de weg
                        gelegen werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en
                        terreinen en hun gebruikers.</al><al><cursief>Wanneer is een sloopveiligheidsplan nodig</cursief></al><al>Indien de bedreigingen die uitgaan van activiteiten omtrent slopen (bijlage
                        5 van de toelichting) zich uitstrekken tot boven gronden en bebouwingen
                        buiten de afgrenzing van het sloopterrein, zullen maatregelen nodig zijn om
                        deze bedreigingen weg te nemen. Afhankelijk van de locatie-specifieke
                        omstandigheden kan het nodig zijn deze maatregelen in een
                        sloopveiligheidsplan op te nemen (bijlage 6 van de toelichting).</al><al>Een sloopveiligheidsplan is slechts dan nodig indien de locatiespecifieke
                        omstandigheden dusdanig complex zijn dat het zonder een dergelijk plan voor
                        het bouw- en woningtoezicht niet mogelijk is om de externe veiligheid op
                        voorhand afdoende te beoordelen, terwijl duidelijk sprake is van
                        bedreiging(en) van de externe veiligheid. Aan de hand van enkele voorbeelden
                        is hierna één en ander verduidelijkt.</al><al><cursief>Wat is de inhoud van het sloopveiligheidsplan</cursief></al><al>De inhoud van het sloopveiligheidsplan is afhankelijk van de
                        locatiespecifieke omstandigheden. In de in bijlage 6 van de toelichting
                        opgenomen checklist wordt voor de verschillende bedreigde objecten en
                        functies een aantal mogelijke maatregelen gegeven die in het
                        sloopveiligheidsplan kunnen worden opgenomen. De aanvrager om
                        sloopvergunning kan in zijn sloopveiligheidsplan gelijkwaardige maatregelen
                        opnemen die niet op deze checklist voorkomen. </al><al>In bijlage 7 van de toelichting is een voorstel gedaan voor een
                        inhoudsopgave van een sloopveiligheidsplan.</al><al><cursief>Toetsing van het sloopveiligheidsplan</cursief></al><al>De in bijlage 6 van de toelichting opgenomen checklist van bedreigde
                        objecten en functies en maatregelen kan dienen als hulpmiddel bij het
                        opstellen en toetsen van een sloopveiligheidsplan, door na te gaan of de
                        betreffende situatie en voorgestelde maatregel(en) vergelijkbaar is/zijn met
                        de in de checklist gegeven objecten, functies en maatregelen.</al><al><cursief>Vooroverleg</cursief></al><al>Bij complexe en/of risicovolle sloopprojecten is een (informeel) vooroverleg
                        vaak noodzakelijk. Voor wat betreft de externe veiligheid bij het slopen
                        dienen bij een vooroverleg de met de sloop samen-hangende bedreigingen, de
                        bedreigde objecten en functies en de locatiespecifieke omstandigheden bekend
                        te zijn, zodat reeds in het vooroverleg (met de juiste instanties) kan
                        worden bepaald of er een sloopveiligheidsplan noodzakelijk is en waar het
                        sloopveiligheidsplan zich op dient te richten.</al><al><cursief>Voorbeelden</cursief></al><al>Voorbeeld 1: Sloop van gebouw met een hoge gevel (30 m) aan een smalle (20
                        m) drukke winkelstraat met een tram, voetgangers, fietsers en auto’s. De weg
                        dient gedurende de sloopwerkzaamheden al zijn verkeersfuncties te blijven
                        vervullen. De bovenleiding van de tram is bevestigd aan de gevel van het te
                        slopen gebouw. Voor slopen van het dak is een kraan nodig.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat in deze complexe situatie de externe veiligheid
                        een belangrijke rol speelt. In het sloopveiligheidsplan zullen opgenomen
                        moeten worden:</al><al>– gegevens waaruit blijkt dat de sloopmethode geen bedreiging vormt (dit kan
                        inhouden dat de voorgevel met de hand moet worden gesloopt);</al><al>– de maatregelen ter bescherming van de weggebruikers, zoals bijvoorbeeld
                        uitstekers (om de zoveel verdiepingen) of voetgangertunnels;</al><al>– de verkeerscirculatie gedurende de sloop;</al><al>– de wijze waarop wordt omgegaan met de bovenleiding van de tram;</al><al>– het tijdstip, de tijdsduur en de wijze van de hijswerkzaamheden.</al><al>Voorbeeld 2: Afhijsen van kerktoren (60 m) in dicht bebouwde binnenstad. Er
                        is te weinig ruimte voor een mobiele kraan. Er zal boven woningen moeten
                        worden gewerkt. </al><al>In het sloopveiligheidsplan zal onder meer aandacht moeten worden geschonken
                        aan:</al><al>– de aan/afvoer en op/afbouw van de kraan;</al><al>– de draagkracht van het wegdek;</al><al>– de duur, het tijdstip van de werkzaamheden;</al><al>– het voorkomen van schade en gevaar als gevolg van het afbreken van de
                        hijslast of delen daarvan;</al><al>– eventueel tijdelijk te ontruimen bouwwerken.</al><al>Voorbeeld 3: Gedeeltelijke sloop van pand met belendingen. De sloop betreft
                        ook de funderingen. Er zal daarom een bouwput nodig zijn met bemaling. De
                        gevel van het gebouw is in slechte staat, maar moet behouden blijven. Er is
                        sprake van gemeenschappelijke bouwmuren. </al><al>De belendende panden zijn oud, in een matige staat en bezitten een
                        historische waarde.</al><al>In het sloopveiligheidsplan zullen de volgende aspecten minimaal aan de orde
                        moeten komen:</al><al>– stabiliteit resterende gevel, bijvoorbeeld met behulp van stalen
                        steunconstructie;</al><al>– sloopmethode in verband met trillingen, trillingsarm slopen;</al><al>– bemaling in verband met grondwaterstand;</al><al>– stabiliteit belendingen in verband met bouwput;</al><al>– verankeringen in gemeenschappelijke bouwmuur.</al><al>Voorbeeld 4: Sloop van een 60 meter hoog gebouw op een bedrijfsterrein, te
                        midden van andere bedrijfsgebouwen en wegen. Het gebouw bevindt zich ten
                        minste 500 meter van de afgrenzing van het bedrijfsterrein. In dit geval is
                        er geen sprake van bedreiging van de externe veiligheid, gezien de afstand
                        tot de openbare weg. Er is dan ook geen sloopveiligheidsplan
                        noodzakelijk.</al><al>Voorbeeld 5: Wanneer uit een rij aaneengesloten woningen er één wordt
                        gesloopt kan dit tot gevolg hebben dat een woningscheidende wand na de sloop
                        buitenwand (uitwendige scheidingsconstructie) wordt. De consequentie dat
                        deze wand regenwerend moet worden gemaakt en ook overigens zal moeten gaan
                        voldoen aan de eisen die gelden voor een uitwendige scheidingsconstructie
                        zoals bedoeld in het Bouwbesluit bestaande woningen en woongebouwen kan
                        vooraf worden besproken tussen partijen. Het verhaal van eventuele schade is
                        een privaatrechtelijke aangelegenheid. De overheid kan volstaan met het
                        stellen van voorschriften tot het voorkomen van schade. Zie onder
                        hoofdlijnen van de jurisprudentie bij artikel 8.1.6 de uitspraak van 3
                        december 1992.</al><al>Voorbeeld 6: Gedeeltelijke sloop vindt plaats en het overige deel van het
                        bouwwerk blijft bestaan en blijft in gebruik. Afhankelijk van de gekozen
                        sloopmethode en de samenstelling van het bouwwerk kan het nodig zijn een
                        voorschrift op te nemen over het voorkomen van brand.</al><al><vet>Aanbevelingen</vet></al><al>Het opvolgen van de onderstaande aanbevelingen kan de externe veiligheid
                        tijdens het slopen vergroten:</al><al>– vooroverleg waarin de externe veiligheid ter sprake komt;</al><al>– voor de praktijk van aanbesteding is het van belang dat voor het moment
                        dat sloopaannemers inschrijven op een sloopproject bekend is of een
                        sloopveiligheidsplan wordt verlangd en wat de inhoud daarvan moet zijn. Een
                        mogelijkheid is om in het bestek actiepunten met betrekking tot de externe
                        veiligheid op te nemen; (Deze aspecten worden niet als voorschrift aan de
                        sloopvergunning verbonden, omdat zij van privaatrechtelijke aard zijn).</al><al>– zodra beschikbaar: procescertificering van sloopbedrijven (hieraan wordt
                        momenteel gewerkt door de brancheorganisaties);</al><al>– indien een gemeente onvoldoende ervaring/deskundigheid bezit op het gebied
                        van sloopveiligheid, kan een externe deskundige worden ingeschakeld.</al><al>In de bijlagen 5, 6 en 7 die zich achter de artikelsgewijze toelichting
                        bevinden worden aandachtspunten vermeld voor het opstellen van een
                        sloopveiligheidsplan.’</al><al>Lid 7 </al><al>Met betrekking tot het zevende lid, waarin het gebruik van de Nederlandse
                        taal verplicht is gesteld, wordt opgemerkt dat artikel 2:7 van de Algemene
                        wet bestuursrecht de mogelijkheid biedt om verzoeken gericht aan een
                        bestuursorgaan van een gemeente gelegen in de provincie Friesland in de
                        Friese taal te doen.</al><al><cursief>Leden 12 en 13</cursief></al><al>Het bepaalde in deze leden is een uitwerking van artikel 2, letter g, van
                        het Asbestverwijderings-besluit. Voorkomen wordt dat voor het slopen van een
                        bouwwerk zowel een vergunning als een melding is vereist. </al><al>Indien een deel van de sloopwerkzaamheden ver-gunningplichtig is en een deel
                        meldingplichtig, is het geheel van sloopwerkzaamheden ver-gunningplichtig en
                        is derhalve het meldingplichtige gedeelte begrepen in de
                        sloopvergunning.</al><al>Indien per abuis een vergunning wordt aangevraagd terwijl volstaan kan
                        worden met een melding, wordt de aanvraag om sloopvergunning aangemerkt als
                        melding. </al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Indien niet alle vereiste gegevens bij de aanvraag om een beschikking worden
                        ingediend, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.
                        Dit is geregeld in artikel 4:5 van de Awb. Daarbij geldt wel de eis dat de
                        aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld binnen een door het bestuursorgaan
                        gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. In artikel 8.1.3 is deze termijn
                        gesteld op vier weken, nadat de aanvrager is medegedeeld dat zijn aanvraag
                        niet compleet is. Een dergelijke mededeling is een beschikking in de zin van
                        de Awb.</al><al>Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over de procedure de toelichting bij
                        artikel 6.1.3. Het daar gestelde met betrekking tot de gebruiksvergunning
                        geldt mutatis mutandis ook voor de sloopvergunning.</al><al>Omdat bij het indienen van een aanvraag om sloopvergunning nog geen
                        onderzoeksplicht geldt, kan het gebeuren dat de aanvrager op grond van eigen
                        inzichten meent dat zich in het te slopen bouwwerk geen asbest bevindt, doch
                        dat burgemeester en wethouders op grond van hun ter beschikking staande
                        gegevens menen dat het te slopen bouwwerk wel asbest bevat. Indien
                        burgemeester en wethouders voldoende zeker zijn van hun zaak stellen zij op
                        grond van de tweede zin van dit lid de aanvrager in de gelegenheid de
                        ontbrekende gegevens over de aanwezigheid van asbest aan te vullen binnen
                        vier weken.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid strekt ertoe de gegevens over degene die het sloopwerk uitvoert
                        buiten de de procedure van artikel 4:5 Awb te houden. Deze gegevens mogen op
                        een later tijdstip doch voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden worden
                        ingediend. Zie daarover de toelichting bij artikel 8.1.1, derde lid, letter
                        d.</al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid moeten burgemeester en wethouders binnen twaalf
                        weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing nemen op de aanvraag.
                        Indien toepassing is gegeven aan artikel 8.1.3 betekent dit, dat de termijn
                        wordt opgeschort. Zie hierover de toelichting bij artikel 8.1.3.</al><al>De termijnen in dit artikel zijn geen fatale termijnen, maar termijnen van
                        orde. Dit betekent dat ook na het verstrijken van een termijn burgemeester
                        en wethouders alsnog een beslissing kunnen nemen. Hierop hoeft een aanvrager
                        niet te wachten. Deze mag aannemen dat een vergunning is geweigerd indien na
                        het verstrijken van de termijnen geen beslissing is genomen. Tegen deze
                        fictieve weigering kan op grond van de Awb bezwaar en beroep worden
                        ingesteld. Het tweede lid bevat een uitzondering op de termijn van het
                        eerste lid.</al><al>Het derde lid bevat een aanhoudingsregeling, die ten doel heeft te voorkomen
                        dat een sloop-vergunning op grond van de bouwverordening wordt verleend en
                        daarna een andere noodzakelijke vergunning voor het slopen wordt geweigerd.
                        Deze verwarrende situatie zou tot onherstelbare schade kunnen leiden, zoals
                        het slopen van een beschermd monument.</al><al>Lid 2</al><al>Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 introduceert in artikel 10, letter i een
                        termijn van vier weken waarbinnen moet zijn beslist omtrent een verzoek om
                        sloopvergunning voor het verwijderen van uitsluitend asbest. Het woord
                        uitsluitend is volgens de toelichting bij het besluit zeer bepalend. Dit
                        houdt in dat de termijn van vier weken niet geldt voor alle andere
                        sloopsituaties waarin geen asbest wordt verwijderd of waarin naast de
                        asbestverwijdering ook andere materialen worden gesloopt. Een mogelijk
                        nadeel van de korte termijn van vier weken is dat er geen tijd meer is om -
                        met gebruikmaking van art. 8.1.3 MBV - een aanvrager in de gelegenheid te
                        stellen een onvolledige aanvraag aan te vullen. Het aantal keren dat een
                        aanvraag niet in behandeling wordt genomen wegens onvolledigheid van de
                        stukken kan hierdoor toenemen (art. 4:5 Awb). Artikel 10 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 bevat geen regeling voor verlenging van de
                        termijn. Hoewel het Asbestverwijderingsbesluit 2005 geen relatie legt met de
                        Monumentenwet, een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening of met
                        een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de stads- en
                        dorpsvernieuwing, gaan wij ervan uit dat het niet verkeerd is om in de
                        bouwverordening de koppeling die bedoeld is om de beschermende werking te
                        verzekeren, te handhaven ook indien daarmee de termijn van vier weken
                        aanmerkelijk wordt overschreden. Hoewel monumenten zijn opgericht in een
                        tijd dat asbest geen bouwmateriaal was, kan bij een eerdere (meestal
                        inpandige) verandering of restauratie asbest zijn toegepast, dat nu weer
                        wordt verwijderd. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De in bestemmingsplannen vereiste aanlegvergunning kan een rol vervullen bij
                        het al dan niet slopen van een bouwwerk. Voor het aanleggen van een weg kan
                        een aanlegvergunning zijn vereist. Indien de aanlegvergunning er niet is,
                        mag die weg niet worden aangelegd. Dan is het niet nodig een bouwwerk te
                        slopen dat staat in het tracé van die weg.</al><al>Indien in artikel 8.1.6 een extra weigeringsgrond voor een sloopvergunning
                        wordt opgenomen onder de letter f. voor het (nog) niet aanwezig zijn van een
                        vergunning als bedoeld in artikel 30 of artikel 33 van de Huisvestingswet,
                        dienen deze vergunningen ingevolge de Huisvestingswet ook in de opsomming
                        van artikel 8.1.4, tweede lid te worden opgenomen als
                        aanhoudingsgrondslag.</al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>Men zij erop bedacht dat de regeling over het in behandeling nemen van de
                        aanvraag om sloop-vergunning (zie artikel 8.1.3) afwijkt van die van de
                        aanvraag om bouwvergunning. Indien bij beide aanvragen gegevens ontbreken
                        zal dat praktisch tot gevolg hebben dat er eerder op de aanvraag om
                        sloopvergunning moet worden beslist, dan op de aanvraag om bouwvergunning. </al><al>Gelet op de samenhang van beide vergunningen, kan het onder omstandigheden
                        de voorkeur-verdienen de beslistermijn ter zake van de sloopvergunning te
                        overschrijden in afwachting van de beslissing op de aanvraag om
                        bouwvergunning. Ter zake van de aanvraag om sloopver-gunning gelden immers
                        geen fatale termijnen. Zie hierover ook de toelichting bij artikel
                        8.1.4.</al><al>Wanneer een bouwvergunning en een sloopvergunning nodig zijn voor één
                        activiteit zoals ver-bouwen en zowel een sloopveiligheidsplan als een
                        bouwveiligheidsplan wordt verlangd, kan een gecombineerd sloop- en
                        bouwveiligheidsplan worden ingediend.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 8.1.2, eerste en tweede lid.</al><al>Een toepassing van de samenloopregeling is niet zinvol indien uitsluitend
                        asbest wordt verwijderd </al><al>en daarop de termijn van vier weken van toepassing is als bedoeld in het
                        tweede lid van artikel </al><al>8.1.4.</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De weigeringsgronden vermeld in dit artikel zijn limitatief bedoeld.</al><al>Voorheen bevatten de artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet
                        1962 een regeling over respectievelijk woningonttrekking en woningsplitsing.
                        Per 1 juli 1993 is de Huisvestingswet in werking getreden. Artikel 89,
                        eerste lid, tweede zin, luidt: In de Woningwet 1962 vervallen de artikelen
                        56 en 56a tot en met 56i. Dit geldt ook voor het overgangsartikel 124 in de
                        Woningwet 1991. De artikelen 30 tot en met 32 en 33 tot en met 39 regelen
                        thans de mogelijkheid tot het eisen van een onttrekkingsvergunning
                        respectievelijk een splitsingsvergunning. Uitwerking geschiedt in een
                        gemeentelijke huisvestingsverordening.</al><al>Voor zover in de gemeentelijke bouwverordening nog wordt verwezen naar de
                        vervallen artikelen 56 en 56a tot en met 56i van de Woningwet, dienen deze
                        verwijzingen te worden ingetrokken. Voor het weigeren van de sloopvergunning
                        hebben sommige gemeenten als weigeringgrond opgenomen het niet aanwezig zijn
                        van een toestemming als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Woningwet
                        1962. Een formulering voor een dergelijke weigeringgrond kan nu luiden:</al><al>‘f. een vergunning als bedoelt in artikel 30 of artikel 33 van de
                        Huisvestingswet (Stb. 1992, 548) is vereist en deze niet is verleend.’</al><al><cursief>Ad a en b</cursief></al><al>Meestal kan door het verbinden van voorschriften aan de sloopvergunning, als
                        bedoeld in artikel 8.1.1, derde lid, worden bereikt dat de veiligheid
                        tijdens het slopen en de bescherming van nabijgelegen bouwwerken voldoende
                        is gewaarborgd. Indien ook door het stellen van voorschriften geen voldoende
                        niveau van veiligheid c.q. bescherming kan worden gewaarborgd, moet de
                        sloop-vergunning worden geweigerd. Meestal zal in overleg met de aanvrager –
                        vaak al vóór de indiening van de aanvraag om sloopvergunning – worden
                        gezocht naar een voor de gegeven situatie veilige sloopmethode en zodanige
                        maatregelen dat voldoende bescherming van nabijgelegen bouwwerken is
                        verzekerd. De weigeringsgronden ad a en b strekken ertoe een onveilige
                        sloopwijze of een onvol-doende bescherming van andere bouwwerken te kunnen
                        tegenhouden. Het doel is niet om het slopen onmogelijk te maken. Er moet van
                        worden uitgegaan dat ooit ieder bouwwerk een keer wordt gesloopt.</al><al><cursief>Ad c, d en e</cursief></al><al>Dezelfde andere voor het slopen vereiste vergunningen als besproken bij de
                        aanhouding onder artikel 8.1.4, tweede lid, gelden hier als weigeringgrond
                        voor de sloopvergunning indien één van deze andere vergunningen is
                        geweigerd. Op deze wijze wordt de sloopvergunning van de bouwverorde-ning
                        het sluitstuk van het complex van vergunningen dat nodig kan zijn voor het
                        slopen van een bouwwerk. </al><al>Letter e. De relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning,
                        waarbij het ontbreken van de eerste een weigeringsgrond oplevert voor de
                        tweede vergunning, is enkel van belang indien de aanlegvergunning een
                        duidelijke relatie vertoont met de reden waarop een sloopvergunning is
                        gevraagd voor die locatie. Dit is bijvoorbeeld het geval indien voor de
                        aanleg van een weg een bouwwerk moet worden gesloopt en voor die weg een
                        aanlegvergunning is vereist en niet is verleend. Dan bestaat een causaal
                        verband tussen de sloopvergunning en de aanlegvergunning en is het logisch
                        dat de sloopvergunning wordt geweigerd indien de reden voor de aanvraag is
                        vervallen. Zonder aanlegvergunning komt de weg er niet. Indien er geen
                        relatie tussen een aanlegvergunning en een sloopvergunning aanwezig is, maar
                        beide om uiteenlopende redenen tegelijk in hetzelfde gebied nodig zijn,
                        geldt deze weigeringsgrond niet</al><al><cursief>“”Hoofdlijnen van de jurisprudentie op basis van de Woningwet 1991
                            en de bouwverordening (MBV 1992)</cursief></al><al>– Bezwaar tegen verleende sloopvergunning, omdat hierdoor de zijgevel van de
                        woning (bestaande uit kalkzandsteen) onbedekt zal achterblijven. Schade
                        ongeveer 15.000,–. VAR: vrees voor schade geen reden tot schorsing. Gestelde
                        voorwaarde over het voorkomen van schade is voldoende. Dergelijke
                        schadegevallen dient verzoeker via privaatrechtelijk verhaal te
                        regelen.</al><al> Vz. ARRS 3 december 1992; S03.92.4270.</al><al>– Schorsing sloopvergunning. De gemeente heeft in casu op geen enkele wijze
                        verzekerd dat op korte termijn met de nieuwbouw een aanvang kan worden
                        genomen, aangezien het uitgeven in erfpacht aan de vergunninghouder nog tot
                        stand moet komen en voorts verzoekers zich door middel van een
                        executiegeding verzetten tegen de tenuitvoerlegging van het jegens hen
                        gewezen ontruimingsvonnis.</al><al> Opmerking: de aangehaalde bepaling van de Amsterdamse bouwverordening komt
                        overeen met het tweede lid van artikel 8.1.6 MBV.</al><al> Vz. ARRS 21 september 1992, Nos. S03.92.3196 en S03.92.3232.</al><al>– Tegen een vergunning voor de sloop van 26 woningen stelt
                        derde-belanghebbende dat de gemeente ten onrechte de weigeringgrond
                        aantasting van het stads- of dorpsbeeld als bedoeld in het tweede lid van
                        artikel 8.6 (thans 8.1.6) ongebruikt heeft gelaten. Verzoekers hebben niet
                        aannemelijk gemaakt dat verweerders in het verleden voor minder belangrijke
                        en het dorpsgezicht bepalende woningen een sloopvergunning hebben geweigerd.
                        Voor een langdurige kaalslag behoeft niet te worden gevreesd daar inmiddels
                        een bouwvergunning is aangevraagd voor de bouw van 32 bejaarden-woningen ter
                        plaatse. Derhalve doet de genoemde weigeringgrond zich niet voor en vindt
                        geen beoordeling plaats van de verbindendheid van dit tweede lid.</al><al> Vz. ARRS 14 september 1993; SO3. 93. 3444, BR 1994, 319.</al><al>– De weigeringsgronden voor een sloopvergunning staan limitatief opgesomd in
                        artikel 8.6 van de (Model-)bouwverordening. In casu is aan de orde de vraag
                        of wordt verwacht dat door het slopen het stads- of dorpsbeeld ernstig zal
                        worden geschaad. Het enkele feit van het plaatsen van de bouwwerken door de
                        gemeenteraad op de lijst in het kader van het Monumentenelectieproject is
                        daartoe niet voldoende.</al><al> Vz. ARRS 7 januari 1994, SO3.93.4666.</al><al>– Aangezien artikel 8 van de herziene Woningwet geen verruiming beoogt van
                        artikel 9 van de voorheen geldende Woningwet 1962, wordt op grond van
                        dezelfde argumenten als de Kroon hanteert in onder meer KB 21 juni 1985 en
                        KB 7 mei 1985, geoordeeld dat artikel 8.6, tweede lid, van de
                        bouwverordening 1992 verbindende kracht mist. De Woningwet beoogt
                        voorschriften te doen opnemen in het belang van de veiligheid bij het slopen
                        en niet specifiek planologische belangen als stedenbouwkundige en
                        landschappelijke aspecten van het slopen.</al><al> Vz. ABRS 3 maart 1994, NJB, 1994, p. 258, BR 1994, p. 588; Gst. 6988, p.
                        282.</al><al>– De bouwverordening bepaalt, in afwijking van de (Model-)-bouwverordening,
                        dat een aanvraag om sloopvergunning wordt aangehouden indien op dezelfde
                        plaats een bouwvergunning is aangevraagd. Deze bepalingen zijn gericht op
                        het tegengaan van open gaten en naar voorlopig oordeel niet in strijd met de
                        Woningwet. Nu er geen sprake is van onzekerheid of de door verzoeker
                        aangevraagde bouwvergunning zal worden verleend, kunnen verweerders hier
                        geen argument aan ontlenen om te wachten met het beslissen op de aanvraag om
                        een sloopvergunning.</al><al> Pres. Rb. Amsterdam 14 juni 1994, AWB 94/930. Zie ook Vz. ABRS 13 december
                        1996, ABkort 1997, nr. 147.</al><al>– Het verzoek om aanwijzing als monument is door de minister niet in
                        behandeling genomen, maar ter kennisgeving doorgezonden naar de raad.
                        Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de
                        Monumentenwet. De voorzitter acht het voor gerede twijfel vatbaar of de
                        minister het verzoek buiten behandeling kon laten, doch dit is niet
                        bestreden en de bezwaartermijn is verlopen. Verlening van de
                        sloopvergunning.</al><al> Vz. ABRS 9 augustus 1994, JB 1994, p. 865.</al><al>– Verwijzing naar eerdere jurisprudentie over artikel 8.6., lid 2,
                        (Model-)bouwverordening. Daaruit blijkt dat een sloopvergunning in ieder
                        geval niet kan worden geweigerd op grond van architectonische,
                        cultuurhistorische of specifiek planologische gronden. Indien als
                        toetsingscriterium is opgenomen dat moet worden geweigerd indien te
                        verwachten is dat door het slopen het stadsbeeld zal worden geschaad, kent
                        de Afdeling rechtspraak daaraan geen verder reikende betekenis toe dan te
                        voorkomen dat na sloop langdurig gaten zouden ontstaan die niet passen in
                        het stadsbeeld. In artikel 8.6., lid 2, is opgenomen dat de
                        welstandscommissie adviseert. Deze duidelijke regeling laat geen ruimte voor
                        een andere procedure, zoals het onderhavige advies van de
                        monumentencommissie. </al><al> Pres. Rb. Breda 22 augustus 1994, 94/2262 VEROR KO.</al><al>– De (Model-)bouwverordening bevat een limitatieve opsomming van
                        weigeringsgronden voor een sloopvergunning.</al><al> Pres. Rb. Alkmaar 1 september 1994, BR 1994, p. 933. Zie ook Vz. ABRS 13
                        december 1996, ABkort 1997, nr. 147.</al><al>– Sloop van een winkelpand dat als ‘winkeltrekker’ dient. President
                        overweegt dat de gemeente onvoldoende overleg heeft gepleegd met de direct
                        belanghebbenden over de afgifte van een sloopvergunning. Onvoldoende
                        afweging van belangen in het kader van artikel 8.1.6, lid 2, van de
                        bouwverordening. De planologische procedure is de eerst aangewezen weg,
                        voordat tot sloop kan worden besloten.</al><al> Pres. Rb. Den Haag 6 oktober 1994, 94/08485.</al><al>– Gelet op de dwingendrechtelijke aard van dit artikel, dienen b. en w. in
                        beginsel de sloopvergunning te verlenen indien zich geen weigeringgrond
                        voordoet. Toetsing van dit besluit aan de a.b.b.b. Hoewel in zijn
                        algemeenheid het rechtszekerheidbeginsel het zwaarste zal wegen, kan er
                        sprake zijn van een situatie waarin strikte uitvoering van een wettelijk
                        voorschrift voor een bestuursorgaan geen rechtsplicht meer is</al><al>Gezien de gedane toezeggingen weegt het vertrouwensbeginsel zwaarder. (I.c. </al><al>verleende de gemeente zichzelf een sloopvergunning, terwijl het overleg met
                        de buurt </al><al>nog gaande was.) Volgt schorsing. </al><al> Pres. Rb Amsterdam 16 juli 1996, KG 1996, 270.””</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>Voordat wordt besloten tot intrekking van een vergunning dient de houder van
                        die vergunning te worden gehoord. Dit is een eis van zorgvuldigheid. Indien
                        de houder aannemelijk kan maken dat hij binnen zeer afzienbare tijd met de
                        werkzaamheden begint, of deze voortzet, kan dit een reden zijn een besluit
                        tot intrekking nog niet te nemen.</al><al><cursief>§ 2 Uitzonderingen op het vereiste van
                        sloopvergunning</cursief></al><al><vet>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De sloopmelding is geformuleerd als een afwijking van de vergunningplicht.
                        Dit betekent dat indien wordt gesloopt zonder mededeling naar aanleiding van
                        een melding, terwijl deze wel is vereist, overtreding plaatsvindt van
                        artikel 8.2.1 juncto artikel 8.1.1 van de bouwverordening. Een melding als
                        hier bedoeld is gericht op het verkrijgen van de mededeling van burgemeester
                        en wethouders. Deze mededeling is een beschikking en vatbaar voor bezwaar en
                        beroep in de zin van de Algemene wet bestuurrecht.. Dit betekent onder meer
                        dat de melding schriftelijk moet worden ingediend bij het bevoegde
                        bestuursorgaan, dit is burgemeester en wethouders. Ingevolge het zesde lid
                        moet worden gebruik gemaakt van de door burgemeester en wethouders
                        vastgestelde formulieren. In het achtste lid is bepaald dat aan de
                        mededeling voorschriften kunnen worden verbonden. Degene die een mededeling
                        als hiervoor bedoeld heeft ontvangen mag zelf de sloopwerkzaamheden
                        verrichten. Bij het opstellen van de regels is gekeken naar de risico’s voor
                        de gene die sloopt, naar de risico’s voor degenen die in de woning
                        verblijven en naar de externe veiligheid (gezondheid). Het Ministerie van
                        Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer (VROM) heeft een
                        brochure uitgebracht speciaal gericht op de burger die op basis van een
                        ontvangen mededeling zelf asbest verwijdert. Deze brochure bevat richtlijnen
                        over de wijze waarop de burger met dit asbest moet omgaan. Het is aan te
                        raden deze brochure aan de burger uit te reiken bij het verstrekken van de
                        mededeling. Naast de voorschriften bij de mededeling, staan in de artikelen
                        7 en 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 rechtstreeks werkende
                        voorschriften waaraan degene die asbest verwijdert anders dan in het kader
                        van beroep of bedrijf – dus de burger - zich moet houden. Op grond van het
                        tweede lid van artikel 8 van dit Besluit is de minister van VROM bevoegd om,
                        in het kader van de bescherming van mens en milieu tegen emissie van
                        asbestvezels, aanvullende regels te stellen voor de door particulieren
                        toegestane verwijdering van asbest. Deze voorschriften gelden dan naast
                        artikel 7 en naast de voorschriften bij de mededeling. Van deze mogelijkheid
                        zal blijkens de toelichting bij artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 slechts gebruik gemaakt worden als uit praktijkervaringen blijkt dat de
                        in artikel 7 opgenomen voorschriften onvoldoende zijn. Voor het zich ontdoen
                        van het verpakte asbest staan thans drie mogelijkheden open: zelf afvoeren
                        naar een stortplaats of depot, door een aannemer laten afvoeren en, indien
                        de gemeente daarvoor een mogelijkheid aanbiedt, meestal tegen betaling,
                        meegeven met de inzameldienst op vergelijkbare wijze als het grof huisvuil.
                        Om te voorkomen dat asbest 'zoek raakt' verdient het aanbeveling dat de
                        gemeente voor het asbest afkomstig van particulieren een inzamel-structuur
                        creëert, waardoor ten minste op een van de vorenstaande wijzen de
                        particulier zich van dit afval kan ontdoen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief> Primair is gedacht aan een woning, waar de bewoner
                        zelf het asbest verwijdert. Wanneer dit kan bij een woning, kan het ook
                        gelden voor de bijgebouwen of met de woning vergelijkbare bouwwerken. Daarom
                        zijn naast de woning ook genoemd het logiesverblijf (recreatiewoning), de
                        woonkeet en de woonwagen alsmede de op het daarbij behorende erf staande
                        bijgebouwen. Het door de burger verwijderen van geschroefde asbesthoudende
                        platen, van asbesthoudende vloertegels en van niet-gelijmde asbesthoudende
                        vloerbedekking is in artikel 4, derde lid van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 gebonden aan een maximum van 35 m2 per kadastraal perceel. Genoemd
                        artikel 4, derde lid beperkt de sloopmelding tot woningen en bijgebouwen bij
                        woningen, waardoor voor dezelfde handeling in een woonwagen of woonkeet wel
                        een sloopvergunning is vereist. De begripsbepaling voor woning in het tweede
                        lid van artikel 1 van het Asbestverwijderingsbesluit geeft hiervoor geen
                        oplossing, omdat onduidelijk is wat daar onder ‘mede’ wordt verstaan en
                        omdat in de Woningwet het begrip woning niet is omschreven. Voor zover
                        bedoeld is met dit Asbestverwijderingsbesluit op dit punt geen wijziging in
                        het beleid noch in de uitvoering van de regels te brengen, mag worden
                        geconcludeerd dat onder woning mede wordt verstaan een woonwagen, een
                        woonkeet en een logiesverblijf zoals is genoemd in het eerste lid van art.
                        8.2.1 MBV. De tekst van het derde lid van artikel 4 van het
                        Asbestverwijderingsbesluit geeft niet duidelijk aan of de asbesthoudende
                        golfplaten op een schuurtje bij een woning vergunningvrij door de burger
                        verwijderd mogen worden onder het nieuwe Asbestverwijderingsbesluit 2005. Er
                        staat ‘geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                        hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit een op het
                        erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de woning of het bijgebouw
                        niet in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf worden
                        gebruikt of bedoeld zijn voor gebruik in dat kader en de oppervlakte van de
                        te verwijderen asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter
                        per kadastraal perceel bedraagt’. Een schuur is een bijgebouw bij een
                        woning. En hoewel de dakplaten niet letterlijk ‘uit’ het bijgebouw komen,
                        mag worden aangenomen dat bedoeld is – net als onder de regeling van vóór
                        het Asbestverwijderingsbesluit 2005 - dit wel mogelijk te maken. De Nota van
                        toelichting geeft niet aan dat een wijziging is bedoeld. Er staat in de
                        toelichting bij het derde lid van artikel 4: ‘De in het onderhavige besluit
                        opgenomen uitzonderingen zijn gebaseerd op de uitzonderingen die zijn
                        opgenomen in de modelbouwverordening van de VNG, die door het merendeel van
                        de gemeenten in hun regelgeving zijn overgenomen.’ Daarom heeft de VNG thans
                        bij de implementatie van meergenoemd derde lid in de model-bouwverordening,
                        de bestaande toevoegingen van met een woning gelijk te stellen bouwwerken
                        ‘woonkeet, woonwagen of logiesverblijf’ gehandhaafd. Beleidsmatig verdient
                        het de voorkeur hier een ruime uitleg te kiezen. Het is beter dan de andere
                        uitleg, dat een burger het verwijderen van het asbest van een schuurtje niet
                        zelf mag doen. De kans is groot dat dan toch door de burger het asbest
                        golfplaten dakje van de schuur wordt verwijderd, maar illegaal. En illegaal
                        verwijderd asbest kun je moeilijk legaal inleveren, dus bestaat kans dat dit
                        eveneens illegaal wordt weggewerkt. Met de voorgestelde ruime uitleg is de
                        burger legaal bezig en kan hij de asbestplaten legaal inleveren. Met de
                        inwerkingtreding van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is het niet meer
                        toegestaan om anders dan in het kader van beroep of bedrijf over te gaan tot
                        het verwijderen van: - gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking. De oude
                        voorschriften met betrekking tot het verwijderen van gelijmde vloerbedekking
                        bleken zodanig complex dat ze voor particulieren niet goed waren na te
                        leven. Minder vergaande voorschriften leiden echter tot een risico op
                        blootstelling aan asbestvezels. </al><al>-dakleien. Bij het werken met deze leien is het risico van breuk groot. Bij
                        breuk van asbesthoudende dakleien komen asbestvezels vrij, hetgeen leidt tot
                        een onaanvaardbaar risico op inademing van asbestvezels en verontreiniging
                        van het milieu met deze vezels.</al><al>Zie voorts de toelichting bij artikel 4, derde lid van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005. </al><al>Lid 9 De tweede zin van dit lid verwijst naar 'in de gemeente geldende
                        voorschriften' die de burger in acht moet nemen ter zake van de afvoer van
                        asbest bevattende vloerbedekking en andere afvalstoffen die hij zelf mag
                        verwijderen na een melding. Met deze voorschriften zijn bijvoorbeeld bedoeld
                        de voorschriften over het meegeven van afval met en de wijze van aanbieden
                        aan de ophaaldienst voor grof huisvuil of die over het aanbieden van deze
                        afvalstoffen bij de gemeentewerf of andere inzamelplaats. </al><al><cursief>Lid 10</cursief></al><al>Na het slopen van het asbest mag dit niet worden bewerkt. Dus de platen
                        mogen niet worden gebruikt voor andere toepassingen en niet worden verkleind
                        opdat zij in een huisvuilzak passen. Asbest dat niet wordt gesloopt kan wel
                        worden onderhouden door verven of coaten. Het is af te raden, hetzij
                        voorafgaand aan verven, hetzij anderszins, te schuren of schoon te spuiten
                        onder hoge druk.</al><al><cursief>Lid 11</cursief></al><al>De sloopmelding is een aanvraag om beschikking. Dit betekent dat de
                        procedure van artikel 4:5 jo. 4:15 Algemene wet bestuursrecht van toepassing
                        is: Indien de aanvraag niet voldoet aan de gestelde eisen, kunnen
                        burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet in behandeling te
                        nemen. Dat kan pas als de aanvrager in de gelegenheid is gesteld zijn
                        aanvraag binnen een door burgemeester en wethouders te stellen termijn aan
                        te vullen. In dit artikellid is ervoor gekozen die termijn kort te houden
                        (één week), mede gelet op de korte beslistermijn op de sloopmelding. </al><al>Men zij erop bedacht dat door de korte beslistermijn het gevaar van
                        termijnoverschrijding groot is.</al><al>Zie voor een uitgebreid overzicht van de procedure de toelichting bij
                        artikel 3.1, achtste lid.</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </vet></al><al>Dit artikel geeft aan welke asbestverwijdering zonder sloopvergunning als
                        bedoeld in artikel 8.1.1 en zonder sloopmelding als bedoeld in artikel 8.2.1
                        mag gebeuren. Deze uitzonderingen hebben geen betrekking op andere
                        regelingen waarin bepaalde sloophandelingen mogelijk aan een vergunning,
                        ontheffing of melding zijn gebonden, zoals de Monumentenwet of
                        monumentenverordening. Sinds de inwerkingtreding van het
                        Asbestverwijderingsbesluit 2005 staat ook het verwijderen van beglazingskit
                        dat is verwerkt in de constructie van kassen als vergunningvrij genoemd.
                        Voorheen werd de hier bedoelde kit ook wel aangeduid als voegkit. Dit
                        artikel geldt niet voor de in artikel 4, tweede lid, letter a bedoelde
                        waterleidingbuizen, gasleidingbuizen, rioolleidingbuizen en mantelbuizen,
                        voor zover zij deel uitmaken van het ondergrondse openbare gas-, water- en
                        rioolleidingnet. Het verwijderen van gas-, water-, riool- en mantelbuizen in
                        bouwwerken moet wel plaatsvinden door een deskundig
                        asbestverwijderingsbedrijf. Bij het verwijderen van deze buizen die zich in
                        (of in de kruipruimte van) een bouwwerk bevinden is geen sprake van
                        routinematig verwijderen met een beheersbaar risico. </al><al><cursief>§ 3 Verplichtingen tijdens het slopen</cursief></al><al><vet>Artikel 8.3.1 Veiligheid op het sloopterrein</vet></al><al>Zie de toelichting onder het derde en vierde lid van artikel 8.1.1. De
                        artikelen 4.8 tot en met 4.10 komen overeen met de artikelen 382, 383 en 384
                        van de MBV 1965. Ook die bepalingen waren van toepassing op het bouwen en op
                        het slopen.</al><al><vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                        bescheiden</vet></al><al>Deze eis is nodig in verband met toezicht en opsporing. Mede door de
                        aanwezigheid van de vergun-ning of een besluit tot toepassing van
                        bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom dat leidt tot het
                        slopen mag degene die de werkzaamheden verricht – in de regel een ander dan
                        de houder van de vergunning – geacht worden de voorwaarden te kennen.</al><al>Artikel 8.3.3, tweede lid, bepaalt dat de houder van de sloopvergunning,
                        indien deze mede betrek-king heeft op asbest, een afschrift van deze
                        vergunning ter hand stelt aan de sloopaannemer.</al><al><vet>Artikelen 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5 Asbest</vet></al><al>De artikelen 8.3.3 tot en met 8.3.5 hebben betrekking op het slopen van
                        asbest. De betekenis van de artikelen kan als volgt worden onderscheiden.
                        Artikel 8.3.3 schept verplichtingen voor de houder van de sloopvergunning.
                        Artikel 8.3.4 geldt voor de gevallen dat vooraf de aanwezigheid van asbest
                        niet bekend was. Deze situatie kan zich voordoen in alle gevallen dat wordt
                        gesloopt. Artikel 8.3.5 geldt voor alle situaties dat asbest wordt gesloopt,
                        dus zowel op grond van een sloopvergunning als op grond van een mededeling
                        naar aanleiding van een melding. De eis dat bij het slopen de beste
                        bestaande technieken worden toegepast geldt krachtens het derde lid van dit
                        artikel echter niet voor het slopen op grond van een mede-deling.</al><al><vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de sloopvergunning</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De leden 1 tot en met 4 zijn rechtstreeks overgenomen uit artikel 3, letter
                        a tot en met d, van het Asbest-verwijderingsbesluit. In het voorschrift
                        bedoeld in het derde lid is ‘indien aanwezig’ tussengevoegd, omdat er
                        krachtens artikel 8.1.2, derde en vierde lid, enkele uitzonderingsgevallen
                        zijn waarin een door een deskundig bedrijf opgesteld onderzoeksrapport niet
                        vereist is</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid is mede opgenomen om te voldoen aan artikel 3, letter c, van
                        het Asbestver-wijderingsbesluit, een voorschrift waarvan de inwerkingtreding
                        bij besluit van 13 juni 1996 (Stb. 1996, 291) plaatsvond. </al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Voor een goede uitvoering van dit lid kan het nodig zijn afspraken te maken
                        tussen de gemeente en de regionale Arbeidsinspectie over de uitwisseling van
                        gegevens.</al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>Het kan gebeuren dat tijdens sloopwerkzaamheden onverwacht toch asbest wordt
                        aangetroffen. Dit artikel stelt een meldingplicht in. Vanaf het moment dat
                        asbest wordt gevonden moet voor het (verder) slopen daarvan een daarop
                        gerichte sloopvergunning of mededeling naar aanleiding van een melding
                        aanwezig zijn. Die moet er eerst komen, voordat het asbest mag worden
                        gesloopt.</al><al>Handhaving van deze bepaling kan geschieden door middel van het stilleggen
                        van de sloopwerkzaamheden als bedoeld in het derde lid van artikel 100 van
                        de Woningwet.</al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><al>Artikel 7 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 voorziet in de
                        voorschriften voor de wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                        voorzover dit gebeurt anders dan in de uitoefening van een beroep of
                        bedrijf. Voor het beroepsmatig of bedrijfsmatig verrichten van deze
                        handelingen gelden regels op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit en
                        de desbetreffende certificering. Voor degenen die anders dan in de
                        uitoefening van een beroep of bedrijf een handeling als hiervoor bedoeld
                        verrichten, geeft artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 een
                        vergelijkbare verplichting. Van de bevoegdheid om op grond van het tweede
                        lid van artikel 8 een ministeriële regeling te doen uitgaan heeft de
                        minister van VROM geen gebruik gemaakt en is thans mei 2006 evenmin een
                        aanvang gemaakt om dit binnen afzienbare tijd alsnog te doen. De leden 1 en
                        2 van dit artikel strekken ertoe te bereiken dat verspreiding van asbest
                        wordt voorkomen althans tot een minimum wordt beperkt. Indien de minister op
                        grond van het tweede lid van artikel 8 van het Asbestverwijderingsbesluit
                        2005 regels stelt, treedt vanwege de verhouding hogere en lagere regelgeving
                        vanzelf artikel 8.3.5 buiten werking. </al><al><cursief>§ 4 Vrij slopen</cursief></al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>Zoals hiervoor bij artikel 8.1.1 toegelicht, waren er redenen om de plicht
                        tot het hebben van een sloopvergunning te koppelen aan een ondergrens van 10
                        m<sup>3</sup> sloopafval. Dit betekent niet dat al het sloopafval dat minder
                        dan 10 m<sup>3</sup> bedraagt, niet gescheiden zou behoeven te worden. </al><al>Voorheen bestond tussen het onderhavige artikel en artikel 4.11 een nauwe
                        relatie. Met ingang van de vierde serie wijzigingen van de MBV 1992,
                        gepubliceerd in 1997, is dit niet meer het geval. De fracties waarin het
                        sloopafval verplicht moet worden gescheiden, uiteraard voor zover die
                        stoffen daarin voorkomen, betreffen gevaarlijke of verontreinigde stoffen
                        die niet mogen worden gemengd met het overige afval. In de opsomming is
                        asbest niet opgenomen, omdat dit immers nooit zonder vergunning of zonder
                        melding mag worden verwijderd.</al><al>Preventief toezicht op de naleving van het onderhavige artikel is niet
                        voorzien. De handhaving vindt bij deze geringe hoeveelheden, in totaal niet
                        meer dan 10 m<sup>3</sup>, uitsluitend repressief plaats.</al><al><vet>Asbestverwijderingsbesluit 2005 Model-bouwverordening incl. 11e serie
                            wijz. </vet> Art. 3 H 8, Toelichting Algemeen Art. 3, lid 3 H 8,
                        Toelichting calamiteit Art. 4, lid 1, sub a 8.1.2, lid 3, sub c Art. 4, lid
                        1, sub b 8.2.2, lid 1, sub c Art. 4, lid 2, sub b, c, d en e 8.2.2, lid 1,
                        sub a, b, d en e Art. 4, lid 3, sub a, b en c 8.2.1, lid 1, sub a en b Art.
                        5 8.3.3, lid 3 vervallen Art. 6 1.1 (Begripsbepaling) Art. 7 H. 8,
                        Toelichting Algemeen brochure VROM nog niet gereed Art. 8, lid 1 8.3.5, lid
                        1 en 2 Art. 8, lid 2 Min. Besluit is er nog niet Art. 10, letter a 8.1.1
                        Art. 10, letter b 8.1.2, lid 3, sub c Art. 10, letter c 8.2.1 Art. 10,
                        letter d 8.2.1, lid 7 Art. 10, letter e 8.2.1, lid 8 Art. 10, letter f
                        8.2.1, lid 9 Art. 10, letter g 8.2.1, lid 8 Art. 10, letter h 8.2.1, lid 12
                        Art. 10, letter i 8.1.4, lid 2 Art. 10, letter j 8.1.2, lid 4 Art. 10,
                        letters k, l, m en n 8.3.3, lid 1 t/m 4 Art. 11 12.1, lid 1 en 2 </al><al><vet>Hoofdstuk 9 Welstand</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>In hoofdstuk 9 van de MBV zijn sinds de achtste serie wijzigingen van de
                        modelbouwverordening zowel procedurele als inhoudelijke artikelen met
                        betrekking tot het welstandstoezicht opgenomen. Op grond van artikel 8,
                        zesde lid van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften over de
                        samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie. </al><al>De werkwijze van de welstandscommissie is in de modelbouwverordening niet
                        concreet uitgewerkt vanwege de diversiteit in lokale invulling. Gemeenten
                        dienen nadrukkelijk zelf een keuze te maken ten aanzien van de werkwijze,
                        ook indien een gemeente werkt met een provinciale welstandscommissie. De
                        gemeentelijke keuze dient ook door te klinken in de werkwijze van de
                        provinciale welstandscommissie. Daartoe dient de gemeente het initiatief te
                        nemen en is het aan de provinciale welstandscommissie om deze keuze te
                        onderschrijven.</al><al>Het is noodzakelijk om een huishoudelijk reglement toegesneden op de lokale
                        situatie of een reglement van orde voor de lokale welstandscommissie vast te
                        stellen als bijlage bij deze verordening. Juridisch gezien behoeft een
                        dergelijk reglement niet in de bouwverordening zelf te worden opgenomen,
                        maar dient wel dezelfde procedure te worden doorlopen als de gemeentelijke
                        bouwverordening. </al><al>Welstandscriteria en welstandsnota</al><al>De werking van het begrip ‘redelijke eisen van welstand’ heeft met de
                        gewijzigde wet opgehouden te bestaan. Alleen als in een welstandsnota aan de
                        hand van criteria is aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van
                        welstand kunnen burgemeester en wethouders een vergunningplichtig bouwwerk
                        beoordelen op aspecten van welstand en kan de welstandscommissie hierover
                        adviseren. Ook bouwvergunningvrije bouwwerken moeten aan minimale
                        welstandseisen voldoen. Volgens artikel 13a van de Woningwet kunnen
                        burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat ‘in ernstige
                        mate in strijd is met redelijke eisen van welstand’ aanschrijven om die
                        strijdigheid op te heffen. De criteria hiervoor moeten in de welstandsnota
                        zijn opgenomen. Zonder nota met criteria is geen welstandstoezicht meer
                        mogelijk. </al><al>Voor het uitwerken van de welstandscriteria alsmede de samenstelling van en
                        de besluitvorming over de welstandsnota geldt een overgangstermijn van 18
                        maanden na 1 januari 2003 . Tot het moment dat een gemeentelijke
                        welstandsnota van kracht wordt, blijft de zelfstandige werking van de in de
                        bouwverordening aangeduide ‘redelijke eisen van welstand’ in stand. Als er
                        op 1 juli 2004 geen door de gemeenteraad aangenomen welstandsnota ligt,
                        vervalt van rechtswege de mogelijkheid om bouwplannen te toetsen aan
                        redelijke eisen van welstand.</al><al>De welstandsbeoordeling c.q. -advisering dient gebaseerd te worden op de in
                        de nota opgenomen criteria. In artikel 12a van de Woningwet wordt bepaald
                        dat deze criteria ‘zo veel mogelijk zijn toegesneden op de onderscheidene
                        categorieën bouwwerken en standplaatsen en dat de criteria kunnen
                        verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk of standplaats is
                        gelegen’. Dit biedt mogelijkheden om de criteria per samenhangend deel van
                        de gemeente uit te werken. Zowel binnen als buiten de bebouwde kom
                        verschillen gebieden ten aanzien van de bestaande kwaliteiten en ten aanzien
                        van de verwachte en/of beoogde ruimtelijke ontwikkelingen, die vastliggen in
                        een bestemmingsplan of specifieke beleidsdocumenten, bijvoorbeeld in het
                        kader van landschapsverbetering, stedelijke vernieuwing of
                        architectuurbeleid. De bestaande situatie en de beleidsdoelen voor de
                        toekomst zullen in de meeste gevallen de basis vormen voor een passend
                        welstandsbeleid. In het ene gebied is aanleiding om een behoudend beleid te
                        voeren, in een ander gebied is juist verandering en vernieuwing aan de orde.
                        In het ene gebied is nauwelijks sprake van ruimtelijke dynamiek en kan een
                        terughoudend welstandsregime acceptabel zijn, in een ander gebied gaat juist
                        alles op de schop en is een intensieve beïnvloeding van de ruimtelijke
                        kwaliteit vereist.</al><al>De welstandsnota is derhalve een dynamisch document. Steeds als er nieuwe
                        gebieden worden ontwikkeld, vormen de beleidsregels voor het betreffende
                        gebied een toevoeging aan de nota, mits telkens opnieuw de
                        vaststellingsprocedure (inspraak ex artikel 150 Gemeentewet en vaststelling
                        door de raad) wordt gevolgd.</al><al>Indien burgemeester en wethouders de welstandscriteria in bijzondere
                        gevallen buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 4:84 Awb (inherente
                        afwijkingsbevoegdheid), dient dit wel per concreet geval deugdelijk door
                        burgemeester en wethouders te worden gemotiveerd.</al><al>Het werken met deelnota’s ten aanzien van welstand, zoals dat in de praktijk
                        wordt toegepast, heeft met name in de overgangsperiode tot 1 juli 2004
                        belangrijke consequenties. Indien voor een deel van de gemeente een
                        welstandsnota wordt vastgesteld, zal vanaf dat moment immers in het deel van
                        de gemeente waarin een deel-welstandsnota wordt vastgesteld artikel 9.1
                        (oud) MBV niet meer gelden op grond van artikel VII, tweede lid van de Wet
                        van 18 oktober 2001 (Stb. 2001, 518). U kunt hierbij gebruik maken van de
                        bij artikel 1.3 MBV behorende kaart.</al><al>De welstandscriteria uit de welstandsnota spelen een rol bij: </al><lijst><li nr="-"><al>de toetsing van aanvragen om bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>het toepassen van bestuursdwang tegen bouwen in strijd met hetgeen
                                bij of krachtens de Woningwet is bepaald.</al></li></lijst><al>Relatie bestemmingsplan en welstand</al><al>De jurisprudentie op basis van de Woningwet 1962 gaat uit van de
                        voorrangsregel uit artikel 9 Woningwet, inhoudende dat de welstandstoets
                        zich dient te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende
                        bestemmingsplan biedt.</al><al>De welstandsnorm is in 1991 door de wetgever van artikel 34 van de
                        (Model)bouwverordening 1965 overgeheveld naar artikel 12 van de Woningwet en
                        het welstandscriterium is sinds 1991 in artikel 44 van die wet omschreven
                        als zelfstandige toetsingsgrond voor bouwaanvragen. De voorrangsregeling van
                        artikel 9 was daardoor niet rechtstreeks van toepassing. De jurisprudentie
                        heeft uit dit stelsel van de wet afgeleid dat die voorrang is blijven
                        bestaan (ABRS 25 april 1995, BR 1995, 579, ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                        en ABRS 18 februari 2000, Gst.2000, 7119). </al><al>In lijn met artikel 9 Woningwet is de voorrang van het bestemmingsplan op de
                        welstandseisen thans uitdrukkelijk geregeld in artikel 12, derde lid van de
                        Woningwet. Daarin is tevens bepaald dat ook de stedenbouwkundige
                        voorschriften van de bouwverordening boven de welstandseisen prevaleren. In
                        artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is bovendien expliciet vastgelegd
                        dat óók de welstandscommissie deze voorrangsregeling moet betrekking bij de
                        advisering. Het bestemmingsplan is immers het wettelijk instrument waarmee,
                        langs de in de Wet op de Ruimtelijke Ordening aangegeven en met bijzondere
                        waarborgen omklede weg, aan gronden een bestemming is gegeven en de
                        daarbijbehorende bebouwings- en gebruiksmogelijkheden worden aangegeven. Dit
                        betekent dat de welstandstoets niet mag leiden tot beperkingen die een reële
                        verwezenlijking van de aan de grond toegekende bouwmogelijkheden die het
                        bestemmingsplan biedt, belemmeren (vgl. ABRS 16 maart 1999, AB 1999, 356
                        m.n. A.G.A. Nijmeijer). De kans dat die situatie zich voordoet is kleiner
                        naarmate het bestemmingsplan meer mogelijkheden biedt de toegekende
                        bestemming te realiseren.</al><al>Naar valt aan te nemen is de voorrangsregel (artikel 12, derde lid
                        Woningwet) naar analogie van toepassing op de relatie toekomstig
                        bestemmingsplan en welstand.</al><al>Tot het moment dat de gemeentelijke welstandsnota van kracht wordt, blijft
                        de zelfstandige werking van de tot de achtste serie wijzigingen van de MBV
                        aangeduide ‘redelijke eisen van welstand’ in stand (zie ook artikel VII,
                        tweede lid van de Wet van 18 oktober 2001, Stb. 2001, 518). Voor de overige
                        bepalingen van hoofdstuk 9 geldt geen overgangstermijn.</al><al>Tabel oude/nieuwe welstandsbepalingen</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="14*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="37*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Artikelnummer oud</al></entry><entry colname="col2"><al>Titel oud</al></entry><entry colname="col3"><al>Artikelnummer nieuw</al></entry><entry colname="col4"><al>Titel nieuw</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.1</al></entry><entry colname="col2"><al>Welstandscriteria</al></entry><entry colname="col3"><al> --</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.2</al></entry><entry colname="col2"><al>Advisering door commissie van onafhankelijke
                                            deskundigen</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.1</al></entry><entry colname="col4"><al>Advisering door welstandscommissie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.3</al></entry><entry colname="col2"><al>Termijn van advisering</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.5</al></entry><entry colname="col4"><al>Termijn van advisering</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.4 </al></entry><entry colname="col2"><al>Openbaarheid van vergaderen</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.6</al></entry><entry colname="col4"><al>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                                            toelichting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.5</al></entry><entry colname="col2"><al>Afdoening bij mandaat</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.7</al></entry><entry colname="col4"><al>Afdoening bij mandaat</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.6</al></entry><entry colname="col2"><al>Mondelinge toelichting</al></entry><entry colname="col3"><al> --</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.7</al></entry><entry colname="col2"><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.8</al></entry><entry colname="col4"><al>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> 9.8</al></entry><entry colname="col2"><al>Uitsluiting gebieden</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.9</al></entry><entry colname="col4"><al>Uitsluiting gebieden en categorieën bouwwerken en
                                            standplaatsen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> --</al></entry><entry colname="col2"><al>--</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.2 </al></entry><entry colname="col4"><al>Samenstelling van de welstandscommissie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> -- </al></entry><entry colname="col2"><al>--</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.3</al></entry><entry colname="col4"><al>Benoeming en zittingsduur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al> --</al></entry><entry colname="col2"><al>--</al></entry><entry colname="col3"><al> 9.4</al></entry><entry colname="col4"><al>Jaarlijkse verantwoording</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Evenals onder het regime van de Woningwet 1991 is inschakeling van een
                        welstandscommissie bij een aanvraag om reguliere bouwvergunning verplicht
                        indien een welstandsnota is vastgesteld en aan de hand van criteria is
                        aangegeven wat verstaan wordt onder redelijke eisen van welstand. De
                        commissie adviseert, burgemeester en wethouders beslissen. </al><al>In de herziene Woningwet is bij amendement de figuur van de stadsbouwmeester
                        opgenomen. Vanaf 1 januari 2003 kan de gemeenteraad ervoor kiezen om in
                        plaats van een welstandscommissie een stadsbouwmeester te benoemen. In dat
                        geval dient de bouwverordening voorschriften te bevatten over de rol en de
                        functie van de stadsbouwmeester. De figuur van de stadsbouwmeester is niet
                        nader uitgewerkt in de Modelbouwverordening, omdat de doelstellingen van het
                        vernieuwde welstandstoezicht, vermaatschappelijking, grotere transparantie
                        rondom de welstandsadvisering en openbaarheid lijken met de figuur van de
                        stadsbouwmeester niet te worden bereikt. Bovendien ontbreekt de waardevolle
                        collectieve oordeelsvorming bij de keuze van een stadsbouwmeester, terwijl
                        deze in kwesties van smaak, zoals deze meespelen bij de welstandsadvisering,
                        onontbeerlijk kan worden geacht. Voorts bieden de Kamerstukken geen
                        aanknopingspunten hoe de figuur van de stadsbouwmeester verder aangekleed
                        moet worden. Naar verwachting zal een zeer beperkt aantal gemeenten kiezen
                        voor een stadsbouwmeester.</al><al>In de welstandsnota kan de gemeenteraad evenwel vaststellen dat de
                        welstandstoets voor de categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken
                        niet door de volledige welstandscommissie plaatsvindt, maar door een of meer
                        gemandateerde leden van de commissie als bedoeld in artikel 9.2
                        Modelbouwverordening dan wel door burgemeester en wethouders. </al><al>De huidige adviespraktijk varieert per gemeente. Er wordt gewerkt met lokale
                        dan wel provinciale welstandscommissies. Ook onder het nieuwe regime van de
                        Woningwet kan de gemeenteraad ervoor kiezen om voor de welstandsadvisering
                        gebruik te (blijven) maken van een provinciale welstandsorganisatie, die het
                        resultaat is van een gemeenschappelijke regeling of een privaatrechtelijke
                        samenwerkingsvorm. Indien gebruik wordt gemaakt van een provinciale
                        welstandsorganisatie dient de gemeenteraad de leden van de
                        welstandscommissie eveneens nadrukkelijk te benoemen; zie toelichting bij
                        artikel 9.2.</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>In dit alternatief wordt voor de welstandsadvisering gebruikgemaakt van de
                        diensten van een provinciale welstandsorganisatie, die de rechtspersoon kan
                        hebben van een gemeenschappelijke regeling, vereniging of stichting. Deze
                        vereniging of stichting dient dan door de gemeenteraad als
                        welstandscommissie te worden aangewezen. De vereniging of stichting draagt
                        uit haar midden personen voor aan b&amp;w om door de gemeenteraad te worden
                        benoemd. De welstandscommissie adviseert over alle bouwvergunningplichtige
                        bouwwerken.</al><al>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</al><al>Onafhankelijkheid</al><al>Sinds de Woningwet 1991 geldt de onafhankelijkheidsvereiste voor elk
                        afzonderlijk lid van deze commissie. Daaraan wordt in elk geval voldaan
                        indien de leden van de commissie niet ondergeschikt zijn aan het
                        gemeentebestuur. Ook is het raadzaam bij de selectie van de leden van de
                        welstandscommissie alert te zijn op mogelijk tegenstrijdige belangen.
                        Deelneming van leden van het college van burgemeester en wethouders aan de
                        welstandscommissie voor de eigen gemeente is in dit verband uitgesloten. </al><al>Deskundigen en burgers</al><al>In afwijking van de Woningwet 1991 geldt sinds 1 januari 2003 niet langer de
                        eis dat in de welstandscommissie uitsluitend ‘deskundigen’ zitting kunnen
                        hebben. Deskundige leden zijn leden die zich door ervaring en opleiding
                        kwalificeren om zitting te nemen in de welstandscommissie. Van deskundige
                        commissieleden mag worden verwacht dat zij vanuit een eigen, actieve
                        beroepspraktijk kunnen oordelen over plannen van collega’s. Onder
                        niet-deskundige leden worden vertegenwoordigers van de plaatselijke
                        bevolking verstaan, geen architecten of anderszins beroepsmatig bij de
                        kwaliteit van de gebouwde omgeving betrokken zijnde, die door het
                        gemeentebestuur in de welstandscommissie kunnen worden benoemd. De
                        gemeenteraad beslist over de benoeming van niet-deskundige leden. Er is geen
                        wettelijke verplichting om niet-deskundige leden op te nemen in de
                        welstandscommissie.</al><al>Er zijn meerder alternatieven denkbaar.</al><al><cursief>Alternatief </cursief>3</al><al>De welstandscommissie bestaat slechts uit deskundige leden.</al><al>Een lid van de commissie is penvoerder van de commissie. Indien gebruik
                        wordt gemaakt van een provinciale welstandsorganisatie is dit veelal de
                        rayonarchitect.</al><al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</al><al>Het vierde lid van artikel 12b van de Woningwet beperkt de zittingsduur van
                        de leden van de welstandscommissie tot ten hoogste drie jaar met een
                        eenmalige mogelijkheid van herbenoeming voor nog eens maximaal drie jaar in
                        de commissie die in de desbetreffende gemeente werkzaam is. Daarmee wordt
                        beoogd de doorstroming van de leden van de welstandscommissie te bevorderen.
                        Kennelijk is op de koop toe genomen dat deze wettelijke beperking van de
                        zittingsduur in concrete situaties de continuïteit van de commissies in
                        gevaar kan brengen. De leden en voorzitter van een welstandscommissie die op
                        1 januari 2003 ten minste drie jaar zitting hebben in die commissie, kunnen
                        nog ten hoogste drie jaar na die datum benoemd blijven in die
                        commissie.</al><al>Het is onmogelijk en ongewenst om in algemene zin de benoemingsprocedure
                        voor (deskundige) leden op te nemen in de (Model)verordening. Een reglement
                        van orde dat als bijlage 9 bij de bouwverordening dient te worden
                        vastgesteld en toegesneden is op de lokale situatie, is hiervoor geschikter.
                        In een dergelijk reglement van orde lijkt het zinvol om onder meer een
                        benoemingsboekhouding te regelen om in geval van bezwaren en beroepen tegen
                        onbevoegd gegeven welstandsadviezen zittingstermijnen van leden/voorzitter
                        aan te kunnen tonen.</al><al>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</al><al>Jaarverslag welstandscommissie</al><al>In de afgelopen jaren is er sprake van een toegenomen kritiek op het
                        welstandstoezicht. De kritiek richt zich onder meer op het functioneren van
                        de welstandscommissies. De adviesprocessen van deze commissies zijn
                        doorgaans aan de openbare waarneming onttrokken. Ondanks de door de
                        welstandscommissies gedane inspanningen tot verbetering van deze negatieve
                        maatschappelijke beeldvorming, kan er nog steeds gesproken worden van een
                        onvoldoende maatschappelijk draagvlak voor de werkwijze van de
                        welstandscommissies. Het besef is gegroeid voor het aanscherpen van de
                        politieke verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders voor het
                        functioneren van het welstandstoezicht. Ook bestaat het algemeen gevoel om
                        de functie van de gemeenteraad als algemeen controleorgaan van burgemeester
                        en wethouders, voorzover het betreft hun verantwoordelijkheid voor het
                        welstandstoezicht te versterken. Enerzijds zijn er de algemene
                        uitgangspunten zoals deze zijn opgenomen in de Wet Dualisering
                        gemeentebestuur om de controlefunctie van de gemeenteraad te versterken en
                        te verduidelijken. Anderzijds beoogt de nieuwe Woningwet te voorzien in het
                        verbeteren van de kwaliteit alsmede het transparanter maken van de
                        welstandsadvisering. Een jaarverslag is bij uitstek geschikt om te
                        signaleren waar de welstandsnota als beleidskader onvoldoende houvast heeft
                        kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en kan tevens dienen ter
                        verantwoording waarom in specifieke gevallen is afgeweken van het
                        vastgestelde beleid. De jaarlijkse verslagverplichting van de
                        welstandscommissie vloeit voort uit artikel 12b, derde lid van de Woningwet. </al><al>Het jaarverslag kan voor de gemeenteraad aanleiding zijn voor bijstelling
                        van het gemeentelijk welstandsbeleid door aanpassing van de gemeentelijke
                        welstandsnota. Om die reden is het zinvol te streven naar het uitbrengen van
                        het jaarverslag tijdig vóór de beleids- en begrotingscyclus in de gemeente.
                        Ervan uitgaande dat de gemeentelijke begroting doorgaans in
                        september/oktober wordt behandeld, zou het ‘verslagjaar’ van de
                        welstandscommissie kunnen lopen van juni tot juni.</al><al>Jaarverslag burgemeester en wethouders</al><al>Teneinde de politieke verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het
                        welstandstoezicht te verstevigen en de betrokkenheid van de raad bij de
                        welstandszorg te vergroten, is ook aan burgemeester en wethouders ingevolge
                        artikel 12c van de Woningwet de verplichting opgelegd jaarverslagen omtrent
                        de toepassing van het welstandsbeleid voor te leggen aan de gemeenteraad. In
                        dit jaarverslag zou ten minste aan de orde dienen te komen:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                                welstandsadviezen;</al></li><li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders de
                                aanvraag voor een lichte bouwvergunning niet aan de
                                welstandscommissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die
                                gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                                welstandscriteria;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen burgemeester en wethouders een
                                besluit hebben genomen tot toepassing van bestuursdwang of oplegging
                                van een last onder dwangsom op grond van ernstige strijdigheid met
                                redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 13a van de
                                Woningwet en na dat besluit tot uitvoering daarvan zijn
                                overgegaan.</al></li></lijst><al>Tezamen met het jaarverslag van de welstandscommissie wordt hierdoor het
                        gemeentelijk welstandstoezicht inzichtelijk gemaakt en het publieke debat
                        bevorderd.</al><al>In de Woningwet wordt per 1 april 2007 een algemene verslagverplichting voor
                        burgemeester en wethouders opgenomen ten aanzien van ruimtelijke ordening en
                        bouwregelgeving. </al><al>Artikel 9.5 Termijn van advisering</al><al>Gelet op de korte beslissingstermijnen is een beperkte adviestermijn met een
                        oplossing voor termijnoverschrijding noodzakelijk. In de MBV is dit
                        uitgangspunt als procedurevoorschrift uitgewerkt.</al><al>De adviestermijn laat de mogelijkheid van beoordeling van een schetsplan
                        onverlet, omdat het uitgangspunt voor de adviestermijn de beoordeling van
                        een aanvraag om bouwvergunning is.</al><al>De Woningwet formaliseert de behandeling van bouwplannen door de korte
                        beslissingstermijnen. Ook voor de welstandsadvisering houdt dit in dat de
                        behandeling snel moet leiden tot een positieve of negatieve conclusie, omdat
                        in beginsel binnen twaalf weken respectievelijk zes weken op de aanvraag om
                        bouwvergunning moet zijn beslist. Indien bij een verlening van een
                        bouwvergunning in twee fasen, de eerstefasetoetsing moet worden herhaald
                        vanwege een wijziging van het bouwplan in de tweede fase, zou in beginsel
                        een relatief korte termijn van twee weken kunnen gelden, omdat volgens de
                        wetgever alleen de wijzigingen van het bouwplan voorzover relevant door de
                        welstandscommissie opnieuw moeten worden beoordeeld. </al><al>Indien de commissie niet binnen de in dit artikel gestelde termijnen
                        adviseert, zullen burgemeester en wethouders zelf moeten beslissen of het
                        bouwwerk waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft niet in
                        strijd is met redelijke eisen van welstand. Daarbij dienen zij de in de
                        welstandsnota opgenomen welstandscriteria in acht te nemen.</al><al>Indien er een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend, ten aanzien
                        waarvan een discussie over alternatieven verwacht kan worden, lijkt het
                        raadzaam overleg voorafgaand aan de indiening van een formele bouwaanvraag
                        te stimuleren.</al><al>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</al><al>Openbaar vergaderen is een fundamenteel beginsel van het openbaar bestuur,
                        dat nu voor de welstandscommissie expliciet is vastgelegd in artikel 12b van
                        de Woningwet. De wettelijke taken van de welstandscommissie worden
                        uitgevoerd in openbaarheid. Daarvan kan slechts worden afgeweken als de
                        belanghebbende een beroep doet op artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur, als er dusdanige aangelegenheden aan de orde zijn dat daarmee de
                        aanvrager in zijn recht staat openbaarheid te weigeren.</al><al>Het verdient aanbeveling om niet alleen de agenda voor de
                        welstandsvergadering bekend te maken, maar ook de stukken die betrekking
                        hebben op de geagendeerde bouwplannen ter inzage te leggen bij de agenda en
                        daarvan melding te maken in de bekendmaking. <cursief>Van het publiceren van
                            de agenda in een huis-aan-huisblad is afgezien, omdat dit in veel
                            gevallen zorgt voor een vertraging van de
                            b</cursief><cursief>e</cursief><cursief>handeling van minimaal een
                            week.</cursief></al><al>De openbaarheid van welstandsvergaderingen zal bijdragen aan de
                        vermaatschappelijking van het welstandstoezicht. Daarbij speelt mede een rol
                        van betekenis de algemene wens voor het transparanter maken van de
                        advisering op het terrein van de ruimtelijke kwaliteit. Bovendien zal de
                        openbaarheid van welstandsvergaderingen bijdragen aan het begrip voor en
                        kennis over het welstandstoezicht van de zijde van de burger/bouwer. </al><al>Met betrekking tot de openbaarheid van welstandsvergaderingen dient een
                        onderscheid te worden gemaakt tussen openbaarheid voor enerzijds de
                        aanvrager van de bouwvergunning en anderzijds andere belanghebbenden. </al><al>Uit artikel 4:7 Awb volgt de beperkte verplichting dat de mogelijkheid tot
                        toelichting van het bouwplan ten overstaan van de welstandscommissie dient
                        te worden geboden aan de aanvrager van de bouwvergunning. </al><al>Desondanks is het inbouwen van een moment voor de aanvrager om zijn
                        bouwaanvraag toe te lichten zeer zinvol. Bij de aanwezigheid van de
                        aanvrager kan – indien nodig – wellicht eerder tot alternatieve
                        bouwoplossingen worden gekomen, waardoor de noodzaak om een hernieuwde
                        adviesaanvraag te doen kan worden verkleind.</al><al>Indien er in het kader van de openbaarheid van vergadering spreekrecht wordt
                        geboden aan anderen dan de aanvrager, is het zinvol de kring van
                        spreekgerechtigden te beperken tot belanghebbenden (als bedoeld in artikel
                        1:2 Awb). Daarmee wordt voorkomen dat allerlei personen die tijdens de
                        vergadering van de welstandscommissie kunnen inspreken, terwijl die in een
                        eventuele rechterlijke procedure tegen de bouwvergunning geen ‘recht van
                        spreken’ hebben omdat zij geen belanghebbenden zijn. </al><al>De keuze voor spreekrecht is voorts van invloed op het tijdstip waarop de
                        vergadering van de welstandscommissie wordt aangekondigd. Dat tijdstip moet
                        dan zodanig worden gekozen dat eventuele sprekers voldoende tijd hebben om
                        zich op de vergadering voor te bereiden. Wordt geen spreekrecht toegekend,
                        dan kan de termijn korter zijn, aangezien in dat geval van enige
                        voorbereiding door eventuele sprekers geen sprake is.</al><al>De verplichting tot openbaar vergaderen heeft betrekking op de vergaderingen
                        waarin het welstandsadvies formeel wordt vastgesteld. Het is niet verplicht
                        voor informeel vooroverleg over een principeaanvraag of een schetsplan, dat
                        meestal door een of meer daartoe gemandateerde leden van de commissie wordt
                        uitgevoerd. De potentiële bouwer kan in het stadium van vooroverleg gebaat
                        zijn met beslotenheid. Openbaarheid zou dan remmend op het vooroverleg
                        kunnen werken, terwijl uit oogpunt van de korte bouwplanprocedure
                        vooroverleg stimulering verdient.</al><al>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</al><al><cursief>Alternatief 1</cursief></al><al>In de praktijk kan, gelet op de korte beslistermijnen, behoefte bestaan aan
                        mandaat. Mandaat aan één persoon verdient in dit verband de meeste aandacht.
                        Behalve de keuze tussen álle bouwaanvragen voorleggen aan de
                        welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief 1 en 3) en alleen reguliere
                        bouwaanvragen voorleggen aan de welstandscommissie (artikel 9.1, alternatief
                        2 en 4), blijkt in de praktijk behoefte te bestaan aan een tussenvorm voor
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals bedoeld in alternatief 2 van
                        artikel 9.7. Het is evident dat deze tussenvorm niet kan worden gecombineerd
                        met een keuze voor artikel 9.1, alternatief 1 of 3, waarbij de advisering
                        ten aanzien van licht- bouwvergunningplichtige bouwwerken immers aan de
                        welstandscommissie wordt overgedragen. Mandaat aan een subcommissie behoort
                        uiteraard wel tot de mogelijkheden. </al><al>De meest voorkomende vorm van mandaat aan één persoon komt neer op de
                        afdoening van een welstandsadvies door een gemandateerde bij plannen waarvan
                        de mening van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. </al><al>Daarnaast kunnen burgemeester en wethouders ook kiezen voor mandatering met
                        betrekking tot bepaalde categorieën bouwwerken (bijvoorbeeld
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken)</al><al>Negatief adviseren door de gemandateerde wordt meestal uitgesloten.</al><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat vraagt met name ten aanzien van de
                        openbaarheid enige aandacht. Met name in geval van veelvoorkomende kleine
                        bouwplannen zal er geringe belangstelling zijn om de behandeling van
                        bouwplannen door de gemandateerde bij te wonen. Het verdient in dat geval
                        aanbeveling om per bouwplan slechts vijf minuten te agenderen, zodat aan de
                        openbaarheid kan worden voldaan en er geen ongebruikte (vergader)tijd
                        verloren hoeft te gaan.</al><al>Voor een beknopte uiteenzetting over mandatering: zie de VNG-uitgave ‘WRO
                        2000 in de praktijk’, vragen en antwoorden gewijzigde WRO (3 april 2000),
                        bijlage 3.</al><al>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid van artikel 9.8 legt een algemeen bestuursrechtelijk
                        uitgangspunt vast, namelijk het motiveringsbeginsel dat sinds 1 januari 2003
                        in artikel 12b, eerste lid van de Woningwet is opgenomen. In de praktijk is
                        het niet ongebruikelijk dat bij positieve welstandsadvisering een expliciete
                        motivering achterwege blijft. Volgens vaste jurisprudentie verandert dit
                        direct zodra bezwaar tegen de bouwvergunning wordt ingediend.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieen bouwwerken of
                            standplaatsen</vet></al><al>Indien de raad een gebied van de gemeente wenst uit te sluiten van
                        welstandstoezicht, wordt verwezen naar alternatief 3 of 4 van artikel 1.3
                        MBV.</al><al><vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet><vet> Artikel 10.1 De
                            aanvraag om woonvergunning</vet> De aanvraag Ook de Woningwet 1962
                        hanteerde de eis van een woonvergunning voor het in gebruik geven of nemen
                        van een gebouw als woning, waarin laatstelijk niet of niet eerder legaal
                        gewoond werd. Moet het gebouw voor het tot bewoning bruikbaar maken verbouwd
                        worden en is voor die verbouwing een bouwvergunning nodig, dan wijkt de eis
                        van een woonvergunning voor de eis van een bouwvergunning. Met de Woningwet
                        van 1991 verandert er in zoverre iets, dat de woonvergunning nu in de wet is
                        uitgewerkt in plaats van in de bouwverordening. In de nieuwe bouwverordening
                        is alleen nog plaats voor een invulling van de wijze van indiening en
                        inrichting van de aanvraag, zoals artikel 8, lid 2, onder e, van de
                        Woningwet verplichtend vaststelt. Volstaan is met het in artikel 10.1
                        opnemen van de op basis van de oude bouwverordeningen gangbare
                        aanvraagbescheiden voor een woonvergunning. De vergunning Met het in de
                        Woningwet 1991 uitwerken van de woonvergunning verdwijnt overigens de
                        regeling van de oude bouwverordening. Op grond van de op de Woningwet 1962
                        gebaseerde MBV kon een woonvergunning worden geweigerd als er sprake was van
                        strijd met het bestemmingsplan of de voor woningbouw geldende
                        nieuwbouweisen. Op grond van artikel 60 van de Woningwet 1991 mag en moet
                        een woonvergunning alleen worden geweigerd als de aanvraag strijd oplevert
                        met het bestemmingsplan of de bouwverordening. Welk deel van de
                        bouwverordening hiermee bedoeld kan zijn, is onduidelijk. Het niet voldoen
                        aan de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit is uitdrukkelijk geen
                        weigeringgrond voor de woonvergunning. Uit het eerste lid van artikel 60 van
                        de Woningwet valt af te leiden, dat het gebouw in principe geschikt moet
                        zijn voor bewoning. Is er geen uit het bestemmingsplan of de bouwverordening
                        voortvloeiende weigeringgrond en is het gebouw bouw- en/of woontechnisch
                        toch niet geschikt tot bewoning, dan zijn er volgens het Ministerie van VROM
                        twee manieren om af te dwingen, dat het gebouw alsnog geschikt gemaakt
                        wordt: </al><al>het op grond van artikel 60, vierde lid, verbinden van bouw- en/of
                        woontechnische voorwaarden aan de woonvergunning;</al><al>een besluit ingevolge artikel 13 Woningwet. </al><al>Beide oplossingen laten nog wat vragen onbeantwoord. Ad 1 Welke bouw- en/of
                        woontechnische eisen kunnen redelijkerwijs nog als voorwaarden aan de
                        woonvergunning verbonden worden? Bij het eisen van uitgebreide technische
                        maatregelen wordt op een gegeven moment immers een bouwvergunning
                        noodzakelijk en de wetssys-tematiek gaat ervan uit, dat er of een
                        woonvergunning of een bouwvergunning noodzakelijk is. Ad 2 Bij welk niveau
                        van eisen is er sprake van ongeschiktheid tot bewoning? Onderschrijdt de
                        kwaliteit van het gebouw het niveau van eisen voor de bestaande woningbouw,
                        dan is er geen discussie. Dit niveau geeft in feite de
                        onbewoonbaardheidsgrens aan. Het nieuwe gebruik van het gebouw als woning
                        kan echter niet getoetst worden aan de nieuwbouweisen. Bij een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet gaat het immers om het aantonen van de
                        noodzakelijkheid van voorzieningen. Ten aanzien van gebouwen die over een
                        voorzieningenniveau beschikken, dat ligt tussen het niveau voor nieuwbouw en
                        het niveau voor bestaande bouw, zal de noodzakelijkheid van een besluit
                        ingevolge artikel 13 Woningwet niet gauw aangetoond kunnen worden. De
                        praktijk zal de antwoorden uit moeten wijzen. Het kiezen voor de tweede
                        oplossing heeft overigens als nadeel, dat bewoning wordt toegestaan voordat
                        het gebouw geschikt is tot bewoning. De woonvergunning is een beschikking.
                        Dat betekent dat naast de eisen van de bouwverordening, de algemene eisen
                        van de Awb van toepassing zijn. De aanvraag moet dus bijvoorbeeld
                        schriftelijk worden ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                        aanvraag te beschikken (artikel 4:1 Awb). Ingevolge artikel 60 van de
                        Woningwet zijn burgemeester en wethouders het bevoegde orgaan. Worden de in
                        de bouwverordening geeiste gegevens niet ingediend, dan is artikel 4:5
                        juncto artikel 4:15 Awb van toepassing. <vet>Artikel 10.2 De aanvraag om
                            vergunning tot hergebruik van een ontruimde onbewoonbaar
                            ve</vet><vet>r</vet><vet>klaarde woning of woonwagen</vet> Vervallen. </al><al><vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet> Artikel 8, tweede lid,
                        onder f, van de Woningwet, eist een voorschrift voor de overdraagbaarheid
                        van de aldaar genoemde op de Woningwet gebaseerde vergunningen. De op de
                        Woningwet 1962 gebaseerde MBV bevatte een regeling voor de overdraagbaarheid
                        van bouwvergunningen. Deze bepaling is in de nieuwe MBV overgenomen voor de
                        overdraagbaarheid van alle op de Woningwet en bouwverordening gebaseerde
                        vergunningen. Artikel 10.3 houdt in, dat burgemeester en wethouders
                        verplicht zijn tot overschrijving als daarom wordt gevraagd, zelfs al leidt
                        overschrijving tot een niet gewenste en planologisch niet juiste situatie.
                        Zowel de rechtverkrijgende onder bijzondere titel (bij voorbeeld de koper)
                        als de rechtverkrijgende onder algemene titel (bij voorbeeld de erfgenaam)
                        moet om overschrijving vragen. Met het recht van de verkrijgende wordt hier
                        het recht bedoeld dat is neergelegd in de vergunning. De wet van 10 juni
                        2004 is onder de naam Aanpassingswet BIBOB verschenen in Stb. 2004, 320, en
                        krachtens Besluit van 31 augustus 2004 in werking getreden op 15 september
                        2004, Stb. 2004, 452. In de Woningwet zijn de artikelen 44a en 59
                        gewijzigd.</al><al><vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</vet> De tekst van de toelichting
                        komt te vervallen. <vet>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar
                            verklaarde woningen en woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde
                            standplaatsen</vet> Vervallen. </al><al><vet>Hoofdstuk 11 Handhaving</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit hoofdstuk bevatte tot en met de elfde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening 1992 een nadere uitwerking van de bijzondere
                        bestuursdwangbevoegdheden van burgemeester en wethouders krachtens het
                        toenmalige artikel 8, tweede lid, onderdeel i juncto artikel 100, derde lid
                        van de Woningwet. Sinds 1 april 2007 is de handhavingsystematiek en de
                        regeling van de handhaving integraal herzien. Het aanschrijfinstrumentarium
                        voor bestaande bouwwerk vormt niet langer een geïsoleerd deel van de
                        Woningwet, maar sluit beter aan op de voorschriften inzake het bouwen van
                        bouwwerken. Qua systematiek is zoveel mogelijk aangesloten bij het generieke
                        instrumentarium van de Awb. Het niet naleven van de voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, de bouwverordening of de criteria uit de Welstandsnota
                        voor bestaande bouwwerken vormt een overtreding waartegen direct met
                        toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom kan
                        worden opgetreden, zonder dat daartoe nog (de tussenstap van) een specifieke
                        aanschrijving vereist is. Het Bouwbesluit 2003 gaat nu voor alle bouwwerken
                        gelden (artikel 1b Woningwet), voor de bouwverordening krijgt deze
                        systematiek vormt in artikel 7b Woningwet en voor het welstandsvereiste voor
                        bestaande bouw volgt dit uit artikel 13a Woningwet. Met het generieke
                        handhavingsinstrumentarium op grond van de Gemeentewet en de Awb kan worden
                        afgedwongen dat het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of
                        standplaats gaat voldoen aan de betreffende voorschriften van het
                        Bouwbesluit 2003, dat het gebruik ervan of de staat of het gebruik van een
                        open erf of terrein in overeenstemming is met de bouwverordening en dat het
                        uiterlijk van een bouwwerk of standplaats niet in ernstige mate strijdig is
                        met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die zijn
                        vastgelegd in de welstandsnota. Tenzij sprake is van spoedeisende
                        omstandigheden brengt artikel 4:8 van de Awb met zich mee dat een
                        belanghebbende, die naar verwachting bedenkingen zal hebben tegen een
                        voorgenomen handhavingsbesluit, vooraf in de gelegenheid wordt gesteld zijn
                        zienswijze naar voren te brengen. In het handhavingsbesluit dient vervolgens
                        zorgvuldig te worden omschreven met welke voorschriften van het Bouwbesluit
                        2003 het bouwen of de staat van een gebouw, ander bouwwerk of standplaats in
                        strijd is en met welke voorzieningen het bouwen of de staat van dat gebouw,
                        ander bouwwerk of die standplaats weer in overeenstemming met die
                        voorschriften kan worden gebracht. Door zelf binnen de daartoe gestelde
                        termijn maatregelen te nemen kunnen belanghebbenden dan overeenkomstig
                        artikel 5:24, vierde lid, van de Awb de toepassing van bestuursdwang
                        voorkomen dan wel overeenkomstig artikel 5:32, vijfde lid, van de Awb het
                        verbeuren van een dwangsom voorkomen. Tegen een handhavingsbesluit staan de
                        normale rechtsmiddelen open die de Awb in samenhang met de Wet op de Raad
                        van State biedt (bezwaar, beroep, hoger beroep en daarnaast de mogelijkheid
                        om een voorlopige voorziening te vragen). </al><al>Deze nieuwe systematiek betekent ook een vereenvoudigde regeling voor de
                        toepassing van bestuursdwang bestaande uit het stilleggen van de bouw- en
                        sloopwerkzaamheden. Op grond van artikel 125 van de Gemeenteweg blijft de
                        mogelijkheid bestaan om met toepassing van bestuursdwang of op grond van
                        artikel 5:32 van de Awb met een last onder dwangsom, handhavend op te treden
                        tegen illegale bouw- en sloopwerkzaamheden door middel van het stilleggen
                        van deze werkzaamheden. Daarbij is het feit dat zonder of in afwijking van
                        een vereiste vergunning wordt gebouwd of gesloopt op zichzelf in beginsel
                        voldoende aanleiding om spoedshalve bestuursdwang toe te passen
                        overeenkomstig artikel 5:25, zesde lid van de Awb. Het direct met
                        bestuursdwang optreden tegen illegale bouw- of sloopwerkzaamheden is er
                        immers op gericht te voorkomen dat de illegale situatie verder in omvang
                        toeneemt, waardoor burgemeester en wethouders mogelijk voor voldongen feiten
                        worden geplaatst. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de
                        uitspraken van ABRvS van 14 november 2001 (JG 020026) en 11 juni 2003 (BR
                        2003, 893). </al><al><vet>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</vet></al><al>Dit onderwerp wordt thans geregeld in artikel 5:18 Awb. In het kader van
                        toezicht zijn voorts van belang: </al><lijst><li nr="-"><al>Het betreden en binnentreden van woningen met toestemming van de
                                bewoners, artikel 5:15 Awb. </al></li><li nr="-"><al>In artikel 5:15 Awb is tevens geregeld dat de toezichthouder zich
                                kan doen vergezellen van de ‘sterke arm’.</al></li><li nr="-"><al>Idem, zonder toestemming van de bewoner, artikel 10, lid 5 Ww.</al></li><li nr="-"><al>Procedurele voorschriften over het binnentreden, Algemene wet op het
                                binnentreden.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 12</vet><vet> Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Alle artikelen van deze verordening op overtreding waarvan straf is gesteld
                        steunen op artikel 7b van de Woningwet juncto artikel 1a, onder 2o van de
                        Wet op de economische delicten. Daarom is strafbaarstelling in de MBV niet
                        langer mogelijk. Omdat in deze verordening onderwerpen van verschillende
                        herkomst en structuur zijn ondergebracht is het noodzakelijk voor elk
                        daarvan een afzonderlijk overgangsartikel op te nemen. </al><al><vet>Artikel 12.1 Strafbare feiten</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De artikelen 106 tot en met 111 van de Woningwet zijn per 1 april 2007
                        vervallen. Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening als bedoeld
                        in artikel 7b Woningwet zijn met ingang van deze datum strafbaar gesteld in
                        artikel 1a, onder 2o van de Wet op de economische delicten (WED).
                        Overtreding van voorschriften uit de bouwverordening op het terrein van
                        (brand)veiligheid en gezondheid valt eveneens hieronder. De wetgever heeft
                        gekozen voor het onder de WED brengen van deze overtredingen, omdat aan
                        overtredingen als bedoeld veelal een financieel-economisch belang ten
                        grondslag ligt. Door de indeling in artikel 1a, onder 2o van de WED wordt
                        aangesloten bij de strafbaarstelling van een groot aantal milieudelicten,
                        die veelal een vergelijkbare achtergrond hebben en waarmee inmiddels de
                        nodige ervaring is opgedaan door de politie, het Openbaar Ministerie en de
                        rechterlijke macht. Voor deze indeling heeft de wetgever mede gekozen
                        vanwege het (potentiële) gevaar en de (potentieel) zeer ernstige gevolgen
                        die het niet naleven van deze voorschriften met zich mee kan brengen. Indien
                        opzettelijk gepleegd, zijn deze delicten misdrijven; indien niet opzettelijk
                        gepleegd, zijn het overtredingen. Overgangsrecht strafbare feiten: Artikel
                        132 van de Woningwet bepaalt dat overtredingen van de oude bouwverordening
                        worden afgedaan volgens de oude Woningwet. Men zie artikel 97 oude Woningwet
                        en artikel 394 oude MBV.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 110 van de Woningwet bevat een uitzondering op
                        het bepaalde in het eerste lid aangaande de overtreding van een voorschrift
                        gegeven krachtens artikel 120 van de Woningwet. Artikel 120 gaat over
                        voorschriften in een a.m.v.b. ter nakoming van internationale
                        verplichtingen. Overtreding van de verbodsbepaling is in artikel 110, tweede
                        lid van de Woningwet aangemerkt als een economisch delict in de zin van de
                        Wet op de Economische Delicten (WED). Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 is
                        een nakoming van een Europese internationale verplichting. Artikel 11 van
                        dit Besluit en artikel 12.1, tweede lid van de MBV legt de relatie met het
                        tweede lid van artikel 110 van de Woningwet. Overtreding van de artikelen
                        genoemd in het tweede lid van artikel 12.1, voor zover deze betrekking
                        hebben op het slopen van asbest, is een economisch delict. </al><al><vet>Artikel 12.2 Overgangbepaling bodemonderzoek</vet></al><al>Dit artikel voorkomt dat na het van kracht worden van deze bouwverordening
                        opnieuw verkennend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd. Deze regel geldt
                        niet wanneer burgemeester en wet-houders van mening zijn dat het eerder
                        uitgevoerde indicatieve bodemonderzoek niet meer als recent kan worden
                        aangemerkt. Voor de vraag wat kan worden verstaan onder een recent
                        onderzoek, zie de toelichting bij artikel 2.4.1 van de
                        Modelbouwverordening.</al><al><vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open
                            erven en terreinen</vet></al><al>De artikelen 5.1.2 en 5.1.3 bevatten redelijk zware eisen voor bestaande
                        situaties. Er zijn veel bestaande situaties die niet aan deze eisen voldoen
                        en redelijkerwijs daaraan niet getoetst kunnen worden. Voor nieuwe situaties
                        - dat wil zeggen die bestaand worden na het in werking treden van deze
                        voorschriften - lijkt de eis wel redelijk.</al><al>Wanneer een bestaand gebouw, dat krachtens deze overgangsbepaling niet aan
                        de nieuwe voor-schriften behoeft te voldoen, wordt verbouwd en daarvoor een
                        vergunning nodig is op grond van artikel 40 van de Woningwet, kunnen in die
                        vergunning eisen omtrent de bereikbaarheid van dat gebouw worden gesteld.
                        Dit om te voorkomen dat een eenmaal bestaand gebouw nimmer aan meer
                        eigentijdse eisen van bereikbaarheid zou behoeven te voldoen.</al><al><vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                        gebruiksvergunning</vet></al><al>Deze overgangsbepaling strekt ertoe een gebruiksvergunning die is verleend
                        krachtens artikel 26 van de brandbeveiligingsverordening haar rechtskracht
                        te doen behouden. Het tweede lid heeft eveneens deze strekking, maar dan
                        voor de ontheffingen, toestemmingen, voorschriften, beperkingen krachtens de
                        brandbeveiligingsverordening. <vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling
                            sloopmelding (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De bepalingen voor de bekendmaking van verordeningen zijn gegeven in de
                        artikelen 139 e.v. van de Gemeentewet. Bekendmaking van verordeningen,
                        zijnde algemeen verbindende voorschriften, geschiedt door plaatsing van het
                        besluit in het gemeenteblad of in een andere, door de gemeente algemeen
                        verkrijgbaar gestelde uitgave. Dit geldt ook voor een opnieuw vastgestelde
                        verordening. Een (opnieuw) vastgestelde verordening dient op grond van
                        artikel 140 van de Gemeentewet kosteloos voor eenieder ter inzage te liggen
                        op de gemeentesecretarie, dan wel op een andere, door de raad te bepalen
                        plaats. De inwerkingtreding van de verordening is in beginsel acht dagen na
                        de bekendmaking; zie artikel 142 van de Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                        echter een ander tijdstip van inwerkingtreding in de verordening vaststellen
                        of burgemeester en wethouders in de verordening de bevoegdheid geven om de
                        inwerkingtreding van de veror-dening op een nader tijdstip te bepalen. De
                        verordening moet na de bekendmaking worden medegedeeld aan het parket van
                        het arrondissement waarin de gemeente is gelegen; zie artikel 143 van de
                        Gemeentewet. Een termijn daarvoor is niet opgenomen, doch spoedige
                        mededeling ligt in de rede. Tevens dient tegelijk met of zo spoedig mogelijk
                        na de bekendmaking een afschrift van de verordening te worden gezonden aan
                        de inspecteur van de Volkshuisvesting binnen wiens ambtsgebied de gemeente
                        ligt; zie artikel 95 van de Woningwet. Alternatief 1 (inwerkingtreding
                        ineens) Als na de vaststelling door de gemeenteraad de bouwverordening in
                        zijn geheel op dezelfde datum in werking treedt dient alternatief 1 in de
                        bouwverordening opgenomen te worden. Alternatief 2 (gefaseerde
                        inwerkingtreding) De mogelijkheid bestaat om de bouwverordening gefaseerd in
                        werking te laten treden. Aangeraden wordt om hier zo min mogelijk gebruik
                        van te maken. Met betrekking tot een aantal onderwerpen kan het
                        organisatorisch echter wenselijk zijn om de artikelen omtrent deze
                        onderwerpen op een later tijdstip in werking te laten treden. In beginsel
                        komen drie onderwerpen in aanmerking: de bodembepalingen, de sloopbepalingen
                        (inclusief de bouwafvalbepaling) en de bepalingen omtrent het brandveilig
                        gebruik. Van een of meerdere van deze onderwerpen kan de inwerkingtreding
                        worden uitgesteld. De gewenste artikelen kunnen bij lid 1 gekozen worden.
                        Bij lid 2, sub a, dient, in het geval dat ervoor gekozen is de
                        inwerkingtreding van (mede) de sloopbepalingen uit te stellen, de aangegeven
                        toevoeging plaats te vinden. Lid 2, sub b, mag niet opgenomen worden voor
                        het geval dat de inwerkingtreding van (mede) de bepalingen voor het
                        brandveilig gebruik uitgesteld worden. Het moment van inwerkingtreding van
                        de desbetreffende artikelen dient te zijner tijd bij raadsbesluit
                        vastgesteld te worden. Desgewenst kunnen voor de diverse artikelen
                        verschillende momenten van inwerkingtreding bepaald worden. Indien de
                        gemeente reeds bij de vaststelling van de MBV 1992 het tijdstip wil bepalen
                        waarop de desbetreffende artikelen in werking treden, kan zij een bepaling
                        ter zake aan dit artikel 12.6 toevoegen. De inwerkingtreding van alle
                        artikelen dient vóór 1 oktober 1993 te geschieden, zo bepaalt de Woningwet
                        1991</al><al><vet>Bijlage 2 bij de toelichting op de bouwverordening</vet></al><al><vet>Voorwaarden bij een gebruiksvergunning</vet></al><al>Bijlage bij toelichting op hoofdstuk 6 van de Modelbouwverordening</al><al>Voor zover in een gebruiksvergunning niet anders is bepaald, gelden de
                        algemene voorschriften inzake brandveilig gebruik uit de bijlagen 3 en 4 van
                        de bouwverordening. </al><al><vet>Gebruikseisen afhankelijk van de bestemming</vet></al><al>Burgemeester en wethouders beoordelen of voor specifieke bouwwerken in de
                        gemeente bijzondere eisen dienen te worden gesteld inzake brandveilig
                        gebruik in aanvulling op de algemeen geldende voorschriften uit bijlage 3 en
                        4 van deze verordening. Deze bijzondere eisen en voorwaarden worden in dat
                        geval gemotiveerd opgenomen in de gebruiksvergunning. Voorbeelden van
                        bijzondere situaties waarvoor aanvullende eisen geformuleerd kunnen worden,
                        zijn: </al><al>Een gebouw waar een beurs wordt gehouden: de breedte van gangpaden binnen de
                        opstellingsruimte waarlangs de stands, kramen e.d. zijn opgesteld;</al><al>Theaters waarin brandschermen zijn gemaakt boven het podium als
                        gelijkwaardige oplossing voor bepaalde prestatie-eisen: aanvullende eisen in
                        het kader van een brandveilig gebruik;</al><al>Gebouwen zoals politiebureau’s, gevangenissen, huizen van bewaring,
                        psychiatrische inrichtingen, etc.: aanvullende eisen in het kader van de
                        interne organisatie;</al><al>Bij bijzondere evenementen zoals concerten, festivals, tentoonstellingen,
                        kermis, circus, markten etc.: aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van
                        doorlopend toezicht;</al><al>Grote gebouwen waarin veel mensen samen komen: aanvullende eisen in het
                        kader van een gefaseerde ontruiming;</al><al>In gebouwen waarin zitplaatsen in rijen opgesteld zijn, kan de eis gesteld
                        worden dat bij de aanvraag van een gebruiksvergunning een opstellingsplan
                        wordt ingediend. </al><al><vet> Artikel 1 Stoffering en versiering</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 2 Uitgangen en vluchtwegen</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 3 Installaties</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 4 Standbouw, podia, kramen e.d.</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 5 Verbrandingsmotoren</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 6 Verbod voor open vuur en vuurwerk</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 7 Bewaking en controle</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 8 Ventilatie en werkzaamheden</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 9 Brandbare, brandbevorderende en bij brand
                            gevaar</vet><vet>opleverende stoffen</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 10 Opstellingsplannen</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 11 Afval</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>Artikel 12 Doorlopend toezicht</vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet>Artikel 13 Brandveiligheidsinstructie en
                            ontruimingsplan</vet><vet>uitgaande van de bestaande interne
                            organisatie</vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet>Artikel 14 Openingstijden</vet></al><al>Vervallen. </al><al><vet> Bijlage 3 Tabel maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van
                            een gebouw met het oog op de brandveiligheid</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="40*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Aard van de ruimte</al></entry><entry colname="col4"><al>Maximaal toelaatbaar aantal personen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Ruimte met één ingang 1)</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Brandgevaarlijke ruimte 2) waarin:</al><al>a.de interne loopafstand 6) maximaal 15 m bedraagt,
                                            en</al><al>b.gelegenheid tot ontkoming 3) aanwezig is.</al></entry><entry colname="col4"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Niet-brandgevaarlijke ruimte 2) waarin de interne
                                            loopafstand 6) tot de gegarandeerd te gebruiken uitgang
                                            maximaal 30 m is en</al></entry><entry colname="col3"><al>met vanaf de buitenkant van de uitgang slechts één
                                            vluchtweg 4)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,9 x de breedte van de uitgang, in cm, doch maximaal
                                            25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met vanaf de buitenkant van de uitgang twee vluchtwegen
                                            4)</al></entry><entry colname="col4"><al>0,9 x de breedte van de uitgang, in cm, doch maximaal
                                            100</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col3" namest="col1"><al>Ruimte met meer dan één uitgang 1)</al></entry><entry colname="col4"><al>de laagste van de twee uitkomsten uit de berekeningen a
                                            en b:</al><al>a.0,9 x de gezamenlijke breedte van alle uitgangen, in
                                            cm;</al><al>b.alleen indien vanaf de buitenkant van alle meegetelde
                                            uitgangen twee vluchtwegen 4) aanwezig zijn, en de
                                            uitgangen zo ver mogelijk uit elkaar liggen, en de
                                            interne loopafstand 6) in een brandgevaarlijke ruimte 2)
                                            maximaal 15 m bedraagt en in een niet-brandgevaarlijke
                                            ruimte 2) maximaal 30 m: het aantal uitgangen x 200.
                                            5)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>1) Uitgang: minimumafmetingen: 2 m hoog en 0,60 m breed.</al><al>2) Brandgevaarlijke ruimte: een ruimte, duurzaam bestemd voor het bewaren
                        van – met betrekking tot brandgevaar – aanmerkelijke hoeveelheden stoffen,
                        als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr.
                        104), of een ruimte voor het in voorraad hebben van de drukvaten met
                        samengeperst, door samenpersen tot vloeistof verdicht of onder druk in
                        vloeistof opgelost, gas dan wel een ruimte voor het verrichten van
                        werkzaamheden die een aanmerkelijk brandgevaar opleveren.</al><al>3) Gelegenheid tot ontkoming: een niet voor normaal gebruik bedoelde
                        vluchtmogelijkheid, zoals een raam, luik, brandladder, uitkomend op een
                        veilige plaats.</al><al>4) Vluchtweg: een weg, bestemd om de in een ruimte van een bouwwerk
                        aanwezige personen in geval van brand gelegenheid te geven vanuit die ruimte
                        op een veilige wijze een veilige plaats te bereiken.</al><al>5) Aantal uitgangen: bij ruimten waarin een zeer groot aantal personen
                        gelijktijdig aanwezig kan zijn, kan van de formule (aantal uitgangen x 200
                        personen) worden afgeweken, indien aan de voorwaarden voor de totale
                        uitgangsbreedte en de maximale interne loopafstand wordt voldaan.</al><al>6) Interne loopafstand: de in een ruimte af te leggen afstand naar een
                        uitgang.</al><al><vet>Bijlage 5 Activiteiten samenhangende met slopen en
                        bedreigingen</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="68*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Activiteit samenhangende met sloopproject</al></entry><entry colname="col2"><al>Bedreiging</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopmethode</al><al>Beulen (slopen met behulp van slingeren, zwaaien, vallen
                                            van bal) </al><al>Omduwen/omtrekken (uitoefenen kracht haaks op
                                            lengterichting met als gevolg breuk)</al><al>Expanderen (sloopmethode die gebruik maakt van bepaalde
                                            stoffen die een aanzienlijke volumevergroting vertonen;
                                            o.a. explosieven.)</al><al>Afhijsen (knijpen) </al><al>Trekken (uitoefen kracht in de lengterichting)</al><al>Overige methoden:</al></entry><entry colname="col2"><al>* onvoldoende afstand tot gebouwen</al><al>* stof bij instorten</al><al>* overmatige trillingen</al><al>* ongecontroleerd instorten </al><al>* stof bij instorten</al><al>* wegspatten dommekracht (hefboom)</al><al>* ongecontroleerd instorten</al><al>* rondvliegend puin</al><al>* opslag e.d.</al><al>* trillingen</al><al>* stofproductie</al><al>* verzakkingen</al><al>* vallend materiaal/onvoldoende afstand</al><al>* omvallen kraan/maximum hijslast</al><al>* afbreken hijslast</al><al>* kantelen trekapparatuur</al><al>* stapelen palen</al><al>Slopen in het algemeen met de hand vanaf stellingen, al
                                            dan niet met behulp van werktuigen. Hierbij kan indien
                                            het bouwhek niet ver genoeg staat puin, gereedschap e.d.
                                            buiten het sloopterrein vallen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Materieel (bouwkranen, mobiele puinbrekers)</al></entry><entry colname="col2"><al>* aan- en afvoer</al><al>* op- en afbouw</al><al>* afbreken hijslast of delen daarvan</al><al>* omvallen kraan</al><al>* overschrijden max. wegbelasting</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Sloopobject</al><al>Sloopterrein</al></entry><entry colname="col2"><al>* omvallende bouwdelen</al><al>* wegspattend/ vallend puin en gereedschap</al><al>* verontreinigd sloopmateriaal</al><al> * afkalven, instorten bouwputten</al><al>* opslag van materialen en materieel</al><al>* onvoldoende afgrenzing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwputten en –sleuven</al></entry><entry colname="col2"><al>* instorten/ afkalven bouwputten en sleuven</al><al>* onjuiste bemaling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bodemverontreiniging en afvoer van sloopmaterialen</al></entry><entry colname="col2"><al>Veiligheids-</al><al>aspecten reeds gedekt: p-bladen arbeidsinspectie en
                                            APV's.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>BIJLAGE 6 Checklist van bedreigde objecten, functies en maatregelen ten
                            behoeve van de o</vet><vet>p</vet><vet>steller van het
                            sloopveiligheidplan</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al>Bedreigde functies en objecten</al></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijke maatregelen</al><al>(bron-, pad- en objectgericht)</al></entry><entry colname="col4"><al>Aanbevelingen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belendingen</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat</al></entry><entry colname="col3"><al>-constructief scheiden</al><al>– trillingsarm slopen (in extremo: met de hand)</al><al>– stutten/ stempelen bouwputten- en sleuven</al><al>– gecontroleerd bemalen</al><al>– voorzieningen i.v.m. gemeenschappelijke bouwmuren en
                                            funderingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met eigenaar/beheerder </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers</al></entry><entry colname="col3"><al>-trillingsarm slopen</al><al>– stofarm slopen</al><al>– slopen op bepaalde dagen/tijden</al><al>– in extreme situaties (calamiteiten): ontruimen</al><al>– rekening houden met verontreinigd sloopmateriaal,
                                            zoals asbest</al></entry><entry colname="col4"><al>Voorlichten gebruikers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties</al></entry><entry colname="col3"><al>– vrijhouden/ toegankelijk houden van belendende
                                            gebouwen</al><al>– aangepaste werktijden</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met gebruikers, eventueel koppelen aan
                                            verkeerscirculatieplan</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gedeeltelijk te slopen objecten</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwkundige staat resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>– toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft veiligheid</al><al>Zie ook bouwkundige staat belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al>Getoetst dient te worden aan de regelgeving met
                                            betrekking tot veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid
                                            voor bestaande situaties. Voor mogelijke maatregelen en
                                            aanbevelingen zie 'belendingen'</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruikers resterende constructie</al></entry><entry colname="col3"><al>-toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft veiligheid en gezondheid</al><al>Zie ook gebruikers belendingen.</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Gebruiksfuncties resterende constructie (school,
                                            ziekenhuis, e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>-toetsen aan Bouwbesluit en Bouwverordening voor wat
                                            betreft bruikbaarheid</al><al>Zie ook gebruiksfuncties belendingen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Infrastructuur</al></entry><entry colname="col2"><al>Kabels, leidingen en rioleringen</al></entry><entry colname="col3"><al>– aangepaste sloopmethode</al><al>– stutten</al><al>– beschermen (afdekken)</al><al>– afsluiten</al><al>– omleggen</al><al>– hijsplan bij grote hijsklussen</al></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met betreffende
                                            nutsbedrijven</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Straatmeubilair (lantarnpalen e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– beschermen</al><al>– afsluiten</al><al>– verwijderen</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Wegen, bruggen, viaducten, e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdekken (schotten, rijplaten, zand)</al><al>– aangepaste sloopmethode</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Waterstaatkundige werken (kanalen, sluizen, dijken
                                            e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met verantwoordelijke instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig (tunnels e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke
                                            instantie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verkeers situatie</al></entry><entry colname="col2"><al>Voetgangers en fietsers</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al><al>– uitstekers (valschermen)</al><al>– voetgangerstunnels </al><al>– afzetten weggedeelte met hekwerk</al><al>– (tijdelijk) afzetten van de gehele weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Overig werkverkeer (openbaar vervoer, auto's)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afdoende afgrenzen sloopterrein</al><al>-vrijhouden en waarborgen veiligheid bovenleidingen
                                            trams en trolleys</al><al>– uitstekers</al><al>– afzetten weg</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Routes voor brandweer- en ziekenauto's e.d.</al></entry><entry colname="col3"><al>-vrijhouden weg</al><al>– aangepaste sloopmethode</al><al>-beperken overige verkeersstroom</al></entry><entry colname="col4"><al>Bij complexe situaties: verkeerscirculatieplan</al><al>Regelen in vooroverleg met verantwoordelijke instanties
                                            en gemeentediensten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Spoorwegen</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met N.S.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Scheepvaart</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>Regelen in vooroverleg met waterbeheerder (RWS,
                                            provincie, waterschap, gemeente)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="17*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bijzondere omstandigheden</al></entry><entry colname="col2"><al>Veel omstanders</al></entry><entry colname="col3"><al>-aanbrengen extra veiligheidsvoorzieningen</al><al>– afzetten wegen</al></entry><entry colname="col4"><al>Vooraf informeren omwonenden</al><al>Bij grote manifestaties overleg met gemeente</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Calamiteiten (slopen na brand, explosies e.d.)</al></entry><entry colname="col3"><al>– afzetten weg</al><al>– ontruimen belendende percelen</al></entry><entry colname="col4"><al>Overleg met deskundige instanties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Vandalen en daklozen </al></entry><entry colname="col3"><al>-extra afscheiding</al><al>– verscherpt toezicht</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet> Bijlage 7 Voorbeeld voor inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</vet></al><al>Voorbeeld inhoudsopgave sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="1."><al>Naam en correspondentieadres van de aannemer</al></li><li nr="2."><al>Ligging van het te slopen perceel</al></li><li nr="3."><al>Doel en opzet sloopveiligheidsplan</al></li><li nr="4."><al>Beschrijving werkzaamheden</al></li><li nr="5."><al>Beschrijving toe te passen sloopmethode(n) en materialen, materieel
                                en hulp- en beveiligingsmiddelen</al></li><li nr="6."><al>Verantwoordelijkheden en verantwoordelijke personen met betrekking
                                tot externe veiligheid</al></li><li nr="7."><al>Betrokken instanties</al></li><li nr="8."><al>Dagindeling werkzaamheden</al></li><li nr="9."><al>Instructies aan werknemers</al></li><li nr="10."><al>Instructies/voorlichting omwonenden</al></li><li nr="11."><al>Voorgenomen veiligheidsmaatregelen</al></li><li nr="12."><al>Uitvoering toezicht op maatregelen</al></li><li nr="13."><al>Logboek</al></li></lijst><al>Bijlagen bij het sloopveiligheidsplan</al><lijst><li nr="a."><al>belangrijke telefoonnummers</al></li><li nr="b."><al>tekening waarop staat aangegeven:</al></li><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwkranen;</al></li><li nr="-"><al>de aan- en afvoerwegen;</al></li><li nr="-"><al>de laad-, los- en hijszones;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van de bouwketen;</al></li><li nr="-"><al>de situering van het sloopobject ten opzichte van aangrenzende
                                wegen, bouwwerken e.d.;</al></li><li nr="-"><al>de grenzen van het sloopterrein, waarbinnen alle sloopwerkzaamheden,
                                het laden en lossen daaronder begrepen, plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>de in of op de bodem van het bouwperceel aanwezige leidingen;</al></li><li nr="-"><al>de plaats van ander hulpmaterieel.</al></li></lijst><al>De schaal van deze tekening mag niet kleiner zijn dan 1:1.000.</al><al>(indien nodig bij detailleringen niet kleiner dan 1:100).</al><lijst><li nr="c."><al>controlelijst ten behoeve van externe veiligheid op de werken</al></li><li nr="d."><al>transportroutes afkomende materialen</al></li></lijst><al><vet> Bijlage 8 bij de toelichting op de bouwverordening</vet></al><al><vet>Keuzetabel voor de vaststelling van deelstromen bij sloop</vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="25*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="25*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>niveau I</al><al>minimumscheiding</al></entry><entry colname="col2"><al>niveau I-plus</al><al>minimumscheiding</al></entry><entry colname="col3"><al>niveau II</al></entry><entry colname="col4"><al>niveau III</al><al>maximumscheiding</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col2"><al>gevaarlijke afvalstoffen (voorheen: chemische of
                                            chemisch verontreinigde afvalstromen)</al></entry><entry colname="col3"><al>Olieproducten</al></entry><entry colname="col4"><al>afgewerkte olie</al><al>brandstofrestanten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig gevaarlijk afval</al></entry><entry colname="col4"><al>batterijen</al><al>accu's</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>schoorsteenkanalen</al><al>rookkanalen</al><al>overig chemisch belast puin</al><al>verontreinigde leidingen</al><al>oliehoudende elementen</al><al>coatings, kitten</al><al>bitumineuze materialen</al><al>zeefzand</al><al>tl-buizen/starters</al><al>halogeen lampen</al><al>niet uitputtende lijst,</al><al>voor overzicht zie EURAL</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col2"><al>asbest en asbesthoudende afvalstromen</al></entry><entry colname="col3"><al>Asbestprodukten</al></entry><entry colname="col4"><al>golfplaat</al><al>spouwbladen</al><al>brandwerende platen</al><al>isolatiemateriaal</al><al>produkten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry><entry colname="col4"><al>met asbest en asbeststof verontreinigd sloopafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>metalen</al></entry><entry colname="col2"><al>metalen</al></entry><entry colname="col3"><al>Ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>constructiebalken e.d.</al><al>metalen trappen e.d.</al><al>betonijzer</al><al>schroot</al><al>tanks, silo's</al><al>ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>non ferro</al></entry><entry colname="col4"><al>aluminium (kozijnen, constructies)</al><al>lood (buis, slabben)</al><al>zink (regenpijp, dakgoot)</al><al>koperbuis</al><al>non ferro niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Elektriciteitskabels</al></entry><entry colname="col4"><al>kabels 220 V</al><al>kabels &gt; 220 V</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col2"><al>steenachtig afval i.c. betonpuin en baksteenpuin</al></entry><entry colname="col3"><al>Beton</al></entry><entry colname="col4"><al>gewapend beton</al><al>schuimbeton</al><al>gasbeton</al><al>staalvezelbeton</al><al>hoge sterkte beton</al><al>betonprodukten</al><al>beton niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>metselwerk</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al><al>metselmortel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>kalkzandsteen</al></entry><entry colname="col4"><al>metselwerkpuin</al><al>bouwblokken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>dakpannen/bedekking</al><al>(beton, keramiek, leisteen)</al></entry><entry colname="col4"><al>intacte dakpannen</al><al>gebroken dakpannen</al><al>dakleien</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>keramiek</al></entry><entry colname="col4"><al>wandtegels</al><al>plavuizen</al><al>sanitair</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>gipshoudende elementen</al></entry><entry colname="col4"><al>gipsplaat</al><al>stucwerk</al><al>anhydriet vloeren</al><al>gipsvezelplaat</al><al>gipshoudende elementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>asfalt</al></entry><entry colname="col4"><al>asfaltbeton</al><al>asfaltpuin</al><al>freesafval</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col3"><al>steenwol</al></entry><entry colname="col4"><al>steenwol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col3"><al>glaswol</al></entry><entry colname="col4"><al>glaswol</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>massief hout</al><al>(zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                            herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col2"><al>massief hout</al><al>(zonder verduurzamingsmiddelen, direct
                                            herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col3"><al>massief hout (direct herbruikbaar)</al></entry><entry colname="col4"><al>balken</al><al>vloerdelen</al><al>trapelementen</al><al>dakbeschot</al><al>regels/tengels</al><al>pallets</al><al>schoon hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geverfd/gelakt hout</al></entry><entry colname="col4"><al>gevelelementen</al><al>kozijnen</al><al>deuren</al><al>parketvloeren</al><al>geverfd/gelakt hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>verlijmd hout (plaatmateriaal)</al></entry><entry colname="col4"><al>spaanplaat</al><al>multiplex</al><al>hardboard</al><al>vezelplaat</al><al>houtwolcementplaat</al><al>bekistingsmateriaal</al><al>vloerplaat</al><al>plaatmateriaal niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>geïmpregneerd hout</al></entry><entry colname="col4"><al>tuinhout</al><al>bielzen</al><al>geïmpregneerd hout niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col2"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col3"><al>kunststof gevelelementen</al></entry><entry colname="col4"><al>kunststof gevelelementen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>PVC- en PE-leidingen</al></entry><entry colname="col3"><al>PVC</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PP en PE</al></entry><entry colname="col4"><al>leidingsystemen (riolering, afvoer)</al><al>dakfolies</al><al>wandfolies </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col3"><al>vlak glas</al></entry><entry colname="col4"><al>vlak glas</al><al>draadglas</al><al>spiegelglas</al><al>dubbelglas</al><al>HR- en LE-glas</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col3"><al>papier en karton</al></entry><entry colname="col4"><al>papier</al><al>karton</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col3"><al>LDPE/HDPE</al></entry><entry colname="col4"><al>dakfolies</al><al>wandfolies</al><al>leidingsystemen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>XPS/EPS</al></entry><entry colname="col4"><al>vloerisolatie</al><al>dakisolatie</al><al>wandisolatie</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>PUR</al></entry><entry colname="col4"><al>isolatieplaten</al><al>PUR-produkten niet elders genoemd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry><entry colname="col4"><al>EPDM</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>overige kunststoffen gemengd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>cellulose isolaties</al></entry><entry colname="col4"><al>cellulose isolaties</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>textiel</al></entry><entry colname="col4"><al>gordijnen</al><al>vloerbedekking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>door vuil voor hergebruik ongeschikte materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>folies met aanhangend vuil</al><al>papier/karton met aanhangend vuil</al><al>textiel met aanhangend vuil</al><al>glas met kitresten</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>composiet-materialen</al></entry><entry colname="col4"><al>beton met PS-platen</al><al>sandwich-panelen</al><al>metselwerk met stucwerk</al><al>beton met stucwerk</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>thermohardende kunststoffen</al></entry><entry colname="col4"><al>meterkasten</al><al>deurknoppen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>overig afval</al></entry><entry colname="col4"><al>overig afval</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting tabel</vet></al><al>In de tabel worden drie niveaus onderscheiden. Niveau I en niveau I-plus
                        staan voor de vereiste minimumscheiding zoals bedoeld in artikel 8.4.1. Dit
                        minimumniveau correspondeert met artikel 4.11 waarin de vereiste
                        minimumscheiding van bouwafval is vastgelegd. Het bestaan van twee niveaus,
                        respectievelijk I en I-plus, is nodig omdat de gemeenteraad bij de
                        vaststelling van artikel 4.11 juncto 8.4.1, een keuze heeft uit twee
                        alternatieven.</al><al>Niveau III geeft een optimaal scenario weer, waarin sprake is van een
                        maximale scheiding.</al><al>Niveau II is te beschouwen als een tussenstap, waarmee een verder inzicht
                        wordt verkregen in het opsplitsen naar de verschillende afvalstromen. De
                        verschillende categorieën van afvalstoffen die in niveau II worden
                        onderscheiden, kunnen niet worden opgevat als definitieve oplossingen met
                        betrekking tot scheiden. </al><al>Hierna wordt kort beschreven op welke wijze de tabel kan worden gebruikt als
                        hulpmiddel.</al><lijst><li nr="-"><al>Gevaarlijke afvalstoffen; chemische en chemisch belaste
                                afvalstromen:</al><al> Op het gevaarlijke afval is het Besluit aanwijzing gevaarlijke
                                afvalstoffen van toepassing (EURAL). Het scheiden van de
                                herbruikbare componenten uit het gevaarlijke afval heeft alleen zin
                                indien deze gescheiden worden op niveau III.</al></li><li nr="-"><al>Asbest en asbesthoudende afvalstromen</al><al> Het scheiden van asbestproducten tot op niveau III is niet zinvol.
                                Volstaan kan worden met het apart houden van asbest en
                                asbesthoudende producten in één afvalstroom, omdat asbest altijd
                                moet worden gestort.</al></li><li nr="-"><al>Overige afvalstromen</al><al> Het scheiden van de diverse componenten is alleen zinvol indien
                                hiermee een afvalstroom wordt verkregen die in aanmerking komt voor
                                hergebruik en waarvoor inzamel- en verwerkings- of
                                bewerkingscapaciteit bestaan.</al><al> Voor sommige componenten betekent dit dat gescheiden dient te
                                worden tot niveau III (bijvoorbeeld bepaalde betonproducten,
                                steenachtige isolatiematerialen, dakpannen, metalen, kunststoffen,
                                glas, schoon hout). Voor andere componenten kan ook worden volstaan
                                met scheiding op niveau II (asfalt, metselwerk, kalkzandsteen,
                                geverfd en gelakt hout, verlijmd hout, papier en karton, textiel,
                                kabels).</al></li><li nr="-"><al>Niet-herbruikbare niet-gevaarlijke (c.q. chemisch verontreinigde)
                                afvalstromen</al><al> In verband met het stortverbod voor bouw- en sloopafval, moet ook
                                deze categorie worden beschouwd als overig afval en worden afgevoerd
                                naar de sorteerinrichting. </al></li></lijst><al>De tabel is niet meer dan een hulpmiddel voor de gemeente bij het bepalen
                        van de mate van scheiding die zal worden voorgeschreven in de
                        sloopvergunning.</al><al>Er is bewust voor gekozen om geen indicatie te geven voor de verschillende
                        inzamelstructuren en bewerkings- of verwerkingsstructuren, omdat deze
                        regionaal of lokaal kunnen verschillen en aan wijzigingen onderhevig
                        zijn.</al><al>Het is daarom noodzakelijk dat de desbetreffende ambtenaar, verantwoordelijk
                        voor de controle van de vergunningaanvraag, op de hoogte is van de lokale en
                        regionale verwerkingscapaciteit voor de bij sloop vrijkomende
                        afvalstromen.</al><al>Al dan niet verontreinigde grond is niet in deze tabel opgenomen. Grond die
                        tijdens of na het slopen wordt afgevoerd, is geen sloopafval en kan dus geen
                        onderwerp zijn in een voorschrift van de sloopvergunning. Toch verdient het
                        aanbeveling alert te zijn op de afvoer van (verontreinigde) grond.</al><al>Voor informatie betreffende de bewerkings- en verwerkingscapaciteit en
                        locaties van bewerkings- en verwerkingsinstallaties kunnen onder meer de
                        volgende publicaties worden geraadpleegd:</al><lijst><li nr="-"><al>Vademecum voor afvalverwerkingdiensten (uitgeverij VAD BV, Alphen
                                aan den Rijn, 1993)</al></li><li nr="-"><al>SBR-brochure 230-b Bouwafvalstoffengids, Rotterdam 1991</al></li></lijst><al><vet>Bijlage 10 Handreiking voor de visuele inspectie van woningen en
                            daarmee vergelijkbare bouwwerken </vet></al><al>Asbestcementproducten en overige producten waarin asbest in hechtgebonden
                        vorm voorkomt (N.B. De aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe
                        product. Door slijtage kan de hechtgebondenheid van deze producten in de
                        loop der tijd afnemen.) </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Product </vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Mogelijk toegepast in </vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>Mate waarin het is toeg</vet><vet>e</vet><vet>past
                                            </vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Uiterlijk </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke plaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Gevels, dakbeschot, rondom schoorstenen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Grijze plaat van 3 tot 8 mm dik, vaak aan een kant
                                            ‘wafelstructuur' </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, vlakke gevelplaat met coating </al></entry><entry colname="col2"><al>Decoratieve buitengevels, galerij </al></entry><entry colname="col3"><al>Vrij algemeen in flats </al></entry><entry colname="col4"><al>Als vlakke plaat maar met aan een kant gekleurde
                                            geëmailleerde of gespoten coating </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, schoorsteen of luchtkanaal </al></entry><entry colname="col2"><al>Bij kachel of CV-installatie, ventilatiekanalen </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Rond of vierkant kanaal, verder als vlakke plaat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, bloembak </al></entry><entry colname="col2"><al>Zowel buiten als binnen, balkons </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>In diverse vormen, verder als vlakke plaat, meestal
                                            dunner dan betonnen bak </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, golfplaat </al></entry><entry colname="col2"><al>Daken van schuren en garages </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als golfplaat, in diverse dikten </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement met cellulosevezels (asbestboard) </al></entry><entry colname="col2"><al>Alleen geschikt voor binnentoepassingen, aftimmeringen,
                                            inpandige kasten </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Geelbruine, dunne plaat, lijkt op hardboard </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, dakleien </al></entry><entry colname="col2"><al>Imitatieleien </al></entry><entry colname="col3"><al>In Nederland weinig toegepast </al></entry><entry colname="col4"><al>Vlakke plaatjes, aan één zijde gecoat </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, standleidingen </al></entry><entry colname="col2"><al>Afvoer toilet </al></entry><entry colname="col3"><al>Vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Als luchtkanaal, maar dikker </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestcement, imitatiemarmer </al></entry><entry colname="col2"><al>Vensterbanken en schoorsteenmantels </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms </al></entry><entry colname="col4"><al>Als marmer, in breuk of zaagvlakken zijn witte vezels
                                            zichtbaar </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Harde asbesthoudende vinyltegels </al></entry><entry colname="col2"><al>Toiletten, keukens </al></entry><entry colname="col3"><al>Soms, meestal bij de bouw gelegd </al></entry><entry colname="col4"><al>Harde tegel met meestal een wit gevlamd motief </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Producten waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. </al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="34*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="24*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Afdichtkoord </al></entry><entry colname="col2"><al>Afdichting schoorstenen kachelruitjes en deurtjes, in
                                            oude haarden en allesbranders </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig </al></entry><entry colname="col4"><al>Wit tot vuilgrijs pluizig koord </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbesthoudend stucwerk </al></entry><entry colname="col2"><al>Op (vochtige) muren en plafonds </al></entry><entry colname="col3"><al>Nauwelijks </al></entry><entry colname="col4"><al>Vezelige korrelstructuur </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Brandwerend board </al></entry><entry colname="col2"><al>Onder CV-ketels, wanden CV-kast, stoppenkast, plafonds,
                                            trapbeschot </al></entry><entry colname="col3"><al>Regelmatig, vooral in flats en grotere complexen </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtbruin tot geel, zachtboardachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Asbestkarton </al></entry><entry colname="col2"><al>Bekleding zoldering </al></entry><entry colname="col3"><al>Weinig </al></entry><entry colname="col4"><al>Lichtgrijs, kartonachtig </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vinylzeil met asbesthoudende onderlaag </al></entry><entry colname="col2"><al>Keukens, trappen enz., geproduceerd voor 1983 </al></entry><entry colname="col3"><al>Zeer vaak </al></entry><entry colname="col4"><al>Zeer divers, alleen te herkennen door analyse onderlaag
                                        </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet> Toelichting tabel</vet><cursief>Herkennen van asbest</cursief> Alleen
                        in een laboratorium kan met 100 procent zekerheid worden vastgesteld of een
                        materiaal of een product asbest bevat. Wel kunt u materialen herkennen
                        waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande overzicht helpt daarbij. Dit
                        overzicht is niet volledig. Voor de herkenning van vinylvloertegels en
                        vinylvloerbedekking (in de volksmond zeil) waarin mogelijk asbest zit, kan
                        de volgende informatie worden gegeven: - Asbesthoudende vinylvloertegels Tot
                        omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die verstevigd zijn met
                        asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw gelegd.
                        Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals toiletten
                        en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak met een
                        wit 'gevlamde' decoratie. - Asbesthoudende vinylvloerbedekking
                        Vinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te koop. Het is veel
                        gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in de onderlaag
                        zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is lichtgrijs tot
                        lichtbeige en soms lichtgroen. Asbest zit bijna nooit in de volgende soorten
                        vloerbedekking: vloerbedekking van textiel (tapijt); ondertapijt van vilt;
                        breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode onderkant; stijve,
                        zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde met daarin een
                        grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een dikke, bruine,
                        harige onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof (plastic) of
                        foam (schuim). Ten slotte is het van belang het volgende te weten:
                        Toepassing en verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na
                        1983 is vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren
                        zijn ook asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De
                        in Nederland gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de
                        opdruk NT aan de onderzijde van de plaat. </al><al>Jurisprudentie JG 02.0008 JG 02.0026 JG 02.0048 JG 02.0112, art.
                        7-3-2-aanhef, art. 7-3-2-b- JG 02.0113 JG 02.0161 JG 03.0009 JG 03.0011 JG
                        03.0029 JG 03.0046 JG 03.0065 JG 03.0066 JG 03.0134 JG 04.0033 JG 04.0045 JG
                        04.0059, art. 8-1-1-3, art.8-1-6 JG 04.0060, art.2-5-30-1 JG 04.0098 JG
                        04.0135 JG 04.0140 JG 05.0073 JG 05.0075 JG 05.0090 JG 05.0092 JG 05.0102 JG
                        05.0112 JG 06.0036 JG 06.0042 <vet>Overgangsbepalingen</vet></al><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, vrijstelling, gebruiksvergunning of
                        toestemming anderszins, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze
                        wijzigingsverordening van kracht wordt en waarop op genoemd tijdstip nog
                        niet is beschikt, zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing,
                        zoals deze luidden vóór de onderhavige wijziging, tenzij de aanvrager de
                        wens te kennengeeft dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al><al>Het bovenstaande is slechts van toepassing op artikelen 8.1.1, 8.1.2, 8.1.4,
                        8.2.1, 8.2.2, 8.3.3 en 8.35 voorzover deze artikelen inovereenstemming zijn
                        met het Asbestverwijderingsbesluit 2005 (Stb. 2005, 704)</al><al>Inwerkingtreding</al><al>Deze wijzigingsverordening treedt in werkingen met ingang van de dag van de
                        openbare kennismaking te weten 16 januari 2008.</al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        IJsselstein, gehouden op 20 december 2007,</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>J.A.M. Kleene Drs. P. C. van den Brink</al><al><vet>BOUWVERORDENING</vet></al><al>Raadsbesluit 20 december 2007 nr. 2007/17734, in werking getreden op <vet>16
                            januari 2008</vet></al></bijlage><bijlage><al>Inhoud</al><al><vet>1.</vet><vet> Inleidende bepalingen</vet></al><al><vet>2.</vet><vet> De aanvraag bouwvergunning</vet></al><al>§ 1. Gegevens en bescheiden</al><al>§ 2. Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>§ 3. Welstandstoetsing</al><al>§ 4. Het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond</al><al>§ 5. Voorschriften van stedenbouwkundige aard</al><al>§ 6. Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties</al><al>§ 7. Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al><vet>3.</vet><vet> Licht bouwvergunningplichtige bouwwerken</vet></al><al><vet>4.</vet><vet> Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij
                    ingebruikneming van een bou</vet><vet>w</vet><vet>werk</vet></al><al><vet>5.</vet><vet> Staat van open erven en terreinen,
                    brandveiligheidinstallaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en
                    weren van schadelijk en hinderlijk gedierte</vet></al><al>§ 1. Staat van open erven en terreinen</al><al>§ 2. Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen</al><al>§ 3. Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>§ 4. Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al><vet>6.</vet><vet> Brandveilig gebruik</vet></al><al>§ 1. Gebruiksvergunning</al><al>§ 2. Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar</al><al>§ 3. Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand</al><al><vet>7.</vet><vet> Overige gebruiksbepalingen</vet></al><al>§ 1. Overbevolking</al><al>§ 2. Staken van het gebruik</al><al>§ 3. Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>§ 4. Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>§ 5. Watergebruik</al><al>§ 6. Installaties</al><al><vet>8.</vet><vet> Slopen</vet></al><al>§ 1. Sloopvergunning</al><al>§ 2. Uitzondering op het vereiste van de sloopvergunning</al><al>§ 3. Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>§ 4. Vrij slopen</al><al><vet>9.</vet><vet> Welstand</vet></al><al>10.<vet>Overige administratieve bepalingen</vet></al><al><vet>11.</vet><vet> Handhaving</vet></al><al><vet>12.</vet><vet> Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet> Bijlagen</vet></al></bijlage></regeling></body></cvdr>