<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50665_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Cultuurhistorieverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Alkmaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Alkmaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officiële Mededelingen, 20-10-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Cultuurhistorieverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-10-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR417940_1">Erfgoedverordening Alkmaar</extref>.</al><al>Op een verzoek om vergunning, vrijstelling, ontheffing of anderszins en dat is ingediend vóór het tijdstip waarop de verordeningen Bouwverordening Gemeente Alkmaar 2010, Cultuurhistorieverordening 2010, verordening tot wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening en verordening tot wijziging van de Kapverordening van kracht worden en waarop op genoemd tijdstip nog niet is beschikt, zijn bepalingen van de verordeningen, zoals deze luidden vóór de vaststelling van de nieuwe verordeningen, van toepassing, tenzij de verzoeker de wens te kennen geeft de bepalingen van de verordeningen zoals deze luiden ná vaststelling, worden toegepast</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Cultuurhistorieverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens aanwezige zaak
                                            bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> vastgestelde registers;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15 Monumentenwet 1988</extref> ingestelde commissie
                                    met als taak het college op verzoek te adviseren over de
                                    toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, de verordening en het
                                    cultuurhistorisch beleid; samenstelling en functioneren is
                                    vastgesteld in het Reglement van Orde voor de Welstands- en
                                    Monumentencommissie.</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische verwachtingskaart: topografische
                                    kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het
                                    grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische verwachtingskaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="n."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan.</al></li><li nr="o."><al>historisch bouwmateriaal: onderdelen in of aan een object die
                                    uit (bouw)historisch oogpunt waardevol zijn.</al></li><li nr="p."><al>college: college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            feitelijke en ook door de gemeente gewenste gebruik van het
                            monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een gebouw, bouwwerk of terrein aanwijzen als gemeentelijk
                                    monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende
                                    gevallen kan zij hiervan afwijken.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen gebouw, bouwwerk of terrein betreffen dat
                                    is aangewezen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of dat is
                                    aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 4 weken na
                                    ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies
                                    van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16 weken
                                    na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid van deze verordening,
                            wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de
                            kadastrale legger bekend staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke
                                monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding
                                    en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 van
                                    deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op het
                                    wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2 van deze verordening, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikelen 4 en 5 van deze verordening van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988%20/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of aan artikel
                                    5 van de monumentenverordening van de provincie
                                    Noord-Holland.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale
                            zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, te beschadigen of te
                                    vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: </al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, af te breken, te verstoren,
                                            te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, te herstellen, te gebruiken
                                            of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het
                                            wordt ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan aan een monumentenvergunning, nadere regels
                                    verbinden, met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden
                                    dienen te worden uitgevoerd en/of gelegenheid dient te worden
                                    gegeven voor onderzoek op het gebied van bouwhistorie en/of
                                    archeologie, en/of beschikbaar stellen van vrijkomend historisch
                                    bouwmateriaal voor hergebruik.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid
                                    van dit artikel geldt niet indien het college nadere regels
                                    stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te
                                    worden uitgevoerd en/of gelegenheid dient te worden gegeven voor
                                    onderzoek op het gebied van bouwhistorie en/of archeologie,
                                    en/of beschikbaar stellen van vrijkomend historisch
                                    bouwmateriaal voor hergebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om vergunning
                                    als bedoeld in artikel 9 is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">hoofdstuk 4 van de Awb</extref> van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                    monument aan de monumentencommissie voor advies.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken na de datum van verzending van het afschrift
                                    brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college niet besluit binnen een redelijke termijn,
                                    maar in ieder geval binnen 8 weken na ontvangst van een
                                    ontvankelijke aanvraag, wordt de vergunning geacht te zijn
                                    verleend.</al></li><li nr="5."><al>Het college verbindt aan de vergunning de voorschriften die
                                    nodig zijn voor het belang van de monumentenzorg. De aan de
                                    vergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar
                                    afgestemd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld
                                            in artikel 9 van deze verordening niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            monument zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>binnen 18 maanden na onherroepelijk worden van de
                                            vergunning geen begin met de werkzaamheden is
                                            gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college gaat over tot intrekking nadat zij de houder van de
                                    vergunning gehoord heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11a</nr><titel/></kop><al>Een vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de
                            aanvraag houdt het college rekening met het gebruik van het
                            monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                    rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen 4 weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn
                                    wordt de monumentencommissie geacht positief geadviseerd te
                                    hebben.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om in een archeologisch monument of een
                                    archeologisch verwachtingsgebied de bodem te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien; </al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                                            monument of archeologisch verwachtingsgebied als
                                            aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                            verwachtingskaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart
                                            en waarbij die verstoring plaatsvindt: </al><lijst><li nr="1."><al>in een gebied met middelmatige archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 5000 m2 en niet dieper dan 40cm,
                                                  of;</al></li><li nr="2."><al>in een gebied met een hoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 500 m2 en niet dieper dan 40cm,
                                                  of;</al></li><li nr="3."><al>in een gebied met zeer hoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                  kleiner is dan 25 m2 en niet dieper dan 20cm</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                            omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>in een afwijkingsbesluit als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.12">artikelen 2.12, lid 2</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.12">2.12, lid 1, onder a. sub 2</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20algemene%20bepalingen%20omgevingsrecht/article=2.12">2.12, lid 1, onder a sub 1 van de Wabo</extref>
                                            voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                            monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                            verstoring van een archeologisch monument of
                                            archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op
                                            gemeentelijke archeologische waardenkaart of de
                                            gemeentelijke beleidsadvieskaart.</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde
                                            van het te verstoren terrein naar het oordeel van
                                            burgemeester en wethouders in voldoende mate is
                                            vastgesteld en waaruit blijkt dat: </al><lijst><li nr="1."><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                  voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="2."><al>de archeologische waarden door de verstoring
                                                  niet onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="3."><al>in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Alkmaar onderzoek
                                    wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de
                                    zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=1">artikel 1 sub h Monumentenwet 1988</extref>, dient,
                                    onverminderd de overige bepalingen van deze <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">wet</extref>: </al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen,
                                            waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het
                                            onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak ter goedkeuring aan het college te
                                            overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college
                                    advies aan een deskundige, zoals omschreven in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20Archeologische%20monumentenzorg">Wet op de Archeologische monumentenzorg</extref>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
                                    of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
                                    laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag
                                    een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de
                                    schade in relatie staat tot: </al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld
                                            in artikel 9 van deze verordening te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het college verbonden aan een
                                            vergunning als bedoeld in artikel 9;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 13, tweede lid onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 14, tweede lid,
                                            tweede volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                    verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.1">artikel 6.1</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.2">6.2 van de Wet ruimtelijke ordening</extref> van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 9, eerste en tweede lid,
                            en 13 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de
                            tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>A. Algemene toelichting</vet></al><al>In de integrale cultuurhistorieverordening zijn de drie werkvelden archeologie,
                    bouwhistorie en monumentenzorg samengevoegd. De integrale aanpak versterkt de
                    samenhang en sluit aan bij de landelijke beleidstrend. Deze verordening heeft
                    het VNG-model Erfgoedverordening 2008 als basis.</al><al>Specifiek in het kader van de deregulering is getracht om de bestaande regeling
                    t.a.v. monumentenvergunning te vereenvoudigen door de mogelijkheid op te nemen
                    dat het college nadere regels kan stellen (uitvoeringsrichtlijnen) waarmee de
                    vergunningplicht (deels) komt te vervallen. Dit is een analoge toepassing van
                    wat op rijksniveau het Algemeen Positief Advies (APA) wordt genoemd: bepaalde
                    (eenvoudige en vastomlijnde) wijzigingen aan een monument mogen op grond hiervan
                    vrijwel altijd worden uitgevoerd zonder een instandhoudingbepaling te
                    overtreden. De vergunningplicht voor andere, complexe wijzigingen wordt
                    gehandhaafd.</al><al>De instandhoudingbepaling met betrekking tot archeologische terreinen vloeit
                    voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond
                    het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun
                    bestemmingsplannen moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat
                    voldoende rekening kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met
                    archeologische waarden en het behoud daarvan. Omdat de actualiteit van
                    bestemmingsplannen ‘an sich’ al voor problemen kan zorgen, is het opnemen van
                    een archeologische paragraaf voor veel gemeenten ook niet eenvoudig of snel te
                    realiseren. De verordening voorziet daarom in een overgangssituatie door het
                    college de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende
                    activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze nadere
                    regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een aanlegvergunning
                    zou worden aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel
                    een archeologisch paragraaf is opgenomen (Malta-proof).</al><al>Bij het opstellen van deze verordening is rekening gehouden met de 'Aanwijzingen
                    voor de decentrale regelgeving'. De bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de
                    daarin gekozen systematiek zijn als uitgangspunt genomen.</al><al><vet>B. Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Hoofdstuk 1. Algemeen</al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met uitzondering
                    van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument
                    in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van
                    Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het
                    beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                    van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                    omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een
                    geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te worden
                    uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                    bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken,
                    tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op het
                    terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten is
                    overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op
                    de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan, die onderdeel kunnen uitmaken van het casco en
                    van het interieur. Immers, het effectueren van de bescherming vormt een
                    probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen worden
                    verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de
                    werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard onroerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving.</al><al>Sub b</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7.</al><al>Sub c</al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al>Sub d</al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd orgaan in de
                    gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen. De
                    monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college. Normaal
                    gesproken zou het dan ook het college zelf zijn, die deze commissie instelt op
                    grond van artikel 84 Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door
                    de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                    college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is
                    bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                    moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als
                    bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat
                    het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen
                    van een commissie.</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Overigens kan de
                    monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al>Sub n</al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in het
                    geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval
                    kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien
                    blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk
                    archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al>Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</al><al><vet>Artikel 2. Het gebruik van een monument</vet></al><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent, met goedkeuring van de gemeente, volgens geldend
                    bestemmingsplan. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                    ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><al><vet>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</vet></al><al>Lid 1</al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengevende omschrijving). De aanwijzing geeft geen recht op
                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last
                    voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                    omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot
                    monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                    vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen
                    de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                    wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur
                    in dat geval geen monumentenvergunning is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                    bouwvergunning.</al><al>Lid 2</al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                    onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Het Reglement van Orde, die de taak en
                    werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                    plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>Lid 3</al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al><vet>Artikel 5. Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                    en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al><vet>Artikel 6. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al><vet>Artikel 7. Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>Artikel 8. Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins teloor gegaan), worden door
                    het college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3
                    dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval
                    dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen en
                    geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie
                    als monument.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</al><al><vet>Artikel 9. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en met 21 van de
                    Wet juncto artikel 13 van deze verordening regelen de vergunningverlening voor
                    de wijziging van rijksmonumenten door het college. In dit artikel gaat het
                    derhalve alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                    vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het
                    verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel
                    4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor de vergunning
                    kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn vereist. In dat kader kan ook het
                    overleggen dan wel gelegenheid geven tot het opstellen van een rapportage met
                    betrekking tot een bouwhistorisch onderzoek als vereiste bij de
                    vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                    evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in relatie
                    tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling
                    uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te worden.</al><al>In lid vier van artikel 9 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Het zal hierbij
                    over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van
                    ingrijpende aard zijn. Met name het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde
                    regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigen
                    (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                    materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. Ook kan het gaan
                    om wegneembare zaken als reclame en markiezen.In deze nadere regels kunnen dan
                    expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft
                    aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote
                    (niet-reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in
                    algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve
                    lasten worden geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de
                    uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al><vet>Artikel 10. Termijnen advies en vergunningverlening</vet></al><al>In Alkmaar is ervoor gekozen de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure (UOV)
                    niet van toepassing te laten zijn bij een vergunningaanvraag voor gemeentelijke
                    monumenten.</al><al>De totale termijn van zes maanden strookt niet met die voor de bouwvergunning.
                    Het vereist (en het niet verleend) zijn van een gemeentelijke
                    monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de omgevingsvergunning
                    (art. 2.10 Wabo). Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop niet
                    is beslist (of deze is geweigerd), zal de omgevingsvergunning dus tijdig
                    geweigerd moeten worden. Nadrukkelijk moet erop worden gewezen dat in de
                    Woningwet alleen een aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten
                    is opgenomen (artikel 3.4 Wabo). Om niet gedurende de lopende
                    monumentenprocedure de omgevingsvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager
                    van de monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas
                    later indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de
                    bouwvergunning verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend, omdat
                    de Wabo boven de monumentenverordening gaat. Er mag echter pas gebruik gemaakt
                    worden van de bouwvergunning als ook de monumentenvergunning is verleend.</al><al>De ontvankelijke aanvraag bedoeld in lid 2 zal standaard worden voorzien van een
                    inhoudelijk bij de aanvraag aansluitende schriftelijke gemeentelijke
                    waardestelling. Deze zal met de aanvraag worden voorgelegd aan de
                    monumentencommissie. Indien de ingreep grotendeels ondergeschikt wordt geacht
                    aan het monumentale aspect, zal een waardestelling achterwege blijven.</al><al>Lid 5. Overeenkomstig artikel 4:13 Awb dient het besluit binnen een redelijke
                    termijn, maar in ieder geval binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag te
                    zijn genomen. Deze termijn kan worden verlengd overeenkomstig artikel 4:14,
                    derde lid Awb. Bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending of
                    uitreiking aan belanghebbende(n), onder wie begrepen de aanvrager. De
                    hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige
                    toepassing.</al><al><vet>Artikel 11. Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>Lid d geeft de mogelijkheid om vergunningen in te trekken waar geen gebruik van
                    wordt gemaakt.</al><al>Hoofdstuk 4. Rijksmonumenten</al><al><vet>Artikel 12. Vergunning voor beschermd rijksmonument</vet></al><al>Lid 1</al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 en
                    afdeling 3.4 van de Awb. De Rijksdienst voor Archeologie Cultuurhistorisch
                    landschap en Monumenten (hierna: RACM) en, buiten de bebouwde kom, ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS) moeten binnen twee maanden na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2). Het definitieve
                    besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen
                    van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (voorheen RDMZ/RACM) en GS
                    plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het definitieve besluit kan
                    nog slechts door een beperkt groep van belanghebbende beroep worden ingesteld
                    (zie de toelichting bij artikel 11).</al><al>Indien het monument buiten de bebouwde kom ligt, is het college verplicht om een
                    afschrift van de aanvraag aan Gedupeerde Staten (GS) te zenden. GS kunnen de
                    adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot
                    advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit
                    wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie
                    tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald
                    dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken
                    van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><al>Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</al><al><vet>Artikel 13. Instandhoudingbepaling</vet></al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10
                    van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, rekening te houden met de in de grond
                    aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                    (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening,
                    is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in
                    de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                    overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.</al><al>Lid 1</al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 14 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 14 biedt
                    bescherming door het opgenomen verbod de bodem te verstoren.</al><al>Lid 2</al><al>In het tweede lid van artikel 14 worden een vijftal uitzonderingsmogelijkheden
                    geven op het eerste lid. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid
                    worden afgeweken als het een verstoring betreft van een archeologisch monument
                    of archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de op gemeentelijke
                    archeologische verwachtingskaart of de gemeentelijke beleidsadvieskaart.</al><al>Deze waardekaart hanteert een driedeling wat betreft de mate waarin
                    archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze
                    archeologische verwachtingswaarden is vervolgens gekoppeld aan een aantal m2 te
                    verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte archeologische waarden, hoe
                    groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden. Bij
                    een hoge verwachtingswaarde zal het aantal m2 waarbinnen een verstoring mag
                    plaatsvinden echter aanzienlijk kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen
                    dient voldoende rekening gehouden te worden met de vraag wat er binnen het
                    verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder
                    geval moet de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie
                    verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk)
                    in de bodem aan te treffen archeologische sporen.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingsplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische
                    verwachtingskaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te
                    verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een drietal vrijstellingsmogelijkheden genoemd uit de Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening. Dergelijke besluiten kunnen tot stand komen doordat
                    bij de aanvraag tot vrijstelling voorschriften kunnen worden opgenomen met
                    betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de vrijstelling
                    wordt aangevraagd. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat
                    een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te
                    verstoren terrein in voldoende mate zijn vastgesteld. Een dergelijke
                    uitzondering wordt feitelijk ook in onderdeel e gegeven, maar ziet dan ook op
                    situaties buiten de aanvraag van een vrijstelling. Dit rapport kan ook in de
                    nadere regels onder d. worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in
                    artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet in geval van een bestemmingsplan in de
                    geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                    artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                    uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologische monument
                    of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´
                    kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een
                    bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                    werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin
                    vereisten omtrent de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen.</al><al><vet>Artikel 14. Opgravingen en begeleiding</vet></al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                    functioneren indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers
                    informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening
                    opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij archeologische
                    opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. In de Monumentenwet 1988 is een
                    vergunningvereiste geregeld voor het doen van opgravingen; dient een
                    rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein
                    betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de eigendomskwestie van de
                    archeologische vondsten uitputtend geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen vast te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                    weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven in het programma
                    van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de leden 2 en 3
                    kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke
                    uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van
                    aanpak.</al><al>Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</al><al><vet>Artikel 15. Schadevergoeding</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in
                    het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                    moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening
                    is gekozen voor een gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de
                    specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                    schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al><vet>Artikel 16. Strafbepaling</vet></al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de raad om
                    op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere of zwaardere
                    dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te
                    leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,-
                    (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is
                    de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                    categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het
                    verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld
                    aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,- (januari 2008).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie of een hechtenis
                    van drie maanden voor de hand liggend.</al><al><vet>Artikel 17. Toezichthouders</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. De basis voor deze
                    aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5, waarin algemene regels
                    worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in
                    artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen die bij of krachtens wettelijk
                    voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het
                    bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                    toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van artikel 18 niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>