<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50610_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lansingerland 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Intranet / Heraut 16-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lansingerland 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aangepaste regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BR0900135</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Bij de verordening horen ook het Besluit maatschappelijke ondersteuning Lansingerland 2009 en het Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Beide regelingen staan ook in de decentrale regelgeving.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Lansingerland 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning gemeente
                        Lansingerland 2009</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:a. College: college van
                                burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland;b. Wet: Wet
                                maatschappelijke ondersteuning;c. WVG: Wet voorzieningen
                                gehandicapten;d. Awb: Algemene wet bestuursrecht;e. AWBZ: Algemene
                                Wet Bijzondere Ziektekosten;f. Compensatiebeginsel: de opdracht aan
                                het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond
                                van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een zo
                                gelijkwaardig mogelijke uitgangspositie te verschaffen zodat zij
                                zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie;g.
                                Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren
                                van activiteiten;h. Persoon met beperkingen/
                                ondersteuningsbehoevende: een persoon die ten gevolge van ziekte of
                                gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van
                                activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij
                                het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen in en om de
                                woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het
                                ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale
                                verbanden;i. Mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van
                                een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door
                                personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;j. Mantelzorger: een
                                persoon, die mantelzorg biedt.;k. Zelfredzaamheid: het lichamelijk,
                                verstandelijk, geestelijk of financiële vermogen om voorzieningen te
                                treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                                mogelijk maken;l. Adequate voorziening: de voorziening die
                                doeltreffend, doelmatig en afgestemd is op de specifieke situatie
                                van de persoon met beperkingen;m. Maatschappelijke participatie:
                                normale deelname aan het maatschappelijke verkeer, te weten het
                                voeren van een huishouden, het normale gebruik van de woning; het
                                zich in en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen
                                dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en het
                                aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel
                                te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;n. Algemene
                                voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe
                                beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle,
                                regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een
                                persoon ondervindt;o. Individuele voorziening: een voorziening die
                                individueel wordt verstrekt indien een algemene voorziening geen
                                adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon op het
                                gebied van maatschappelijke participatie ondervindt;p.
                                Huishoudelijke voorziening: een voorziening ter ondersteuning bij of
                                ter overname van activiteiten op het gebied van het verzorgen van
                                het huishouden van een persoon dan wel de leefeenheid waartoe een
                                persoon behoort;q. Rolstoelvoorziening: voorziening die de
                                ondersteuningsbehoevende in staat stelt zich in en om de woning te
                                verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie is;r.
                                Woonvoorziening: voorziening, niet zijnde een huishoudelijke
                                voorziening of een rolstoelvoorziening, die de
                                ondersteuningsbehoevende in staat stelt tot het normale gebruik van
                                de woning;s. Vervoersvoorziening: voorziening die de
                                ondersteuningsbehoevende in staat stelt zich lokaal te verplaatsen
                                per vervoermiddel;t. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten:
                                een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen
                                bijdrage, die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een
                                persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een financiële
                                tegemoetkoming (eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de
                                regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing
                                zijn;u. Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening
                                wordt verstrekt;v. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee
                                de aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                verwerven en waarop de in deze verordening en het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning Lansingerland te stellen regels van
                                toepassing zijn;w. Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in
                                de kosten van een voorziening welke kan worden afgestemd op het
                                inkomen van de aanvrager;x. Forfaitaire vergoeding: een vast bedrag
                                ongeacht de werkelijke kosten;y. Algemeen gebruikelijk: naar
                                geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel
                                bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend;z.
                                Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een
                                dergelijke voorziening;aa. Vervallen;bb. Huisgenoot: iedere
                                meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een
                                woning bewoont;cc. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze
                                verordening een persoonsgebonden budget (PGB) is toegekend en die
                                aan het college van burgemeester en wethouders verantwoording over
                                de besteding van het persoonsgebonden budget verschuldigd is.dd.
                                Budgetperiode: periode waarvoor een PGB wordt verleend;ee. Netto
                                inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 2.7 van het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning;ff. Hoofdverblijf: de woonruimte,
                                waaronder tevens wordt verstaan een woonwagen of een woonschip,
                                bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met
                                beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de
                                gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal
                                staan ingeschreven, dan wel het feitelijke woonadres indien de
                                persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven en
                                waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte,
                                was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen wordt
                                gedeeld;gg. Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een
                                woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en
                                noodzakelijk om de woning van de persoon met beperkingen vanaf de
                                toegang van het woongebouw te bereiken;hh. Bijstandsnorm: de voor
                                betrokkene op grond van de Wet werk en bijstand geldende
                                bijstandsnorm;ii. Voorliggende voorziening: elke voorziening in het
                                kader van de inkomensondersteunende voorzieningen waarop
                                belanghebbende buiten de wet en de Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Lansingerland aanspraak kan maken, dan wel
                                een beroep kan doen, voor de verwerving van middelen of voor de
                                bekostiging van specifieke uitgaven;jj. Woonplaats: woonplaats als
                                bedoeld in in artikel 10 lid 1 en artikel 11 van Boek 1 van het
                                Burgerlijk Wetboek.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en
                                de Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:a. deze
                                langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het
                                voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het
                                zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te
                                heffen of te verminderen;b. deze, naar objectieve maatstaven
                                gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden
                                aangemerkt;c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.d.
                                de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente
                                Lansingerland.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:a. indien niet is voldaan aan de
                                voorwaarden of verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet;b.
                                indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen
                                gebruikelijk is;c. indien de aanvrager niet woonachtig is in de
                                gemeente Lansingerland;d. voor zover de ondervonden problemen bij
                                het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in
                                de woning gebruikte materialen;e. voor zover de aangevraagde
                                voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het
                                uitrustingsniveau voor sociale woningbouw;f. voor zover er aan de
                                zijde van de aanvrager geen sprake is van aantoonbare meerkosten in
                                vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de
                                beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;g. voor zover
                                de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand
                                aan het moment van beschikken heeft gemaakt;h. indien een
                                voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder
                                krachtens deze, danwel krachtens de aan deze verordening
                                voorafgaande “Verordening voorzieningen gehandicapten” is verstrekt
                                en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                verstreken. Tenzij:- de eerder vergoede of versterkte voorziening
                                verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                aanvrager zijn toe te rekenen;- een voorziening niet adequaat meer
                                is, door veranderde omstandigheden of een wijziging in het
                                ziektebeeld.i. indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                redelijkerwijs van de ondersteuningsbehoevende of mantelzorger zelf
                                of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden of huisgenoten,
                                te vergen medewerking aan oplossing voor het zich voordoende
                                probleem;j. indien, zo het gaat om een financiële tegemoetkoming of
                                een PGB, in de financiering van het niet door de financiële
                                tegemoetkoming of het PGB bestreken deel van de kosten is
                                voorzien;</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming, als forfaitair bedrag of als persoonsgebonden
                            budget. Het college stelt vast in welke situaties de keuze tussen deze
                            voorzieningen wordt geboden aan de hand van de in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning Lansingerland en in het
                            Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de Wmo
                            neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier, waarmee het college van burgemeester en
                            wethouders een overeenkomst heeft gesloten, en de aanvrager van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning Lansingerland en/of het Verstrekkingenbeleid voor
                            voorzieningen in het kader van de Wmo in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:a. een
                                persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van
                                individuele voorzieningen;b. de omvang van het persoonsgebonden
                                budget is de tegenwaarde van de in de betreffende situatie
                                goedkoopst adequate te verstrekken voorziening in natura, indien
                                nodig aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals
                                vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                Lansingerland;c. de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning Lansingerland.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                bewijsstukken, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning Lansingerland, op verzoek van het college per omgaande
                                te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de
                                wet is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de
                                financiële tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. De maximale
                                eigen bijdrage en het eigen aandeel in de kosten voor
                                maatschappelijke ondersteuning, daar waar de gemeente een eigen
                                aandeel of eigen bijdrage vraagt, bedragen niet meer dan hetgeen is
                                opgenomen in artikel 4 lid 1 van het landelijk Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de minimale eigen bijdrage voor hulp bij het
                                huishouden wordt vastgesteld op basis van de eigen bijdrage zoals
                                vastgesteld door het CAK.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:a. een algemene voorziening waaronder
                            algemene hulp bij het huishouden;b. hulp bij het huishouden in natura;c.
                            een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden,
                            waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in
                            artikel 5, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964;d. hulp bij
                            het huishouden in de vorm van respijtzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 8 onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking indien de beperkingen het zelf
                                uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken en
                                de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat kan
                                oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 8 onder b. en c.
                                vermelde voorzieningen in aanmerking als de in artikel 8 onder a.
                                genoemde voorziening niet als meest adequate voorziening kan worden
                                aangemerkt of niet aanwezig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Recht op hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De persoon met beperkingen komt voor hulp bij het huishouden in
                                aanmerking als beperkingen deze voorziening noodzakelijk maken voor
                                het voeren van een huishouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de bepaling van de omvang van hulp bij het huishouden wordt
                                rekening gehouden met gebruikelijke zorg.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten aanzien van het gestelde in het tweede lid stelt het college van
                                burgemeester en wethouders nadere regels vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Respijtzorg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De mantelzorger die een gemeenschappelijke huishouding voert met een
                                persoon met beperkingen en zijn taken tijdelijk niet kan verrichten
                                komt in aanmerking voor respijtzorg in de vorm van hulp bij het
                                huishouden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 10, lid 2 is daarbij niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt
                            in uren, afgerond naar decimalen per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt
                            verstrekt, wordt door het college van burgemeester en wethouders
                            vastgesteld en vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Lansingerland.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:a. een
                            algemene woonvoorziening;b. een woonvoorziening in natura;c. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;d. een
                            financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 14, onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking indien aantoonbare beperkingen op
                                grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk
                                maken en de algemene woonvoorziening dit snel en adequaat
                                oplost.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 14, onder b. c.
                                en d. vermelde voorziening in aanmerking indien de in het vorige lid
                                genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en
                                adequate oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 14 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen omvatten:a.
                            een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;b. een
                            bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;c. een niet bouwkundige of
                            niet woontechnische woonvoorziening;d. onderhoud, keuring en
                            reparatie;e. tijdelijke huisvesting;f. huurderving;g. verwijderen van
                            voorzieningen;h. een uitraasruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor een individuele
                                woonvoorziening in aanmerking wanneer aantoonbare beperkingen als
                                gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning
                                belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor een individuele
                                woonvoorziening in aanmerking met toepassing van het begrip
                                goedkoopst adequaat en voor zover het maximum bedrag zoals opgenomen
                                in artikel 5 van het Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het
                                kader van de Wmo niet wordt overschreden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor verhuizing naar een
                                zelfstandige woning in de gemeente Lansingerland in aanmerking
                                wanneer het verblijven in de eigen zelfstandige woning niet mogelijk
                                is of niet de goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan.
                            De losse woonunit wordt alleen verstrekt in die gevallen, waar het de
                            voor de gemeente, goedkoopst adequate voorziening is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en
                            specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat
                            betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die
                            bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen
                            kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van een
                                woonruimte, de woonkamer en een toilet indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het
                                Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de Wmo vast
                                te leggen maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening
                            het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij
                            het normale gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen
                            aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;b.
                            de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op
                            dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren
                            schriftelijk toestemming is verleend door het college;c. deze betrekking
                            heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan
                            automatische deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;d. de
                            woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van
                            leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
                            voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
                            onverwacht optredende noodzaak;e. De aanvrager voor het eerst
                            zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruime die
                            niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is
                            naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                            verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met
                            het normale gebruik van de woning zijn ondervonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verhuis- en inrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een financiële
                                tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld in
                                artikel 16 onder a. aan:a. de persoon met beperkingen;b. een persoon
                                die, op verzoek van de gemeente, ten behoeve van een persoon met
                                beperkingen de woonruimte heeft ontruimd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent slechts een
                                financiële tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, indien:a. de
                                verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat het college van
                                burgemeester en wethouders op de aanvraag heeft beschikt, tenzij hij
                                daar schriftelijk toestemming voor heeft verleend.b. de persoon met
                                beperkingen niet voor het eerst zelfstandig gaat wonen;c. de persoon
                                met beperkingen verhuist vanuit en naar een woonruimte die geschikt
                                is om het hele jaar door bewoond te worden;d. de persoon met
                                beperkingen niet verhuist naar een AWBZ-inrichting of een andere
                                instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
                                woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                ondervonden;e. in de door de persoon met beperkingen te verlaten
                                woonruimte belemmeringen worden ondervonden en de te betrekken
                                woning reeds is aangepast of met minder kosten dan de te verlaten
                                woning kan worden aangepast;f. de persoon met beperkingen niet
                                verhuisd is op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie
                                of woonsituatie de verhuizing ook zonder beperkingen algemeen
                                gebruikelijk geacht zou zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste
                                lid wordt bepaald op basis van de bedragen genoemd in het
                                Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de
                                Wmo.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De financiële tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid onder b.,
                                kan op een hoger bedrag worden vastgesteld indien de gemeente het
                                vrijkomen van de aangepaste woning om financiële of andere redenen
                                belangrijk vindt en het vrijmaken van de woning niet op een andere
                                wijze kan worden bewerkstelligd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent slechts een
                                persoonsgebonden budget of naturaverstrekking ten behoeve van de
                                kosten van onderhoud, keuring en reparatie indien:a. de betreffende
                                woonvoorziening in het kader van deze verordening dan wel het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning Lansingerland dan wel op
                                grond van de Wet voorzieningen Gehandicapten is verleend;b. de
                                woonvoorziening behoort tot de in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning Lansingerland genoemde voorzieningen;c. de persoon met
                                beperkingen ten tijde van het onderhoud, de keuring of reparatie de
                                woonruimte als hoofdverblijf bewoont.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld op de werkelijke
                                kosten, doch ten hoogste op de gemaximeerde vergoeding als opgenomen
                                in het Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de
                                Wmo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Huurderving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In het geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die
                                voor meer dan de in het Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in
                                het kader van de Wmo genoemd bedrag is aangepast, verleent het
                                college van burgemeester en wethouders een financiële vergoeding aan
                                de eigenaar van de woning in verband met derving van huurinkomsten
                                voor de duur van maximaal 3 maanden, waarbij de eerste maand
                                huurderving niet voor een vergoeding in aanmerking komt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van de financiële vergoeding zoals bedoeld in het eerste
                                lid is afhankelijk van de kale huur van de woonruimte, doch zal niet
                                meer bedragen dan de maximaal subsidiabele huurprijs op grond van de
                                Wet op de huurtoeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Verwijderen van voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van het verwijderen van voorzieningen
                                als bedoeld in artikel 16 onder g. indien:a. de woning langer dan
                                drie maanden leeg staat en de aanpassingen zo specifiek zijn dat het
                                door de aanwezigheid van de voorzieningen niet mogelijk is om de
                                woning aan een persoon zonder beperking te verhuren tenzij,b. bekend
                                is dat binnen een periode van drie maanden na het verstrijken van de
                                termijn genoemd onder a. een persoon met beperkingen in aanmerking
                                voor de woning zal komen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding is niet hoger dan de
                                werkelijk gemaakte kosten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij herplaatsbare aardnagelvaste voorzieningen draagt de gemeente de
                                kosten van het verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent een
                                persoonsgebonden budget in de kosten van tijdelijke huisvesting die
                                door de persoon met beperkingen moet worden gemaakt in verband met
                                het aanpassen van:a. zijn huidige woonruimte;b. de door de persoon
                                met beperkingen nog te betrekken woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het persoonsgebonden budget als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verleend uitsluitend voor de periode, dat de aan te passen
                                woonruimte ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing
                                niet bewoond kan worden en de persoon met beperkingen als gevolg
                                daarvan voor dubbele woonlasten komt te staan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent slechts een
                                persoonsgebonden budget in de kosten van tijdelijke huisvesting als
                                de persoon met beperkingen redelijkerwijs niet kan voorkomen dat hij
                                dubbele woonlasten heeft.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De maximale termijn waarvoor het college van burgemeester en
                                wethouders een persoonsgebonden budget in de kosten van tijdelijke
                                huisvesting, als bedoeld in het eerste lid, verleent, bedraagt drie
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders verleent uitsluitend een
                                persoonsgebonden budget in de kosten van tijdelijke huisvesting als
                                bedoeld in het eerste lid als deze kosten gemaakt worden in verband
                                met het:a. tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte;b.
                                tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige woonruimte, of;c.
                                langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt de werkelijke
                                kosten van huur van de persoon met beperkingen voor de door hem
                                bewoonde tijdelijke woonruimte daar waar het de extra woonlasten in
                                verband met tijdelijke huisvesting betreft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een
                                woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de
                                woning, en die binnen een periode van 5 jaar na gereedmelding van de
                                voorziening de woning verkoopt, is gehouden om binnen een week na
                                het passeren van de akte het college van burgemeester en wethouders
                                hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De meerwaarde die door
                                het treffen van de voorziening is ontstaan, dient te worden
                                terugbetaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De terugbetaling als bedoeld in het eerste lid bedraagt:· voor het
                                eerste jaar 100% van de meerwaarde;· voor het tweede jaar 80% van de
                                meerwaarde;· voor het derde jaar 60% van de meerwaarde;· voor het
                                vierde jaar 40% van de meerwaarde;· voor het vijfde jaar 20% van de
                                meerwaardein alle gevallen minus het percentage dat voor rekening
                                van de eigenaar van de woonruimte is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:a. een algemene
                            voorziening waaronder een collectieve vervoersvoorziening;b. een
                            vervoersvoorziening in natura;c. een persoonsgebonden budget te besteden
                            aan een vervoersvoorziening;d. een financiële tegemoetkoming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 28 onder a. vermelde
                            voorziening in aanmerking indien aantoonbare beperkingen op grond van
                            ziekte of gebreka. het gebruik van het openbaar vervoer ofb. het
                            bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk makenc. afhankelijk van de
                            uitslag van het onderzoek dat wordt verricht op grond van artikel 38 lid
                            2 sub a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Vervoersvoorzieningen in natura, individuele
                                vervoersvoorzieningen en forfaitaire vergoeding</titel></kop><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 28, onder b., c. en
                            d. vermelde voorziening in aanmerking indiena. aantoonbare beperkingen
                            op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als
                            bedoeld in artikel 28, onder a., onmogelijk maken dan welb. een
                            collectief systeem als bedoeld in artikel 28, onder a., niet aanwezig
                            is;c. afhankelijk van de uitslag van het onderzoek dat wordt verricht op
                            grond van artikel 38 lid 2 sub a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien het inkomen van een alleenstaande persoon of het gezamenlijk
                                inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal de voor hen
                                geldende bijstandsnorm, wordt het bezit van een personenauto
                                algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto
                                vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en
                                onderhoudskosten niet in aanmerking komen voor verstrekking of
                                vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de vaststelling van het netto inkomen wordt voor de zelfstandig
                                wonende alleenstaande de inkomensgrens verhoogd met het bedrag zoals
                                opgenomen in artikel 2 lid 2 van het Verstrekkingenbeleid voor
                                voorzieningen in het kader van de Wmo.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de vaststelling van het netto inkomen wordt in alle gevallen een
                                bedrag in mindering gebracht i.v.m. kosten voortvloeiend uit de
                                handicap. Voor de hoogte van het in mindering te brengen bedrag
                                wordt verwezen naar artikel 2 lid 1 Verstrekkingenbeleid voor
                                voorzieningen in het kader van de Wmo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Vervoersbehoefte</titel></kop><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie rekening
                            gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in
                            het kader van het leven van alledag. Voor bovenregionaal vervoer is
                            aansluiting gezocht bij Valys.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:a. een algemene voorziening waaronder een
                            algemene rolstoelvoorziening;b. een rolstoelvoorziening in natura;c. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoelvoorziening;d. een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan een sportrolstoel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Rolstoelvoorzieningen bij incidenteel rolstoelgebruik en
                                sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 33, onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking indien beperkingen incidenteel
                                zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 33, onder b. en
                                c. vermelde voorziening in aanmerking indien beperkingen dagelijks
                                zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een persoon met beperkingen komt voor de in artikel 33, onder d.
                                vermelde voorziening in aanmerking indien beperkingen op grond van
                                ziekte of gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor de hoogte van het te verstrekken pgb voor de in artikel 33,
                                onder d. vermelde voorziening wordt verwezen naar het
                                Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de
                                Wmo.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners van een
                                zorginstelling</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 34, lid 2 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij een door de gemeente
                            aangewezen zorgloket bij welk loket in principe zowel aanvragen voor
                            voorzieningen inzake de wet alsmede aanvragen zorg inzake de Algemene
                            Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om, voor zover
                                dit van belang is voor de beoordeling van het recht op een
                                voorziening, degene door wie een aanvraag is ingediend:a. op te
                                roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen
                                plaats en tijdstip en hem te ondervragen;b. op een door het college
                                te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen
                                deskundigen te doen ondervragen en/of onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders vraagt een door hen
                                daartoe aangewezen adviesinstantie om advies indien:a. de medische
                                situatie van de aanvrager daartoe aanleiding geeft;b. het college
                                van burgemeester en wethouders dat overigens gewenst vindt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college van burgemeester en wethouders mededeling
                            te doen van feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk
                            moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een besluit, genomen
                                op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken
                                indien:a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of
                                krachtens deze verordening;b. op grond van gegevens beschikt is en
                                gebleken is dat de gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de
                                juiste gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een besluit tot verstrekking van een financiële tegemoetkoming of
                                een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat
                                de tegemoetkoming of het budget binnen drie maanden na uitbetaling
                                niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In geval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan een
                                reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het geval oneigenlijk gebruik van een financiële tegemoetkoming
                                en/of pgb is vastgesteld worden de reeds uitgekeerde bedragen
                                teruggevorderd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen
                            ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze
                            verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In die gevallen, de uitvoering van de verordening betreffende, waarin
                            deze verordening niet voorziet, beslist het college van burgemeester en
                            wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders verhoogt of verlaagt
                            jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op
                            deze verordening berustende bedragen zoals genoemd in het
                            Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de Wmo conform
                            de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de
                            Statistiek, tenzij in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Lansingerland anders is vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe in het eerste jaar na
                            de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag
                            over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Beschikkingen, genomen op grond van artikel 12 en 13 van de aan deze
                            verordening voorafgaande verordening blijven van kracht tot 1 maart
                            2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning
                                gemeente Lansingerland 2008 wordt met ingang van 1 december 2009
                                ingetrokken;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 december
                                2009.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Voorzieningen Wet
                            Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Lansingerland 2009.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in zijn
                        openbare vergadering vanDe griffier, Kees van ’t Hart De voorzitter, Ewald
                        van Vliet</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTINGHOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen. Artikel 1.
                    Begripsbepalingen.Ad a. CollegeDeze bepaling spreekt voor zich.Ad b. WetDeze
                    bepaling spreekt voor zich; zie hiervoor ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.Ad c. WVGDeze
                    bepaling spreekt voor zich.Ad d. AwbDeze bepaling spreekt voor zich;Ad e.
                    AWBZDeze bepaling spreekt voor zich;Ad f. CompensatiebeginselDe gemeente heeft
                    de algemene verplichting om de beperkingen die iemand heeft in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Aan het compensatiebeginsel wordt door de gemeente voldaan door
                    concrete voorzieningen te verstrekken, te weten hulp in de huishouding, woon- en
                    vervoers- en inkomensondersteunende voorzieningen en rolstoelen.Ad g.
                    BeperkingenDe term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International
                    Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties) en biedt voor gemeenten een uniform begrippenkader dat als grondslag
                    dient om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                    stellen.Ad h. Persoon met beperkingenDe begripsomschrijving van het begrip
                    “persoon met beperkingen” is afgeleid van de begripsomschrijving van
                    “beperkingen” en van de verschillende terreinen, o.a. de Wvg, waarvoor op grond
                    van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. De doelgroep “personen met een
                    chronisch psychisch of psychosociaal probleem” is afkomstig uit de
                    AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).Ad i. MantelzorgDe begripsomschrijving
                    van het begrip “mantelzorg” is ontleend aan de begripsomschrijving van
                    “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de wet).Ad. j.
                    MantelzorgerHieronder wordt verstaan de persoon die langdurige zorg biedt uit
                    aan een hulpbehoevende. Deze zorgverlening vloeit veelal voort uit de sociale
                    relatie en overstijgt de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar. De zorg
                    wordt niet in het kader van een hulpverlenend beroep geboden.Ad k.
                    ZelfredzaamheidDeze bepaling spreekt voor zich;Ad l. Adequate voorzieningEen
                    uitgangspunt van de wet is dat een persoon met beperkingen zo zelfstandig
                    mogelijk aan het maatschappelijke verkeer moet kunnen deelnemen. Voor de
                    compensatie van de beperkingen die de persoon in zijn zelfredzaamheid en
                    maatschappelijke participatie ondervindt, treft het college voorzieningen die
                    doeltreffend, doelmatig en afgestemd zijn op de specifieke situatie van de
                    aanvrager.Daarvan is sprake als:• bij de keuze van de voorziening rekening wordt
                    gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager;• de voorziening is
                    gericht op het versterken van de zelfredzaamheid en zelfregie van de aanvrager
                    in plaats van de afhankelijkheid van een ander;• de toegekende voorziening er op
                    is gericht om voor de aanvrager een gelijke of zo goed mogelijke vergelijkbare
                    positie te creëren als een persoon zonder beperkingen heeft;• de toegekende
                    voorziening de mogelijkheid biedt om normaal van de woning gebruik te maken,
                    waarbij in ieder geval gelet wordt op leven, verzorgen, het verrichten van
                    geregelde huishoudelijke taken, slapen, bezoek ontvangen, ontspannen en studie;•
                    de toegekende voorziening uitgaat van de diversiteit aan vervoersbehoefte van de
                    aanvrager.Ad m. Maatschappelijke participatieDeze bepaling spreekt voor zich;Ad
                    n. Algemene voorzieningHet gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare
                    voorzieningen. Daarbij valt te denken aan reeds bestaande of nog te ontwikkelen
                    voorzieningen: collectief vervoer, scootermobielpools, algemene
                    woonvoorzieningen als klussendiensten en voorzieningendepots, rolstoelpools en
                    vrijwilligersdiensten. De verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij
                    individuele voorzieningen: een beperkte toegangsbeoordeling en geen formele
                    beslissing (beschikking). In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.Ad o. Individuele voorzieningAlgemene
                    voorzieningen hebben voorrang op individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal
                    eerst een algemene voorziening worden aangeboden, waar nodig zal een individuele
                    voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze wordt gemaakt tussen beide
                    categorieën voorzieningen hangt af van de individuele situatie van de aanvrager.
                    Het uitgangspunt is en blijft ook hier het verstrekken van adequate
                    voorzieningen.Ad p. Huishoudelijke voorzieningDeze bepaling spreekt voor zich;Ad
                    q. RolstoelvoorzieningDeze bepaling spreekt voor zich;Ad r. WoonvoorzieningDeze
                    bepaling spreekt voor zich;Ad s. VervoersvoorzieningDeze bepaling spreekt voor
                    zich;Ad t. Eigen bijdrage of eigen aandeelDe bevoegdheid voor het vragen van een
                    eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort
                    uit de wet. Deze wordt op het inkomen afgestemd en nader uitgewerkt in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning Lansingerland.Ad u. Voorziening in
                    naturaVoorzieningen in natura zijn voorzieningen die niet in de vorm van
                    enigerlei financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht
                    aan verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.Ad v. Persoonsgebonden budgetEen persoonsgebonden budget is een
                    geldbedrag dat de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag
                    besteden aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking
                    omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij
                    behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning Lansingerland.Ad w. Financiële tegemoetkomingEen
                    financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet altijd een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten.Ad x. Forfaitaire
                    vergoedingEen forfaitaire vergoeding bestaat uit een bedrag ineens, los van het
                    inkomen en los van de werkelijk gemaakte kosten.Ad y. Algemeen gebruikelijkDe
                    gemeentelijke overheid verstrekt geen voorzieningen, waarover de belanghebbende,
                    gelet op de individuele omstandigheden, ook zonder diens handicap of beperking,
                    zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk
                    beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen
                    is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de
                    aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het gaat daarbij om
                    voorzieningen:• die verkrijgbaar zijn in de reguliere handel;• die niet speciaal
                    voor mensen met beperkingen bedoeld zijn;• die niet aanzienlijk duurder zijn dan
                    vergelijkbare producten met hetzelfde doel.Ad z. MeerkostenHet begrip
                    “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”, deze twee
                    begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die in een
                    direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociale probleem.Ad aa . VervallenHieronder was het
                    begrip “besparingsbijdrage” opgenomen. Inmiddels is uit jurisprudentie gebleken
                    dat onder de Wvg (Wet voorzieningen gehandicapten) de besparingsbijdrage niet
                    mogelijk is. Het laat zich aanzien dat ook onder de Wmo het in rekening brengen
                    van een besparingsbijdrage voor een voorziening die als zodanig niet als
                    algemeen gebruikelijk geldt niet mogelijk is.Ad bb . HuisgenootDeze
                    begripsomschrijving vindt zijn oorsprong in het Protocol Gebruikelijke zorg,
                    zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg
                    werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor
                    huishoudelijke zorg. In dit kader wordt een kamerhuurder niet als een huisgenoot
                    aangemerkt.Ad cc. BudgethouderDe invoering van het persoonsgebonden budget maakt
                    het opnemen van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de
                    persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan
                    ook verantwoording af dient te leggen.Ad dd. BudgetperiodeDeze bepaling spreekt
                    voor zich;Ad ee. Netto inkomenDeze bepaling spreekt voor zich;Ad ff.
                    HoofdverblijfDe compensatieplicht strekt zich uit tot de inwoners van de
                    gemeente, de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geeft hierover
                    uitsluitsel. Als de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen moet
                    duidelijk zijn waar de aanvraag ingediend moet worden.Ad gg. Gemeenschappelijke
                    ruimteDeze bepaling spreekt voor zich;Ad hh. BijstandsnormDeze bepaling spreekt
                    voor zich;Ad ii. Voorliggende voorzieningDe begripsomschrijving is ontleend aan
                    de Wet werk en bijstand en brengt tot uitdrukking dat elke andere
                    bestaansvoorziening voor deze wet, als sluitstukvoorziening, het karakter heeft
                    van een voorliggende voorziening, die met voorrang op de wet en de verordening
                    dient te worden toegepast. De inkomensondersteunende voorzieningen zijn
                    complementair ten opzichte van een voorliggende voorziening. Indien zich in het
                    bereik of de werking van een voorliggende voorziening wijzigingen voordoen,
                    dient de uitvoering van de wet en deze verordening daarbij aan te sluiten. De
                    gegeven begripsomschrijving laat dit toe.Ad jj. WoonplaatsDeze bepaling spreekt
                    voor zich;Artikel 2. Beperkingen.Artikel 2, lid 1Ad a.Deze definitie is ontleend
                    aan de Verordening voorzieningen gehandicapten Lansingerland. Wat langdurig
                    noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd
                    uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal
                    ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de
                    beperking aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    wordt van een kortdurende noodzaak uitgegaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    verbeteringen in de toestand worden opgevolgd met periodes van terugval, wordt
                    echter uitgegaan van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het
                    antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak
                    voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent
                    in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een
                    ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor
                    een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt.Ad b.De
                    voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Datgene wat de aanvrager als een meest passende oplossing voor zijn
                    beperkingen beschouwt wordt meegewogen in de beoordeling van het adequaat zijn
                    van de voorziening. Ook het criterium inzake de kosten van de voorziening,
                    spelen een rol bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat
                    zijn van een voorziening. Voorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat
                    zij adequaat zijn, komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Het is
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft de kwaliteit van de
                    voorziening wordt uitgegaan van een verantwoord niveau. Het is uiteraard wel
                    mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen te betalen.Ad c.Het probleem van de persoon met beperkingen
                    wordt op grond van de wet gecompenseerd. Dat individuele probleem staat centraal
                    bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.Ad.
                    d.De compensatieplicht die de gemeenten hebben met betrekking tot de verlening
                    van woonvoorzieningen, beperkt zich tot het hoofdverblijf van de aanvrager. Zie
                    ook de toelichting op artikel 20 van deze verordening.Artikel 2, lid 2Ad a.Deze
                    bepaling spreekt voor zich;Ad b.Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                    voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van
                    de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden
                    verstrekt. Dit beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale
                    wetgeving (AAW/WAO, voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke
                    jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals
                    die is opgenomen in artikel 1, onder n. van deze verordening. Wat in een
                    concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard
                    van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de
                    aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het
                    moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan
                    leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt
                    immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de
                    aanvrager – mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn
                    beperking, onder het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te
                    geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling
                    optredende handicap moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven;
                    dat zou zonder die handicap immers ook niet gebeuren.Ad c.In de wet is, in
                    tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen gehandicapten, geen
                    specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich
                    beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet
                    spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat
                    er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de aanvrager niet woonachtig is.Ad
                    d.Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.Ad e.Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is
                    vastgesteld in het Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat
                    uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit;
                    duurdere of andere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke
                    begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau.
                    Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen
                    worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de hiermee
                    gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden.
                    Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien
                    bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in
                    een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke
                    grens aan.Ad f.In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en
                    vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun
                    situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen
                    meerkosten met zich meebrengt. Daarvoor is deze onder f genoemde bepaling
                    bedoeld.Ad g.Onder g. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.Door deze regeling wordt voorkomen dat
                    een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt
                    met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het
                    college kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte
                    van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan
                    te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing
                    wellicht niet noodzakelijk is.Ad h.Onder h. wordt in dit artikel aangegeven dat
                    de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking
                    die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat
                    het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare
                    onachtzaamheid, dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander
                    aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk
                    is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om
                    zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een verstelbare
                    keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de
                    te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering
                    gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende
                    verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden
                    gedaan.Ad i.Deze bepaling spreekt voor zich.Ad j.Deze bepaling spreekt voor
                    zich.HOOFDSTUK 2. Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen. Artikel 3.
                    Keuzevrijheid.De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een
                    aanspraak op een individuele voorziening de keuze te bieden tussen een
                    persoonsgebonden budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen
                    overwegende bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een
                    persoonsgebonden budget. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij personen die
                    onder bewindvoering staan. Het college stelt ter zake nadere regels.Naast deze
                    keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid. Dit is de
                    vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders.Artikel 4. Voorziening in natura.Het doel van deze bepaling is het
                    vastleggen van de rechten en plichten van het college en de aanvrager. Deze
                    bepaling betreft de situatie waarin het college een derde inschakelt voor de
                    verstrekking van naturavoorzieningen, bijvoorbeeld rolstoelen en scootmobielen,
                    en deze derde eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het
                    college een derde inschakelt voor het verlenen van zorg.Artikel 5. Financiële
                    tegemoetkoming.Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming
                    wordt besteed aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan
                    van de doelen die met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden
                    worden verbonden aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet.
                    Deze bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk
                    8 van deze verordening, biedt daartoe de mogelijkheid.Artikel 6.
                    Persoonsgebonden budget.Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als
                    een manier waarop een toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1,
                    onder a. van dit artikel genoemde bepaling spreekt voor zich en sluit aan op de
                    bepaling in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning
                    van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden
                    budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen hier niet onder.Onder
                    b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld aan de
                    tegenwaarde van de in de betreffende situatie te verstrekken voorziening in
                    natura. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden
                    budget kan worden gebaseerd. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld
                    voor de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van de voorziening. De
                    diverse soorten voorzieningen worden nader geregeld in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning Lansingerland, dat door het college wordt
                    vastgesteld. Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de omvang van een
                    persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van
                    verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen.
                    Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen
                    noodzakelijk zijn. De invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning Lansingerland en de beleidsregels.Lid 2 bepaalt
                    dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het persoonsgebonden budget in de
                    toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat om de omvang ervan (de hoogte
                    van het budget), maar ook om de periode waarover het wordt toegekend. Het
                    college kan hiervoor nadere regels stellen.In lid 3 is neergelegd de algemene
                    eis dat er een program van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan
                    welke eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet
                    voldoen. Het program van eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het
                    program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van
                    het toegekende budget.Lid 4 van artikel 6 regelt de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget.De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige
                    en doelmatige besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de
                    bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers
                    hun persoonsgebonden budgetten besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Met
                    uitzondering van aanvragen bij woonvoorzieningen vindt deze controle
                    steekproefsgewijs plaats. Een bepaald gedeelte van de toegekende persoongebonden
                    budgetten wordt gecontroleerd via het opvragen van gegevens bij de
                    budgethouders. Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan wordt de in
                    hoofdstuk 8 genoemde procedure gevolgd.Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen
                    aandeel.De gemeenten hebben de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. De hoogte
                    van de financiële tegemoetkomingen wordt afgestemd op het inkomen van degene aan
                    wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.
                    De wijze waarop dit wordt uitgevoerd is vastgelegd in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning Lansingerland.HOOFDSTUK 3. Hulp bij het
                    huishouden. Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden.Op grond van de wet
                    wordt het college van burgemeester en wethouders opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. Onder de AWBZ
                    werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te geven dat
                    onder de Wmo sprake is van een eigen begrip is in deze verordening het begrip
                    ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.Hulp bij het huishouden kan in drie
                    vormen als voorziening worden aangeboden.Onder a. wordt genoemd de algemene
                    voorziening; een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel
                    administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan
                    vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een
                    wijksteunpunt, met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van
                    een kortdurende hulpbehoefte.Onder b. wordt genoemd de hulp bij het huishouden
                    in natura. Ook hier gaat het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net
                    als bij de onder a. genoemde vorm. Het verschil zit echter in de
                    toekenningsprocedure, die meer op de persoon is afgestemd, en in de regel meer
                    geschikt zal zijn voor de wat grotere en langduriger behoefte aan hulp.Onder c.
                    is genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden. Het
                    pgb biedt de aanvrager de mogelijkheid om zelf hulp in te huren. Als gevolg van
                    de wetswijziging in de Wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 5, eerste lid
                    Wmo), die 1 januari 2010 in werking treedt, is de vergoeding voor alfahulpen
                    toegevoegd.Artikel 9. Algemene hulp bij het huishouden.In artikel 9 lid 1 wordt
                    geregeld onder welke voorwaarden gebruik kan worden gemaakt van een algemene
                    voorziening voor hulp bij het huishouden. Op basis van de verordening wordt
                    bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op verantwoorde
                    wijze kan oplossen.Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening niet
                    als de meest adequate voorziening kan worden aangemerkt of niet aanwezig is,
                    komt de individuele voorziening voor hulp bij het huishouden aan de orde. De
                    individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                    persoongebonden budget.Artikel 10. Recht op hulp bij het huishouden.In dit
                    artikel is omschreven wanneer de aanvrager in aanmerking komt voor hulp bij het
                    huishouden. De eerste voorwaarde is dat de persoon met beperkingen problemen
                    heeft, die ervoor zorgen dat hij niet in staat is een huishouden te voeren.Hulp
                    bij het huishouden is aangewezen wanneer disfunctioneren van de leefeenheid als
                    gevolg van beperkingen of problemen van (één van) de verzorgende (leden) dreigt.
                    Het doel van hulp bij het huishouden kan zijn het schoonhouden van het huis
                    en/of het verrichten van de dagelijks voorkomende huishoudelijke activiteiten,
                    maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden.Het
                    uitgangspunt is dat men primair zelf verantwoordelijk is voor het eigen
                    huishouden, de eigen gezondheid, de levensstijl en de wijze waarop het
                    huishouden wordt gevoerd. De wet is ter aanvulling op de eigen mogelijkheden.
                    Dit betekent dat van een gezin wordt verwacht, dat bij uitval van één van de
                    eigen leefeenheden, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke
                    taken binnen dit gezin. Redenen als ‘niet gewend zijn om' of geen huishoudelijk
                    werk willen en/of kunnen verrichten, leiden niet tot een indicatie voor het
                    overnemen van huishoudelijke taken.Als het nodig is kan er een indicatie worden
                    gesteld voor hulp bij het huishouden voor het aanleren van huishoudelijke taken
                    en/of het leveren (efficiënter) organiseren van het huishouden.In het tweede lid
                    is bepaald dat bij het recht op hulp bij het huishouden rekening gehouden wordt
                    met gebruikelijke zorg, die niet voor vergoeding in aanmerking komt. De nadere
                    regels zijn neergelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    Lansingerland.Artikel 10 lid 4 is vervallen. Dit betrof een overgangsbepaling
                    die tot uiterlijk 1 april 2008 gold.Artikel 11. Respijtzorg.In dit artikel is de
                    respijtzorg geregeld in de vorm van hulp bij het huishouden. Deze vervangende
                    voorziening wordt verleend ten behoeve van de mantelzorger en aan hem of haar
                    toegekend. De omvang wordt vastgesteld aan de hand van de gestelde indicatie. De
                    mantelzorger zelf hoeft geen eigen bijdrage te betalen. Wel zal een eventuele
                    eigen bijdrage van de verzorgende tijdens de respijtzorg onverminderd
                    gehandhaafd blijven.Artikel 12. Omvang van de hulp bij het huishouden.In de AWBZ
                    werd de omvang van hulp bij het huishouden uitgedrukt in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse was gekoppeld aan een minimal
                    en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. In eerste
                    instantie is deze systematiek gehandhaafd. Onder de Wmo is het ook mogelijk de
                    omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden uit te drukken in het
                    daadwerkelijk aantal geïndiceerde uren. Hiervoor is nu gekozen en dit is
                    vastgelegd in dit artikel.Artikel 13. Omvang van het persoonsgebonden budgetDeze
                    bepaling spreekt voor zich en sluit aan op artikel 12.HOOFDSTUK 4.
                    Woonvoorzieningen. Artikel 14. Vormen van woonvoorzieningen.De woonvoorziening
                    kan worden verstrekt in vier hoofdvormen.Ad a. De algemene woonvoorziening.
                    Hierbij moet worden gedacht aan een mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak
                    minder complexe woonproblemen te krijgen. Te denken valt aan klussendiensten en
                    snel beschikbare voorzieningen.Ad b. Een woonvoorziening in natura. Dergelijke
                    woonvoorzieningen worden niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming – op
                    individuele basis – verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift of een
                    douchestoel.Ad c. Het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld voor een bouwkundige
                    of woontechnische woonvoorziening, de kosten onderhoud, keuring en reparatie van
                    de voorziening, tijdelijke huisvesting en huurderving.Ad d. De financiële
                    tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten of een bouwkundige of
                    woontechnische woonvoorziening.Artikel 15. Algemene woonvoorzieningen en recht
                    op individuele woonvoorzieningen.In eerste instantie wordt beoordeeld of een
                    woonprobleem kan worden opgelost met een algemene voorziening. Deze voorziening
                    heeft voorrang bij het zoeken naar een oplossing voor een voor de wet relevant
                    woonprobleem, dus een probleem bij het normale gebruik van de woning. Als een
                    algemene voorziening niet volstaat als oplossing ofwel niet aanwezig is in de
                    gemeente wordt het probleem opgelost middels een individuele voorziening, een
                    woonvoorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële
                    tegemoetkoming.Artikel 16. Soorten individuele woonvoorzieningen.Het college kan
                    besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt de afweging
                    tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is
                    alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct
                    oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te
                    verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren zoals lawaai, stank, gevoelens van
                    onveiligheid, overlast etc. zijn dus niet van belang. Het uitgangspunt van het
                    gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de
                    voorraad aangepaste woningen in de gemeente.Een bouwkundige of woontechnische
                    woningaanpassing is een aanpassing van de woning zelf, ter compensatie van de
                    problemen die in de woning spelen ten aanzien van de bewoner met een beperking.
                    Een woonvoorziening kan ook betrekking hebben op de sanering van de woning,
                    bijvoorbeeld bij personen met CARA. Ook kan onder deze categorie worden begrepen
                    hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan de woning
                    zijn bevestigd, alsmede de mobiele tilliften.Deze laatste twee categorieën
                    roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura
                    worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk
                    is.Een persoonsgebonden budget of een naturavoorziening voor kosten in verband
                    met onderhoud, keuring en reparatie wordt verstrekt voor woonvoorzieningen die
                    in het kader van de wet of de Wet voorzieningen gehandicapten zijn verstrekt. De
                    voorwaarde voor de verstrekking is dat de persoon met beperkingen de woning als
                    hoofdverblijf bewoont.Een persoonsgebonden budget of een naturavoorziening voor
                    de kosten van tijdelijke huisvesting is mogelijk wanneer de persoon met
                    beperkingen de woning tijdelijk moet verlaten in verband met woningaanpassing of
                    wanneer de oude woning wordt aangehouden de nieuw te betrekken woning wordt
                    aangepast. Beoordeeld wordt in hoeverre de kosten reëel zijn.Wanneer een woning
                    met aanpassingen, waarvan de kosten meer dan de in het Verstrekkingenbeleid voor
                    voorzieningen in het kader van de Wmo genoemde bedrag, wordt verlaten, kan de
                    gemeente de huur tijdelijk overnemen om hierdoor de tijd te krijgen de woning
                    toe te wijzen aan een persoon met beperkingen voor wie de aanpassingen ook
                    noodzakelijk zijn.Er kan een vergoeding voor het verwijderen van voorzieningen
                    worden verstrekt als de woning waar het om gaat langer dan drie maanden leeg
                    staat en aangenomen kan worden dat de aanpassingen die in de woning zijn
                    aangebracht zodanig specifiek zijn dat deze voor weinig anderen geschikt zijn.
                    Een vergoeding kan alleen worden verstrekt voor huurwoningen. De
                    eigenaarbewoners zullen zelf moeten voorzien in de verwijdering van ongewenste
                    voorzieningen.Een uitraasruimte is een ruimte die kan worden gedefinieerd als
                    een verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de
                    vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.Artikel 17. Primaat van de verhuizing.Deze bepaling
                    spreekt voor zich.Artikel 18. Primaat van de losse woonunit.Deze bepaling
                    spreekt voor zich.Artikel 19. Uitsluitingen.Een woonvoorziening wordt alleen
                    verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het
                    kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Verder
                    worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van
                    woongebouwen voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke
                    gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder
                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen.Artikel 20. Hoofdverblijf.De
                    compensatieplicht die gemeenten met betrekking tot de verlening van
                    woonvoorzieningen hebben, beperkt zich tot het hoofdverblijf van de aanvrager.
                    Een uitzondering hierop is de situatie waarbij de aanvrager zijn hoofdverblijf
                    heeft in een AWBZ-inrichting en regelmatig een bepaalde woning bezoekt. Het is
                    dan mogelijk dat een voorziening wordt verstrekt ten behoeve van het aanpassen
                    van één woonruimte waar de aanvrager vaak verblijft, uiteraard met toestemming
                    van de eigenaar van die woonruimte. Onder het bezoekbaar maken van de woning
                    wordt in deze verordening verstaan dat de aanvrager in ieder geval de woonruimte
                    en de woonkamer kan bereiken en dat een toiletbezoek door de aanvrager mogelijk
                    is. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met het gegeven dat
                    uitdrukkelijke toestemming van de eigenaar van de woning nodig is.Artikel 21.
                    Beperkingen.Een aanvraag wordt afgewezen als de noodzaak tot het treffen van
                    aanpassingen voortkomt uit een verhuizing waartoe op grond van aantoonbare
                    beperkingen geen aanleiding bestond.Wanneer de aanvrager geen medewerking
                    verleent aan de verhuizing naar een voor hem geschikte woning, wordt de aanvraag
                    eveneens afgewezen.Gemeenschappelijke ruimten zijn gedeelten van een woongebouw,
                    niet behorend tot een woonruimte, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van
                    de persoon met beperkingen vanaf de toegang tot het woongebouw te bereiken. In
                    gemeenschappelijke ruimten kunnen, op individuele aanvraag, voorzieningen worden
                    aangebracht. Belangrijk is dat dit alleen gebeurt, als de woning van de persoon
                    met beperkingen zonder deze aanpassingen ontoegankelijk blijft. De aanpassing
                    dient er dus voor te zorgen, dat de persoon met beperkingen vanuit de
                    gemeenschappelijke ruimte de woning kan betreden, waar dit vóór het aanbrengen
                    van de aanpassingen onmogelijk was.Artikel 22. Verhuis- en inrichtingskosten.De
                    kosten in verband met een verhuizing in het geval dat de aanvrager voor het
                    eerst zelfstandig gaat wonen, komen niet voor een financiële tegemoetkoming in
                    aanmerking. In dit verband is sprake van kosten, die niet direct voortvloeien
                    uit ondervonden aantoonbare belemmeringen in de woning waaruit wordt vertrokken.
                    De kosten die voortvloeien uit een keuze om zelfstandig te gaan wonen worden
                    geacht te behoren tot de algemene gebruikelijke kosten. Wellicht ten overvloede
                    zij opgemerkt dat in zo’n situatie voor de kosten van een noodzakelijke
                    woningaanpassing mogelijk wel een voorziening kan worden getroffen.De
                    verhuiskostenvergoeding dient voordat de verhuizing plaatsvindt, aangevraagd te
                    worden. Pas nadat de gemeente positief heeft beschikt, komt de persoon met
                    beperkingen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming. Pas nadat advies
                    is verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de gehandicapte tot verhuizen overgaan. In urgente gevallen is
                    het verkrijgen van toestemming van de gemeente ook voldoende. Maar in alle
                    gevallen dient de gehandicapte voor de verhuizing schriftelijk toestemming van
                    de gemeente te hebben verkregen.De te betrekken woning dient het gehele jaar
                    door bewoond te kunnen worden door de persoon met beperkingen, verhuizing naar
                    bijvoorbeeld een recreatiewoning komt niet voor vergoeding in aanmerking,
                    afgezien van de vraag of een dergelijke woning aangemerkt kan worden als een
                    geschikte woning. Een verhuis- en inrichtingskostenvergoeding kan ook verstrekt
                    worden aan een persoon die een woning ten behoeve van een persoon met
                    beperkingen verlaat. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om een aangepaste woning
                    waarvan de aanpassingen voor de huidige bewoner niet (meer) noodzakelijk
                    zijn.Artikel 23. Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie.Alleen
                    van bepaalde voorzieningen als genoemd in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning Lansingerland, komen de kosten van onderhoud, keuring en reparatie
                    in aanmerking voor een persoonsgebonden budget of naturaverstrekking. De
                    maximale hoogte staat eveneens in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    Lansingerland.Artikel 24. Huurderving.De grens voor het toepassen van deze
                    regeling is neergelegd bij het bedrag dat gehanteerd wordt bij de afweging wel
                    of niet verhuizen. Hiermee wordt bereikt dat de regeling zich alleen richt op
                    woningen waarin substantiële aanpassingen zijn verricht.Door de eigenaar van de
                    woning een vergoeding in de gederfde huurinkomsten te verlenen kan bevorderd
                    worden dat de aangepaste woning beschikbaar blijft voor de aanvrager. Een
                    algemene termijn die redelijk geacht kan worden is drie maanden. In de
                    exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald percentage
                    huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder het normale
                    risico van leegstand loopt. De eerste maand dat de woning leeg staat mag als
                    normaal beschouwd worden.De vergoeding is afhankelijk van het werkelijke
                    huurbedrag. De maximale vergoeding is daarbij gesteld op de maximale huur die
                    geldt wanneer een woning nog tot het regime van de huurtoeslag behoort. Met deze
                    formulering wordt bereikt dat de limitering geïndexeerd is aan de ontwikkeling
                    van de huurprijzen en de Wet op de huurtoeslag.Artikel 25. Verwijderen van
                    voorzieningen.Er kan een vergoeding voor het verwijderen van voorzieningen
                    worden verstrekt als de woning waar het om gaat langer dan drie maanden leeg
                    staat en aangenomen kan worden dat de aanpassingen die in de woning zijn
                    aangebracht zodanig specifiek zijn dat deze voor weinig anderen geschikt zijn.
                    Een vergoeding kan alleen worden verstrekt voor huurwoningen. De
                    eigenaarbewoners zullen zelf moeten voorzien in de verwijdering van ongewenste
                    voorzieningen.Artikel 26. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting.In die
                    gevallen waarin de aanvrager tijdens het aanbrengen van de voorzieningen niet in
                    de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijke naar een andere
                    woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit noodzakelijk is een
                    persoonsgebonden budget in de dubbele woonlasten worden verstrekt. Alleen in die
                    gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de aanvrager ligt om
                    te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten worden, kan tot het
                    verstrekken van een persoonsgebonden budget voor extra woonlasten in verband met
                    tijdelijke huisvesting worden overgegaan.Aangezien sprake is van woonlasten voor
                    twee woningen, wordt voor de bepaling van de hoogte van het persoonsgebonden
                    budget de huur van de woning die de aanvrager tijdelijk bewoont genomen. De kale
                    woninghuur vormt daarbij het uitgangspunt, de extra woonlasten in verband met
                    tijdelijke huisvesting komen in aanmerking voor vergoeding. Een termijn die
                    redelijk geacht kan worden is drie maanden.Artikel 27. Terugbetaling bij
                    verkoop.In geval dat een eigen woning of huurwoning wordt aangepast en door deze
                    aanpassing de waarde van het huis stijgt, bijvoorbeeld door het realiseren van
                    een aanbouw, kan middels een anti-speculatiebeding in de verordening voorkomen
                    worden dat de meerwaarde die het huis door de aanpassing heeft gekregen bij
                    verkoop ten goede komt aan de aanvrager. Als de aanvrager binnen vijf jaar nadat
                    de woning is aangepast de woning verkoopt moet de extra opbrengst (deels) aan de
                    gemeente worden teruggestort. Het bepalen van de meerwaarde van de woning, die
                    als gevolg van het realiseren van een woningaanpassing op kan treden, is niet
                    eenvoudig.Om te voorkomen dat eindeloze discussies ontstaan over de hoogte van
                    de toename van de waarde van de woning, zal op het moment dat de voorziening
                    wordt getroffen bepaald moeten worden wat de stijging in waarde is als gevolg
                    van die aanpassing. Ook moet op dat moment worden vastgesteld welk bedrag de
                    aanvrager aan de gemeente moet terugstorten op moment van verkoop. Als
                    uitgangspunt moet dit bedrag dus terugbetaald worden op het moment van de
                    verkoop.In het tweede lid is de omvang van de terugbetaling geregeld. Naarmate
                    de aanpassing langer gelegen is neemt dit af. Bij verhuizing binnen één jaar
                    dient in principe (afhankelijk van de meerwaarde) het gehele bedrag van de
                    tegemoetkoming worden terugbetaald.HOOFDSTUK 5. Het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel. Artikel 28. Vormen van vervoersvoorzieningen.De collectieve
                    vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief vraagafhankelijk
                    vervoer. Naast het collectief vervoer kan ook worden gedacht aan de
                    mogelijkheden voor het opzetten van scootmobielpools in bijvoorbeeld
                    verzorgingshuizen.Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit diverse
                    vervoersmiddelen. In het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke
                    voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking komt.De
                    vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor een individuele
                    vervoersvoorziening is uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    Lansingerland.Een financiële tegemoetkoming is een tegemoetkoming in de kosten
                    van een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                    aanvrager;Artikel 29. Het recht op een algemene vervoersvoorziening.Het algemene
                    criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is het ten
                    gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar vervoer.
                    Doordat het openbaar vervoer, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele
                    beperking, niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Ook
                    mensen met een (medisch objectiveerbaar) chronisch psychisch probleem of mensen
                    met een psychosociaal probleem komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening
                    indien men geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer.Artikel 30.
                    Vervoersvoorzieningen in natura en individuele vervoersvoorzieningen.De persoon
                    met beperkingen komt voor individuele voorzieningen in aanmerking als hij door
                    de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een collectieve
                    vervoersvoorziening of als er geen collectieve vervoersvoorziening aanwezig
                    is.Individuele voorzieningen kunnen ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectieve vervoersvoorziening worden verstrekt. Dit is het geval wanneer een
                    collectieve vervoersvoorziening de vervoersbehoefte van de aanvrager niet
                    voldoende dekt.Artikel 31. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.Het
                    stellen van een inkomensgrens bij een inkomen van anderhalf maal de
                    bijstandsnorm is niet strijdig met de geldende compensatieplicht. Iemand met een
                    dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en
                    gebruik van een auto zelf te kunnen dragen.Artikel 32. Vervoersbehoefte.Het
                    compensatiebeginsel voor vervoer strekt zich uit tot de verplaatsingen in het
                    kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving met als
                    uitzondering de bovenregionale verplaatsingen.HOOFDSTUK 6. Verplaatsen in en
                    rond de woning.Artikel 33. Vormen van rolstoelvoorzieningen.Een rolstoel kan
                    zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn en zowel worden gebruikt als
                    een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Het primaire doel van de
                    rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond
                    van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators,
                    wandelstokken en krukken, niet of onvoldoende mogelijk is. De kosten van
                    onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.De
                    voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt.Op grond
                    van dit artikel bestaat de mogelijkheid om een rolstoel voor incidenteel gebruik
                    te verstrekken in de vorm van een algemene voorziening. Het betreft dan
                    situaties waarbij soms een rolstoel nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen
                    in en om de woning zonder rolstoel plaatsvindt. Het recht op een dergelijke
                    rolstoel kan in die situaties ingevuld worden via een rolstoelpool waarop de
                    betrokkene een beroep kan doen. Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal
                    rolstoelen weinig frequent wordt gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool
                    worden echter wel frequent gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk
                    zijn een rolstoel uit de pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte
                    rolstoelen op voorraad hebben.Onder b. en c. betreft het de individuele rolstoel
                    voor dagelijks zittend gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt
                    genoemd.De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel.Artikel 34. Rolstoelvoorzieningen bij incidenteel rolstoelgebruik en
                    sportrolstoel.In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit
                    een rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van
                    de rolstoel, terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het dagelijks
                    zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen
                    rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere
                    hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel
                    kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op
                    dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is.Indien de
                    rolstoel noodzakelijk is voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning
                    kan de rolstoel verstrekt worden als voorziening in natura of als
                    persoonsgebonden budget. Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen
                    adequate voorziening.Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als
                    een persoonsgebonden budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel
                    sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                    sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                    sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                    sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor
                    het lokaal verplaatsen nodig is.Artikel 35. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen
                    voor bewoners van een zorginstelling.Recht op een op grond van de AWBZ
                    verstrekte rolstoel aan bewoners van een zorginstelling bestaat alleen indien
                    deze bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling”
                    geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als de bewoner niet aan deze
                    voorwaarde voldoet, bestaat is er geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er
                    door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning.Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een
                    instelling met alleen erkenning voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld
                    een verzorgingstehuis) de AWBZ-functie “behandeling” als het ware inkoopt bij
                    een voor die functie wél erkende instelling. Het “verzorgingshuis met
                    verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél
                    beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf geen
                    erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor de functie
                    “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een
                    dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die verpleegafdeling niet
                    door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee
                    verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de
                    erkenning van de andere instelling.HOOFDSTUK 7. Het verkrijgen van voorzieningen
                    en het motiveren van besluiten. Artikel 36. Gebruik aanvraagformulier.In artikel
                    4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot het geven
                    van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.Artikel 37. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.In de
                    wet is opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening regels moet vaststellen
                    omtrent de wijze waarop de toegang tot individuele voorzieningen in samenhang
                    met voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de AWBZ is
                    geregeld. Gedoeld wordt op de zogenaamde één-loketgedachte. Praktisch gezien zal
                    de concrete uitvoering van activiteiten in het loket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college.Artikel 38. Inlichtingen, onderzoek, advies
                    en beschikking.Het college is bevoegd de aanvrager op te roepen in persoon te
                    verschijnen en te horen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en
                    te laten onderzoeken en/of horen door een of meer daartoe aangewezen
                    deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de
                    aanvraag.Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal
                    artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1
                    Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat onder adviseur wordt verstaan: een
                    persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.Het vragen van advies zal in
                    het kader van de uitvoering van de wet onontbeerlijk zijn..Het college vraag om
                    een advies, indien dit gewenst wordt geacht. Door deze bepaling is het mogelijk
                    om te allen tijde advies te vragen. Het vragen om advies dient echter wel te
                    worden gemotiveerd. Dit met het oog op een eventuele beroepsprocedure.De
                    gegevens inzake de medische situatie, het inkomen, de woonsituatie en allerlei
                    andere gegevens zijn noodzakelijk om de aanvraag te kunnen beoordelen. Er wordt
                    niet meer gevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de
                    aanvraag. Als de aanvrager weigert de noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan
                    rest het college niets anders dan de aanvraag volgens de procedure van artikel
                    4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling te laten.Ten aanzien van het
                    omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de gemeente rekening
                    houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet bescherming
                    persoonsgegevens (Wbp).Bij de advisering wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde
                    ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. De International
                    Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie)
                    vormt een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                    voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen. Mede omdat bij de
                    indicatiestelling van de diverse functies in de AWBZ eveneens van deze
                    classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie
                    afstemming tussen de AWBZ en deze wet vereenvoudigen.Artikel 39. Wijzigingen in
                    de situatie.Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen
                    te worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te
                    verstrekken voorzieningen.Artikel 40. Intrekking van een voorziening.De
                    verstrekking van voorzieningen is gebonden aan voorwaarden. In de beschikking
                    wordt de belanghebbende gewezen op de voorwaarden die het recht op de
                    voorziening met zich meebrengen w.o. de verplichting om wijzigingen in de
                    situatie aan het college door te geven. Een duidelijke formulering in de
                    beschikking vereenvoudigt een eventuele beëindiging of terugvordering van (het
                    recht op) een voorziening. Er kan dan immers geen beroep worden gedaan op de
                    onbekendheid met de regelgeving.Artikel 41. Terugvordering.De wet bevat geen
                    bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen. Dit is de reden om deze
                    mogelijkheid op te nemen in de verordening en vormt tevens de juridische basis
                    om tot terugvordering over te gaan. Indien er ten onrechte is uitbetaald of
                    geleverd, kan het college de voorziening geheel of gedeeltelijk
                    terugvorderen.Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de
                    daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals in
                    de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van
                    een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor
                    het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan
                    de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling.Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in
                    ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake
                    is van verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft
                    verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een
                    voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft
                    zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het
                    is raadzaam vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten
                    baten, gezien de mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij
                    moet niet alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een
                    procureur, maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van
                    inschakeling van een deurwaarder.Wanneer blijkt dat een financiële
                    tegemoetkoming of een gemaximeerde vergoeding binnen zes maanden na de
                    uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor
                    deze is verleend, kan deze betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij
                    om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding
                    aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit in
                    de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de
                    woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 36 is dus niet van toepassing op
                    woningaanpassingen.HOOFDSTUK 8. Slotbepalingen. Artikel 42.
                    Hardheidsclausule.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening. Dat kan uiteraard
                    niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt er advies
                    ingewonnen. Het afwijken van de bepalingen kan alleen maar ten gunste van de
                    betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte.Het gebruik
                    maken van de hardheidsclausule wordt beschouwd als een uitzondering en niet als
                    een regel. In verband met mogelijke precedentwerking wordt duidelijk aangegeven
                    waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.Artikel 43.
                    Gevallen waarin de verordening niet voorziet.Dit artikel biedt de mogelijkheid
                    in alle niet-voorziende situaties te handelen naar bevinding van zaken. Het
                    gebruik maken van dit artikel moet beschouwd worden als een uitzondering en niet
                    als een regel. Daarom moet altijd duidelijk aangegeven worden waarom in een
                    bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.De inhoud en strekking van
                    dit artikel is wezenlijk anders dan die van artikel 42. Dit artikel heeft een
                    aanvullende werking ten aanzien van de verordening, terwijl artikel 42 een
                    afwijkingsbevoegdheid inhoudt.Artikel 44. Indexering.Middels deze bepaling is
                    het mogelijk de bedragen, genoemd in het op de verordening gebaseerde
                    Verstrekkingenbeleid voor voorzieningen in het kader van de Wmo, te indexeren.
                    De indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde normbedragen,
                    vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De
                    bedragen van de eigen bijdragen worden eveneens jaarlijks aan de hand van de
                    prijsindex voor de gezinsconsumptie gewijzigd.Artikel 45. Evaluatie.Op grond van
                    dit artikel wordt het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd. Dat beleid
                    omvat zowel het algemene beleid, zoals neergelegd in de verordening, als het
                    uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in
                    beleidsregels. Met deze evaluatie houdt de gemeenteraad de mogelijkheid om
                    oneffenheden glad te strijken en andere vormen van invulling in te
                    passen.Artikel 46. Overgangsbepaling.Dit betreft een tijdelijke
                    overgangsbepaling voor toegekende uren hulp bij het huishouden in
                    klassen.Artikel 47. Inwerkingtreding.Deze bepaling spreekt voor zich.Artikel 48.
                    Citeertitel.Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>