<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50599_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Lansingerland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Intranet / Heraut 25-02-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening gemeente Lansingerland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Woningwet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-02-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-02-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aangepaste regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010/24 (BR1000013)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Bouwverordening van de gemeente Lansingerland is aan de 11e en de 12e serie wijzigingen van de Modelbouwverordening van de VNG aangepast.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening gemeente Lansingerland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Bouwverordening Gemeente Lansingerland 2010.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: - asbest: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                                Asbestverwijderingsbesluit 2005; - Besluit indieningsvereisten: het
                                Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als bedoeld in
                                artikel 40a, eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet
                                ; - Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                                licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43,
                                eerste lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet ; -
                                bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                artikel 2 van de Woningwet ; - bouwtoezicht: degenen, die ingevolge
                                artikel 100a , eerste lid van de Woningwet belast zijn met het bouw-
                                en woningtoezicht; - bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                                hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om
                                ter plaatse te functioneren; - deskundig bedrijf als bedoeld in
                                hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 6, eerste
                                lid, van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ; -
                                gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                Bouwbesluit ; - hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die
                                door of namens burgemeester en wethouders is vastgesteld; - NEN: een
                                door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
                                - NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven voornorm; - straatpeil: a. voor een bouwwerk, waarvan de
                                hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter
                                plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de
                                hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het terrein
                                ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; - weg:
                                alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of
                                paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de
                                tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan
                                de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder: - bouwwerk: een
                                gedeelte van een bouwwerk - gebouw: een gedeelte van een gebouw</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indeling van het gebied van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente: a. het gebied binnen de bebouwde kom; b. het gebied buiten
                                de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De aanvraag bouwvergunning</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Gegevens en bescheiden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Aanvraag bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>In de aanvraag op te nemen gegevens</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                    vergunningaanvragen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5</nr><titel>Bodemonderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                    artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: a. de
                                    resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens
                                    NEN 5740; b. de resultaten van het nader onderzoek, verricht
                                    volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994)
                                    of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in
                                    het geval de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen
                                    dat sprake is van bodemverontreiniging waarvan op grond van dat
                                    verkennend onderzoek nog geen uitspraak gedaan kan worden over
                                    de ernst van de verontreiniging; c. Indien op basis van het
                                    vooronderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest,
                                    daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of -stof, in de
                                    bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats volgens NEN
                                    5707.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                    in artikel 1.2.5, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                    indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking
                                    heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                    bouwwerk als genoemd in het Besluit vergunningsvrije en
                                    licht-vergunningplichtige bouwwerken. Deze verwijzing geldt niet
                                    voor de hoogtebepalingen in het Besluit vergunningsvrije en
                                    licht-vergunningplichtige bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                    ontheffing van de plicht tot het indienen van een
                                    onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 1.2.5, onderdeel e van
                                    de Bijlage bij het Besluit indieningsvereisten, indien voor de
                                    toepassing van artikel 2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare
                                    onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen ontheffing van de plicht tot
                                    het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel
                                    1.2.5, onderdeel e van de Bijlage van het Besluit
                                    indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning, indien de locatie
                                    onverdacht is, danwel de gerezen verdenkingen een volledig
                                    veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen. In
                                    bovengenoemde gevallen kan worden volstaan met het indienen van
                                    het uitgevoerde historisch onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                    bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                    vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                    begonnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6</nr><titel>Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                                    bouwvergunning</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7</nr><titel>Bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.8</nr><titel>Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                                    woonwagens en standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Ontvangst van de aanvraag</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Bekendmaking van termijnen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>In behandeling nemen en fasering
                                    bouwvergunningverlening</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>In behandeling nemen en bodemonderzoek</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.6</nr><titel>Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</titel></kop><al>In de schriftelijke kennisgeving over de van rechtswege verleende
                                bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de Woningwet wordt
                                aangegeven: a. de naam van de aanvrager; b. de plaats, de aard en
                                het beoogde gebruik van het bouwwerk; c. de kadastrale aanduiding
                                van het terrein, waarop gebouwd wordt; d. de wijze waarop bezwaar
                                kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet bestuursrecht</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Welstandstoetsing</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</titel></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voorzover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a.
                                waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven;
                                b. voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist;
                                en c. 1. dat de grond raakt, of 2. waarvan het bestaande,
                                niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Voorwaarden bouwvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 4 van het Besluit indieningsvereisten en letter
                                e van paragraaf 1.2.5 van de bij dit besluit behorende bijlage,
                                kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden verbinden aan de
                                bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het Besluit
                                indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                                bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig
                                het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming
                                goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van
                                die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                                beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt
                                kan worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                    stedenbouwkundige bepalingen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking
                                moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                                bouwvergunning voor een ander bouwwerk in aanmerking worden
                                genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van
                                    mensen is bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een
                                    openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het
                                    openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: a. een breedte hebben van ten
                                    minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                                    verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                    ten minste 4,2 m; b. zijn verhard op een wijze die geschikt is
                                    voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                    zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en c. op doeltreffende
                                    wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken, voorzover dit bijgebouw niet tot bewoning bestemd
                                    is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde
                                    terrein is gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                                    bestemd, moeten zodanige opstelplaatsen voor brandweerauto's
                                    aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                                    auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het vierde lid, indien de aard, de
                                    ligging en het gebruik van het bouwwerk zich daarvoor
                                    lenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3a</nr><titel>Brandweeringang</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: a. een woning of een
                                    woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit ; b.
                                    een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                    gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
                                    a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; b. geen kleinere vrije
                                    doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en c. ten hoogste een
                                    hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                    bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Ligging van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>De voorgevelrooilijn is: a. langs een wegzijde met een regelmatige
                                of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande
                                bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke,
                                zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                                rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; b. langs een
                                wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en
                                waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10
                                meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een
                                wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de
                                as van de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.6</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met overschrijding van de
                                voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.7</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op: a. onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten
                                worden als het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende
                                aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken; b. andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig
                                bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren niet vallen onder de
                                werking van artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                                bouwwerken , te weten: 1. ondergrondse uitsteeksels, zoals
                                funderingsonderdelen, rioolleidingen en rioolputten; 2. stoepen,
                                stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met
                                niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.8</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het
                                    bepaalde in het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod
                                    tot het bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:
                                    a. ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                    kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is
                                    dan het straatpeil; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders
                                    dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, en derde lid, van
                                    het Besluit bouwwerken , die naar hun aard en bestemming op een
                                    voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar zijn; c.
                                    laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                    overschrijden; d. erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede
                                    balkons en galerijen, die de voorgevelrooilijn met niet meer dan
                                    1,50 m overschrijden; e. trappenhuizen, buitentrappen en
                                    liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen, alsmede andere
                                    luifels, dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden,
                                    reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan bedoeld
                                    zijn in artikel 2.5.7; f. overbouwingen ten dienste van de
                                    verbinding tussen twee bouwwerken; g. bouwwerken aan of bij een
                                    monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in de
                                    provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                                    zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                    historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het
                                    karakter van de bestaande omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen ontheffing worden
                                    verleend, indien niet lager gebouwd wordt dan: - 4,20 m boven de
                                    hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook van 0,50 m
                                    breedte ter weerszijden van die rijweg; - 2,20 m boven de hoogte
                                    van een ander deel van de weg; en dan nog voor zover de
                                    veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar
                                    komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.9</nr><titel>Bouwen op de weg</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn voor het
                                bouwen op de weg van: a. gebouwen ten behoeve van een op het
                                openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het
                                telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het wegverkeer,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, van het
                                Besluit bouwwerken; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste
                                van het verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 3, derde lid, onder a, b en e, van het Besluit
                                bouwwerken; c. vrijstaande winkel- of reclamevitrines; d.
                                reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; e. andere
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming
                                op de weg toelaatbaar zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.10</nr><titel>Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                    voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in: a. de
                                    gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing
                                    genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend; b. in de
                                    gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                    ontheffing genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                    bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst; c.
                                    in de gevallen, bedoeld in het derde lid. d. bijgebouwen, anders
                                    dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken
                                    bedoelde gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                    maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                    voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de
                                    knik op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter
                                    bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een hoogte op
                                    een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                                    - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de
                                    daardoor onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2
                                    behoeft te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid voor: a. gebouwen behorende tot een
                                    complex van gebouwen; b. gebouwen op handels- en
                                    industrieterreinen; c. vrijstaande enkele of dubbele
                                    eengezinshuizen; d. bijgebouwen, anders dan de in artikel 2,
                                    onder b, van het Besluit bouwwerken bedoelde gebouwen; e.
                                    gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                    daaronder begrepen, en de daarbijbehorende woningen; f.
                                    gedeelten van naar de weg gekeerde gevels; g. gevallen, waarin
                                    de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.11</nr><titel>Ligging achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                    bevindt zich: a. in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen
                                    driehoekig, vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een
                                    afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de
                                    straal van de ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen,
                                    doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                                    meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                    voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste; b.
                                    in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                    andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                    voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                    herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der
                                    onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                                    gezamenlijk de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;
                                    c. in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                    rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van
                                    de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                    bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch
                                    op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;
                                    d. in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                    bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                    zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4
                                    van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich
                                    tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van
                                    het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                    voorgevelrooilijn dan 15 meter; e. in alle niet onder a tot en
                                    met d genoemde gevallen op een afstand die wordt bepaald met
                                    inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a tot
                                    en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                                    voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                    achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de
                                    achterzijden van die bebouwing - in het belang van de toetreding
                                    van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                                    weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                                    ten opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en
                                    het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit
                                    toelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.12</nr><titel>Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding van
                                de achtergevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.13</nr><titel>Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op: a. buiten de bebouwde kom gelegen kassen
                                en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor doeleinden van
                                bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen; b.
                                buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt; c. onderdelen van een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, als bedoeld in
                                artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken ; d. onderdelen van
                                een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk
                                realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                                veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel
                                3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken ; e. andere
                                onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                                afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3,
                                eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten: 1.
                                ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten; 2. terrassen, bordessen en
                                bordestreden; f. antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                                lid, onder e en f, van het Besluit bouwwerken .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.14</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod
                                tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn voor: a.
                                buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt; b. binnen de bebouwde kom gelegen
                                kassen; c. vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen; d.
                                gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; e. gebouwen op
                                binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld in de
                                artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd; f. bijgebouwen, anders dan
                                de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                bouwwerken; g. gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of
                                overwegend handels- of industrieterrein omvattend; h.
                                bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde; i.
                                ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw; j.
                                erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in
                                artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken; k. trappenhuizen,
                                buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en stortbuizen,
                                balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13; l. bouwwerken aan of
                                bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel in
                                de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover
                                zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                                gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                                omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.15</nr><titel>Erf bij woningen en woongebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                    minste een strook grond omvat die: a. over de volle breedte van
                                    het gebouw aansluit aan de achtergevel, en b. voor wat betreft
                                    het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen het
                                    verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                                    meter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op
                                    de achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen
                                    deel van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat
                                    gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda's
                                    buiten beschouwing blijven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in: a. het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf
                                    betreft, indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot
                                    bewoning bestemd is; b. het eerste lid, indien aan één van de
                                    volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. een gunstige, andere
                                    indeling van het erf is aanwezig; 2. het gebouw zal zijn gelegen
                                    op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                                    grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                    weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat
                                    terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en
                                    tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                    gebracht; 3. bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de
                                    bepalingen voor te bouwen woningen en woongebouwen van het
                                    Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande toestand verbeterd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.16</nr><titel>Erf bij overige gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                    dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                    aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                    achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle
                                    breedte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: a. indien ligging en bestemming van
                                    het gebouw hiervoor geen beletsel vormen; b. indien, voor zover
                                    nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot overschrijding
                                    van de achtergevelrooilijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.17</nr><titel>Ruimte tussen bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                    de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen
                                    dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing
                                    geen tussenruimten ontstaan die: a. vanaf de hoogte van het erf
                                    tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn; b. niet
                                    toegankelijk zijn. Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf
                                    of op het aangrenzende erf wordt hierbij buiten beschouwing
                                    gelaten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                    aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                    ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.18</nr><titel>Erf- en terreinafscheidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                    onder e, van het Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden
                                    erf of terrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.19</nr><titel>Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse
                                    hoofdtransportleidingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                    stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken
                                    van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet
                                    rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                    gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit
                                    artikel verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning
                                    van 1.000 volt of meer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een
                                    ondergrondse hoofdtransportleiding mogen geen
                                    bouwvergunningplichtige bouwwerken worden gebouwd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van: a.
                                    het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                    meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                    daarvoor geen bezwaar oplevert; b. het bepaalde in het tweede
                                    lid voor wat betreft de afstand van 6 meter, indien daartegen
                                    met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de leiding
                                    geen bezwaar bestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.20</nr><titel>Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in de bebouwde
                                    kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de
                                    desbetreffende weg; b. buiten de bebouwde kom 0,75 maal de
                                    afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                    voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de
                                    zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                    toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                                    gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle
                                    weg, doch over geen grotere lengte dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte
                                    van het bouwwerk of de projectie daarvan op de
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn
                                    ontbreekt geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte,
                                    bedoeld in het eerste lid, de dichtst bij gelegen
                                    tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende rooilijn
                                    plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die
                                    onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden
                                    van de onderbreking voorkomende rooilijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.21</nr><titel>Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                    hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door
                                    de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: a. in de
                                    bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok; b. buiten de bebouwde
                                    kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                    achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te
                                    beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt
                                    voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                    uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                    achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                                    achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de
                                    dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn gelegen
                                    voorgevelrooilijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                    hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                                    niet meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5
                                    meter van een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                    bouwblok.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                    straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte
                                    worden verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen
                                    het straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter
                                    plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de bouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.22</nr><titel>Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de
                                    bebouwing, gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                    voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die
                                    achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt - onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                                    zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de
                                    hoek ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de
                                    achtergevelrooilijn die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze
                                    afstand moet op dezelfde wijze worden bepaald als beschreven is
                                    in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling van de afstand
                                    tussen twee achtergevelrooilijnen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan
                                    de voorgevel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.23</nr><titel>Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een
                                    bouwvergunningplichtig bouwwerk tussen de voor- en de
                                    achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de
                                    verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                    achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen
                                    2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                                    horizontale vlak een hoek vormen van: a. 45 graden in de
                                    bebouwde kom; b. 37 graden buiten de bebouwde kom.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                    heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in
                                    hetzelfde bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken
                                    dan tot het vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt
                                    ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 - maximale
                                    bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                                    graden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.24</nr><titel>Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer
                                    bedragen dan 15 meter.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                    verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van
                                    de laagst gelegen weg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.25</nr><titel>Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                                    terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.8
                                    of artikel 2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een
                                    niet aan een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan
                                    2,70 meter met dien verstande dat - uitgaande van een goothoogte
                                    van genoemde maat - daarboven een zadeldak met hellingen van ten
                                    hoogste 45 graden toegelaten is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de
                                    omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.26</nr><titel>Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                    buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                    straatpeil.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben,
                                    moet worden bepaald door de oppervlakte te delen door de
                                    breedte. Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel
                                    2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten -
                                    voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten
                                    beschouwing worden gelaten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.27</nr><titel>Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op: a. onderdelen van een
                                bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                onder k, van het Besluit bouwwerken; b. het gedeeltelijk vernieuwen
                                of veranderen van bouwwerken, anders dan het aanbrengen van
                                veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3,
                                eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken ; c. topgevels in
                                het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                                achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits
                                de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet
                                groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse; d. plaatselijke verhogingen met
                                geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.28</nr><titel>Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                                derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 ten behoeve van: a. gebouwen voor openbaar nut, scholen,
                                kerken, schouwburgen en andere gebouwen bestemd voor het houden van
                                bijeenkomsten en vergaderingen; b. gebouwen bestemd voor woon-,
                                kantoor- of winkeldoeleinden, indien de welstand bij het verlenen
                                van de ontheffing is gebaat; c. gebouwen bestemd voor het uitoefenen
                                van een bedrijf op een handels- en industrieterrein; d. agrarische
                                bedrijfsgebouwen; e. het geheel of gedeeltelijk veranderen of
                                vergroten van een bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                                lid, onder k, van het Besluit bouwwerken , en indien: 1. de
                                bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden
                                en de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat; 2. bij
                                het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                                hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande; f. bouwwerken,
                                geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid,
                                van het Besluit bouwwerken ; g. topgevels, breder dan 6 meter en
                                gevelverhogingen van soortgelijke aard; h. plaatselijke verhogingen
                                met een grotere breedte dan 0,60 meter; i. dakvensters, mits
                                buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter, de hoogte
                                niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3
                                meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter
                                bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde
                                dakvensters, die tot verschillende gebouwen behoren; j.
                                draagconstructies voor een reclame; k. vrijstaande schoorstenen; l.
                                bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.29</nr><titel>Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en van de
                                    toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                                    ruimtelijk beleid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14, en
                                    2.5.28 kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van
                                    de verboden tot bouwen met overschrijding van de voor- en van de
                                    achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                                    overschrijding van de maximale bouwhoogte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester
                                    en wethouders worden verleend indien: a. de desbetreffende
                                    bouwactiviteit voorkomt in artikel 4.1.1 Bro; b. het
                                    desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in
                                    voorbereiding zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als
                                    bedoeld in het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing, met dien
                                    verstande dat: a. gedurende de termijn van terinzagelegging
                                    eenieder schriftelijk zijn zienswijze omtrent de aanvraag kan
                                    inbrengen; b. indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester
                                    en wethouders de beslissing over de aanvraag om reguliere
                                    bouwvergunning met ten hoogste zes weken kunnen verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.30</nr><titel>Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in
                                    gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                    aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen
                                    van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of
                                    onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat
                                    bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn,
                                    gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij
                                    rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid
                                    per openbaar vervoer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van
                                    auto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                    personenauto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: a.
                                    indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 2.30
                                    m bij 5.00 m bedraagt bij haakse parkeervakken en ten minste
                                    1.80 m bij 6.00 m bedraagt bij langsparkeervakken; b. indien de
                                    afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                    gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting
                                    aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m
                                    bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                    verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                    goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien
                                    aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde
                                    terrein dat bij dat gebouw behoort.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste en het derde lid: a. indien het voldoen
                                    aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende
                                    bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in de nodige
                                    parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                    voorzien.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                                    van het bepaalde in het eerste en het derde lid: a. indien het
                                    voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                                    overwegende bezwaren stuit; of b. voor zover op andere wijze in
                                    de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte
                                    wordt voorzien.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in artikel 3.119 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen voorzieningen voor drinkwater moeten zijn aangesloten aan
                                het distributienet van de openbare waterleiding: a. indien het
                                bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                                leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk
                                op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde leiding
                                van het distributienet is gelegen, maar de kosten van aansluiting
                                voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand
                                van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                                te brengen elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk
                                op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van
                                dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere
                                afstand is gelegen van de leiding van het
                                elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                    openbare distributienet voor aardgas: a. indien het bouwwerk op
                                    ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van
                                    dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op
                                    grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                                    aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                    aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan
                                    bij een afstand van 40 m. Niet van toepassing is het bepaalde in
                                    dit lid op woningen voor bejaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid: a. voor woningen met een
                                    gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2; b. voor woningen die
                                    niet bestemd zijn om te worden verhuurd; c. voor woningen met
                                    een aansluiting op een gemeenschappelijke of publieke
                                    voorziening voor verwarming, als bedoeld in artikel 2.69 van het
                                    Bouwbesluit (warmtedistributienet).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit
                                    bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                                    de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten aan een
                                    openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid:
                                    a. in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering
                                    aanwezig is; b. voor zover uitsluitend hemelwater wordt
                                    geloosd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald: a. op welke
                                    plaats, op welke hoogte en met welke binnenmiddellijn de voor
                                    het maken van de aansluiting noodzakelijke leiding of leidingen
                                    de gevel van het gebouw dan wel de grens van het erf of terrein
                                    moet of moeten kruisen; b. of er al dan niet voorzieningen in
                                    die aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter
                                    voorkoming van het terugvloeien van afvalwater, faecaliën en
                                    hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                                    natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet
                                    milieubeheer moet worden bepaald of er al dan niet voorzieningen
                                    in de bedoelde aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld
                                    ter verzekering van de goede werking of de goede staat van het
                                    openbaar riool, dan wel ter voorkoming van hinder voor andere
                                    aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de hoeveelheid of
                                    de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                                    geeft.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze
                                    zonder verontreiniging van water, bodem of lucht mogelijk is: a.
                                    voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen; b. voor agrarische bedrijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                    bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor de afvoer van
                                    afvalwater en faecaliën, alsmede de in artikel 3.41 van het
                                    Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te brengen
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een
                                    openbaar riool worden aangesloten, gelden de volgende
                                    bepalingen: a. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten
                                    met waterspoeling, moeten lozen op een rottingput met overstort;
                                    b. leidingen voor faecaliën, afkomstig uit toiletten zonder
                                    waterspoeling, moeten lozen op een beerput zonder overstort, een
                                    gierput of een rottingput met overstort; c. leidingen voor de
                                    afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater zonder
                                    faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig
                                    lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                    optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                    afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                    rottingput.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    bepaalde in het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op
                                    andere wijze zonder verontreiniging van water, bodem en lucht
                                    mogelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                                    scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk
                                    haaks plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn
                                    aangewerkt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan
                                    leidingen van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de
                                    dichtheid van de aansluiting gehandhaafd blijft bij enige
                                    zetting van het bouwwerk of de buitenriolering.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de
                                    aansluiting aan een openbaar riool, mogen geen beerputten of
                                    rottingputten voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen
                                    geen vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een
                                    vloeiend beloop hebben, alsmede een voldoende lucht- en
                                    waterdichtheid en een voldoende binnenwerkse middellijn. Aan
                                    beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien
                                    wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding
                                    voor de afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter
                                    plaatse waar zij de grens van de weg kruist, een binnenwerkse
                                    middellijn hebben van ten minste 125 mm.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken
                                    van leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen
                                    moeten doeltreffend zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in de NEN-normen
                                    die zijn opgenomen in bijlage 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 2.7.1, 2.7.2, 2.7.3,en 2.7.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De melding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>De wijze van melden</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Welstandscriteria</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                                staking van bouwwerkzaamheden</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel
                            59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken,
                            indien: a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de
                            bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt; b. tussen
                            het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden
                            langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk,
                            aanwezig zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden
                            gegeven: a. de bouwvergunning; b. andere vergunningen en ontheffingen;
                            c. het bouwveiligheidsplan; d. een besluit ingevolge artikel 13
                            Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van een last onder
                            bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Wijzigingen in gegevens bouwregistratie</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het uitzetten van de bouw</titel></kop><al>Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor bouwvergunning is verleend mag
                            - onverminderd het in de voorwaarden van de bouwvergunning bepaalde -
                            niet worden begonnen alvorens door of namens burgemeester en wethouders
                            voor zover nodig: a. het straatpeil is aangegeven; b. de rooilijnen
                            en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                                de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                                bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de
                                voorwaarden van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de
                                aanvang van elk der hierna te noemen onderdelen van het bouwproces
                                in kennis te worden gesteld: a. de aanvang der werkzaamheden,
                                ontgravingwerkzaamheden daaronder begrepen; b. de aanvang van het
                                inbrengen van de funderingspalen, het slaan van proefpalen daaronder
                                begrepen; c. de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te
                                worden gesteld van het storten van beton.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten,
                                indien het bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</titel></kop><al>Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid moeten alle opmetingen,
                            ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden verricht, welke het
                            bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving van deze
                            verordening en van het Bouwbesluit nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bemalen van bouwputten</titel></kop><al>Bij het bemalen van bouwputten, leidingsleuven en andere tijdelijke
                            ontgravingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige
                            wijze water aan de bodem worden onttrokken, dat een verlaging van de
                            grondwaterstand in de omgeving plaatsvindt, waardoor funderingen van
                            naburige bouwwerken kunnen worden aangetast op een wijze die de
                            veiligheid van die bouwwerken schaadt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Veiligheid op het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
                                moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                                veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in
                                de weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van
                                naburige bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd
                                moeten, wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de
                                dagelijkse werktijd niet inbegrepen: a. de tijdelijke elektrische
                                installaties ten behoeve van de uitvoering van het bouw- en
                                grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld, dat
                                het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan
                                daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is; b. machines
                                en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                                deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan
                                de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
                                elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
                                aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
                                voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
                                gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te
                                nemen of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
                                veiligheidsoogpunt nodig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Afscheiding van het bouwterrein</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of
                                dergelijke werkzaamheden worden verricht, moet door een
                                doeltreffende afscheiding van de weg en van het aangrenzende open
                                erf of terrein zijn afgescheiden indien gevaar of hinder te duchten
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn
                                geplaatst en ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan
                                ondervindt en de toegang tot brandkranen en andere openbare
                                voorzieningen, zoals leidingen, er niet door wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat
                                niet van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is
                                afgescheiden, moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt,
                                tenzij het bouwtoezicht dit niet nodig acht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen,
                                transportinrichtingen en ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit
                                en samenstelling betreft, voldoen aan de eis van goed en veilig werk
                                en in goede staat van onderhoud verkeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een
                                werktuig of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de
                                omgeving optreedt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat
                                schade of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan
                                veroorzaken, verbieden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een
                                werk te gebruiken krachtwerktuig: a. uitsluitend een bepaalde
                                brandstof wordt gebezigd, en/of b. de aandrijving elektrisch
                                geschiedt, en/of c. het werktuig gedurende bepaalde delen van een
                                etmaal niet mag worden gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van
                                toepassing indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor
                                het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde
                                milieuwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Bouwafval</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in
                                de volgende fracties: a. de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen
                                van hoofdstuk 17 de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling
                                Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158,
                                blz. 9); b. steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                bedraagt; c. glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject
                                bedraagt; d. overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de
                                fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op
                                de bouwplaats gescheiden worden gehouden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een
                                bouwproject minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10
                                m3, mag degene die bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit
                                bouwafval meenemen naar zijn bedrijf voor tijdelijke opslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Van het gereedkomen: a. van putten en van grond- en
                                huisaansluitleidingen van de riolering, alsmede van
                                leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en vloeren beneden
                                straatpeil; b. van de thermische isolatie in de spouw van wanden,
                                alsmede van de thermische isolatie in andere besloten constructies
                                moet het bouwtoezicht onmiddellijk na de voltooiing van de onder a
                                en b bedoelde werkzaamheden in kennis worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft,
                                mogen niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog
                                worden onttrokken gedurende twee dagen na het tijdstip van
                                kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op
                                die onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de
                                bouwvergunning verbonden voorwaarden een plicht tot kennisgeving van
                                voltooiing is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                                bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die
                                werkzaamheden bij het bouwtoezicht gemeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Melden van werken bij lage temperaturen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                                buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten
                                minste twee dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in
                                kennis worden gesteld van de te treffen maatregelen ten behoeve van:
                                a. het niet verwerken van bevroren materialen; b. het verkrijgen van
                                een goede binding en verharding; c. de bescherming van het
                                desbetreffende werk na de voltooiing tegen vorstschade, zolang het
                                nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog beneden 2 graden
                                Celsius is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                                bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Staat van open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Staat van onderhoud van open erven en terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun
                                    bestemming, voldoende staat van onderhoud bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor
                                    de veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor
                                    de gebruikers of anderen, ten gevolge van: a. drassigheid; b.
                                    stank; c. verontreiniging; d. aanwezigheid van schadelijk of
                                    hinderlijk gedierte; e. aanwezigheid van begroeiing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                    Brandblusvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd
                                    van een openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang
                                    en het openbare wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor
                                    verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's en
                                    het overige te verwachten verkeer, tenzij de aard, de ligging en
                                    het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet,
                                    tenzij de gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een
                                    bestemmingsplan of in een verordening of anderszins
                                    voorschriften heeft vastgesteld: a. een breedte hebben van ten
                                    minste 4,5 m, over een breedte van ten minste 3,25 m zijn
                                    verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                                    ten minste 4,2 m; b. zijn verhard op een wijze die geschikt is
                                    voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kg en
                                    zijn voorzien van de nodige kunstwerken; en c. op doeltreffende
                                    wijze kunnen afwateren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                    bijgebouw, als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit
                                    bouwwerken , voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar
                                    wel tot een hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor
                                    brandweerauto's aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding
                                    tussen die auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd,
                                    tenzij de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks
                                    niet vereisen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij afwezigheid van een toereikende openbare
                                    bluswatervoorziening moet worden zorg gedragen voor een
                                    doeltreffende niet-openbare bluswatervoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tussen de toegang van enerzijds: a. een woning of een
                                    woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; b.
                                    een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke
                                    toegankelijkheidssector, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                                    Bouwbesluit; en anderzijds de openbare weg moet een mede voor
                                    gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:
                                    a. ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en b. geen kleinere
                                    vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en c. ten hoogste een
                                    hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                                    plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het
                                    bepaalde in de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit .</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Aansluiting op de nutsvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de waterleiding</titel></kop><al>De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het Bouwbesluit bedoelde, in
                                bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater moeten zijn
                                aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding: a.
                                indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij
                                zijnde leiding van het distributienet is gelegen; of b. indien het
                                bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij zijnde
                                leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 50 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</titel></kop><al>De in artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                aanwezige elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het
                                openbare distributienet voor elektriciteit: a. indien het bouwwerk
                                op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van
                                dat distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere
                                afstand is gelegen van de leiding van het
                                elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                                aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij
                                een afstand van 100 m.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                                    distributienet voor aardgas: a. indien het bouwwerk op ten
                                    hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde leiding van dat
                                    distributienet is gelegen; of b. indien het bouwwerk op grotere
                                    afstand is gelegen van de leiding van het aardgasdistributienet
                                    dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting voor het
                                    desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van
                                    40 m.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op: a. woningen voor
                                    bejaarden; b. woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan
                                    500 m2; c. woningen die niet worden verhuurd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken
                                    aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en
                                    faecaliën, alsmede de eventueel in of aan bouwwerken aanwezige
                                    voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten, onverminderd
                                    het bepaalde in artikel 5.3.6 , op een doeltreffende wijze zijn
                                    aangesloten aan een openbaar riool.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid: a. in
                                    delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig
                                    is; b. op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een
                                    openbaar riool zijn gelegen; c. voor zover uitsluitend
                                    hemelwater wordt geloosd; d. op agrarische bedrijven waarin de
                                    faecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt en een daartoe
                                    voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</titel></kop><al>Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
                                gelden de volgende bepalingen: a. voor de opvang van faecaliën,
                                afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moet een doeltreffende
                                rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten
                                aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                                bedrijfsdoeleinden worden gebruikt; b. voor de opvang van faecaliën,
                                afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling, moeten een
                                doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput of
                                een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede
                                een doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de
                                genoemde put, tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen
                                verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden; c. leidingen
                                voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                                zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten
                                zodanig lozen dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan
                                optreden; d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de
                                afvoer van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
                                rottingput.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven
                                    en terreinen</titel></kop><al>Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                                    openbare net van de nutsvoorzieningen</titel></kop><al>De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en 5.3.4 bedoelde afstand
                                moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting
                                zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk
                                dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt.
                                Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                                bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden
                                dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><structuurtekst><al>Vervallen.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige gebruiksbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Overbevolking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.1</nr><titel>Overbevolking van woningen</titel></kop><al>Het is verboden een woning te bewonen met of toe te staan dat een
                                woning wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1.2</nr><titel>Overbevolking van woonwagens en woonketen</titel></kop><al>Het is verboden een woonwagen, respectievelijk een woonkeet te
                                bewonen met of toe te staan dat een woonwagen, respectievelijk een
                                woonkeet wordt bewoond door meer dan één persoon per 6 m2
                                gebruiksoppervlakte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Staken van het gebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.1</nr><titel>Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</titel></kop><al>Het is verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of
                                terrein te gebruiken of te doen gebruiken, indien door of namens
                                burgemeester en wethouders is medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is
                                in verband met: a. bouwvalligheid van het bouwwerk; b.
                                bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.2</nr><titel>Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                                    hygiëne</titel></kop><al>Indien tengevolge van het niet functioneren - hieronder begrepen het
                                afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit verplicht
                                aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                                kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over
                                gedistribueerd gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde
                                elektriciteit een onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne
                                aanwezig is, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het gebruik
                                van het bouwwerk te staken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2.3</nr><titel>Staken van het gebruik van een woonwagen</titel></kop><al>Indien in een besluit op grond van artikel 13 van de Woningwet is
                                bepaald dat het gebruik van een gebouw op of behorende bij een
                                standplaats moet worden gestaakt en dientengevolge essentiële
                                voorzieningen ten dienste van het bewonen van een woonwagen buiten
                                gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester en wethouders gelasten het
                                gebruik van de woonwagen te staken gedurende de periode dat bedoelde
                                voorzieningen niet functioneren.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.1</nr><titel/></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3.2</nr><titel>Hinder</titel></kop><al>Het is verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of
                                terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben,
                                handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken,
                                waardoor: a. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de
                                gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; b. op voor de
                                omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of
                                irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt
                                door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of
                                door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging
                                van het bouwwerk, open erf of terrein; c. instortings-, omval- of
                                ander gevaar wordt veroorzaakt. Niet van toepassing is het
                                vorenstaande, indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen
                                voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in deze wet
                                genoemde wet van toepassing is.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4.1</nr><titel>Preventie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                                    geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat
                                    bevindt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden
                                    bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet
                                    wordt aangetrokken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Watergebruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5.1</nr><titel>Verboden gebruik van water</titel></kop><al>Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en
                                wethouders schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt
                                geacht, te gebruiken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Installaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden van installaties</titel></kop><al>Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het Bouwbesluit en/of
                                de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten in een
                                goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                                worden gemaakt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slopen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens
                                    daaronder begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een
                                    vergunning van burgemeester en wethouders
                                    (sloopvergunning).</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien
                                    naar redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal
                                    bedragen dan 10 m3, tenzij het slopen mede betreft het
                                    verwijderen van asbest. Voorts is geen vergunning vereist voor
                                    het slopen ingevolge een besluit op grond van artikel 13 van de
                                    Woningwet , dan wel een besluit tot toepassing van bestuursdwang
                                    of oplegging van een last onder dwangsom. Burgemeester en
                                    wethouders kunnen aan hun besluit voorwaarden verbinden als
                                    bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning
                                    slechts voorschriften over: a. de veiligheid tijdens het slopen;
                                    b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken; c. het scheiden
                                    en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval,
                                    ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een
                                    fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval; d. het
                                    voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de
                                    gegevens als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c,
                                    voor zover deze gegevens niet reeds zijn overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde
                                    lid, onder letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief
                                    slopen, de fracties waarin wordt gescheiden, de tijdelijke
                                    opslag op het sloopterrein en het in fracties gescheiden
                                    verpakken van het sloopafval op het sloopterrein. Burgemeester
                                    en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                                    tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken
                                    daarvan voor de afvoer van het sloopterrein en over de termijn
                                    waarbinnen dit moet plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De vergunningplicht als bedoeld in het eerste lid geldt niet
                                    indien in een tijdelijke bouwvergunning voor een seizoengebonden
                                    bouwwerk voorschriften zijn gesteld over het slopen van het
                                    tijdelijke bouwwerk als bedoeld in het zesde lid van artikel 45
                                    van de Woningwet .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Aanvraag sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken
                                    van een door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag moet inhouden: a. correspondentieadres van de
                                    aanvrager in Nederland; b. indien een gemachtigde is aangewezen,
                                    diens naam en adres; c. naam en adres van degene, die met het
                                    slopen zal worden belast; d. de kadastrale aanduiding van het
                                    perceel, waarop zich het te slopen bouwwerk bevindt en het
                                    huisnummer van het bouwwerk. Indien de sloopwerkzaamheden
                                    bestaan uit asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project, wordt een lijst met bedoelde
                                    kadastrale aanduidingen en huisnummers van de desbetreffende
                                    bouwwerken bijgevoegd, welke lijst ingevolge het negende lid is
                                    gewaarmerkt; e. een exacte aanduiding van het gedeelte van een
                                    bouwwerk waarop de sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien
                                    niet het gehele bouwwerk wordt gesloopt; f. het doel, waarvoor
                                    het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk
                                    laatstelijk is gebezigd; g. mededeling of een bouwvergunning is
                                    of zal worden aangevraagd voor een op het perceel van het te
                                    slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het bouwwerk op
                                    te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk; h. een
                                    beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden; en
                                    voorts, indien van toepassing; i. het sloopveiligheidsplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen
                                    bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te
                                    zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt
                                    overgelegd: a. een afschrift van het
                                    asbestinventarisatierapport, uitgevoerd door een deskundig
                                    asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest
                                    in het te slopen bouwwerk bevindt; b. een
                                    asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór 1 juli 1997 dat voldoet
                                    aan de eisen in BRL 5052, uitgave 1998, waaruit blijkt dat er
                                    zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt; indien het
                                    bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld vóór 1 juli 1993,
                                    dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager te
                                    worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen
                                    bouwwerk hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende
                                    materialen zijn toegepast; c. een schriftelijk bewijsstuk dat
                                    het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1 januari 1994; d. bij
                                    woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing
                                    vergelijkbare, niet tot bewoning bestemde bouwwerken en
                                    bijgebouwen: een schriftelijke verklaring van de bouwer van het
                                    te slopen bouwwerk dat hij hierin geen asbest heeft toegepast,
                                    alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat er
                                    sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                                    plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                                    toegepast; e. bij sloop van bepaalde materialen: een
                                    schriftelijke verklaring van de fabrikant of de leverancier dat
                                    het te slopen materiaal geen asbest bevat, alsmede een
                                    schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van
                                    deze fabrikant of leverancier afkomstig is. Indien geen van
                                    bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd, wordt
                                    vermoed dat het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in
                                    vergelijkbare situaties andere gegevens verstrekt die dit
                                    vermoeden naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                    voldoende weerleggen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien – gelet op het derde lid – wordt vermoed dat het bouwwerk
                                    asbest bevat of de aanvrager weet of redelijkerwijs kan weten
                                    dat zich in het bouwwerk asbest bevindt wordt met een
                                    asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf aangetoond
                                    of dit juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. Indien
                                    geen asbestinventarisatierapport van een deskundig bedrijf wordt
                                    overgelegd, moeten bij de aanvraag andere gegevens worden
                                    overgelegd waaruit blijkt of asbest aanwezig is, en zo ja, waar
                                    dit asbest zich bevindt. Aan deze eis wordt geacht te zijn
                                    voldaan indien a. de aanvraag sloopvergunning uitsluitend
                                    betrekking heeft op het verwijderen van asbest op in de aanvraag
                                    aangeduide plaatsen, of b. een asbestonderzoeksrapport als
                                    bedoeld in lid 3, onder b bij de aanvraag is gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt
                                    dat een te slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een
                                    bouwwerk is verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 van de Afvalstoffenlijst behorende
                                    bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17
                                    augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient een onderzoek te worden
                                    ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en moet het
                                    rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                                    sloopvergunning worden gevoegd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in vijfvoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij
                                    betrekking heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met
                                    elkaar samenhangende terreinen dan wel indien zij betrekking
                                    heeft op asbestverwijdering van meer dan één bouwwerk in het
                                    kader van hetzelfde project.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden
                                    moeten door de aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan
                                    wel gewaarmerkt worden.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk
                                    betreft, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende
                                    bescheiden de bestaande en de nieuwe toestand duidelijk
                                    blijken.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders
                                    een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                                    datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>12</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                                    voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op
                                    asbest.</al></lid><lid><lidnr>13</lidnr><al>Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                                    sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen
                                    betrekking heeft op asbest, aangemerkt als melding als bedoeld
                                    in artikel 8.2.1.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>In behandeling nemen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of
                                    krachtens artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die
                                    gelden ingevolge de artikel 4:1 en 4:2 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in
                                    de gelegenheid de door hen aan te geven ontbrekende gegevens
                                    over te leggen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als
                                    bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Termijn van beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om
                                    sloopvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de
                                    aanvraag. Zij kunnen hun beslissing eenmaal voor ten hoogste zes
                                    weken verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging
                                    zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid beslissen
                                    burgemeester en wethouders over een aanvraag om sloopvergunning
                                    binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag om een
                                    sloopvergunning is ingediend, indien het slopen uitsluitend is
                                    bedoeld om asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                                    burgemeester en wethouders de beslissing aan indien een
                                    vergunning krachtens artikel 11 of artikel 37 van de
                                    Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                                    monumentenverordening of een aanlegvergunning voor het slopen is
                                    vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De
                                    aanhouding eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij
                                    samenloop van vergunningen wordt uitgegaan van de datum van de
                                    laatst genomen beslissing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.5</nr><titel>Samenloop van slopen en bouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het
                                    kader van het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van
                                    een bouwwerk waarvoor tevens een bouwvergunning is aangevraagd,
                                    kan bij de aanvraag om sloopvergunning - voor zover voor beide
                                    aanvragen dezelfde bescheiden en gegevens worden verlangd -
                                    worden verwezen naar die bescheiden en gegevens die zijn
                                    ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                                    bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de
                                    beslissing op de aanvraag om sloopvergunning de procedure van de
                                    beslissing op de aanvraag om bouwvergunning in het geval dat
                                    beide aanvragen gelijktijdig zijn ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.6</nr><titel>Weigeren sloopvergunning</titel></kop><al>Een sloopvergunning moet worden geweigerd indien: a. de veiligheid
                                tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd; b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in
                                verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door het
                                stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                                gewaarborgd; c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of
                                een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is
                                vereist en deze niet is verleend; d. een aanlegvergunning op grond
                                van het bestemmingsplan of op grond van een voorbereidingsbesluit is
                                vereist en deze niet is verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.7</nr><titel>Intrekking sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken
                                    indien: a. de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of
                                    onvolledige opgave van gegevens; b. binnen 26 weken na het
                                    onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen begin met de
                                    werkzaamheden is gemaakt; c. tussen het begin en het einde van
                                    de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een
                                    aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan
                                    nadat zij de houder van de vergunning hebben gehoord.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Sloopmelding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen
                                    sloopvergunning vereist voor het anders dan in de uitoefening
                                    van een beroep of bedrijf in zijn geheel slopen van: a.
                                    geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels
                                    hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, uit een woning of uit
                                    een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende platen maximaal vijfendertig vierkante meter per
                                    kadastraal perceel bedraagt; b. asbesthoudende vloertegels of
                                    niet-gelijmde, asbesthoudende vloerbedekking uit een woning of
                                    uit een op het erf van die woning staand bijgebouw, voorzover de
                                    woning of het bijgebouw niet in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of bedrijf worden gebruikt of bedoeld zijn voor
                                    gebruik in dat kader en de oppervlakte van de te verwijderen
                                    asbesthoudende vloerbedekking of vloertegels maximaal
                                    vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt,
                                    mits het voornemen tot dit slopen is gemeld bij burgemeester en
                                    wethouders en door burgemeester en wethouders binnen acht dagen
                                    na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld dat geen
                                    sloopvergunning is vereist. Met een woning wordt gelijk gesteld
                                    een woonkeet, woonwagen of logiesverblijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet
                                    worden gemeld met gebruikmaking van een door of namens
                                    burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in tweevoud
                                    worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het
                                    Nederlands zijn gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de
                                    aard en het gebruik van het bouwwerk.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens
                                    burgemeester en wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden
                                    of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde
                                    mededeling niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan,
                                    is de mededeling van rechtswege gedaan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld
                                    in het eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de
                                    verwijdering, opslag en afvoer van asbest.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het
                                    zevende lid is verplicht het gestelde in een door de minister
                                    van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer
                                    uitgegeven publicatie ter zake van het slopen van asbest
                                    bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de houder
                                    verplicht de voorschriften, bedoeld in het achtste lid alsmede
                                    de voorschriften die bij of krachtens de artikelen 7 en 8 van
                                    het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zijn gesteld, in acht te
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door
                                    sloop vrijkomt is niet toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>11</lidnr><al>Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste
                                    tot en met het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen,
                                    stellen burgemeester en wethouders degene die de melding heeft
                                    gedaan in de gelegenheid om binnen één week de door hen aan te
                                    geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Overige uitzonderingen op het vereiste van
                                    sloopvergunning</titel></kop><al>In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is voorts geen
                                sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                                betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader
                                van de uitoefening van een beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk
                                verwijderen van: a. geklemde vloerplaten onder
                                verwarmingstoestellen; b. verwijderen van beglazingskit dat is
                                verwerkt in de constructie van kassen; c. rem- frictiematerialen; d.
                                pakkingen uit verbrandingsmotoren; e. pakkingen uit
                                procesinstallaties onderscheidenlijk verwarmingstoestellen met een
                                nominaal vermogen dat lager is dan 2250 kilowatt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verplichtingen tijdens het slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Veiligheid op sloopterrein</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10 is van
                                overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of een besluit tot
                                toepassing van een last onder bestuursdwang of oplegging van een
                                last onder dwangsom tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan
                                het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.3</nr><titel>Plichten van de houder van de sloopvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                                    betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig
                                    bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de
                                    vergunning ter hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het
                                    slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stelt ten minste één week
                                    voorafgaande aan de aanvang van het slopen, burgemeester en
                                    wethouders schriftelijk op de hoogte van de data en tijdstippen
                                    waarop het slopen, voorzover dat betrekking heeft op asbest, zal
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De houder van de sloopvergunning stuurt binnen twee weken na de
                                    uitvoering van de werkzaamheden burgemeester en wethouders een
                                    afschrift van de resultaten van de eindbeoordeling, bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid van het Asbestverwijderingsbesluit 2005
                                    .</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.4</nr><titel>Plichten van degene die sloopt</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend
                                    voor het slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt
                                    ontdekt, is degene die sloopt verplicht hiervan terstond melding
                                    te doen aan het bouw- en woningtoezicht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan het bouwtoezicht dient ten minste twee dagen van tevoren de
                                    aanvang van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk
                                    op de dag van de beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde
                                    van die werkzaamheden. Indien het bouwtoezicht dit verlangt,
                                    moeten genoemde meldingen schriftelijk geschieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.5</nr><titel>Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een
                                    bouwwerk aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het
                                    bouwwerk wordt gesloopt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande
                                    technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu
                                    met asbest te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal waarin asbest is
                                    opgeslagen, moet worden opgeslagen in een afgesloten container
                                    of afgesloten opslagplaats;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien asbest door vorm of formaat niet in niet-lucht¬doorlatend
                                    verpakkingsmateriaal kan worden opgeslagen, moet het asbest in
                                    een afgesloten container worden opgeslagen;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>het asbest moet zo spoedig mogelijk van het sloopter¬rein worden
                                    afgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal of containers als
                                    boven bedoeld moeten: - op duidelijke wijze van de aanduidingen
                                    o.g.v. het Etiketteringbesluit asbestbevattende artikelen en -
                                    zodanig worden afgevoerd dat verontreiniging van het milieu met
                                    asbest wordt voorkomen;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.6</nr><titel>Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vrij slopen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4.1</nr><titel>Sloopafval algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen
                                    vergunning krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens
                                    artikel 8.2.1 is vereist, dient ten minste te worden gescheiden
                                    in de navolgende fracties: a. de als gevaarlijk aangeduide
                                    afvalstoffen van hoofdstuk 17 de afvalstoffenlijst behorende bij
                                    de Regeling Europese afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus
                                    2001, nr. 158, blz. 9); b. steenachtig sloopafval, zonder
                                    inbegrip van gips; c. bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;
                                    d. met PAKS verontreinigde materialen; e. asfalt; f. dakgrind;
                                    g. overig afval.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de
                                    fracties, bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f,
                                    moeten op het sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Welstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1</nr><titel>De advisering door de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                                Welstandscommissie Stichting Dorp, Stad en Land die uit haar midden
                                personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna
                                gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van
                                aanvragen voor regulier vergunningplichtige en
                                licht-vergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 44,
                                eerste lid onder d respectievelijk artikel 44, derde lid juncto
                                eerste lid onder d van de Woningwet .</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                                genoemde welstandscriteria.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2</nr><titel>Samenstelling van de welstandscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter, een
                                secretaris en drie leden, waarvan ten minste twee leden deskundig
                                zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                                cultuurhistorie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de voorzitter, secretaris en leden worden plaatsvervangers
                                aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten
                                minste drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden
                                beschikken over deskundigheid op het gebied van welstand.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk
                                ten opzichte van het gemeentebestuur.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De welstandscommissie wordt bijgestaan door een contactambtenaar
                                welstand of diens plaatsvervanger.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3</nr><titel>Benoeming en zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de
                                welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de
                                burgemeester en wethouders benoemd en ontslagen door de
                                gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een
                                termijn van drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden
                                herbenoemd voor een periode van ten hoogste drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als in bijlage
                                9 bij deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in
                                de voorgaande leden, nadere benoemingsprocedures.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4</nr><titel>Jaarlijkse verantwoording</titel></kop><al>De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar
                            werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt:
                            - op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota; - de werkwijze van de welstandscommissie; - op welke
                            wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; - de
                            aard van de beoordeelde plannen; - de bijzondere projecten. De
                            welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten
                            aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen
                            en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.5</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een
                                lichte bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens
                                burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een
                                reguliere bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat
                                door of namens burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                                welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de
                                bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van
                                het welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en
                                wethouders worden gegeven indien de termijn van afdoening van de
                                aanvraag om a. een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel
                                46, eerste lid, sub a van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                weken; b. een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel
                                46, eerste lid, sub b van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf
                                weken; c. een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel
                                46, eerste lid, sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.6</nr><titel>Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is
                                openbaar. De agenda voor de vergadering van de welstandscommissie
                                wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad
                                of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere
                                geschikte wijze. Indien burgemeester en wethouders - al dan niet op
                                verzoek van de aanvrager - een verzoek doen tot niet-openbare
                                behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan klemmende
                                redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                                ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de
                                beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen
                                van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of
                                namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een
                                toelichting op het bouwplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie
                                wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is
                                gedaan, dient de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te
                                ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag
                                wordt behandeld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                                reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                                deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet,
                                waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase
                                en de beraadslagingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.7</nr><titel>Afdoening bij mandaat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                                mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De
                                aangewezen leden (voorzitter en/of secretaris) adviseren over
                                bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de
                                welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog
                                voor aan de welstandscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien
                                burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager
                                - een verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen
                                burgemeester en wethouders daaraan klemmende redenen op grond van
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te
                                leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.8</nr><titel>Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                                schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                                burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                                bouwvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.9</nr><titel>Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                                standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het
                                voornemen heeft een gebied van de gemeente of een categorie
                                bouwwerken of standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht,
                                neemt de raad het daartoe strekkende besluit niet dan nadat: a. op
                                het voornemen inspraak is verleend; b. het advies van de
                                welstandscommissie is ingewonnen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                                voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                                verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Overige administratieve bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1</nr><titel>De aanvraag om woonvergunning</titel></kop><al>Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de
                            Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van het gebouw en
                            het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2</nr><titel>De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                                onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.3</nr><titel>Overdragen vergunningen</titel></kop><al>Door of namens burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de
                            woonvergunning als bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de
                            gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                            sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn
                            rechtverkrijgende overgeschreven op naam van een ander dan degene op
                            wiens naam de vergunning is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.4</nr><titel>Overdragen mededeling</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.5</nr><titel>Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens
                                alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.6</nr><titel>Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                                voorschriften</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening te houden met de
                            herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                            praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening
                            - of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen,
                            indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm,
                            praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die
                            herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1</nr><titel>Stilleggen van de bouw</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2</nr><titel>Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.3</nr><titel>Stilleggen van het slopen</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.4</nr><titel>Onderzoek naar een gebrek</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1</nr><titel>Strafbare feiten</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2</nr><titel>Overgangsbepaling bodemonderzo</titel></kop><al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodemonderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                                terreinen</titel></kop><al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2 van de
                                brandbeveiligingsverordening 2009 geldt als gebruiksvergunning als
                                bedoeld in artikel 6.1.1 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ontheffing, toestemming, voorschrift of beperking - hoe ook
                                genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening 2009
                                blijft van kracht totdat de termijn waarvoor zij is verleend, is
                                verstreken of totdat zij is ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5</nr><titel>Overgangsbepaling sloopmelding</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening zijn vervallen: a. de
                                bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 2 januari 2007 en
                                alle daarin aangebrachte wijzigingen; b. de
                                brandbeveiligingsverordening 2009 en alle daarin aangebrachte
                                wijzigingen, voor zover deze brandbeveiligingsverordening eisen aan
                                het brandveilig gebruik van bouwwerken stelt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Bouwverordening gemeente
                                Lansingerland 2010.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in zijn
                        openbare vergadering van 2 januari 2007.de griffier, C.J. van 't Hartde
                        voorzitter, drs. H.B. Eenhoorn</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><label/><nr>1</nr><titel/></kop><al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning VervallenBijlage 2
                    Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning VervallenBijlage 3
                    Gebruikseisen voor bouwwerken VervallenBijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken
                    met uitzondering van de niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties
                    VervallenBijlage 5 Opslag brandgevaarlijke stoffen VervallenBijlage 6
                    VervallenBijlage 7 Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de
                    buitenriolering op erven en terreinenBijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 De
                    NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid, zijn de volgende: a. NEN 7002,
                    uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met correctieblad
                    d.d. december 1979); b. NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren
                    afvoerbuizen' (met correctieblad d.d. december 1979); c. NEN 7013, uitgave 1980,
                    'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en buitenrioleringen'; d. NEN-EN
                    1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval buitenriolering
                    - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen, hulpstukken en het
                    systeem' (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1, uitgave 1998,
                    Nederlandstalig); e. NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en
                    hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met
                    inbegrip van de aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en
                    A3, uitgegeven 1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig); f. NEN-EN 295-2, uitgave
                    1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering
                    onder vrij verval, met inbegrip van aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel
                    2. Kwaliteitscontrole en monstername' (Engelstalig); g. NEN-EN 295-3, uitgave
                    1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede buisverbindingen voor riolering
                    onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden' (Engelstalig).Bijlage 8
                    VervallenBijlage 9 Reglement van orde van de welstandscommissie1 Benoeming en
                    samenstelling van de welstandscommissie 1.1 Benoemingsprocedure 1.2
                    Samenstelling welstandscommissie 2. Taakomschrijving 2.1 Taakomschrijving
                    welstandscommissie 2.1.1 Wettelijke taken 2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken
                    2.2 Taakomschrijving commissieleden 2.2.1 Taken van de gemandateerde architect
                    2.2.2 Taken van de voorzitter 2.2.3 Taken van de architect-secretaris 3.
                    Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht 4. Werkwijze van de welstandscommissie 4.1
                    Vooroverleg over bouwplannen 4.2 Gemandateerde behandeling 4.2.1 Mandaat ‘kleine
                    commissie’ 4.2.2 Het mandaatadvies 4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling
                    4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper 4.2.5 Spreekrecht 4.3 Openbare
                    commissievergadering 4.3.1 Locatie vergadering 4.3.2 Publicatie agenda 4.3.3
                    Toelichting opdrachtgever/ontwerper 4.3.4 Spreekrecht 4.4 Het welstandsadvies
                    4.5 Afwijken van welstandsadvies en/of welstandscriteria 4.5.1 Second opinion 5.
                    Aanvulling, evaluatie en aanpassing van de welstandsnota 5.1 Jaarverslag B&amp;W
                    5.2 Jaarverslag welstandscommissie1. Benoeming en samenstelling van de
                    welstandscommissie1.1 Benoemingsprocedure De gemeenteraad wijst op voordracht
                    van het college van B&amp;W de stichting ‘Dorp, Stad &amp; Land’ (DSL) aan als
                    de welstandscommissie. DSL legt de gemeente een lijst voor met de beoogde
                    commissieleden. Dit betreft de voorzitter, de architect-secretaris, de
                    gemandateerde architect(en) en hun plaatsvervangers. Indien gewenst, vindt
                    overleg plaats tussen DSL en de gemeente. De gemeenteraad benoemd en ontslaat,
                    aan de hand van deze lijst, de afzonderlijke leden van de
                    welstandscommissie.Alle leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers
                    worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van
                    verlenging met nog eens drie jaar. Een benoemingsboekhouding wordt opgezet en
                    bijgehouden door DSL.Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de
                    commissie, treden plaatsvervan¬gers op in de commissievergadering. Het
                    gemandateerde commissielid kan zich door een collega laten vervangen. De
                    voorzitter, de architect-secretaris de gemandateerde commissieleden, de externe
                    deskundigen, het burgerlid/de burgerleden en hun plaatsvervangers zijn
                    onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en de gemeentelijke
                    organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis waarvan het advies
                    over de welstandsaspecten wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig gebonden
                    aan het gemeentelijk welstandsbeleid. De commissie streeft naar voortdurende
                    afstemming met het beleid inzake de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.1.2
                    Samenstelling van de commissie De advieswerkzaamheden van de welstandscommissies
                    van DSL zijn georganiseerd in drie stappen. De grote en overkoepelende
                    commissie; de standaard commissies per regio (en/of per stad) en de
                    gemandateerde architecten namens de standaardcommissies. De grote commissie komt
                    ten minste 4 keer per jaar bijeen. Deze commissie heeft als voornaamste doel de
                    deskundigheidsbevordering van de commissieleden. Het feitelijke advieswerk wordt
                    verricht via standaardcommissies.Standaardcommissie. De welstandscommissie
                    bestaat uit tenminste 3 deskundige leden. Een deskundig voorzitter, de
                    architect-secretaris en het gemandateerde commissielid. De commissieleden zijn
                    deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante
                    vakgebieden. De welstandscommissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan
                    door extra deskundigen van het bureau van DSL of daarbuiten. Dit betreft
                    disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en landschapsarchitectuur. Afhankelijk
                    van het type plan dat moet worden beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel
                    aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn
                    benoemd door de gemeente. De standaardcommissie van DSL is in de regio’s actief
                    als commissie voor meerdere kleinere gemeenten en als stadscommissie. In de
                    standaard welstandscommissie hebben geen burgers zitting.2. Taakomschrijving2.1
                    Taakomschrijving welstandscommissie De welstandscommissie is belast met zowel
                    wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. De wettelijke taken
                    van de welstandscommissies van DSL worden uitgevoerd op grond van de Woningwet
                    2003 en de Monumentenwet 1988. De commissie is beleidsmatig gebonden aan het
                    gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de welstandsnota 3B
                    gemeenten.2.1.1 Wettelijke taken 1. Toetsing van regulier
                    bouwvergunningplichtige bouwwerken. De commissie is bevoegd om B&amp;W te
                    adviseren over de welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om
                    bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1d van de Woningwet 2003. Regulier
                    bouwvergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen twee dagen na
                    het in behandeling nemen van een welstandsadvies voorzien. 2. Toetsing van
                    lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken. De commissie is bevoegd om B&amp;W te
                    adviseren over de welstandsaspecten van aanvragen om een lichte bouwvergunning
                    als bedoeld in artikel 44, lid 2 van de Woningwet 2003. De licht
                    bouwvergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel tijdens het
                    commissieoverleg geadviseerd of bij voorkeur uiterlijk binnen twee dagen na het
                    in behandeling nemen van de aanvraag. De gemeente legt licht
                    bouwvergunningplichtige bouwaanvragen voor aan het gemandateerde commissielid
                    van Dorp, Stad &amp; Land.3. Jaarverslag welstandscommissie (zie ook punt 5.2)
                    De welstandscommissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag voor van
                    de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag zet de commissie tenminste
                    uiteen op welke wijze zij toepassing heeft gegeven aan de welstandscriteria uit
                    de welstandsnota, de werkwijze van de welstandscommissie, op welke wijze
                    uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de
                    beoordeelde plannen en de bijzondere projecten. Tenminste eenmaal per jaar
                    vindt, ten behoeve van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de welstandscommissie.2.1.2 Niet
                    wettelijk verplichte taken De welstandscommissie krijgt de opdracht om naast de
                    reguliere taken de volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren:a.
                    Beoordeling van aanvragen voor reclames als bedoeld in de Algemeen Plaatselijke
                    Verordening (APV). b. Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de
                    commissie, de gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                    betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen. c. Desgevraagd adviezen
                    uitbrengen aan B&amp;W over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                    structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige
                    plannen en andere relevante beleidsstukken. d. Desgevraagd adviseren over
                    stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de
                    ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. e. Desgevraagd adviseren in het geval van
                    excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet
                    deskundigen evident zijn. f. Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de
                    gemeenteraad, B&amp;W en burgers.2.2 Taakomschrijving commissieleden2.2.1 Taken
                    van de gemandateerde architect De gemandateerde architect van DSL heeft namens
                    de commissie iedere week zitting in de gemeente. Indien gewenst kan hij/zij zich
                    laten bijstaan door een collega commissielid. Hij/zij voert als gemandateerd lid
                    van de welstandscommissie de eerste gesprekken – het vooroverleg - met de
                    gemeente, planindieners, ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt
                    relevante informatie en bereidt de behandeling van bouwplannen in de
                    welstandscommissie voor. De plannen waarvoor de gemandateerde architect een
                    mandaat heeft, worden door hem/haar van een advies voorzien (Zie verder 4.2
                    Gemandateerde behandeling). De gemandateerde architect stelt met de
                    architect-secretaris en de contact ambtenaar welstand de agenda voor de
                    commissievergadering op. Tijdens de commissievergadering introduceert de
                    gemandateerde architect de bouwplannen en verstrekt gegevens over het relevante
                    welstandsbeleid voor het betreffende plan en/of gebied. De gemandateerde
                    architect werkt op verzoek de beraadslaging en conclusie over een bouwplan uit
                    in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee dagen na de
                    commissievergadering na een eindcontrole door de secretaris, verzonden
                    wordt.2.2.2 Taken van de voorzitter De voorzitter van de welstandscommissie
                    wordt in principe gerekruteerd uit ervaren praktijkarchitecten en/of
                    stedenbouwkundigen. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van de
                    commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de commissie
                    adviseert binnen de kaders van het gemeentelijk welstandsbeleid. Tijdens de
                    openbare vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/-vrouw voor alle
                    aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de vergaderprocedure uit en informeert wie
                    van de aanwezigen bij een bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in het
                    vooroverleg is besproken, geeft de voorzitter, de architect-secretaris (of de
                    gemandateerde architect) een korte samenvatting van hetgeen in dat stadium van
                    het planproces besproken is. De voorzitter leidt de discussie en biedt alle
                    commissieleden de gelegenheid om hun mening voldoende naar voren te brengen.
                    Hij/zij zorgt ervoor dat na een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag
                    een voor alle aanwezigen korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De
                    voorzitter bewaakt verder de voortgang van de agenda. Bij het overleg met de
                    gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers treedt de voorzitter namens
                    de commissie naar buiten. De voorzitter organiseert met de commissie een
                    jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten van de
                    evaluatie worden opgenomen in het jaarlijks verslag van de
                    welstandscommissie.2.2.3 Taken van de architect-secretaris De
                    architect-secretaris van de welstandscommissie draagt er zorg voor dat de
                    hem/haar aangeboden grotere bouwplannen op het secretariaat worden ingeboekt en
                    van een dossiernummer worden voorzien. Na behandeling van de adviesaanvragen in
                    de commissies zorgt hij/zij voor een snelle administratieve adviesverwerking
                    door het secretariaat. De adviezen worden door hem/haar ondertekend en met de
                    afgestempelde tekeningen retour gezonden naar de gemeente.3. Werkwijze afdeling
                    Vergunningverlening &amp; HandhavingDe welstandsprocedure begint met een
                    selectie van de bouwplannen bij de afdeling Vergunningverlening &amp; Handhaving
                    in lichte en reguliere bouwaanvragen. De afdeling Vergunningverlening &amp;
                    Handhaving toetst een bouwplan eerst op de vereisten van het bestemmingsplan en
                    de bouwverordening.Ten behoeve van de welstandstoets beoordeelt de afdeling
                    Vergunningverlening &amp; Handhaving of het bouwplan is voorzien van de
                    benodigde bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                    vastgelegd in het “Besluit Indieningsvereisten Aanvraag Bouwvergunning”.De
                    aanvragen om lichte bouwvergunning worden door de afdeling Vergunningverlening
                    &amp; Handhaving in eerste instantie zelf getoetst aan de Welstandsnota 3B
                    gemeenten. Indien er sprake is van afwijkingen en/of strijdigheid met de hierin
                    vastgestelde welstandscriteria dan wordt de aanvraag lichte bouwvergunning
                    voorgelegd aan de gemandateerde architect van de commissie.Aanvragen om
                    reguliere bouwvergunning worden altijd om als advies voorgelegd aan de
                    welstandscommissie i.c. de gemandateerde.4. Werkwijze van de
                    welstandscommissie4.1 Vooroverleg over bouwplannen De gemeente biedt de
                    aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel aangevraagd bouwplan
                    (zogenaamd infoplan) in een vooroverleg met de welstandscommissie toe te lichten
                    en te bespreken. De gemandateerde architect maakt altijd een verslag van het
                    vooroverleg – het zogenaamde Volgformulier Welstand. Dit verslag wordt openbaar
                    als het bouwplan formeel aan de commissie wordt voorgelegd. Vooroverleg vindt in
                    principe in het openbaar plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen
                    de gemeente, de aanvrager en de welstandscommissie.4.2 Gemandateerde behandeling
                    De gemandateerde architect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                    bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de standaard welstandscommissie om
                    zelfstandig bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de
                    mandaatverlening is dat de gemandateerde architect alleen de plannen beoordeelt
                    van een relatief geringe ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op
                    meerdere vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend mag
                    worden verondersteld. Bij twijfel legt de gemandateerde architect het bouwplan
                    voor aan de commissie. De gemandateerde architect heeft voor vergunningplichtige
                    plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. Bij licht
                    bouwvergunningplichtige plannen mag de gemandateerde architect ook negatief
                    adviseren. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het welstandsadvies.
                    Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats tussen de gemandateerde
                    architect en de welstandscommissie over het mandaat.4.2.1 Mandaat ‘ kleine
                    commissie’ De gemandateerde architect wordt – op verzoek van de
                    welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek – bijgestaan door een ander
                    commissielid. Deze ‘kleine commissie’ beschikt over hetzelfde mandaat als de
                    gemandateerde architect.4.2.2 Het mandaatadvies De gemandateerde architect
                    brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag of ‘het uiterlijk en de
                    plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband
                    met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in ernstige mate
                    in strijd is met redelijke eisen van welstand’ (art. 12a lid 1b Woningwet 2003).
                    Dit wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de
                    welstandsnota. Een positief mandaatadvies wordt uitgebracht door een stempel op
                    de tekening te plaatsen en het paraferen van het adviesformulier. Een negatief
                    mandaatadvies (alleen bij licht bouwvergunningplichtige plannen) wordt
                    schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de
                    welstandsnota.4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling De behandeling van
                    bouwplannen onder mandaat is openbaar. De gemeente publiceert de datum voor de
                    zitting van de gemandateerde behandeling van bouwplannen in het huis–aan-huis
                    blad en legt de agenda ter inzage bij de afdeling Vergunningverlening &amp;
                    Handhaving de dag voorafgaand aan de dag van de zitting.4.2.4 Toelichting
                    opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de
                    gelegenheid gesteld om de gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen en
                    toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn en gebruik
                    willen maken van het spreekrecht, vermelden ze dit rechtstreeks bij de afdeling
                    Vergunningverlening &amp; Handhaving. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen en
                    agendering van de bouwplannen.4.2.5 Spreekrecht Alleen opdrachtgevers en/of
                    ontwerpers hebben spreekrecht.4.3 Openbare commissievergadering De
                    welstandscommissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                    gemandateerde architect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                    bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken gemandateerde architect, voorzitter
                    en architect-secretaris).4.3.1 Locatie vergadering De welstandscommissie
                    vergadert roulerend in de aangesloten gemeenten in de regio. Bij de behandeling
                    van belangrijke bouwplannen kan – op verzoek van de gemeente – worden besloten
                    om in de eigen gemeente te vergaderen.4.3.2 Publicatie agenda De agenda voor de
                    commissievergadering wordt ter inzage gelegd bij de afdeling Vergunningverlening
                    &amp; Handhaving. In het huis-aan-huis blad wordt de datum van de zitting
                    gepubliceerd.De openbaarheid geldt voor de beraadslaging over bouwplannen, de
                    beoordeling daarvan en voor de adviezen. De commissievergadering of een gedeelte
                    daarvan is niet openbaar in gevallen als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de
                    Wet Openbaarheid van Bestuur en in gevallen waarin het belang van openbaarheid
                    niet opweegt tegen de in art. 10, tweede lid, van die wet genoemde
                    belangen.4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper Opdrachtgevers en ontwerpers
                    worden altijd in de gelegenheid gesteld om de behandeling van hun plan bij te
                    wonen en toe te lichten. Indien zij bij de behandeling aanwezig willen zijn en
                    gebruik willen maken van het spreekrecht, vermelden ze dit op het daarvoor
                    bestemde formulier of rechtstreeks bij de afdeling Vergunningverlening &amp;
                    Handhaving. De gemeente zorgt voor de uitnodigingen.4.3.4 Spreekrecht Tijdens de
                    openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht geboden. Alleen
                    opdrachtgevers en/of ontwerpers hebben spreekrecht.4.4 Het welstandsadvies De
                    welstandscommissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                    B&amp;W over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een
                    standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, niet in ernstige mate in strijd is met
                    redelijke eisen van welstand’ (art. 12a lid 1b van de Woningwet 2003). Dit wordt
                    beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota 3B
                    gemeenten. Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:Niet strijdig
                    De welstandscommissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing
                    zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
                    Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk.Niet strijdig mits De
                    welstandscommissie adviseert ‘iets niet strijdig’ met een mits aan B&amp;W omdat
                    het plan volgens de van kracht zijnde welstandscriteria niet strijdig is met
                    redelijke eisen van welstand maar er ontbreekt uit oogpunt van welstand nog een
                    ondergeschikt onderdeel. Formeel is het bouwplan daarmede ‘niet strijdig’. Het
                    ‘mits’ wordt in de praktijk in enkele gevallen gehanteerd om aanvullende
                    bemonstering in later stadium af te spreken of een nadere detailtekening te
                    leveren. ‘Mits’ is bedoeld om de planprocedures niet onnodig op te houden. Het
                    ‘mits’ kan niet als voorwaarde worden opgenomen in de bouwvergunning.Strijdig De
                    commissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van
                    welstand. Een ‘negatief’ welstandsadvies betekent dat een bouwplan ingrijpend
                    moet worden gewijzigd. Adviseert de commissie ‘strijdig’, dan geeft ze een
                    nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                    ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria
                    en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten.Strijdig
                    tenzij De welstandscommissie is van oordeel dat het bouwplan strijdig is met
                    redelijke eisen van welstand uit de gemeentelijke welstandsnota. De
                    ‘strijdigheid’ is beperkt en is in goed overleg met de aanvrager vastgesteld. De
                    strijdigheid wordt nauwkeurig geformuleerd. B&amp;W kunnen deze, om redenen van
                    efficiency, als voorwaarde(n) opnemen in de bouwvergunning4.5 Afwijken van
                    welstandsadvies en/of welstandscriteria B&amp;W hebben de wettelijke
                    mogelijkheid om ook op andere dan welstandsgronden, af te wijken van een
                    welstandsadvies. De redenen voor afwijking moeten bij de bekendmaking van het
                    besluit worden vermeld (artikel 46, negende lid van de Woningwet). B&amp;W
                    kunnen, eventueel op advies van de welstandscommissie, gemotiveerd (op
                    welstandsgronden) afwijken van de welstandscriteria zelf. Dat kan bij plannen
                    die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél aan redelijke eisen van
                    welstand. B&amp;W verwijzen in dat geval naar de algemene criteria in de
                    welstandsnota.4.5.1 Second opinion Alvorens een second opinion te vragen, bieden
                    B&amp;W eerst de vaste welstandscommissie de mogelijkheid tot heroverweging van
                    het eerder uitgebrachte advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd,
                    wordt dit gemeld aan de welstandscommissie. Bij een second opinion wordt de
                    bouwaanvraag voorgelegd aan een andere commissie dan DSL. Hierover neemt de
                    gemeente contact op met de Federatie Welstand.5. Aanvulling, evaluatie en
                    aanpassing van de Welstandsnota5.1 Jaarverslag B&amp;W B&amp;W leggen de
                    gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor waarin zij
                    uiteenzetten:a. Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                    welstandscommissie;b. In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                    lichte bouwvergunning niet aan de welstandscommissie hebben voorgelegd op welke
                    wijze zij in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                    welstandscriteria;c. In welke categorieën van gevallen:- zij tot aanschrijving
                    op grond van artikel 19 van de Woningwet 2003 zijn overgegaan en daarbij de
                    keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de aanschrijving, ofwel het
                    slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de door hen te bepalen termijn,
                    en- zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Woningwet 2003 zijn
                    overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 van de
                    Woningwet 2003.5.2 Jaarverslag welstandscommissie Zie onder punt 2.1.1* *
                    *Bijlage 10 VervallenBijlage 11VervallenBijlage 12 Vervallen</al></bijlage></regeling></body></cvdr>