<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50597_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Internet / De Heraut, 05-01-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Wijzigingsverordening onroerende zaakbelasting 2009 (tweede wijziging)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2011-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BR1000115/ Voorstelnr. 2010/112c</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lansingerland;gelezen het voorstel van burgemeester
                        en wethouders van 9 november 2010;</al><al>Gelet op artikel 220 tot en met 220h van de Gemeentewet.</al><al>Besluit vast te stellen de tweede wijzigingsverordening op de Verordening op
                        de heffing en invordering van de onroerende zaakbelasting 2009 (Verordening
                        onroerende zaakbelasting 2009):</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:a.
                            een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;b. een
                            eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van
                            een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                            recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:a. gebruik door degene aan wie een deel
                            van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik
                            door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                            in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te
                            verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;b. het ter
                            beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik
                            aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>a. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.b. Een onroerende zaak
                        dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV
                        van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende
                        zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak
                        die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan
                        woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                            geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond,
                            alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend
                            wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond
                            als voedingsbodem te gebruiken;b. glasopstanden, die bedrijfsmatig
                            worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voorzover de
                            ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;c.
                            onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;d. één of meer
                            onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                            Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                            genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbeleid Natuurschoonwet 1928,
                            met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;e.
                            natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer
                            per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;g.
                            waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;i. werktuigen die van een
                            onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van
                            betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf
                            als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.j. onroerende zaken voor
                            zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de
                            gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die
                            bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;k.
                            straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                            niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang
                            van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
                            gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                            monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen;l. plantsoenen,
                            parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan
                            de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht,
                            met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als
                            woning;m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering
                            van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikers-belasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofd-zaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:a. bij de
                            gebruikersbelasting 0,1310 %b. bij de eigenarenbelasting1. voor
                            onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,0982 %2. voor
                            onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,1635 %</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10, - vindt geen invordering plaats. Voor
                            de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt dat, zolang de verschuldigde
                            bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven
                            en het totaalbedrag van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen of
                            andere heffingen meer is dan € 60,- en minder dan € 5.000,- de aanslagen
                            moeten worden betaald in 8 termijnen. De eerste termijn vervalt één
                            maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid
                            gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2008, vastgesteld op 27 maart
                            2008 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum
                            van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing
                            blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                            voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen 2009’.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in zijn
                        openbare vergadering van 16 december 2010.De griffier, Kees van 't HartDe
                        voorzitter, Ewald van Vliet</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>