<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50584_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Delegatiebesluit gemeente Lansingerland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Intranet / Heraut 13 mei 2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Delegatiebesluit gemeente Lansingerland 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 156, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-04-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aangepaste regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/42 (BR0900035)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Delegatiebesluit gemeente Lansingerland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lansingerland;gelezen het voorstel van de Stuurgroep
                        Herindeling van 7 december 2006;gelet op artikel 156, eerste lid van de
                        Gemeentewet;besluit vast te stellen het:Delegatiebesluit gemeente
                        Lansingerland 2007</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen bestuurlijk-juridische zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het naar voren brengen van
                            zienswijzen en bedenkingen tegen voorgenomen besluiten van
                            bestuursorganen indien deze gelegenheid of dit recht aan de gemeente of
                            het gemeentebestuur toekomt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het beslissen op verzoeken om
                            informatie als bedoeld in de Wet openbaarheid van bestuur, welke zijn
                            gericht aan de gemeenteraad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Ruimtelijke ordening, grondzaken en openbare werken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het nemen van besluiten als
                            bedoeld in artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                            voor locaties, die gelegen zijn in een door de raadscommissie
                            geaccordeerd voorontwerp bestemmingsplan, ontwerp bestemmingsplan,
                            stedenbouwkundig plan of andersoortig ruimtelijk plan en mits het
                            desbetreffende vrijstellingsverzoek daarmee in overeenstemming is. De
                            raad ontvangt een afschrift van ieder besluit dat op grond van delegatie
                            van deze bevoegdheid is genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3a</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het nemen van een
                            projectbesluit, zoals bedoeld in artikel 3.10, lid 4 van de Wet
                            ruimtelijke ordening, mits het betreffende project gelegen is in een
                            door de raadscommissie behandeld voorontwerpbestemmingsplan,
                            stedenbouwkundig plan of andersoortig ruimtelijk plan en mits het
                            desbetreffende verzoek daarmee in overeenstemming is. De raad ontvangt
                            een afschrift van ieder besluit dat op grond van delegatie van deze
                            bevoegdheid is genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het weigeren van verzoeken om
                            vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid 1 WRO.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het weigeren van een
                            projectbesluit, zoals bedoeld in artikel 3.10, lid 4 van de Wet
                            ruimtelijke ordening. De raad ontvangt een afschrift van ieder besluit
                            dat op grond van delegatie van deze bevoegdheid is genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het publiceren en ter inzage
                            leggen van het ontwerpbesluit en het naar voren brengen van zienswijzen
                            als bedoeld in de artikelen 80, eerste en tweede lid, van de
                            Onteigeningswet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Personele zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid tot het uitvoeren van de CAR/UWO en de
                            daaraan verbonden nadere regelingen ten behoeve van de griffier en de
                            medewerkers van de griffie, behoudens voor zover het betreft:- het nemen
                            van besluiten met betrekking tot de aanstelling, overplaatsing,
                            schorsing of het ontslag van de griffier;- het vaststellen van
                            instructies en dienstopdrachten ten aanzien van de griffie;- het
                            verlenen van vakantie en verlof aan de griffier;- besluiten met
                            betrekking tot de ontwikkeling, beoordeling en beloning van de
                            griffier;- het nemen van disciplinaire maatregelen ten aanzien van de
                            griffier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel/></kop><al>De voorbereiding van de in artikel 6 bedoelde besluiten ten aanzien van
                            de griffier die zijn voorbehouden aan de raad, wordt namens de raad
                            uitgevoerd door het Presidium.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Publiekaangelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><al>Het college oefent de bevoegdheid uit tot het aanwijzen van een huis der
                            gemeente ingevolge artikel 108 juncto 147 van de Gemeentewet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit besluit treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                                van bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De datum van ingang van de verordening is 1 januari 2007.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Per de in het eerste lid genoemde datum vervallen de integrale
                                Delegatiebesluiten van 26 maart 1998 (Berkel en Rodenrijs) en 8
                                maart 2004 (Bergschenhoek) alsmede de individuele Delegatiebesluiten
                                van Berkel en Rodenrijs van 29 juni 2000 en 27 maart 2003 alsmede de
                                individuele besluiten van Bleiswijk van 9 november 1956, 8 september
                                1977, 10 november 1977, 27 april 1978, 27 september 1979, 24 januari
                                1980, 27 november 1980, 23 februari 1984, 22 november 1984, 27
                                november 1986, 22 oktober 1987, 27 oktober 1988, 23 mei 1991, 17
                                december 1992, 19 december 1996, 26 juni 1997 en 13 april 2000.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van Lansingerland van 2
                        januari 2007.De griffier, C.J. van ’t Hart De voorzitter, drs. H.B.
                        Eenhoorn</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Toelichting Delegatiebesluit gemeente Lansingerland 2007</titel></kop><al>Artikel 1Diverse wettelijke bepalingen geven aan dat de gemeenteraad indieners
                    van zienswijzen en bedenkingen de gelegenheid moet geven voor een nadere
                    mondelinge toelichting. Hoe de gemeenteraad dit wenst te regelen wordt niet
                    nader bepaald. Aangegeven wordt dat het mogelijk moet zijn een mondelinge
                    toelichting te geven. De wetgever geeft ook niet aan dat sprake moet zijn van
                    hoor en wederhoor. Zoals eerder gezegd, indieners van zienswijzen dient de
                    mogelijkheid te worden geboden om een mondelinge toelichting te geven. Dit kan
                    op zich geschieden door een raadscommissie of de verantwoordelijke
                    portefeuillehouder of ambtenaren van de verantwoordelijke vakdienst. Het horen
                    door een raadscommissie heeft als nadeel dat deze commissie gewoonlijk slechts
                    één keer per maand bijeenkomt. Daarnaast bestaat deze commissie uit een aantal
                    personen waardoor het horen voor een indiener van zienswijzen als onprettig
                    ervaren kan worden. Het horen door de verantwoordelijke portefeuillehouder al
                    dan niet in aanwezigheid van ambtenaren of alleen door ambtenaren is relatief
                    eenvoudig en snel te organiseren.Artikel 2De termijn waarbinnen het
                    bestuursorgaan, in dit geval de raad, moet beslissen op een verzoek om
                    informatie is, gelet op artikel 6 van Wet openbaarheid van bestuur (WOB), twee
                    weken, met de mogelijkheid tot verlenging van eenmaal twee weken. Reageert het
                    bestuurs-orgaan binnen deze vier weken niet, dan kan de burger dit uitblijven
                    van een reactie, gelet op artikel 6:2 van de Awb, in beroep gaan.Ook hier geldt
                    dat delegatie van deze bevoegdheid aan het college grote voordelen met zich
                    meebrengt. De gemeente kan directer en slagvaardiger optreden. De gemeenteraad
                    wordt minder belast. Voorts loopt de gemeente minder juridische risico’s, omdat
                    termijnen in de Wob erg kort zijn en veelal niet gehaald zullen worden als de
                    raad op deze verzoeken dient te beslissen.Artikel 3Op 3 april 2000 is de Wet op
                    de Ruimtelijke Ordening (WR0) in werking getreden. Een van de belangrijkste
                    wijzigingen betrof artikel 19 en 19a WRO en in het bijzonder de bevoegdheid ten
                    aanzien van het verlenen van de vrijstelling. Volgens artikel 19, lid 1 WRO (de
                    zgn. zelfstandige projectprocedure) is de raad bevoegd ten aanzien van het
                    verlenen van de vrijstelling. Tevens is bepaald dat de raad de bevoegdheid
                    omtrent het verlenen van vrijstelling kan delegeren aan burgemeester en
                    wethouders.Volgens artikel 19, lid 2 en 3 WRO zijn burgemeester en wethouders
                    bevoegd ten aanzien van het verlenen van de vrijstelling. Middels de lid 2
                    procedure kunnen ingevolge provinciale richtlijnen eveneens ingrijpende
                    wijzigingen tot stand komen (zoals bijvoorbeeld woningbouwprojecten). Lid 3
                    betreft de “kruimelgevallen” ingevolge de richtlijnen van het Rijk, in casu
                    artikel 20 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening.Een juridische
                    consequentie van artikel 19, lid 1 WRO is de versterking van de rol van de raad,
                    hetgeen meer in lijn is met de Gemeentewet. Artikel 19 en 19a WRO stellen echter
                    termijnen waarbinnen een besluit door de raad en/of burgemeester en wethouders
                    genomen moet worden. Een praktische gevolg hiervan is, teneinde die termijnen te
                    kunnen halen, de afstemming met het vergaderschema van de raad. Er kunnen zich
                    situaties voordoen, waarbij in afwijking van het reguliere vergaderschema, extra
                    raadsvergaderingen op korte termijn gehouden moeten worden.Vanwege deze
                    consequenties is het gewenst het vraagstuk van de bevoegdheid c.q.
                    bevoegdheidsverdeling – in juridisch en praktisch opzicht – helder te regelen
                    met dien verstande dat recht gedaan wordt aan het primaat van de raad.De
                    regeling ziet er als volgt uit:1. de bevoegdheid tot het verlenen van
                    vrijstelling als bedoeld in artikel 19 lid1 WRO wordt voor locaties, die gelegen
                    zijn in een door de raadscommissie geaccordeerd voorontwerp bestemmingsplan,
                    ontwerp bestemmingplan, stedenbouwkundig plan of andersoortig ruimtelijk plan en
                    mits het desbetreffende vrijstellingsverzoek daarmee in overeenstemming is, door
                    de raad gedelegeerd aan burgemeester en wethouders.2. de bevoegdheid voor de
                    overige gevallen, waarvoor geen door de raad geaccordeerd beleid is, blijft bij
                    de raad. Indien het college in beginsel van oordeel is dat toepassing van
                    artikel 19 lid 1 WRO voor een dergelijk geval wenselijk is dan zal in het
                    voorbereidingsbesluit aan de raad worden voorgesteld de bevoegdheid tot het
                    verlenen van vrijstelling te delegeren aan burgemeester en wethouders.3. de
                    onder de gedelegeerde bevoegdheid genomen besluiten zoals beschreven onder punt
                    1 worden in de eerstvolgende vergadering van de commissie Ruimte aan de
                    commissie medegedeeld.Artikel 4Dit artikel is voor de praktijk van groot belang.
                    Gemeenten krijgen met grote regelmaat verzoeken om vrijstelling die niet onder
                    de kruimelgevallen van artikel 19 lid 3 WRO vallen, noch onder de bij besluit
                    van Gedeputeerde Staten aan gewezen categorieën van gevallen van artikel 19 lid
                    2 WRO. Deze verzoeken vallen dan onder artikel 19 lid 1 WRO. Het betreft hier
                    evenwel situaties die veelal zo duidelijk in strijd zijn met de
                    bestemmingsplannen en provinciale kaders, dat vrijwel direct duidelijk is dat
                    deze verzoeken om vrijstelling geweigerd moeten worden. Delegatie van deze
                    bevoegdheid leidt ertoe dat het college deze verzoeken kan afhandelen in plaats
                    van besluitvorming door de raad.Artikel 5Het gaat hier om een procedurele
                    aangelegenheid die in overwegende mate te kwalificeren als voorbereiding en
                    uitvoering die uit oogpunt van doelmatigheid primair door het college afgedaan.
                    Vertraging in de besluitvorming leidt tot vertraging in de
                    onteigeningsprocedures en daarmee de ruimtelijke ontwikkelingen. Dit kan
                    ernstige financiële en andere gevolgen hebben voor de gemeente.Artikel 6 en
                    7Artikel 1.3a van de CAR/UWO verklaard de raad bevoegd voor de toepassing van
                    deze CAR/UWO-regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame
                    ambtenaren. De bevoegdheden ten aanzien van met name de medewerkers van de
                    griffie zijn gedelegeerd aan het college. Denk hierbij aan het verlenen van
                    verlof en vakantie, beloningen e.d.Artikel 8De raad heeft de bevoegdheid tot het
                    aanwijzen van nieuwe locaties voor het voltrekken van huwelijken. Een dergelijke
                    aanwijzing is oodzakelijk omdat het Burgerlijk Wetboek voorschrijft dat een
                    huwelijk moet worden voltrokken in het openbaar, in het gemeentehuis. Dit zou
                    betekenen dat er per 1 januari slechts twee trouwlocaties aanwezig zouden zijn
                    nml het bestuurscentrum (raadszaal) in Bleiswijk en het gemeentehuis van
                    Bergschenhoek, terwijl er in Berkel en Rodenrijs geen trouwlocatie zou zijn.
                    Gelijk aan de bewoners van de kernen Bergschenhoek en Bleiswijk, moeten de
                    burgers van Berkel en Rodenrijs de mogelijkheid hebben om in de eigen kern te
                    kunnen trouwen.Artikel 9 .Op grond van artikel 156 van de Gemeentewet kan de
                    raad aan het college bevoegdheden overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid
                    zich daartegen verzet. Op basis van deze bepaling heeft de raad destijds diverse
                    bevoegdheden aan de colleges van de gemeenten Berkel en Rodenrijs en
                    Bergschenhoek overgedragen middels integrale delegatiebesluiten (Berkel en
                    Rodenrijs van 26 maart 1998; Bergschenhoek van 8 maart 2004). Bleiswijk beschikt
                    niet over een algemeen Delegatiebesluit. Wel heeft de raad in de loop der jaren
                    een aantal individuele delegatiebesluiten genomen. Ook deze worden bij het
                    vaststellen van dit geharmoniseerde delegatiebesluit ingetrokken.Met de
                    inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden
                    zijn een groot aantal bevoegdheden die in de oude delegatiebesluiten waren
                    opgenomen, bevoegdheden geworden van het college. Deze wijzigingen zijn in
                    onderhavige Delegatiebesluit derhalve komen te vervallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>