<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50581_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Lansingerland 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Intranet / Heraut 8 oktober 2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 6.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit ruimtelijke ordening, art. 6.1.3.3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-09-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-10-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-02-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>A08.01127</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Gemeentewet, art. 147, lid 1 Gemeentewet, art. 149, lid 1</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Lansingerland 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschadeDe raad van
                        de gemeente Lansingerland; Gelezen het voorstel van burgemeester en
                        wethouders van 26 augustus 2008; Gezien het advies van de comissie Wonen en
                        werken van 10 september 2008; Gelet op artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening
                        en artikel 6.1.3.3 Besluit ruimtelijke ordening en gelet op artikel 147
                        eerste lid, alsmede artikel 149 van de Gemeentewet; Besluit vast te stellen
                        de volgende verordening:Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming
                        in planschade gemeente Lansingerland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: a. aanvrager: degene die een
                        aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet
                        ruimtelijke ordening indient; b. adviseur: de door het college van
                        burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel
                        6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening; c. adviescommissie:
                        schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van deze
                        verordening; d. besluit: Besluit ruimtelijke ordening; e. college: het
                        college van burgemeester en wethouders; f. gemeente: gemeente Lansingerland;
                        g. planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid,
                        Wet ruimtelijke ordening; h. planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1,
                        eerste lid, Wet ruimtelijke ordening; i. wet: Wet ruimtelijke ordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                        artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere
                        adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te
                        brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit
                        of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Adviseur of adviescommissie</titel></kop><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door
                        het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende
                        deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 1. Indien het
                        college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde
                        adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade
                        vanwege inkomensderving en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de
                        aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het college
                        een tweede adviseur aangewezen die deskundig is op het gebied van
                        accountancy of van financieel economische bedrijfsvoering. 2. Indien het
                        college, na advies te hebben ingewonnen van de in het eerste lid bedoelde
                        adviseur, van oordeel is dat de aanvraag betrekking heeft op planschade
                        vanwege waardevermindering van een onroerende zaak en er, gezien de
                        complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra
                        deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur aangewezen die
                        deskundig is ter zake van de waardering van onroerende zaken en van
                        waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering.
                        3. Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid van
                        toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid bedoelde
                        adviseurs aangewezen. 4. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze
                        een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                        voorzitter is. 5. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur
                        aan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college
                            verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig
                            te zijn met betrekking tot de in artikel 3, eerste, tweede of derde lid,
                            bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad.
                            Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische
                            maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing
                            adviseur of adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel
                            2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken
                            bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                            tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de
                            aanwijzing van: a. een adviseur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, of
                            b. meerdere adviseurs als bedoeld in artikel 3, vijfde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                            belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                            wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste
                            lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van
                            één of meerdere adviseurs bij het college indienen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het
                            tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van
                            één of meerdere adviseurs.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de
                            aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling
                            daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie
                            noodzakelijke bescheiden ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen aan
                            die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de
                            adviesopdracht bijstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of
                            meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid
                            bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden
                            gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de
                            advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel
                            een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de
                            adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken
                            bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                            tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid
                            gesteld hun standpunt kenbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip
                            waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal
                            bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende
                            zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met
                            de aanvrager een afspraak gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid
                            bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid
                            van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag
                            gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de
                            adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht
                            tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager,
                            aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden
                            als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De
                            adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder
                            opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste
                            vier weken verlengen.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de
                            belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                            wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de
                            toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de
                            adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het
                            achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de
                            betreffende reacties zijn betrokken.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                            adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van
                            de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het
                            college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na
                            bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Procedureverordening voor
                            advisering tegemoetkoming in planschade".</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 25 september 2008De griffier,
                        Kees van 't Hart De voorzitter, Ewald van Vliet</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Toelichting</titel></kop><al>Algemene toelichting Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro)
                    kan degene die in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van
                    een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische
                    maatregel, op aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor
                    zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te
                    blijven en voor zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins
                    verzekerd is.Afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat bepalingen
                    over het tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend (artikel 6.1,
                    vierde en vijfde lid, Wro), is uitgewerkt welke schade in ieder geval voor
                    rekening van de aanvrager dient te blijven (artikel 6.2 Wro) en wordt ingegaan
                    op zaken die het bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op het
                    aanvragen om een tegemoetkoming in planschade dient te betrekken (artikel 6.3
                    Wro).Artikel 6.1, derde lid, Wro stelt eisen aan de aanvraag om een
                    tegemoetkoming, die op grond van artikel 6.7 Wro in het Bro zijn uitgewerkt. De
                    regels in het Bro leiden tot een uniformering en standaardisering van regels
                    omtrent de inrichting en behandeling en de wijze van beoordeling van een
                    aanvraag om tegemoetkoming in schade. Onder de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                    (WRO) en het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de
                    noodzaak dat iedere gemeente een regeling voor de behandeling van de
                    planschadeverzoeken moest opstellen. De regeling met betrekking tot de
                    behandeling van de aanvragen is nu terug te vinden in het Bro.In het Bro zijn in
                    afdeling 6.1 (Tegemoetkoming in schade) de vereisten voor het indienen van een
                    aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en de regels voor het
                    aanwijzen van een adviseur opgenomen. Artikel 6.1.3.2 Bro verplicht het college
                    een adviseur aan te wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen
                    beslissing. In artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro wordt voorgeschreven dat de
                    gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze waarop een adviseur
                    wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies komt. In artikel
                    6.1.3.3, tweede lid, Bro wordt bepaald dat de verordening in ieder geval
                    betrekking moet hebben op:a. de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de
                    adviseur; b. de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld; c. het
                    tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld; d. de wijze waarop de aanvrager,
                    eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in
                    artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro vooraf in de aanwijzing van de
                    adviseur worden gekend, dan wel na deze aanwijzing kunnen wraken; e. de wijze
                    waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro
                    onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden
                    betrokken, en de hierbij geldende termijnen.De model-procedureverordening voor
                    advisering tegemoetkoming in planschade in verhouding tot de
                    model-procedureregeling planschadevergoeding 2005 Met de inwerkingtreding van de
                    verordening voor advisering tegemoetkoming in planschade in uw gemeente kan de
                    oude planschaderegeling nog niet in zijn geheel door het college worden
                    ingetrokken. De model-procedureregeling planschadevergoeding 2005 is nog van
                    toepassing op de volgende situaties:* op een aanvraag ingediend vóór 1 september
                    2005 in het geval dat de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór
                    1 september 2005 is de WRO van vóór 1 september 2005 van toepassing;* op een
                    aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in het geval
                    de planologische maatregel onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is
                    de WRO nog van toepassing (maar is geen verjaringstermijn van toepassing);* op
                    een aanvraag ingediend op of na 1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 in het
                    geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na 1 september
                    2005 en vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is de WRO van toepassing (met
                    inbegrip van de verjaringstermijn);* op een aanvraag ingediend op of na 1 juli
                    2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval de planologische maatregel
                    onherroepelijk is geworden vóór 1 september 2005 is de WRO nog van toepassing
                    (maar is geen verjaringstermijn van toepassing). De model-procedureverordening
                    voor advisering tegemoetkoming in planschade is van toepassing in de volgende
                    situaties:* op een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2008 maar vóór 1 september
                    2010 in het geval de planologische maatregel onherroepelijk is geworden op of na
                    1 september 2005 maar vóór 1 juli 2008 van kracht is geworden, is de Wro van
                    toepassing (met inbegrip van de verjaringstermijn, maar er is geen sprake van
                    het forfait normaal maatschappelijk risico);* op een aanvraag ingediend op of na
                    1 juli 2008 maar vóór 1 september 2010 in het geval de planologische maatregel
                    van kracht is geworden op of na 1 juli 2008, is de Wro onverkort van
                    toepassing;* op een aanvraag ingediend op of na 1 september 2010 is de Wro in
                    alle gevallen onverkort van toepassing.Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1.
                    BegripsbepalingenBij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk
                    aansluiting gezocht bij de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd
                    geacht is een aanvulling gegeven. Voor een juiste interpretatie van de
                    verordening is naast raadpleging van artikel 1 kennisneming van de algemene
                    bepalingen in artikel 6.1.1.1 Bro van belang. Ten behoeve van de duidelijkheid
                    van de begrippen adviseur en adviescommissie is in deze verordening een van het
                    Bro afwijkende omschrijving van het begrip adviseur opgenomen. Het begrip
                    gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat indien de
                    verordening het woord gemeente gebruikt, het de gemeente betreft waar de
                    aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend.Artikel 2.
                    OpdrachtverstrekkingHet college dient binnen twaalf weken een opdracht te
                    verstrekken aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt
                    gegeven aan artikel 6.1.3.1 Bro of aan artikel 4:5 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro geeft het college de bevoegdheid
                    een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een
                    termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen.
                    Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro heeft betrekking op de bevoegdheid van artikel
                    4:5 Algemene wet bestuursrecht waarbij een onvolledige aanvraag verder buiten
                    behandeling moet worden gelaten. Volgens artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro moet
                    het besluit tot het niet in behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van
                    de aanvraag aan de aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de
                    gelegenheid is gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht
                    weken de tijd na het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is
                    verstreken, om het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend
                    te maken. De laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden
                    verlengd. Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten
                    behandeling wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de
                    termijnen bedoeld in artikel 6.1.3.1 Bro worden overschreden. In het laatste
                    geval dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient
                    een opdracht te worden verstrekt. De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan
                    nadat de termijn om te wraken is verstreken en er geen verzoeken tot wraking
                    zijn ingediend, dan wel door het college afwijzend is beslist over een ingediend
                    verzoek tot wraking.Artikel 3. Adviseur of adviescommissieHet college schakelt
                    één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering over de op de
                    aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke gevallen een
                    adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en over welke
                    deskundigheid een adviseur dient te beschikken. Een adviseur kan een natuurlijke
                    persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze tussen een natuurlijke persoon of
                    een rechtspersoon wordt aan de gemeente overgelaten (zie de Nota van Toelichting
                    bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63). Een adviesbureau gespecialiseerd in
                    planschade kan derhalve worden aangewezen als adviseur bedoeld in het eerste
                    lid, of als één van de adviseurs (tweede of derde lid) in een adviescommissie.
                    Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                    noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde
                    adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie). In het eerste
                    lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over voldoende
                    deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te beschikken.
                    Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een tweede en/of
                    derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid op het
                    gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens
                    waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische
                    verslechtering beschikt. Het is aan het college om, na advies te hebben
                    ingewonnen bij de (eerste) adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur
                    zelfstandig kan adviseren, of dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van
                    de aanvraag behoefte is een tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te
                    betrekken die beschikt over specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede
                    en/of derde adviseur dan vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee
                    of meer adviseurs is er sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde lid).
                    De adviseurs dienen de in artikel 6.1.3.4 Bro genoemde zaken te betrekken.
                    Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro bepaalt dat de adviseur of de adviescommissie
                    zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee kosten zijn
                    gemoeid is instemming van het college vereist.Artikel 4. Deskundigheid en
                    onafhankelijkheidArtikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro schrijft voor dat de
                    verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid
                    van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het
                    eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon
                    als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van
                    opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3,
                    tweede of derde lid, genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te
                    beoordelen. In aansluiting op artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet
                    bestuursrecht juncto artikel 6.1.1.1 onder c, Bro waaruit voortvloeit dat een
                    adviseur niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het
                    bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede lid,
                    bepaald dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder
                    verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede lid, dat een
                    adviseur niet betrokken mag zijn bij de planologische maatregel waarop de
                    aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op enigerlei wijze
                    betrokken zijn bij de in het geding zijnde planologische maatregel. In het
                    bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de
                    risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische
                    maatregelen.Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                    aanwijzing adviseur of adviescommissieDit artikel bepaalt dat de aanvrager,
                    eventuele andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld
                    in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro schriftelijk op de hoogte
                    moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of adviescommissie. De
                    aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te worden gemaakt. In het
                    geval meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze aanwijzingen gezamenlijk
                    schriftelijk bekend gemaakt. Indien de aanvrager, eventuele andere betrokken
                    bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en
                    derde lid, van de Wro zich niet kunnen verenigen met de aanwijzing van één of
                    meerdere adviseurs is er de mogelijkheid om één of meerdere adviseurs te wraken.
                    Op verzoek van de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen of
                    andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                    Wro kunnen één of meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of
                    omstandigheden waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade
                    zou kunnen lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de
                    gelegenheid gesteld een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij
                    het college kenbaar te maken. Het college moet binnen twee weken na het
                    verstrijken van de termijn tot het indienen van een verzoek tot wraking
                    beslissen.Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissieDit artikel geeft de
                    wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en
                    andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                    Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies
                    worden betrokken. Tevens worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd. In
                    het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt
                    verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde
                    informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter
                    beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel
                    van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de
                    aanvraag aan hen ter beschikking gesteld. Het derde, vierde en vijfde lid
                    bevatten regels over achtereenvolgens de hoorzitting, de bezichtiging en de
                    taxatie. Deze onderdelen behoeven niet afzonderlijk te worden georganiseerd. Het
                    is mogelijk om de hoorzitting te combineren met de bezichtiging en/of taxatie.
                    Volgens artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro mag van de bezichtiging worden
                    afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort
                    te worden afgewezen. Het concept advies dient binnen zestien weken na
                    dagtekening van de opdracht aan de gemeente, aanvrager, eventueel andere
                    betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a,
                    tweede en derde lid, van de Wro te worden toegezonden. Deze termijn kan met ten
                    hoogste vier weken worden verlengd (zevende lid). Artikel 6.1.3.3, tweede lid
                    onder e, Bro bepaalt dat de verordening aandacht moet schenken aan de wijze
                    waarop de aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro bij
                    de opstelling van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting
                    bij het Bro noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld
                    om binnen een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota
                    van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader bepaalt het
                    achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en
                    andere belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de
                    Wro in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het
                    concept advies te reageren. Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen
                    voor het uitbrengen van het advies aan het college.Artikel 7. SlotbepalingenIn
                    de citeertitel kan een jaartal worden opgenomen om de betrokken verordening te
                    onderscheiden van eventuele gelijkluidende opvolgende verordeningen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>