<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50580_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Lansingerland 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Intranet/Heraut 7-10-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Lansingerland 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Brandweerwet 1985, art. 12</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-10-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-10-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-06-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aangepaste verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>T09.05110/Voorstelnr. 2009/89</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Lansingerland 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lansingerland,gezien het voorstel van burgemeester
                        en wethouders van 28 augustus 2007,gelet op artikel 12 van de Brandweerwet
                        1985 (Stb. 87),besluit:vast te stellen de volgende
                        verordening:Brandbeveiligingsverordening</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                            Woningwet en de bouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    of te houden, waarin:a. meer dan vijftig personen tegelijk
                                    aanwezig zullen zijn;b. bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2
                                    bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen;c. aan meer dan tien
                                    personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                                    nachtverblijf zal worden verschaft;d. aan personen in het kader
                                    van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal worden
                                    verschaft;e. aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar,
                                    of aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte
                                    personen dagverblijf zal worden verschaft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning
                                    voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden
                                    na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en
                                    gestelde voorschriften wijzigen of intrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2</nr><titel>Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag
                                vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de
                                beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig
                                gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende
                                brandveilig gebruik kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3</nr><titel>Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien:a.
                                blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                onvolledige gegevens hebben verleend;b. blijkt dat de houder van de
                                vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de
                                vergunning;c. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26
                                weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de
                                datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien
                                waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat
                                bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;d. van de vergunning
                                gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is
                                gemaakt;e. het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van
                                de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het
                                verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door het
                                stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te
                                beschermen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de
                                vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn, en
                                moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de
                                naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                                brandgevaar</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                                    begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Verbod stoffen aanwezig te hebben</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit
                                    brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van
                                    de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij
                                    een inrichting aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:a. het
                                    voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere
                                    niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid bedoelde
                                    stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de bouwverordening
                                    aangegeven maximum hoeveelheden niet overschrijdt;b. het
                                    voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in
                                    een inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel
                                    2.1.1 is verleend;c. de brandstof in een inrichting tot het
                                    bewaren, bezigen of afleveren van vloeibare brandstoffen, dat
                                    voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening
                                    opslag gas , huisbrand en stookolie;d. de brandstof in het
                                    reservoir bij een verbrandingsmotor;e. de brandstof in een
                                    verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmte-ontwikkelend
                                    toestel.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid
                                    volledig meegerekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Stoffen als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid
                                (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot
                                wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de
                                in bijlage 6 van de bouwverordening aangegeven wijze.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                                brand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                                bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                                onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                                worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen
                                of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de
                                zichtbaarheid wordt belemmerd van:a. middelen en voorzieningen tot
                                melding van alarmering bij en bestrijding van brand;b. middelen en
                                voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij
                                brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.4</nr><titel>Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-,
                                herstellings-, wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen
                                als bedoeld in de Regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992,
                                nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt.
                                1992, nr. 188), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het
                                gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten
                                voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van
                                brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.5</nr><titel>Verbod open vuur en roken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben:a. in een ruimte in
                                    gebruik als opslagplaats van één of meer van de stoffen genoemd
                                    in de regeling Bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr.
                                    104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt.
                                    1992, nr. 188), onder a tot met h;b. bij het verrichten van
                                    werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en
                                    (of) gassen kunnen veroorzaken;c. bij het vullen van een
                                    brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar
                                    gas.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.6</nr><titel>Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengels uit een vat te
                                    doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen
                                    opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                    luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.7</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                                onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.8</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een
                                    ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                                    verplicht -na een van burgemeester en wethouders ontvangen
                                    aangetekende brief- de voorschriften op te volgen, die
                                    burgemeester en wethouders in die brief geven tot het voorkomen
                                    van brand en het beperken van de gevolgen van brand</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan
                                    elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor
                                    meer dan de helft bestaat uit naaldhout.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                            derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in de
                                brandbeveiligingsverordening Berkel en Rodenrijs, de
                                brandbeveiligingsverordening Bergschenhoek of de
                                brandbeveiligingsverordening Bleiswijk, alsmede enig beroep,
                                ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag,
                                wordt afgedaan op grond van genoemde brandbeveiligingsverordeningen
                                en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in de
                                brandbeveiligingsverordening Berkel en Rodenrijs, de
                                brandbeveiligingsverordening Bergschenhoek of de
                                brandbeveiligingsverordening Bleiswijk geldt als gebruiksvergunning
                                als bedoeld in artikel 2.1.1, voor zover deze niet krachtens
                                overgangsrecht van de bouwverordening geldt als gebruiksvergunning
                                als bedoeld in artikel 6.1.1 van de bouwverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is afgekondigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen de
                                brandbeveiligingsverordening Berkel en Rodenrijs, de
                                brandbeveiligingsverordening Bergschenhoek en de
                                brandbeveiligingsverordening Bleiswijk en alle daarin aangebrachte
                                wijzigingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                brandbeveiligingsverordening Lansingerland 2007.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 oktober 2007.De
                        griffier, Lianne van Houten De voorzitter, Ewald van Vliet</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>