<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50554_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Heraut, 10-01-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, sub c juncto</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-02-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/25 (BV07.0025)</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gemeente LansingerlandDe raad van de gemeente Lansingerland;gelezen het
                        voorstel van de Stuurgroep Herindeling van 12 oktober 2006;gelet op artikel
                        8 lid 1 sub c juncto artikel 30 van de Wet werk en bijstand;besluit vast te
                        stellen de:Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:a. de wet: de Wet werk en
                                bijstand;b. gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21,
                                onderdeel c, van de wet;c. verzorgingsbehoevende: degene die is
                                aangewezen op verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg-
                                of verzorgingstehuis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                alleenstaande ouder in wiens woning één ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Aan de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of
                                meer anderen hun hoofdverblijf hebben, wordt geen toeslag toegekend
                                als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Aan de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning twee of
                                meer anderen hun hoofdverblijf hebben, en die aantoonbaar kostgeld
                                betaalt ter hoogte van tenminste 10 procent van de gehuwdennorm,
                                wordt een toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                toegekend van 10 procent van de gehuwdennorm.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:a. kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan
                                21 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in
                                artikel 20, onder a, van de wet vermeerderd met 10 procent van de
                                gehuwdennorm;b. meerderjarige kinderen met alleen studiefinanciering
                                op grond van de Wet studie-financiering 2000;c. meerderjarige
                                kinderen met alleen een tegemoetkoming op grond van de Wet
                                tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;d.
                                verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd
                                (mantelzorgontvanger);e. personen die de verzorgingsbehoevende
                                belanghebbende verzorgen (mantelzorgbieder).</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met
                                een ander.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met
                                twee of meer anderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het vijfde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 20 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                            belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 20 procent
                            van de gehuwdennorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt:a. 20
                                procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21 of
                                22 jaar betreft, die de woonkosten met een ander kan delen;b. 10
                                procent van de gehuwdennorm indien het een belanghebbende van 21
                                jaar betreft, die de woonkosten niet met een ander kan delen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging als genoemd in het eerste lid kan alleen toegepast
                                worden op een op grond van artikel 3 toegekende toeslag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De vorige leden zijn niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 6 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt:a. 35
                            procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;b. 55 procent van de
                            gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;c. 65 procent van de
                            gehuwdennorm voor gehuwden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van haar bekendmaking.Op dat moment vervallen de Toeslagenverordeningen
                            Wet werk en bijstand 2004 van de gemeenten Berkel en Rodenrijs van 27
                            mei 2004, Bergschenhoek van 1 juni 2004 en Bleiswijk van 3 juni
                            2004.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van Lansingerland op 2 januari 2007. De
                        griffier, C.J. van 't HartDe voorzitter, drs. H.B. Eenhoorn</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening Wet werk en
                        bijstand</titel></kop><al>InleidingDe werking van deze verordening is beperkt tot belanghebbenden van 21
                    jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de mogelijkheid biedt om de
                    verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar. In een
                    uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch
                    jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een belanghebbende van 18, 19 of 20
                    jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden, ligt het voor de hand dat het
                    college op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand aanpast. (Zie ook de
                    artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van de Toeslagenverordening.)In niet
                    geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college eveneens de bevoegdheid
                    c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van
                    individualisering afwijkend vast te stellen.In de WWB is -in tegenstelling tot
                    in de Abw- niet voorgeschreven, dat in gevallen waarin zowel de toeslag als de
                    norm verlaagd kunnen worden, de verlaging met voorrang op de toeslag dient
                    plaats te vinden. De reden van het vervallen van het voorschrift is gelegen in
                    de financieringsstructuur van de WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de
                    toeslag verlaagd wordt. Voor de toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit
                    echter wel uit. Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting
                    kan worden opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een
                    zwaarder gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op
                    de toeslag de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij
                    de combinatie verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere
                    verlaging is niet mogelijk in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot
                    verschillende uitkomsten.Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering
                    algemene bijstand voor personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend:1.
                    Basisnorm;2a. Optellen toeslag (alleenstaanden en alleenstaande ouders); of2b.
                    Korten met verlaging wegens het delen van een woning (alleen bij gehuwden);3.
                    Korten met verlaging wegens woonsituatie;4a. Korten met verlaging
                    schoolverlater; of4.b Korten met verlaging voor 21- en 22-jarige alleenstaanden
                    op de toeslag.De verlagingen onder stap 4a en 4b mogen nooit gelijktijdig worden
                    toegepast. De Toeslagenverordening geeft aan welke verlaging geldt.Leidt de
                    uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in artikel 8
                    van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand vaststellen op de
                    van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. De uitkomst van deze
                    berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde afstemming van de bijstand
                    bij wijze van individualisering onverlet.Artikel 1Er is voor gekozen om
                    begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet afzonderlijk te
                    definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van
                    betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet worden
                    gewijzigd.Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat de
                    hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in artikel 21 onder c WWB. Dit
                    bedrag is feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.Het verzorgen van een
                    zorgbehoevende wordt mantelzorg genoemd. Vaak is het de echtgenoot, een ouder of
                    een kind. In veel gevallen wordt echter ook intensief gezorgd voor een andere
                    bekende die gehandicapt, (hoog)bejaard of langdurig ziek is. Zodra de verzorger
                    bij de zieke inwoont, ontstaat een situatie die van invloed kan zijn op de
                    hoogte van de uitkering. In veel gemeenten is in de verordening opgenomen dat
                    mantelzorgbieders en -ontvangers niet of niet volledig worden gekort. Het
                    criterium daarbij is of de verzorging door de mantelzorgbieder ertoe leidt dat
                    de mantelzorgontvanger (nog) niet wordt opgenomen in een verpleeg- of
                    verzorgingstehuis.Artikel 2Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook
                    categoriale verlagingen mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar, moet dit niet opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn
                    laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden.
                    Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun
                    kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke
                    gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als hierdoor ook nog krachtens
                    de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de
                    toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken. Mocht
                    evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van artikel 20
                    WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om op grond van
                    artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de praktijk zal dit
                    zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm niet veelvuldig voordoen, maar
                    te denken valt aan de situatie waarin gehuwden met een kind in een kraakpand
                    wonen. De gehuwdennorm van artikel 21 onder c WWB minus de verlaging van 5 onder
                    a van de Toeslagenverordening leidt tot een lager bedrag aan bijstand dan de
                    norm van artikel 20 lid 2 onder c WWB. In dergelijke uitzonderlijke situaties
                    moet het college gebruik maken van zijn bevoegdheid tot individualiseren.De in
                    het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo nodig in afwijking
                    van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand- de
                    bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden, mogelijk en
                    middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30 lid 4 WWB. De
                    individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                    deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen.Artikel 3De hoogte
                    van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a
                    WWB.Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                    dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld
                    huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk
                    gedeeld worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende zelf.Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding
                    moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden.
                    Een toeslag blijft op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen
                    voor een toeslag van tien procent van de gehuwdennorm in het geval één ander in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Als nog een ander zijn hoofdverblijf
                    in de woning heeft kunnen de kosten nog meer gedeeld worden. In de
                    Toeslagenverordening is daarom gekozen om, ingeval twee of meer anderen in
                    dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, geen toeslag meer toe te kennen.In die
                    gevallen dat de cliënt echter kan aantonen maandelijks tenminste tien procent
                    van de gehuwdennorm te betalen aan kostgeld, blijft de toeslag tien procent van
                    de norm, ookal zijn er meerdere inwonenden. Van aantoonbare kosten kan worden
                    gesproken bij een door de cliënt én de hoofdbewoner getekende schriftelijke
                    verklaring van de kostregeling, alsmede het kunnen produceren van afschriften
                    van de maandelijkse kostgeldbetaling.In het vierde lid wordt geregeld dat
                    kinderen die niet (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in
                    omstandigheden verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen
                    bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als personen die in de
                    woning hun hoofdverblijf hebben. Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF
                    2000 en Wtos aan thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt
                    verstrekt.Aangezien betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is
                    het aan de alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan
                    worden vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn.In onderdeel d
                    van het derde lid wordt geregeld dat belanghebbenden die mantelzorgontvanger dan
                    wel -bieder zijn geen lagere toeslag ontvangen wegens de inwoning.Artikel 4In de
                    gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de
                    kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning
                    nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten
                    ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.Gekozen is voor een verlaging van
                    10 procent van de gehuwdennorm, indien een ander zijn hoofdverblijf heeft in de
                    woning.In het tweede lid is opgenomen dat bij twee of meer inwonende de
                    uitkering wordt verlaagd met 20 procent van de norm, analoog aan de verlaagde
                    toeslag bij alleenstaanden en alleenstaande ouders bij meerdere inwonenden. Dit
                    is eveneens in overeenstemming met de idee dat inwonenden kostgeld betalen voor
                    hun inwoning. Meerdere inwonenden leiden dan tot het ontvangen van meer kostgeld
                    door de belanghebbende.In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet
                    (meer) in de norm begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren
                    waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het
                    huishouden, niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf
                    hebben. Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan
                    thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt verstrekt. Aangezien de in
                    het tweede lid bedoelde kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan
                    de ouders om zodanige inlichtingen te verstrekken, dat kan worden vastgesteld of
                    de onderdelen a, b of c van toepassing zijn. Mantelzorgontvangers en -bieders
                    worden eveneens niet geconfronteerd met een verlaging van de norm als
                    verzorgende personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. Uitgangspunt
                    daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbenden vanwege verzorgingstaken
                    te confronteren met een verlaging van de norm.Artikel 5Artikel 27 WWB geeft het
                    college de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in zoverre
                    belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten
                    gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op de
                    artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB
                    ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de
                    door belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de
                    toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen
                    woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen toepassen.In dit artikel
                    is een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning voor
                    belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos ingewikkeld
                    geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten
                    ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan
                    dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de
                    bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens niet het
                    begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of
                    hypotheeklasten'.Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water,
                    gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging
                    van krachtens dit artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling
                    die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip
                    woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                    en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)Artikel 6De
                    schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de toelichting op dat
                    artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar niet in een
                    veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog aangewezen was op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wtos. Er wordt daarbij
                    geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of thuiswonende student. Met
                    deze omstandigheden wordt immers reeds rekening gehouden in artikel 4 en 5 van
                    de Toeslagenverordening.Artikel 7Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid
                    om een verlaging toe te passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte
                    van het minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                    Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een
                    22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe
                    te passen dan voor een 22-jarige. De toeslag wordt geheel verlaagd als de
                    belanghebbende de kosten van het bestaan kan delen met een ander.In het tweede
                    lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 WWB- de
                    verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan plaatsvinden op de toeslag van
                    artikel 25 WWB.In het derde lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van
                    artikel 30 lid 2 onder b WWB om in de verordening vast te stellen dat de
                    schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast met de verlaging
                    voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 6 van de Toeslagenverordening.Artikel 8De verschillende
                    verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden bij
                    belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk in betreffende
                    omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou dat echter kunnen
                    betekenen, dat -met name in situaties waarin de schoolverlatersverlaging in
                    combinatie met een van de andere verlagingsgronden aan de orde is- het college
                    de bijstand vanwege deze samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat er
                    feitelijk geen sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. In
                    voorkomende gevallen zou het college op grond van artikel 18 lid 1 WWB de
                    bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de
                    Toeslagenverordening een minimum bedrag vast te leggen, waarop het college de
                    bijstand (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet
                    vaststellen.Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onder b WW, dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd, dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel 7 van de
                    Toeslagenverordening.Artikel 9Evenals de uitvoering van de WWB ligt de
                    uitvoering van de Toeslagenverordening bij het college.Artikel 10Voor de te
                    gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van de
                    wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB (zie TK
                    2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8).Artikel 11Deze verordening treedt in werking met
                    ingang van de achtste dag na die van haar bekendmaking op de wijze als bedoelt
                    in artikel 139 van de Gemeentewet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>