<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50550_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lansingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De heraut: 10-01-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet kinderopvang Lansingerland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-04-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/27</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Kinderopvang</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente LansingerlandGelezen het voorstel van de Stuurgroep
                        Herindeling van 12 oktober 2006;Gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang
                        en artikel 149 van de Gemeentewet;overwegende dat, het noodzakelijk is de
                        verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming
                        van de gemeente in de kosten van kinderopvang bij verordening te
                        regelen;Besluit vast te stellen de volgende verordening;Verordening Wet
                        kinderopvang Lansingerland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:1. a. wet: de Wet
                            kinderopvang;b. college: het college van burgemeester en wethouders van
                            Lansingerlandc. kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie: de
                            kinderopvang tenbehoeve van de doelgroep als bedoeld in artikel 6,
                            eerste lid, onderdelen k en l;2. De begripsbepalingen van de wet en de
                            Algemene wet bestuursrecht zijn op deze verordening van toepassing,
                            tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte van de verordening</titel></kop><al>Deze verordening heeft betrekking op de aanspraak op een tegemoetkoming
                            in de kosten van kinderopvang ten behoeve van de in artikel 22 van de
                            wet genoemde doelgroepen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De toekenningsprocedure</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>De aanvraag voor een tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat:a. naam, adres en sofi-nummer van de ouder;b.
                                    als de ouder een partner heeft: de naam en het sofi-nummer van
                                    de partner en, als dit afwijkt van het adres van de ouder, het
                                    adres van de partner;c. naam, geboortedatum en sofi-nummer van
                                    het kind of de kinderen waarop de aanvraag betrekking heeft;d.
                                    een offerte of contract van het kindercentrum of het
                                    gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen. De offerte
                                    bevat in ieder geval gegevens over: het aantal uren kinderopvang
                                    per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de
                                    opvang;e. gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit
                                    blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld in
                                    artikel 22 van de wet;f. een opgave van het bank-
                                    girorekeningnummer van de ouder;g. indien van toepassing een
                                    machtiging als bedoeld in artikel 8 lid 3 en 4 voor
                                    rechtstreekse betaling aan het kindercentrum of het
                                    gastouderbureau en het bijbehorende bank- girorekeningnummer;h.
                                    overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                    besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming;i. de
                                    handtekening van de ouder en, als de ouder een partner heeft,
                                    van de partner.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van
                                    een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan bepalen dat bij een aanvraag volgend op een
                                    eerder vastgesteld recht op een tegemoetkoming dat doorloopt tot
                                    en met 31 december van het lopende kalenderjaar, wordt afgeweken
                                    van het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het geval van een aanvraag voor kinderopvang op grond van
                                    sociaal-medische indicatie kan het college dit besluit met ten
                                    hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de ouder hiervan
                                    schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>De verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de dag waarop de
                                    aanvrager zich heeft gemeld om een tegemoetkoming aan te
                                    vragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvrager heeft zich gemeld als zijn naam, adres en
                                    woonplaats zijn geregistreerd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk
                                    indient nadat hij zich heeft gemeld en dit valt hem te
                                    verwijten, kan het college, in afwijking van het eerste en
                                    tweede lid besluiten dat de tegemoetkoming wordt toegekend vanaf
                                    de dag dat de aanvraag is ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van maximaal
                                    een kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voordat de toekenningsperiode afloopt, moet de ouder die ook
                                    daarna nog aanspraak wil maken op een tegemoetkoming, een
                                    aanvraag indienen voor verlenging. Artikel 3 en 4 zijn
                                    overeenkomstig van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de
                                    tegemoetkoming voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>Het college verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar haar oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor:1. het combineren van activiteiten in het kader van een
                                reïntegratieplan enerzijds en de zorg voor kinderen anderzijds;2.
                                kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De verleningsbeschikking</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                                kinderopvang bevat in ieder geval:a. de vaststelling van de
                                gemeentelijke doelgroep als bedoeld in artikel 22 van de wet,
                                waartoe de ouder behoort;b. de naam en de geboortedatum van het kind
                                of de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;c. de naam
                                en het adres van het kindercentrum of het gastouderbureau dat de
                                kinderopvang verzorgt;d. de periode en de omvang van de kinderopvang
                                waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend;e. de wijze waarop het
                                bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op
                                basis hiervan wordt verleend;f. de wijze waarop de tegemoetkoming
                                wordt uitbetaald;g. de wijze waarop de tegemoetkoming na afloop van
                                de toekenningsperiode wordt vastgesteld;h. de verplichtingen van de
                                ouder.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>De uitbetaling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Betaling op declaratiebasis</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitbetaling van de verleende tegemoetkoming geschiedt per
                                    maand, op declaratiebasis.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de declaratie overlegt de ouder aan het college de factuur
                                    van het kindercentrum of het gastouderbureau.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De maandbedragen worden binnen twee weken na ontvangst van de
                                    declaratie overgemaakt op het bank- girorekeningnummer van de
                                    ouder.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan als zij dat noodzakelijk vindt, in afwijking van
                                    lid 1 en 2 de ouder vragen om een machtiging te geven.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Als de ouder een machtiging aan het college heeft afgegeven,
                                    worden de maandbedragen na ontvangst van de factuur rechtstreeks
                                    overgemaakt aan het kindercentrum of het gastouderbureau.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>De vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend
                                    stelt het college de tegemoetkoming vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ouder verstrekt daartoe desgevraagd en binnen de gestelde
                                    periode een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang
                                    over deze periode.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Wordt de tegemoetkoming lager vastgesteld dan reeds aan declaraties
                                is betaald, dan vindt terugvordering plaats.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ouder of de partner doet het college onmiddellijk, na het
                                    bekend worden daarvan, uit eigen beweging schriftelijk
                                    mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot
                                    een verlaging van de tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De ouder of de partner verstrekt op verzoek aan het college,
                                    binnen een door het college gestelde redelijke termijn, alle
                                    gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak op en de hoogte
                                    van de tegemoetkoming van de gemeente van belang kunnen
                                    zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bestuurlijke boete</titel></kop><al>Het college maakt gebruik van de bevoegdheid als genoemd in artikel
                                72 van de wet.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vaststelling sociaal-medische indicatie</titel></kop><al>De aanvraag voor een tegemoetkoming voor kinderopvang op grond van
                            sociaal-medische indicatie omvat tevens een aanvraag voor vaststelling
                            van deze sociaal-medische indicatie, voor zover deze indicatie niet
                            reeds op basis van een aparte aanvraag voor de gevraagde periode van
                            kinderopvang is vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen of een tegemoetkoming op deze
                            grond toe te kennen, als de ouder reeds een tegemoetkoming in de kosten
                            van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De beschikking sociaal-medische indicatie</titel></kop><al>In het besluit op de aanvraag tot vaststelling van een sociaal-medische
                            indicatie, komen in ieder geval de volgende aspecten naar voren:a. de
                            aanwezigheid van een sociaal-medische indicatie;b. de geldigheidsduur
                            van de indicatie;c. de omvang van de kinderopvang die noodzakelijk wordt
                            geacht.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na
                                die van haar bekendmaking als bedoelt in artikel 139 Gemeentewet.Op
                                dat moment vervallen de Verordeningen Wet Kinderopvang van de
                                gemeenten Berkel en Rodenrijs van 21 september 2004, Bergschenhoek
                                van 12 oktober 2004 en Bleiswijk van 7 oktober 2004.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, treden artikel 1, eerste lid, onder
                                c en hoofdstuk 3 pas in werking op het moment dat artikel 6, eerste
                                lid, onder k en l, en artikel 23 van de wet in werking treden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet kinderopvang
                            Lansingerland.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in zijn
                        openbare vergadering van 2 januari 2007.De griffier, C.J. van 't Hart De
                        voorzitter, drs. H.B. Eenhoorn</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Toelichting</titel></kop><al>Algemene toelichtingINLEIDINGOp 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang in werking
                    getreden. De Wet kinderopvang beoogt het ouders of verzorgers gemakkelijker te
                    maken werk en zorg te combineren. Niet alleen werkenden kunnen een beroep doen
                    op de Wet kinderopvang. Een aantal in de wet benoemde doelgroepen kan een beroep
                    doen op de gemeente voor het betalen van een deel van de kosten die zij maken
                    voor kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten
                    voor kinderopvang wordt aangeduid met de term 'tegemoetkoming kosten
                    kinderopvang (gemeente)'.Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad
                    bij verordening regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze
                    regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de
                    vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering aan deze
                    wettelijke opdracht.De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op financiële
                    middelen door een bestuurs-orgaan verstrekt met het oog op een bepaalde
                    activiteit van de aanvrager. Titel 4.2 van de Awb die regels stelt over
                    subsidies is van toepassing op de tegemoetkomingen. Dit betekent dat op de
                    verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten van kinderopvang door gemeenten
                    drie regelingen van toepassing zijn:1. de gemeentelijke verordening Wet
                    kinderopvang;2. de Wet kinderopvang;3. de subsidieregels in titel 4.2 van de
                    Awb.Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingenArtikel 1
                    BegripsbepalingenDe begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang
                    zijn ook van toepassing op deze verordening. Hetzelfde geldt voor de
                    begripsbepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht 9 (Awb). Alleen de in deze
                    wetten niet gedefinieerde begrippen zijn aangevuld.Artikel 1, eerste lid, onder
                    c, verwijst naar de kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie. In
                    artikel 23 van de wet en in hoofdstuk 3 van deze verordening zijn hiervoor
                    aanvullende bepalingen opgenomen.Artikel 2 Reikwijdte van de verordeningDoordat
                    de reikwijdte van de verordening is beperkt tot de wettelijke doelgroepen als
                    bedoeld in artikel 22 van de wet, kunnen aanvragen voor kinderopvang van ouders
                    of ten behoeve van kinderen die niet onder deze doelgroepen vallen worden
                    afgewezen. Dit sluit niet de mogelijkheid uit om de kosten van kinderopvang te
                    vergoeden via de Wet werk en bijstand als daartoe een noodzaak bestaat.Hoofdstuk
                    2 De toekenningsprocedureParagraaf 1 De aanvraag voor een tegemoetkomingArtikel
                    3 Te verstrekken gegevens bij de aanvraagOp grond van artikel 22, derde lid en
                    artikel 26 van de wet, moet de ouder de aanvraag voor een tegemoetkoming
                    indienen bij de gemeente waar de ouder woont.Een verhoging van de tegemoetkoming
                    in verband met een verhoging van het aantal uren of dagdelen kinderopvang zal
                    ook moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in verband
                    met een vermindering van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te worden
                    aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk schriftelijk mededeling doen
                    aan het college (artikel 28, derde lid, van de wet en artikel 10, eerste
                    lid).Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte of
                    contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                    verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden ingediend als de ouder over een
                    offerte of contract beschikt. Op basis van de offerte of het contract kan de
                    gemeente de hoogte van de tegemoetkoming vaststellen.De wet schrijft voor dat
                    het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen, moet
                    ingeschreven staan in een gemeentelijk register (artikel 5, eerste lid, van de
                    wet).Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens of een
                    verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de ouder behoort tot
                    een wettelijke doelgroep. In een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een
                    verwijzing naar die gegevens omdat de gemeente al over de gegevens beschikt:- de
                    ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand
                    (WWB), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    werkloze werknemers (IOAW) of gewezen zelfstandigen (IOAZ) of de Algemene
                    nabestaandenwet (Anw) én maakt gebruik van een voorziening gericht op
                    arbeidsinschakeling;- de ouder of partner ontvangt een uitkering voor
                    kunstenaars (WIK of WWIK);- de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er),
                    is als werkzoekende geregistreerd bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) én
                    maakt gebruik van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling;- de ouder is
                    een nieuwkomer die een inburgeringsprogramma volgt;- het college heeft
                    sociaal-medische indicatie vastgesteld.In andere gevallen zal de ouder de
                    volgende gegevens aan de gemeente moeten verstrekken:<cursief>Deze informatie
                        kunt u opvragen bij de gemeente, afdeling Economische Zaken &amp; Welzijn.
                        Zij zijn bereikbaar via telefoonnummer (010) 800 40 00.</cursief>In
                    onderdeel e van het eerste lid is bepaald dat de aanvraag moet worden
                    ondertekend. Als de ouder een partner heeft, geldt dit ook voor de partner.In
                    het tweede lid is bepaald dat voor de aanvraag een aanvraagformulier verplicht
                    kan worden gesteld.Het derde lid maakt het mogelijk dat het college bij een
                    vervolgaanvraag af kan wijken van het eerste en tweede lid. Hiermee is het
                    mogelijk om bij een vervolgaanvraag zoveel mogelijk gebruik te maken van reeds
                    bekende gegevens.Artikel 4 BeslistermijnDe beslistermijn in lid 1 is conform de
                    gebruikelijke termijn van de Awb.Bij het bepalen van de beslistermijn voor een
                    aanvraag voor kinderopvang op grond van sociaal medische indicatie is rekening
                    gehouden met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een
                    onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid (artikel 23,
                    derde lid, Wet kinderopvang).Paragraaf 2 De verlening van de
                    tegemoetkomingArtikel 5 De ingangsdatum van de tegemoetkomingDe tegemoetkoming
                    wordt verleend met ingang van de dag waarop de aanvrager zich heeft gemeld.In de
                    situatie van het eerste lid heeft de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag
                    indient al kinderopvang.Bij het tweede lid gaat de toekenning in vanaf het
                    moment dat er kinderopvang wordt verleend.Het spreekt voor zich dat de
                    tegemoetkoming wordt verleend voor zover de ouder of het kind behoort tot een
                    doelgroep van artikel 22 van de wet (zie ook artikel 2 van de verordening).
                    Bijvoorbeeld: de ouder ontvangt een WWB-uitkering en heeft zijn kind in de
                    kinderopvang in verband met het uitoefenen van zijn hobby. De ouder dient een
                    aanvraag in omdat hij met ingang van de komende maand een traject gaat volgen.
                    Hij behoort dan pas vanaf de komende maand tot de doelgroep van artikel 22,
                    zodat de tegemoetkoming niet eerder dan op dat moment kan ingaan.De ingangsdatum
                    van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment waarop het recht op een
                    tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van de tegemoetkoming vindt pas plaats
                    vanaf het moment dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is genomen.
                    De betaling vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de
                    melding in ontvangst is genomen.De ingangsdatum van verstrekking van de
                    tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het
                    aantal uren kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het
                    moment dat de melding daarvoor door het college in ontvangst is genomen.Artikel
                    6 De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleendDe tegemoetkoming wordt in
                    principe voor een heel kalenderjaar verleend. Voor aanvragen die in de loop van
                    een jaar worden toegekend, geldt dat de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31
                    december van het betreffende jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar vóór 1
                    januari opnieuw een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten
                    indienen. Het is in het belang van de ouder dat hij dit tijdig doet, zodat er
                    geen betalingsproblemen ontstaan bij aanvang van het nieuwe
                    tegemoetkomingsjaar.Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode
                    vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde
                    periode recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een
                    reïntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door de periode van
                    verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de duur van het
                    reïnte-gratietraject, hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking
                    van de tegemoetkoming stop te zetten.Artikel 7 De omvang van de kinderopvangDe
                    Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                    tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet de omvang
                    van die aanspraak.Uit oogpunt van kostenbeheersing is in dit artikel opgenomen
                    dat het college de bevoegdheid heeft per geval te beoordelen hoeveel
                    kinderopvang de ouder redelijkerwijs nodig heeft om activiteiten in het kader
                    van een reïntegratietraject te combineren met de zorg voor kinderen. Ook
                    beoordeeld het college de omvang van de kinderopvang op grond van
                    sociaal-medische indicatie.Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die
                    redelijkerwijs nodig is om deze taken te combineren, zal ook rekening worden
                    gehouden met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de
                    ouder(s) of een beperknig die de huiselijke situatie meebrengt voor de goede en
                    gezonde ontwikkeling van het kind.Artikel 8 De verleningsbeschikkingOnderdeel e
                    bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag van de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld.Ook de wijze waarop de tegemoetkoming tot
                    uitbetaling komt wordt opgenomen in de beschikking.Onderdeel g bepaalt dat in de
                    verleningsbeschikking wordt vermeld hoe de vaststelling van de tegemoetkoming
                    uiteindelijk wordt geregeld. Dit is afhankelijk van het feit of de ouder al dan
                    niet een machtiging voor rechtstreekse betaling heeft afgegeven. Zie ook de
                    hierna volgende artikelen 9 en 10.Onderdeel h schrijft voor dat in de
                    beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan de
                    volgende verplichtingen worden gedacht:- de verplichting om declaraties te
                    overleggen;- de informatieplicht, zoals opgenomen in artikel 28 van de wet en
                    artikel 11 van deze verordening;- de verplichting om de tegemoetkoming te
                    besteden voor het doel waarvoor het is bestemd.Paragraaf 3 De uitbetaling van de
                    tegemoetkomingArtikel 9 Betaling op declaratiebasisDe bevoorschotting vindt op
                    declaratiebasis plaats. Dat wil zeggen dat de ouder iedere maand de factuur van
                    het kindercentrum of het gastouderbureau moet overleggen. De tegemoetkoming
                    wordt na het overleggen van de factuur overgemaakt op de bankrekening van de
                    ouder.Het college kan de ouder ook vragen om een machtiging af te geven. In dat
                    geval wordt de tegemoetkoming ieder maand overgemaakt aan het kindercentrum of
                    gastouderbureau.Paragraaf 4 De vaststelling van de tegemoetkomingArtikel 10
                    Besluit tot vaststelling van de tegemoetkomingOp grond van artikel 4:47,
                    onderdeel a, Awb kan het college een subsidie (dus ook een tegemoetkoming)
                    ambtshalve vaststellen. Ambtshalve vaststellen houdt in dat het college op eigen
                    initiatief de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                    vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen.De ouders zijn
                    wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de
                    tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke
                    kosten van kinderopvang over deze periode te verstrekken.Het college stelt
                    vervolgens de tegemoetkoming vast. Daaraan voorafgaand kan de gemeente een
                    onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door gegevens van de
                    ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de houders van een
                    kindercentrum of gastouderbureau op te vragen.In het besluit tot het vaststellen
                    van de tegemoetkoming wordt bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die
                    de tegemoetkoming heeft aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze die is
                    opgenomen in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt als het
                    uitgangspunt voor het vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent dat de
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het aantal uren kinderopvang dat
                    in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het
                    maximum aantal uren. In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming
                    kan wel worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger
                    aantal.Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                    tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan ook
                    betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze bevoegdheid op grond van
                    artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het tweede lid kan de
                    subsidie lager worden vastgesteld indien:a. de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;b. de subsidieontvanger niet
                    heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;c. de
                    subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de
                    aanvraag tot subsidie-verlening zou hebben geleid; ofd. de subsidieverlening
                    anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.Het
                    derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: 'Voor zover het bedrag van de subsidie
                    afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                    beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking
                    genomen'.Artikel 11 TerugvorderingIndien de beschikking tot het verlenen of het
                    vaststellen van de tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is
                    gewijzigd, kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder
                    terugvorderen.In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk
                    en bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige
                    toepassing verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit betekent
                    bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden verrekend met de
                    tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het besluit tot
                    terugvordering moet de wijze waarop zal worden teruggevorderd worden vermeld
                    (artikel 60, eerste lid WWB).Paragraaf 5 Verplichtingen van de ouderArtikel 12
                    InlichtingenplichtVan wijzigingen die kunnen leiden tot verlaging of beëindiging
                    van de tegemoetkoming, moet de ouder onmiddellijk uit eigen beweging melding
                    maken.Hierbij kan het gaan om bijvoorbeeld de voortijdige beëindiging van een
                    traject, vermindering van het aantal uren kinderopvang of werkaanvaarding.Voor
                    het overige is de ouder verplicht de gegevens te verstrekken waar het college in
                    verband met de uitvoering van de wet om vraagt.De verplichtingen gelden, behalve
                    voor de ouder, ook voor de eventuele partner van de ouder.Aan de ouder die zijn
                    inlichtingenplicht ex artikel 28, eerste tot en met derde lid, van de wet niet
                    nakomt, kan het college een bestuurlijke boete opleggen op grond van artikel 72,
                    eerste lid, onder c, van de wet.Artikel 13 Bestuurlijke boeteHet college maakt
                    gebruik van de bevoegdheid als genoemd in artikel 72 van de wet.Hoofdstuk 3
                    Kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatieArtikel 14 Vaststelling
                    sociaal-medische indicatieArtikel 23 van de wet schrijft voor dat de ouder bij
                    een aanvraag voor een tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische
                    indicatie, tevens een aanvraag indient om deze indicatie bij de ouder, diens
                    partner of het kind vast te stellen.Hiertoe moet het college advies inwinnen bij
                    een onafhankelijke organisatie.Dit artikel bepaalt, dat een aanvraag voor een
                    tegemoetkoming op grond van een sociaal-medische indicatie tevens een aanvraag
                    voor vaststelling van deze indicatie impliceert.De ouder hoeft de vaststelling
                    van deze indicatie dus niet apart aan te vragen. De ouder kàn deze
                    indicatiestelling overigens wel van tevoren aanvragen, als hij dat zelf
                    wenselijker acht.Artikel 15 WeigeringsgrondDe gemeentelijke tegemoetkoming op
                    grond van een sociaal-medische indicatie is een vangnetvoorziening. Alleen
                    ouders die niet op grond van een andere bepaling in de wet aanspraak kunnen
                    maken op een tegemoetkoming, kunnen aanspraak maken wegens een sociaal-medische
                    noodzaak.Artikel 16 De beschikking sociaal-medische indicatieAls de aanvraag
                    voor de vaststelling van de sociaal-medische indicatie en de aanvraag voor een
                    tegemoetkoming voor kinderopvang conform artikel 14 zijn gecombineerd, bevat de
                    verleningsbeschikking tevens de in dit artikel genoemde aspecten over de
                    indicatiestelling. Als voor de vaststelling van de sociaal-medische indicatie
                    een aparte aanvraag is ingediend, wordt in het besluit op deze aanvraag aandacht
                    besteed aan deze aspecten.Hoofdstuk 4 SlotbepalingenArtikel 17
                    InwerkingtredingArtikel 6, eerste lid, onder k en l, en artikel 23 van de wet
                    handelen over kinderopvang op grond van soicaal-medische indicatie. Deze
                    artikelen zijn nog niet in werking getreden. Om die reden is in het tweede lid
                    bepaald dat de onderdelen in deze verordening die betrekking hebben op
                    kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie pas in werking treden op
                    het tijdstip dat de betreffende artikelen uit de wet van kracht zijn.Artikel
                    18Deze bepaling spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>