<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50538_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Druten 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Druten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Druten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Waalkanter</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Druten 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-02-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Druten 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:a.
                            Weg:1.de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                            Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig
                            aangeduide parkeerterreinen;2.de - al dan niet met enige beperking -
                            voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                            plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten
                            en aanlegplaatsen voor vaartuigen;3.de voor het publiek toegankelijke
                            stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die
                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en
                            niet afsluitbaar zijn;4.andere voor het publiek toegankelijke, al dan
                            niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                            galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of
                            vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                            afgesloten.b. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige
                            beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk
                            zijn.c. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen, vastgesteld
                            overeenkomstig het bepaalde in de Wegenverkeerswet 1994.d.
                            Rechthebbende: eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft
                            krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.e.Voertuigen: alle
                            voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van het
                            Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:
                            1.treinen en trams; 2.kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                            voertuigen. f.Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan
                            drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.
                            g.Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd
                            of tot woning bestemd. h.Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van
                            hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                            hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of
                            indirect steun vindt in of op de grond. i.Gebouw: elk bouwwerk dat een
                            voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
                            omsloten ruimte vormt. j.Vee: dieren die behoren tot de diersoorten
                            genoemd in bijlage A van de Meststoffenwet. k.Handelsreclame: iedere
                            openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd
                            wordt een commercieel belang te dienen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de
                                aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen
                                of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
                            a.indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                            zijn verstrekt; b.indien op grond van een verandering van de
                            omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning
                            of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt
                            gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                            vergunning of ontheffing is vereist; c.indien de aan de vergunning of
                            ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                            nagekomen; d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                            gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                            dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e.indien de houder dit
                            verzoekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Voor zover sprake is in deze verordening van termijnen in uren, bepaald
                            door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op
                            een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                            erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op
                            de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende
                            feestdag is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te
                                        ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding
                                        gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is
                                        bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend
                                        bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of
                                        zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen,
                                        wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag
                                        in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming
                                        van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Optochten en betogingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Optochten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel
                                        2.1.2.2, op de weg te doen plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:a.de
                                        openbare orde b.het voorkomen of beperken van overlast c.de
                                        verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen
                                        d.de zedelijkheid of gezondheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                        aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat de betoging
                                        zal worden gehouden, schriftelijk kennis geven aan de
                                        burgemeester, met inachtneming van wat in artikel 2.1.2.4,
                                        eerste lid, hierover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De kennisgeving bevat: a.naam en adres van degene die de
                                        betoging houdt; b.het doel van de betoging; c.de datum
                                        waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                        aanvang en van beëindiging; d.de plaats en, voor zover van
                                        toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e.Voor
                                        zover van toepassing, de wijze van samenstelling;
                                        f.maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                        om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of
                                        het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester op of
                                        aan de weg: a.een vertoning voor publiek te geven, niet
                                        zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.2.2; b.voor
                                        publiek muziek ten gehore te brengen; c.een feest of een
                                        wedstrijd te geven of te houden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Artikel 2.1.2.1, tweede lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder c, bepaalde geldt niet voor
                                        zover artikel 10 juncto artikel 148 Wegenverkeerswet 1994 of
                                        artikel 5.4.1 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        de weg op te treden als dienstverlener of zijn diensten als
                                        zodanig aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Artikel 2.1.2.1, tweede lid, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te
                                        treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of
                                        een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                        bestemming daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:
                                        a.vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar
                                        of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet
                                        voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
                                        b.zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor
                                        voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen
                                        onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte
                                        bevindt; en - geen onderdeel van het scherm, in welke stand
                                        dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het
                                        rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; - geen
                                        onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel
                                        reikt;c.de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                        kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden
                                        of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht
                                        of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het
                                        beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de
                                        voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg
                                        daarvan gereinigd is; d.voertuigen; e.voorwerpen of stoffen
                                        waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
                                        f.standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of
                                        stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                        plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun
                                        omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging
                                        schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de
                                        bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig
                                        gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder
                                        weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd:a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan
                                        de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of
                                        voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                        belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van de weg; b.indien het beoogde gebruik hetzij op
                                        zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                        redelijke eisen van welstand; c.in het belang van de
                                        voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de
                                        in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op
                                        de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet,
                                        de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994 of de Gelderse wegenverordening van
                                        toepassing zijn of voor zover er sprake is van een evenement
                                        als bedoeld in artikel 2.2.1, of terras als bedoeld in
                                        artikel 2.3.1.2, vijfde lid, waarvoor vergunning is
                                        verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een weg
                                        aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                        weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare
                                        ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij
                                        het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, de Gelderse
                                        Wegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop
                                        gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Druten van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college: a.een
                                        uitweg te maken naar de weg; b.van de weg gebruik te maken
                                        voor het hebben van een uitweg; c.verandering te brengen in
                                        een bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                        geweigerd in het belang van: a.de bruikbaarheid van de weg;
                                        b.het veilig en doelmatig gebruik van de weg;c.de
                                        bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de
                                        bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet
                                        beheer Rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de Gelderse
                                        wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                        te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel
                                        427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing
                                        is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1a</nr><titel>Bestrijden van gladheid (ruimplicht)</titel></kop><al>Bij sneeuwval of gladheid is de hoofdbewoner of hoofdgebruiker
                                    of bij het ontbreken van deze, de rechthebbende op het gebouw,
                                    de tuin of het erf verplicht:a. de sneeuw en/of het ijs weg te
                                    ruimen van het voetpad gelegen voor of langs het gebouw, de tuin
                                    of het erf;b. er voor te zorgen, dat de sneeuw of het ijs bij
                                    het wegruimen wordt gebracht naar de uiterste rand van het
                                    voetpad, zodanig dat voor het voetgangersverkeer en bij
                                    bushalten voldoende ruimte open blijft; daarbij dienen tevens
                                    voldoende openingen aanwezig te zijn voor het afvloeien van het
                                    dooiwater;c. brand- en rioolputten ten alle tijde vrij te
                                    houden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                        beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                        winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de
                                        naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in
                                        de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de
                                        weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of
                                        te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Hinderlijke beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                    hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije
                                    uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of
                                    gevaar oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                        gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                        voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel
                                        427, aanhef en onder 1 of 3 , van het Wetboek van Strafrecht
                                        van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen niet
                                        opgenomen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, of binnen een afstand
                                        van dertig meter daarvan gedurende een door het college
                                        aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden in bossen, of binnen een afstand van honderd
                                        meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft,
                                        brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te
                                        werpen of te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                        erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                        (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                        meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de
                                        uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan
                                        wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                        verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel
                                        5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een
                                    voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                        voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                        openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als
                                        bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan
                                        tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord
                                        of voorziening als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te
                                        hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                        bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                        objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden: a.voor het publiek toegankelijke ijsvlakten
                                        te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                        verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in
                                        gevaar te brengen; b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve
                                        van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                        ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of
                                        op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of
                                        te belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                        Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        Vaarwegenverordening Gelderland van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van: a.bioscoopvoorstellingen;b.markten als bedoeld in artikel
                                    160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4
                                    van deze verordening; c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de
                                    kansspelen; d.het in een inrichting in de zin van de Drank en
                                    Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e.betogingen,
                                    samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties;f.activiteiten als bedoeld in artikel 2.1.2.1,
                                    2.1.4.1, 2.1.4.2, 2.1.4.3 en 2.3.3.1 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan: een
                                    herdenkingsplechtigheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.de
                                    openbare orde; b.het voorkomen of beperken van overlast; c.de
                                    verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
                                    d.de zedelijkheid of gezondheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                        voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                        logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                        rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                        aanhorigheden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                        besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                        horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                        en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                        spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                        verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
                                        artikel 2.3.1.2 of 2.3.1.3.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: a.de
                                        gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed
                                        en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn
                                        tot en met de derde graad; b.de personen die voorkomen in
                                        het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
                                        Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde
                                        lid, van het Wetboek van Strafrecht; c.de personen wier
                                        aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen
                                        noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                        vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het
                                        eerste lid indien de vestiging of de exploitatie van het
                                        horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                        bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste
                                        lid geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel
                                        moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de
                                        omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de
                                        aanwezigheid van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                        weigeringgrond houdt de burgemeester rekening met het
                                        karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf
                                        is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het
                                        horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter
                                        plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                        exploitatie van het horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                        burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                        betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf
                                        behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden
                                        over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                        burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming
                                        van die weg ten behoeve van een of meer bij een
                                        horecabedrijf horende terrassen weigeren: a.indien het
                                        beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                        oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan; b.indien dat gebruik
                                        een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en
                                        onderhoud van de weg.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor
                                        zover de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Gelderse
                                        Wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Opheffing vergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel
                                        2.3.1.2 niet geldt voor een of meer in dat besluit
                                        aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan
                                        wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de
                                        gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als
                                        bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig
                                        geschieden dat daardoor de woon en leefsituatie in de
                                        omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op
                                        ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor
                                        bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten
                                        of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen
                                        01.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen
                                        02.00 uur en 05.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een
                                        vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
                                        voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor
                                        zover op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                        toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.4 geldende sluitingstijden vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel
                                        13b van de Opiumwet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een
                                    op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet,
                                    treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd
                                    bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met
                                    2.3.1.5.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:1.inrichting: elke al dan
                                    niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of
                                    bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                    gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;2.houder: degene die
                                    een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding
                                    heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als
                                    bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te
                                    houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester
                                    vastgestelde model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                    kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                        publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                        geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                        inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                        verloren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op:a.speelautomatenhallen
                                        waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van
                                        de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                        verleend;b.speelgelegenheden waarvoor de minister van
                                        Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                        verlenen;c.speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt
                                        geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van
                                        de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op
                                        speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de
                                        kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:a.indien naar zijn
                                        oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie
                                        in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde
                                        op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                        exploitatie van de speelgelegenheid.b.indien de exploitatie
                                        van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend
                                        bestemmingsplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: a.Wet: de Wet op de
                                        kansspelen b.speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel
                                        30, onder a, van de Wet; c.kansspelautomaat: automaat als
                                        bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; d.hoogdrempelige
                                        inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d,
                                        van de Wet; e.laagdrempelige inrichting: inrichting als
                                        bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Opstelplaatsenbeleida.In hoogdrempelige inrichtingen zijn
                                        twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee
                                        kansspelautomaten. b.In laagdrempelige inrichtingen zijn
                                        twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat
                                        kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.3</nr><titel>Aankondiging verbod onder 18 jaar</titel></kop><al>Aan de aanwezigheidsvergunning voor een kansspelautomaat wordt
                                    het voorschrift verbonden dat op een voor het publiek, vanaf de
                                    kansspelautomaat zichtbare plaats, een aanduiding aanwezig is
                                    van een verbod voor het spelen op de automaat voor personen
                                    onder de 18 jaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.4</nr><titel>Verbod speelautomatenhallen</titel></kop><al>Speelautomatenhallen zijn niet toegestaan.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                    behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende
                                    zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander
                                    geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of op andere
                                    wijze aan te brengen; b.met kalk, krijt, teer of een kleur of
                                    verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te
                                    brengen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar
                                    water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet,
                                    aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                    verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2.4.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren
                                    of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders,
                                    lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat
                                    ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of
                                    erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te
                                    verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of
                                    het maken van sporen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde
                                    gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of
                                    niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                    bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                    wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten
                                    de daarin gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs
                                    gebillijkt wordt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Gelderse
                                    wegenverordening van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden: a.op of aan de weg te klimmen of zich te
                                    bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie,
                                    openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                    afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                    straatmeubilair;b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat
                                    aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen
                                    onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het
                                    college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende
                                    drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:a.een terras dat
                                    behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de
                                    Drank- en Horecawet; b.de plaats, niet zijnde een horecabedrijf,
                                    als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens
                                    artikel 35 van de Drank en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden: a.zich zonder redelijk doel in een portiek of
                                    poort op te houden; b.zonder redelijk doel in, op of tegen een
                                    raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een
                                openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:a.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek;b.daardoor die ingang
                                versperd wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke
                                    bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze
                                    woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te
                                    bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een
                                    gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te
                                    bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te
                                gebruiken indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een
                                aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig of besloten erf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in, op of aan
                                    een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben
                                    die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan
                                    produceren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor zover de Wet op de
                                    Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen: a.op de weg zonder dat die hond
                                aangelijnd is, behoudens op een door het college aangewezen
                                plaats;b.op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op
                                een andere door het college aangewezen plaats; c.op de weg zonder
                                voorzien te zijn van een halsband met een door de gemeente
                                verstrekte hondenpenning, die de eigenaar of houder duidelijk doet
                                kennen. d.Het bepaalde onder c geldt niet voor een kennelhouder,
                                mits hij zich als zodanig kan legitimeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a.op een
                                    gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het
                                    verkeer van voetgangers; b.op een voor het publiek toegankelijke
                                    en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak
                                    of speelweide; c.op een andere door het college aangewezen
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod binnen
                                    de bebouwde kom dient de eigenaar of houder van de hond er voor
                                    zorg te dragen dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod buiten de bebouwde kom wordt opgeheven indien de
                                    eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de
                                    uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in dit artikel gestelde geboden gelden niet voor door het
                                    college aangewezen “hondenuitlaatplaatsen”.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander: a.anders dan kort aangelijnd nadat het
                                    college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het
                                    die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in
                                    verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;b.anders
                                    dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het
                                    college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het
                                    die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en
                                    muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond
                                    noodzakelijk vindt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor
                                    het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien
                                    moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar
                                    identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder: a.muilkorf: een muilkorf
                                    als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve
                                    dieren; b.kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn
                                    met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer
                                    is dan 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college is bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde
                                    plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van
                                    overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is
                                    daarbij aangeduide dieren: a.aanwezig te hebben; dan wel
                                    b.aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen
                                    ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de
                                    openbare gezondheid gestelde regels; dan wel c.aanwezig te
                                    hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven
                                    of mede is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                    aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>Duiven</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                    duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in
                                    een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart
                                    en 1 juni.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gesteld gebod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                    Provinciale ophokverordening Gelderland van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden: a.binnen een afstand van 30
                                    meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen
                                    verblijven;b.binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen
                                    of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover het Provinciaal wegenreglement Gelderland van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.25</nr><titel>Bestrijding akkerdistels</titel></kop><al>Indien zich op een terrein een aantal akkerdistels (cirsium averse)
                                bevindt dat naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor
                                verspreiding van deze plant, is de rechthebbende, indien hij daartoe
                                door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de
                                aanschrijving vast te stellen termijn het terrein van akkerdistels
                                te zuiveren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a.handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;
                                b.verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op
                                andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen
                                door de handelaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld: a.het volgnummer van de aantekening met betrekking
                                    tot het goed; b.de datum van verkoop of overdracht van het goed;
                                    c.een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d.de
                                    verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;
                                    e. de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
                                a.wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede
                                lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze
                                aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van
                                het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens
                                schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig
                                adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming
                                in gebruik genomen; b.de onder a bedoelde functionaris onder
                                aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval
                                binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een
                                verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen
                                van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde
                                lokaliteit; c.aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de
                                onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en
                                de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen; d.indien
                                hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan
                                redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is
                                of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld
                                kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris; e.zijn
                                administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de
                                burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen
                                ambtenaar; f.wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep
                                of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar
                                niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan
                                onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in
                                kennis te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere
                                    wijze overdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: a.horecabedrijf: het
                                    bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste en tweede lid;
                                    b.houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                    lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder
                                consumentenvuurwerk:Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22
                                januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten-
                                en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
                                    is of zal worden gevestigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang
                                    van het voorkomen of beperken van overlast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                    college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                    overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een
                                    voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                    gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de artikelen 2.1.1.1
                                (samenscholingsverbod), 2.1.2.1 (optochten), artikel 2.1.5.1
                                (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg), 2.1.5.2 (aanleggen,
                                beschadigen en veranderen van een weg), 2.1.6.7 (gevaarlijk of
                                hinderlijk voorwerp), 2.4.7 (hinderlijk gedrag op of aan de weg),
                                artikel 2.4.8 (hinderlijk drankgebruik), 2.4.9 (hinderlijk gedrag in
                                of bij gebouwen), 2.4.10 (gedrag in voor publiek toegankelijke
                                ruimten) en 5.5.1 (verbod om vuur te stoken) van deze verordening
                                groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:a. prostitutie: het zich
                                beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met
                                een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich
                                beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met
                                een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek
                                toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang
                                alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,
                                seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een
                                prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. Onder
                                een seksinrichting wordt een raamprostitutiebedrijf niet begrepen;d.
                                escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan
                                in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het
                                publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden
                                verkocht; f. raamprostitutie: een seksinrichting met één of meer
                                ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten
                                op zich te vestigen;g. straatprostitutie: het door handelingen,
                                houding, woord, gebaar of op andere wijze passanten tot prostitutie
                                bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken;h. exploitant: de natuurlijke
                                persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen, die een
                                seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot
                                vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde
                                natuurlijke persoon of personen; i. beheerder: de natuurlijke
                                persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding
                                uitoefent of uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; j.
                                bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de
                                prostituee; 4. het personeel dat in de inrichting werkzaam is; 5.
                                toezichthouders als bedoeld in artikel 6.1a; 6. andere personen wier
                                aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft
                                voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                                bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid genoemde belangen,
                                kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, raam- en straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen en escortbedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het
                                    aantal te verlenen vergunningen.3.Van het gestelde maximum als
                                    bedoeld in lid 2 kan het bevoegd bestuursorgaan ontheffing
                                    verlenen.4.Bij de aanvraag om vergunning en in de vergunning
                                    wordt in ieder geval overgelegd, respectievelijk vermeld: a.de
                                    persoonsgegevens van de exploitant; b.de persoonsgegevens van de
                                    beheerder; c.het aantal werkzame prostituees; d.de aard van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf;e.de plaatselijke en
                                    kadastrale ligging van de inrichting door middel van een
                                    situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000;f.een
                                    plattegrond van de seksinrichting door middel van een tekening
                                    met een schaal van tenminste 1:100;g.een bewijs van inschrijving
                                    in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;h.een bewijs
                                    waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik
                                    van de ruimte bestemd voor de seksinrichting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De exploitant en de beheerder: a.staan niet onder curatele en is
                                    niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b.zijn niet
                                    in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c.hebben de leeftijd
                                    van éénentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en
                                    de beheerder niet: a.met toepassing van de artikel 37 van het
                                    Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst
                                    of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                    ter beschikking gesteld; b.binnen de laatste vijf jaar
                                    onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in
                                    Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een
                                    andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                    recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                    eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;
                                    c.binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
                                    1.bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;2.de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                    242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;3.de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                    juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;4.de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                    Wet op de kansspelen;5.de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                    weerkorpsen;6.de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                    munitie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld: a.vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                    artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                    bedraagt;b.een bevel tot tenuitvoerlegging van een
                                    voorwaardelijke straf.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
                                    a.bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b.bij de
                                    intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van de
                                    intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De exploitant – indien een rechtspersoon: de tot
                                    vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke
                                    perso(o)n(en) - of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor
                                    ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is
                                    gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1
                                    is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen
                                    verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    gedurende de op grond van lid 1 opgelegde sluitingstijden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid,
                                    gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van
                                    toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a.tijdelijk andere dan
                                    de krachtens artikel 3.2.3, eerste lid, geldende sluitingsuren
                                    vaststellen; b.van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                    tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                    Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op
                                    toe te zien dat in de seksinrichting: a.geen strafbare feiten
                                    plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in
                                    de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling),
                                    XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het
                                    Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                    munitie; en b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen
                                    in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                    of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Verbod van raam- en straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een raamprostitutiebedrijf te exploiteren, dan
                                    wel in een voor publiek toegankelijke ruimte voorzien van een of
                                    meer vitrines door handelingen houding, woord, gebaar of op een
                                    andere wijze passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden, op of aan de weg of op een andere voor het
                                    publiek toegankelijke plaats, door handelingen, houding, woord,
                                    gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen,
                                    uit te nodigen dan wel aan te lokken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste of tweede lid
                                    gestelde verbod, kan door een ambtenaar van politie het bevel
                                    worden gegeven zich onmiddellijk, eventueel in een bepaalde
                                    richting, te verwijderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen: a.indien het bevoegd bestuursorgaan
                                    aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
                                    tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare
                                    orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b.anders dan
                                    overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang
                                    van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde
                                    regels.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien: a.de exploitant – indien een rechtspersoon: de
                                    tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde
                                    natuurlijke perso(o)n(en)- of de beheerder niet voldoet aan de
                                    in artikel 3.2.2. gestelde eisten; b.de vestiging of de
                                    exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd
                                    is met een geldend bestemmingsplan, een in procedure zijnd plan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; c.er
                                    aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                    personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 250a van
                                    het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet
                                    arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. d.de
                                    aanvrager niet door het overleggen van een door het college van
                                    burgemeester en wethouders afgegeven geschiktheidverklaring kan
                                    aantonen dat het bedoelde pand voldoet aan de ex artikel 3.1.3.
                                    gestelde nadere regels;e.het maximale aantal af te geven
                                    vergunningen voor seksinrichtingen of escortbedrijven is
                                    verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1 kan worden geweigerd:
                                    a.in het belang van de openbare orde; b.in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van overlast; c.in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat; d.in het belang van de veiligheid van personen of
                                    goederen; e.in het belang van de verkeersvrijheid of
                                    -veiligheid; f.in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;
                                    g.in het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                    prostituee.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, derde lid,
                                    onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe
                                    beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                    exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig
                                    de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:a.Besluit: het Besluit
                                horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer;
                                b.inrichting: een inrichting als bedoeld in het Besluit; c.houder
                                van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                                beheerder of anderszins een inrichting drijft; d.collectieve
                                festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein
                                aantal inrichtingen is verbonden; e.incidentele festiviteit:
                                festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein
                                aantal inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage
                                    onder B van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit
                                    geldt niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid,
                                    kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een
                                    of meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder
                                    B van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de
                                    inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het voorschrift
                                    1.5.1 uit de Bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing
                                    is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor
                                    de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                    heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer
                                    het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                    hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet, voor zover artikel 2.4.16, de op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de
                                    Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en
                                    verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit van toepassing
                                    zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5a</nr><titel>Geluidhinder in de open lucht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht een geluidsapparaat, een
                                    (recreatie-) toestel of een (bouw)machine in werking te hebben
                                    op een zodanige wijze, dat voor een omwonende of overigens voor
                                    de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod
                                    vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in
                                    werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen
                                    categorieën van geluidsapparaten, (recreatie-) toestellen of
                                    (bouw) machines, voor zover wordt voldaan aan de door
                                    burgemeester en wethouders vast te stellen voorschriften ter
                                    voorkoming of beperking van geluidhinder.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer
                                    betreffen:</al><al>- het maximale geluidsniveau</al><al>- de situering van geluidsbronnen</al><al>- de frequentie en tijden van gebruik</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5b</nr><titel>Geluidhinder door dieren</titel></kop><al>Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor
                                een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5c</nr><titel>Geluidhinder door bromfietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig
                                te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de
                                omgeving geluidhinder ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5d</nr><titel>Geluidhinder door vrachtauto’s</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder
                                    a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens op
                                    zodanige wijze te laden of te lossen dat daardoor voor een
                                    omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt
                                    veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5e</nr><titel>Routering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden om met een vrachtauto, als bedoeld in artikel
                                    4.1.7d, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het
                                    laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kg of die met inbegrip van
                                    de lading een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                    van meer dan 2 meter tussen 23.00 uur en 07.00 uur op een andere
                                    dan door het college bij openbaar bekend te maken besluit
                                    aangewezen weg te rijden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5f</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in de vorige artikelen is het verboden
                                    met toestellen of geluidsapparaten dan wel op andere wijze
                                    handelingen te verrichten, waardoor voor een omwonende of
                                    overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt, of
                                    toe te laten dat deze handelingen worden verricht</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de op de
                                    Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder,
                                    de Wegenverkeerswet, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht
                                    de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels
                                    of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van
                                    toepassing zijn.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Afvalstoffen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a.wet: Wet
                                        milieubeheer; b.straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van
                                        zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier,
                                        plastic bekertjes en blikjes, niet zijnde klein chemisch
                                        afval, ontstaan buiten een perceel; c.inzamelen: de
                                        activiteiten gericht op het ophalen of innemen van
                                        afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden
                                        aangeboden; d.ter inzameling aanbieden: de wijzen van
                                        overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of
                                        instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in
                                        daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie
                                        geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een
                                        daartoe ter beschikking gestelde plaats. e.inzamelmiddel:
                                        een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- en/of
                                        bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer,
                                        afvalemmer, kca-box; f.inzamelvoorziening: een voor de
                                        inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of
                                        -plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer,
                                        brengdepot; g.gebruiker van een perceel: degene die in de
                                        gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien
                                        waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een
                                        verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke
                                        afvalstoffen geldt; h.wegen: alle voor het openbaar verkeer
                                        openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin
                                        liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende
                                        paden en bermen of zijkanten; i.motorrijtuigen: alle
                                        voertuigen, bestemd om anders dan langs spoor staven te
                                        worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische
                                        kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door
                                        elektrische tractie met stroomtoevoer van elders.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een omschrijving vaststellen van de
                                        categorieën huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in
                                        artikel 4.2.2.2.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Inzameling van afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.1</nr><titel>Aanwijzing inzamelende instanties</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college wijst aan welke inzameldienst belast is met het
                                        ter uitvoering van de wet, de Provinciale milieuverordening
                                        en deze afdeling inzamelen van afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Naast de inzameldienst kan het college personen of
                                        instanties aanwijzen die zijn belast met het ter uitvoering
                                        van de wet, de Provinciale milieuverordening en deze
                                        afdeling afzonderlijk inzamelen van categorieën
                                        huishoudelijke afvalstoffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.2</nr><titel>Afzonderlijk inzameling</titel></kop><al>Door de inzameldienst of de krachtens artikel 4.2.2.1, tweede
                                    lid aangewezen personen of instanties worden de volgende
                                    categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:
                                    a.groente-, fruit- en tuinafval; b.oud papier en karton;
                                    c.verpakkingsglas; d.textiel; e.klein chemisch afval; f.wit- en
                                    bruingoed; g.asbest; h.grof tuinafval; i.huishoudelijk
                                    restafval; j.grof huishoudelijk restafval; k.oud
                                    ijzer;l.puin</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.3</nr><titel>Inzamelmiddelen en -voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De inzameling kan plaatsvinden via: a.een inzamelmiddel voor
                                        de gebruiker van een perceel; b.een inzamelvoorziening voor
                                        de gebruikers van een aantal percelen; c.een
                                        inzamelvoorziening op wijkniveau; d.een brengdepot op lokaal
                                        of regionaal niveau.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel of
                                        -voorziening de inzameling van een bepaalde categorie
                                        huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van
                                        een perceel plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.4</nr><titel>Frequentie van inzamelen bij elk perceel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Huishoudelijk restafval wordt tenminste een maal per 2 weken
                                        bij elk perceel ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste een maal per 2
                                        weken afzonderlijk bij elk perceel ingezameld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van
                                        de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen die
                                        afzonderlijk in aangewezen delen van de gemeente bij elk
                                        perceel worden ingezameld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2.5</nr><titel>Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens
                                        vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college
                                        huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van een
                                        doelmatige verwijdering van huishoudelijke
                                        afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of de krachtens
                                        artikel 4.2.2.1, tweede lid aangewezen personen of
                                        instanties.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor personen of instanties die bij of
                                        krachtens de wet voor de desbetreffende categorieën van
                                        huishoudelijke afvalstoffen een inzamelplicht hebben
                                        gekregen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.1</nr><titel>Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                        afvalstoffen aan anderen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling
                                        aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst, de
                                        krachtens artikel 4.2.2.1, tweede lid aangewezen personen of
                                        instanties en degenen aan wie krachtens artikel 4.2.2.5 een
                                        vergunning is verleend.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien
                                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling worden aangeboden
                                        aan personen of instanties die bij of krachtens de wet een
                                        inzamelplicht hebben gekregen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.2</nr><titel>Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                        afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van
                                        percelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om
                                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan
                                        de inzameldienst of de krachtens artikel 4.2.2.1, tweede lid
                                        aangewezen personen of instanties.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan besluiten dat het aan anderen dan gebruikers
                                        van percelen verboden is om huishoudelijke afvalstoffen ter
                                        inzameling aan te bieden aan de houder van een vergunning
                                        als bedoeld in artikel 4.2.2.5.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.3</nr><titel>Afzonderlijk ter inzameling aanbieden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden om de volgende categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen anders dan afzonderlijk ter inzameling aan te
                                        bieden: a.klein chemisch afval; b.glas; c.oud papier en
                                        karton; d.textiel; e.wit- en bruingoed; f.asbestg.groente-,
                                        fruit- en tuinafval</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aanwijzen aan welke personen of instanties
                                        de in het eerste lid aangewezen categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen moeten worden aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden de aangewezen categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen aan te bieden aan anderen dan de krachtens het
                                        tweede lid aangewezen personen of instanties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.4</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                        via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                        perceel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien voor de gebruiker van een perceel voor een bepaalde
                                        categorie huishoudelijke afvalstoffen krachtens artikel
                                        4.2.2.3, tweede lid, een inzamelmiddel is aangewezen, is het
                                        voor die gebruiker verboden de betreffende afvalstoffen
                                        anders aan te bieden dan via het daartoe aangewezen
                                        inzamelmiddel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden andere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                        perceel aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit
                                        inzamelmiddel krachtens artikel 4.2.2.3, tweede lid, is
                                        bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan regels stellen omtrent de plaatsen en wijzen
                                        waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel ter
                                        inzameling moeten worden aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere
                                        plaatsen en wijzen ter inzameling aan te bieden dan volgens
                                        dit artikel is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan regels stellen met betrekking tot het
                                        maximale gewicht van de afvalstoffen per inzamelmiddel en
                                        het maximale aantal inzamelmiddelen dat per keer kan worden
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien van gemeentewege een inzamelmiddel aan de gebruiker
                                        van een perceel is verstrekt, kan het college regels stellen
                                        omtrent het gebruik en het reinigen daarvan.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien het inzamelmiddel niet van gemeentewege is verstrekt,
                                        kan het college eisen stellen aan het te gebruiken
                                        inzamelmiddel.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>Het is aan anderen dan de gebruiker van een perceel aan wie
                                        krachtens artikel 4.2.2.3, tweede lid, een inzamelmiddel is
                                        toegewezen, verboden hun afvalstoffen ter inzameling aan te
                                        bieden via dit inzamelmiddel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.5</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                        via een inzamelvoorziening ten behoeve van een groep
                                        percelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien voor de gebruiker van een perceel voor een bepaalde
                                        categorie huishoudelijke afvalstoffen krachtens artikel
                                        4.2.2.3, tweede lid, mede ten behoeve van zijn perceel een
                                        inzamelvoorziening is aangewezen, is het voor de gebruiker
                                        verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden
                                        dan via de betreffende inzamelvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden andere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen via een inzamelvoorziening voor een aantal
                                        percelen aan te bieden, dan de categorie waarvoor deze
                                        inzamelvoorziening krachtens artikel 4.2.2.3, tweede lid, is
                                        bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan regels stellen ten aanzien van de wijzen
                                        waarop huishoudelijke afvalstoffen via een
                                        inzamelvoorziening ten behoeve van een groep percelen moet
                                        worden aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen
                                        aan te bieden via een inzamelvoorziening ten behoeve van een
                                        groep percelen dan krachtens dit artikel is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het is voor anderen dan de gebruikers van percelen voor wie
                                        krachtens artikel 4.2.2.3, tweede lid, een
                                        inzamelvoorziening is aangewezen, verboden huishoudelijke
                                        afvalstoffen aan te bieden via deze inzamelvoorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.6</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                        via inzamelvoorzieningen op wijkniveau</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod in artikel 4.2.3.4, vierde lid en artikel
                                        4.2.3.5, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van
                                        huishoudelijke afvalstoffen via inzamelvoorzieningen op
                                        wijkniveau conform krachtens dit artikel is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden andere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen via een inzamelvoorziening op wijkniveau aan te
                                        bieden dan de categorie waarvoor de inzamelvoorziening
                                        krachtens artikel 4.2.2.3, tweede lid, is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan regels stellen omtrent de wijzen waarop
                                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden
                                        aangeboden via een inzamelvoorziening op wijkniveau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen
                                        via een inzamelvoorziening op wijkniveau ter inzameling aan
                                        te bieden dan krachtens het derde lid is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.7</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                        via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verbod in artikel 4.2.3.4, vierde lid en artikel
                                        4.2.3.5, vierde lid, geldt niet voor het aanbieden van
                                        huishoudelijke afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of
                                        regionaal niveau conform krachtens dit artikel is
                                        bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden andere categorieën huishoudelijke
                                        afvalstoffen via een brengdepot op lokaal of regionaal
                                        niveau aan te bieden dan de categorie waarvoor het
                                        brengdepot krachtens artikel 4.2.2.3 is bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan regels stellen omtrent de wijzen waarop
                                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden
                                        aangeboden bij het brengdepot op lokaal of regionaal
                                        niveau.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen
                                        via een brengdepot op lokaal of regionaal niveau ter
                                        inzameling aan te bieden dan krachtens het derde lid is
                                        bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.8</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen
                                        zonder inzamelmiddel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan categorieën huishoudelijke afvalstoffen
                                        aanwijzen die zonder inzamelmiddel als bedoeld in artikel
                                        4.2.2.3 van deze verordening ter inzameling moeten worden
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan regels stellen omtrent de wijzen waarop de
                                        krachtens het eerste lid aangewezen categorieën
                                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling moeten worden
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden de in het eerste lid bedoelde huishoudelijke
                                        afvalstoffen op andere wijzen ter inzameling aan te bieden
                                        dan krachtens dit artikel is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.9</nr><titel>Dagen en tijden voor het ter inzameling aanbieden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt de dagen en tijden vast waarop
                                        huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden
                                        aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen
                                        en tijden ter inzameling aan te bieden dan krachtens het
                                        eerste lid is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3.10</nr><titel>Het in bijzondere gevallen ter inzameling aanbieden van
                                        huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>In afwijking van hetgeen in deze paragraaf is bepaald kan het
                                    college regels stellen omtrent het in bijzondere gevallen ter
                                    inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de
                                    inzameldienst of krachtens artikel 4.2.2.1, tweede lid,
                                    aangewezen personen of instanties.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Inzameling van andere categorieën van afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.1</nr><titel>Inzamelverbod andere categorieën afvalstoffen behoudens
                                        vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan andere categorieën van afvalstoffen dan
                                        huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen waarvoor geldt dat het
                                        verboden is ze in te zamelen zonder vergunning van het
                                        college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan de in het eerste lid bedoelde vergunning
                                        voorschriften verbinden met het oog op de doelmatige
                                        verwijdering van afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd in het belang van de
                                        doelmatige verwijdering van afvalstoffen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.2</nr><titel>Inzameling andere categorieën afvalstoffen door de
                                        inzameldienst</titel></kop><al>Het college kan andere categorieën van afvalstoffen dan
                                    huishoudelijke afvalstoffen aanwijzen die door de inzameldienst
                                    worden ingezameld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.4.3</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van andere categorieën
                                        afvalstoffen aan de inzameldienst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden andere categorieën van afvalstoffen dan
                                        huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan de
                                        inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor die
                                        categorieën afvalstoffen die zijn aangewezen krachtens
                                        artikel 4.2.4.2, voorzover degene die gebruik maakt van de
                                        inzameling door de inzameldienst voldoet aan de daarmee
                                        ontstane belastingplicht op grond van de verordening
                                        Reinigingsheffingen 1997.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan regels stellen omtrent de dagen, tijden,
                                        wijzen en plaatsen waarop de in artikel 4.2.4.2 bedoelde
                                        afvalstoffen aan de inzameldienst ter inzameling kunnen
                                        worden aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen die zijn aangewezen krachtens
                                        artikel 4.2.4.2 ter inzameling aan te bieden in strijd met
                                        hetgeen krachtens dit artikel is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                        milieubeheer, de Destructiewet, of de provinciale
                                        milieuverordening van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Lozing en riolering</titel></kop><structuurtekst><al>(vervallen)</al></structuurtekst></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Verontreiniging van de weg en van terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden: a.afval of vuilnis of enig andere dergelijke
                                    stof of voorwerp, die/dat aanleiding kan geven tot
                                    verontreiniging, beschadiging of onvoldoende afwatering van de
                                    weg, dan wel aanleiding kan geven tot hinder of nadelige
                                    beïnvloeding van het milieu, op of in de bodem, buiten een
                                    daarvoor bestemde verzamelplaats, te plaatsen, te storten, te
                                    werpen, uit te gieten, te laten vallen of lopen of te houden;
                                    b.andere afvalstoffen dan straatafval, als bedoeld in artikel
                                    4.2.1.1, eerste lid, onder b, achter te laten in daartoe van
                                    gemeentewege geplaatste of voorgeschreven bakken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing op het ter inzameling aanbieden van
                                    huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst, de krachtens
                                    artikel 4.2.2.1, tweede lid aangewezen personen of instanties of
                                    houders van een vergunning als bedoeld in artikel 4.2.2.5.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van het, in het eerste lid, onder a, gestelde
                                    verbod ontheffing verlenen. Aan een ontheffing kunnen
                                    voorschriften worden verbonden ter bescherming van het
                                    milieu.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing op het thuiscomposteren van groente-, fruit-
                                    en tuinafval.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de stoffen of voorwerpen op de weg geraken of
                                    tijdelijk op de weg worden gebracht als onvermijdelijk gevolg
                                    van het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen
                                    dan wel van het verrichten van andere werkzaamheden op of aan de
                                    weg.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    voorts niet voor zover: a.de Wet milieubeheer, de
                                    Meststoffenwet, de Destructiewet, de Bestrijdingsmiddelenwet, de
                                    Kernenergiewet, of de Wet bodembescherming voorziet in de
                                    beoogde bescherming van het milieu; b.de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken; c.de Gelderse Wegenverordening, de
                                    Verordening grondwaterbeschermingsgebieden Gelderland of
                                    Provinciale Milieuverordening Gelderland van toepassing is.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                    voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg wordt
                                    verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht,
                                    alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                    verplicht: a.indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid
                                    van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de
                                    weg terstond na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen
                                    of te doen reinigen; b.indien de verontreiniging geen gevaar
                                    voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het
                                    wegdek oplevert, de weg terstond na de beëindiging van de
                                    werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag
                                    terstond na beëindiging van de werkzaamheden op die dag; te
                                    reinigen of te doen reinigen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Gelderse
                                    Wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en
                                    drinkwaren</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De houder of beheerder van een winkel, hal, kraam of andere
                                    dergelijke inrichtingen waar eet- en/of drinkwaren worden
                                    verkocht welke ter plaatse kunnen worden genuttigd, is
                                    verplicht: a.een mand, bak of soortgelijk voorwerp in of nabij
                                    de inrichting op een duidelijk zichtbare plaats aanwezig te
                                    hebben, waarin het publiek papier, etensresten,
                                    verpakkingsmateriaal en ander afval kan achterlaten; b.zorg te
                                    dragen dat die mand, die bak of dat soortgelijke voorwerp van
                                    een zodanige constructie is dat het afval daarin deugdelijk
                                    geborgen blijft en dat die mand, die bak of dat voorwerp steeds
                                    tijdig wordt geledigd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De houder of beheerder van een inrichting bedoeld in het eerste
                                    lid is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na
                                    sluiting van de inrichting, doch in ieder geval terstond op
                                    eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op
                                    de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van
                                    de inrichting op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen,
                                    voor zover kennelijk uit of van die inrichting afkomstig, worden
                                    verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De in het eerste en het tweede lid gestelde verplichting geldt
                                    niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                    voorschriften van toepassing zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.4</nr><titel>Wegwerpen van reclame- of strooibiljetten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Degene die op de weg reclame- of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften onder het publiek verspreidt, is verplicht deze,
                                    indien zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg
                                    of een andere voor het publiek toegankelijke plaats door het
                                    publiek worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of
                                    te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet ten aanzien van
                                    het verspreiden van reclame of strooibiljetten of dergelijke
                                    geschriften vanuit een luchtvaartuig.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.5</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.7</nr><titel>Verbod doorzoeken van ter inzameling gereed staande
                                    afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden afvalstoffen die ter inzameling gereed staan te
                                doorzoeken en te verspreiden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.8</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a.houtopstand: hakhout,
                                    een houtwal of een of meer bomen; b.hakhout: een of meer bomen
                                    die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; c.dunning:
                                    velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;
                                    d.bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                    ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; e.iepziekte: de
                                    aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.)
                                    Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);
                                    f.iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                    behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                    multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder de
                                    boomwaardebepaling verstaan de door het college vastgestelde
                                    wijze waarop de waarde van de bomen wordt bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college houtopstand te
                                    vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor: a.wegbeplantingen en eenrijige
                                    beplantingen op of langs landbouw gronden, beide voorzover
                                    bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; b.vruchtbomen
                                    en windschermen om boomgaarden; c.fijnsparren, niet ouder dan 12
                                    jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor
                                    in het bijzonder bestemde terreinen; d.kweekgoed; e.houtopstand
                                    die bij wijze van dunning moet worden geveld; f.houtopstand die
                                    deel uitmaakt van als zodanig bij het Bosschap geregistreerde
                                    bosbouwondernemingen en gelegen is buiten een bebouwde kom,
                                    tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:
                                    g.ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;h.ofwel
                                    bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen, gerekend
                                    over het totale aantal rijen; i.houtopstand die moet worden
                                    geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een
                                    aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het
                                    bepaalde in artikel 4.5.6.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met
                                    toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door
                                    degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd
                                    is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wanneer het bureau LASER aan het college een afschrift heeft
                                    toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2
                                    van de Boswet, beschouwt het college dit afschrift mede als een
                                    vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3a</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van: a.de
                                natuurwaarde van de houtopstand; b.de landschappelijke waarde van de
                                houtopstand; c.de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                dorpsschoon; d.de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e.de
                                cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f.de waarde voor de
                                leefbaarheid van de houtopstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.4</nr><titel>Fictieve weigering</titel></kop><al>De vergunning wordt geacht te zijn geweigerd, wanneer niet binnen de
                                in artikel 1.2 genoemde termijn een beslissing is genomen op de
                                aanvraag voor een vergunning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet
                                    worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan
                                    kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan tevens
                                    behoren het voorschrift dat de vergunning pas van kracht wordt
                                    met ingang van de dag na de dag waarop de bezwaartermijn afloopt
                                    en dat indien gedurende de bezwaartermijn een verzoek om
                                    voorlopige voorziening is gedaan, de vergunning niet van kracht
                                    wordt voordat op dat verzoek is beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.6</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    college is geveld dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan
                                    het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich
                                    de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde
                                    tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                                    opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven
                                    aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan
                                    wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van
                                    de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene
                                    die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd
                                    is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te
                                    geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn
                                    voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt
                                    weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en
                                    met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is
                                    verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4.5.2, artikel 4.5.5 of artikel 4.5.6, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het college hem op zijn verzoek een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding
                                    van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is
                                    de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te
                                    stellen termijn: a.indien de iepen in de grond staan, deze te
                                    vellen; b.de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;
                                    c.of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                    of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een
                                    doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben
                                    of te vervoeren. Het college ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.1</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6.2</nr><titel>Beschermde planten; hout sprokkelen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college is bevoegd: a.plaatsen aan te wijzen waar het ter
                                    bescherming van het natuur-, landschaps- of dorps-/stadsschoon
                                    verboden is daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of
                                    bij zich te hebben; b.bosgebieden of gedeelten daarvan aan te
                                    wijzen waar het om redenen van milieubeheer verboden is hout te
                                    sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op een, door het college, krachtens het eerste
                                    lid, aangewezen plaats: a.de daarbij aangeduide bloemen of
                                    planten te plukken, bij zich te hebben dan wel b.hout te
                                    sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet: a.ten aanzien van door
                                    of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen
                                    dan wel van elders afkomstige bloemen of planten of hout;
                                    b.indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht
                                    in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; c.voorzover de
                                    Natuurbeschermingswet van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt voorts
                                    niet: a.ten aanzien van hout dat afkomstig is van houtopstanden
                                    waarop het in artikel 4.5.2 gestelde verbod niet van toepassing
                                    is; b.ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens
                                    een verordening van het Bosschap.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het
                                    verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd dan
                                    wel uitdrogend dood hout.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                    aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                    een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen
                                    of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben,
                                    anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels:
                                    a.onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b.bromfietsen en
                                    motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c.caravans,
                                    kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk
                                    voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het
                                    plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                    verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d.mestopslag,
                                    gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling
                                    ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten,
                                    afbraakmaterialen en oude metalen; e.afvalstoffen;
                                    f.autowrakken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden op een door het college krachtens het eerste lid
                                    aangewezen plaats een door hem aangeduid voorwerp of stof: a.op
                                    te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel b.op te
                                    slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door hen gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer, het Besluit Beheer Autowrakken, de Wet op de
                                    Ruimtelijke Ordening of provinciale verordening van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.1a</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder: a.meststoffen: meststoffen als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet; b.emissiearm
                                    aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is
                                    aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende
                                    bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder
                                    2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze
                                    gelijktijdig wordt ondergewerkt'; c.grond: bouwland, maïsland en
                                    grasland.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is
                                    het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te
                                    brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag na
                                    18.00 uur, op zondag en op de volgende feest en gedenkdagen:
                                    Nieuwjaarsdag, de eerste en tweede Paasdag, de eerste en tweede
                                    Pinksterdag, Hemelvaartsdag, de eerste en tweede Kerstdag, de
                                    dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op de
                                    tweede dag van de Internationale Wandelvierdaagse.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt
                                    aangewend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid
                                    gestelde verboden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                    volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                                    verkeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.2</nr><titel>Vergunningsplicht handelsreclame</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden om zonder vergunning van het college op of aan
                                    een onroerende zaakhandelsreclame te maken of te voeren met
                                    behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke
                                    vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:a. opschriften,
                                    aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een
                                    onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op
                                    zichtbaarheid vanaf de weg;b. opschriften of aankondigingen op
                                    of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid;c.
                                    opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m en de langste
                                    zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:- een openbare
                                    verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting
                                    van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke
                                    betekenis hebben;- het beroep, de dienst of het bedrijf dat in
                                    of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak
                                    is bestemd;t. opschriften die betrekking hebben op de naam of
                                    aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van
                                    degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk
                                    betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden
                                    bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor
                                    zolang zij feitelijke betekenis hebben;e. opschriften of
                                    aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het
                                    openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van
                                    dat vervoer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor opschriften of aankondigingen van
                                    kennelijk tijdelijke aard, voor</al><al>zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits:a. van het
                                    aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan
                                    het college;b. het college niet binnen twee weken na ontvangst
                                    van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken;c. deze
                                    opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de
                                    onroerende zaak aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf,
                                    hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                    eisen van welstand;b. in het belang van de verkeersveiligheid;c.
                                    in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                    gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De weigeringgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voor
                                    bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7.3</nr><titel>Eisen aan niet-vergunningsplichtige handelsreclame</titel></kop><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als
                                bedoeld in artikel 4.7.2, tweede lid, de veiligheid van het verkeer
                                in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te
                                veroorzaken.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: a.weg: de weg, als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
                                b.voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van: 1.treinen en
                                trams; 2.fietsen, bromfietsen; 3.invalidenvoertuigen in de zin van
                                het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; 4.kruiwagens,
                                kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;
                                c.parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
                                onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het
                                onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.drie of meer
                                    voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te
                                    parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als
                                    middelpunt een dezer voertuigen; dan wel b.de weg als werkplaats
                                    voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan: a.het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                    lessen; b.het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                    personen tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend: a.voertuigen waaraan herstel- of
                                    onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer
                                    dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b.voertuigen gebezigd
                                    voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde
                                    persoon.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2a</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                    weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel
                                    het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                    in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper,
                                    magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                    voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of
                                    mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:a.langer
                                    dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen
                                    of te hebben; b.op een door het college aangewezen plaats te
                                    parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Provinciale caravan- en tentenverordening, de Gelderse
                                    Wegenverordening of de provinciale landschapsverordening van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar
                                    te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door
                                    dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen
                                    of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing: a.op wegen, zoals bedoeld in
                                    artikel 5.1.1, onder a; b.op voertuigen die nodig zijn en
                                    gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege
                                    de overheid; c.op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is
                                    ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel
                                    zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een
                                    inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan onder door hem te stellen voorschriften
                                    vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                    instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de
                                    uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar
                                    water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met
                                    enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                    verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: a.ten aanzien
                                    van het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of
                                    geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet. b.voor het aan de huizen van vaste afnemers afleveren
                                    van goederen door - of door huisgenoten of personeel van - hem
                                    die dit mede doet ter exploitatie van zijn winkel, bedoeld in
                                    artikel 1 van de Winkeltijdenwet; c.voor het te koop aanbieden
                                    of verkopen van goederen op de plaats die is aangewezen voor het
                                    houden van een markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt
                                    gehouden wordt; d.voor het te koop aanbieden, verkopen of
                                    afleveren van goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                    5.2.3.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
                                    a.in het belang van de openbare orde; b.in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van overlast; c.in het belang van de
                                    verkeersvrijheid of -veiligheid; d.wanneer als gevolg van
                                    bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel der
                                    gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen
                                    van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de
                                    consumenten ter plaatse in gevaar komt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan de
                                    weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan
                                    niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats: a.met een voertuig, een kraam, een
                                    tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te
                                    hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop
                                    aan te bieden dan wel diensten aan te bieden; b.anderszins
                                    goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop
                                    aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan,
                                    dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt
                                    of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet ten
                                    aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven
                                    stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet op
                                    de plaats die is aangewezen voor het houden van een door de
                                    gemeenteraad ingestelde markt, zulks gedurende de tijden dat de
                                    markt gehouden wordt, voor een evenement als bedoeld in artikel
                                    2.2.1, of voor het organiseren van een markt als bedoeld in
                                    artikel 5.2.4.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    Wet milieubeheer, de Woningwet, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Gelderse wegenverordening van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
                                    a.in het belang van de openbare orde; b.in het belang van het
                                    voorkomen of beperken van overlast; c.in het belang van de
                                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d.in het
                                    belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; e.wanneer als
                                    gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een
                                    deel der gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het
                                    verlenen van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor
                                    de consument ter plaatse in gevaar komt; f.vanwege de strijd met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                                    standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag tevens een
                                    Wet-milieubeheerplichtige activiteit betreft en indien geen
                                    toepassing kan worden gegeven aan het zesde lid, tot de dag
                                    waarop de beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag
                                    is genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: a.in of
                                    op een - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                    toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te
                                    laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;
                                    b.toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven,
                                    dat in of op een - al dan niet met enige beperking - voor
                                    publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel
                                    of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen
                                    om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te
                                    verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en
                                    voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik
                                    zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd: a.in het belang van de openbare orde; b.in het belang
                                    van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt;</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                    constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                    Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Telecommunicatiewet of de
                                    daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening gemeente Druten
                                    van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te
                                    stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen
                                    van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet
                                    krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar
                                    water: a.nadere regels stellen in het belang van de openbare
                                    orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
                                    van de gemeente; b.beperkingen stellen naar soort en aantal
                                    vaartuigen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement of de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.3.2
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    het Binnenvaartpolitiereglement of de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens de artikelen 5.3.2, tweede
                                lid, en 5.3.3 bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek
                                    van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het
                                    Binnenvaartpolitiereglement van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het
                                    Binnenvaartpolitiereglement of de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.8</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken,
                                    dan wel daarmee te varen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van
                                    toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik
                                    van deze terreinen: a.in het belang van het voorkomen of
                                    beperken van overlast; b.in het belang van de bescherming van
                                    het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van
                                    andere milieuwaarden; c.in het belang van de veiligheid van de
                                    deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
                                    ritten of van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer of het Besluit geluidsproductie sportmotoren van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                    parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare
                                    terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het
                                    rijden met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in
                                    artikel 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met
                                    een fiets of een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade
                                    kan berokkenen aan milieuwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen:
                                    a.Zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het
                                    vorige lid of met een fiets of een paard te bevinden; dan wel
                                    b.Zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een fiets
                                    of een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid
                                    tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers
                                    of berijders van paarden: a.ten dienste van politie, brandweer
                                    en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel
                                    29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
                                    door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten; b.die worden gebruikt in verband met
                                    beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college
                                    aangewezen plaatsen; c.die worden gebruikt in verband met werken
                                    die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;
                                    d.van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van
                                    percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;
                                    e.voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                    van de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a.op
                                    wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994; b.op wegen die krachtens de Wet van 14
                                    mei 1981, Stb. 287, voor mortorrijtuigen of categorieën daarvan
                                    gesloten zijn verklaard;c.binnen de bij of krachtens de
                                    provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen
                                    stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of
                                    krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen of anderszins vuur aan te leggen, te stoken
                                    of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De ontheffing kan worden geweigerd:a.in het belang van de
                                    openbare orde en veiligheid;b.ter bescherming van de woon- en
                                    leefomgeving;c.ter bescherming van de flora en de fauna;d.ter
                                    voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu
                                    door rook, roet, stof, walm of stank.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover:a.op
                                    de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing
                                    zijn;b.de provinciale milieuverordening hierover een regeling
                                    bevat;c.artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van
                                    strafrecht van toepassing is; ofd.het betreft verlichting door
                                    middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren zoals
                                    terrashaarden, vuurkorven en dergelijk vuur voor koken, bakken
                                    en braden, indien dat geen gevaar, overlast of hinder oplevert
                                    voor de omgeving.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op: a.verharde delen van
                                    de weg, speelterreinen en speelweiden;b.de algemene
                                    begraafplaats, buiten door het college aan te wijzen permanente
                                    daartoe bestemde asverstrooiingsvelden, aan vooraf van het
                                    college verkregen vergunning; c.door het college aan te wijzen
                                    bossen en natuurgebieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    algemene begraafplaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder,
                                overlast of strijd met het eigendomsrecht wordt veroorzaakt voor
                                derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde en de op
                            grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van
                            de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: ambtenaren van de regiopolitie;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na het
                                verstrijken van een termijn van zes weken na de datum van
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Druten 1999,
                                vastgesteld op 27 mei 1999, sedertdien gewijzigd, wordt
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens
                                verordeningen bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien
                                en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing
                                betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening - van kracht tot
                                de termijn waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij
                                worden ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven - indien en voor zover
                                de bepalingen ingevolge welke deze verplichtingen zijn opgelegd, ook
                                zijn vervat in deze verordening - van kracht tot de termijn waarvoor
                                zij zijn opgelegd, is verstreken of totdat zij worden
                                ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen bedoeld in het eerste lid en
                                verplichtingen bedoeld in het tweede lid, worden geacht
                                vergunningen, ontheffingen en verplichtingen in de zin van deze
                                verordening te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing op grond van een
                                verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is ingediend en voor
                                het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op
                                die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling
                                van de onderhavige verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen binnen
                                de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing
                                vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een
                                verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, zijn niet van
                                toepassing: a.gedurende 52 weken na het in werking treden van deze
                                verordening; b.ook na de onder a. bepaalde termijn, voor zover
                                degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze
                                termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze
                                aanvraag is beslist.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4, tweede lid,
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            voor de gemeente Druten 2005. Aldus vastgesteld door de raad der
                            gemeente Druten in zijn openbare vergadering van 9 december 2004</al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>de raadsgriffier, de voorzitter,G.B. Gnodde A.P.M. Aelberts.</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>