<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50526_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Exploitatieverordening gemeente Druten 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Druten</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Druten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Waalkanter</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Exploitatieverordening gemeente Druten 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de Ruimtelijke Ordening, art. 42</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2003-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Geen.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Exploitatieverordening gemeente Druten 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Druten;</al><al>Overwegende, dat dat de exploitatieverordening 1995 voor het laatst in 1998
                        werd gewijzigd;</al><al>Dat de verordening door de invoering van de euro en de Wet dualisering
                        gemeentebestuur thans wederom wijziging behoeft;</al><al>Dat het tevens gewenst was een aantal aanpassingen van redactionele aard
                        door te voeren;</al><al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al>Gelet op de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht en artikel 42 van de
                        Wet op de Ruimtelijke Ordening;</al><al>B E S L U I T :</al><al>1. in te trekken de “Exploitatieverordening gemeente Druten 1995,
                        laatstelijk gewijzigd bij besluit d.d. 29 oktober 1998";</al><al>2. vast te stellen de “Exploitatieverordening gemeente Druten 2004”,
                        luidende als volgt;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. Medewerking verlenen aan het in exploitatie brengen van gronden: het
                            door of met medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van
                            openbaar nut, waardoor de in het exploitatiegebied gelegen onroerende
                            zaken gebaat worden.</al><al>b. Exploitatiegebied: een als zodanig aangewezen gebied, waarbinnen de
                            onroerende zaken zijn gelegen die gebaat worden door de voorzieningen
                            van openbaar nut die door of met medewerking van de gemeente worden
                            getroffen.</al><al>c. Exploitant: de eigenaar of rechthebbende van een in het
                            exploitatiegebied gelegen onroerende zaak welke als gevolg van het door
                            of met medewerking van de gemeente treffen van voorzieningen van
                            openbaar nut wordt gebaat.</al><al>d. Kostenbegroting: begroting van kosten en opbrengsten op basis waarvan
                            de door een exploitant verschuldigde exploitatiebijdrage wordt
                            vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Voorzieningen van openbaar nut</titel></kop><al>Tot het treffen van voorzieningen van openbaar nut waardoor onroerende
                            zaken worden gebaat, worden gerekend:</al><al>1. De aanleg binnen een exploitatiegebied van de hieronder vermelde
                            werken en werkzaamheden:</al><al>a. het dempen van sloten en het verrichten van grondwerken met inbegrip
                            van het egaliseren, ophogen en afgraven;</al><al>b. riolering met inbegrip van bijbehorende werken;</al><al>c. wegen, parkeergelegenheden, pleinen, trottoirs, voet- en
                            rijwielpaden, waterpartijen, watergangen, bruggen, tunnels en andere
                            rechtstreeks met de aanleg van deze voorzieningen van openbaar nut en
                            kunstwerken verband houdende werken;</al><al>d. plantsoenen en andere groenvoorzieningen, waaronder begrepen de
                            aanleg en de inrichting van openbare speelplaatsen en speelweiden
                            alsmede de sierende elementen die rechtstreeks voortvloeien uit een
                            juiste uitvoering van een verzorgd bestemmingsplan;</al><al>e. openbare verlichting en brandkranen met de nodige aansluitingen;</al><al>f. het verrichten van bodemonderzoek en -sanering, voorzover het de
                            ondergrond van voorzieningen van openbaar nut betreft en voorzover de
                            daarmee verband houdende kosten niet op andere wijze kunnen worden
                            verhaald;</al><al>g. het treffen van milieutechnisch noodzakelijke maatregelen en
                            voorzieningen van openbaar nut ter uitvoering van een
                            bestemmingsplan;</al><al>h. alle overige werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor een
                            doeltreffende aanleg van voorzieningen van openbaar nut.</al><al>2. De aanleg van de onder 1. vermelde werken en werkzaamheden buiten het
                            exploitatiegebied, voorzover de binnen het exploitatiegebied liggende
                            onroerende zaken hierdoor direct danwel indirect worden gebaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Exploitatie op initiatief van de gemeente</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitvoering van voorzieningen van openbaar nut</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar nut worden
                                uitsluitend door de gemeente aangelegd, tenzij deze behoren tot de
                                taken van een ander publiekrechtelijk lichaam.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kunnen burgemeester
                                en wethouders besluiten de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de
                                door de gemeente aan te leggen voorzieningen van openbaar nut aan de
                                exploitant over te laten, indien vaststaat dat een goede uitvoering
                                is gewaarborgd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het geval zoals bedoeld in het tweede lid, is het bepaalde in de
                                artikelen 4 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling kostenverhaalsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voordat met het treffen van de in artikel 2 genoemde voorzieningen
                                van openbaar nut wordt aangevangen, wordt door de gemeenteraad een
                                kostenverhaalsbesluit vastgesteld, waarin wordt aangegeven op welke
                                wijze en tot welke omvang de aan die voorzieningen verbonden kosten
                                zullen worden verhaald. Het besluit wordt bekendgemaakt
                                overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde besluit bevat in ieder geval de
                                volgende onderdelen:</al><al>a. aanduiding van het exploitatiegebied en aanwijzing van de daarin
                                gelegen en gebate onroerende zaken;</al><al>b. omschrijving van de van gemeentewege uit te voeren voorzieningen
                                van openbaar nut;</al><al>c. een kostenbegroting verband houdende met de uitvoering van de
                                onder b. genoemde voorzieningen van openbaar nut, zoals bedoeld in
                                artikel 5. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin kan in
                                het besluit zoals bedoeld in het eerste lid, worden bepaald dat de
                                kostenbegroting op een later tijdstip wordt vastgesteld. Het besluit
                                tot vaststelling van de kostenbegroting wordt bekendgemaakt
                                overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In het kostenverhaalsbesluit wordt aangegeven dat, voor wat betreft
                                de door de gemeente in eigendom verkregen in het exploitatiegebied
                                liggende onroerende zaken, het verhaal van kosten zoveel mogelijk
                                plaatsvindt via de gronduitgifte.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In het kostenverhaalsbesluit wordt aangegeven dat, voor wat betreft
                                de niet door de gemeente in eigendom verkregen en in het
                                exploitatiegebied liggende gebate onroerende zaken, het verhaal van
                                kosten in beginsel plaatsvindt op basis van een overeenkomst zoals
                                bedoeld in artikel 7 van deze verordening.Tevens wordt bepaald dat,
                                ingeval op enigerlei wijze niet kan worden gekomen tot het aangaan
                                van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7 van deze
                                verordening, het kostenverhaal in daarvoor in aanmerking komende
                                gevallen kan plaatsvinden door middel van de vaststelling van een
                                baatbelasting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De kostenbegroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De kostenbegroting bevat in elk geval de volgende gegevens:</al><al>1. Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het in
                                exploitatie brengen van gronden verband houdende kosten, te
                                weten:</al><al>a. de inbrengwaarde van de binnen het exploitatiegebied gelegen
                                gronden, zijnde de waarde van de grond vermeerderd met de waarde van
                                de opstallen die voor de verwezenlijking van de bestemming niet
                                gehandhaafd kunnen worden, en met de kosten van vrijmaken van
                                opstallen – met inbegrip van de zich in de grond bevindende resten,
                                zoals funderingen, leidingen en kabels – persoonlijke rechten en
                                lasten, eigendom, bezit of beperkt recht, zakelijk lasten alsmede de
                                kosten van schadevergoedingen;</al><al>b. de kosten van planontwikkeling, -voorbereiding en -beheer en
                                toezicht. Onder deze kosten wordt ten minste verstaan: de kosten
                                verband houdende met het opstellen van structuur- en
                                bestemmingsplannen, het opstellen van planmatige uitwerkingen of
                                wijzigingen, het vervaardigen van besluiten tot het verlenen van
                                vrijstelling van een bestemmingsplan alsmede van overige
                                planologische maatregelen voor zoveel deze nodig zijn voor het in
                                exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied;</al><al>c. de kosten van de in artikel 2 genoemde voorzieningen van openbaar
                                nut, voorzover deze verband houden met het verlenen van medewerking
                                aan het in exploitatie brengen van gronden binnen het
                                exploitatiegebied, alsmede de daarmee verband houdende kosten van
                                onderzoeken, voorbereiding, en toezicht;d. de kosten van het
                                gemeentelijk apparaat, voorzover dit rechtstreeks aan het in
                                exploitatie brengen van gronden kan worden toegerekend;e. de rente
                                van geïnvesteerde kapitalen en overige lasten verminderd met
                                renteopbrengsten;f. overige kosten die in beginsel ten laste van de
                                grondexploitatie behoren te worden gebracht.</al><al>2. Een raming van de met het verlenen van medewerking aan het in
                                exploitatie brengen van gronden verband houdende opbrengsten,
                                bestaande uit:</al><al>a. doelsubsidies;</al><al>b. verkoop van gronden;</al><al>c. bijdragen in de kosten van aanleg van voorzieningen van openbaar
                                nut, hetzij via overeenkomst hetzij via baatbelasting;</al><al>d. overige bijdragen.</al><al>3. De wijze van toerekening van de totale onder sub 1. en 2. van dit
                                artikellid bedoelde kosten en opbrengsten aan de onroerende zaken in
                                het exploitatiegebied naar de mate van de baat die de onroerende
                                zaken hebben van het samenhangend geheel van voorzieningen van
                                openbaar nut zoals bedoeld in artikel 2 van deze verordening.De mate
                                van baat wordt aangeduid met inachtneming van hetgeen hieromtrent in
                                artikel 6 is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de opstelling van de kostenbegroting wordt ervan uitgegaan dat
                                het exploitatiegebied in zijn geheel door de gemeente in exploitatie
                                zal worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Periodiek wordt nagegaan of optredende loon- en/of prijswijzigingen
                                danwel andere optredende wijzigingen met betrekking tot het in
                                exploitatie brengen van gronden binnen het exploitatiegebied
                                aanleiding geven om de kostenbegroting te herzien. Het besluit tot
                                herziening van de kostenbegroting wordt bekendgemaakt overeenkomstig
                                artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid, onder 1, sub a. is niet van
                                toepassing ten aanzien van de binnen een exploitatiegebied gelegen
                                en gebate gronden die als gevolg van de voorzieningen van openbaar
                                nut niet geschikt worden voor bebouwing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Naast het bepaalde in het vierde lid wordt de raming van de in het
                                eerste lid, onder 1, sub a. bedoelde inbrengwaarde van de gronden
                                beperkt tot de gronden die zijn bestemd voor het treffen van
                                voorzieningen van openbaar nut, ingeval er sprake is van een
                                exploitatiegebied waarvoor geldt dat de voorzieningen van openbaar
                                nut niet in hoofdzaak gericht zijn op het geschikt maken voor
                                bebouwing van onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Grondslag voor toerekening baat</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de toerekening van de baat wordt als rekeneenheid gebruikt het
                                gemiddelde bedrag van de ten nutte van het exploitatiegebied
                                gemaakte of te maken kosten per m² grondoppervlakte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder de grondoppervlakte zoals bedoeld in het eerste lid, wordt
                                verstaan de kadastrale oppervlakte van de gebate onroerende zaken,
                                waar mogelijk ingedeeld naar de in een bestemmingsplan opgenomen
                                geprojecteerde kavels (bouw)grond, vermenigvuldigd met factoren voor
                                ligging en bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid, waarin de
                                baat van de van gemeentewege getroffen voorzieningen van openbaar
                                nut tot uitdrukking komt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ingeval de toerekening op basis van m² grondoppervlakte onvoldoende
                                uitdrukking geeft aan de in het exploitatiegebied opgenomen
                                verschillen in toerekening van baat, geschiedt de toerekening op
                                basis van een nader in de kostenbegroting zoals bedoeld in artikel 5
                                te bepalen grondslag die voorziet in de aanwezige verschillen in
                                baat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud exploitatieovereenkomst</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het verhaal van kosten van het treffen van voorzieningen van
                                openbaar nut vindt, voor wat betreft de in het exploitatiegebied
                                liggende onroerende zaken die niet in eigendom zijn van de gemeente,
                                indien dienaangaande tot overeenstemming kan worden gekomen met de
                                exploitant, plaats op basis van een exploitatieovereenkomst. Van de
                                exploitatieovereenkomst wordt een akte opgemaakt. Indien het afstand
                                doen van gronden, zoals bedoeld in het derde lid onder d., onderdeel
                                uitmaakt van de overeenkomst, wordt hiervan een notariële akte
                                opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>3. Burgemeester en wethouders besluiten tot het aangaan van een
                                exploitatieovereenkomst nadat een kostenbegroting zoals bedoeld in
                                artikel 5, is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De overeenkomst zoals bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder
                                geval bepalingen omtrent:</al><al>a. de aard en de omvang van de door de gemeente te treffen
                                voorzieningen van openbaar nut;</al><al>b. het tijdvak waarbinnen de onder a. genoemde voorzieningen zullen
                                worden uitgevoerd;</al><al>c. de ten laste van de exploitant komende bijdrage, vastgesteld
                                volgens de artikelen 5 en 6;</al><al>d. in voorkomende gevallen het afstand doen van gronden aan de
                                gemeente, voorzover die gronden zijn bestemd voor de aanleg c.q.
                                aanpassing van voorzieningen van openbaar nut.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In het geval toepassing is gegeven aan artikel 3, tweede lid, kan in
                                de exploitatieovereenkomst, onverminderd het gestelde in het derde
                                lid, worden bepaald dat:</al><al>a. ten behoeve van de door exploitant uit te voeren werken een
                                aannemingsovereenkomst wordt gesloten, waarbij de gemeente als
                                opdrachtgever en de exploitant als aannemer wordt aangemerkt, en de
                                directievoering en het toezicht op de door de exploitant uit te
                                voeren werken geschieden door of vanwege de gemeente;</al><al>b. de aanneemsom in de onder a. genoemde overeenkomst wordt
                                vastgesteld op een pro-formabedrag van € 1,--, zulks met
                                inachtneming van hetgeen in artikel 8, derde lid is bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vaststelling exploitatiebijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 7 genoemde exploitant betaalt als bijdrage in de
                                kosten van voorzieningen van openbaar nut het bedrag dat volgens de
                                in de artikelen 5 en 6 opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak
                                wordt toegerekend, vermeerderd met de kosten op de afstand van de in
                                artikel 7, derde lid, sub d. bedoelde gronden vallende en de kosten
                                van kadastrale uitmeting, verminderd met de inbrengwaarde zoals
                                bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub 1., onder a. van de bij de
                                exploitant in eigendom zijnde of door exploitant in eigendom te
                                verkrijgen gebate gronden, en van de gronden die zijn bestemd voor
                                het treffen van voorzieningen van openbaar nut en door exploitant
                                aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De waarde van de door de exploitant ingebrachte grond, zoals bedoeld
                                in het eerste lid, wordt door de gemeente in overeenstemming met de
                                exploitant op basis van taxatie vastgesteld. Bij het ontbreken van
                                overeenstemming wordt de waarde van de gronden vastgesteld door een
                                commissie van drie deskundigen, van wie een aan te wijzen door de
                                gemeente, een door de exploitant en een door de beide reeds
                                aangewezen deskundigen.Wordt over de aanwijzing van laatstgenoemde
                                deskundige geen overeenstemming verkregen, dan maken de aangewezen
                                deskundigen tezamen dit bekend aan de opdrachtgevers, waarna de
                                meest gerede partij, onder bekendmaking aan de wederpartij, de
                                kantonrechter in het kanton waartoe de gemeente behoort, kan
                                verzoeken deze deskundige te benoemen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit
                                artikel wordt in het geval toepassing wordt gegeven aan artikel 3,
                                tweede lid, de ten laste van de exploitant komende bijdrage als
                                volgt bepaald:</al><al>a. de bijdrage zoals deze op grond van de in de artikelen 5 en 6
                                opgenomen wijze aan zijn onroerende zaak wordt toegerekend, wordt
                                vermeerderd met de kosten op de afstand van de in artikel 7, derde
                                lid, sub d. bedoelde gronden vallende en de kosten van kadastrale
                                uitmeting;</al><al>b. de onder a. genoemde bijdrage wordt verminderd met:</al><al>1. de inbrengwaarde van alle tot de onroerende zaak van exploitant
                                behorende gronden. Het bepaalde in het tweede lid van dit artikel is
                                van overeenkomstige toepassing;</al><al>2. het in de kostenbegroting opgenomen bedrag aan kosten zoals
                                bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub 1, onder b. tot en met f.,
                                voorzover de uitvoering van de daarmee verband houdende werken en
                                werkzaamheden voor risico en rekening komt van de exploitant.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien het bepaalde in artikel 5, vierde en/of vijfde lid toepassing
                                heeft verkregen, wordt de ten laste van de exploitant komende
                                bijdrage bepaald op de voet van lid 1 en 3 van dit artikel, met dien
                                verstande dat de in het eerste lid en derde lid onder b, sub 1.
                                bedoelde vermindering beperkt is tot de inbrengwaarde van de gronden
                                die zijn bestemd voor het treffen van voorzieningen van openbaar nut
                                en door de exploitant aan de gemeente worden afgestaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De ten laste van exploitant komende bijdrage wordt als volgt voldaan
                                aan de gemeente:</al><al>a. bij het tekenen van de exploitatieovereenkomst: de tot dat moment
                                gemaakte gemeentelijke kosten;</al><al>b. bij het verstrekken van de opdracht tot bouwrijp maken: de
                                voorgecalculeerde ambtelijke inzet ter zake van het bouwrijp maken,
                                vermeerderd met de bijdrage bovenwijkse voorzieningen en bijdrage
                                kunstfonds over de kosten van het gehele project;</al><al>c. bij het verstrekken van de opdracht tot woonrijp maken: de
                                voorgecalculeerde ambtelijke inzet ter zake van het woonrijp
                                maken/afbouw.”</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Exploitatie op verzoek van exploitant</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een belanghebbende kan burgemeester en wethouders verzoeken tot het
                                verlenen van medewerking met betrekking tot het in exploitatie
                                brengen van gronden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de aanvraag dient in ieder geval te worden gevoegd:</al><al>a. een nauwkeurige omschrijving van de in exploitatie te brengen
                                onroerende zaken;</al><al>b. gegevens waaruit blijkt dat de belanghebbende de eigendom van de
                                in exploitatie te brengen onroerende zaken heeft verkregen of kan
                                verkrijgen;</al><al>c. gegevens omtrent de door belanghebbende te treffen
                                (bouw)werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In geval door burgemeester en wethouders een aanvraag voor een
                                bouwvergunning zoals bedoeld in de Woningwet, eventueel in
                                combinatie met een verzoek om vrijstelling wordt ontvangen, waarbij
                                in geval van verlening van de vrijstelling en/of bouwvergunning van
                                gemeentewege voorzieningen van openbaar nut zoals bedoeld in artikel
                                2 van deze verordening moeten worden getroffen, wordt dit vóór de
                                beslissing op de aanvraag bekendgemaakt aan de aanvrager. Daarbij
                                wordt een door burgemeester en wethouders vast te stellen aanduiding
                                van het exploitatiegebied en de kostenbegroting aan de exploitant
                                bekendgemaakt. Het bepaalde in artikel 5, met uitzondering van het
                                bepaalde in de slotzin van het derde lid, is van overeenkomstige
                                toepassing. Tevens wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld een
                                aanvraag in te dienen bij burgemeester en wethouders voor
                                medewerking met betrekking tot het in exploitatie brengen van
                                gronden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen zes maanden na ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Beslissing op de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verlenen slechts medewerking aan het op
                                verzoek van exploitant in exploitatie brengen van gronden krachtens
                                een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7, met dien verstande dat
                                de in artikel 7 bedoelde kostenbegroting en de daarmee verband
                                houdende aanduiding van het exploitatiegebied wordt vastgesteld door
                                burgemeester en wethouders. De kostenbegroting en de aanduiding van
                                het exploitatiegebied worden bekendgemaakt aan de exploitant. Het
                                bepaalde in artikel 5, derde lid, slotzin is niet van
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De medewerking behoeft niet te worden verleend, indien:</al><al>a. de in exploitatie te brengen grond niet is gelegen in een gebied
                                waarvoor een bestemmingsplan, gericht op de voorgenomen exploitatie
                                van gronden, geldt;</al><al>b. de door exploitant aangegeven (bouw)werkzaamheden zouden leiden
                                tot strijd met de Woningwet;</al><al>c. het treffen van de voorzieningen van openbaar nut, hoewel
                                overeenkomstig een bestemmingsplan, anderszins zou leiden tot strijd
                                met belangen van een doeltreffende uitbreiding van bebouwing en/of
                                herinrichting;</al><al>d. het in exploitatie brengen van grond anderszins tot grote kosten
                                of bezwaren zou leiden, met name ten aanzien van het doeltreffend
                                voorzien in watervoorziening, openbare verlichting, riolering,
                                etc.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De beslissing omtrent een aanvraag kan worden aangehouden:</al><al>a. ingeval de procedure tot goedkeuring van een van toepassing zijnd
                                bestemmingsplan of herziening daarvan nog niet is afgerond, tot vier
                                weken na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan of de
                                herziening daarvan;</al><al>b. ingeval voorzienbaar is dat de in het tweede lid genoemde
                                belemmeringen binnen afzienbare tijd zullen kunnen worden
                                weggenomen, tot vier weken nadat deze belemmeringen zijn
                                weggenomen</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien een aanvraag is ingekomen met betrekking tot een onroerende
                                zaak, voor welke werken in het daarbij behorende exploitatiegebied
                                reeds een kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is
                                genomen, maken burgemeester en wethouders dit aan de exploitant
                                bekend.Naast de hiervoor genoemde bekendmaking wordt aan exploitant
                                tevens een ontwerpovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7,
                                aangeboden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>IV</nr><titel>Relatie gronduitgifte en andere kostenverhaalsinstrumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Relatie baatbelasting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In een gebied waarvoor een kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in
                                artikel 4 is genomen, zal, indien een exploitant een overeenkomst
                                zoals bedoeld in artikel 7 aangaat, in de overeenkomst worden
                                bepaald dat met betrekking tot de uitvoering van de in deze
                                overeenkomst genoemde voorzieningen van openbaar nut geen aanvullend
                                kostenverhaal op basis van baatbelasting ten laste van de
                                desbetreffende onroerende zaak zal plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een exploitant, in een gebied waarvoor een
                                kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld in artikel 4 is opgenomen, niet
                                bereid is tot het aangaan van de in artikel 7 genoemde overeenkomst,
                                maken burgemeester en wethouders aan exploitant bekend dat het
                                kostenverhaal kan plaatsvinden door middel van een baatbelasting,
                                zulks overeenkomstig de bepalingen als opgenomen in het
                                kostenverhaalsbesluit.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Relatie andere overeenkomsten</titel></kop><al>Indien van gemeentewege een overeenkomst wordt aangegaan die naast het
                            kostenverhaal van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van het in
                            exploitatie brengen van gronden nog andere elementen bevat, dan vindt de
                            vaststelling van de via een dergelijke overeenkomst tot stand gekomen
                            exploitatiebijdrage in de kosten van voorzieningen van openbaar nut
                            plaats op basis van het gestelde in deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>V</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de
                                datum van inwerkingtreding van deze verordening met het treffen van
                                voorzieningen van openbaar nut is aangevangen, deze voorzieningen
                                niet geheel zijn voltooid en waarvoor geen kostenverhaalsbesluit of
                                afzonderlijke kostenbegroting is vastgesteld, vinden de bepalingen
                                van deze verordening voor dat exploitatiegebied, voorzover nodig, op
                                een aan die situatie aangepaste wijze toepassing. In elk geval geldt
                                daarbij dat, indien binnen dat exploitatiegebied wordt gekomen tot
                                een exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7, de
                                vaststelling van de daarin op te nemen financiële bijdrage geschiedt
                                op basis van een door de gemeenteraad vast te stellen
                                kostenbegroting zoals bedoeld in artikel 5. Het besluit tot
                                vaststelling van de kostenbegroting wordt bekendgemaakt
                                overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Ten aanzien van een exploitatiegebied waarvoor geldt dat voor de
                                datum van inwerkingtreding van deze verordening een
                                kostenverhaalsbesluit of afzonderlijke kostenbegroting is
                                vastgesteld, blijft de "Exploitatieverordening 1995, laatstelijk
                                gewijzigd bij besluit d.d. 29 oktober 1998" van toepassing tot twee
                                jaren nadat de ten behoeve van dat exploitatiegebied getroffen en/of
                                te treffen voorzieningen van openbaar nut geheel zijn voltooid met
                                dien verstande dat, voorzover van belang, in afwijking van de
                                laatstgenoemde exploitatieverordening, het aangaan van
                                overeenkomsten geschiedt door burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Ten aanzien van een voor de datum van inwerkingtreding van deze
                                verordening ontvangen aanvraag tot het verlenen van medewerking aan
                                het in exploitatie brengen van gronden, waarop voor de datum van
                                inwerkingtreding van deze verordening niet is beslist, blijft de
                                "Exploitatieverordening 1995, laatstelijk gewijzigd bij besluit d.d.
                                29 oktober 1998" van toepassing tot op de aanvraag is beslist, met
                                dien verstande dat, indien tot het treffen van voorzieningen van
                                openbaar nut wordt besloten, laatstgenoemde verordening van
                                toepassing blijft tot twee jaren nadat de te treffen voorzieningen
                                van openbaar nut geheel zijn voltooid en, voorzover van belang, in
                                afwijking van de laatstgenoemde exploitatieverordening, het aangaan
                                van overeenkomsten geschiedt door burgemeester en wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand
                                volgende op die waarin de bekendmaking ingevolge artikel 139 van de
                                Gemeentewet heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op hetzelfde tijdstip vervalt de "Exploitatieverordening 1995,
                                laatstelijk gewijzigd bij besluit d.d. 29 oktober 1998", met dien
                                verstande dat zij van toepassing blijft voor de gevallen zoals
                                bedoeld in artikel 13, tweede en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Exploitatieverordening
                            gemeente Druten 2004".</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad der gemeente Druten
                        d.d. 11 december 2003.</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening> G.B. Gnodde. A.P.M. Aelberts.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Toelichting op de Exploitatieverordening gemeente Druten 2004</titel></kop><al>Steeds meer wordt de gemeente geconfronteerd met het niet-volledig uit kunnen
                    voeren van actieve grondpolitiek. Dit houdt in dat naast de door de gemeente te
                    verwerven gronden, die vervolgens bouwrijp worden gemaakt en tenslotte worden
                    uitgegeven, steeds meer particuliere initiatieven tot grondexploitatie
                    ontstaan.In dergelijke situaties, waarbij zowel gemeentelijke als particuliere
                    grondexploitatie plaatsvindt, is de gemeente verantwoordelijk voor de aanleg van
                    de benodigde infrastructurele werken zoals wegen, straten, riolering, etc.Door
                    middel van de actieve grondpolitiek worden deze kosten doorberekend aan de
                    netto-uitgeefbare bouwterreinen. In geval van particuliere grondexploitatie is
                    een dergelijke doorberekening niet mogelijk, simpelweg vanwege het feit dat de
                    grond niet in eigendom is van de gemeente.Toch is het uit een oogpunt van
                    gelijkheid en rechtszekerheid rechtvaardig dat ook particuliere
                    grondexploitanten een (financiële) bijdrage leveren in de kosten van de
                    eerdergenoemde voorzieningen. Deze bijdrage wordt dan bepaald op basis van de
                    baat die deze (bouw)gronden hebben bij de aanleg van genoemde werken.In artikel
                    42 WRO is bepaald dat de gemeenteraad een verordening behoort vast te stellen
                    die de voorwaarden bevat waaronder de gemeente medewerking verleent aan het in
                    exploitatie brengen van gronden. Deze verordening wordt ‘Exploitatieverordening’
                    genoemd. </al><al>De verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><al>a. Voorafgaande aan de realisatie van een bestemmingsplan moet duidelijkheid
                    ontstaan omtrent de risico’s die verbonden zijn aan het niet-volledig kunnen
                    verwerven van de desbetreffende gronden. Aan de hand van deze risico’s zal door
                    middel van een raadsbesluit moeten worden vastgesteld of, en zo ja op welke
                    wijze, kostenverhaal zal plaatsvinden. Op deze wijze ontstaat vooraf
                    duidelijkheid voor alle betrokkenen.Deze werkwijze sluit aan bij de op 26 juli
                    1991 in werking getreden wijziging van de gemeentewet-oud, i.c. de wijziging van
                    de bouwgrond- en baatbelasting (Stb. 394). In deze wet wordt het nemen van een
                    bekostigingsbesluit voordat wordt aangevangen met de voorzieningen van openbaar
                    nut, verplicht gesteld. Deze verplichting is eveneens van toepassing op de baat-
                    en bouwgrondbelasting, zoals opgenomen in de artikelen 221 respectievelijk 222
                    van de Gemeentewet zoals deze gold tot 1 januari 1995. Tenslotte is de
                    vaststelling van een bekostigingsbesluit ook van toepassing op de baatbelasting
                    (nieuwe stijl), die in de Gemeentewet is opgenomen ter vervanging van de
                    voorheen geldende baat- en bouwgrondbelasting (zie artikel 222 van de
                    Gemeentewet zoals dat luidt per 1 januari 1995). Het opnemen van een
                    kostenverhaalsbesluit in de exploitatieverordening verduidelijkt dan ook de
                    samenhang tussen het kostenverhaal via exploitatieovereenkomst enerzijds en het
                    verhaal op basis van een baatbelasting anderzijds.</al><al>b. Op basis van het onder a. genoemde uitgangspunt wordt de wijze van
                    toerekening van baat via de methoden van exploitatieovereenkomst en
                    baatbelasting zo veel mogelijk op elkaar afgestemd. Dit betekent, dat de in de
                    exploitatieverordening opgenomen systematiek van baattoerekening is aangepast op
                    een gerelateerd aan de fiscale verhaalsmethode.</al><al>c. Het onder a. genoemde uitgangspunt brengt met zich mee dat de
                    exploitatieovereenkomst zowel op initiatief van de gemeente als op basis van een
                    verzoek van exploitant kan worden aangegaan.Gelet op de thans opgenomen
                    werkwijze zal een aanvraag tot het sluiten van een exploitatieovereenkomst in de
                    regel alleen nog voorkomen in situaties waarbij incidentele voorzieningen moeten
                    worden getroffen, vaak speciaal ten behoeve van exploitant. In de meeste overige
                    gevallen zal immers steeds sprake zijn van de werking van een
                    kostenverhaalsbesluit.</al><al>d. De opsomming van de verschillende voorzieningen van openbaar nut is
                    uitgebreid met die werken welke als gevolg van onder meer de milieuwetgeving
                    vaak noodzakelijk zijn ten behoeve van de uitvoering van een
                    bestemmingsplan.</al><al>Tenslotte wordt opgemerkt dat de verordening is aangepast aan de gevolgen van de
                    invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur per 7 maart 2002.</al><al>Hieronder volgt een artikelsgewijze toelichting.</al><al/><al><vet>Afdeling I: Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De exploitatieverordening is van toepassing indien medewerking wordt verleend
                    aan het in exploitatie brengen van gronden. Hieronder wordt verstaan: het van
                    gemeentewege treffen van voorzieningen van openbaar nut, waardoor een onroerende
                    zaak wordt gebaat.Met deze definitie wordt aangesloten bij de definitie van de
                    baatbelasting. Dit betekent, dat ook in gevallen waarbij voorzieningen worden
                    getroffen waardoor een reeds bebouwde onroerende zaak wordt gebaat, het sluiten
                    van een exploitatieovereenkomst mogelijk is.In het tweede lid is bepaald dat de
                    gemeenteraad gebieden kan aanwijzen die als een ‘exploitatiegebied’ zullen
                    gelden. Hiermee wordt het bijvoorbeeld mogelijk onroerende zaken die in het
                    kader van de stads- en dorpsvernieuwing binnen de bebouwde kom worden
                    heringericht, etc. in voorkomende gevallen onder de werking van deze verordening
                    te laten vallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Voorzieningen van openbaar nut</vet></al><al>in de omschrijving van de voorzieningen van openbaar nut is, gelet op de
                    vigerende jurisprudentie, de aanleg van rioolwaterzuiveringsinstallaties niet
                    opgenomen. Dergelijke inrichtingen worden – vanwege het doel van deze werken –
                    niet gerekend tot die werken welke nodig zijn voor het in exploitatie brengen
                    van gronden.Als voorzieningen van openbaar nut worden verder aangemerkt het
                    uitvoeren van bodemonderzoek en -sanering, voorzover dit betrekking heeft op de
                    ondergrond van voorzieningen van openbaar nut en voorzover de daarmee verband
                    houdende kosten niet op een andere wijze kunnen worden verhaald. Hierbij moet
                    met name worden gedacht aan het verhaal van kosten bodemsanering, zoals onder
                    meer is bepaald in de Wet bodembescherming.Ingeval kostenverhaal op derden
                    echter niet (geheel) mogelijk is, is het redelijk om de ten laste van de
                    gemeente blijvende nettokosten te verhalen via een gemeentelijke en particuliere
                    grondexploitatie.Dit geldt ook voor de maatregelen die op basis van de vigerende
                    milieuwetgeving nodig zijn voor de realisatie van bestemmingsplannen. Gedacht
                    moet worden aan het treffen van geluidwerende voorzieningen, maar ook aan het
                    verwijderen van bedrijvigheid die stankoverlast of andersoortige hinder
                    veroorzaakt.Ten slotte is aangegeven dat ook werken die als zogenaamde
                    ‘bovenwijkse voorzieningen’ worden beschouwd, kunnen worden aangemerkt als
                    voorzieningen van openbaar nut, voorzover deze werken direct danwel indirect
                    baat opleveren voor de in het exploitatiegebied liggende onroerende zaken.De
                    kosten van bovenwijkse voorzieningen worden in de regel via een fondsopslag in
                    de kostprijs verwerkt. Het is daarbij van belang dat een dergelijke omslag van
                    kosten steeds op een juiste wijze beleidsmatig wordt onderbouwd. Dit kan
                    bijvoorbeeld, indien de gemeente beschikt over een structuurplan, reeds
                    geschieden bij de vaststelling van het structuurplan. De beleidsmatige
                    onderbouwing kan echter zonder bezwaren tevens plaatsvinden op basis van een
                    beleidsnota, waarbij de toerekening van de kosten van bovenwijkse voorzieningen
                    over de diverse toekomstige en eventuele bestaande bestemmingsplannen wordt
                    onderbouwd.</al><al/><al><vet>Afdeling II: Exploitatie op initiatief van de gemeente</vet></al><al><vet>Artikel 3. Uitvoering van voorzieningen van openbaar nut</vet></al><al>Hoewel het sluiten van een exploitatieovereenkomst nimmer zal kunnen en mogen
                    worden afgedwongen, wordt in dit artikel bepaald dat de eerdergenoemde
                    voorzieningen van openbaar nut alleen door of met medewerking van de gemeente
                    kunnen worden aangelegd. Het primaat met betrekking tot de aanleg van
                    voorzieningen van openbaar nut ligt derhalve bij de gemeente.In sommige gevallen
                    zal een particuliere exploitant in staat en bereid kunnen zijn tot het
                    zelfstandig treffen van dergelijke voorzieningen van openbaar nut op de gronden
                    die in eigendom zijn van de exploitant.Aangezien het daarbij steeds gaat om
                    openbare voorzieningen, zal deze particuliere uitvoering alleen dan mogelijk
                    zijn, indien garanties aanwezig zijn omtrent met name de kwaliteit van de
                    uitvoering. De door de gemeente te stellen kwaliteitseisen zullen overeen moeten
                    komen met die eisen welke zij zichzelf steeds stelt bij de aanleg van dergelijke
                    voorzieningen. Wel zijn garanties nodig in de vorm van tijdige uitvoering,
                    kwaliteitseisen, garantieregeling in geval van wanprestatie, overdracht van
                    voorzieningen van openbaar nut aan gemeente, etc. Dergelijke aanvullende eisen
                    zijn opgenomen in artikel 7, vierde lid van deze verordening.De uitvoering van
                    openbare voorzieningen door de exploitant zal niet betekenen dat geen financiële
                    bijdrage aan de gemeente is verschuldigd. Ook indien wordt gekomen tot het zelf
                    uitvoeren van bepaalde werken, is het redelijk dat alsnog een financiële
                    bijdrage wordt verleend in de kosten van onder meer planvoorbereiding, ambtelijk
                    apparaat, bovenwijkse voorzieningen alsmede in de (extra) kosten van
                    voorbereiding en toezicht. In het derde lid van dit artikel alsmede in artikel
                    8, derde lid is hiervoor een regeling opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Vaststelling kostenverhaalsbesluit</vet></al><al>Kostenverhaal bij bouwgrondexploitatie is in de meeste gevallen aan de orde bij
                    de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan. In de meeste gevallen gaat de
                    gemeente ervan uit alle gronden in een dergelijk plan te zullen verwerven. Deze
                    gronden zullen vervolgens bouwrijp worden gemaakt en worden uitgegeven.Steeds
                    meer wordt, vaak pas lopende de realisatie van een bestemmingsplan, duidelijk
                    dat niet alle gronden in eigendom zullen kunnen worden verkregen.Ter voorkoming
                    van problemen met betrekking tot het kunnen uitvoeren van kostenverhaal (bijv.
                    voorzieningen zijn reeds twee jaar geleden getroffen) alsmede in belang der
                    rechtszekerheid is de bepaling opgenomen dat voordat met de uitvoering van
                    werken wordt begonnen, door de gemeenteraad wordt bepaald volgens welke
                    strategie de te maken kosten worden verhaald.Daarbij wordt aangegeven via een
                    kostenbegroting welke voorzieningen worden getroffen alsmede wat de omvang zal
                    zijn van het gebied dat door deze voorzieningen zal worden gebaat. In sommige
                    gevallen kan dit baatgebied afwijken van het gebied zoals dat is bepaald via de
                    gangbare exploitatieopzet.Belangrijk bij het nemen van een kostenverhaalsbesluit
                    is de strategie die toegepast zal gaan worden bij het verhaal van kosten.
                    Uitgangspunt zal daarbij blijven dat de gemeente de voorkeur uitspreekt voor het
                    zelf aankopen en vervolgens uitgeven van deze gronden. Mocht dit niet lukken,
                    dan zullen de particuliere exploitanten in eerste instantie een
                    exploitatieovereenkomst voorgelegd krijgen, waarmee op basis van
                    wilsovereenstemming tot kostenverhaal kan worden gekomen.Mocht men hiertoe niet
                    bereid zijn, dan zal in het besluit worden aangegeven dat aanvullend
                    kostenverhaal via baatbelasting kan plaatsvinden. Onder baatbelasting wordt in
                    deze verordening verstaan: de baatbelasting (nieuwe stijl) die ter vervanging
                    van de tot 1 januari 1995 geldende baat- en bouwgrondbelasting de in de
                    Gemeentewet is opgenomen (zie artikel 222 van de Gemeentewet zoals dat luidt na
                    de inwerkingtreding van de Invoeringswet van de wet materiële
                    belastingbepalingen Gemeentewet (Stb. 1994, 420)). Hiermee zal dan tevens zijn
                    voldaan aan de in artikel 222 Gemeentewet opgenomen verplichting tot het
                    vaststellen van een bekostigingsbesluit.Het kostenverhaalsbesluit wordt
                    bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 Gemeentewet.Op grond van artikel 2, sub
                    c. maakt de kostenbegroting onderdeel uit van het kostenverhaalsbesluit. In de
                    praktijk is het niet in alle gevallen mogelijk de begrotingscijfers ten tijde
                    van de vaststelling van het kostenverhaalsbesluit geheel gereed te hebben. Om
                    deze reden is onder c. bepaald dat de kostenbegroting ook later kan worden
                    vastgesteld. In dat geval dient de kostenbegroting nog afzonderlijk te worden
                    bekendgemaakt overeenkomstig artikel 139 van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Artikel 5. De kostenbegroting</vet></al><al>In de kostenbegroting zijn de kosten en opbrengsten verband houdende met het
                    verlenen van medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden opgenomen.
                    Benadrukt is dat er een directe relatie aanwezig dient te zijn tussen de
                    verschillende kosten- en opbrengstelementen en het exploitatiegebied. Gezien de
                    diversiteit van de werken en werkzaamheden is het niet mogelijk een limitatieve
                    opsomming van de met de medewerking verband houdende kosten te geven. Dit zal
                    van geval tot geval kunnen verschillen. De wijze van toerekening zal
                    plaatsvinden op basis van de baat die alle in het exploitatiegebied opgenomen
                    onroerende zaken zullen hebben van de te treffen voorzieningen van openbaar nut.
                    Dit geldt derhalve zowel voor de gronden die bestemd zijn voor gemeentelijke
                    gronduitgifte, als de gronden die bestemd zijn voor particuliere exploitatie. De
                    mate van baat kan daarbij onderling variëren als gevolg van verschillen in
                    ligging, bestemming en objectieve gebruiksmogelijkheid van de desbetreffende
                    onroerende zaak. Het uitgangspunt bij de opstelling van de kostenbegroting zal
                    steeds zijn, dat het totale gebied door de gemeente in exploitatie zal worden
                    gebracht. Hiermee wordt de afstemming bereikt met de uitgangspunten die zijn
                    neergelegd in de gemeentelijke exploitatieopzet. Opgemerkt wordt dat de in
                    artikel 5 opgenomen eisen gelden voor zowel een kostenbegroting behorende bij
                    een kostenverhaalsbesluit, als een begroting die naar aanleiding van een
                    aanvraag om medewerking (gebaseerd op afdeling III van de
                    Exploitatieverordening) wordt vastgesteld.Uitgangspunt voor de opstelling van de
                    kostenbegroting is dat de inbrengwaarde van alle gebate onroerende zaken en de
                    gronden bestemd voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, in de
                    kostenbegroting wordt opgenomen. Deze inbrengwaarde kan daarmee ook betrekking
                    hebben op onroerende zaken die wel door de voorzieningen gebaat worden maar niet
                    als gevolg van die voorzieningen geschikt worden voor bebouwing. Hierbij kan
                    bijvoorbeeld worden gedacht aan bestaande te handhaven bebouwing binnen een
                    exploitatiegebied.Op grond van het gestelde in het vierde lid wordt bereikt dat
                    de inbrengwaarde van deze gronden niet in de kostenbegroting behoeft te worden
                    opgenomen.De aanduiding ‘geschikt worden voor bebouwing’ is afkomstig van de tot
                    1 januari 1995 geldende bouwgrondbelasting en maakte onderdeel uit van de drie
                    voor deze belastingen bestaande rechtsgronden (nl. het geschikt worden voor
                    bebouwing, het beter geschikt worden voor bebouwing alsmede het in een
                    voordeligere positie komen te verkeren van onroerende zaken als gevolg van de te
                    treffen voorzieningen).Naast de toepassing in de grondexploitatie is de
                    exploitatieverordening eveneens van toepassing op het verhaal van kosten van
                    baatopleverende voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de
                    grondexploitatie. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om de herinrichting van
                    centrumgebieden of de aanleg van riolering in het buitengebied. In het vijfde
                    lid is bepaald dat de inbrengwaarde van de gebate objecten niet in de
                    kostenbegroting behoeft te worden opgenomen, indien de te treffen voorzieningen
                    in hoofdzaak niet gericht zijn op het geschikt maken voor bebouwing van
                    onroerende zaken. Wel is het mogelijk de inbrengwaarde van de tot voorzieningen
                    van openbaar nut bestemde gronden in de begroting op te nemen.De toepassing van
                    het vierde en vijfde lid kan met zich meebrengen dat de in de beide artikelleden
                    beschreven situaties zich gelijktijdig kunnen voordoen. Dit zal het geval zijn,
                    indien er sprake is van bijvoorbeeld de aanleg van niet tot de grondexploitatie
                    behorende voorzieningen voor onder meer bestaande bebouwing.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Grondslag voor toerekening baat</vet></al><al>Om de aansluiting te verkrijgen met de systematiek van vaststelling van de
                    kostprijs bij gronduitgifte is gekozen voor de rekeneenheid van de vierkante
                    meter grondoppervlakte van de gebate onroerende zaken (zowel bebouwd als
                    onbebouwd). Met toepassing van liggings-, bestemmings- en gebruiksfactoren is
                    het mogelijk in nagenoeg alle gevallen te komen tot een verantwoorde baatomslag
                    ter bepaling van de omvang van de exploitatiebijdrage.Ingeval de
                    grondoppervlaktemethode in bepaalde gevallen niet tegemoet komt aan de aanwezige
                    baatverschillen, biedt de verordening de mogelijkheid tot vaststelling van een
                    afwijkende grondslag.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Inhoud exploitatieovereenkomst</vet></al><al>In dit artikel wordt ervan uitgegaan, dat in navolging van het reeds genomen
                    kostenverhaalsbesluit, het sluiten van een exploitatieovereenkomst als eerste en
                    centrale methode van kostenverhaal is aan te merken.Wij willen duidelijk
                    benadrukken dat het sluiten van een exploitatieovereenkomst – evenals iedere
                    andere overeenkomst – is gebaseerd op wilsovereenstemming. Dit betekent, dat een
                    exploitant niet kan worden verplicht tot het sluiten van een
                    exploitatieovereenkomst. De bevoegdheid tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst ligt, ingevolge artikel 160, eerste lid onder e van de
                    (herziene) Gemeentewet, bij burgemeester en wethouders. In dit kader wordt
                    verwezen naar artikel 169, vierde lid van de (herziene) Gemeentewet:
                    burgemeester en wethouders dienen de raad vooraf in te lichten over de
                    uitoefening van de bevoegdheid tot het aangaan van een overeenkomst, in het
                    geval de raad daarom verzoekt of indien het aangaan van die overeenkomst
                    ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente. In dit laatste geval nemen
                    burgemeester en wethouders geen besluit dan nadat de raad zijn wensen en
                    bedenkingen terzake aan burgemeester en wethouders ter kennis heeft kunnen
                    brengen.Hoewel de kostenbegroting later kan worden vastgesteld, dient in alle
                    gevallen de in een overeenkomst opgenomen exploitatiebijdrage te worden
                    vastgesteld op basis van de kostenbegroting. Om deze reden is in artikel 7,
                    tweede lid bepaald dat burgemeester en wethouders pas kan besluiten tot het
                    aangaan van een exploitatieovereenkomst, nadat de desbetreffende kostenbegroting
                    is vastgesteld. De vaststelling van de kostenbegroting geschiedt, als onderdeel
                    van het kostenverhaalsbesluit, door de gemeenteraad.Gezien het bepaalde in
                    artikel 10, eerste lid van de exploitatieverordening geldt deze voorwaarde ook
                    ingeval de overeenkomst tot stand komt op basis van een aanvraag, met dien
                    verstande dat, ingeval er sprake is van een aanvraag, de kostenbegroting dan
                    wordt vastgesteld door burgemeester en wethouders.Indien wordt overgegaan tot
                    het sluiten van een exploitatieovereenkomst, bevat artikel 7 een aantal
                    voorwaarden waaraan deze overeenkomst in alle gevallen moet voldoen. Naast de
                    vaststelling van een financiële bijdrage is in voorkomende gevallen de bepaling
                    opgenomen dat gronden die bestemd zijn als ondergrond voor voorzieningen van
                    openbaar nut, via deze overeenkomst worden afgestaan aan de gemeente. In de
                    situatie dat er sprake is van een overdracht van gronden, is in het eerste lid
                    de bepaling opgenomen dat van de overeenkomst een notariële akte wordt
                    opgemaakt.In het vierde lid zijn aanvullende bepalingen opgenomen, die kunnen
                    worden toegepast indien de werken geheel of gedeeltelijk worden uitgevoerd door
                    de particuliere exploitant.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Vaststelling exploitatiebijdrage</vet></al><al>Essentieel bij de vaststelling van de financiële bijdrage is het feit dat
                    overeenkomstig artikel 5, tweede lid de kostentoerekening is opgesteld, met het
                    uitgangspunt dat het totale exploitatiegebied door de gemeente in zijn geheel in
                    exploitatie zal worden gebracht.Dit betekent, dat in de kostenbegroting gerekend
                    wordt met een gemiddelde prijs van de inbrengwaarde van alle gronden (ook die
                    van de particuliere eigenaren). Op deze wijze komt een gemiddelde kostprijs tot
                    stand, die daarna – waar nodig – zal worden gecorrigeerd voor verschillen in
                    ligging, etc.Het zal duidelijk zijn dat de particuliere exploitant op deze prijs
                    de waarde van de hem toebehorende gronden (zowel ten behoeve van de exploitatie
                    als ten behoeve van de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) in mindering
                    zal mogen brengen. Omdat deze vermindering kan afwijken van de eerdergenoemde
                    gemiddelde grondinbrengprijs, is een regeling nodig voor bindende vaststelling
                    van deze inbrengwaarde.In het derde lid is bepaald op welke wijze de financiële
                    bijdrage wordt vastgesteld, indien de exploitant overgaat tot het geheel of
                    gedeeltelijk zelf uitvoeren van voorzieningen van openbaar nut. In een
                    dergelijke situatie blijft de financiële bijdrage in de regel beperkt tot de
                    kosten die de gemeente maakt of zal maken in verband met de planuitvoering,
                    -voorbereiding en -toezicht, maar ook met betrekking tot voorzieningen die voor
                    het totale plan gelden danwel een bovenwijks karakter hebben. De omslag van deze
                    voor rekening van de gemeente blijvende kosten vindt plaats overeenkomstig de in
                    artikel 5 en 6 beschreven methode, onder verrekening van de inbrengwaarde van
                    alle tot de onroerende zaak van exploitant behorende gronden. Daarnaast vindt
                    een vermindering plaats van de daarin opgenomen kosten voor voorzieningen,
                    voorzover deze voorzieningen door de exploitant worden gerealiseerd.Als gevolg
                    van de het bepaalde in artikel 5, vierde en vijfde lid dient de wijze van
                    berekening van de exploitatiebijdrage in die situaties dienovereenkomstig te
                    worden aangepast. Aan artikel 8 is een vierde lid toegevoegd, waarin is bepaald
                    dat, indien de in artikel 5, vierde en/of vijfde lid beschreven situatie
                    toepassing heeft verkregen, de wijze van berekening van de bijdrage wordt
                    gehandhaafd, met dien verstande dat de correctie van de inbrengwaarde is beperkt
                    tot de gronden die bestemd zijn voor het treffen van voorzieningen en door de
                    exploitant aan de gemeente in eigendom worden afgestaan.</al><al/><al><vet>Afdeling III: Exploitatie op verzoek van exploitant</vet></al><al><vet>Artikel 9. De aanvraag</vet></al><al>Naast het door de gemeente zelf treffen van voorzieningen van openbaar nut kan
                    het voorkomen dat een particuliere exploitant de gemeente verzoekt tot het
                    treffen van voorzieningen. Vaak zullen dit dan incidentele op zichzelf staande
                    voorzieningen zijn, die specifiek betrekking hebben op de onroerende zaak van
                    een of enkele exploitanten.Gedacht moet hierbij bijvoorbeeld worden aan de
                    situatie waarin een tuincentrum de gemeente verzoekt op basis van artikel 19 Wet
                    op de Ruimtelijke Ordening (WRO) mee te werken aan de uitbreiding van de
                    winkelruimte door middel van een wijziging van een bestemmingsplan. In
                    dergelijke gevallen kan het voorkomen dat van gemeentewege wordt gewezen op de
                    noodzaak van uitbreiding van parkeergelegenheid en bijvoorbeeld de aanleg van
                    een in- en uitvoegstrook vanaf de openbare weg. Dergelijke voorzieningen kunnen
                    onder de werking van afdeling III van deze verordening worden gebracht.Als
                    gevolg van de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur berust de
                    bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten bij burgemeester en wethouders.
                    Om die reden is dan ook bepaald dat aanvragen om medewerking dienen te worden
                    gericht aan burgemeester en wethouders, alsmede dat door burgemeester en
                    wethouders op de aanvraag wordt beslist.In het derde lid van dit artikel is de
                    bepaling opgenomen dat, indien een aanvraag voor een bouwvergunning (eventueel
                    gecombineerd met een verzoek om vrijstelling ex artikel 19 WRO) wordt ingediend
                    waarbij in geval van verlenen van een vrijstelling c.q. bouwvergunning van
                    gemeentewege voorzieningen van openbaar nut moeten worden uitgevoerd, dit
                    voordat over de bouwaanvraag wordt beslist, aan de aanvrager bekend wordt
                    gemaakt.De exploitant (aanvrager) zal daarbij tevens een afschrift ontvangen van
                    de door burgemeester en wethouders vast te stellen kostenbegroting en de daarmee
                    verband houdende aanduiding van het exploitatiegebied. De bekendmakingseis zoals
                    opgenomen in artikel 139 Gemeentewet is in dit kader, nu er geen sprake is van
                    een kostenverhaalsbesluit, niet van toepassing.Aan de hand van deze gegevens is
                    aanvrager in staat voorafgaand aan de beslissing over de bouwaanvraag, een
                    financiële afweging te maken van de aan deze exploitatie verbonden kosten. De
                    aanvrager wordt op dat moment in staat gesteld alsnog een aanvraag in te dienen
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Beslissing op de aanvraag</vet></al><al>Aangegeven is dat de medewerking tot het treffen van voorzieningen alleen kan
                    worden verleend door middel van het sluiten van een overeenkomst op basis van
                    artikel 7 van de verordening.Als gevolg van de invoering van de Wet dualisering
                    gemeentebestuur berust de bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten bij
                    burgemeester en wethouders.In het eerste lid is bepaald dat een overeenkomst
                    eerst kan worden aangegaan, nadat burgemeester en wethouders een kostenbegroting
                    en de aanduiding van het exploitatiegebied hebben vastgesteld. De vastgestelde
                    kostenbegroting en aanduiding van het exploitatiegebied worden aan de exploitant
                    bekendgemaakt.Omdat er geen sprake is van een kostenverhaalsbesluit, is de
                    bekendmakingseis zoals opgenomen in artikel 139 Gemeentewet, niet van
                    toepassing.De kostenbegroting kan derhalve onderdeel uitmaken van een
                    kostenverhaalsbesluit, in welk geval de vaststelling van die begroting geschiedt
                    door de gemeenteraad. Indien er sprake is van een aanvraag (in welke situatie
                    dus geen kostenverhaalsbesluit is genomen), geschiedt de vaststelling van de
                    kostenbegroting en de aanduiding van het exploitatiegebied door burgemeester en
                    wethouders.Daarnaast is een viertal facultatieve gronden opgenomen, waaronder de
                    medewerking kan worden geweigerd. Tevens is een mogelijkheid tot aanhouding van
                    de aanvraag opgenomen in gevallen waarin de procedure van de
                    vaststelling/goedkeuring van een onderliggend bestemmingsplan nog niet is
                    afgerond.Tenslotte is de bepaling opgenomen, dat, ingeval een aanvraag is
                    ontvangen voor een gebied waarvoor reeds een kostenverhaalsbesluit is genomen
                    door de gemeenteraad, laatstgenoemd besluit aan de exploitant bekend wordt
                    gemaakt.Deze bekendmaking zal mede inhouden, dat de gemeenteraad reeds eerder
                    heeft aangegeven dat de onderhavige onroerende zaak wordt gebaat door het
                    treffen van voorzieningen van openbaar nut en het om die reden gerechtvaardigd
                    is dienaangaande kostenverhaal toe te passen. Derhalve zou ook zonder het
                    insturen van een aanvraag de gemeente reeds op eigen initiatief zijn gekomen met
                    een exploitatieovereenkomst.Een en ander betekent, dat de reeds voorgenomen
                    aanbieding van een ontwerp-exploitatieovereenkomst direct kan plaatsvinden,
                    gebaseerd op de kostenbegroting behorende bij het vastgestelde
                    kostenverhaalsbesluit</al><al/><al><vet>Afdeling IV: Relatie gronduitgifte en andere
                        kostenverhaalsinstrumenten</vet></al><al><vet>Artikel 11. Relatie baatbelasting</vet></al><al>In het eerste lid wordt uit een oogpunt van rechtszekerheid aangegeven, dat in
                    een te sluiten exploitatieovereenkomst de bepaling wordt opgenomen dat met
                    betrekking tot de uitvoering van die werken geen aanvullend fiscaal verhaal zal
                    plaatsvinden. Een dergelijke bepaling is niet in strijd met de Grondwet (i.c.
                    privilegeverbod bij belastingen), omdat de wijze van toerekening via
                    exploitatieovereenkomst overeenstemt met de wijze van toerekening bij een
                    eventueel toe te passen fiscaal verhaal.Aan de andere kant is het uit een
                    oogpunt van rechtszekerheid gewenst dat, indien een exploitant niet bereid is
                    tot het aangaan van een exploitatieovereenkomst, hem wordt medegedeeld dat
                    overeenkomstig het eerder genomen kostenverhaalsbesluit door de gemeenteraad
                    over kan worden gegaan tot het instellen van een baatbelasting.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Relatie andere overeenkomsten</vet></al><al>Steeds meer komt het voor dat door de gemeente overeenkomsten worden gesloten
                    met meerdere marktpartijen tot samenwerking in een bepaald project. We spreken
                    dan van een publiek-private samenwerking (PPS).Dergelijke overeenkomsten
                    omvatten naast elementen van kostenverhaal van voorzieningen van openbaar nut
                    vaak nog totaal andere elementen. Ter voorkoming van onnodig complexe contracten
                    worden deze elementen vaak alle tezamen in één overeenkomst opgenomen.In dit
                    artikel is bepaald dat het sluiten van dergelijke overeenkomsten geen bezwaar
                    behoeft op te leveren, mits de vaststelling van de door exploitant verschuldigde
                    exploitatiebijdrage maar geschiedt op basis van het gestelde in deze
                    exploitatieverordening.</al><al/><al><vet>Afdeling V: Overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 13. Overgangsbepalingen</vet></al><al>De overgangsbepaling in het eerste lid is bedoeld voor die situaties waarbij op
                    het moment van inwerkingtreding van de exploitatieverordening reeds een aanvang
                    is gemaakt met de uitvoering van voorzieningen van openbaar nut. Artikel 4 gaat
                    ervan uit dat het nemen van een kostenverhaalsbesluit moet plaatsvinden voordat
                    met de aanleg van voorzieningen van openbaar nut wordt aangevangen.Bepaald is
                    dat de verordening ook van toepassing is in exploitatiegebieden waarin op de
                    datum van inwerkingtreding de te treffen voorzieningen van openbaar nut niet
                    zijn voltooid, en voor welke gebieden geen kostenverhaalsbesluit zoals bedoeld
                    in artikel 4 is genomen. Hetzelfde geldt voor exploitatiegebieden waarvoor geen
                    kostenverhaalsbesluit maar, indien de voorheen geldende exploitatieverordening
                    daarin voorzag, een afzonderlijke kostenbegroting (op grond van het in de
                    voorheen geldende verordening opgenomen overgangsrecht) is vastgesteld.De
                    toepassing van de bepaling in het eerste lid zal bijvoorbeeld aan de orde zijn
                    in exploitatiegebieden ten behoeve waarvan vóór de datum van inwerkingtreding
                    van de verordening een bekostigingsbesluit (zoals bedoeld in artikel 222 van de
                    Gemeentewet) ten behoeve van een mogelijk in te stellen baatbelasting is
                    vastgesteld.Daarnaast voorziet de bepaling in het eerste lid erin, dat de
                    verordening ook kan worden toegepast voor in uitvoering zijnde
                    exploitatiegebieden waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van de
                    verordening niet reeds een bekostigingsbesluit was vastgesteldOm in dergelijke
                    situaties (bij het ontbreken van een kostenverhaalsbesluit of afzonderlijke
                    kostenbegroting) toch te kunnen komen tot het aangaan van een
                    exploitatieovereenkomst, is bepaald dat de regels van deze verordening op een zo
                    veel mogelijk aan deze afwijking aangepaste wijze van toepassing zijn. Hierbij
                    geldt in ieder geval, dat de hoogte van de in de overeenkomst op te nemen
                    bijdrage wordt bepaald op basis van een door de gemeenteraad vast te stellen
                    kostenbegroting die voldoet aan de in artikel 5 gestelde eisen. In navolging op
                    het gestelde in artikel 4, eerste lid dient ook de vast te stellen
                    kostenbegroting bekend te worden gemaakt overeenkomstig artikel 139
                    Gemeentewet.In het tweede lid is bepaald dat de exploitatieverordening zoals
                    deze gold voor de inwerkingtreding van de onderhavige verordening, van
                    toepassing blijft voor exploitatiegebieden waarvoor eerder een
                    kostenverhaalsbesluit of, voorzover (het overgangsrecht van) de voorheen
                    geldende verordening daarin voorzag, een afzonderlijke kostenbegroting is
                    vastgesteld.Dit heeft tot gevolg dat op basis van dergelijke
                    kostenverhaalsbesluiten of afzonderlijke kostenbegrotingen te sluiten
                    overeenkomsten worden gebaseerd op de bepalingen zoals opgenomen in de voorheen
                    geldende exploitatieverordening. De duur van de toepassing is bepaald tot twee
                    jaren nadat de getroffen en/of te treffen voorzieningen van openbaar nut geheel
                    zijn voltooid. Deze termijn komt overeen met de termijn waarbinnen uiterlijk tot
                    een baatbelasting zoals bedoeld in artikel 222 van de Gemeentewet, dient te
                    worden besloten.Ten aanzien van voor de datum van inwerkingtreding van de
                    onderhavige exploitatieverordening ontvangen aanvragen tot het verlenen van
                    medewerking aan het in exploitatie brengen van gronden, waarop niet voor de
                    inwerkingtreding is beslist, is voor de behandeling van de aanvraag de
                    exploitatieverordening zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de
                    onderhavige verordening, van toepassing. De duur van de toepassing is bepaald
                    totdat op de aanvraag is beslist. In het geval de beslissing leidt tot het
                    treffen van voorzieningen, is de duur van de toepassing bepaald tot twee jaren
                    nadat de te treffen voorzieningen geheel zijn voltooid. Ook in dat geval geldt
                    dat een op basis van een zodanige aanvraag te sluiten overeenkomst wordt
                    gebaseerd op de bepalingen zoals opgenomen in de voorheen geldende
                    exploitatieverordening.Als gevolg van de invoering van de Wet dualisering
                    gemeentebestuur berust de bevoegdheid tot het aangaan van overeenkomsten bij
                    burgemeester en wethouders. In het tweede en derde lid is dienaangaande bepaald
                    dat, voorzover van belang in afwijking van de voorheen geldende
                    exploitatieverordening, het aangaan van overeenkomsten in alle gevallen is
                    voorbehouden aan burgemeester en wethouders.</al><al>Behoort bij raadsbesluit van 11 december 2003.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>