<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50460_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Druten 2007 versie 2.0.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Druten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Druten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Waalkanter</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Druten 2007 versie 2.0.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 147 en 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-12-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging maatregelen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07-25 RB</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente Druten 2007 versie 2.0.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Druten,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 8 mei 2007;</al><al>gelet op de artikelen 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Stb.
                        2006, 351) en gelet op artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot de invulling van de plicht tot compenseren van de beperkingen
                        die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°,
                        5° en 6° in de Wet maatschappelijke ondersteuning, ondervindt in zijn
                        zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie;</al><al>Besluit:vast te stellen de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning Gemeente Druten 2007 versie 2.0.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><al>a. wet: de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al>b. WVG: Wet voorzieningen gehandicapten</al><al>c. college: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                            Druten;</al><al>d. compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur
                            om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te
                            verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                            participatie;</al><al>e. beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren
                            van activiteiten;</al><al>f. persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of
                            gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen,
                            aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op
                            het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik
                            van de woning; bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich
                            lokaal verplaatsen per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen
                            en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al><al>g. mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in
                            artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al><al>h. zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                            financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan het
                            normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al><al>i. maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                            maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het
                            normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen;
                            het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij
                            regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten
                            van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om
                            op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al><al>j. algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van
                            directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een
                            snelle, regelarme en adequate (tijdelijke) oplossing biedt voor de
                            beperkingen die een persoon ondervindt;</al><al>k. Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                            aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing
                            biedt;</al><al>l. het inkomen: de gemeente Druten maakt bij de uitvoering van de wet
                            het volgende onderscheid in de definitie van het inkomen:</al><al>1. het netto-inkomen als basis voor de inkomenstoets waaronder wordt
                            verstaan:</al><al>a. het netto-inkomen;</al><al>b. het gezamenlijke netto-inkomen van de ouders of pleegouders van de
                            aanvrager, indien de aanvrager jonger is dan 18 jaar en geen echtgenoot
                            heeft in de zin van artikel 1 lid 2 tot en met 7 van de wet;</al><al>c. het gezamenlijke netto-inkomen van de aanvrager en zijn echtgenoot,
                            indien de aanvrager een echtgenoot heeft in de zin van artikel 1 lid 2
                            tot en met 7 van de wet;</al><al>2. het verzamelinkomen als basis voor de vaststelling van de eigen
                            bijdrage of het eigen aandeel zoals bedoeld in artikel 4.2. lid 1 van
                            het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Stb. 450);</al><al>3. het norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk
                            en bijstand, omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij deze
                            normen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                            jaar die een alleenstaande of een alleenstaande ouder is, en die niet in
                            een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in
                            artikel 25 lid 2 van de Wet werk en bijstand, en de normen van een
                            alleenstaande, alleenstaande ouder, of gehuwde, die in een inrichting
                            verblijft, eerst zijn verhoogd met de bedragen, genoemd in artikel 23
                            lid 2 van de Wet werk en bijstand;</al><al>m. eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college
                            vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van
                            een voorziening in natura, een persoonsgebonden budget (een eigen
                            bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald
                            moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning van toepassing zijn;</al><al>n. voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen,
                            in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt,
                            in opdracht van de gemeente;</al><al>o. persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of
                            meer aan hem te verlenen individuele voorzieningen kan verwerven en
                            waarop de in deze verordening en de het Besluit te stellen regels van
                            toepassing zijn;</al><al>p. financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een
                            voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                            aanvrager;</al><al>q. algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het
                            gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de
                            aanvrager behorend;</al><al>r. meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                            voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die
                            persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een
                            dergelijke voorziening;</al><al>s. besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage, gelijk
                            aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van een voorziening
                            door de aanvrager wordt bespaard omdat deze verstrekte voorziening een
                            algemeen gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen;</al><al>t. huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                            gemeenschappelijk een woning bewoont;</al><al>u. leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwden die al dan niet
                            tezamen met één of meer minderjarig ongehuwden duurzaam een huishouden
                            voeren, danwel een ongehuwde meerderjarige die met één of meer
                            minderjarige ongehuwden duurzaam een huishouden voert, waarbij onder
                            gehuwden ook worden verstaan ongehuwd samenwonenden en andere
                            volwassenen die met elkaar en/of met meerderjarige kinderen
                            samenwonen.</al><al>v. budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                            persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                            verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                            verschuldigd is.</al><al>w. Algemene Maatregel van Bestuur: het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning, Stb. 450;</al><al>x. Besluit: het door de gemeente Druten opgestelde Besluit voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning Gemeente Druten 2007 versie 2.0;</al><al>y. beleidsregels: de door de gemeente Druten opgestelde Beleidsregels
                            Wmo Individuele Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Gemeente
                            Druten 2007 (Verstrekkingenboek Wmo)</al><al>z. uitraasruimte: een ruimte waarin een persoon met beperkingen die
                            vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                            afzonderen of tot rust kan komen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Compensatieplicht</titel></kop><al>Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in
                            artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de wet,
                            ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke
                            participatie, treft het college voorzieningen op het gebied van
                            maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:</al><al>a. een huishouden te voeren;</al><al>b. zich te verplaatsen in en om de woning;</al><al>c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al><al>d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een individuele voorziening kan slechts worden toegekend
                                voorzover:</al><al>a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied
                                van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de
                                woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het
                                ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden
                                aangaan op te heffen of te verminderen;</al><al>b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al><al>c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><al>a. indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen
                                gebruikelijk is;</al><al>b. indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                Druten;</al><al>c. voorzover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                                woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                materialen;</al><al>d. voorzover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een
                                hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor de sociale
                                woningbouw;</al><al>e. voorzover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van
                                aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand
                                aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt
                                aangevraagd;</al><al>f. voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager
                                voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt;</al><al>g. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze
                                verordening voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten
                                (WVG-verordening 2004) of Verordening voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning Gemeente Druten 2007 is verstrekt en de normale
                                afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken,
                                tenzij de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is
                                gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn
                                toe te rekenen.h. indien de kosten hiervan minder bedragen dan €
                                45,-.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien een individuele voorziening wordt aangeboden door het
                                college, biedt het college personen die aanspraak hebben op een
                                voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in
                                natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar
                                persoonsgebonden budget.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Geen persoonsgebonden budget wordt aangeboden als hiertegen, naar
                                het oordeel van het college, overwegende bezwaren bestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de leverancier en de aanvrager van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit in de beschikking
                            opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><al>a. een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien
                                van individuele voorzieningen;</al><al>b. de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van
                                de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                                voorziening in natura of dienst, zoals vastgelegd in het
                                Besluit;</al><al>c. de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld
                                wordt door het college vastgelegd in het Besluit.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het Besluit op verzoek van het college per
                                omgaande te verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het verzamelinkomen (eigen aandeel). Het
                            college heeft in het Besluit de omvang van de eigen bijdrage en het
                            eigen aandeel vastgelegd met inachtneming van de Algemene Maatregel van
                            Bestuur.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                            huishouden;</al><al>b. hulp bij het huishouden in natura;</al><al>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 9 onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien:</al><al>a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of</al><al>b. problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al><al>c.het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                maken en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat
                                kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 9 onder b. en c.
                                vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als:</al><al>a. de in artikel 9 onder a. genoemde voorziening een onvoldoende
                                oplossing biedt of</al><al>b. niet beschikbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 10 komt een persoon als bedoeld
                            in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4, 5 en 6 van de wet niet
                            in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar
                            deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel
                            in staat zijn het huishoudelijke werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren,
                            afgerond naar decimalen, per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het bedrag per uur dat in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt
                            verstrekt, wordt jaarlijks door het college vastgesteld zoals vastgelegd
                            in het Besluit.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene woonvoorziening;</al><al>b. een woonvoorziening in natura;</al><al>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;</al><al>d. een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Primaat algemene woonvoorziening en recht op individuele
                                woonvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 14, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 14, onder b. c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien de in het
                                vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een
                                snelle en adequate oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De in artikel 14 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                                bestaan uit:</al><al>a. een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al><al>b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al><al>c. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;</al><al>d. een uitraasruimte;</al><al>e. een tegemoetkoming in verband met huurderving;</al><al>f. een tegemoetkoming voor de kosten van tijdelijke
                                huisvesting;</al><al>g. een tegemoetkoming voor het verwijderen van voorzieningen;</al><al>h. een tegemoetkoming voor de kosten van reparatie, keuring en
                                onderhoud van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De voorziening zoals bedoeld in het eerste lid kan ook worden
                                toegekend indien sprake is van een woonwagen in de zin van artikel 1
                                van de Woonwagenwet of een woonschip als bedoeld in artikel 1 van de
                                Wet op de Woonwagen en Woonschepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 16
                                onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 16
                                onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het
                                eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                16, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een
                                op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg,
                                waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            tweede woningen, vakantiewoningen, AWBZ-instellingen, recreatiewoningen,
                            kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte
                            woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                            ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder
                            noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><al>a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van
                            een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale
                            gebruik van de woning ten gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding
                            bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al><al>b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen
                            op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor
                            tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;</al><al>c. de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van
                            leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze
                            voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een
                            onverwacht optredende noodzaak;</al><al>d. de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is
                            vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door
                            bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                            instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten
                            woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                            ondervonden;</al><al>e. de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van
                            achterstallig onderhoud aan de woning;</al><al>f. de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de
                            eisen van de tijd. </al><al>g. het vermogen gebonden in de aan te passen eigen woning een bedrag van
                            1,5 maal het bedrag van de vermogensvrijlating eigen woning (art.34 lid
                            2 sub d WWB) overstijgt en de kosten van de noodzakelijke aanpassing
                            hoger zijn dan €10000,- en vanuit dit vermogen het noodzakelijke bedrag
                            voor de aanpassing redelijkerwijs te gelde kan worden gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding
                            van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in
                            artikel 11 van het Besluit vastgelegde afschrijvingsschema te worden
                            terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening;</al><al>b. een collectieve vervoersvoorziening;</al><al>c. een individuele vervoersvoorziening in natura;</al><al>d. een persoonsgebonden budget uitsluitend te besteden aan een
                            vervoersvoorziening in natura zoals onder c. bedoeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Het recht op een collectieve voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 23 onder b. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek:</al><al>a. het gebruik van het openbaar vervoer of</al><al>b. het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 23, onder c. en d. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:</al><al>a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van
                            een collectief systeem als bedoeld in artikel 23, onder b., onmogelijk
                            maken dan wel</al><al>b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 23, onder b., niet
                            aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijke netto
                            inkomen van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal het norminkomen
                            worden deze personen geacht zelfredzaam te zijn in de kosten van vervoer
                            in de directe leefomgeving. Deze inkomensgrens geldt voor de alle
                            vervoersvoorzieningen, behalve voor aanpassingen aan de eigen auto.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij
                                zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een
                                bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van 1.500 kilometer met een bandbreedte tot 2.000
                                kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een rolstoelvoorziening in natura;</al><al>b. een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                            rolstoelvoorziening,</al><al>c. een persoonsgebonden budget, te besteden aan een sportrolstoel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Incidenteel en dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 28, onder a. en
                                b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel of
                                dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken
                                en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 28, onder c.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten
                                zonder sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>Indien een cliënt een indicatie voor verblijf en behandeling heeft in
                            het kader van de AWBZ (artikel 8 en 15 van het Besluit Zorgaanpraken
                            (BZA)) vervalt het recht op een verstrekking van een rolstoel vanuit de
                            Wmo. Het CIZ heeft zicht op de vraag of een cliënt een indicatie voor
                            verblijf en behandeling heeft. Ook de cliënt zelf heeft een besluit
                            waarin de geïndiceerde functies staan benoemd. Overigens betekent het
                            recht hebben op een rolstoel niet direct dat er ook een medische
                            noodzaak bestaat voor de rolstoel, Dit betekent dus dat een cliënt die
                            geïndiceerd is voor de functies verblijf en behandeling (AWBZ) maar geen
                            medische indicatie heeft voor de rolstoel dan het recht heeft om in het
                            kader van de Wmo de rolstoel aan te vragen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en motiveren van Besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al><al/><al><vet>Artikel 31a Melding</vet></al><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening gaat in principe een
                            melding voor een gesprek vooraf. Dit is niet van toepassing indien een
                            belanghebbende direct aangeeft een aanvraag in te willen dienen. Van een
                            gesprek kan een verslag worden gemaakt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend: a.op te roepen in persoon te verschijnen op
                                een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                ondervragen;b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip
                                door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen
                                en/of onderzoeken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie
                                om advies indien:</al><al>a. de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                afgewezen;</al><al>b. het college dat overigens gewenst vindt.</al><al/></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. </al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie. </al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>In artikel 5, lid 2, onder b van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                            verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele
                            voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de
                            aanvrager. De bepaling is bedoeld om naast de toepassing van algemene
                            bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen
                            zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Het gaat hier
                            naar zijn aard om uitvoeringsbeleid, vandaar de delegatiebepaling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                                geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><al>a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                verordening;</al><al>b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                                zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest,
                                een andere beslissing zou zijn genomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan reeds
                                uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                                worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit geldende
                            bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de
                            prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na 4 jaar na de
                            inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over
                            de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de
                            praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Inwerkingtreding en intrekking</titel></kop><al>Deze verordening is vastgesteld op 28-06-2007 en treedt in werking op de
                            achtste dag na die van bekendmaking en wordt toegepast vanaf 1 juli
                            2007. Per gelijke datum wordt de Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Druten 2007 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Druten 2007 versie 2.0.
                            Daarnaast kan deze verordening worden aangehaald als “Wmo-verordening”.
                        </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>