<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50453_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-05-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wolder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0008903/geldigheidsdatum_21-09-2010#Hoofdstuk3_Artikel7">Artikel 7, lid 10 Wet sociale werkvoorziening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-06-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008 - XI/7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente DE WOLDEN;</al><al> gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 juni 2008;</al><al><vet>Besluit:</vet></al><al> De raad van de gemeente De Wolden;</al><al> Gelet op artikel 7, 10e lid, van de Wet sociale werkvoorziening;</al><al> Overwegende dat de raad bij verordening nadere regels dient vast te stellen
                        met betrekking tot het verstrekken van Persoonsgebonden budgetten.</al><al> Besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>VERORDENING PERSOONSGEBONDEN BUDGET BEGELEID WERKEN WET SOCIALE
                            WERKVOORZIENING</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Naam</titel></kop><structuurtekst><al> Verordening persoonsgebonden budget begeleid werken Wet sociale
                            werkvoorziening.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al> a. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                            De Wolden;</al><al> b. de wet: de Wet sociale werkvoorziening;</al><al> c. periodieke subsidie: de loonkostensubsidie en overige aan de
                            werkgever te verstrekken vergoedingen voor structurele kosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De hoogte van de rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden
                                uitvoeringskosten</titel></kop><al> Het college stelt de hoogte vast van de rechtstreeks aan de
                            subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten voor elk te verstrekken
                            persoonsgebonden budget</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Invulling voorwaarden adequate werkplek</titel></kop><al> 1. Het college verstrekt op aanvraag aan iedere Wsw-geïndiceerde die
                            daar recht op heeft een persoonsgebonden budget begeleid werken Wsw,
                            indien werkgever en begeleidingsorganisatie er zorg voor dragen dat de
                            arbeidsplaats voor de Wsw-geïndiceerde adequaat wordt ingevuld en het
                            bedrag van de subsidie en de begeleidingskosten niet meer bedraagt dan
                            het in artikel 7, 2e lid van de wet bedoelde bedrag.</al><al> 2. De werkgever voldoet aan de volgende vereisten:</al><al> a. Zijn onderneming voldoet aan de wettelijk vereisten voor de
                            uitoefening van het bedrijf;</al><al> b. De aangeboden arbeidsplaats en de omvang daarvan zijn, gelet op de
                            indicatiestelling en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde, als passend
                            aan te merken;</al><al> c. De duur van het dienstverband bedraagt tenminste 12 maanden, met een
                            mogelijkheid tot verlenging;</al><al> d. De werkplek en werkomstandigheden voldoen aan de arbonormen;</al><al> e. De salariëring is gebaseerd op de voor het bedrijf of de betreffende
                            branche geldende CAO of arbeidsvoorwaarden.</al><al> 3. De begeleidingsorganisatie en haar medewerkers zijn gekwalificeerd
                            voor het begeleiden van de doelgroep, c.q. de Wsw-geïndiceerde voor wie
                            het persoonsgebonden budget is bestemd, en de organisatie voldoet aan de
                            standaarden zoals die nu zijn geformuleerd in het keurmerk “Blik op
                            Werk”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De wijze van vaststelling van de periodieke subsidie aan de
                                werkgever</titel></kop><al> 1. Het college stelt op voorstel van de Wsw-geïndiceerde de hoogte van
                            de subsidie aan de werkgever vast.</al><al> 2. De te verstrekken loonkostensubsidie wordt bepaald op basis van de
                            loonwaarde van de Wsw-geïndiceerde. Het college laat de loonwaarde
                            vaststellen aan de hand van een loonwaardeonderzoek. Daarbij kan een
                            externe deskundige worden ingeschakeld.</al><al> 3. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5 en 9 van deze
                            verordening vindt eens in de 3 jaar een loonwaardebepaling plaats in
                            geval er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Herziening van de loonkostensubsidie</titel></kop><al> Op verzoek van de werkgever kan een loonkostensubsidie worden herzien
                            als hier, gelet op de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van de
                            werknemer, aanleiding voor is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vergoeding voor eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van
                                de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht</titel></kop><al> 1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor de eenmalige kosten
                            van aanpassing van de omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht
                            als blijkt dat aanpassingen op de werkplek noodzakelijk zijn, deze
                            persoonsgerelateerd zijn, en het niet redelijk is dat deze kosten door
                            de werkgever worden gedragen.</al><al> 2. Kosten voor aanschaf van apparatuur, kosten voor de werkplek en
                            kosten voortvloeiend uit arbowetgeving die de werkgever uit hoofde van
                            normaal en goed werkgeverschap voor iedere werknemer zou moeten maken
                            alsmede kosten waarvoor een voorliggende voorziening aanwezig is komen
                            niet in aanmerking voor vergoeding door het college.</al><al> 3. Een vergoeding wordt alleen verstrekt indien er sprake is van een
                            dienstverband van minimaal 24 maanden.</al><al> 4. Aanpassingen waarvan de kosten hoger zijn dan € 5.000,-- komen niet
                            voor een vergoeding in aanmerking. In dat geval wordt de arbeidsplaats
                            niet als passend beschouwd.</al><al> 5. Het college regelt de wijze van uitbetaling van de vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Indienen van de aanvraag</titel></kop><al> 1. De aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ingediend door
                            middel van een volledig ingevulde aanvraag. De aanvraag wordt mede
                            ondertekend door werkgever en de begeleidingsorganisatie.</al><al> 2. Het college kan ten behoeve van de aanvraag een aanvraagformulier
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al> 1. Het college besluit over de aanvraag binnen 4 weken na ontvangst van
                            alle benodigde gegevens.</al><al> 2. Het college kan dit besluit met ten hoogste 4 weken verdagen. Het
                            college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Het besluit tot verlenen van de periodieke subsidie</titel></kop><al> Het besluit tot verlening van een periodieke subsidie bevat in ieder
                            geval:</al><al> a. de hoogte van de periodieke subsidie en de wijze waarop deze kan
                            worden aangepast;</al><al> b. wijze van bevoorschotting van de subsidie;</al><al> c. de verplichtingen van de werkgever;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Het vaststellen van de periodieke subsidie</titel></kop><al> 1. De werkgever verstrekt binnen 4 weken na afloop van het kalenderjaar
                            aan het college een schriftelijke opgave van het door hem in het
                            voorgaande jaar betaalde bruto CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde,
                            vermeerderd met alle werkgeverslasten.</al><al> 2. Het college stelt de periodieke subsidie binnen 4 weken na ontvangst
                            van deze opgave vast.</al><al> 3. Het college stelt nadere regels vast over de wijze van
                            bevoorschotting en afrekening met de werkgever</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verplichtingen van de werkgever</titel></kop><al> De werkgever doet onmiddellijk schriftelijke mededeling aan het college
                            van alle feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de
                            verstrekking van de subsidie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al> 1. Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening persoonsgebonden
                            budget begeleid werken Wet sociale werkvoorziening”.</al><al> 2. Zij treedt in werking op 1 juli 2008.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Zuidwolde, 26 juni 2008</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> (mw. drs. I.J. Gehrke) (P.H. Snijders)</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al> Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking
                    getreden. Deze wet bevordert dat Wsw-geïndiceerden meer in een reguliere
                    werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken voert de wet
                    enkele belangrijke wijzigingen door. Zo worden regie en sturing op de Wsw
                    nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten worden hiermee
                    gestimuleerd een visie te ontwikkelen om het doel van de wet, het realiseren van
                    aangepaste arbeid die aansluit bij de capaciteiten en mogelijkheden van de
                    Wsw-geïndiceerde, het beste te kunnen verwezenlijken.</al><al> Een tweede verandering heeft betrekking op het geven van meer rechten en
                    keuzemogelijkheden aan Wsw-geïndiceerden, waaronder het recht op een
                    persoonsgebonden budget (PGB) om begeleid werken te realiseren.</al><al> De wet verplicht gemeenteraden om bij verordening nadere regels vast te stellen
                    over de wijze waarop het college vormgeeft aan het PGB (artikel 7, 10e lid,
                    Wsw). Gemeenteraden moeten binnen 6 maanden na inwerkingtreding van de wet deze
                    verordening hebben vastgesteld.</al><al> Twee vormen van begeleid werken</al><al> Sinds 1998 kent de Wsw de mogelijkheid van begeleid werken door
                    Wsw-geïndiceerden bij een reguliere werkgever. Het begeleid werken was onder de
                    oude wet geregeld in het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid
                    werken. Bij deze vorm van begeleid werken worden arbeidsplaatsen tot stand
                    gebracht door gemeente of schap. Deze wijze van tot stand brengen van begeleid
                    werken blijft ook onder de nieuwe wet bestaan.</al><al> Naast het begeleid werken dat door gemeente of schap tot stand wordt gebracht,
                    introduceert de nieuwe Wsw het begeleid werken via het persoonsgebonden budget
                    (PGB). Dit vanuit de gedachte dat de Wsw als vrijwillige voorziening voor een
                    specifieke groep arbeidsgehandicapten zo goed mogelijk moet aansluiten bij de
                    capaciteiten en mogelijkheden van een Wsw-geïndiceerde. Daarbij past ook dat
                    Wsw-geïndiceerden de mogelijkheid moeten hebben om zelf te bepalen op welke
                    manier hun arbeidsplaats wordt gerealiseerd. Door de Wsw-geïndiceerde een recht
                    op een PGB te geven wordt hierin voorzien.</al><al> Tussen beide vormen van begeleid werken bestaat een aantal verschillen. Zo is
                    begeleid werken met een PGB als een recht voor elke Wsw-geïndiceerde
                    geformuleerd. Deze heeft recht op begeleid werken met een PGB als de aanvraag
                    aan de wettelijke eisen en de daarop gebaseerde gemeentelijke voorwaarden
                    voldoet. Bovendien ligt bij begeleid werken met een PGB het initiatief bij de
                    Wsw-geïndiceerde zelf. De Wsw-geïndiceerde, of iemand namens hem, zal een PGB
                    bij de gemeente moeten aanvragen en om dit te kunnen doen zal hij zelf een
                    werkgever en een begeleidingsorganisatie moeten aandragen en de wijze van
                    werkplekaanpassing moeten regelen, dan wel daar een voorstel voor doen. Als een
                    Wsw-geïndiceerde (of een door hem ingeschakelde begeleidingsorganisatie) een
                    werkgever vindt die hem een adequate werkplek aanbiedt, de begeleiding op de
                    werkplek adequaat wordt geregeld én de kosten van begeleid werken binnen het
                    beschikbare budget vallen, dan is de gemeente (na de aanvraag te hebben
                    beoordeeld) verplicht de wens van de Wsw-geïndiceerde te honoreren.</al><al> Iedere Wsw-geïndiceerde komt in beginsel in aanmerking voor begeleid werken met
                    een PGB. Voor personen op de wachtlijst geldt dat zij pas van het PGB gebruik
                    kunnen maken als zij op grond van hun plek op die wachtlijst aan de beurt zijn
                    voor een Wsw-plek. Voor het beroep op een PGB is geen begeleid werkenindicatie
                    van het CWI vereist. Hij of zij hoeft daarvoor dus niet een positief advies
                    begeleid werken te hebben gekregen. Een Wsw-indicatie volstaat. Ook een
                    Wsw-werknemer met een bestaand dienstverband kan dus een beroep doen op een
                    PGB.</al><al> Het verschil tussen begeleid werken dat door de gemeente of schap wordt
                    georganiseerd en begeleid werken met een PGB is in beginsel uitsluitend gelegen
                    in de procedurele wijze waarop een begeleid werkenplek tot stand wordt gebracht.
                    Als de begeleid werkenplek eenmaal is gerealiseerd zijn er in principe geen
                    verschillen. Dit betekent dat gemeenten bij het stellen van regels voor begeleid
                    werken met een PGB zoveel mogelijk kunnen aansluiten bij de wijze waarop zij het
                    begeleid werken op dit moment organiseren. Dit geldt vooral voor de eisen die
                    zij aan werkgevers, de werkplek en aan begeleidingsorganisaties stellen.</al><al> De regeling van begeleid werken met een PGB</al><al> Het begeleid werken met een PGB wordt geregeld in artikel 7. De gemeente kan
                    een verzoek van een Wsw-geïndiceerde om voor een PGB in aanmerking niet
                    weigeren, als:</al><al> 1. De betrokkene al een Wsw-dienstbetrekking heeft of recht heeft op plaatsing
                    vanaf de wachtlijst;</al><al> 2. De door de Wsw-geïndiceerde of de door hem aangedragen
                    begeleidingsorganisatie voorgestelde werkplek en begeleiding op de werkplek
                    adequaat zijn;</al><al> 3. De door de gemeente aan de werkgever te verstrekken periodieke subsidie en
                    de aan begeleidingsorganisatie te verstrekken vergoeding, na aftrek van de voor
                    de gemeente rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten,
                    niet hoger zijn dan het (gemiddelde) budget dat beschikbaar is voor een
                    Wsw-plaats. Komt het bedrag van de periodieke subsidie en de periodieke
                    vergoeding van begeleiding boven het budget uit dat beschikbaar is voor een
                    Wsw-plaats, dan is het college niet verplicht om subsidie te verstrekken, maar
                    mag het dat wel doen.</al><al> Het uitgangspunt van de wet is dat een Wsw-geïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Het college heeft de bevoegdheid om op grond van de wet en
                    de voorwaarden in deze verordening te toetsen of het aangevraagde bedrag voor
                    het PGB nodig is om de betreffende Wsw-geïndiceerde op een adequate wijze
                    begeleid te laten werken, dan wel dat zou kunnen worden volstaan met een lager
                    bedrag. Omgekeerd kan het college, hoewel hij de toekenning van een dergelijke
                    hogere aanvraag mag weigeren, ook besluiten een hoger bedrag toe te kennen dan
                    het beschikbare bedrag.</al><al> Het PGB bestaat uit 3 bestanddelen:</al><al> 1. Een periodieke subsidie aan de werkgever waar de Wsw-geïndiceerde in dienst
                    is. Deze subsidie is primair bedoeld als een tegemoetkoming in de loonkosten in
                    verband met de geringere arbeidsproductiviteit. Ook kan deze subsidie worden
                    gebruikt als een vergoeding voor structurele kosten van de werkgever die verband
                    houden met het in dienst hebben van een Wsw-geïndiceerde. Daarbij kan worden
                    gedacht aan reiskosten of kosten voor intermediaire activiteiten ten behoeve van
                    mensen met een visuele of auditieve handicap.</al><al> 2. Een periodieke vergoeding aan de begeleidingsorganisatie die de begeleiding
                    van de Wsw-geïndiceerde verzorgt.</al><al> 3. Een vergoeding voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                    omstandigheden waaronder de arbeid wordt verricht. Hieronder worden bijvoorbeeld
                    kosten verstaan die gemaakt worden voor technische aanpassingen in de werkplek.
                    Gemeenten kunnen deze vergoedingen verstrekken, ze zijn daartoe niet
                    verplicht.</al><al> Het PGB is geen rugzakje: de Wsw-geïndiceerde krijgt geen budget mee. Het PGB
                    wordt aangevraagd door de Wsw-geïndiceerde, maar de subsidie en vergoeding
                    worden door de gemeente verstrekt aan de werkgever respectievelijk de
                    begeleidingsorganisatie.</al><al> De Wsw-geïndiceerde heeft echter geen recht op een bepaald budget. Het
                    uitgangspunt van de wet is dat een Wsw-geïndiceerde recht heeft op begeleid
                    werken met een PGB. Enerzijds bestaat er dus een recht op een PGB, anderzijds
                    heeft het college de verantwoordelijkheid voor het zo efficiënt en effectief
                    inzetten van publieke middelen en het realiseren van de jaarlijkse
                    (rijks)taakstelling voor het realiseren van Wsw-plekken. Het bestaan van een PGB
                    ontslaat het college ook niet van de zorgplicht zoals die is geformuleerd in
                    artikel 1, 3e lid van de wet.</al><al/><al> De onderwerpen in de verordening</al><al> In artikel 7, 10e lid, Wsw staan de onderwerpen genoemd die de gemeenteraad in
                    ieder geval in zijn verordening zal moeten regelen:</al><al> 1. de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient
                    te worden vastgesteld;</al><al> 2. de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan de subsidieverlening
                    verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis;</al><al> 3. de voorwaarden waaronder het college aan de werkgever een vergoeding
                    verstrekt voor de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de
                    omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht, en</al><al> 4. de voorwaarden waaronder het college een begeleidingsorganisatie inschakelt
                    die door de Wsw-geïndiceerde zelf is aangewezen.</al><al> Naast deze verplichte onderwerpen kunnen gemeenten nog een aantal andere zaken
                    in hun verordening regelen of daaraan in ieder geval aandacht besteden als ze
                    het PGB gaan regelen. Het gaat dan om voorwaarden die de gemeente kan stellen
                    aan de werkgever en de werkplek van de Wsw-geïndiceerde. Het college zal bij
                    elke aanvraag van een PGB moeten beoordelen of de werkgever de voorgestelde
                    inpassing in de arbeid adequaat kan verzorgen. In verband hiermee kan een
                    gemeente eisen stellen aan de werkgever en de door hem aangeboden werkplek.
                    Omdat begeleid werken met een PGB een recht is voor alle Wsw-geïndiceerden,
                    zullen eventuele voorwaarden waaronder dit recht kan worden gerealiseerd bij
                    verordening moeten worden geregeld.</al><al> Daarnaast kunnen ook procedurele bepalingen in de verordening worden opgenomen
                    die verband houden met het feit dat een PGB moet worden aangevraagd. Het gaat
                    dan om aangelegenheden als gegevens en documenten die bij de aanvraag voor een
                    PGB moeten worden overgelegd, de beslistermijn en de bevoegdheid van het college
                    om een subsidie te wijzigen.</al><al> Onderscheid subsidies en vergoedingen</al><al> De wet maakt een onderscheid tussen subsidies en vergoedingen. De periodieke
                    betalingen door de gemeente aan een werkgever worden als een subsidie aangemerkt
                    en de periodieke betalingen aan de begeleidingsorganisatie als een vergoeding.
                    Ook de betalingen in verband met eenmalige kosten van aanpassing van de werkplek
                    worden in de wet als een vergoeding aangemerkt.</al><al> Om vast te stellen of een bepaalde geldverstrekking een subsidie is (die op
                    basis van een beschikking wordt verstrekt) of een commerciële transactie
                    (waarvoor een overeenkomst wordt gesloten) doet de naamgeving van de
                    geldverstrekking niet ter zake. Als tegenover de betaling door de gemeente een
                    reële economische tegenprestatie staat, is er sprake van een commerciële
                    transactie. Staat tegenover de betaling door de gemeente geen duidelijke
                    economische tegenprestatie, dan is er sprake van een subsidie. Dit betekent dat
                    de periodieke subsidie aan de werkgever en de vergoeding voor de eenmalige
                    kosten van aanpassing van de werkplek moeten worden aangemerkt als een
                    subsidie.</al><al> De periodieke vergoeding aan een begeleidingsorganisatie moet worden opgevat
                    als een commerciële transactie. De gemeente koopt een dienst in bij de
                    begeleidingsorganisatie en betaalt daarvoor in principe de marktprijs.</al><al> Het verstrekken van subsidies is een publiekrechtelijke rechtshandeling: het
                    vindt plaats op basis van een beschikking. De bepalingen in de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) zijn in beginsel van toepassing op de subsidies die de
                    gemeente in het kader van het PGB verstrekt. In de verordening kunnen nadere
                    regels worden gesteld over de subsidieverstrekking in het kader van het PGB. De
                    verstrekking van periodieke vergoedingen aan een begeleidingsorganisatie is
                    privaatrechtelijk van aard. Hierover hoeven in de verordening in beginsel geen
                    regels te worden gesteld. Niettemin kan het om reden van transparantie en
                    explicitering van beleidsuitgangspunten gewenst zijn dit wél te doen.</al><al> De bevoegdheid om de verordening vast te stellen</al><al> De uitvoering van de Wsw gebeurt in praktijk op verschillende manieren. Een
                    aantal gemeenten (vaak de grotere) voert de Wsw zelf uit. De meeste gemeenten
                    voeren de Wsw uit samen met andere gemeenten. In de meeste gevallen hebben de
                    gemeenten daarbij de uitvoering van de Wsw overgedragen aan een
                    gemeenschappelijke regeling. Voor gemeenten die zelf de Wsw uitvoeren ligt het
                    vaststellen van een verordening eenvoudig; dat is een besluit van de raad. Voor
                    gemeenten die de uitvoering van de Wsw hebben overgedragen aan een
                    gemeenschappelijke regeling is dit complexer. Het antwoord op de vraag wie dan
                    bevoegd is om de (PGB)verordening vast te stellen is afhankelijk van de wijze
                    waarop de bestuursorganen van gemeenten op dit moment bevoegdheden hebben
                    overgedragen aan gemeenschappelijke regelingen.</al><al> In de praktijk blijken veel van de bestaande gemeenschappelijke regelingen op
                    het terrein van de sociale werkvoorziening een of meer bepalingen te bevatten
                    die er op neerkomen dat alle (raads- en college)bevoegdheden als genoemd in de
                    Wsw automatisch worden overgedragen aan de gemeenschappelijke regeling. Als na
                    de inwerkingtreding van de nieuwe Wsw de tekst van een dergelijke
                    gemeenschappelijke regeling niet wordt aangepast kan dat, afhankelijk van de
                    formulering van die bevoegdheden, tot gevolg hebben dat de bevoegdheid van de
                    raad om de (PGB)verordening vast te stellen overgaat naar het algemeen bestuur
                    van het schap.</al><al> Gemeenten zullen dus moeten nagaan hoe de huidige gemeenschappelijke regeling
                    luidt en in hoeverre dat een al dan niet gewenste situatie oplevert voor wat
                    betreft de bevoegdheid om de verordening PGB te laten vaststellen door het
                    algemeen bestuur van het schap.</al><al/><al/><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al> Artikel 1</al><al> In artikel 1 is een beperkt aantal begrippen opgenomen, omdat de wet voldoende
                    duidelijk is over gehanteerde termen en begrippen. Een uitgebreide
                    begrippenlijst is overbodig.</al><al> Artikel 2</al><al> Artikel 7, 10e lid, onderdeel b, Wsw bepaalt dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels stelt over de hoogte van de voor het college rechtstreeks aan
                    de subsidieverlening verbonden uitvoeringskosten omgerekend op jaarbasis.
                    Artikel 2 van deze verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. In dit
                    artikel wordt bepaald dat het college elk jaar de hoogte van de gemeentelijke
                    uitvoeringskosten van begeleid werken met een PGB vaststelt. De gemeente zal
                    zelf moeten bepalen welke uitvoeringskosten het toekennen van een PGB aan een
                    Wsw-geïndiceerde voor de gemeente met zich meebrengt. De wet geeft niet aan wat
                    precies onder uitvoeringskosten moet worden verstaan. Het moet in ieder geval
                    gaan om kosten die rechtstreeks aan de subsidieverlening verbonden zijn (artikel
                    7, tweede lid, onderdeel b, Wsw). Daarbij kan worden gedacht aan kosten in
                    verband met de volgende activiteiten:</al><al> - het beoordelen van aanvragen voor een PGB;</al><al> - de administratieve handelingen in verband met het verstrekken van subsidies
                    en vergoedingen in het kader van het PGB;</al><al> - het monitoren van het begeleid werken met een PGB;</al><al> - het tussentijds bepalen van loonwaarde;</al><al> - het voeren van (tussentijdse) gesprekken met begeleidingsorganisatie en
                    werkgever.</al><al> De uitvoeringskosten worden afgetrokken van het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt, waarbij ook rekening
                    wordt gehouden de mate van arbeidshandicap. Het bedrag dat de gemeente
                    (gemiddeld) per Wsw-geïndiceerde van het rijk ontvangt minus de (gemiddelde)
                    uitvoeringskosten per Wsw-geïndiceerde levert vervolgens het bedrag op dat de
                    gemeente in beginsel maximaal beschikbaar heeft voor een PGB.</al><al> Voor het jaar 2008 is het formeel nog niet mogelijk om het budget voor
                    uitvoeringskosten voor 31 december vast te stellen. De verordening is immers nog
                    niet van kracht. Op grond van de wet moet zij in werking treden binnen zes
                    maanden nadat de wet in werking is getreden. De verordening moet dus uiterlijk
                    voor 1 juli 2008 zijn vastgesteld. Gemeenten moeten voor die tijd het budget aan
                    uitvoeringskosten vaststellen voor de tweede helft van 2008.</al><al> Artikel 3</al><al> Het college beoordeelt elke aanvraag van een PGB of de inpassing in de arbeid
                    van betrokkene, met inbegrip van begeleiding op zijn werkplek adequaat door de
                    werkgever wordt verzorgd (artikel 7, 1e lid, Wsw). In verband hiermee worden
                    eisen gesteld aan de werkgever en de door hem aangeboden werkplek. Volgens
                    artikel 7, 10e lid, Wsw dient de gemeenteraad in zijn verordening de voorwaarden
                    te regelen waaronder het college een begeleidingsorganisatie inschakelt die door
                    de Wsw-geïndiceerde is aangewezen.</al><al> Bij het stellen van eisen aan werkgevers en begeleidingsorganisaties in het
                    kader van begeleid werken met een PGB wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    huidige werkwijze.</al><al> Voor wat betreft de duur van het, minimale, dienstverband is wellicht nog van
                    belang dat het rijk de bonus voor begeleid werken pas uitkeert als er sprake is
                    van een dienstverband van 6 maanden. De minimale duur van een dienstverband
                    wordt in deze verordening vastgesteld op 12 maanden, vergelijkbaar met de
                    gesubsidieerde banen in het kader van de WWB.</al><al/><al/><al> Artikel 4</al><al> De gemeenteraad dient bij verordening nadere regels te stellen met betrekking
                    tot de wijze waarop de hoogte van de periodieke subsidie aan de werkgever dient
                    te worden vastgesteld (artikel 7, 10e lid, onderdeel a, Wsw). De periodieke
                    subsidie bestaat uit een loonkostensubsidie en eventueel ook uit een vergoeding
                    voor structurele kosten van de werkgever die verband houden met het in dienst
                    hebben van een Wsw-geïndiceerde.</al><al> Het doel van de loonkostensubsidie is het verstrekken van een tegemoetkoming in
                    de loonkosten in verband met de geringere arbeidsproductiviteit van de
                    Wsw-geïndiceerde. Om te kunnen bepalen wat de hoogte van de loonkostensubsidie
                    moet zijn, is inzicht nodig in de verdiencapaciteit (loonwaarde) van de
                    betrokken Wsw-geïndiceerde. In de praktijk kan de hoogte van de
                    loonkostensubsidie worden bepaald in onderhandeling. Daarbij wordt in veel
                    gevallen overigens gebruik gemaakt van bestaande methodieken voor inschatting
                    van de loonwaarde. Ook het functieprofiel van de te vervullen functie en het
                    daarbij behorende (CAO-)loon maken vaak deel uit van dit proces.</al><al> Ingeval er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd is het
                    wenselijk om periodiek onderzoek te doen naar de loonwaarde, om op die manier
                    een actueel beeld te krijgen en de subsidie bij te stellen.</al><al> Het verstrekken van subsidies aan werkgevers kan onder bepaalde omstandigheden
                    vallen onder staatssteun (die op grond van Europese regelgeving verboden is).
                    Voor het verstrekken van loonkostensubsidies aan werkgevers die
                    Wsw-geïndiceerden in dienst hebben is de Europese Vrijstellingsverordening
                    werkgelegenheidssteun van belang. Deze Europese verordening staat toe dat
                    maximaal 60% van de loonkosten wordt gesubsidieerd zonder dat daaraan een
                    individuele loonwaardebepaling ten grondslag ligt.</al><al> Artikel 5</al><al> De productiviteit van een Wsw-geïndiceerde kan wijzigen, als deze persoon
                    langer op een begeleid werkenplek werkzaam is. Als dat het geval is, kan de
                    loonkostensubsidie worden aangepast. De werkgever kan dan, als de
                    productiviteit, c.q. verdiencapaciteit van de werknemer minder wordt, na overleg
                    en met instemming van de werknemer, een verzoek indienen om de
                    loonkostensubsidie te herzien. De werkgever moet zijn verzoek om herziening met
                    redenen omkleden.</al><al> Artikel 6</al><al> De verordening dient regels te bevatten die betrekking hebben op de voorwaarden
                    waaronder het college aan de werkgever een vergoeding (subsidie) verstrekt voor
                    de eenmalige noodzakelijke kosten van aanpassing van de omstandigheden waaronder
                    arbeid wordt verricht (art. 7, 10e lid, Wsw). Dit artikel vormt de uitwerking
                    van deze verplichting.</al><al> Het 1e lid bepaalt dat een eenmalige vergoeding kan worden verstrekt. Het 3e
                    lid stelt een minimale duur aan het dienstverband dat de werkgever met de
                    betrokken Wsw-geïndiceerde moet aangaan, alvorens tot investeringen wordt
                    overgegaan.</al><al> In het 4e lid wordt, facultatief, een maximum gesteld aan de hoogte van de
                    vergoeding. De gedachte hierachter is dat als de kosten boven dit bedrag uitgaan
                    de aangeboden arbeidsplaats als niet passend moet worden beschouwd. In de
                    praktijk zullen hierbij van geval tot geval kosten en baten tegen elkaar moeten
                    worden afgewogen. Omdat hier sprake is van maatwerk is niet bij benadering aan
                    te geven op welke bedrag dit moet worden gemaximeerd. Duidelijk is dat hier de
                    criteria van redelijkheid en maatwerk van belang zijn om een verantwoorde en
                    zorgvuldige afweging te maken.</al><al> De aard van de voorziening kan immers van geval tot geval verschillen en
                    overigens ook gerelateerd zijn aan de aard van de handicap. Bovendien hoeft er
                    niet persé sprake te zijn van aanpassingen van bouwkundige aard. Het kan ook
                    gaan om (aangepaste) apparatuur die een Wsw-geïndiceerde kan gebruiken bij een
                    andere werkgever.</al><al> Het 5e lid bepaalt dat het college de wijze van uitbetaling van de vergoeding
                    regelt. Daarbij kan worden gedacht aan de termijnen van betaling.</al><al> Artikel 7</al><al> De Wsw-geïndiceerde zal het PGB moeten aanvragen. Omdat begeleid werken met een
                    PGB leidt tot een subsidierelatie met de werkgever (in verband met het
                    verstrekken van een periodieke subsidie) en een contractrelatie met de
                    begeleidingsorganisatie (in verband met het verstrekken van een periodieke
                    vergoeding), zullen ook de werkgever en de begeleidingsorganisatie van de
                    Wsw-geïndiceerde de aanvraag moeten ondertekenen.</al><al> Op basis van de aanvraag beslist het college vervolgens of een periodieke
                    subsidie aan de werkgever en een periodieke vergoeding aan de
                    begeleidingsorganisatie worden verstrekt en voor welke bedragen. Vervolgens
                    vindt de verstrekking van de periodieke subsidie aan de werkgever plaats op
                    basis van een beschikking en de verstrekking van een periodieke vergoeding aan
                    de begeleidingsorganisatie op basis van een overeenkomst.</al><al> Artikel 8</al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al> Artikel 9</al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al> Artikel 10</al><al> Met het vaststellen van de subsidie wordt de subsidieverstrekking voor het
                    betreffende kalenderjaar afgerond. De hoogte van het subsidiebedrag voor dat
                    jaar wordt definitief vastgesteld. Om de subsidie te kunnen vaststellen, dient
                    de werkgever een schriftelijke opgave te doen van het door hem in het voorgaande
                    jaar betaalde bruto CAO-loon van de Wsw-geïndiceerde, vermeerderd met alle
                    werkgeverslasten.</al><al> Artikel 11</al><al> Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al> Artikel 12</al><al> De verordening moet binnen 6 maanden na inwerkingtreding van de wet zijn
                    vastgesteld.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>