<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50438_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Wolden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-11-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Wolder Courant</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Wolden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003420/HoofdstukI/TitelIV/Afdeling3/Artikel102/geldigheidsdatum_20-09-2010">Artikel 102 Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003549/TitelIV/Afdeling3/Artikel100/geldigheidsdatum_20-09-2010">Artikel 100 Wet op de expertisecentra</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002399/TitelIII/AfdelingIA/HoofdstukI/Artikel76m/geldigheidsdatum_20-09-2010">Artikel 76m Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-03-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-04-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010 - VI/6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Wolden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr. VI / 6</al><al>De raad van de gemeente DE WOLDEN;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 12 maart 2010;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de
                        vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de
                        Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet
                        onderwijs;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de toekenning van voorzieningen in de
                        huisvesting voor het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en
                        het voortgezet onderwijs bij verordening te regelen;</al><al>besluit vast te stellen de volgende:</al><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het
                                    primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                    voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school,
                                    die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich
                                    bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet)
                                    speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>o school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale
                                    school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                    op het primair onderwijs; o school voor (voortgezet) speciaal
                                    onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor
                                    speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel
                                    1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal
                                    en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de
                                    Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal
                                    onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                    expertisecentra; o school voor voortgezet onderwijs: school of
                                    scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk
                                    onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                                    onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor
                                    praktijkonderwijs;</al></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister
                                    ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs,
                                    artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of
                                    artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor
                                    bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als
                                    bedoeld in artikel 2 van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze
                                    verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de
                                    vaststelling van het programma ingewilligde aanvragen als
                                    bedoeld in artikel 13 van deze verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor bekostiging
                                    van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding
                                    van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze
                                    verordening heeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om bekostiging van een voorziening of om
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, 15 jaren of langer
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de
                                    huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld
                                    in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaren
                                    noodzakelijk is;</al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp
                                    en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaren
                                    als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het
                                    ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste
                                    15 jaren als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan
                                    functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in
                                    lichamelijke oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de
                                    vaststelling van het programma in relatie tot de vrijheid van
                                    richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in artikel
                                    95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op
                                    de expertisecentra, artikel 76f en 210, negende lid van de Wet
                                    op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet
                                    zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele,
                                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet
                                    op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de
                                    expertisecentra, artikel 76u en artikel 225, eerste lid van de
                                    Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde
                                    staten in een geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van
                                    de Wet op het primair onderwijs, artikel 109, tweede lid van de
                                    Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid en artikel
                                    225, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in
                                    artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van
                                    de Wet op de expertisecentra, artikel 76u en artikel 225, vierde
                                    lid van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                            onderscheiden:</al><al>a. de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen
                            bestaande uit: </al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor
                                    rijksbekostiging in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw
                                    ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waarin een
                                    school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al>gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw
                                    ten behoeve van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve
                                    van de huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al>terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub
                                    1o tot en met 4o omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al>inrichting met onderwijsleerpakket [invullen voor vwo, avo en
                                    vbo: of met leer- en hulpmiddelen] voor zover deze nog niet
                                    eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking
                                    is gebracht;</al></li><li nr="7."><al>inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor
                                    bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is
                                    gebracht;</al></li><li nr="8."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat
                                    al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een
                                    gymnastiekruimte [invullen voor bepaalde soorten (v)so: en een
                                    bad voor watergewenning of bewegingstherapie];</al></li></lijst><al>b. aanpassingen aan gebouwen van een school voor basisonderwijs
                            bestaande uit één of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I
                            onder 1.9 en 2.9;</al><al>c. onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande
                            uit één of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I onder 1.10
                            en 2.10;</al><al>d. herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw
                            veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                            gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                            onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                            wanprestatie;</al><al>e. herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw,
                            onderwijsleerpakket en meubilair ingeval van bijzondere
                            omstandigheden.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a sub 1,
                            kan een aanvraag worden ingediend voor bekostiging van
                            bouwvoorbereiding. Hierop is het bepaalde in hoofdstuk 4 van
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij
                            toekenning van bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel
                            3, wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding
                            een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde bedragen en bedragen
                            gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval.</al><lijst><li nr="1."><al>De genormeerde bekostigingsbedragen worden vastgesteld met
                                    inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel A en is van
                                    toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2 onder a
                                    sub 1, sub 2, sub 6, sub 7 en sub 8;</al></li><li nr="2."><al>De bekostiging op basis van feitelijke kosten is van toepassing
                                    op de overige voorzieningen bedoeld in artikel 2 alsmede op
                                    voorzieningen als bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die
                                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het bepaalde in deze
                                    verordening.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen aan de
                                    gegevensverstrekking.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag voor opname van een voorziening op het
                                        programma wordt voor 1 februari van het jaar van
                                        vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd
                                        gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik
                                        gemaakt van een door het college vastgesteld
                                        aanvraagformulier.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste
                                        lid neemt het college niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                                    behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag vermeldt in ieder geval: a. de naam en het adres
                                        van de aanvrager;b. de dagtekening;c. de naam van de school
                                        en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve
                                        waarvan de voorziening is bestemd;d. welke voorziening wordt
                                        aangevraagd;e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang
                                        van de gewenste voorziening; f. de geplande aanvangsdatum
                                        van uitvoering van de voorziening.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat
                                        de aanvraag vergezeld
                                                van:<cursief><onderstreept>a.</onderstreept></cursief>
                                        een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2,
                                        onder d, e en f;
                                            <cursief><onderstreept>b.</onderstreept></cursief> de
                                        aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet
                                        worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als
                                        bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met
                                                4°;<cursief><onderstreept>c.</onderstreept></cursief>
                                        een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt indien
                                        het een voorziening betreft bestaande uit :<cursief>1e
                                        </cursief>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke
                                        vervanging van een gebouw;<cursief>2e </cursief>onderhoud
                                        aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of een
                                        school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of ;<cursief>3e
                                        </cursief>herstel van een constructiefout Bij de rapportage
                                        als bedoeld onder c wordt gebruik gemaakt van het door het
                                        college vastgestelde formulier 'Bouwkundige opname';
                                                <cursief><onderstreept>d.</onderstreept></cursief>
                                        een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de
                                        voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        voorziening waarop het gestelde in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin van toepassing
                                                is;<cursief><onderstreept>e.</onderstreept></cursief>
                                        een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting,
                                        indien de aanvraag volgt op een toekenning van een
                                        vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
                                        in artikel 27.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in
                                        en het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart
                                        in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te
                                        vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn
                                        verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li><li nr="4."><al>Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        betrekking heeft op een voorziening voor een school, waarvan
                                        de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het
                                        aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke
                                        teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt, dan zendt de aanvrager het college
                                        onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
                                        minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijk
                                        teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien
                                        het college het afschrift niet binnen een week na de
                                        wettelijke teldatum heeft ontvangen , deelt het college dit
                                        schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de
                                        aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen
                                        drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het college. Indien het afschrift niet binnen de
                                        termijn als bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt
                                        het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van
                                de ingevolge artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft
                                daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden
                                genomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en
                                overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                                    begroting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader
                                        toe te lichten.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de
                                        aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in
                                        artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is en
                                        het college van oordeel is dat de door de aanvrager
                                        overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het
                                        college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
                                        bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in
                                        paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer
                                        er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
                                        hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit
                                        voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan,
                                        waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij
                                        de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht
                                        vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg
                                        in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen
                                        inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor
                                        15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste
                                        twee weken voor de door het college vastgestelde datum
                                        schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het
                                        overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg
                                        als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede
                                        lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar maken
                                        aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                                        overleg hiervan in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de
                                        bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van
                                        de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte
                                        zienswijzen en van de reactie van het college op deze
                                        zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde
                                        gezagsorganen.</al></li><li nr="5."><al>Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de
                                        Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt
                                        dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eerste
                                        lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk
                                        gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het
                                        advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt
                                        tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de
                                        vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.</al></li><li nr="6."><al>De bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het
                                        overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren
                                        te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad.
                                        Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar
                                        voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag
                                        van het overleg als bedoeld in het vierde lid.</al></li><li nr="7."><al>Het college is belast met de indiening van een verzoek om
                                        advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de
                                        Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de
                                        beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                                        verslag van het overleg.</al></li><li nr="8."><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte
                                        advies wordt zo spoedig mogelijk door het college
                                        toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel
                                        of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad
                                        zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de
                                        voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde
                                        gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                                        afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg.
                                        In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader
                                        bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad
                                        noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending
                                        van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.</al></li><li nr="9."><al>Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen
                                        twee weken plaats na toezending van het advies van de
                                        Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college
                                        maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het
                                        verslag als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de
                                        vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit
                                        bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke
                                        bedragen per onderwijssoort of per voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op
                                        uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd
                                        in artikel 6 valt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op
                                        het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan
                                        worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft
                                        vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is, in aanmerking voor plaatsing op het
                                        programma. Daarbij past het college de regels toe met
                                        betrekking tot: a. de beoordelingscriteria als bedoeld in
                                        bijlage I; b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II
                                        ; c. de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als
                                        bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het
                                        programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het
                                        college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in
                                        bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma
                                        voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in
                                        artikel 11, eerste lid, toereikend zijn.</al></li><li nr="2."><al>Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 10, kan
                                        het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het
                                        programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als
                                        bedoeld in bijlage V.</al></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen
                                        wordt, voor zover van toepassing, door het college
                                        aangegeven: a. het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage
                                        IV, deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt
                                        gesteld; b. het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering
                                        van de voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin; c. de voorwaarden betreffende
                                        ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of
                                        lokalen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet
                                        op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen
                                        voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het
                                        programma zijn opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond,
                                    programma en overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het
                                        bekostigingsplafond, het programma en het overzicht
                                        geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling
                                        door toezending door het college van de besluiten aan de
                                        aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het
                                        college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de
                                        overige bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden
                                        tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoering programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt
                                        het college in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                        uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening.
                                        In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is
                                        voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor
                                        zover van toepassing, afspraken gemaakt over: a. het
                                        bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair
                                        Onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het
                                        voortgezet onderwijs ;b. het tijdstip van indiening van het
                                        bouwplan en de begroting door de aanvrager;c. een andere
                                        wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van
                                        het beschikbaar te stellen bedrag; d. de wijze waarop het
                                        college toepassing geeft aan de toetsing van het bouwplan en
                                        de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met
                                        wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden
                                        als bedoeld in artikel 16;e. de controle op en het afleggen
                                        van verantwoording over de besteding van de beschikbaar te
                                        stellen middelen;f. de wijze waarop de aanbesteding
                                        plaatsvindt met als uitgangspunt dat op opdrachten onder het
                                        Europese drempelbedrag de richtlijnen zoals vastgelegd in
                                        het Besluit overheidsbestedingen van toepassing zijn.</al></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of de constatering dat het
                                        overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het
                                        college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen
                                        vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de
                                        aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk instemt
                                        met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet
                                        schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de
                                        inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming
                                        of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel
                                        16, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de
                                        overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een
                                        beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een
                                        aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van
                                        overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in
                                        het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier
                                        weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de
                                        bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen
                                        aanvang zal nemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                                    bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten
                                    en omstandigheden; overlegging offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde
                                        lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een
                                        bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de
                                        desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip
                                        waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter
                                        instemming in bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het
                                        college over de instemming met de bouwplannen , de
                                        desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang neemt.. Het college kan, onder
                                        mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen
                                        met drie weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten,
                                        wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen
                                        en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de
                                        aanvrager aangegeven tijdstip.Het college deelt de
                                        beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en
                                        het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen
                                        twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee
                                        aan de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het
                                        college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin
                                        de school verkeert ten opzichte van de feiten en
                                        omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het
                                        programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een
                                        naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van
                                        de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet
                                        voor bekostiging in aanmerking.</al></li><li nr="4."><al>De instemming met de bouwplannen, de instemming met de
                                        begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of
                                        krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of
                                        er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen
                                        achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college
                                        niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het
                                        programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                                        mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in
                                        artikel 15.</al></li><li nr="5."><al>De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde
                                        begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft
                                        van een voorziening als bedoeld in artikel 4, derde lid,
                                        laatste volzin.De beslissing van het college als bedoeld in
                                        het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van
                                        het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het
                                        tweede lid van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="6."><al>Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, heeft
                                        ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de
                                        hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15,
                                        tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte
                                        offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college
                                        beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over
                                        het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                                        uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de
                                        bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen
                                        twee weken na de datum van deze beslissing hiervan
                                        schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                                        definitieve bedrag is de offerte met de laagste
                                        prijsstelling bepalend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede
                                lid of artikel 16, zesde lid, over het tijdstip waarop de
                                bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling
                                van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van
                                de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de
                                aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend
                                uit de realisering van de op het programma geplaatste
                                voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt,
                                        indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend
                                        op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft
                                        verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                                        heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober
                                        daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste
                                        volzin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt
                                        de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in
                                        het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt
                                        opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten
                                        zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpachtovereenkomst
                                        vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van
                                        de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van
                                        aankoop.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid
                                        veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet
                                        aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1
                                        september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot
                                        verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid,
                                        bij het college heeft ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot
                                        verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt
                                        ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum
                                        de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt
                                        verlengd.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting
                                die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden,
                                kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt
                                van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld
                                        in artikel 7, eerste lid. In aanvulling daarop dient de
                                        aanvrager de volgende gegevens te verstrekken: a. een nadere
                                        aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de
                                        huisvesting spoedeisend maken;b. de reden waarom de
                                        voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in
                                        het kader van een nog vast te stellen programma;c. een
                                        prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de
                                        school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven
                                        vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in
                                        artikel 2 onder a, onderdelen 6o tot en met 8o en artikel 2
                                        onder d, e en f;d. een begroting van de kosten gemoeid met
                                        de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld
                                        in artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens
                                        als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen
                                        twee weken na datum van indiening van de aanvraag
                                        schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager
                                        wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens
                                        binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te
                                        dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste
                                        ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin
                                        bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de
                                        aanvraag niet te behandelen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                                        aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens
                                        zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee
                                        weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager
                                        hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het
                                        college.</al></li><li nr="2."><al>Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden
                                        gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en
                                        noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de
                                        beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het
                                        college heeft vastgesteld dat het treffen van de
                                        voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen
                                        uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair
                                        onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het
                                        voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van
                                        toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de
                                        regels toe met betrekking tot: a. de beoordelingscriteria
                                        als bedoeld in bijlage I;b. de prognosecriteria als bedoeld
                                        in bijlage II;c. de oppervlakte en indeling van gebouwen als
                                        bedoeld in bijlage III.</al></li><li nr="2."><al>De beslissing van het college kan een gedeelte van de
                                        gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde
                                        voorziening omvatten.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het
                                        bepaalde in bijlage IV, deel A voor de toegewezen
                                        voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het
                                        geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als
                                        bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin. Bij de
                                        beschikking stelt het college vast voor welke datum een
                                        bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of
                                        erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum
                                        een afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden.
                                        Binnen twee maanden na de datum van de beschikking door het
                                        college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een
                                        koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste
                                lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo
                                spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van
                                uitvoering.Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij van
                                overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in de plaats van
                                de termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, een
                                termijn van drie weken geldt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde
                                        tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-,
                                        huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift
                                        daarvan is gezonden aan het college, vervalt de aanspraak op
                                        bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht,
                                        dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde
                                        in artikel 18, eerste lid van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de
                                        overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door
                                        bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                                        toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor
                                        het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van
                                        de termijn.</al></li><li nr="3."><al>Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op
                                        bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist.
                                        Indien het college het verzoek inwilligt, noemt de raad een
                                        nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt.
                                        Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van
                                        beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien
                                        verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                                        vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bekostiging bouwvoorbereiding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen
                                    voor plaatsing op het programma van een voor blijvend gebruik
                                    bestemde voorziening als bedoeld in artikel 3, kan daaraan
                                    voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van de
                                    bouwvoorbereiding indienen bij het college. Het betreft de
                                    voorbereiding voorafgaand aan het moment van aanbesteding van
                                    die voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar
                                    voorafgaand aan het jaar waarin de bekostiging wordt gewenst.
                                    Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college
                                    vastgesteld aanvraagformulier.</al></li><li nr="3."><al>De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:a. de naam
                                    en het adres van de aanvrager;b. de dagtekening;c. de naam van
                                    de school ten behoeve waarvan de vergoeding wordt gewenst;d. de
                                    reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste
                                    locatie van de voorziening;e. het gewenste tijdstip van
                                    realisering van de voorziening;f. een prognose van het te
                                    verwachten aantal leerlingen van de school die voldoet aan de in
                                    bijlage II omschreven vereisten;g. een rapportage waaruit de
                                    bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien het
                                    nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw. Bij de
                                    rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college
                                    vastgestelde formulier “Bouwkundige opname”; h. een begroting
                                    van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de
                                    bekostiging bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening
                                    bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin.</al></li><li nr="4."><al>Bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het
                                    derde lid, deelt het college dit voor 15 februari schriftelijk
                                    mee aan de aanvrager en stelt hem in de gelegenheid om voor 15
                                    maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7,
                                    derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of
                                    het overleg over de begroting, als bedoeld in het vorige
                                    artikel, is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor
                                    bekostiging van bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg
                                    met de aanvrager. Dit overleg vindt plaats tezamen met het
                                    overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid. Artikel 10,
                                    tweede, derde en vierde lid, zijn daarbij van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11,
                                    tweede lid, een beslissing op de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:a. er
                                    voldoende middelen voor de vergoeding van de kosten van
                                    bouwvoorbereiding beschikbaar zijn;b. de noodzaak van de
                                    gewenste voorziening voldoende vaststaat;c. er een reële
                                    mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van
                                    uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden
                                    gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot
                                    welk bedrag de kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het
                                    bedrag kan in termijnen aan de aanvrager beschikbaar worden
                                    gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de aanvrager
                                    aan zijn financiële verplichtingen jegens derden die hij heeft
                                    ingeschakeld bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager
                                    en het college maken afspraken over de daadwerkelijke
                                    beschikbaarstelling van het bedrag.</al></li><li nr="4."><al>Aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de
                                    aanvrager geen rechten worden ontleend ten aanzien van de
                                    plaatsing van de voorziening op enig toekomstig programma.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de
                            aanvrager niet voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar
                            waarin het besluit is genomen, daadwerkelijk is gestart met de
                            bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend informatie heeft
                            verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.1</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een
                                gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="1."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een school berekend volgens het gestelde in bijlage III,
                                        delen A en B en het bevoegd gezag van die school een
                                        aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of
                                        uitbreiding heeft ingediend;</al></li><li nr="2."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een
                                        andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door
                                        medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden
                                        voorzien;</al></li><li nr="3."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij
                                        een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet
                                        educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de
                                        voor die school of instelling gangbare berekeningswijze
                                        ;</al></li><li nr="4."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een
                                        school;</al></li><li nr="5."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een
                                        school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Er is sprake van leegstand in een lesgebouw: a. wanneer het
                                        betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of
                                        voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de
                                        vergelijking van het aantal vierkante meters
                                        bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage
                                        III, deel B en de capaciteit van het gebouw in viertkante
                                        meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van
                                        bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal
                                        vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de
                                        in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is
                                        voor de daar gevestigde school of scholen;b. wanneer het
                                        betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs,
                                        indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals
                                        berekend op basis van Bijlage III, deel B en de capaciteit
                                        van het gebouw zoals vastgesteld op basis van Bijlage III,
                                        deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                                        bruto vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van
                                        het lesrooster of lesroosters voor het lopende of
                                        eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen het overschot
                                        aan vierkante meters bruto vloeroppervlakte geen sprake is
                                        van onderbenutting van de onderwijsruimten.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:a.
                                        Wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een
                                        of meer scholen voor basisonderwijs of voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren
                                        gebruik dat door het college wordt vergoed minder is dan 40
                                        klokuren; b. wanneer het een gebouw betreft van een school
                                        voor voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis
                                        van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw
                                        lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis
                                        van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of
                                        eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval
                                        is;c. wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door
                                        een of meer scholen voor basisonderwijs, voor (voortgezet)
                                        speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som
                                        van de berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal
                                        klokuren lager dan 40 oplevert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van
                                        medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het
                                        gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden
                                        in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen
                                        ten behoeve van het onderwijs aan die school of
                                        scholen.</al></li><li nr="2."><al>Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        het gebruik van die andere school of scholen kan
                                        plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking
                                        staande huisvestingscapaciteit.</al></li><li nr="3."><al>Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet
                                        wordt:a. als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat
                                        in gebruik is bij een school van hetzelfde bevoegd gezag,
                                        tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van
                                        leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt;b.
                                        vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een
                                        school van dezelfde richting is gehuisvest enc. vervolgens
                                        de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen
                                        is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de
                                        vordering plaatsvindt.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan, indien de bij de vordering betrokken
                                        bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel
                                        geval van de in het derde lid opgenomen volgorde
                                        afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering van leegstand in een lesgebouw of
                                        gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                                        bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd. Dit
                                        overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in
                                        artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als
                                        bedoeld in artikel 11, doet het college schriftelijk
                                        mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan
                                        gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als
                                        dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen
                                        bezwaar tegen de vordering te hebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot
                                        vordering in het kader van een aanvraag als bedoeld in
                                        artikel 19, voert het college daarover zo spoedig mogelijk
                                        overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met
                                        het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is bestemd.</al></li><li nr="4."><al>Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige
                                        lid, doet het college schriftelijk mededeling van de
                                        vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van
                                        deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in
                                        het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering
                                        te hebben.</al></li><li nr="5."><al>De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in
                                        het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:a. de naam
                                        van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                                        gevorderd;b. een aanduiding van het aantal leerlingen ten
                                        behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het
                                        onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat
                                        gevorderd wordt;c. een aanduiding van het gebouw waarop de
                                        vordering betrekking heeft;d. een aanduiding van het aantal
                                        en het type ruimten dat gevorderd wordt;e. de periode
                                        waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                                        medegebruik.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling
                                overleg een vergoeding voor het medegebruik vast. Als het overleg
                                niet tot overeenstemming leidt wordt deze vergoeding gebaseerd op
                                het bedrag dat voor elke groep bij meer dan zes groepen door het
                                ministerie,van OCW beschikbaar wordt gesteld binnen de
                                groepsafhankelijke programma’s van eisen, zoals jaarlijks
                                gepubliceerd door het ministerie van OCW.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.2</nr><titel>Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een
                                        gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een
                                        school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het
                                        lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor
                                        het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college
                                        overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="2."><al>In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:a. voor welke
                                        activiteit of activiteiten gevorderd wordt;b. of die
                                        activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs
                                        aan de in het gebouw gevestigde school;c. welke maatregelen
                                        eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                                        onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van
                                        het medegebruik ondervindt;d. wat naar de mening van het
                                        college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor
                                        het medegebruik is;e. de datum waarop het medegebruik
                                        redelijkerwijs een aanvang kan nemen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in
                                        het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van
                                        de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien
                                        het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling
                                        in ieder geval die afspraken. Voorzover het overleg niet tot
                                        overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de
                                        beslissing van het college over deze punten. Indien het
                                        bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te
                                        hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke
                                        mededeling als hier bedoeld worden afgezien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt
                                        het toestemming voor de verhuur aan het college.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en
                                        bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van
                                        de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college verleent geen toestemming indien:a. de
                                        bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met
                                        bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs,
                                        Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs
                                        of ;b. de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een
                                        school.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig
                                    heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruikt
                                    ervan zo spoedig moegelijk beëindigd , doch uiterlijk op de
                                    datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                                    ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld
                                    door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een geschil
                                    over de totstandkoming van een gezamenlijke akte.</al></li><li nr="2."><al>Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is
                                    van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in
                                    het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd
                                    gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats
                                    vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het
                                    college na overleg met het bevoegd gezag.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het
                                    bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing,
                                    vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het bevoegd
                                    gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het
                                    college betaald wordt. Indien het overleg niet tot
                                    overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwijze
                                    gevolgd wordt.</al></li><li nr="5."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien
                                    dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Gebruik gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal
                            onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                                inroostering gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een
                                    school voor (voortgezet) speciaal onderwijs verstrekt jaarlijks
                                    voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave
                                    van de voor dat schooljaar voor de school gewenste
                                    onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de
                                    volgende gegevens: a. de gewenste omvang van het
                                    onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren; b. de
                                    aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het
                                    gebruik wordt gewenst; c. de tijden waarop het onderwijsgebruik
                                    gedurende een schoolweek wordt gewenst.</al></li><li nr="2."><al>De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een
                                    gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd
                                    als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande
                                    dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde
                                    in dit artikel van toepassing is.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het
                                    daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een
                                    voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door
                                    scholen voor basisonderwijs van de op het grondgebied van de
                                    gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                                    onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de
                                    gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit
                                    van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.</al></li><li nr="4."><al>Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot
                                    inroostering het volgende in acht: a. de afstanden in relatie
                                    tot de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte,
                                    zoals opgenomen in bijlage I, deel B; b. het bevoegd gezag van
                                    een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar
                                    is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het
                                    eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte; c. het
                                    gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                    ingeroosterd in één gymnastiekruimte.</al></li><li nr="5."><al>Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor
                                    basisonderwijs de volgende gegevens: a. het aantal klokuren
                                    waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte;
                                    b. de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden
                                    gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt; c. een nadere
                                    onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte
                                    wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte
                                    plaatsvindt; d. voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is
                                    dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel
                                    bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs voor
                                    bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld
                                    hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van
                                    de school. Het college neemt het aantal klokuren als bedoeld in
                                    dit lid onder d slechts op in het voorstel tot inroostering voor
                                    zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is
                                    gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door
                                    de gemeente in aanmerking komt.</al></li><li nr="6."><al>Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee
                                    weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen
                                    voor basisonderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij
                                    uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg
                                    vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel.
                                    In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                    gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het
                                    voorstel tot inroostering.</al></li><li nr="7."><al>Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen
                                    stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in
                                    het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik
                                    van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het
                                    college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                                    bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan
                                    wordt dit gemotiveerd.</al></li><li nr="8."><al>Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen
                                    de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke
                                    mededeling van het college over de inroostering in de
                                    beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                                    staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze
                                    mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van
                                    artikel 22 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin
                                    van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet
                                voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening
                            gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op
                            basis van de in bijlage IV, deel A opgenomen prijsindexen en systematiek
                            van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Wolden,
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 11 december 2008 wordt ingetrokken met
                            ingang van 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                                    voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente De Wolden.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag
                                    na publicatie en werkt terug tot 1 januari 2010.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Zuidwolde, 25 maart 2010De raad voornoemd,griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>drs. I.J. Gehrke P.H. Snijders </ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Per onderwijssector en per voorziening worden hieronder opgesomd de nadere
                    voorwaarden waaronder - behoudens de financiële toets - de voorziening voor
                    bekostiging in aanmerking komt. De criteria voor beoordeling van aangevraagde
                    voorzieningen vallen uiteen in twee delen:</al><al>· deel A: lesgebouwen;· deel B: voorzieningen voor lichamelijke oefening.</al><al>DEEL A Lesgebouwen</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 1.2, 1.3.1, 1.3.2 en 1.9c worden niet
                    noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;b. 1.het feit dat de te huisvesten leerlingen
                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    of2. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>1.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, zodat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);b. 1.
                    het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of zullen zijn) en dat
                    voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan
                    de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht of2. het feit dat de te huisvesten
                    leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc.
                    het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken
                    gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter
                    hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te realiseren.Daarnaast kan
                    sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                    beoordeling van het college;b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als
                    gevolg van een herschikkingsoperatie;c. vervanging in verband met ontwikkelingen
                    in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is. Indien het voor de realisering van
                    de vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt,
                    vindt toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>1.3 Uitbreiding</al><al>1.3.1 Uitbreiding algemeen</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: a. het feit dat er ten minste zoveel te
                    huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt, enb1.het feit dat de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze
                    leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of b2.het feit dat de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze
                    leerlingen kan (kunnen) worden verwacht of b3.het feit dat de laatste teldatum
                    voor het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die
                    niet voor maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen
                    kunnen worden gehuisvest en d. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en
                    geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de
                    school te realiseren.</al><al/><al>1.3.2 Uitbreiding speciale school voor basisonderwijs met een speellokaal</al><al>De noodzaak voor uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>a. het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;b. het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                    blijven bestaan en c. het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                    terwijld. medegebruik van een speellokaal of gymnastiekruimte binnen 300 meter
                    hemelsbreed niet mogelijk is ene. evenmin tegen redelijke kosten, zulks ter
                    beoordeling van het college, de mogelijkheid bestaat door gebruikmaking van een
                    bestaand verschil tussen de feitelijk aanwezige bruto-oppervlakte en de
                    genormeerde bruto-oppervlakte, zoals is vastgesteld op grond van bijlage III,
                    deel A, inpandig een speellokaal te maken.</al><al>1.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijlb. 1. de te huisvesten
                    leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht of2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat
                    voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren
                    deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. er binnen 2000 meter hemelsbreed
                    geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren;d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt te maken
                    gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt ene. de kosten van
                    ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw of uitbreiding.</al><al>1.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijlb. er binnen 2000 meter hemelsbreed
                    geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren enc. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte
                    van de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal
                    leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.1.6
                    Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>1.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.De noodzaak voor eerste
                    inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit
                    het feit dat een school voor speciaal basisonderwijs uitgebreid wordt met een
                    speellokaal.</al><al>1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al>1.9 Aanpassing</al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: a. wijzigingen bij ingebruikneming van
                    een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het basisonderwijs,
                    gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D; b. een
                    integratieverbouwing om een ander gebouw te kunnen afstoten of om, afgezien van
                    een speellokaal, een gebouw van een speciale school voor basisonderwijs geschikt
                    te maken voor kinderen jonger dan zes jaar; c. creëren speellokaal binnen het
                    gebouw van een school voor speciaal basisonderwijs; d. voorzieningen in verband
                    met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving; e. vervangen van oliegestookte
                    verwarmingsinstallaties; en f. het terrein toegankelijk maken voor
                    rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een traplift bij meerlaagse
                    schoolgebouwen;</al><al>Ad a De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 1.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor een school voor basisonderwijs, terwijl deze wel tegen
                    redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad b De noodzaak voor een integratieverbouwing teneinde een schoolgebouw te
                    kunnen afstoten blijkt uit het feit dat door terugloop van het aantal leerlingen
                    het gebruik van een gebouw kan of moet worden beëindigd omdat binnen een of meer
                    andere gebouwen in gebruik bij de school voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    deze niet zijn ingericht voor het onderwijs aan vier- en vijfjarigen of zes- tot
                    twaalfjarigen. De noodzaak voor een integratieverbouwing in een gebouw van een
                    speciale school voor basisonderwijs blijkt uit het feit dat 12 kinderen jonger
                    dan zes jaar worden toegelaten tot de school, terwijl het gebouw niet geschikt
                    is voor het onderwijs aan leerlingen jonger dan zes jaar.</al><al>Ad c De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de speciale school
                    voor basisonderwijs niet beschikt over een speellokaal en er geen ruimte groter
                    dan 56 m2 aanwezig is en er bovendien geen medegebruik van een speellokaal van
                    een school binnen 300 meter mogelijk is. Daarnaast is de noodzaak afhankelijk
                    van het feit dat tot de school minimaal 12 kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten. Indien het inpandig creëren van een speellokaal meer kost dan een
                    uitbreiding, zulks ter beoordeling van het college, op grond van bijlage IV,
                    deel A, wordt beslist alsof uitbreiding de gevraagde voorziening is.</al><al>Ad d De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad e De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad f De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voorzover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk kan worden gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>1.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:</al><al>- Vervangen dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten- Vervangen
                    buitenberging c.q. dak buitenberging.- Vervangen rijwielstalling c.q.
                    rijwielstaanders.- Vervangen brandtrap.- Vervangen erfscheiding.-
                    Vervangen/herstellen riolering/bestrating schoolplein.- Vervangen binnenkozijnen
                    en -deuren inclusief hang- en sluitwerk.- Vervangen buitenkozijnen en -deuren
                    inclusief hang- en sluitwerk.- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor
                    centrale verwarming.- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.-
                    Vervangen boeiboorden.De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het
                    gevraagde gebouwelement of eengedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                    verkeert volgens de bouwkundigeopname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid,
                    onder c, terwijl regulier onderhoud door hetbevoegd gezag niet langer volstaat.
                    Noodzakelijk onderhoud aan:- permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van eenprognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                    in bijlage II, het gebouw nog ten minstevier jaar voor de school nodig is en-
                    noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                    prognose, dievoldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten
                    minste vier jaar voor deschool nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen
                    gebruik kan worden gemaakt vanmedegebruik elders.Gehuurde gebouwen komen niet in
                    aanmerking voor onderhoud.</al><al>1.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>1.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 2.2, 2.3.1 en 2.3.2 worden niet noodzakelijk
                    geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. De voorziening genoemd
                    onder 2.3.2 wordt niet noodzakelijk geacht voor nevenvestigingen.Slechts in
                    bijzondere omstandigheden is dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd
                    gezag en ter beoordeling van het college.</al><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:a. het feit dat de minister de
                    desbetreffende school of nevenvestiging voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt; b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn
                    of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening, de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of2. het feit
                    dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een beschikbaar
                    (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om
                    door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren.2.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten ten opzichte van de verlenging van de
                    levensduur);b. 1. het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn (of
                    zullen zijn) en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde voorziening de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht of2. het feit
                    dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren deze leerlingen kunnen
                    worden verwacht enc. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en geschikt
                    of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door medegebruik binnen
                    2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de school te
                    realiseren.Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                    beoordeling van het college;b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als
                    gevolg van een herschikkingsoperatie;c. vervanging in verband met ontwikkelingen
                    in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is.Indien het voor de realisering van de
                    vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw moet worden gesloopt, vindt
                    toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>2.3 Uitbreiding</al><al>2.3.1 Uitbreiding algemeen</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit: a. het feit dat er ten minste zoveel te
                    huisvesten leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op
                    grond van bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt, enb. 1. het feit dat de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    aaneengesloten jaren voor een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of 2. het feit dat de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    aaneengesloten jaren voor een voor tijdelijk gebruik bestemde uitbreiding deze
                    leerlingen kunnen worden verwacht of 3. het feit dat de laatste teldatum voor
                    het indienen van de aanvraag aantoont, dat er leerlingen aanwezig zijn die niet
                    voor maximaal vier aaneengesloten jaren binnen het gebouw of de gebouwen kunnen
                    worden gehuisvest en c. het afwezig zijn van een beschikbaar (komend) en
                    geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om door
                    medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende extra huisvesting voor de
                    school te realiseren.</al><al>2.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</al><al>De noodzaak van uitbreiding met een speellokaal blijkt uit:</al><al>a. het feit dat aan de school of afdeling kinderen jonger dan zes jaar worden
                    toegelaten;b. het feit dat de school volgens de prognose die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat de school ten minste vijftien jaren zal
                    blijven bestaan enc. het feit dat in het gebouw geen speellokaal aanwezig is,
                    terwijld. medegebruik van een speellokaal, gymnastiekruimte of lokaal voor
                    motorische therapie binnen 300 meter hemelsbreed niet mogelijk is en,e. evenmin
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, de mogelijkheid
                    bestaat door gebruikmaking van een bestaand verschil tussen de feitelijk
                    aanwezige bruto oppervlakte en de genormeerde bruto oppervlakte, zoals is
                    vastgesteld op grond van bijlage III, deel A, geheel of gedeeltelijk inpandig
                    een speellokaal te maken.2.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor
                    het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of 2. het feit dat het huidige
                    gebouw voor vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijlb. 1. de te
                    huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen
                    kunnen worden verwacht of2. de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen
                    zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose,
                    die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste
                    vier jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. er binnen 2000 meter
                    hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting
                    voor de school te realiseren;d. er geen ander, beter geschikt of beter geschikt
                    te maken gebouw aanwezig is of op korte termijn beschikbaar komt ene. de kosten
                    van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw of uitbreiding.2.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting voor ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijlb. er binnen 2000 meter hemelsbreed
                    geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren enc. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte
                    van de kosten voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal
                    leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>2.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>2.7 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</al><al>De noodzaak voor de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair blijkt
                    uit het feit dat er sprake is van toekenning van een voorziening in de
                    huisvesting en daarbij sprake is van uitbreiding van de totale
                    huisvestingscapaciteit van de school en voor zo’n uitbreiding voor 1 januari
                    2009 nog niet eerder bekostiging heeft plaatsgevonden.De noodzaak voor eerste
                    inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal blijkt uit
                    het feit dat de school uitgebreid wordt met een speellokaal.</al><al>2.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat er ten minste zoveel
                    leerlingen aanwezig zijn, dat de ruimtebehoefte, zoals vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel B, de capaciteit van het gebouw als vastgesteld op grond van
                    bijlage III, deel A, met tenminste de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde overschrijdt.</al><al>2.9 Aanpassing</al><al>De voorziening aanpassing bestaat uit: a. wijzigingen bij ingebruikneming van
                    een gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het (voortgezet)
                    speciaal onderwijs gelet op de eisen als gesteld in bijlage III, delen A en D;
                    b. verbouwing om een dislocatie te kunnen afstoten; c. verbouwing van een
                    dislocatie tot hoofdgebouw; d. functieverandering van vaklokalen als gevolg van
                    de keuze voor een ander vak (alleen voortgezet speciaal onderwijs); e.
                    voorzieningen in verband met eisen voortkomend uit de wet- en regelgeving; f.
                    vervangen van een oliegestookte verwarmingsinstallatie; en g. het terrein
                    toegankelijk maken voor rolstoelgebruikers en/of het aanbrengen van een traplift
                    bij meerlaagse schoolgebouwen.</al><al>Ad a De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming
                    van het desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals
                    genoemd onder 2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de
                    huisvestingseisen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn. De noodzaak voor deze activiteit kan ook aanwezig zijn indien een gebouw
                    in gebruik wordt genomen door een andere onderwijssoort. De voorzieningen die
                    dan noodzakelijk zijn, zijn de specifieke voorzieningen voor die onderwijssoort,
                    die nog niet in het gebouw aanwezig zijn.</al><al>Ad b De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat het aantal
                    leerlingen zodanig terugloopt dat het gebruik van een gebouw moet worden
                    beëindigd omdat binnen het (hoofd)gebouw voldoende ruimte aanwezig is, terwijl
                    dit gebouw niet is ingericht voor het desbetreffende onderwijs.</al><al>Ad c De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit de aanwezigheid van meer dan 60
                    leerlingen SO of meer dan 42 leerlingen VSO, terwijl volgens de prognose als
                    vereist volgens bijlage II deze leerlingen ten minste vijftien jaren aanwezig
                    zullen zijn en de dislocatie voor vijftien jaren of meer - gelet op de
                    bouwkundige staat - als hoofdgebouw kan dienen.</al><al>Ad d De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de keuze voor een
                    ander vak op het schoolwerkplan door de onderwijsinspecteur is goedgekeurd.</al><al>Ad e De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het
                    gebouw met de geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte
                    termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad f De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.</al><al>Ad g De noodzaak voor deze activiteiten blijkt uit de aanwezigheid van een
                    gehandicapte leerling of leraar waarvoor vanwege de handicap de betreffende
                    voorziening noodzakelijk is. Voor zover het betreft het aanbrengen van een
                    traplift, dient het tevens niet mogelijk te zijn om zodanige organisatorische
                    maatregelen te treffen dat het volledige onderwijsproces op de begane grond kan
                    worden gevolgd, respectievelijk gegeven.</al><al>Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij noodzakelijk zijn en
                    indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren voldoende leerlingen om de school in stand
                    te kunnen houden, kunnen worden verwacht. Indien de betreffende aanpassing
                    absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van het onderwijs, terwijl volgens de
                    prognose onvoldoende leerlingen worden verwacht, wordt de aanpassing slechts
                    goedgekeurd als er geen andere, goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>2.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:- Vervangen
                    dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten- Vervangen buitenberging
                    c.q. dak buitenberging.- Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.-
                    Vervangen brandtrap.- Vervangen erfscheiding.- Vervangen/herstellen
                    riolering/bestrating schoolplein.- Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief
                    hang- en sluitwerk.- Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                    sluitwerk.- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                    verwarming.- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.-
                    Vervangen boeiboorden.De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het
                    gevraagde gebouwelement of eengedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                    verkeert volgens de bouwkundigeopname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid,
                    onder c, terwijl regulier onderhoud door hetbevoegd gezag niet langer volstaat.
                    Noodzakelijk onderhoud aan:- permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van eenprognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                    in bijlage II, het gebouw nog ten minstevier jaar voor de school nodig is en-
                    noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                    prognose, dievoldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten
                    minste vier jaar voor deschool nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen
                    gebruik kan worden gemaakt vanmedegebruik elders.</al><al>Gehuurde gebouwen komen niet in aanmerking voor onderhoud.</al><al>2.11 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>2.12 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>De voorzieningen genoemd onder 3.2 en 3.3 worden niet noodzakelijk geacht voor
                    dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden is
                    dat wel het geval, zulks na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van
                    het college.</al><al>3.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt;b. 1 het feit dat de te huisvesten leerlingen
                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht
                    ofb2 het feit dat de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en
                    dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die
                    voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier
                    jaren deze leerlingen kunnen worden verwacht enc. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>3.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit het feit dat:</al><al>a. voldoende en voldoende zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige
                    opname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid onder c, in zo'n slechte/matige
                    conditie zijn dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk resultaat opleveren
                    (in kosten ten opzichte van de levensduurverlenging);b. 1 de te huisvesten
                    leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze leerlingen kunnen worden
                    verwacht ofb2 de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn en dat voor een voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vier jaren dit aantal
                    leerlingen kan worden verwacht enc. het afwezig zijn van een beschikbaar
                    (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van mogelijkheden om
                    door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren.Daarnaast kan sprake zijn van vervangende bouw als:</al><al>a. vervanging per saldo geen meerkosten met zich meebrengt, zulks ter
                    beoordeling van het college;b. vervanging van een gebouw noodzakelijk is als
                    gevolg van een herschikkingsoperatie;c. vervanging in verband met ontwikkelingen
                    in de ruimtelijke ordening noodzakelijk is.Indien het voor de realisering van de
                    vervangende bouw noodzakelijk is dat het oude gebouw gesloopt wordt, vindt
                    toekenning van sloopkosten plaats.</al><al>3.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak voor uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat er meer te huisvesten leerlingen aanwezig zijn dan de met tien
                    procent verhoogde capaciteit van het gebouw of de gebouwen, vastgesteld volgens
                    de regels in bijlage III, deel A - voor de aanwezige capaciteit en bijlage III,
                    deel B - voor de ruimtebehoefte -, aangeeft en de prognose, die voldoet aan de
                    vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voor
                    een voor blijvend gebruik bestemde uitbreiding of gedurende ten minste vier
                    jaren voor uitbreiding met een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening deze
                    aantallen leerlingen kunnen worden verwacht enb. het afwezig zijn van een
                    beschikbaar (komend) en geschikt of geschikt te maken gebouw alsmede van
                    mogelijkheden om door medegebruik binnen 2000 meter hemelsbreed een passende
                    huisvesting voor de school te realiseren.</al><al>3.4 Ingebruikneming van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1 het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging of uitbreiding in aanmerking komt, terwijlb. 1 de te huisvesten
                    groepen leerlingen aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren deze groepen
                    leerlingen kunnen worden verwacht ofb2 de te huisvesten groepen leerlingen
                    aanwezig zijn of zullen zijn en dat voor een voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vier jaren deze groepen leerlingen kunnen worden
                    verwacht enc. er binnen 2000 meter hemelsbreed geen mogelijkheden zijn om door
                    medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren;d. er geen
                    ander, beter geschikt of beter geschikt te maken gebouw aanwezig is of op korte
                    termijn beschikbaar komt ene. de kosten van ingebruikneming inclusief
                    aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college,
                    staan ten opzichte van de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al><al>3.5 Verplaatsing bestaande noodlokalen</al><al>De noodzaak van verplaatsing van noodlokalen blijkt uit het feit dat:</al><al>a. er op basis van een prognose die voldoet aan de eisen uit bijlage II een
                    tijdelijke behoefte aan huisvesting van ten minste vier jaren is, waarin
                    beschikbare lege of leegkomende noodlokalen op een afstand van meer dan 2000
                    meter hemelsbreed kunnen voorzien, terwijlb. er binnen 2000 meter hemelsbreed
                    geen mogelijkheden zijn om door medegebruik een passende huisvesting voor de
                    school te realiseren enc. de kosten van verplaatsing redelijk zijn ten opzichte
                    van de kosten voor een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal
                    leerlingen en dezelfde tijdsduur, zulks ter beoordeling van het college.</al><al>3.6 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor nieuwbouw, uitbreiding, ingebruikneming of verplaatsing
                    van noodlokalen toestemming wordt gegeven en verwerving of uitbreiding van (een
                    deel van) een terrein noodzakelijk is om deze toestemming te effectueren,
                    zodanig dat de oppervlakte van het terrein voldoet aan de eisen gesteld in
                    bijlage III, deel D.</al><al>3.7 Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair</al><al>Aanspraak op eerste inrichting van leer- en hulpmiddelen en meubilair bestaat
                    wanneer er sprake is van toekenning van een voorziening in de huisvesting en
                    daarbij sprake is van uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de
                    school.Tevens bestaat aanspraak op een tegemoetkoming in de eerste inrichting-
                    en hulpmiddelen en meubilair indien door middel van een inpandige aanpassing een
                    andere ruimtesoort wordt gecreëerd.Bij fusie van scholen kan er alleen sprake
                    zijn van extra inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair, indien het aantal
                    leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                    afzonderlijke aan de fusie deelnemende scholen.</al><al>3.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat de school een aantal
                    leerlingen heeft waarvoor binnen de bestaande huisvesting geen capaciteit is. De
                    capaciteit wordt bepaald op de wijze zoals beschreven is bij 3.3.a.</al><al/><al>3.9 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. 3.10 Vervanging of herstel van schade aan gebouw, leer- en
                    hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>DEEL B Voorzieningen voor lichamelijke oefening</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt enb. het afwezig zijn van mogelijkheden om
                    binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5
                    km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15 klokuren of 7,5 km
                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5 klokuren gebruik te maken
                    van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen een redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal
                    klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>1.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb.
                    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het
                    feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het
                    college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al>1.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding van de oefenruimte blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    het effectief gebruik van de gymnastiekruimte daardoor belemmerd wordt enb. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik van ten minste 20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    van ten minste 15 klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van
                    ten minste 5 klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel
                    van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit
                    dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat
                    gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het
                    college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen)
                    zijn.</al><al>1.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1. het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt of2. het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform
                    het gestelde bij 1.2 onder a, in aanmerking komt enb. het afwezig zijn van
                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste
                    20 klokuren, 3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 15
                    klokuren of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik van ten minste 5
                    klokuren gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                    een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren het door het college vastgestelde aantal klokuren
                    aanwezig (zullen) zijn end. de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen
                    in redelijke verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten
                    opzichte van de kosten van vervangende bouw.</al><al>1.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>1.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en b. het feit dat voor de desbetreffende groepen
                    leerlingen nog niet eerder eerste inrichting onderwijsleerpakket voor
                    bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>1.7 Eerste inrichting meubilair</al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en b. het feit dat voor de desbetreffende groepen
                    leerlingen nog niet eerder eerste inrichting meubilair voor bewegingsonderwijs
                    is verstrekt.De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt
                    uit:</al><al>a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school is of wordt goedgekeurd en b. het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder (een deel van) het
                    noodzakelijke meubilair is verstrekt.</al><al>1.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    momenteel in gebruik zijnde gymnastiekruimte(n) geen plaats is.</al><al>1.9 Aanpassing</al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;2. het maken van
                    voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit
                    belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot
                    medegebruik, van de gymnastiekruimte;3. wijzigingen bij ingebruikneming van een
                    gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs
                    gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;4. voorzieningen voor
                    eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;5. vervangen van oliegestookte
                    verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het desbetreffende
                    gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder 1.4,
                    noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het basisonderwijs, terwijl deze wel tegen redelijke
                    kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                    noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>1.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:- Vervangen
                    dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten- Vervangen buitenberging
                    c.q. dak buitenberging.- Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.-
                    Vervangen brandtrap.- Vervangen erfscheiding.- Vervangen/herstellen
                    riolering/bestrating schoolplein.- Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief
                    hang- en sluitwerk.- Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                    sluitwerk.- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                    verwarming.- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.-
                    Vervangen boeiboorden.De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het
                    gevraagde gebouwelement of eengedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                    verkeert volgens de bouwkundigeopname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid,
                    onder c, terwijl regulier onderhoud door hetbevoegd gezag niet langer volstaat.
                    Noodzakelijk onderhoud aan:- permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van eenprognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                    in bijlage II, het gebouw nog ten minstevier jaar voor de school nodig is en-
                    noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                    prognose, dievoldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten
                    minste vier jaar voor deschool nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen
                    gebruik kan worden gemaakt vanmedegebruik elders.Gehuurde gebouwen komen niet in
                    aanmerking voor onderhoud</al><al>1.11 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>1.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>2.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school of nevenvestiging voor het
                    eerst voor bekostiging in aanmerking brengt enb. het afwezig zijn van
                    mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten
                    minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik
                    door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs, 3,5 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal onderwijs of 7,5 km
                    hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3 groepen speciaal
                    onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen
                    een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de
                    prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende
                    ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig (zullen) zijn.</al><al>2.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder d, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb.
                    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al>2.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt enb. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de groepen leerlingen waarvoor
                    het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is aanwezig
                    (zullen) zijn.</al><al>2.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1 het feit dat de minister de school of nevenvestiging voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor
                    vervanging, conform het gestelde in 2.2 onder a, in aanmerking komt enb. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 1 km hemelsbreed bij noodzakelijk
                    gebruik door ten minste 10 groepen speciaal onderwijs, 2 km hemelsbreed bij
                    noodzakelijk gebruik door ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs,
                    3,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 6 groepen speciaal
                    onderwijs of 7,5 km hemelsbreed bij noodzakelijk gebruik door ten minste 3
                    groepen speciaal onderwijs gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten
                    enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II,
                    aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren het door het college
                    vastgestelde aantal klokuren aanwezig (zullen) zijn end. de kosten van
                    ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke verhouding, zulks ter
                    beoordeling van het college, staan ten opzichte van de kosten van vervangende
                    bouw.</al><al>2.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>2.6 Eerste inrichting onderwijsleerpakket</al><al>De noodzaak van eerste inrichting onderwijsleerpakket blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en b. het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste onderwijsleerpakket is
                    verstrekt.</al><al>2.7 Eerste inrichting meubilair</al><al>De noodzaak van eerste inrichting meubilair blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en b. het feit dat voor de
                    desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder eerste inrichting meubilair is
                    verstrekt.De noodzaak van aanvullende eerste inrichting meubilair blijkt
                    uit:</al><al>a. het feit dat uitbreiding of ingebruikneming van een gymnastiekruimte voor de
                    desbetreffende school of nevenvestiging is of wordt goedgekeurd en b. het feit
                    dat voor de desbetreffende groepen leerlingen nog niet eerder het specifiek
                    noodzakelijk meubilair is verstrekt.</al><al>2.8 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik blijkt uit het feit dat het door het college
                    getoetste aantal klokuren gymnastiek noodzakelijk is en waarvoor binnen de
                    huidig in gebruik zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al>2.9 Aanpassing</al><al>De aanpassingen bestaan uit:</al><al>1. het maken van voldoende wasgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte
                    ontbreekt en dit belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de
                    mogelijkheden tot medegebruik, van de gymnastiekruimte;2. het maken van
                    voldoende kleedgelegenheid waar deze bij de gymnastiekruimte ontbreekt en dit
                    belemmerend werkt op het effectief gebruik, dan wel de mogelijkheden tot
                    medegebruik, van de gymnastiekruimte;3. wijzigingen bij ingebruikneming van een
                    gebouw indien het gebouw anders niet geschikt is voor het primair onderwijs
                    gelet op de eisen gesteld in bijlage III, delen A en D;4. voorzieningen voor
                    eisen voortkomend uit wet- en regelgeving;5. vervangen van oliegestookte
                    verwarmingsinstallaties.</al><al>Ad 1</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee wasgelegenheden zijn.</al><al>Ad 2</al><al>De noodzaak blijkt uit het feit dat er geen twee kleedruimten zijn.</al><al>Ad 3</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat ingebruikneming van het
                    desbetreffende gebouw op basis van de beoordelingscriteria, zoals genoemd onder
                    2.4, noodzakelijk is, doch het gebouw niet voldoet aan de inrichtingseisen voor
                    gymnastiekruimten voor het (voortgezet) speciaal onderwijs, terwijl deze wel
                    tegen redelijke kosten, zulks ter beoordeling van het college, te verwezenlijken
                    zijn.</al><al>Ad 4</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het niet overeenkomen van het gebouw
                    met de geldende wet- en regelgeving, terwijl onontkoombaar is dat dit verschil
                    op korte termijn moet worden opgeheven.</al><al>Ad 5</al><al>De noodzaak voor deze activiteit blijkt uit het feit dat de oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie in een zo slechte conditie verkeert dat vervanging
                    noodzakelijk is.Bovenstaande aanpassingen kunnen plaatsvinden indien zij
                    noodzakelijk zijn en indien de prognose, die voldoet aan de vereisten uit
                    bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren voldoende
                    leerlingen om de school in stand te kunnen houden, kunnen worden verwacht.
                    Indien de betreffende aanpassing absoluut noodzakelijk is voor de voortgang van
                    het onderwijs, terwijl volgens de prognose onvoldoende leerlingen worden
                    verwacht, wordt de aanpassing slechts goedgekeurd, als er geen andere,
                    goedkopere, voorziening mogelijk is.</al><al>2.10 Onderhoud</al><al>De voorziening onderhoud bestaat uit de volgende activiteiten:- Vervangen
                    dakbedekking, hemelwaterafvoer, dakrand, daklichten- Vervangen buitenberging
                    c.q. dak buitenberging.- Vervangen rijwielstalling c.q. rijwielstaanders.-
                    Vervangen brandtrap.- Vervangen erfscheiding.- Vervangen/herstellen
                    riolering/bestrating schoolplein.- Vervangen binnenkozijnen en -deuren inclusief
                    hang- en sluitwerk.- Vervangen buitenkozijnen en -deuren inclusief hang- en
                    sluitwerk.- Vervangen radiatoren, convectoren, leidingen voor centrale
                    verwarming.- Vervangen dakpannen inclusief houtwerk, dakrand en goten.-
                    Vervangen boeiboorden.De noodzaak van onderhoud blijkt uit het feit dat het
                    gevraagde gebouwelement of eengedeelte daarvan ten minste in een matige conditie
                    verkeert volgens de bouwkundigeopname zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid,
                    onder c, terwijl regulier onderhoud door hetbevoegd gezag niet langer volstaat.
                    Noodzakelijk onderhoud aan:- permanente gebouwen komt voor bekostiging in
                    aanmerking indien op basis van eenprognose, die voldoet aan de vereisten gesteld
                    in bijlage II, het gebouw nog ten minstevier jaar voor de school nodig is en-
                    noodlokalen komt voor bekostiging in aanmerking indien op basis van een
                    prognose, dievoldoet aan de vereisten gesteld in bijlage II, het gebouw nog ten
                    minste vier jaar voor deschool nodig is en voor de aanwezige leerlingen geen
                    gebruik kan worden gemaakt vanmedegebruik elders.Gehuurde gebouwen komen niet in
                    aanmerking voor onderhoud.</al><al>2.11 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout.</al><al>2.12 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>3.1 Nieuwbouw</al><al>De noodzaak van nieuwbouw blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de minister de desbetreffende school voor het eerst voor
                    bekostiging in aanmerking brengt enb. het afwezig zijn van mogelijkheden om
                    binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer gymnastiekruimten
                    dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende gymnastiekruimten enc.
                    het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten uit bijlage II, aantoont
                    dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen waarvoor het
                    gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig (zullen) zijn.</al><al>3.2 Vervangende bouw</al><al>De noodzaak van vervangende bouw blijkt uit:</al><al>a. het in zo'n slechte/matige conditie zijn van voldoende en voldoende
                    zwaarwegende gebouwelementen volgens de bouwkundige opname zoals bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder c, dat onderhoud en/of aanpassingen geen redelijk
                    resultaat opleveren (in kosten en ten opzichte van de levensduurverlenging) enb.
                    het afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te
                    maken van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig
                    zijn.</al><al>3.3 Uitbreiding</al><al>De noodzaak van uitbreiding blijkt uit:</al><al>a. het feit dat de oppervlakte van de zaal (oefenvloer) kleiner is dan 140 m2 en
                    daardoor het effectief gebruik van de gymnastiekruimte belemmerd wordt enb. het
                    afwezig zijn van mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken
                    van een of meer gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn
                    beschikbaar komende gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet
                    aan de vereisten uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien
                    jaren de leerlingen waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig
                    zijn. </al><al>3.4 Ingebruikneming van een gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van ingebruikneming blijkt uit:</al><al>a. 1 het feit dat de minister de school voor het eerst voor bekostiging in
                    aanmerking brengt ofa2 het feit dat het huidige gebouw voor vervanging, conform
                    het gestelde bij 3.2 onder a, in aanmerking komt enb. het afwezig zijn van
                    mogelijkheden om binnen 2000 meter hemelsbreed gebruik te maken van een of meer
                    gymnastiekruimten dan wel van binnen redelijke termijn beschikbaar komende
                    gymnastiekruimten enc. het feit dat de prognose, die voldoet aan de vereisten
                    uit bijlage II, aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaren de leerlingen
                    waarvoor het gymnastiekonderwijs noodzakelijk is, aanwezig zijn end. het feit
                    dat de kosten van ingebruikneming inclusief aanpassingen in redelijke
                    verhouding, zulks ter beoordeling van het college, staan ten opzichte van de
                    kosten van vervangende bouw.</al><al>3.5 Terrein</al><al>De noodzaak van verwerving of uitbreiding van (een deel van) een terrein blijkt
                    uit het feit dat voor de realisering van de nieuwbouw of de uitbreiding geen dan
                    wel onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>3.6 Eerste inrichting voor bewegingsonderwijs</al><al>De noodzaak van eerste inrichting voor bewegingsonderwijs blijkt uit:</al><al>a. het feit dat nieuwbouw van een gymnastiekruimte voor de desbetreffende school
                    is of wordt goedgekeurd en b. het feit dat voor de desbetreffende leerlingen nog
                    niet eerder eerste inrichting voor bewegingsonderwijs is verstrekt.</al><al>3.7 Medegebruik</al><al>3.7.1 Medegebruik gymnastiekruimte</al><al>De noodzaak van medegebruik van een gymnastiekruimte blijkt uit het feit dat
                    klokuren gymnastiek noodzakelijk zijn waarvoor binnen de momenteel in gebruik
                    zijnde gymnastiekruimte(s) geen ruimte is.</al><al>3.7.2 Huur van een sportterrein</al><al>De noodzaak van huur van een sportveld blijkt uit:</al><al>a. a het feit dat het lesrooster buitensport vermeldt, terwijl het bevoegd gezag
                    niet beschikt over een eigen sportveld enb. b er geen mogelijkheden zijn tot
                    gebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag.</al><al/><al>3.8 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van het herstel van constructiefouten blijkt uit een bouwkundige
                    rapportage waarin wordt vastgesteld dat het gaat om (herstel van) een
                    constructiefout. Voor constructiefouten aan de binnenzijde blijft het bedrag per
                    leerling, zoals opgenomen in het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag,
                    bedoeld in artikel 76c, eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet
                    onderwijs voor rekening van het bevoegd gezag.</al><al>3.9 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                    meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van herstel of vervanging blijkt uit het feit dat door de opgetreden
                    bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                    gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingprognoses</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>De prognose van het aantal te verwachten leerlingen van de school als bedoeld in
                    artikel 7, tweede lid onder a, artikel 20, eerste lid onder c, en artikel 25,
                    derde lid onder f, wordt gemaakt voor een periode van ten minste vijftien jaren
                    te starten met het gewenste jaar van bekostiging. In bijlage I is voor de
                    voorzieningen aanpassing en onderhoud aangegeven van welke prognosetermijn moet
                    worden uitgegaan. Leidraad hierbij is geweest dat voor (meer) ingrijpende
                    voorzieningen een lange termijnprognose vereist is, terwijl voor voorzieningen
                    met minder financieel gevolg die noodzakelijk zijn om het gebouw te kunnen
                    blijven gebruiken, volstaan kan worden met een korte-termijnprognose.De prognose
                    geeft per jaar inzicht in het aantal te verwachten leerlingen van de school of
                    nevenvestiging door in elk geval rekening te houden met:</al><al>a. het voedingsgebied of de voedingsgebieden;b. de aanwezige bevolking, verdeeld
                    in relevante leeftijdsgroepen;c. de woningvoorraad en wijzigingen daarin
                    inclusief een eventuele uitbreiding van het voedingsgebied;d. de veranderingen
                    in de onderscheiden leeftijdsgroepen van de bevolking als gevolg van migratie,
                    sterfte en geboorte;e. de veranderingen in de bevolking als gevolg van
                    wijzigingen in de woningvoorraad;f. de verdeling van de leerlingen als gevolg
                    van de belangstelling voor de school eng. het onderwijs dat wordt gegeven.De
                    prognose is niet meer dan twee jaar oud.De prognose omvat in elk geval de
                    bovenstaande gegevens a t/m g voor een periode van 6 jaar (de analyseperiode)
                    met als laatste jaar het jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.Het
                    voedingsgebied van de school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de
                    leerlingen afkomstig is (of bij nieuwbouwwijken: zal zijn). Voor een basisschool
                    wordt bij de prognose in ieder geval een beschrijving geleverd van het
                    voedingsgebied op wijkniveau. Voor een speciale school voor basisonderwijs, het
                    (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs kan, indien het
                    voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een
                    opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend. Bij
                    aanlevering van een prognose dienen de relevante gegevens en berekeningen over
                    de analyse- en prognoseperiode op papier te zijn afgedrukt.Bij deze levering
                    worden in elk geval de gebruikte programmatuur en de aannames/assumpties met
                    betrekking tot het gestelde onder d tot en met g, waarop de prognose is
                    gebaseerd, aangegeven en onderbouwd.Het college is bevoegd onderscheiden naar
                    onderwijssoort nadere regels te stellen betreffende de criteria waaraan een
                    prognose moet voldoen. Voorafgaand aan de vaststelling door het college vormen
                    de nadere regels onderwerp van overleg aangaande het lokaal onderwijsbeleid als
                    bedoeld in artikel 2, tweede lid onder b van de Verordening overleg lokaal
                    onderwijsbeleid ... [naam gemeente].'</al></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor oppervlakte en indeling</label><nr>3</nr><titel/></kop><al>De criteria voor oppervlakte en indeling vallen uiteen in vier delen:</al><al>· deel A: de bepaling van de capaciteit;· deel B: wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte;· deel C: de bepaling van de omvang van de toekenning;· deel D:
                    minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen.</al><al>DEEL A De bepaling van de capaciteit</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor het basisonderwijs wordt volgens onderstaande
                    methodiek vastgesteld.Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag
                    van de school besluiten tot vermindering van de met onderstaande methodiek
                    vastgestelde capaciteit, indien de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                    ingezet ten behoeve van onderwijskundige, culturele, maatschappelijke en
                    recreatieve doeleinden.</al><al>1.1 Gebouwen van hoofd- en nevenvestigingen (inclusief de T en B-dislocaties met
                    een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De brutovloeroppervlakte (verder aan te duiden als bvo) van een gebouw is de bvo
                    zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor het
                    vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het primair
                    onderwijs'.</al><al>Basisschool</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een basisschool wordt vastgelegd in het aantal
                    groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Het aantal groepen is gelijk aan het
                    aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen in een gebouw
                    betreft het aantal lesruimten, inclusief het handvaardigheidslokaal, groter dan
                    of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld.Indien een deel van
                    een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen
                    (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het
                    gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.Om te kunnen bepalen of een
                    gebouw is 'overgedimensioneerd', dient een relatie te worden gelegd tussen de
                    capaciteitsbepaling van een gebouw op basis van het aantal groepen en normatieve
                    capaciteitsvaststelling.Het aantal groepen waarvoor een gebouw normatief
                    geschikt is, wordt, op basis van de bvo, vastgesteld met behulp van tabel 1, 2
                    en 3 hieronder voor respectievelijk huisvesting met een permanente bouwaard en
                    huisvesting met een tijdelijke bouwaard.Tabel 1 Gebouwen met een permanente
                    bouwaardPermanente gebouwen voor een basisschool waarin meer dan 30 leerlingen
                    worden gehuisvestAantal groepen leerlingen Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor
                    onderwijskundige vernieuwingen) 2 350 3 4654 5805 7856 9007 1.0158 1.1309
                    1.24510 1.36011 1.47512 1.59013 1.705en vervolgens te verhogen met 115 m2 ten
                    behoeve van één groep leerlingenIndien het gebouw beschikt over een tweede
                    speellokaal, wordt de minimale bvo opgehoogd met 90 m2</al><al>Permanente gebouwen voor een basisschool waarin minder dan 31 leerlingen worden
                    gehuisvest Aantal groepen leerlingen Minimale bvo (inclusief m2 bvo voor
                    onderwijskundige vernieuwingen) 2 330</al><al>Tabel 2 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, zelfstandige huisvestingAantal
                    groepen leerlingen Minimale bvo2 3053 4104 5155 7106 8157 9208 1.025en
                    vervolgens telkens te verhogen met 105 m2 ten behoeve van één groep
                    leerlingen</al><al>Tabel 3 Gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende huisvestingAantal
                    groepen leerlingen Minimale bvo1 1002 1803 260 4 3405 420en vervolgens telkens
                    te verhogen met 80 m2 ten behoeve van één groep leerlingen</al><al>Indien het werkelijke aantal lokalen in een gebouw afwijkt van het aantal
                    groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, is het aantal lokalen de
                    capaciteit van het gebouw. In het geval dat het aantal lokalen kleiner is dan
                    het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van tabel 1, 2 of 3, wordt de
                    zogenaamde verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke bvo en de normatieve
                    bvo behorend bij het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze
                    verschiloppervlakte is het aantal waarmee de bvo van het gebouw is
                    overgedimensioneerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken
                    van deze overdimensionering van de bvo op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>De capaciteit van een gebouw voor een speciale school voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is het aantal lokalen, verminderd met één. Het aantal lokalen wordt
                    verminderd met twee indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen. Het
                    aantal lokalen wordt verminderd met drie indien het gebouw bestaat uit meer dan
                    26 lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. Het
                    aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de
                    vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet
                    meegeteld.Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd, dient
                    er een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op
                    basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.Het aantal
                    groepen waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de bvo,
                    vastgesteld met behulp van tabel 4 hieronder voor huisvesting met een permanente
                    bouwaard. Voor huisvesting met een tijdelijke bouwaard wordt gebruikgemaakt van
                    tabel 2 en 3.</al><al>Tabel 4 Gebouwen met een permanente bouwaardPermanente gebouwen voor een
                    speciale school voor basisonderwijsvaste voet m2 inclusief m2 per groep toeslag
                    extra ruimte670 4 105 125</al><al>De vaste voet aan bvo is inclusief ruimten voor een bepaald aantal groepen. Dit
                    aantal is in de kolom 'inclusief' aangegeven. De toeslag extra ruimte omvat een
                    aantal extra m2 voor het creëren van een extra lokaal, niet zijnde een
                    speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). De toeslag extra ruimte wordt
                    toegekend bij het vormen van de 12e groep.Indien het werkelijke aantal lokalen
                    in een gebouw afwijkt van het aantal groepen zoals vastgesteld op basis van
                    tabel 2, 3 of 4, is het aantal lokalen de capaciteit van het gebouw. In het
                    geval dat het aantal lokalen kleiner is dan het aantal groepen zoals vastgesteld
                    op basis van tabel 2, 3 of 4, wordt de zogenaamde verschiloppervlakte bepaald
                    tussen de werkelijke bvo en de normatieve bvo, behorend bij het aantal groepen
                    waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het aantal m2
                    waarmee de bvo van het gebouw is overgedimensioneerd. De registratie vindt
                    plaats vanwege het mogelijk verwerken van deze overdimensionering van de bvo op
                    het moment dat het gebouw ten behoeve van de vergroting van de capaciteit moet
                    worden uitgebreid.</al><al>1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>Basisschool</al><al>Voor het bepalen van de capaciteit van dislocaties voor basisscholen geldt het
                    gestelde onder 1.1 met uitzondering van de verwijzing naar de tabellen 1, 2 en
                    3. Voor de bepaling van het aantal te huisvesten groepen leerlingen wordt
                    uitgegaan van 115 m2 BVO per groep leerlingen indien sprake is van een gebouw
                    met een permanente bouwaard en van 80 m2 per groep leerlingen indien sprake is
                    van een gebouw met een tijdelijke bouwaard.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>De capaciteit van dislocaties voor speciale scholen voor basisonderwijs wordt
                    vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Dit aantal
                    groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het desbetreffende gebouw. Het
                    aantal lokalen betreft het aantal lesruimten, inclusief de vaklokalen, groter
                    dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet meegeteld. Voor dislocaties
                    voor speciale scholen voor basisonderwijs is de 'overdimensionering' niet te
                    bepalen.</al><al>1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (van een school, een
                    hoofdvestiging of een nevenvestiging) en een of meer dislocaties, wordt de
                    rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de rangorde zoals deze is
                    vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie van Onderwijs, Cultuur
                    en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden vastgesteld, doordat
                    nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde als volgt
                    vastgesteld. Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en
                    bouwkundige staat het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school
                    te dienen. Dit is in de regel het grootste gebouw. Het hoofdgebouw krijgt nummer
                    1, vervolgens vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente
                    bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens
                    de dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.Bij een fusie van twee of meer scholen wordt het gebouw van
                    de overblijvende school het hoofdgebouw. Indien de overige gebouwen van de bij
                    de fusie betrokken scholen noodzakelijk zijn voor de huisvesting van de
                    gefuseerde scholen, gelet op de capaciteit van het hoofdgebouw, dan krijgen zij
                    als dislocatie een plaats in de rangorde zoals hiervoor omschreven. De
                    vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het vorenstaande tenzij na
                    overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het college, het college
                    anders beslist.</al><al>1.4 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>1.5 Inventaris</al><al>Met de inventarisgegevens worden de gegevens bedoeld, waarmee het aantal groepen
                    van de desbetreffende school wordt vastgesteld, waarvoor het onderwijsleerpakket
                    en meubilair aanwezig is. De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de
                    aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk vastgelegd.</al><al>a. onderwijsleerpakket</al><al>Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, wordt bepaald aan
                    de hand van de volgende twee stappen:</al><al>· Het aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket aanwezig is, is gelijk aan het
                    aantal groepen waarvoor onderwijsleerpakket noodzakelijk is bij aanvang van het
                    schooljaar 2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO,
                    voor meer groepen onderwijsleerpakket is verstrekt, toont het college dit aan
                    door middel van de door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
                    afgegeven beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen
                    burgemeester en wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste
                    is sprake indien het college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft
                    voorzien in de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket. Indien in het verleden,
                    na inwerkingtreding van de WBO, voor minder groepen onderwijsleerpakket is
                    verstrekt, toont het bevoegd gezag van de school dit aan.· Het bovenstaand
                    aantal groepen onderwijsleerpakket dient te worden geconverteerd met behulp van
                    onderstaande omrekentabel: Omrekentabel onderwijsleerpakketOUD NIEUW2 23 34 45
                    56 67 78 89 1010 1111 1212 1313 1414 1515 1616 1717 1918 2019 2020 2121 2322
                    2423 2524 2625 2826 2827 3028 3029 3230 33</al><al>b. meubilair</al><al>Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, wordt bepaald aan de hand van
                    de volgende twee stappen:</al><al>· - Het aantal groepen waarvoor meubilair aanwezig is, is gelijk aan het aantal
                    groepen waarvoor meubilair noodzakelijk is bij aanvang van het schooljaar
                    2001/2002. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van de WBO, voor meer
                    groepen meubilair is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de
                    door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven
                    beschikkingen, dan wel door middel van de correspondentie tussen burgemeester en
                    wethouders en het desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien
                    het college, zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de
                    eerste aanschaf van meubilair. Indien in het verleden, na inwerkingtreding van
                    de WBO, voor minder groepen meubilair is verstrekt, toont het bevoegd gezag van
                    de school dit aan.· - Het bovenstaand aantal groepen meubilair dient te worden
                    geconverteerd met behulp van onderstaande omrekentabel: Omrekentabel
                    meubilairOUD NIEUW2 23 34 45 56 77 88 99 1110 1211 1312 1413 1514 1715 1816 1917
                    2018 2219 2320 2421 2522 2623 2724 2925 3026 3127 3228 3329 3430 36</al><al>De aanwezigheid van het onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair
                    worden afzonderlijk vastgelegd.</al><al>1.6 Gymnastiekruimten</al><al>1.6.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het basisonderwijs bedraagt 40
                    klokuren.</al><al>1.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al>1.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor (voortgezet) speciaal
                    onderwijs wordt volgens onderstaande methodiek vastgesteld.Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al>2.1 Hoofdgebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-1, de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van de schoolgebouwen in het
                    primair onderwijs'.De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal
                    groepen waarvoor een gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is het aantal
                    lokalen verminderd met 1. In het speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen
                    verminderd met 2 indien het gebouw bestaat uit meer dan 13 lokalen en wordt het
                    aantal lokalen verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 26
                    lokalen om het aantal groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is. In het
                    voortgezet speciaal onderwijs wordt het aantal lokalen verminderd met 2 indien
                    het gebouw bestaat uit meer dan 14 lokalen en wordt het aantal lokalen
                    verminderd met 3 indien het gebouw bestaat uit meer dan 28 lokalen om het aantal
                    groepen te bepalen waarvoor het gebouw geschikt is.Indien het een school betreft
                    voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt de capaciteit van het gebouw
                    berekend door het aantal mogelijk te huisvesten groepen voor het speciaal
                    onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs afzonderlijk te bepalen.Het
                    aantal lokalen in een gebouw betreft het aantal lesruimten, inclusief de
                    vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden niet
                    meegeteld. Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                    overheidsmiddelen en hiervoor geen (rijks)vergoeding wordt genoten, wordt dit
                    deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                    geregistreerd.Om te kunnen bepalen of een gebouw is overgedimensioneerd dient
                    een relatie te worden gelegd tussen de capaciteitsbepaling van een gebouw op
                    basis van het aantal groepen en normatieve capaciteitsvaststelling.Het aantal
                    groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is, wordt, op basis van de BVO,
                    vastgesteld met behulp van de oppervlakteformules, voor gebouwen met een
                    permanente bouwaard, van tabel 4 'Ruimtenormering (V)SO'. Voor de vaststelling
                    van het aantal groepen, waarvoor een gebouw normatief geschikt is voor gebouwen
                    met een tijdelijke bouwaard worden de tabellen 2 'Gebouwen met een tijdelijke
                    bouwaard, zelfstandige huisvesting' en tabel 3 'Gebouwen met een tijdelijke
                    bouwaard, aanvullende huisvesting' gehanteerd.</al><al>Tabel 4 Ruimtenormering (V)SOschoolsoort vaste voet m² incl. m² per groep
                    correctie m² VSO toeslag m² extra ruimteSO doven 775 7 75 105VSO doven 800 7 84
                    60SO sh/esm 628 4 95 130SO visg 727 4 96 116SO lg 850 4 134 150SO lz 638 4 100
                    105SO zmlk 585 4 95 100SO zmok 585 4 95 105SO pi 575 4 95 92SO mg 733 4 110
                    132VSO sh/esm 563 4 84 65VSO visg 660 4 88 45VSO lg 725 4 110 70VSO lz 575 4 80
                    90VSO mlk 690 4 104 90VSO zmlk 600 4 93 80VSO zmok 600 4 80 102VSO lom 638 4 95
                    100VSO pi 535 4 80 75VSO mg 725 4 113 60schoolsoort vaste voet m² incl. m² per
                    groep correctie m² VSO toeslag m²extra ruimte(SO) (VSO)sg doven 775 6 77 7 105
                    60sg sh/esm 628 3 96 -12 115 60sg visg 727 3 96 -10 116 45sg lg 850 3 135 -27
                    135 70sg lz 638 3 99 -14 120 65sg zmlk 585 3 97 -2 100 80sg zmok 585 3 105 -19
                    55 85sg pi 575 3 95 -12 92 60sg mg 733 3 108 5 132 50</al><al>De vaste voet aan bruto-vloeroppervlakte is inclusief ruimten voor een bepaald
                    aantal groepen. Dit aantal groepen is in de kolom 'incl.' gegeven. De relatie
                    tussen de vaste voet en de minimum opheffingsnorm voor de scholen is hiermee in
                    stand gebleven.In de bruto-vloeroppervlakte voor SOVSO-scholen is uitgegaan van
                    dezelfde vaste voet als voor de SO-component. Het aantal m2 per groep, alsmede
                    de extra toe te kennen ruimte kan anders zijn dan bij categoriale SO- of
                    VSO-scholen. Tevens wordt op het aantal vierkante meters per groep een correctie
                    toegepast voor het aantal aanwezige VSO-groepen.Een voorbeeld van de berekening
                    van het aantal m2 is in de toelichting opgenomen. De toeslag voor extra ruimte
                    (ER) omvat een aantal extra m2 voor het creëren van een extra lokaal, niet
                    zijnde een speellokaal (hiervoor geldt een aparte toeslag). In het speciaal
                    onderwijs wordt de toeslag ER toegekend bij het vormen van de 12e groep, in het
                    voortgezet speciaal onderwijs bij het vormen van de 13e groep.Indien het aantal
                    groepen waarvoor het gebouw normatief geschikt is, zoals vastgesteld op basis
                    van de tabel ruimtenormering (V)SO, groter is dan het aantal groepen, zijnde de
                    capaciteit op basis van het aantal lokalen, wordt de zogenaamde
                    verschiloppervlakte bepaald tussen de werkelijke BVO en de BVO behorend bij het
                    aantal groepen waarvoor het gebouw geschikt is. Deze verschiloppervlakte is het
                    aantal m2 waarmee het gebouw is 'overgedimensioneerd' en wordt als zodanig
                    geregistreerd. De registratie vindt plaats vanwege het mogelijk verwerken van
                    deze 'overdimensionering' van de BVO op het moment dat het gebouw ten behoeve
                    van de vergroting van de capaciteit moet worden uitgebreid.</al><al>2.2 Dislocaties of nevenvestigingen, gebouwen met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard.</al><al>De capaciteit van een gebouw wordt vastgelegd in het aantal groepen waarvoor het
                    gebouw geschikt is. Dit aantal groepen is gelijk aan het aantal lokalen in het
                    desbetreffende gebouw. Het aantal lokalen betreft het aantal lesruimten,
                    inclusief de vaklokalen, groter dan of gelijk aan 42 m2. De speellokalen worden
                    niet meegeteld. Voor de bepaling van de overdimensionering van een
                    nevenvestiging wordt de normatieve capaciteit van een nevenvestiging bepaald met
                    behulp van tabel 3 'gebouwen met een tijdelijke bouwaard, aanvullende
                    huisvesting' uit hoofdstuk 1 van deze bijlage.N.B.: Voor dislocaties is de
                    'overdimensionering' niet te bepalen.</al><al>2.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer.Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw en een of meerdere
                    dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit is de
                    rangorde zoals deze is vastgelegd in de gegevensadministratie van het ministerie
                    van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw moet worden
                    vastgesteld, omdat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt de rangorde
                    als volgt vastgesteld.Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens vindt
                    doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te beginnen
                    met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de dislocaties met
                    een tijdelijk bouwaard te beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit.
                    Het hoofdgebouw is het gebouw dat qua oppervlakte, indeling en bouwkundige
                    staat, het meest geschikt is om als het enige gebouw voor de school te dienen.
                    Dit is in de regel het grootste gebouw.De vaststelling van de rangorde vindt
                    plaats conform het vorenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van
                    de school en het college, het college anders beslist.</al><al>2.4 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>2.5 Inventaris</al><al>De inventarisgegevens betreffen de gegevens ter vaststelling van het aantal
                    groepen van de desbetreffende school waarvoor het onderwijsleerpakket en
                    meubilair aanwezig is. Het aantal groepen waarvoor inventaris aanwezig is, is
                    gelijk aan het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is bij aanvang
                    van het schooljaar 1996/1997. Indien in het verleden voor meer groepen
                    inventaris is verstrekt, toont het college dit aan door middel van de door het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen afgegeven beschikkingen, dan
                    wel door middel van de correspondentie tussen burgemeester en wethouders en het
                    desbetreffende schoolbestuur. Van het laatste is sprake indien het college,
                    zonder tussenkomst van het ministerie, zelf heeft voorzien in de eerste aanschaf
                    van onderwijsleerpakket en meubilair. Indien in het verleden, na
                    inwerkingtreding van de ISOVSO, voor minder groepen inventaris is verstrekt,
                    toont het bevoegd gezag van de school dit aan. De aanwezigheid van het
                    onderwijsleerpakket en de aanwezigheid van het meubilair worden afzonderlijk
                    vastgelegd.</al><al>2.6 Gymnastiekruimten</al><al>2.6.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het (voortgezet) speciaal onderwijs
                    bedraagt 40 klokuren.</al><al>2.6.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al>2.6.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>De capaciteit van de gebouwen voor een school voor voortgezet onderwijs wordt
                    vastgelegd in gegevens over:</al><al>· de bruto-vloeroppervlakte van gebouwen;· het aantal specifieke ruimten;· het
                    aantal werkplaatsen;· het aantal gymnastieklokalen.Het college kan in
                    overeenstemming met het bevoegd gezag van de school besluiten tot vermindering
                    van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, indien de hierdoor
                    beschikbaar komende ruimten worden ingezet ten behoeve van culturele,
                    maatschappelijke of recreatieve doeleinden.</al><al>3.1 Hoofdgebouwen, nevenvestigingen en dislocaties met een permanente of een
                    tijdelijke bouwaard</al><al>De bruto-vloeroppervlakte (verder aan te duiden als BVO) van een gebouw is de
                    BVO zoals bepaald aan de hand van het gestelde in III-2 de 'Meetinstructie voor
                    het vaststellen van de BVO van de schoolgebouwen in het voortgezet
                    onderwijs'.Naast de bruto-vloeroppervlakte zal het gegeven 'aantal
                    gymnastieklokalen' moeten worden vastgelegd, evenals het gegeven 'aantal
                    specifieke ruimten en werkplaatsen' indien en voorzover deze noodzakelijk zijn
                    in het kader van aanvragen betreffende uitbreiding dan wel medegebruik. Bij het
                    gegeven 'aantal specifieke ruimten en werkplaatsen' moeten de ruimtesoorten
                    worden onderscheiden zoals deze binnen het ruimtebehoeftemodel zijn opgenomen.
                    Indien een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen,
                    wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt
                    wel geregistreerd.</al><al>3.2 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</al><al>De vaststelling van de rangorde geschiedt om te kunnen bepalen van welk gebouw
                    als eerste het gebruik beëindigd wordt als er sprake is van een daling van het
                    aantal leerlingen. Dit is het gebouw met het hoogste rangordenummer. Indien een
                    voorziening in de huisvesting bestaat uit een hoofdgebouw (of nevenvestiging) en
                    een of meer dislocaties, wordt de rangorde tussen deze gebouwen vastgesteld. Dit
                    is de rangorde zoals vastgelegd in de Basisregistratie Huisvesting van het
                    ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Indien de rangorde opnieuw
                    moet worden vastgesteld, doordat nieuwe gebouwen moeten worden toegevoegd, wordt
                    de rangorde als volgt vastgesteld.Het hoofdgebouw krijgt nummer 1, vervolgens
                    vindt doornummering plaats voor de dislocaties met een permanente bouwaard te
                    beginnen met de dislocatie met de grootste capaciteit en vervolgens de
                    dislocaties met een tijdelijke bouwaard te beginnen met de dislocatie met de
                    grootste capaciteit.De vaststelling van de rangorde vindt plaats conform het
                    bovenstaande tenzij na overleg tussen het bevoegd gezag van de school en het
                    college, het college anders beslist.</al><al>3.3 Terrein</al><al>Onder terrein dient te worden verstaan het kadastraal perceel of de kadastrale
                    percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De
                    terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het
                    Kadaster. Indien de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen
                    van het schoolterrein, dan wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van
                    de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al>3.4 Inventaris</al><al>Voor de inventaris is het uitgangspunt dat op 1 januari 1997 alle instellingen
                    voor voortgezet onderwijs zijn voorzien van een inventaris. De bruto
                    vloeroppervlakte algemene ruimten en het aantal specifieke ruimten en
                    werkplaatsen als zodanig zijn de basis voor de vaststelling van de omvang van de
                    aanwezige inventaris.</al><al>3.5 Gymnastiekruimten</al><al>3.5.1 Gymnastiekruimte</al><al>De capaciteit van een gymnastiekruimte voor het voortgezet onderwijs bedraagt 40
                    uur.</al><al>3.5.2 Terrein</al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                    Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande gymnastiekruimten gelegen op
                    eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al>3.5.3 Inventaris</al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 1997 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al>DEEL B Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1 Lesgebouwen</al><al>Basisschool</al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor de
                    huisvestingsbehoefte. Het bepalen van de huisvestingsbehoefte als gevolg van een
                    aanvraag voor opneming op het programma, is afhankelijk van de vraag of een voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening dan wel een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening wordt toegekend. Ten behoeve van de bepaling van de omvang
                    van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt
                    voor de bepaling van de ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule
                    onder a. Ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool wordt voor de bepaling van de
                    ruimtebehoefte van de school uitgegaan van de formule onder b. De formatie die
                    aan basisscholen wordt toegekend is opgebouwd uit de bestanddelen formatie
                    onderbouw (A), formatie bovenbouw (B), kleine scholentoeslag (C) en
                    schoolgewicht (D).</al><al>a. Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening voor een basisschool:G = (A + B + C) / 179Waarbij:o
                    G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen. Het
                    verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. o A=
                    het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op 1 oktober voorafgaande aan
                    elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal A wordt niet afgerond. o B= het
                    aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                    waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 6,17. Het verkregen getal B wordt niet afgerond. o C= 280
                    minus (het totaal aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar
                    waarop de prognose betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven,
                    vermenigvuldigd met 2,06). Indien de uitkomst van deze berekening negatief is,
                    wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal C wordt niet afgerond. b.
                    Formule ten behoeve van de bepaling van de omvang van een voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening voor een basisschool: G = (A + B + C + D) / 179 + E + 0,5
                    FWaarbij:o G= de ruimtebehoefte van de school uitgedrukt in een aantal groepen.
                    Het verkregen getal G wordt rekenkundig afgerond op een geheel aantal groepen. o
                    A=a. het aantal leerlingen van 4 tot en met 7 jaar dat op de meest recente
                    teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. b.
                    (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal leerlingen
                    van 4 tot en met 7 jaar dat op de datum van de meest recente telling op de
                    school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 9. Het verkregen getal wordt niet
                    afgerond. o B =a. het aantal leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de meest
                    recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                    6,17.b. (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                    aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) het aantal
                    leerlingen van 8 jaar en ouder dat op de datum van de meest recente telling op
                    de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 6,17.Het verkregen getal wordt
                    niet afgerond. o C =a. 280 minus (het totaal aantal leerlingen dat op de meest
                    recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven, vermenigvuldigd met
                    2,06).b. (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het
                    aantal leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) 280 minus (het
                    totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de
                    school is ingeschreven, vermenigvuldigd met 2,06).Indien de uitkomst van deze
                    berekening negatief is, wordt de factor C op 0 bepaald. Het verkregen getal
                    wordt niet afgerond. o D =a. som van de gewichten[x] op basis van het totaal
                    aantal leerlingen dat op de meest recente teldatum 1 oktober op de school is
                    ingeschreven, verminderd met 8,35% van het totaal aantal leerlingen dat op de
                    meest recente teldatum 1 oktober op de school is ingeschreven. Indien het
                    schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1
                    oktober ingeschreven leerlingen van de school, wordt het schoolgewicht D
                    vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente teldatum 1 oktober op de
                    school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig afgerond
                    op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd met
                    3,2.b. (indien de formatie opnieuw wordt berekend bij een toename van het aantal
                    leerlingen zoals bedoeld in het Besluit bekostiging WPO) som van de gewichten op
                    basis van het totaal aantal leerlingen dat op de datum van de meest recente
                    telling op de school is ingeschreven, verminderd met 8,35% van het totaal aantal
                    leerlingen dat op de datum van de meest recente telling op de school is
                    ingeschreven. Indien het schoolgewicht D hoger is dan 80% van het aantal op de
                    meest recente telling ingeschreven leerlingen van de school, wordt het
                    schoolgewicht D vastgesteld op 80% van het aantal op de meest recente telling op
                    de school ingeschreven leerlingen. Het verkregen getal wordt rekenkundig
                    afgerond op een geheel getal. Dit gehele getal wordt vervolgens vermenigvuldigd
                    met 3,2. Indien de uitkomst van deze berekening negatief is, wordt de factor D
                    op 0 bepaald. Het verkregen getal wordt niet afgerond.o E = aanvullende formatie
                    op grond van bijzondere omstandigheden, toegekend op basis van artikel 120,
                    vijfde lid van de Wet op het primair onderwijs.o F = het aantal formatieplaatsen
                    onderwijsachterstandenbestrijding dat door de gemeente wordt bekostigd vanuit de
                    specifieke uitkering.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    de omvang van de permanente en voor de omvang van de tijdelijke voorziening. Het
                    aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de
                    'N-factor'. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15. Het
                    verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond.</al><al>1.2 Gymnastiekruimten</al><al>Basisschool</al><al>Voor een basisschool is het aantal groepen bepalend voor het aantal klokuren
                    gymnastiek. Per groep 6-12-jarigen wordt uitgegaan van maximaal 1,5 klokuur
                    gymnastiek. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen.
                    Ten behoeve van de bepaling van het aantal formatieplaatsen wordt uitgegaan van
                    de formule G = (A + B + C + D) / 179De componenten G, A, B, C en D zijn identiek
                    aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.Voor het bepalen van het aantal
                    groepen 6-12 jarigen wordt aangesloten bij het normatieve overzicht 'splitsing
                    aantal groepen leerlingen' zoals weergegeven in tabel 5.</al><al>Tabel 5 Splitsingstabel aantal groepen leerlingen (G)Deze tabel geeft inzicht in
                    de genormeerde splitsing van het aantal groepen leerlingen (G) in groepen 4- en
                    5-jarigen en groepen 6- tot en met 12-jarigen ten behoeve van het onderwijs in
                    de lichamelijke oefening. Vanaf 2002 wordt uitgegaan van de volledige
                    doorvoering van de groepsgrootteverkleining. Aantal groepen per school (G)
                    Aantal groepen 4/5-jarigen Aantal groepen 6/12-jarigen2 1 13 1 24 2 25 2 36 2 47
                    3 48 3 59 3 610 3 711 4 712 4 813 4 914 5 915 5 1016 5 1117 6 1118 6 1219 6 1320
                    6 1421 7 1422 7 1523 7 1624 8 1625 8 1726 8 1827 9 1828 9 1929 9 2030 9 2131 10
                    2132 10 2233 10 2334 11 2335 11 2436 11 2537 11 2638 12 2639 12 2740 12 2841 13
                    2842 13 2943 13 3044 14 3045 14 3146 14 3247 14 3348 15 3349 15 3450 15 35Voor
                    de vaststelling van de structurele noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een
                    basisschool, wordt het aantal groepen bepaald door het aantal leerlingen dat op
                    1 oktober voorafgaand aan elk jaar waarop de prognose, als bedoeld in bijlage
                    II, betrekking heeft op de school zal zijn ingeschreven.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs is het aantal groepen bepalend voor
                    het aantal klokuren gymnastiek. Per groep met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt
                    uitgegaan van maximaal 3,75 klokuur gymnastiek indien de school niet de
                    beschikking heeft over een speellokaal. Per groep met leerlingen van 6 jaar en
                    ouder wordt uitgegaan van maximaal 2,25 klokuur gymnastiek.Het aantal groepen
                    wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De
                    'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. De N-factor voor een speciale
                    school voor basisonderwijs is 15. Het verkregen getal wordt alleen naar boven
                    afgerond indien het cijfer achter de komma groter is dan 5. In het andere geval
                    wordt het getal naar beneden afgerond.Voor de vaststelling van de structurele
                    noodzaak van een nieuwe accommodatie voor een speciale school voor
                    basisonderwijs, wordt het aantal groepen bepaald aan de hand van de prognose als
                    bedoeld in bijlage II.</al><al>1.3 Bepaling aantal groepen ten behoeve van (uitbreiding van) eerste aanschaf
                    onderwijsleerpakket en meubilair.</al><al>Basisschool</al><al>De inrichting van een basisschool bestaat uit de volgende componenten:</al><al>a. onderwijsleerpakketb. meubilaira. onderwijsleerpakket Ten behoeve van de
                    bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van
                    de onderstaande formule:G = (A + B + C + D) / 179 + EDe componenten G, A, B, C,
                    D en E zijn identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.b.
                    meubilairTen behoeve van de bepaling van de omvang van de voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening, dan wel de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf
                    van het meubilair, wordt voor de bepaling van het aantal groepen uitgegaan van
                    de onderstaande formule:G = (A + B + C) / 179De componenten G, A, B en C zijn
                    identiek aan de componenten zoals opgenomen in de formule voor permanent gebruik
                    bestemde voorzieningen in bijlage III, deel B, onder 1.1.</al><al>Speciale school voor basisonderwijs</al><al>Het aantal groepen onderwijsleerpakket en meubilair wordt bepaald door het
                    aantal leerlingen te delen door de 'N-factor'. De N-factor is bepalend voor de
                    groepsgrootte. De N-factor voor een speciale school voor basisonderwijs is 15.
                    Het verkregen getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de
                    komma groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden
                    afgerond.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>2.1 Lesgebouwen</al><al>Voor een school of nevenvestiging voor (voortgezet) speciaal onderwijs is het
                    aantal groepen bepalend voor de omvang van de permanente en voor de omvang van
                    de tijdelijke voorziening. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen te delen door de 'N-factor'. De N-factor bepaalt de maximale
                    groepsgrootte. In onderstaande tabel 6, 'N-factor', is de groepsgrootte per
                    onderwijssoort en per schooltype weergegeven (artikel 14 Formatiebesluit WEC).
                    Het getal wordt alleen naar boven afgerond indien het cijfer achter de komma
                    groter is dan 5. In het andere geval wordt het getal naar beneden afgerond.Tabel
                    6 N-factorOnderwijssoort N-factor SO N-factor VSODove kinderen (DO) 6
                    6Slechthorende kinderen (SH) 12 7Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die
                    niet tevens behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES) 12 7Visueel
                    gehandicapten (VISG) 12 7Lichamelijk gehandicapte kinderen (LG) 12 7Langdurig
                    zieke kinderen (LZ) 13 7Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK) 12 12Zeer moeilijk
                    opvoedbare kinderen (ZMOK) 12 7Kinderen in scholen verbonden aan pedologische
                    instituten (PI) 10 77* 7** tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs,
                    Cultuur en Wetenschappen anders is vastgesteld. De bepaling van het aantal
                    groepen van een SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer afdelingen
                    zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk plaats,
                    waarna de afzonderlijk vastgestelde ruimtebehoeften worden gesommeerd.</al><al>2.2 Gymnastiekruimten</al><al>Het aantal groepen is bepalend voor het aantal klokuren gymnastiek. Per groep
                    met leerlingen jonger dan 6 jaar wordt, indien de school of nevenvestiging niet
                    de beschikking heeft over een speellokaal, maximaal 3,75 klokuur gymnastiek
                    vergoed. Per groep met leerlingen van 6 jaar en ouder wordt maximaal 2,25
                    klokuur gymnastiek vergoed. Het aantal groepen is afhankelijk van het aantal
                    leerlingen. Het aantal groepen wordt bepaald door het aantal leerlingen te delen
                    door de 'N-factor'. De 'N-factor' is bepalend voor de groepsgrootte. In tabel 6
                    is de 'N-factor' weergegeven. Het verkregen getal wordt alleen naar boven
                    afgerond indien het cijfer achter de komma hoger is dan 5. In het andere geval
                    wordt het getal naar beneden afgerond.Voor de vaststelling van de structurele
                    noodzaak van een nieuwe accommodatie wordt het aantal groepen bepaald aan de
                    hand van de prognose als bedoeld in bijlage II. De bepaling van het aantal
                    groepen van een SOVSO-school of een SO-school waaraan een of meer afdelingen
                    zijn verbonden, vindt voor de verschillende schooltypen afzonderlijk
                    plaats.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>3.1 Lesgebouwen</al><al>Voor een school voor voortgezet onderwijs wordt met behulp van het
                    Ruimtebehoeftemodel (RBM) de ruimtebehoefte bepaald. Het totale ruimtebeslag van
                    een instelling voor voortgezet onderwijs is een optelling van twee componenten,
                    te weten:</al><al>1. een leerlinggebonden component;2. een vaste voet.</al><al>ad 1 Een leerlinggebonden component</al><al>Deze wordt bepaald door aan de hand van in tabel 7.1.a Berekening van de
                    leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs, opgenomen
                    bruto-vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal
                    leerlingen. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs,
                    leerweg of sector die de leerling volgt.</al><al>ad 2 Een vaste voet</al><al>De vaste voet wordt bepaald aan de hand van in tabel 7.1.b Berekening van de
                    vaste voet per instelling ten behoeve van de ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijs, opgenomen bruto- vloeroppervlakten per instelling of sector. De vaste
                    voet is afhankelijk van de aard van de vestiging en van het onderwijsaanbod
                    binnen de beroepsgerichte leerweg.Vermenigvuldiging van het aantal leerlingen
                    per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten en verhoging met de
                    vaste voet per instelling en, indien van toepassing, een vaste voet per sector
                    geeft, uitgedrukt in bruto vierkante meters, de totale ruimtebehoefte van de
                    instelling.Het RBM voorziet in een normering voor praktijkonderwijs. Het RBM
                    voorziet niet in een afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch
                    didactisch centrum (OPDC). Het OPDC levert diensten ter ondersteuning van
                    leerlingen op de scholen die het samenwerkingsverband zijn aangegaan. De
                    leerlingen die gebruikmaken van de diensten van het OPDC zijn derhalve in alle
                    gevallen ingeschreven bij reguliere scholen voor voortgezet onderwijs. Voor een
                    onderbouwing van de in tabel 7.1.a en 7.1.b opgenomen bruto-normoppervlakten
                    wordt verwezen naar de toelichting van deze bijlage. Indien noodzakelijk voor
                    het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze onderbouwing
                    de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs
                    worden bepaald.</al><al>Tabel 7.1.a Berekening van de leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet
                    onderwijsOnderwijssoort Leerweg Ruimtetype BVO/leerlingOnderbouw (leerjaar 1 en
                    2) - Algemeen 6,18Bovenbouw AVO/VWO - Algemeen 5,85Bovenbouw theoretische
                    leerweg TLW Algemeen 6,41- LWOO Algemeen 7,07Bovenbouw techniek GLW Algemeen
                    5,98- - Specifiek 5,47- BLW Algemeen 4,69- - Specifiek 8,99- LWOO Algemeen 4,44-
                    - Specifiek 12,72Bovenbouw economie GLW Algemeen 5,95- - Specifiek 0,89- BLW
                    Algemeen 5,56- - Specifiek 2,25- LWOO Algemeen 5,85Specifiek 3,06Bovenbouw
                    zorg/welzijn GLW Algemeen 5,33Specifiek 2,10BLW Algemeen 4,71Specifiek 4,22LWOO
                    Algemeen 4,85Specifiek 5,53Bovenbouw landbouw GLW Algemeen 5,94Specifiek 0,78BLW
                    Algemeen 5,37Specifiek 2,34LWOO Algemeen 5,03Specifiek 4,69Praktijkonderwijs
                    Algemeen 4,41Specifiek 7,72Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO=
                    leerwegondersteunend onderwijs GLW = gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte
                    leerweg (basis- of kader-)</al><al>Tabel 7.1.b Berekening van de vaste voet per instelling ten behoeve van de
                    ruimtebehoefte voortgezet onderwijsOnderwijssoort Ruimtetype Vaste
                    voetHoofdvestiging Algemeen 980Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak Algemeen
                    550Nevenvestiging zonder spreidingsnoodzaak 0VMBO-techniek BLW Specifiek
                    299VMBO-economie BLW Specifiek 196VMBO-zorg/welzijn BLW Specifiek
                    168VMBO-landbouw BLW Specifiek 117Praktijkonderwijs Algemeen 306Legenda BLW =
                    beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</al><al>De vaste voet per instelling is 980 m2 bruto-vloeroppervlakte (BVO) welke wordt
                    toegekend aan de hoofdvestiging van de instelling. Voor een nevenvestiging die
                    op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende
                    bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak, geldt een aanvullende vaste voet
                    van 550 m2 BVO. Indien van toepassing worden vaste voeten behorende bij die
                    sectoren waar de beroepsgerichte leerweg wordt aangeboden toegekend op de
                    vestiging waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een
                    vaste voet voor die vestiging waar een afdeling voor praktijkonderwijs aanwezig
                    is.</al><al>3.2 Gymnastiekruimten</al><al>De in onderstaande tabel 7.2 'Berekening van de ruimtebehoefte
                    gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijs' vermelde bruto vloeroppervlakten
                    vormen de grondslag voor de bepaling van de omvang van de voorzieningen in de
                    huisvesting ten behoeve van gymnastiekonderwijs.Tabel 7.2 Berekening van de
                    ruimtebehoefte gymnastiekaccommodatie voortgezet onderwijsOnderwijssoort Leerweg
                    BVO/leerlingOnderbouw (leerjaar 1 en 2) - 1,66Bovenbouw AVO/VWO - 0,78Bovenbouw
                    theoretische leerweg TLW 1,11- LWOO 1,26Bovenbouw techniek GLW 1,11- BLW 1,38-
                    LWOO 1,57Bovenbouw economie GLW 1,11- BLW 1,38- LWOO 1,57Bovenbouw zorg/welzijn
                    GLW 1,11- BLW 1,38- LWOO 1,57Bovenbouw landbouw GLW 1,11- BLW 1,38- LWOO
                    1,57Praktijkonderwijs - 1,99Legenda TLW = theoretische leerweg LWOO =
                    leerwegondersteunend onderwijs GLW = gemengde leerweg BLW = beroepsgerichte
                    leerweg (basis- of kader-)</al><al>DEEL C De bepaling van de omvang van de toekenning</al><al>De bepaling van de omvang van een inhoudelijk goedgekeurde voorziening is
                    noodzakelijk om op basis van bijlage IV, de financiële normering, de financiële
                    consequenties vast te stellen.</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>1.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening,
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter
                    vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1
                    groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. Indien in de
                    gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is
                    opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het
                    aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden
                    gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit
                    van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in
                    combinatie met uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de
                    verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling
                    van de capaciteit'. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van
                    aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw,
                    hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.Een toeslag voor een
                    afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw,
                    uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de
                    vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan
                    wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens
                    als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede
                    toeslag voor een afzonderlijk speellokaal wordt toegekend indien de omvang van
                    de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel
                    vervangende nieuwbouw de veertiende groep omvat.De omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de
                    omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal
                    groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze
                    van bepalen van de ruimtehoefte'.De omvang van de goedgekeurde voor permanent
                    gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door
                    het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is en
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>1.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                    jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.De omvang van de goedgekeurde
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, uitbreiding, dan wel uitbreiding
                    ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen wordt bepaald
                    zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte'. Een tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van
                    een speellokaal wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor
                    tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen nieuwbouw, vervangende nieuwbouw,
                    uitbreiding dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, de
                    vijfde groep omvat. Indien de voorziening in de huisvesting een uitbreiding dan
                    wel een uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw betreft, geldt tevens
                    als voorwaarde dat het bestaande gebouw geen speellokaal bevat. Een tweede
                    tijdelijke voorziening voor één groep extra ten behoeve van een speellokaal
                    wordt toegekend indien de omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorzieningen nieuwbouw dan wel vervangende nieuwbouw de veertiende
                    groep omvat.Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde
                    verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk
                    aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit
                    van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke
                    uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden gerealiseerd door
                    aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de verschiloppervlakte zoals
                    omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling van de capaciteit'.
                    Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van aanpassing van het
                    gebouw, hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.De omvang
                    van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening ingebruikneming
                    wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk
                    is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter
                    dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtehoefte'.De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter dan
                    vijftien jaar, noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is.De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.</al><al>1.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet
                    gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en het gestelde in bijlage
                    III, deel D.Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, dan wel uitbreiding van
                    de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket, wordt bepaald door het verschil
                    tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf
                    van het onderwijsleerpakket voor het aantal groepen, op basis van het aantal
                    gewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op de, voor het indienen
                    van de aanvraag, laatst bekende teldatum [of: meest recente teldatum]. Het
                    aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in paragraaf 1.3 van deel B van
                    deze bijlage.Voor een basisschool wordt de omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening eerste aanschaf van het meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                    aanschaf van het meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het aantal
                    groepen waarvoor eerste aanschaf van het meubilair is bekostigd en de normatief
                    noodzakelijke eerste aanschaf van het meubilair voor het aantal groepen, op
                    basis van het aantal ongewogen leerlingen, zoals normatief kan worden gevormd op
                    de, voor het indienen van de aanvraag, laatst bekende teldatum [of: meest
                    recente teldatum]. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
                    paragraaf 1.3 van deel B van deze bijlage.Voor een basisschool wordt een toeslag
                    onderwijsleerpakket tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een
                    uitbreiding met een tweede speellokaal.Voor een basisschool wordt een toeslag
                    meubilair tweede speellokaal toegekend indien er sprake is van een uitbreiding
                    met een tweede speellokaal.Voor een speciale school voor basisonderwijs wordt de
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, eerste aanschaf van het
                    onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste aanschaf van
                    het onderwijsleerpakket en meubilair, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor reeds eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                    meubilair is bekostigd en de normatief noodzakelijke eerste aanschaf van
                    onderwijsleerpakket en meubilair voor het aantal groepen zoals normatief kan
                    worden gevormd, op basis van de, voor het indienen van de aanvraag, laatst
                    bekende teldatum [of: meest recente teldatum]. De omvang van de goedgekeurde
                    voor blijvend gebruik bestemde voorziening, danwel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening aanpassing anders dan een aanpassing als gevolg van
                    onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening aanpassing als gevolg
                    van onderwijskundige vernieuwingen wordt bepaald door de verschiloppervlakte
                    tussen het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de minimumnormen zoals deze
                    golden voor 1 januari 2003 en het aantal genormeerde m2 bvo behorend bij de
                    minimumnormen (zie bijlage III, deel A) bij het aantal groepen dat bepaald is
                    aan de hand van de bepaling van de omvang van een voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van
                    de ruimtebehoefte' met als maximum het aantal groepen van de school waarvoor de
                    school over permanente huisvesting beschikt.De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening onderhoud wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                    onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere
                    omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>1.4 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij de realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven
                    bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke
                    oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).De omvang van de goedgekeurde
                    aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om
                    het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van
                    het onderwijs.De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                    realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met
                    betrekking tot de terreinoppervlakte.De omvang van de goedgekeurde aanvulling op
                    de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of
                    uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste
                    aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de
                    gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.De omvang van het goedgekeurde
                    onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De omvang van het
                    goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt
                    bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang
                    van het onderwijs.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>2.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is.
                    Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage:
                    'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.De omvang van de goedgekeurde voor
                    blijvend gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter
                    vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1
                    groep. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'. Indien in de
                    gegevensadministratie van de gemeente een zogenaamde verschiloppervlakte is
                    opgenomen, zijnde het verschil tussen het werkelijk aanwezige aantal m2 en het
                    aantal m2 behorende bij de geregistreerde capaciteit van het uit te breiden
                    gebouw, wordt bezien in hoeverre de noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit
                    van het gebouw kan worden gerealiseerd door aanpassing of door aanpassing in
                    combinatie met uitbreiding van het bestaande gebouw. Het betreft de
                    verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling
                    van de capaciteit'. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van
                    aanpassing van het gebouw, dan wel aanpassing en uitbreiding van het gebouw,
                    hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het gebouw.De omvang van de
                    goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt
                    bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor
                    het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.De omvang van de goedgekeurde
                    voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt
                    bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting aanwezig is.</al><al>2.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal groepen waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven in
                    deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.De omvang van
                    de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel
                    uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, wordt bepaald door het
                    verschil tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en
                    korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor
                    huisvesting aanwezig is. Het verschil is minimaal 1 groep. Het aantal groepen
                    wordt bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen
                    van de ruimtehoefte'. Indien in de gegevensadministratie van de gemeente een
                    zogenaamde verschiloppervlakte is opgenomen, zijnde het verschil tussen het
                    werkelijk aanwezige aantal m2 en het aantal m2 behorende bij de geregistreerde
                    capaciteit van het uit te breiden gebouw, wordt bezien in hoeverre de
                    noodzakelijke uitbreiding van de capaciteit van het gebouw kan worden
                    gerealiseerd door aanpassing van het bestaande gebouw. Het betreft de
                    verschiloppervlakte zoals omschreven in deel A van deze bijlage: 'De bepaling
                    van de capaciteit'. Uitbreiding van het gebouw vindt plaats indien de kosten van
                    aanpassing van het gebouw hoger zijn dan de kosten van uitbreiding sec van het
                    gebouw.De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of gebouwgedeelte
                    dat noodzakelijk is voor het aantal groepen waarvoor huisvesting ten minste vier
                    jaar en korter dan vijftien jaar noodzakelijk is. Het aantal groepen wordt
                    bepaald zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening in de huisvesting, medegebruik, wordt bepaald door het verschil
                    tussen het aantal groepen waarvoor huisvesting, ten minste vier jaar en korter
                    dan vijftien jaar, noodzakelijk is en het aantal groepen waarvoor huisvesting
                    aanwezig is.De omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald aan de hand van het aantal groepen
                    waarvoor huisvesting noodzakelijk is ten minste vier jaar en korter dan vijftien
                    jaar. Het aantal groepen wordt bepaald zoals beschreven onder B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtehoefte'.</al><al>2.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, terrein, dan wel uitbreiding
                    van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte
                    om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de
                    wet gestelde eisen zoals gesteld ten aanzien van de terreinoppervlakte en het
                    gestelde in bijlage III, deel D.De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening, eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair, dan wel
                    uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair,
                    wordt bepaald door het verschil tussen het aantal groepen waarvoor reeds eerste
                    aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair is bekostigd en de normatief
                    noodzakelijke eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair voor het
                    aantal groepen zoals normatief kan worden gevormd, op basis van de, voor het
                    indienen van de aanvraag, laatst bekende teldatum [of: meest recente teldatum].
                    De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan
                    wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening aanpassing wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor
                    het onderwijs, dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wel
                    voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, onderhoud wordt bepaald door de
                    activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.
                    De omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening, herstel van constructiefouten en herstel van schade aan
                    het gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>2.4 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald door de minimumnormen bij realisering zoals aangegeven in onderdeel D
                    van deze bijlage.De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door de goedgekeurde onderdelen zoals aangegeven
                    bij de criteria voor de beoordeling van een voorziening in lichamelijke
                    oefening, het onderdeel uitbreiding (bijlage I).De omvang van de goedgekeurde
                    aanpassing wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om
                    het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs, dan wel voor de voortgang van
                    het onderwijs.De omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van
                    het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om
                    de gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te
                    realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met
                    betrekking tot de terreinoppervlakte.De omvang van de goedgekeurde aanvulling op
                    de eerste aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of
                    uitbreiding van de gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste
                    aanschaf van het meubilair voor andere leerlingen dan voor wie de
                    gymnastiekruimte oorspronkelijk is bedoeld.De omvang van het goedgekeurde
                    onderhoud aan de gymnastiekruimte wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De omvang van het
                    goedgekeurde herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                    onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt
                    bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang
                    van het onderwijs.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>3.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald aan de hand van het
                    aantal leerlingen, waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk
                    is. De hieruit voortkomende ruimtebehoefte wordt bepaald aan de hand van het
                    Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de toelichting van deze bijlage.De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                    uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw of
                    uitbreiding door middel van ingebruikneming wordt bepaald door het verschil
                    tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en de huisvesting die
                    aanwezig is. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van het gebouw of
                    gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen, waarvoor
                    huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt
                    bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in deel B van deze
                    bijlage: 'Wijze van bepalen van de ruimtebehoefte'.De omvang van de goedgekeurde
                    voor permanent gebruik bestemde voorziening in de huisvesting medegebruik wordt
                    bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte behorende bij het aantal
                    leerlingen aanwezig op de laatst bekende teldatum voor het indienen van de
                    aanvraag en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte.
                    Aan de hand van het feitelijke lesrooster kan vervolgens het overschot aan
                    beschikbare onderwijsruimte worden bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm
                    van in te roosteren lessen. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik
                    bestemde voorziening aanpassing de binnenzijde van het gebouw betreffende, wordt
                    bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om de onbelemmerde
                    voortgang van het onderwijs te kunnen garanderen voor het aantal leerlingen
                    waarvoor huisvesting ten minste vijftien jaar noodzakelijk is en voor zover de
                    kosten van deze activiteiten het drempelbedrag per leerling, zoals opgenomen in
                    het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c,
                    eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te boven
                    gaan.</al><al>3.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</al><al>De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening
                    nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt bepaald door het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien
                    jaar noodzakelijk is. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'.De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening uitbreiding, dan wel uitbreiding ter vervanging van
                    een bestaand gebouw, wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen waarvoor huisvesting ten minste vier jaar
                    doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde
                    capaciteit van de beschikbare huisvesting. Het verschil is minimaal 100 m2 bruto
                    vloeroppervlakte. De ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel zoals beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van
                    bepalen van de ruimtebehoefte'. De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk
                    gebruik bestemde voorziening ingebruikneming wordt bepaald door de omvang van
                    het gebouw of gebouwgedeelte dat noodzakelijk is voor het aantal leerlingen,
                    waarvoor huisvesting ten minste vier jaar en korter dan vijftien jaar
                    noodzakelijk is en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare
                    huisvesting. De ruimtebehoefte wordt bepaald met het Ruimtebehoeftemodel, zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.De omvang van de goedgekeurde voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening in de huisvesting medegebruik wordt bepaald door het verschil tussen
                    de ruimtebehoefte behorende bij het aantal leerlingen aanwezig op de laatst
                    bekende teldatum voor het indienen van de aanvraag en de met tien procent
                    verhoogde capaciteit van de beschikbare ruimte. Aan de hand van het feitelijke
                    lesrooster kan vervolgens het overschot aan beschikbare onderwijsruimte worden
                    bepaald. Medegebruik wordt gegeven in de vorm van in te roosteren lessen. De
                    omvang van de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening in de huisvesting
                    verplaatsing van noodlokalen wordt bepaald door het aantal leerlingen waarvoor
                    huisvesting ten minste vier jaar doch korter dan vijftien jaar noodzakelijk is
                    en de met tien procent verhoogde capaciteit van de beschikbare huisvesting. De
                    ruimtebehoefte wordt bepaald met behulp van het ruimtebehoeftemodel zoals
                    beschreven in deel B van deze bijlage: 'Wijze van bepalen van de
                    ruimtebehoefte'.</al><al>3.3 Overige voor blijvend gebruik dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorzieningen</al><al>De omvang van de voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de
                    minimaal noodzakelijk oppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met
                    inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de
                    terreinoppervlakte. De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde
                    voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening eerste aanschaf
                    van leer- en hulpmiddelen en meubilair, dan wel uitbreiding van de eerste
                    aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair, is gekoppeld aan de omvang van
                    de toegekende voorziening in de huisvesting.De omvang van de tegemoetkoming in
                    eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair als er sprake is van een
                    inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in
                    specifieke en/of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding
                    voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste
                    inrichting van de te creëren ruimte.De omvang van de goedgekeurde voor blijvend
                    gebruik bestemde voorziening, dan wel voor tijdelijk gebruik bestemde
                    voorziening aanpassing de buitenzijde van het gebouw of het terrein betreffende,
                    wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn om de
                    onbelemmerde voortgang van het onderwijs te kunnen garanderen voor het aantal
                    leerlingen waarvoor huisvesting langer dan vijftien jaar noodzakelijk is.De
                    omvang van de goedgekeurde voor blijvend, dan wel voor tijdelijk gebruik
                    bestemde voorziening herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het
                    gebouw, onderwijsleerpakket/leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al>3.4 Gymnastiekruimten</al><al>De omvang van de goedgekeurde nieuwbouw, dan wel vervangende nieuwbouw, wordt
                    bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel, zoals beschreven in de
                    toelichting bij deze bijlage.De omvang van de goedgekeurde uitbreiding van een
                    gymnastiekruimte wordt bepaald door het verschil tussen de ruimtebehoefte
                    behorende bij het aantal leerlingen, waarvoor gymnastiekruimte langer dan
                    vijftien jaar noodzakelijk is (te bepalen met behulp van het
                    ruimtebehoeftemodel) en de gymnastiekruimte die aanwezig is.De omvang van de
                    goedgekeurde aanpassing, de buitenzijde van het gebouw of het terrein
                    betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn
                    voor de voortgang van het onderwijs.De omvang van de goedgekeurde aanpassing, de
                    binnenzijde van het gebouw betreffende, wordt bepaald door de activiteiten die
                    minimaal noodzakelijk zijn om het gebouw geschikt te maken voor het onderwijs,
                    dan wel noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs en voor zover de
                    kosten van deze activiteiten het drempelbedrag per leerling, zoals opgenomen in
                    het Besluit tot vaststelling van het drempelbedrag, bedoeld in artikel 76c,
                    eerste lid, onder b2, van de Wet op het voortgezet onderwijs, te boven gaan.De
                    omvang van het goedgekeurde terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt
                    bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om de
                    gymnastiekruimte, dan wel de uitbreiding van de gymnastiekruimte te realiseren
                    met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen met betrekking
                    tot de terreinoppervlakte.De omvang van de goedgekeurde aanvulling op de eerste
                    aanschaf van het meubilair, in geval van ingebruikneming of uitbreiding van de
                    gymnastiekruimte, wordt bepaald door de noodzakelijke eerste aanschaf van het
                    meubilair voor andere leerlingen dan waarvoor de gymnastiekruimte oorspronkelijk
                    is bedoeld.De omvang van het goedgekeurde herstel van constructiefouten en het
                    herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van
                    bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                    noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.De omvang van de
                    goedgekeurde voorziening medegebruik gymnastiekruimte wordt uitgedrukt in
                    lestijden. Het aantal lestijden gymnastiek wordt bepaald met behulp van het
                    lesrooster met als maximum het met toepassing van tabel 7.2 van het
                    ruimtebehoeftemodel berekende aantal: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) :
                    460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd:
                    (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) : 322.Hierop wordt het aantal in eigen
                    accommodatie te verzorgen lessen in mindering gebracht (zie Deel A, paragraaf
                    3.5.1).De omvang van de goedgekeurde voorziening huur sportterrein bedraagt ten
                    hoogste acht weken per kalenderjaar. Het aantal lestijden waarvoor vergoeding
                    wordt gegeven wordt bepaald aan de hand van het lesrooster met als maximum het
                    met toepassing van tabel 7.2 van het ruimtebehoeftemodel berekende aantal:
                    (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) / 460. Voor het Lwoo en Praktijkonderwijs
                    wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen x 32 x m2 bvo gym) /
                    322.</al><al>DEEL D Minimumnormen bij realisering van nieuwe voorzieningen</al><al>1 School voor basisonderwijs</al><al>· minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m2 netto;· 1 speellokaal per school met een minimum netto oppervlakte
                    van 84 m2, vanaf de veertiende groep een tweede speellokaal met een minimum
                    netto oppervlakte van 84 m2;· minimumoppervlakte leslokaal: 42 m2 netto.</al><al>2 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</al><al>· minimum terreinoppervlakte betrekking hebbende op het verharde gedeelte: 3
                    m2/ll met een minimum van 300 m2 netto, vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan
                    met 600 m2 netto;· een speellokaal heeft een minimum netto oppervlakte van 84
                    m2;· minimum oppervlakte leslokaal: 42 m2 netto.</al><al>3 School voor voortgezet onderwijs</al><al>Minimum afmetingen, uitgedrukt in netto m2:theorielokaal: 42 m2theorievaklokaal:
                    50 m2vaklokaal natuurkunde: 50 m2vaklokaal biologie: 50 m2vaklokaal scheikunde:
                    60 m2vaklokaal handvaardigheid: 60 m2vaklokaal overig: 80 m2specifiek vaklokaal
                    lassen: 50 m2specifiek vaklokaal meten: 50 m2werkplaats: 115 m2 restaurant: 80
                    m2</al><al>4 Gymnastiekruimten</al><al>· De oefenruimte is minimaal 252 m2 netto.· De hoogte van de oefenruimte is
                    minimaal 5 m.Het gymnastiekgebouw bevat ten minste 2 kleedruimten met een
                    was-/douchegelegenheid.</al><al>III-1</al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het primair onderwijs'</al><al>De vaststelling van de bruto-vloeroppervlakte van een schoolgebouw:</al><al>· De bruto-vloeroppervlakte van een gebouw is de som van de
                    bruto-vloeroppervlakten van alle onderwijsruimten en andere ruimten op alle
                    vloerniveaus. · De bruto-vloeroppervlakte van ieder vloerniveau wordt begrensd
                    door de buitenomtrek c.q. het buitenvlak van de begrenzing van het gebouw op
                    vloerhoogte.· De oppervlakte van trappen en liften dient op ieder vloerniveau
                    tot de bruto-vloeroppervlakte te worden gerekend.· De oppervlakte van
                    verbindende ruimten tussen in-of aanpandige gymnastieklokalen wordt toegerekend
                    aan het lesgebouw.· Bij scheidingswanden tussen het lesgebouw en in-of aanpandig
                    gelegen gymnastieklokalen wordt de bruto-vloeroppervlakte gerekend tot het hart
                    van de scheidingsconstructie.· Tot de bruto-vloeroppervlakte wordt niet gerekend
                    een schalmgat of een vide, voor zover de oppervlakte daarvan groter is dan 4
                    m2.Uitzonderingen:</al><al>· In- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf
                    bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend.· Indien de
                    bruto-vloeroppervlakte niet of moeilijk te bepalen is, mogen de
                    netto-oppervlakten van alle ruimten worden opgeteld. De bruto-vloeroppervlakte
                    wordt dan verkregen door de gevonden nettovloeroppervlakte te vermenigvuldigen
                    met de factor 1,1.· Bij zolderruimten, kelders of souterrains in gebruik als
                    onderwijsruimte of andere ruimte, wordt de bruto-vloeroppervlakte bepaald door
                    de nettovloeroppervlakte van dat deel van de ruimte met een vrije hoogte ] 2,60
                    m te vermenigvuldigen met de factor 1,1. · Voorzover een zolderruimte, kelder of
                    souterrain wordt gebruikt als berging, keuken, stencilruimte of werkkast telt
                    deze niet mee voor de berekening van de bruto-vloeroppervlakte.</al><al>III-2</al><al>Overzicht 'Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto-vloeroppervlakte van
                    de schoolgebouwen in het voortgezet onderwijs'</al><al>Deze meetinstructie is bedoeld voor nieuwe (gedeelten van) gebouwen of voor
                    situaties waar gekozen wordt voor het niet overnemen van gegevens van het
                    ministerie van OCenW.De bruto-oppervlakte van een gebouw is de som van de
                    bruto-vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende 'beloopbare'
                    binnenruimten. De bruto-vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de
                    buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies, die de ruimten omhullen.Tot de
                    bruto-oppervlakte behoort eveneens:</al><al>· de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk
                    vloerniveau;· de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover
                    groter dan 0,5 m2.Uitzonderingen:</al><al>· De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten
                    ruimten worden niet tot de bruto-vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de
                    vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft luifels, dakoverstekken,
                    de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen (al dan niet
                    overdekt) en dergelijke.· Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een
                    gebouw worden bij de bepaling van de bruto-oppervlakte niet meegerekend.· - Niet
                    beloopbare kelders en/of zolders worden niet meegerekend.</al></bijlage><bijlage><kop><label/><nr>4</nr><titel/></kop></bijlage><bijlage><kop><label>Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>1 Volgorde van hoofdprioriteiten</al><al>Huisvestingsvoorzieningen aangevraagd voor hetzelfde jaar die voldoen aan de
                    criteria, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdelen a, b en c worden ter
                    samenstelling van het programma en het overzicht gerangschikt in volgorde van
                    prioriteit.Ten eerste vindt de rangschikking plaats naar hoofdprioriteit:</al><al>1. voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald op basis van bijlage III op
                    te heffen;2. voorzieningen noodzakelijk om een adequaat onderhoudsniveau te
                    handhaven i.c. onderhoud van gebouwen voor primair onderwijs;3. voorzieningen
                    noodzakelijk om te voldoen aan bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen
                    bestaande uit aanpassingen voor zover deze geen capaciteitsuitbreiding
                    inhouden;4. voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om gebouwen
                    aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs.</al><al>Ad 1</al><al>Hieronder vallen nieuwbouw, uitbreiding, eerste inrichting (los van andere
                    voorzieningen aangevraagd), verplaatsing noodlokalen, medegebruik en het
                    inpandig of deels inpandig creëren van lesruimten, inclusief (voor zover van
                    toepassing) het daarbij horende terrein en de eerste inrichting. Ook vergroting
                    van de capaciteit voor onderwijs in de lichamelijke oefening bijvoorbeeld door
                    nieuwbouw van een gymnastiekruimte behoort tot deze hoofdprioriteit. Vervangende
                    bouw en ingebruikneming van een gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen
                    vallen slechts in deze hoofdprioriteit, indien zij dienen om een tekort aan
                    capaciteit op te heffen.</al><al>Ad 2</al><al>Vervangende bouw, ingebruikneming van een gebouw ter vervanging van een ander
                    gebouw inclusief de noodzakelijke aanpassingen, onderhoud in het primair
                    onderwijs, herstel van constructiefouten, herstel of vervanging van schade in
                    bijzondere omstandigheden en de aanpassing 'vervanging van een oliegestookte
                    verwarmingsinstallatie' in het primair onderwijs vormen de tweede
                    hoofdprioriteit.</al><al>Ad 3</al><al>Aanpassingen van gebouwen voor primair onderwijs met uitzondering van het
                    (deels) inpandig creëren van lesruimten en vervanging van een oliegestookte
                    verwarming vallen onder hoofdprioriteit 3.</al><al>Ad 4</al><al>Invulling van hoofdprioriteit 4 zal afhangen van de gevolgen van nieuwe
                    onderwijskundige inzichten voor gebouwen. Daarnaast vallen hieronder de
                    activiteiten van aanpassingen van meer algemene aard en herstel of vervanging
                    van schade in bijzondere omstandigheden voor zover dit niet spoedeisend is.</al><al>2 Nadere volgorde binnen de hoofdprioriteiten: de subprioriteiten</al><al>Vervolgens wordt binnen elke hoofdprioriteit op basis van de subprioriteit de
                    nadere volgorde bepaald. Daarbij wordt voor enige hoofdprioriteiten, namelijk de
                    hoofdprioriteiten 2, 3 en 4, de subprioriteit bepaald afhankelijk van de functie
                    die een ruimte heeft. Indien meerdere voorzieningen voor plaatsing op het
                    programma in aanmerking komen, worden de subprioriteiten steeds per voorziening
                    opnieuw toegepast.Onder lesruimten vallen: theorielokalen/leslokalen,
                    vaklokalen/speellokalen en gymnastiekruimten. Onder niet-lesruimten vallen:
                    kabinetten, personeelsruimten en overige nevenruimten binnen het gebouw.Onder
                    het begrip overige ruimte vallen: bergingen, fietsenstallingen en voorzieningen
                    aan het terrein.</al><al>2.1 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen om capaciteitstekorten als bepaald
                    op basis van bijlage III op te heffen' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</al><al>a. als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk
                    kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van
                    schoolgebouwen;b. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                    mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van
                    schoolgebouwen enc. vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                    mogelijk kwantitatief tekort aan gymnastiekruimten opheft.</al><al>2.2 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om een adequaat
                    onderhoudsniveau te handhaven' komt voor plaatsing op het programma in
                    aanmerking:</al><al>a. als eerste die voorziening aan een gebouw waarbij volgens het bouwkundige
                    rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua
                    kwaliteit wordt toegekend;b. vervolgens die voorziening aan een
                    theorielokaal/leslokaal waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                    artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;c.
                    vervolgens die voorziening aan een vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte
                    waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;d. vervolgens die voorziening
                    aan een niet-lesruimte waarbij volgens het bouwkundige rapport zoals bedoeld in
                    artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score qua kwaliteit wordt toegekend;e.
                    vervolgens die voorziening aan een overige ruimte waarbij volgens het
                    bouwkundige rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de laagste score
                    qua kwaliteit wordt toegekend.</al><al>2.3 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen noodzakelijk om te voldoen aan bij
                    of krachtens de wet gestelde verplichtingen waaronder aanpassingen voor zover
                    deze geen capaciteitsuitbreiding betreffen' komt voor plaatsing op het programma
                    in aanmerking:</al><al>a. als eerste de voorziening aan een gebouw dat niet voldoet aan de wet- en
                    regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                    in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is;b. vervolgens de voorziening aan een
                    theorielokaal/leslokaal dat niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij
                    de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2
                    onder c, de minste is; c. vervolgens de voorziening aan een
                    vaklokaal/speellokaal/gymnastiekruimte dat niet voldoet aan de wet- en
                    regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld
                    in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is; d. vervolgens de voorziening aan een
                    niet-lesruimte die niet voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de
                    bouwkundige conditie volgens het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder
                    c, de minste is; ene. vervolgens de voorziening aan een overige ruimte die niet
                    voldoet aan de wet- en regelgeving en waarbij de bouwkundige conditie volgens
                    het rapport zoals bedoeld in artikel 7, lid 2 onder c, de minste is.</al><al>2.4 Binnen de hoofdprioriteit 'voorzieningen die wenselijk zijn als gevolg van
                    nieuwe onderwijskundige inzichten en/of gewenste bouwkundige aanpassingen om
                    gebouwen aan te passen aan de eigentijdse eisen van het onderwijs' komt voor
                    plaatsing op het programma in aanmerking:</al><al>a. als eerste de voorziening aanpassing als gevolg van onderwijskundige
                    vernieuwingen aan een gebouw dat aangepast wordt waarbij het aantal groepen
                    leerlingen het hoogst is;b. vervolgens de voorziening voor
                    theorielokalen/leslokalen waarbij het percentage leerlingen waarvoor het nieuwe
                    onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;c. vervolgens de voorziening voor
                    vaklokalen/speellokalen/gymnastiekruimten waarbij het percentage leerlingen
                    waarvoor het nieuwe onderwijskundige beleid geldt het hoogst is;d. vervolgens de
                    voorziening aan niet-lesruimte die als lesruimte in gebruik wordt genomen
                    waarbij het percentage leerlingen waarvoor nieuw onderwijskundig beleid geldt
                    het hoogst is;e. vervolgens herstel of vervanging van schade in bijzondere
                    omstandigheden, waarbij de ernst van de schade het hoogst is; envervolgens de
                    activiteit ten behoeve van aanpassingen van meer algemene aard, waarbij de
                    ouderdom van het niet-aangepaste gebouw het hoogst is.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>Nieuwe Toelichting</titel></kop><al><plaatje><illustratie id="i4097fe58-c624-407d-af3e-2c3ffba8a867" naam="i11468i4097fe58-c624-407d-af3e-2c3ffba8a867.jpg" breedte="2cm" schaal="1" uitlijning="start" kleur="ja" type="foto" alt="77px" hoogte="1.50cm"/></plaatje></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>