<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR50425_7</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Wolden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.dewolden.nl">De Wolder Courant / Digitaal gemeenteblad 2014, nr. 13</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/volledig/geldigheidsdatum_#TitelIV_HoofdstukXV_1_Artikel216">Artikel 216 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/volledig/geldigheidsdatum_#TitelIV_HoofdstukXV_1_Artikel219">Artikel 219 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/volledig/geldigheidsdatum_#TitelIV_HoofdstukXV_2_Artikel220">Artikelen 220 t/m 220h Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigde regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>XVIII / 7a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De raad van de gemeente DE WOLDEN;</al><al> gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november
                        2014;</al><al> gelet op de artikelen 216, 219, 220 tot en met 220h van de
                        Gemeentewet;</al><al> Besluit:</al><al> vast te stellen de volgende verordening:</al><al> Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen
                        2015</al><al> (Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel/></kop><structuurtekst><al> Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al> 1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van
                            binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                            geheven:</al><al> a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al><al> b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al><al> 2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al> a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                            gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                            gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is
                            bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel
                            in gebruik is gegeven;</al><al> b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                            gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al><al> 3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al> 1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al> 2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde
                            die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al> 1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al> 2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is
                            vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
                            zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                            overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de
                            artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende
                            zaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al> 1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al><al> a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                            cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                            ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de
                            kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                            voedingsbodem te gebruiken;</al><al> b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                            teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond;</al><al> c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al> d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                            van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                            voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                            Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                            gebouwde eigendommen;</al><al> e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;</al><al> f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                            rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al> g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;</al><al> h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;</al><al> i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                            zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                            toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te
                            merken.</al><al> j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                            de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het
                            geven van onderwijs;</al><al> k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                            eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of
                            in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                            verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en
                            palen;</al><al> l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                            zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                            die dienen als woning;</al><al> m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                            delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><al> 2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                            lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al><al> 3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al> 1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf.</al><al> Het percentage bedraagt voor:</al><al> a. de gebruikersbelasting 0,1308%;</al><al> b. de eigenarenbelasting</al><al> 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                            0,1165%;</al><al> 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                            0,1496%</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al> De belastingen worden bij wijze van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al> 1. in afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee termijnen waarvan de eerste
                            vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de laatste termijn twee
                            maanden en later.</al><al> 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid geldt dat, ingeval
                            een machtiging is verleend tot automatische incasso en het totaalbedrag
                            van de op één aanslagbiljet verenigde aanslag gemeentelijke heffingen,
                            of wanneer het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan
                            minimaal € 125,-- doch niet meer dan € 1.800,-- bedraagt, de aanslagen
                            moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van
                            de dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar
                            waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat
                            het aantal termijnen ten minste 3 en ten hoogste 10 bedraagt. De eerste
                            termijn vervalt op of omstreeks de vijfentwintigste dag van de maand
                            volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al><al> 3. De in het tweede lid bedoelde machtiging tot automatische incasso
                            wordt geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen
                            niet zijn betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van
                            de belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen één maand na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de betaaltermijnen als
                            bedoeld in het eerste lid.</al><al> 4. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
                            van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
                            beschikking inzake een beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn
                            lid 1, 2 en 3 van overeenkomstige toepassing, voorzover deze
                            gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al><al> 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                            voorgaande leden gestelde termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                wethouders</titel></kop><al> Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al> Bij de invordering van de onroerende-zaakbelastingen “eigenaren” wordt
                            geen kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al> 1. De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014' van 19 december
                            2013, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                            datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                            toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                            voorgedaan.</al><al> 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                            die van de bekendmaking.</al><al> 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al><al> 4. Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen 2015'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Zuidwolde, 11 december 2014</ondertekening><ondertekening> De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> griffier, voorzitter,</ondertekening><ondertekening> drs. I.J. Gehrke, R.T. de Groot</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>